Poëtische waarheid

vorm van ruïnesEind 2012 keerde de Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez na zestien jaar Europese ‘ballingschap’ terug naar ‘zijn’ stad Bogotá. Zelf had hij daar niet zoveel zin in, maar vrouw en kinderen drongen aan. Gelukkig maar, want die terugkeer leverde opnieuw een meesterwerk op.

 

Juan Gabriel Vásquez groeide in de jaren tachtig op in de Colombiaanse hoofdstad Bogotá, op dat moment de meest gewelddadige stad ter wereld. Hij was amper 23 toen hij in 1996 zijn land vaarwel zei om in Parijs aan de Sorbonne Latijns-Amerikaanse literatuur te gaan studeren. In Europa wou hij zijn droom waarmaken: schrijver worden. Maar dat schrijverschap kwam niet meteen van de grond en hij belandde in een zware existentiële crisis. Een bevriend bejaard echtpaar nodigde hem uit voor een weekend op hun landgoed in de Belgische Ardennen. Het geplande weekend werden negen maanden en zijn eerste verhalen speelden zich af tijdens dat verblijf. In zijn nieuwe roman De vorm van ruïnes laat Vásquez een van zijn personages genadeloos afrekenen met die oude ‘brave’ Belgische verhalen. “Terwijl het thuisfront kampt met een burgeroorlog die meer dan twintigduizend doden per jaar eist, een terrorismeprobleem dat je nergens anders in Latijns-Amerika tegenkomt en een geschiedenis die van meet af aan wordt gekenmerkt door de moord op onze grote mannen, schrijft u over stelletjes in de Ardennen die uit elkaar gaan”, klinkt het verwijtend. Dat oordeel is ongenadig streng, want na zijn Belgische verhalen schreef Juan Gabriel Vásquez een aantal zeer indringende romans waarin zijn door drugs en geweld geteisterde geboorteland de hoofdrol speelt. Eerst vanuit Frankrijk, later vanuit Barcelona. Toen hij eind 2012 op verzoek van zijn vrouw en tweelingdochters samen met hen terugkeerde naar Bogotá, was dat ietwat tegen zijn zin. Hij was bang dat het gebrek aan afstand zijn vrije en vranke literaire stem over Colombia in de kiem zou smoren. De vorm van ruïnes schreef hij integraal in zijn geboorteland. Hij bewijst ermee dat zijn vrees om een voorzichtige, door de heimat geknechte schrijver te worden, totaal ongegrond was.

In De vorm van ruïnes duikt hij diep in het heart of darkness van zijn land, net zoals zijn grote idool Joseph Conrad hem dat voordeed in Congo. Vásquez reconstrueert twee politieke moorden die Colombia tot vandaag beroeren. De eerste is op Jorge Eliécer Gaitán, een beloftevol links-liberaal politicus die op 9 april 1948 doodgeschoten werd, de tweede op de linkse generaal en politicus Rafael Uribe Uribe die op 15 oktober 1914 met bijlslagen afgemaakt werd. De schrijver laat zich daarbij op sleeptouw nemen door de Kurtz-achtige Carlos Carballo, een hevig aanhanger van complottheorieën met een ongezonde obsessie voor het oeuvre van Vásquez.

Niemand schrijft soepeler en vloeiender dan Juan Gabriel Vásquez. De vorm van ruïnes is, alweer, een knap geconstrueerd meesterwerk en door de historische foto’s en de vele verwijzingen naar het persoonlijke leven van de schrijver bedrieglijk waarheidsgetrouw. Al is het boek wel degelijk een roman, bulkend van wat Vásquez zelf ‘poëtische waarheid’ noemt.

 

 

Juan Gabriel Vásquez

De lectuur van Honderd jaar eenzaamheid van zijn beroemde landgenoot Gabriel García Márquez ontstak bij Juan Gabriel Vásquez (1973) het heilige vuur om zelf ook schrijver te worden. Het magisch realisme liet hij achterwege. Hij debuteerde in 1997 met de novelle Persona. In 2004 schreef hij de biografie van zijn grote idool Joseph Conrad. Zijn grote internationale doorbraak beleefde hij in 2011 met Het geluid van vallende dingen waarmee hij de belangrijke Spaanse Premio Alfaguara won. Een jaar later werd de roman onderscheiden met de International IMPAC Dublin Literary Award.

 

Juan Gabriel Vásquez , De vorm van ruïnes, Signatuur, 520 blz. 24,99 euro

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

Soms is trop iets te veel

sport der koningenEen ‘Great American Novel’ schrijven: niets meer of minder was de ambitie van de nog jonge Amerikaanse schrijfster C.E. Morgan. Met haar tweede roman Sport der Koningen komt ze héél dicht in de buurt.

