De zakenman-zendeling

Vijftien jaar geleden gaf Scientology-lid Marc De Turck fel gecontesteerde cursussen in het Vlaamse parlement en in Belgische ministeries. Vandaag traint hij vooral Oost-Europese managers en ambtenaren in de ‘managementbeginselen’ van Scientology-stichter en goeroe L. Ron Hubbard. ‘Onze kerk moet zich handhaven volgens de economische principes van de hedendaagse samenleving.’

Op 11 maart 2016 vierden de leden van de Scientology-kerk van België feest. Na een gerechtelijk onderzoek dat 18 jaar geduurd had en 40.0000 pagina’s telde, verklaarde de correctionele rechtbank van Brussel alle aanklachten tegen de sekte onontvankelijk. Die aanklachten logen er nochtans niet om: oplichting, afpersing, uitoefening van illegale geneeskunde, inbreuken op de privacywet en schriftvervalsing. Federaal procureur Christophe Caliman eiste de ontbinding van de Belgische tak van Scientology en strenge straffen voor elf vooraanstaande leden. Volgens hem bulkte het onderzoek van de aanwijzingen dat Scientology België allesbehalve een kerk was, maar een commerciële onderneming, vooral geïnteresseerd in het geld van de leden. Rechtbankvoorzitter Yves Régimont veegde in zijn 173 bladzijden tellende beslissing resoluut de vloer aan met datzelfde gerechtelijke onderzoek. ‘Onvolledig kladwerk’, oordeelde hij. ‘Het dossier is te onduidelijk om op basis hiervan iemand te veroordelen.’ Het parket-generaal ging niet in beroep en een maand later jubelde Scientology België op haar website dat ‘de definitieve beslissing’ een ‘overwinning voor de vrijheid van religie in België’ is.

Sinds de uitspraak lijkt Scientology uit het vizier verdwenen, terwijl er in de maanden en jaren ervoor regelmatig verhalen in de media opdoken over pogingen van de organisatie om invloed te verwerven via bedrijven, scholen én overheidsinstellingen. Zo sloeg eind 2001 een dokter van een Brussels openbaar ziekenhuis alarm toen hij tijdens een computercursus de lesgever herkende als Marc De Turck, de toenmalige woordvoerder van Scientology. Het ziekenhuis verbrak meteen de samenwerking met De Turck en niet veel later waarschuwde de Staatsveiligheid de Vlaamse en Waalse ministers van Volksgezondheid voor infiltratie door de sekte in de sociale sector. In februari 2007 maakten de toenmalige senatoren Luc Willems en Margriet Hermans (allebei Open Vld) bekend dat Scientology twee jaar eerder geprobeerd had overheidsdiensten te infiltreren. Diezelfde Marc De Turck had toen via zijn bedrijf Ideas als onderaannemer voor een informaticagigant computercursussen gegeven in het Vlaamse Parlement. De Turck zou eerder ook cursussen verzorgd hebben in verschillende ‘Belgische federale instellingen’, meer bepaald de ministeries van Defensie, Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken. Volgens Willems en Hermans was Ideas niets meer of minder dan een mantelorganisatie van Scientology.

Acht jaar geleden zei Margriet Hermans de nationale politiek vaarwel, maar ze heeft nog haarscherpe herinneringen aan wat zij ‘de propagandisten van Scientology’ noemt. ‘In het begin van mijn politieke carrière kwamen ze me opzoeken’, zeg ze. ‘Ze liepen toen de deuren van veel politici plat. Ik kende een paar leden die een deel van hun inkomsten moesten afstaan. “Wat krijgen jullie daarvoor in ruil?” vroeg ik. “Cursussen, informatie en psychologische ondersteuning.” Het draaide bij Scientology allemaal rond geld en ik vond het zeer verontrustend dat ze in die tijd door de Spaanse overheid als godsdienst erkend werden. Samen met collega Luc Willems sloeg ik alarm over hun cursussen in het parlement, waardoor ze meteen beseften dat ik hun vriend niet was. Wij konden niet anders dan vaststellen dat Scientology een sekte is.’

De rechtbank sprak de organisatie vorig jaar toch vrij? Margriet Hermans: ‘Bij gebrek aan bewijs en omdat de benadeelden zich volgens de rechter uit vrije wil geëngageerd hadden. Ik ben niet goed van die uitspraak en vraag me af of Scientology toen weer gelobbyd heeft.’

Margriet Hermans denkt dat de rechter zich heeft laten beïnvloeden? ‘Ja. Ik weet dat het een zware beschuldiging is, maar ik kan niet geloven dat die sekte zomaar vrijgepleit is.’