 

 

Vijf jaar geleden schreef C. E. Morgan naar aanleiding van de heruitgave van Light in August van William Faulkner op nieuwssite The Daily Beast een lange beschouwing over The Great American Novel. Het ideaal van die grote, epische roman die à la Faulkner de Amerikaanse ziel weet te vatten, was voor de (post)moderne literatuurliefhebber a bit of an embarrassment geworden, schreef ze. ‘De Great American Novel wordt gekastijd als een mannelijke uitvinding, als een viering van de literaire diepte en breedte van het mannelijke brein ten koste van zijn vrouwelijke tegenhanger. Bijna iedereen lijkt het erover eens te zijn: de ‘grote Amerikaanse roman’ is rijp voor het pensioen, of is een literaire dinosaurus die we, met trots, als uitgestorven mogen beschouwen.’ Wat Morgan vervolgens in haar artikel te vuur en te zwaard bestreed. ‘De Great American Novel is helemaal niet dood’, besloot ze. ‘Ons land is niet dood. Tragedie is niet dood. Hilariteit is niet dood, net als geboorte, huwelijk, seks, misdaad, haat, waanzin, gebed.’ De daad bij het woord voegend, werkte ze in de jaren erna naarstig aan Sport der Koningen, haar vuistdikke ‘grote Amerikaanse roman’ waarin ze op Faulkneriaanse wijze het epos van de bijna mythische familie Forge schrijft.

Henry Forge groeit in de jaren vijftig van de twintigste eeuw op het platteland van Kentucky op. Zijn vader stamt uit een familie met een bloedlijn die teruggaat tot de Amerikaanse Burgeroorlog. Rijke voorvader Samuel Forge vond Virginia, de staat waar hij woonde, te druk en te dichtbevolkt, hij zadelde zijn paard, stak met zijn favoriete slaaf de bergen over en legde in Kentucky de fundamenten voor de boerderij en de landerijen van de familie Forge. Henry’s vader is minstens even streng als oervader Samuel en tuchtigt zijn zoon met de riem. Maar de wil van de eigenwijze Henry breekt hij niet. Integendeel, wanneer Henry het op de boerderij voor het zeggen krijgt, ruilt hij de tabakskweek in voor het fokken van paarden. Hij moet en zal het ultieme paard fokken en zo zijn vader eens en voorgoed overvleugelen. Hij werkt daarvoor samen met zijn dochter Henrietta. Dat loopt niet van een leien dakje, want Henrietta heeft een aartje naar haar vaartje en is minstens even eigenzinnig. De komst van de zwarte ex-gevangene Allmon Shaughnessy als stalknecht, zet het conflict tussen vader en dochter op scherp.

C.E. Morgan is als schrijfster minstens een even grote doordouwer als haar hoofdfiguur Henry. Haar ambitie om die grote Amerikaanse roman te schrijven, spat van elke bladzijde. Alle ingrediënten zijn ook ruim aanwezig, met veel aandacht voor het brede historische perspectief, met schitterende beelden, fraai gecomponeerde zinnen, uitzinnige vreugde en neerdrukkende tragiek. Slaven, moord, doodslag, geknetter van vuursteengeweren, onversneden racisme, incest… you name it, C.E’s got it. Alleen jammer genoeg soms iets té veel. Want na vierhonderd bladzijden weegt de zoveelste gedetailleerde natuurbeschrijving toch ietwat zwaar. Met een klein beetje dosering was Sport der koningen uitgegroeid tot een waarlijk grote Great American Novel.

 

 

C.E. Morgan

De in Kentucky opgegroeide Amerikaanse schrijfster C. E. Morgan (1947) debuteerde in 2009 met de bejubelde liefdesroman Alle levenden. De National Book Foundation riep haar in datzelfde jaar prompt uit tot een van de vijf meest belovende Amerikaanse auteurs onder de 35. Morgan studeerde literatuur en theologie en schuwt het bijbelse taalgebruik niet.

 

C.E. Morgan, Sport der koningen, De Bezige Bij, 672 blz. 24,99 euro

 

© Jan Stevens

Vier voor de prijs van één

4321Wat als Hillary Clinton de Amerikaanse presidentsverkiezingen gewonnen had? Wat als Donald Trump zonder haarlak valt? Wat als uw kat een koe is? In 4 3 2 1 daagt Paul Auster het toeval uit en verkent hij mogelijke variaties op één mensenleven.

 

Het scheelde geen haar of Archibald Isaac Ferguson, het hoofdpersonage uit Paul Austers nieuwe roman 4 3 2 1, had Archibald Rockefeller geheten. Tenminste, dat leert de familieoverlevering. In 1900 voer Fergusons Russische grootvader Isaac Reznikov via Hamburg naar New York. In afwachting van zijn ondervraging door de immigratiedienst sloeg Reznikov een praatje met een andere Rus. ‘Met jouw naam raak je hier nergens”, zei die. ‘Zeg straks dat je Rockefeller bent.’ Toen Isaac Reznikov een paar uur later eindelijk bij de immigratiebeambte kwam, was hij zijn nieuwe naam alweer vergeten. Op de vraag hoe hij heette, antwoordde hij in het Jiddisch: ‘Ich hob fargesn.’ De beambte noteerde: ‘Ichabod Ferguson’.

De legende over opa Ferguson ging over van vader op zoon, vormt de start van 4 3 2 1 en van de mogelijke levens van Archibald ‘Archie’ Ferguson, het enige kind van Stanley en Rose.

Op 3 maart 1947 ziet Archie twee weken te vroeg het levenslicht in een materniteit in Newark, New Jersey. Niet toevallig een maand nadat Paul Auster op exact dezelfde plek geboren werd. Wat volgt zijn vier variaties van het verdere leven van Ferguson en zijn geliefden. Net alsof vanuit de oer-Archibald nog drie identieke Archibalds in hetzelfde universum een parallel bestaan uitbouwen. Alle vier worden ze verliefd op dezelfde vrouw, met telkens een andere afloop. Alle vier ervaren ze hetzelfde Amerikaanse stuk hedendaagse geschiedenis, telkens vanuit een totaal ander perspectief.

Voor een niet-gewaarschuwd lezer is het verwarring troef wanneer vader Stanley in het ene hoofdstuk gruwelijk aan zijn einde komt, om in het volgende hoofdstuk vervolgens verder vrolijk door het leven te huppelen. Maar het procedé went, werkt en zet een lezer aan tot mijmeren over het eigen levenspad. Om misschien uiteindelijk te besluiten dat dat al bij al nog niet zo rampzalig verliep, net zoals Auster op het einde van zijn roman, wanneer hij de betekenis van de titel 4 3 2 1 uitlegt.

Toeval is Paul Austers handelsmerk. Net als sterfelijkheid, New York, honkbal en identiteit. Met die thema’s vulde hij ettelijke, relatief dunne romans waarmee hij sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw een trouw publiek bereikt. Drie jaar werkte hij aan 4 3 2 1. Met de erg on-Austeriaanse dikte van 944 bladzijden lijkt het alsof dit zijn magnum opus moet worden. In de Angelsaksische wereld wordt het boek niet door iedereen even enthousiast ontvangen. “Paul Auster schreef een roman zo groot als zijn ego”, kopte een Britse recensent. Ietwat overdreven, want 4 3 2 1 is met veel zorg en toewijding geschreven vintage Auster, met deze keer zelfs vier romans voor de prijs van één.

 

Paul Auster

Na zijn studies verhuisde de Amerikaanse auteur Paul Auster (1947) begin jaren zeventig voor een paar jaar naar Frankrijk. Hij verdiende er zijn brood met het vertalen van Franse schrijvers. Terug in het door hem geliefde New York schreef hij een vooral in Europa erg gesmaakt oeuvre bijeen met ingenieus gecomponeerde romans waarin toeval en sterfelijkheid centraal staan, zoals The New York Trilogy (1985-1987), Moon Palace (1989) The Music of Chance (1990) en Leviathan (1992). Auster draagt 4 3 2 1 op aan zijn vrouw, schrijfster Siri Hustvedt.

 

Paul Auster, 4 3 2 1, De Bezige Bij, 944 blz. 34,99 euro

 

© Jan Stevens

Vinger in de kont

helden van de grensJe hebt trots geluk, het geluk dat ontstaat door in het licht van de dag goed werk te doen, jaren van waardevolle arbeid, en dan moe en voldaan, omringd door familie en vrienden, volop tevreden te zijn, klaar voor een welverdiende rust – de slaap of de dood, dat maakt niet uit. En je hebt het geluk van je persoonlijke puinzooi.

 

 

In Helden van de grens lukt het Dave Eggers net niet om écht grip op zijn hoofdpersonage te krijgen. Al blijft hij een meesterlijk chroniqueur van zijn tijd en houdt hij de vinger aan de pols.

 

Ooit was Josie een succesvolle tandarts in een stadje in Ohio, ‘gelukkig samenwonend’, met twee wolken van kleine kinderen. Vandaag is ze veertig, vrijgezel, uitgeblust en met haar achtjarige zoon Paul en vijfjarige dochter Ana voor zichzelf en haar verleden op de vlucht in een aftandse camper in Alaska. Josie’s in een roadtrip verpakte midlifecrisis vormt het geraamte van Dave Eggers nieuwe roman Helden van de grens.

Dat vroegere ‘succes’ van Josie is trouwens zeer relatief. Na een klacht van een patiënte moest ze haar tandartspraktijk verkopen en haar op de vingers van een hand te tellen liefdesaffaires baadden in tristesse. Zo bracht haar ‘ex-man-zonder-ruggengraat’ Carl toen ze nog samenleefden vanwege zijn ‘zwakke darmen’ de meeste tijd op de wc door. Haar latere ‘vriendje-met-de-kleine-lul’ Tyler kon het dan weer niet laten om tijdens het liefdesspel zijn vinger eerst in haar kont te stoppen om er later – discreet – aan te ruiken.

In Een hologram voor de koning voerde Dave Eggers in 2012 David Clay op, een andere tragikomische mislukkeling met een knoert van een midlifecrisis. Net als Clay voelt ook Josie zich steeds dieper wegzinken in haar poel vol problemen. David Clay incasseerde de gevolgen van de globalisering op de Amerikaanse economie; Josie worstelt met de fall-out in haar eigen gemeenschap van de oorlog in Afghanistan. Ze voelt zich verantwoordelijk voor de gewelddadige dood van de jonge soldaat Jeremy. Vanuit naïeve onwetendheid had ze hem, tegen de wil van zijn ouders, gesteund om in Afghanistan ‘scholen en ziekenhuizen te gaan bouwen’. Ooit was ze immers zelf vrijwilliger bij het Peace Corps. Maar de War on Terror blijkt in werkelijkheid geen synoniem te zijn van ontwikkelingshulp. Verteerd door schuldgevoel hoopt Josie troost te vinden in wijn en in de woeste natuur van Alaska.