 

‘Succesvolle BOSS’

Anno 2017 is de 55-jarige Marc De Turck nog steeds lid van Scientology en geeft hij ook nog steeds cursussen in ondernemingen en bij overheidsdiensten. Alleen zijn dat geen computeropleidingen meer, maar volgens zijn website ideas-freeboss.com ‘grappige, dynamische, effectieve en succesvolle live trainingsessies’, bij voorkeur in Bulgarije, Macedonië, Oekraïne en Rusland. Nog op zijn website stelt ‘Marc J. de Turck’ zich in een videofilmpje in krukkig Engels voor als: ‘Een strategische consultant, een trainer gespecialiseerd in doelen stellen, beleid maken, strategische investeringen, veiligheidsvraagstukken, PR en organisatie.’ En: ‘Een spreker van zeven talen, waaronder Mandarijn Chinees.’ Hij noemt zichzelf: ‘trainer van managers en topkaderleden van grote ondernemingen zoals Mazda, Toyota, Hitachi, Allianz, Cisco en DHL en consultant van regeringen van verschillende landen’. Naar eigen zeggen was hij in 1989 ‘de jongste adviseur ooit van de stafchef van de Belgische federale politie’ en is hij sinds jaar en dag ‘officieel lobbyist in het Europese Parlement’. Alleen is in het officiële register van Europese lobbyisten geen spoor van Marc De Turck terug te vinden. ‘Toen ik dat filmpje maakte, was ik wel als lobbyist geregistreerd’, reageert hij. ‘Maar nu verblijf ik voor 80 % van mijn tijd in Bulgarije en is dat niet meer aan de orde.’ Begin maart van dit jaar gaf hij in de Oekraïense hoofdstad Kiev aan plaatselijke ondernemers en managers een tweedaagse leiderschapstraining ‘Succesvolle BOSS’. Op de website van het eveneens aan Scientology gelinkte organiserende consultancybedrijf Olerom werd De Turck voorgesteld als: ‘adviseur van leden van het Europese Parlement, adviseur van politici van verschillende landen en van Belgische ambtenaren.’

Op 7 november 1948 verkondigde de Amerikaanse sciencefictionschrijver Lafayette Ron Hubbard (1911-1986) op een bijeenkomst van de Eastern Science Fiction Association: ‘Je wordt niet rijk met het schrijven van SF. Wie rijk wil worden, moet een religie starten.’ Zes jaar later richtte hij in Los Angeles de eerste Church of Scientology op. Vandaag is de organisatie aanwezig in meer dan 180 landen en telt ze naar eigen zeggen miljoenen leden, met als bekendste aanhangers John Travolta, Tom Cruise, Beck en Priscilla Presley. In 1972 zette de beweging in ons land voet aan wal en in 1980 ging de Church of Scientology in Belgium officieel van start. Marc De Turck werd in april 1993 lid. ‘Ik werd uitgenodigd op een seminarie omtrent communicatie en begrip’, schrijft hij. Een mondeling interview zag hij eerst ‘misschien wel’ zitten, niet veel later kwam hij daar op terug en wou hij enkel schriftelijk vragen beantwoorden. De Turck: ‘Na het seminarie schafte ik me drie boeken van Ron Hubbard aan: Dianetics, Zelf Analyse en Inleiding tot de ethiek. In die boeken vond ik antwoorden op vragen die ik al geruime tijd had. Niet lang daarna stapte ik de Scientology kerk binnen. Door de spirituele kennis over mezelf en dankzij de praktische kennis over succesvol handelen, zijn zowel mijn persoonlijke als zakelijke leven erop vooruit gegaan.’

Op zakelijk vlak lijkt dat succes op het eerste gezicht relatief. De voorbije twaalf jaar flirtte De Turcks vennootschap Ideas cvba vooral met verlies. Op 1 januari 2017 cumuleerde ze een verlies van 47.572 euro en bedroeg het negatief eigen vermogen 28.980 euro. Volgens De Turck is dat een vertekend beeld. ‘Mijn hoofdactiviteit is verplaatst naar Sofia en daarom heb ik daar een Ltd. opgericht’, zegt hij. ‘Ideas cvba blijft intussen bestaan omdat er altijd verandering mogelijk is.’ Op de vacaturesite jobs.bg stelt het trainingscentrum Ideas-Freeboss alias Markdeturk & co Ltd. zich aan de Bulgaarse werkzoekenden voor als onderdeel van de grote multinational Ideas International, met kantoren verspreid over heel Europa. Het adres van Ideas Intl. is hetzelfde als dat van het zieltogende Ideas cvba in Meise.

Scientology is volgens Marc De Turck een kerk en geen sekte omdat de organisatie ‘een gemeenschap van mensen met een gelijkaardig geloof is, georganiseerd in een religieuze structuur, in de traditie van de oudste Oosterse religies.’ De kerk wordt gesponsord door haar leden. Marc De Turck: ‘Kerkleden geven donaties voor ‘auditing’ of ‘training’. Die bijdragen zijn de voornaamste inkomstenbron en financieren alle religieuze en sociale verbeteringsprogramma’s die door de Kerk worden gesponsord.’

De Scientology-leer kan niet verbergen dat ze uit de koker van een science-fictionschrijver komt. Het diepste spirituele wezen van de mens is volgens stichter Ron Hubbard een onsterfelijke ‘thetan’. ‘Engrammen’, of mentale hindernissen, belemmeren de mens in zijn ontwikkeling tot zuivere ziel. Die engrammen werden 75 miljoen jaar geleden in het menselijke systeem geplant door de kwaadaardige intergalactische dictator Xenu. Om de scientologen te assisteren bij het overwinnen van de talloze engrammen, biedt de Scientology kerk een uitvoerig programma aan cursussen aan. ‘Training’ en ‘auditing’ vormen daarbij de sleutelbegrippen. Het ultieme doel is verlichting en het bereiken van het statuut van ‘Operating Thetan’. Wie geen trauma’s meer meesleept uit een vorig leven, is ‘clear’. Wie in zijn bestaan als scientoloog dat allerhoogste zuivere statuut wil bereiken, is jaren zoet met het volgen van cursussen en telt daar honderdduizenden euro’s voor neer.