Net als in Een hologram voor de koning schetst de geëngageerde Eggers in Helden van de grens de ontreddering die het hedendaagse Amerika overspoelt. Al lukt het hem deze keer niet helemaal om grip op zijn hoofdpersonage te krijgen. Overdreven veel empathie of compassie zal een lezer niet voelen voor de zwalpende Josie. Maar haar weetgierige zoon Paul en brutale dochter Ana zullen dan weer wél veel lezersharten bekoren.

 

Dave Eggers

De Amerikaanse auteur Dave Eggers (°1970) debuteerde in 2000 met het autobiografische Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit, wat hem meteen een nominatie voor de Pulitzer Prize opleverde. In goed geschreven, sociaal geëngageerde romans als Wat is de Wat en De Circel slaagt Eggers er telkens in om de huidige tijdsgeest te vatten. Een hologram voor de koning is pas verfilmd met Tom Hanks in de hoofdrol.

 

Helden van de grens, Dave Eggers, Lebowski (oorspronkelijke titel: Heroes of the frontier), 368 blz., 24,99 euro

 

© Jan Stevens

Bloedstollend & briljant

zwarte vlaggenDe zwarte vlaggen kwamen uit het oosten, zoals de profetieën van de Hadith hadden voorspeld, en werden gedragen door mannen met baarden en lang haar, en namen die ze hadden meegebracht uit hun geboorteplaatsen.

 

 

 

Met Zwarte vlaggen won de Amerikaanse journalist Joby Warrick dit jaar terecht zijn tweede Pulitzer. Verplichte lectuur voor wie wil weten hoe IS zo snel kon uitgroeien tot een van de bloedigste en meest gevreesde terreurgroepen ooit.

 

‘Bloedstollend en briljant’, jubelt de Nederlandse uitgever in zijn persbericht naar aanleiding van de publicatie van Zwarte vlaggen. Uitgevers kunnen de neiging moeilijk onderdrukken om zowat al hun koopwaar met dit soort van adjectieven aan te prijzen, maar in dit geval is het helemaal waar. Washington Post-journalist Joby Warrick schreef een geniaal boek over de geboorte en razendsnelle opkomst van terreurbeweging Islamitische Staat. Hij sprak uitgebreid met hoofdrolspelers uit de geheime diensten van Amerika en Jordanië. Die overvloed aan kennis en informatie schemert door in zowat alle bladzijden.

De founding father van IS is de Jordaanse gruwelterrorist Abu Musab al-Zarqawi. Hij droomde van een wereldwijd kalifaat vol zwarte vlaggen en elk middel heiligde dat doel, inclusief het opblazen van een trouwfeest. Hij vergoot zoveel bloed dat zelfs de leiding van Al-Qaida er lichtjes misselijk van werd. Zarqawi bedacht ook een nieuw succesvol horrorfilmgenre: dat van de onthoofdingsvideo. In mei 2004 sneed hij voor de camera het hoofd af van de in een oranje overall geklede Amerikaan Nick Berg. Zijn volgeling Jihadi John zou dat genre later verder ‘verfijnen’ en er veel opzien mee baren.

Volgens Joby Warrick kon de ‘sjeik van de slachters’ uitgroeien tot een terroristische wereldster dankzij de desastreuze politiek van de Amerikaanse president George W. Bush. Een half jaar na 9/11 beweerde die via zijn minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell dat de op dat moment totaal onbekende Zarqawi de rechtstreekse link vormde tussen de Iraakse dictator Saddam Hoessein en Al-Qaida. In Zwarte vlaggen vertellen hoge CIA-ambtenaren hoe ze maandenlang door de Bush-regering zwaar onder druk gezet werden om een al dan niet verzonnen smoking gun voor die loze bewering te leveren. ‘Toen de Amerikaanse troepen een paar weken later Irak binnenvielen, verwierf de inmiddels beroemde en goed gefinancierde terrorist zowel een doel als een strijdtoneel en al snel had hij duizenden volgelingen’, schrijft Warrick. IS kon aan zijn opmars beginnen.

Joby Warrick weet hoe hij een spannend verhaal moet vertellen. Hij heeft een gouden pen en bedient zich zonder schroom van technieken uit de romanschrijfkunst, met levendige dialogen en heuse cliffhangers. In het begin zorgt dat voor een beetje achterdocht. Want hoe koosjer is het om een brok hedendaagse non-fictie te overgieten met lekkere saus uit de afdeling fictie? Voor Zwarte vlaggen is dat heel koosjer: het levert een uitstekend, fascinerend boek op.

 

 

Joby Warrick

De Amerikaanse journalist Joby Warrick (°1960) won met Zwarte Vlaggen voor de tweede keer de gerenommeerde Pulitzer Prize. Sinds 1996 schrijft hij voor de krant The Washington Post over het Midden-Oosten, Amerikaans buitenlands beleid, inlichtingenwerk en terreur.

 

Zwarte vlaggen. De opkomst van IS, Joby Warrick, Uitgeverij Q (oorspronkelijke titel: Black Flags. The Rise of ISIS), 400 blz., 19,99 euro

 

© Jan Stevens

Ochtendkoorts

ochtendkoortsOchtendkoorts veroorzaakte op de London Book Fair bij veel uitgevers een sterk verhoogde temperatuur. Allemaal stonden ze te springen om ‘één van de betoverendste liefdesgeschiedenissen van de 20e eeuw’ uit te mogen geven. Iets minder ‘betovering’ en iets meer ‘onttovering’ had een nóg betere roman opgeleverd.

 

Naar het schijnt sloegen uitgevers elkaar op de London Book Fair vorig jaar net niet de kop in om de rechten op het romandebuut Ochtendkoorts van de Hongaarse filmregisseur Péter Gárdos te verwerven. Gárdos was op dat moment bezig met de verfilming van zijn boek; vermoedelijk zagen al die uitgevers ‘commercieel potentieel’ in een kruisbestuiving tussen ‘een prachtig liefdesverhaal’ op het witte doek en op papier.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog werden heel wat Holocaustoverlevenden verscheept naar opvangkampen in Zweden, om er te herstellen en aan te sterken. Een van hen is Miklós, een 25-jarige Hongaarse overlevende van Bergen-Belsen. Hij heeft tbc en krijgt van de behandelende arts te horen dat hij maximaal nog een half jaar te leven heeft. Miklós hoopt nog een lief te vinden voor hij sterft en schrijft een identieke brief naar 117 Hongaarse vrouwen die net als hij een kamp overleefd hebben en nu in Zweden verblijven. Honderden kilometers verder leest Lili zijn brief. Uit verveling schrijft ze hem terug. Met elke brief die ze van dan af naar elkaar schrijven, groeit hun verliefdheid.

In Ochtendkoorts vertelt Péter Gárdos het liefdesverhaal van zijn eigen ouders. Vlak nadat zijn vader Miklós, in Hongarije een bekend journalist, in 1998 stierf, kreeg hij van zijn moeder twee pakketjes met brieven die ze tussen september 1945 en februari 1946 naar elkaar verstuurd hadden. ‘Je vader heeft me met zijn brieven verleid’, zei ze. Ideale grondstof voor een prachtig verhaal over liefde, moet Péter Gárdos terecht gedacht hebben. Alleen hebben de twee tortelduiven van dienst afgrijselijke dingen meegemaakt die in Gárdos’ roman totaal irrelevant lijken te zijn. Een paar zinnen wijdt hij aan de kampgruwel: trefzekere penseelstreken die de deur naar de waanzin een halve bladzijde lang op een kier zetten. Waarna de schrijver die deur meteen weer dicht trapt, om vervolgens het blik ‘humor’ open te trekken, waardoor Ochtendkoorts bijwijlen ondraaglijk licht wordt.

In een van zijn brieven schreef Miklós dat hij een idee had voor een roman over ‘de gemeenschappelijke verschrikking’ van de treinreis naar de Duitse kampen. Op het einde van Ochtendkoorts vraagt Péter Gárdos zich af waarom zijn vader dat boek nooit geschreven heeft. Jammer dat er in zijn eigen roman niet veel terug te vinden is van de sporen die die treinreis bij zijn ouders nagelaten moet hebben.

Ochtendkoorts is geen slechte roman, maar is soms iets te veel La vita è bella en ruikt af en toe iets te hard naar wat Björn Soenens ‘constructieve epiek’ zou noemen.

 

Péter Gárdos

De in Boedapest geboren Péter Gárdos (°1948) is in zijn thuisland Hongarije een gerespecteerd filmregisseur. Hij maakte meer dan zeventig films, zowel documentaires als kort- en langspeelfilms. Zijn werk werd bekroond met meer dan twintig internationale prijzen, waaronder de publieksprijs van het Montreal Film Festival en ‘The Golden Hugo’ van het Chicago Film Festival.

 

Ochtendkoorts, Péter Gárdos, Ambo/Anthos (oorspronkelijke titel: Hajnali láz), 286 blz., 19,99 euro

 

© Jan Stevens

“Ik weet wat racisme aanricht”

Alles wat Ish Ait Hamou aanraakt, lijkt in goud te veranderen. Als danser gooit hij hoge ogen op tv en als auteur schrijft hij bestsellers. Al had het voor de jongen met Marokkaanse roots uit Vilvoorde ook anders kunnen eindigen. ‘Ik heb zelf ervaren wat onversneden racisme aanricht. Ik ben blij dat ik in mijn leven ook positieve ervaringen mocht meemaken die de woede hielpen temperen.’