‘Scientology heeft niet gedurende honderden jaren rijkdom en bezittingen vergaard zoals andere religies’, verdedigt Marc De Turck het lucratieve systeem van ‘auditing’. ‘Onze kerk moet zich handhaven volgens de economische principes van de hedendaagse samenleving. Voor auditing zijn grondig opgeleide auditors nodig. Wie het meest van de faciliteiten van de kerk gebruikmaakt, draagt ook het meeste bij aan het onderhoud ervan. Er wordt natuurlijk geen donatie verwacht van leden die deelnemen aan diensten die doorheen de week plaatsvinden, zoals de groepsauditing – het beluisteren van opgenomen lezingen van Ron Hubbard.’

 

Mission Impossible

De mosterd voor zijn trainingen en advieswerk haalt Marc De Turck bij het Hubbard Management System (HMS). ‘Dat is ontwikkeld door Ron Hubbard, maar heeft met religie niets te maken’, stelt hij. ‘HMS helpt zakenmensen hun bedrijven gedijen en expanderen. Als HMS-consultant en trainer heb ik het recht om wereldwijd zakenmensen te coachen en adviseren. Ik heb persoonlijk meer dan 35.000 managers in 30 landen getraind. 95% van hen gedijt en expandeert nu beter dankzij mijn diensten.’

Begin 1999 verscheen het boek Les sectes dans l’entreprise van de Franse onderzoeksjournalist Thomas Lardeur. Daarin beschreef hij hoe de coachingtechnieken van Marc De Turck een jaar eerder tot een algemene staking leidden in het in onderwaterwerken gespecialiseerde bedrijf Sogetram. Die onderneming was in januari 1997 in handen gekomen van een Antwerps ondernemer, een notoir Scientology-lid. Hij liet zijn nieuwe werknemers weten dat hij van Sogetram een wereldleider wou maken met behulp van de technieken van Ron Hubbard en haalde daarvoor onder anderen Marc De Turck binnen. Klanten moesten voortaan ‘geauditeerd’ worden en lastige collega’s werden aangeduid als ‘suppressief’, Scientology-newspeak voor vijandig, of volgens De Turck: ‘Een persoon met een aantal specifieke gedragskenmerken die andere personen in zijn omgeving onderdrukt.’ Op 11 mei 1998 gingen zo goed als alle Sogetram-medewerkers in staking tegen wat zij de ‘onverdraagbare Scientology-methode’ noemden. Vier dagen later stelde de handelsrechtbank een voorlopige bewindvoerder aan en de Antwerpse overnemer werd bedankt voor bewezen diensten. ‘Ik was toen niet meer dan vijf dagen bij Sogetram actief’, zegt De Turck. ‘Ik hanteerde algemeen gangbare marketingtools en hoorde pas later dat er een staking was uitgebroken.’

Vandaag is Marc De Turcks belangrijkste actiedomein Bulgarije. In het kennismakingsfilmpje op zijn website zegt hij met nauwelijks verholen trots: ‘In 2008 was ik de directeur van een Europees strategisch project om de Bulgaarse overheid te reorganiseren zodat ze in staat zou zijn om tot Europa toe te treden. We werkten aan veranderingen in IT en HR-management. Ik leidde een team in moeilijke politieke tijden. Ik was daar van het prille begin tot het einde. Achteraf kreeg ik een boodschap van de Europese ambassadeur in Bulgarije. Hij zei: “Mission Impossible accomplished.”’

Wat De Turck er niet bij vertelt, is dat de toenmalige minister van Ambtenarenzaken en Administratieve Hervorming Nicolay Vasilev begin 2009 in opspraak kwam door het inhuren van De Turck. Bulgaarse media brachten toen het verhaal dat minister Vasilev subsidies van de Europese Unie voor hervormingen in de overheidsadministratie gebruikt had om Scientology-trainingen te bekostigen.

‘Niet in 2008, maar tussen 2005 en 2006 was ik teamleader voor een Europees project voor de modernisering van het human resources management van de Bulgaarse overheid’, zegt De Turck nu. ‘Dat was in samenwerking met andere consultants en van het Hubbard Management System was geen sprake. Minister Nicolay Vasilev werd drie jaar later, vlak voor de verkiezingen, valselijk beschuldigd. Hij verklaarde toen dat Scientology nooit ter sprake gekomen was en er werd een officiële klacht voor smaad en laster neergelegd.’