 

Het zijn drukke tijden voor danser, choreograaf en schrijver Ish Ait Hamou (28). Nadat hij voor Terug naar eigen land, het nieuwe VIER-programma van Martin Heylen, begin dit jaar samen met andere BV’s vanuit de Somalische hoofdstad Mogadishu de vluchtelingenroute naar Europa volgde, stelde hij onlangs op de trein van Oostende naar Leuven zijn nieuwste boek Als je iemand verliest die je niet kan verliezen voor. Nu zit hij middenin de opnames van Alors on dance, een dansprogramma dat in de lente op Eén te zien zal zijn. ‘Voor elke aflevering trek ik naar een grote of kleine onderneming waar ik twee teams leer dansen’, zegt hij. ‘De ene keer zijn het werknemers van een afvalbeheerbedrijf, de andere keer van een autofabriek. De teams zijn samengesteld uit mensen die op verschillende afdelingen werken, van kaderlid tot arbeider. Ze hebben vier weken tijd om een dansvoorstelling voor te bereiden, die ze vervolgens in een volle theaterzaal brengen. Die mensen hebben in hun hele leven nog nooit gedanst. Daarom is het zo interessant om te zien wat dansen in hen losmaakt. Ze bloeien open, maar worden ook terug gegooid op zichzelf. Dankzij Alors on dance leren collega’s van verschillende niveaus elkaar beter kennen. Het viel me op dat sommigen al vijftien jaar in hetzelfde bedrijf werken, zonder veel over elkaar te weten.’

Op het einde van elke aflevering dagen de twee teams elkaar uit in een spectaculaire dansbattle, maar voor Ish is die eindvoorstelling bijzaak. ‘De weg ernaartoe is veel belangrijker’, vindt hij. ‘Als danser heb ik dat zelf mogen ervaren. Dansen is een kunstvorm waarin je jezelf helemaal moet blootgeven. Je staat oog in oog met jezelf, met je gebreken, je goede kanten, je minder goede kanten. Ik vind het boeiend om te zien hoe de deelnemers omgaan met angst. Ik haal hen uit hun comfortzone en observeer wat er met hen gebeurt. Dat is fantastisch.’

 

Omdat je daarin jouw eigen dansparcours herkent?

Ish Ait Hamou: Precies. Alors on dance is sterk gebaseerd op mijn eigen parcours. Ik probeer de deelnemers iets mee te geven van het pad dat ikzelf heb gevolgd. Er zijn trouwens nogal wat paralellen tussen leven en dansen. Je moet zowel in je leven als in de dans bereid zijn om te experimenteren, en je mag jezelf niet vastzetten door alleen maar datgene te doen waar je goed in bent. De meeste mensen focussen uitsluitend op die dingen waarin ze uitblinken en nestelen zich in hun comfortzone. Ik vind dat we daaruit moeten breken. Dat verloopt niet zonder slag of stoot. In de eerste aflevering van Alors on dance zegt een vrouw voortdurend: ‘Ik kan het niet.’ Op de eindvoorstelling levert ze een schitterende prestatie en krijgt ze een staande ovatie.

 

Waar komt jouw fascinatie voor dans vandaan?

Ait Hamou: In het begin zocht ik iets dat me een beetje ‘speciaal’ maakte. Als jongen was ik op zoek naar mijn eigen stem; ik wou cool zijn. Ik leidde een gewoon leventje, maar daarbovenop wou ik iets dat alleen maar van mij was. Ik was een jaar of twaalf toen ik een videoclip zag met hiphop en breakdance, ik imiteerde de dansbewegingen, dat ging als vanzelf en ik voelde me meteen cool. (lacht) Ik was superman. Dat bleef groeien, tot ik op een bepaald moment ontdekte dat er diepte in dans zit. Ik zag dat dansen een opeenvolging van uitdagingen vormt. Ik botste voortdurend tegen limieten en daar kickte ik op. Ik ben wild van dansen omdat er telkens weer een nieuwe grens verlegd moet worden. Niet alleen lichamelijk, ook mentaal. Hoe reageer je als het moeilijk wordt? Haak je af of overwin je die lastige fase? Ik hield vol. Dat is niet alleen mijn verdienste, ook die van de mensen om me heen. Steun is een enorme kracht. Jammer genoeg steunen we elkaar te weinig.

 

Breken we elkaar ook te veel af?

Ait Hamou: Ja, veel te veel. Ik merk het in mijn omgeving, bij jonge mensen, bij zowat iedereen. We leven in een tijd waarin ieders mening belangrijk geworden is. Natuurlijk is het goed we onze mening vrij kunnen uiten, alleen beschouwen we ze al te vaak als de absolute waarheid. Dan wordt het gevaarlijk. Het is misschien een dom voorbeeld, maar ik stoor me enorm aan wat nu Laura Tesoro, de winnares van Eurosong, overkomt. Van sommigen krijgt ze de wind van voren, ook van mensen uit het vak. Of je fan bent of niet, Laura is wél verkozen om ons land te vertegenwoordigen. Ze staat misschien nog niet op het toppunt van haar kunnen, maar ze zit wel middenin haar reis ernaartoe. Ze kan alleen uitgroeien tot een Belgische Beyoncé als we haar steunen.

 

Heb jij dan nooit kritiek gekregen?

Ait Hamou: Toch wel, gelukkig had ik altijd vrienden en familieleden waar ik op kon terugvallen en die mij steunden. Je komt altijd wel iemand op je parcours tegen die je tot op de grond afbreekt. Nu zijn er ook nog eens de sociale media die negatieve commentaren versterken.

 

Twee jaar geleden debuteerde je met Hard hart. Vandaag prijkt je derde boek Als je iemand verliest die je niet kan verliezen bovenaan de bestsellerlijsten. Schrijven is toch iets helemaal anders dan dansen?

Ait Hamou: Ik schrijf al even lang als ik dans: die twee lopen parallel. Twee jaar voor mijn debuut was ik te gast op de finale van Sterren op de dansvloer. Een journalist vroeg waar ik mee bezig was. Ik antwoordde: ‘Ik heb net een boek geschreven. Hopelijk wordt het ooit eens uitgegeven.’ Ik schrijf al sinds mijn dertiende, maar iets bestaat pas wanneer de media erover praten. (lacht) Het is ook niet zo dat je maar een schrijver wordt op het moment dat je eerste boek van de drukpersen rolt. Je bent schrijver van zodra je met passie een tekst op papier zet.

 

Had je verwacht dat je als schrijver zo succesvol zou worden?

Ait Hamou: Als ik met een nieuw project begin, koester ik zelden verwachtingen. Ik wil dan wel heel graag dat het een succes wordt, want daar put ik de energie uit om er keihard aan te werken. Toen ik mijn eerste boek schreef, wist ik niet eens dat het ooit gepubliceerd zou worden. Ik was in die tijd even gelukkig als toen het twee jaar later uitgegeven werd. Als je iemand verliest die je niet kan verliezen is er gekomen op vraag van ‘Te Gek?!’, de organisatie die het taboe rond geestelijke gezondheid wil helpen doorbreken. Het verhaal lag al een tijdje in mijn schuif toen ‘Te Gek?’ vroeg of ik iets voor hun campagne wou schrijven. Ik liet het hen lezen en zij waren enthousiast: ze zagen meteen raakvlakken tussen Als je iemand verliest die je niet kan verliezen en hun missie. Het grootste thema in mijn boek is de communicatie tussen de twee hoofdpersonages, de topchirurg Sheila en de Palestijnse vluchteling Sulayman. Op de trein ontmoeten die twee elkaar bij toeval, ze beginnen te praten, vertellen wie ze zijn en waar ze vandaan komen. ‘Te Gek?!’ wil mensen ertoe aanzetten om te communiceren, om met anderen te praten over hun geestelijke problemen. Net als Sheila en Sulayman.

 

Het gebeurt zelden dat twee vreemden op de trein met elkaar spontaan beginnen praten.

Ait Hamou: Dat is heel jammer. Mensen hebben schrik om een gesprek met een vreemdeling aan te knopen. Niet omdat ze bang zijn voor het onbekende, maar voor wat er zou kunnen gebeuren. ‘Misschien draait hij zich om en loopt hij weg.’ Terwijl ze in de overgrote meerderheid van de gevallen gewoon antwoord krijgen. Zelfs al reageert maar de helft van alle mensen, dan nog is het de moeite waard om tenminste een poging te wagen.

 

Je twee hoofdpersonages ontmoeten elkaar later opnieuw, in dramatische omstandigheden: in het operatiekwartier van een ziekenhuis.

Ait Hamou: Vanuit mijn danservaring heb ik geleerd om te werken met contrasten. Als schrijver vond ik het fijn om die twee mensen eerst dicht bij elkaar te brengen in een situatie waarin ze met elkaar kunnen praten, en ze vervolgens opnieuw dicht bij elkaar te brengen in omstandigheden waarin communiceren uitgesloten is. Op het ene moment staan ze in het leven, op het andere moment vechten ze tegen de dood.

 

Denk jij vaak aan de dood?

Ait Hamou: Van jongs af probeer ik de dood te integreren in mijn leven. Veel mensen moffelen de dood weg; ik niet. Ik weet dat ik zal sterven en dat heeft invloed op wat ik nu met mijn leven aanvang. Ik wil geen tijd verknoeien, al verknoei ik die in werkelijkheid vaak wel. (lacht). De dood is een goede reminder. Ik wil er niet bang voor zijn; doodgaan is nu eenmaal inherent aan het leven.

 

Is het makkelijker voor jou om met de dood te leven omdat je gelovig bent?

Ait Hamou: Dat weet ik niet, want ik ben nooit ongelovig geweest. (lacht) Natuurlijk twijfel ik wel eens, maar het is niet omdat ik geloof dat de rede bij mij uitgeschakeld is. In de islam is het belangrijk om te blijven studeren, te blijven lezen. Wat is er juist, wat niet? Waarom is iets zus en waarom niet zo? Elke gelovige twijfelt wel eens. In mijn geloof heb ik een relatie met God. Ik heb ook een relatie met mijn ouders. In mijn ogen zijn zij heilig, al twijfel ik soms aan woorden die ze uitspreken. Daar is niets mis mee.

 

Hoe moeilijk is het als gelovig schrijver om je in te leven in een ongelovig personage?

Ait Hamou: Ik vind dat heel gemakkelijk omdat ik een niet gelovige best wel kan begrijpen. Begrip hebben voor iemands keuze is levensbelangrijk. Ik vind dat ik dat tot hiertoe zelf goed heb kunnen toepassen, al slaagt niet iedereen daarin. Als het op samenhorigheid aankomt, beleven we momenteel geen leuke tijden. Neem de vluchtelingenproblematiek: aan de ene kant zijn er Vlamingen die daar heel negatief tegenover staan, aan de andere kant mensen die er heel positief over zijn. Ik behoor tot het laatste kamp. Al degenen die positief over vluchtelingen denken, zouden alle negativo’s moeten proberen overstemmen. Maar dat gebeurt niet: terwijl de negativo’s lawaai staan maken, schudden de positivo’s met het hoofd. Het is hoog tijd dat positieve mensen zich wat meer laten horen.