 

Narconon

In januari 2007 luidden Luc Willems en Margriet Hermans de alarmbel over Narconon, een vzw die onder andere op scholen lezingen van ex-drugsverslaafden aanbood. Net als Ideas was Narconon volgens de toenmalige senatoren een mantelorganisatie van Scientology die zo zieltjes probeerde te winnen bij de schoolgaande jeugd. ‘Tot de dag van vandaag nodigen scholen nog steeds mensen van Narconon uit om er lezingen over drugspreventie te geven’, zegt Margriet Hermans. ‘Ik begrijp niet waarom de Vlaamse overheid niet ingrijpt. Want er is zeker nood aan drugspreventie, maar waarom wordt dat niet uitbesteed aan ernstige organisaties in plaats van aan een stel maniakale amateurs? Ook seniorenverenigingen nodigen Narconon uit. In hun kliniek in Nederland laten ze verslaafden afkicken met de coldturkeymethode; ik betwijfel of dat medisch verantwoord is.’

Zo nodigden de voorbije jaren secundaire scholen van het katholiek onderwijs van Herentals via Narconon een ex-drugsverslaafde uit om te komen getuigen voor de leerlingen van de derde graad. Coördinator Digna Versweyvelt schrikt als ze hoort dat Narconon afhangt van Scientology. ‘Tijdens de lezingen werd nooit naar Scientology verwezen. De leerlingen kregen een beeld van hoe erg een drugsverslaving is en wat de gevolgen zijn voor de familie. We zullen nu met de collega’s overleggen of we in de toekomst nog gebruikmaken van de diensten van Narconon.’

Voorzitster van Narconon vzw is Monique De Clerck, echtgenote van Marc De Turck en medeaandeelhoudster in Markdeturk & co Ltd. Op de vraag of Narconon een mantelorganisatie van Scientology is, antwoordt De Turck: ‘Narconon is in 1966 opgericht door een gedetineerde die van zijn jarenlange verslaving afkwam door gebruik te maken van de werken van Ron Hubbard. Narconon Belgium geeft via lezingen en persoonlijk contact informatie over drugspreventie en –rehabilitatie aan ouders en jongeren. Vandaag is Narconon een wereldwijd netwerk dat mensen zonder drugsvervangende middelen helpt te herstellen van de verwoestende gevolgen van een verslaving. De mens kan geen echte vrijheid bereiken in een door alcohol en drugs overspoelde wereld.’

 

(c) Jan Stevens

 

Advertenties

‘We mogen het belang van voeding niet overdrijven’

Met de net aan het grote publiek voorgestelde nieuwe voedingsdriehoek trokken we naar de Nederlandse professor Sander Kersten, topexpert in voeding en gezondheid. ‘Jammer dat er geen rekening mee gehouden wordt dat mensen ook nog mogen genieten.’

 

Twintig jaar lang gold de actieve voedingsdriehoek van het ‘Het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie en Ziektepreventie’ (VIGeZ) als de solide basis voor elk voedingsadvies. De voedingsdriehoek gaf weer wat elke Vlaming ouder dan zes dagelijks zou moeten eten om gezond door het leven te gaan. Tezelfdertijd toonde de actieve driehoek ook hoeveel beweging we per dag minimaal nodig hebben. Sinds 6 september staat VIGeZ voor het vlotter bekkende ‘Vlaams Instituut Gezond Leven’ en op 19 september presenteerde het een remake en update van zijn klassieker. De actieve voedingsdriehoek bestaat voortaan uit twee: de voedings- en de bewegingsdriehoek. Terwijl de oude actieve voedingsdriehoek vooral als educatief hulpmiddel bedoeld was voor gezondheidsprofessionals, richten de nieuwe driehoeken zich op alle Vlamingen. De nieuwe voedingsdriehoek staat op zijn kop, met de punt wijzend naar beneden, en rangschikt alles wat we eten volgens het effect op onze gezondheid. Hoe hoger een voedingsmiddel in de driehoek prijkt, hoe belangrijker het is. Bij de actieve voedingsdriehoek was dat net omgekeerd. In de aparte bewegingsdriehoek is veel aandacht voor het sedentaire, zittende bestaan van de moderne mens. Hij geeft weer hoeveel, hoe vaak en hoe intens we best dagelijks en wekelijks bewegen en port lange stilzitters ertoe aan om elk half uur de benen te strekken.

Het VIGeZ ging voor de samenstelling van zijn nieuwe voedings- en bewegingsdriehoek naar eigen zeggen niet over één nacht ijs en consulteerde een uitgebreide groep Vlaamse experts gezonde voeding, beweging en sedentair gedrag. Daarnaast werden de driehoeken uitgebreid getest bij een panel van 300 Vlamingen.

Knack trok met de kersverse voedings- en bewegingsdriehoek naar de universiteit van het Nederlandse Wageningen en legde ze ter beoordeling voor aan Sander Kersten, professor moleculaire voeding en specialist in eten en gezondheid. ‘In Nederland werken we met een schijf in plaats van met een driehoek’, zegt hij. ‘We hebben die “de schijf van vijf” gedoopt. De vorm is anders, maar de inhoud en de boodschap zijn ongeveer hetzelfde. Zowat elk land heeft zijn versie, vaak is dat een cirkel, maar ook heel vaak een piramide of driehoek, of een omgekeerde driehoek zoals bij jullie. De nieuwe Vlaamse voedingsdriehoek is eenvoudig en helder, wat je niet van bijvoorbeeld de Engelse Food Pyramid kan zeggen: die zie er best ingewikkeld uit. Op jullie voedingsdriehoek zie ik in één oogopslag wat ik best “meer” en “minder” eet. De symbooltjes weerspiegelen heel goed de klasse van voedingsmiddelen waar ze voor staan. En dan is er die rode cirkel buiten de driehoek met alle voedingsmiddelen die we best zo weinig mogelijk nuttigen.’