 

Voor Terug naar eigen land volgde jij vanuit de Somalische hoofdstad Mogadishu de vluchtelingenroute naar Europa.

Ait Hamou: Dat was een van de moeilijkste reizen die ik ooit gemaakt heb. Ik heb het nog steeds lastig met wat ik zag en hoorde. Net als iedereen heb ook ik een droom over een betere wereld. In Somalië leek het alsof mijn droom aan diggelen werd geschoten. Ik kreeg er een stevige klap. Het is heel lastig om uit te leggen wat er precies gebeurd is. Maar als je daar rondloopt en met mensen praat, begin je het systeem te zien dat hen onderdrukt. Ik heb met eigen ogen gezien hoe onderdrukking levens van mensen verwoest. Ik besef nu ook dat het aartsmoeilijk is om met dat systeem komaf te maken. Niet dat ik het opgeef, maar ik word er wel moedeloos van. Als er een ding is waar alle deelnemers van het programma het over eens zijn, of ze nu rechts of links zijn, is dat ze allemaal net hetzelfde zouden doen: op de vlucht slaan.

 

Ook Jean-Marie Dedecker of Veroniek Dewinter, de dochter van Filip?

Ait Hamou: Iedereen. ‘Ik snap het. Ik zou ook wegvluchten.’ Ze hebben dat allemaal gezegd; dat kunnen ze nu niet ontkennen. Het frustrerende is dat de term ‘vluchteling’ in de media alleen maar gebruikt wordt in een negatieve context. Als dertienjarige hing ik rond in de slechte wijken van Vilvoorde. Ik ontmoette er mensen met kwade bedoelingen die me de verkeerde richting uitduwden. Tot ik van hen wegvluchtte. Ik werd ouder en wou dansen. Op mijn zeventiende voelde ik me niet meer gelukkig in deze stad. Ik besliste om naar Amerika te reizen. Ik vluchtte weer weg, omdat ik op zoek was naar geluk. Na een jaar in Amerika keerde ik terug. Hier was geen werk voor een danser, dus vluchtte ik opnieuw. Eerst zocht ik mijn heil in Duitsland en later in Nederland. Alles wat ik in die jaren tijdens dat vluchten heb meegemaakt, hebben me gevormd tot wie ik nu ben. Sommigen noemen me ‘een voorbeeld voor de jongeren’. Mijn zoektocht naar een beter leven heeft er dus blijkbaar toe bijgedragen dat ik uitgegroeid ben tot ‘een voorbeeld voor anderen’. Al die vluchtelingen die nu op zoek zijn naar geluk en een beter leven, worden profiteurs genoemd. Het enige verschil tussen hen en mij, is dat ik een paspoort heb en zij niet. Ik vind het erg dat mensen die begrip hebben voor de beweegredenen van vluchtelingen, gebasht worden. Terwijl ze enkel laten zien dat ze een hart hebben.

 

Vanuit Vilvoorde zijn nogal wat jongens naar Syrië gaan vechten. Ken jij sommigen onder hen?

Ait Hamou: Ja, ze zaten samen met mij op school, of speelden mee voetbal in een parkje. Je moet hun geschiedenis kennen om te kunnen begrijpen waarom ze naar Syrië vertrokken zijn. Aan elke keuze die een mens maakt, gaan heel wat gebeurtenissen vooraf. Het is niet zo dat ze op een avond een spuitje kregen, om de volgende dag ijlings te vertrekken. De omgeving waarin ze opgroeiden, speelt een rol, net als hun karakter. Sommige mensen kunnen goed om met slechte ervaringen, anderen krijgen die maar moeilijk verwerkt. Om te vermijden dat nog andere jongeren hetzelfde pad opgaan, is alles belangrijk: de sfeer in de buurt waar ze wonen, de kansen die ze krijgen.

 

De Syriërstrijders kregen in dit land te weinig kansen?

Ait Hamou: Zonder twijfel. Ikzelf had in het verleden heel vaak problemen omwille van mijn Marokkaanse afkomst of mijn geloof. Dat ging dan over ‘kleine’ zaken zoals: de toegang geweigerd worden tot een discotheek of geen job krijgen via een uitzendkantoor. Dat was schering en inslag en afschuwelijk om mee te moeten maken. Gelukkig was niet alles negatief: zo kreeg ik als jonge ondernemende gast vertrouwen van het stadsbestuur van Vilvoorde. Dat gaf me vleugels. Anderen werden misschien alleen maar vernederd. Ik weet wat onversneden racisme met een mens aanricht. Ik ben blij dat ik in mijn leven ook positieve ervaringen mocht meemaken die de woede diep van binnen hielpen temperen.

 

Ish Ait Hamou, Als je iemand verliest die je niet kan verliezen, Manteau, 128 blz., 15 euro

 

©  Jan Stevens