 

Zitten er fouten of vergissingen in?

Kersten: Nee, de voedingsdriehoek is correct. Er staan geen voedingsmiddelen op verkeerde plekken en er zijn er ook geen vergeten. Voor Vlamingen is het natuurlijk bijzonder jammer dat de frietjes, de wijn en het bier in de rode cirkel staan, maar dat is nu eenmaal de weerspiegeling van de realiteit. (lacht)

 

Vroeger konden een of twee glazen alcohol per dag nochtans geen kwaad.

Kersten: Het idee dat we alcohol met mate mogen consumeren, is achterhaald. Want wat is ‘met mate’? Voor de een is dat een half pilsje, voor de ander zijn dat drie sherry’s in de namiddag. Bovendien strookt matig alcoholgebruik niet met de wetenschappelijke kennis. Eigenlijk is alcohol puur vergif. Lang gold ‘een klein beetje alcohol’ als het uitverkoren scenario: 1 à 2 glazen was ideaal. Nu weten we dat dat niet zo is. De statistieken die ‘bewijzen’ dat 1 of 2 glazen gezond zijn, zijn vertekend. Er wordt dan vergeleken met mensen die helemaal niets drinken, maar geheelonthouders drinken vaak niet omdat ze een drankprobleem hebben en bij de AA zijn. Die mensen sterven iets eerder dan gematigde drinkers, niet omdat ze geen alcohol meer drinken, maar omdat ze een voorgeschiedenis van drankmisbruik hebben.

 

Toch adviseren veel huisartsen nog vaak aan hun patiënten dat een glas rode wijn per dag gezond is.

Kersten: Gezond is het niet, maar een glas drinken, kan wel aangenaam zijn. Alle aanbevelingen van de voedingsdriehoek vertrekken vanuit de volksgezondheid op lange termijn, terwijl het eigenlijk ook zou moeten gaan over ons leven op de korte termijn. Dus niet alleen over zo gezond mogelijk oud worden, maar ook over hoe we ons hier en nu voelen. De voedingsdriehoek laat dat perspectief los. Dat is begrijpelijk, maar ook gevaarlijk, want voeding is meer dan alleen het consumeren van producten die ervoor zorgen dat je oud en gezond wordt. Voeding is ook genot.

 

Daar is in de voedingsdriehoek geen spoor van terug te vinden?

Kersten: Nee, en daar maak ik me zorgen over. De balans tussen genot op korte termijn en gezondheid op lange termijn is niet in evenwicht. Het is een euvel waar alle soortgelijke piramides, driehoeken en schijven aan lijden: ze focussen zich enkel op die lange termijn. Bovenaan staat nu prominent: ‘Drink vooral water’, maar wat is er saaier dan water? Door bier, wijn, koekjes, chips en friet apart in een rode cirkel te plaatsen met als tekst: ‘Zo weinig mogelijk’, straalt de driehoek een streng ontmoedigingsbeleid uit. Terwijl dat nu net die middelen zijn die mensen vaak samen consumeren en die hen plezier bezorgen. Dat is zéér belangrijk voor onze mentale gezondheid.

 

Naast de voedingsdriehoek is er ook de bewegingsdriehoek waarin uitgebeeld staat hoe vaak en intens we moeten bewegen.

Kersten: Met de boodschap dat zoveel mogelijk bewegen goed is, is niets mis. Maar nu staat zeer expliciet en mathematisch uitgebeeld hoe je elke dag moet bewegen en hoe vaak. Ik vind dat nogal betuttelend.

 

Waarschijnlijk is dat een reactie op de waarschuwing van sommige wetenschappers dat stilzitten het nieuwe roken is?

Kersten: Die waarschuwing is overdreven. Het effect van roken is véél groter dan het effect van stilzitten. Natuurlijk is bewegen goed voor je bottensysteem en voor je hart- en vaatstelsel. Vroeger werd er vooral de nadruk op gelegd dat we meer moesten sporten, nu ligt de nadruk op bewegen en op onderbreken van het zitten, of op ‘breaking sedentary time’. Sommige collega’s van mijn departement hebben een bureau waaraan ze rechtstaand werken. Ikzelf niet: ik vind dat niet prettig en kan me dan niet goed concentreren. Mijn collega’s geven toe dat rechtstaand werken niet altijd vanzelfsprekend is. E-mails lezen en beantwoorden, lukt nog, maar als ze echt ergens diep moeten induiken, verlangen ze naar een stoel. De collega’s met een verhoogd bureau zijn ook degenen die al twaalf uur per week intensief sporten en dat dus eigenlijk niet nodig hebben. (lacht)

Ik vraag me af hoe sterk jullie nieuwe bewegingsdriehoek wetenschappelijk onderbouwd én getoetst is. Ik vrees dat dat niet het geval is, maar dat er naar een praktische en toegankelijke vertaling gezocht is van de literatuur die rond bewegen bestaat. Het gedrag van mensen veranderen, is trouwens heel erg moeilijk. In brede zin weten we perfect wat gezond eten is. Er zijn een paar kleine nuances waar vooral in populaire media zwaar over geredetwist wordt, maar over de algemene principes zijn we het eens. Het is alleen een hele uitdaging om vooral die medeburgers te overtuigen voor wie een gedragsverandering heilzaam is. Hoe bereik je met je voedings- en bewegingsdriehoek de mensen die in de supermarkt hun karretje enkel volgooien met frisdrank, bier, worst en chips? Die kom je misschien niet meteen tegen in het rijke, hippe deel van de stad, maar ze zijn er wel. Stel dat jij tot een subcultuur behoort waar een dagelijks dieet op basis van producten uit de rode cirkel gemeengoed is. De dag dat je besluit om enkel nog gezond te eten, ben je de snob van het gezelschap. Van zodra je dan op een feestje wortels, broccoli en selderstengels serveert in plaats van chips en zoute pinda’s, krijg je gegarandeerd tonnen gezeik over je heen. Dat doe je daarna nooit meer. (lacht) Sociale druk is immens. Mijn collega’s zijn heel bewust met voeding en gezondheid bezig. Toch betwijfel ik of ze enthousiast zullen zijn als ik ze op mijn verjaardag trakteer met selderstengels, bloemkoolroosjes, wortelreepjes en radijsjes.

 

De makers van de nieuwe voedingsdriehoek stellen dat ze niet alleen rekening gehouden hebben met onze gezondheid, maar ook met milieuaspecten.

Kersten: Duurzaamheid staat tegenwoordig centraal. Een gezond leven is een duurzaam leven, maar het is heel moeilijk om in de hele berekening de impact op het milieu mee te nemen. Er wordt steeds meer onderzoek naar gevoerd, maar dat loopt niet van een leien dakje. Want wat eten we het beste als we de aarde willen sparen?

 

Rood vlees alvast niet: dat staat helemaal onderaan.

Kersten: Er is berekend hoeveel energie er nodig is om één kilo rundvlees te produceren. Een entrecote komt daar inderdaad zeer ongunstig uit, gehakt rundsvlees scoort dan weer beduidend beter. Op de plaatjes wordt altijd de entrecote getoond, want die spant de kroon. Koeien scoren extreem slecht, maar wist je dat de productie van een krop sla veel meer energie vreet dan die van een stronk broccoli? Als je de milieuaspecten echt goed in rekening wil brengen, moet je naast energie ook naar onder andere landgebruik en pesticiden kijken. Dan wordt het een zeer ingewikkelde berekening.

 

Het zou dus wel eens kunnen dat als we die duurzaamheidsberekening echt goed maken, we de nu zo geprezen appel en peer een vak moeten laten zakken omdat de boer te veel pesticiden gebruikt?

Kersten: Ik denk inderdaad niet dat dat soort van details in deze driehoek verwerkt zijn. Het uitgangspunt is ‘plant based’: ‘De productie van plantaardige voeding kost sowieso minder energie dan dierlijke.’ Maar het zou me echt verwonderen dat er ook rekening gehouden is met bijvoorbeeld pesticiden, om de eenvoudige reden dat de verzamelde kennis daarover nog pril is.

 

Hoe zit het met vis? Op de driehoek staat hij in het midden, maar hoort hij daar wel als we alle milieuaspecten in rekening brengen?

Kersten: Vis is lastig, omdat het een product van extremen is. Als we het leegvissen van de zeeën in rekening brengen, blijft er qua duurzaamheid niet veel over. De gezondheidsdriehoek kan dus niet anders dan enkel kweekvis propageren. Voor onze gezondheid is het consumeren van vis in het algemeen gunstig. Alle gezonde diëten bevatten vis in kleinere hoeveelheden, denk maar aan het geroemde ‘Mediterranean diet’. Op deze driehoek wordt vis herleid tot een soort eenheidsworst en wordt er geen link gelegd met hoe de vissoorten geproduceerd worden. Er staat maar één visje.

 

Er zijn toch ook grote problemen met kweekvis? Pangasius wordt in Azië in niet al te hygiënische omstandigheden gekweekt, tilapia staat stijf van het toegediende testosteron en gekweekte zalm van de antibiotica.

Kersten: Dat klopt, en er wordt vaak ook water bijgespoten om het gewicht op te drijven. Dat gebeurt trouwens ook bij andere dieren. Ken je de plofkip? Dat is een kuiken dat in een paar weken kunstmatig wordt vetgemest tot een vleeshomp van een paar kilo. Het zou me verbazen dat de voedingsdriehoek rekening houdt met al die uitwassen van onze industriële vlees- en groenteproductie.

De driehoek beveelt aan om dierlijk voedsel zoveel mogelijk in te ruilen voor plantaardig, zoals groenten, fruit, volle granen, peulvruchten en noten. Dat advies is zeer algemeen en niet geïndividualiseerd. Het vertrekpunt is: welke voeding levert de Vlaamse bevolking in het algemeen op lange termijn het minste kans op chronische ziektes zoals hart- en vaatziekten en kanker op? Terwijl de keuze van voeding tegenwoordig steeds meer gepersonaliseerd wordt. Als je allergisch bent aan noten, laat je die best links liggen. Als je volle granen slecht verteert en er hevige buikpijn van krijgt, is het onverstandig om ze gretig te consumeren. Ook daar houdt de voedingswijzer geen rekening mee en dat is voor veel mensen best lastig. Ze hebben het gevoel dat de overheid hen regeltjes opdringt: ‘U moet dit, u moet dat.’ We vinden dat niet prettig omdat we in een vrije samenleving leven waarin we zelf mogen beslissen wat we willen. De voedingsdriehoek gaat daar tegenin, ook al is hij dan vrijblijvend. We lezen hem als een ‘verplichting’ en voelen de weerstand opborrelen. ‘Daar komen ze weer vertellen wat ik moet doen.’

 

Boter wordt in de nieuwe voedingsdriehoek helemaal naar onderen verbannen, bij het rode vlees. Plantaardige olie staat bovenaan, bij de gezondste producten. In de vorige driehoek werden boter en plantaardige olie nog in één groep afgebeeld. Is boter terecht gedegradeerd?

Kersten: De laatste jaren is er flink wat oppositie gevoerd tegen de status van boter als ongezond product. Toch blijft het merendeel van de wetenschappers ervan overtuigd dat plantaardige olie beter is: onverzadigde vetten zijn gezonder dan boter met zijn verzadigde vetten. Die gedachte blijft overeind. Al zijn er vandaag heel wat journalisten die ervan overtuigd zijn dat boter ondertussen gerehabiliteerd is en daar ook zo over schrijven. Ik lees die artikels en denk: hoe komen ze erbij?

 

Het VIGeZ schrijft in haar toelichting: ‘De voedingsdriehoek geeft de voorkeur aan voeding die weinig of niet bewerkt is, zoals vers fruit in plaats van fruitsap of volkoren brood in plaats van wit brood. Voedingsmiddelen die overbodig zijn en in sommige gevallen zelfs bewezen ongunstig voor de gezondheid worden expliciet buiten de driehoek in de rode bol geplaatst. Het gaat vaak om zogenaamde “ultrabewerkte” producten rijk aan toegevoegde suiker, vet of zout.’

Kersten: Bewerkte voeding is een hot item, al wordt de discussie vaak zwart/wit gevoerd. De voedingswaarde van producten die de fabriek uitkomen, is zelden verbeterd. Neem melk: daar wordt kaas van gemaakt, heel lekker, maar daar is wel een hele sloot zout aan toegevoegd. Neem brood: daarvan denken we ook dat het niet bewerkt is. Maar ook daar wordt bij het gezonde bestanddeel graan een fikse hoeveelheid zout toegevoegd. En dat terwijl we sowieso al veel te veel zout naar binnen krijgen. Als je thuis tomatensaus maakt, zijn dat pure tomaten. Als je die in blik of een bokaal in de winkel koopt, krijg je er flink wat zout én suiker bovenop. Heel vaak komen er bij voedingsmiddelen die de fabriek passeren, ingrediënten bij die je kunt missen als kiespijn, en verdwijnen er noodzakelijke bestanddelen zoals vezels. Ondertussen is er een tegenbeweging op gang gekomen die terug wil naar de goede oude tijd van het onbewerkte voedsel. Ze telen zelf hun aardappelen en shoppen in de biowinkel. Voedseltechnologen kijken daar toch ietwat meewarig naar. “Dankzij Louis Pasteur bewerken we ons voedsel al 150 jaar”, zeggen zij. Het proces van pasteuriseren maakte het inderdaad mogelijk om voedsel langer te bewaren. Een wereld zònder bewerkt voedsel is een illusie, tenzij je ergens op het platteland woont en een grote moestuin hebt. Maar een inwoner van Londen of Singapore heeft daar geen boodschap aan.

De makers van de voedingsdriehoek verwijzen naar de ‘ultrabewerkte’ producten. Ze zeggen: ‘Vermijd ze. Ze zijn overbodig en slecht voor je gezondheid als je er te veel van eet.’ Maar zijn die zogenaamde ‘ultra-pocessed foods’ echt minderwaardig? Voor frisdrank is het duidelijk: dat bevat bijna uitsluitend suiker. Aan een shot pure suiker heeft niemand behoefte, behalve misschien als je net de marathon gelopen hebt. Dorst lessen kan met water, dus frisdrank hoort terecht thuis in de rode cirkel. Maar wat met een koekje, ook één van die zogenaamde ultra-processed foods? Je kan onbewerkte havermout kopen, er wat onbewerkte honing en een beetje plantaardige olie aan toevoegen en zelf je koekjes bakken. Zijn dat dan ook ultra-processed foods? Of geldt dat alleen voor bijna identieke koekjes die keurig verpakt uit de fabriek komen?

 

In de fabriek worden koekjes volgepompt met E-nummers.

Kersten: Wetenschappers maken zich in tegenstelling tot de rest van de samenleving niet zoveel zorgen over die E-nummers. Ze zijn veilig, net daarom zijn ze toegelaten. Toch vertrouwen veel burgers ze al dertig jaar niet. ‘E300’ klinkt bedreigend en gevaarlijk, terwijl het gewoon vitamine C is. Zet ‘vitamine C’ op de verpakking en plots is het gezond.

 

Melk wordt in deze voedingsdriehoek nog steeds beschouwd als een witte motor. Terecht? Sommigen noemen melk een witte sloper.

Kersten: Melk is een volwaardige drank, rijk aan calcium, vitaminen en eiwit. Een aantal mensen staan argwanend tegenover melk, omdat ze het gevoel hebben dat die drank door belangenorganisaties gepusht wordt. In Nederland krijgen kinderen op school melk en veel mensen vermoeden daar een verborgen agenda van de zuivelindustrie achter. Maar wat komt er in de plaats als je de schoolmelk afschaft? Vruchtensap en frisdrank in allerlei vormen en maten die enkel uit suiker bestaan. Dan is melk toch geen foute keuze?

Je kan ook zeggen: weg met die melk en drink water. Daar zijn goede argumenten voor. Overgewicht is een groot probleem in onze samenleving. De oorzaak is heel simpel: mensen eten te veel en krijgen te veel energie binnen. Suikerrijke dranken leveren daar onevenredig toe bij omdat ze zo makkelijk naar binnen te gieten zijn. Je kan als gezond alternatief appels naar voor schuiven, maar dan moeten mensen kauwen en daar zien ze tegenop. Water is dan een verstandig alternatief. Op sommige scholen worden leerlingen ertoe aangezet om enkel nog water te drinken. Dat zorgt soms voor verzet van ouders die zich in de krant boos afvragen: ‘Wat is er mis met een brikje vruchtensap?’ Dat doet mij denken aan de inmiddels totaal achterhaalde discussie die vroeger gevoerd werd over roken op school. En ja, wie weet, wordt het binnen afzienbare tijd heel gewoon om op school in plaats van melk of frisdrank enkel nog water te drinken. Nu denken we: ‘Bizar, die balk bovenaan de voedingsdriehoek met dat opschrift: “Drink vooral water.”’ We voelen weerstand, maar net als aan het rookverbod in cafés zullen we wellicht ook daaraan wennen.

 

Dreigen we toch niet in een samenleving terecht te komen waarin iemand die een vettige hamburger eet, net als een roker met een scheef oog bekeken wordt?

Kersten: Misschien wel. Dat geldt zeker voor alcohol: het zou best kunnen dat een glas bier of wijn binnen een paar jaar de status krijgt van een sigaret. Ikzelf vind het een eng vooruitzicht om bij het nuttigen van een pilsje als paria bekeken te worden. Het is echt niet zo dat we allemaal vlot honderd zullen worden als we onze voedings- en bewegingsgewoonten volledig afstemmen op de twee driehoeken. We kunnen nu wel doen alsof voeding zo ontzettend belangrijk is, maar veel dingen overkomen ons zonder dat we er vat op hebben. We moeten oppassen dat we het belang van voeding niet overdrijven. Het heeft geen zin om als je kanker krijgt, te beginnen jammeren: ‘Waarom heb ik in mijn tienerjaren de alcohol niet laten staan?’ Het had toch niets uitgemaakt. Een voedingsdriehoek dringt mensen op een of andere manier een schuldgevoel op: ‘Mijn gezondheid hangt af van wat ik in mijn mond stop.’ Natuurlijk staat dat nergens expliciet, maar het is wel de onderliggende boodschap.

 

Zouden we hem dan beter niet publiceren?

Kersten: Nee, want het is belangrijk dat we mensen informeren over gezonde keuzes en hen zo in een bepaalde richting duwen. Dat is niet hetzelfde als opdringen, want ze blijven vrij. Het is goed dat die informatie gebaseerd is op de laatste stand van de wetenschap en dat we mensen niet in de waan laten dat een paar glazen alcohol bijvoorbeeld geen kwaad kunnen, want dat is niet zo. Deze voedingsdriehoek is eerlijk en stuurt mensen niet met een kluitje in het riet. Maar van mij mag je best elke dag wijn drinken, zolang je jezelf maar niet wijsmaakt dat het gezond is. Drink omdat het lekker is. Dat is ook belangrijk.

 

 

Sander Kersten

 

1971 geboren in Elst, Nederland

1993 studeerde cum laude af in voeding en gezondheid aan de universiteit van Wageningen

1997 promoveerde aan Cornell University in de Verenigde Staten waar hij nog steeds adjunct-professor is

2011 professor moleculaire voeding aan Wageningen University

2014 benoemd tot hoofd van de onderzoeksgroep ‘Nutrition, Metabolism and Genomics’

2015 verzorgt de allereerste ‘online videocursus voeding en gezondheid voor de hele wereld’

 

 

 

 

Het VIGeZ reageert:

‘Het is niet onze ambitie om het gedrag van elke Vlaming te veranderen’

 

Loes Neven, voedingsexpert bij het VIGeZ: Met de voedingsdriehoek brengen we de stand van zaken rond gezond eten objectief in kaart. Dat zorgt voor een rationeel beeld en ik kan begrijpen dat professor Kersten de factor genieten mist. Voor wie gezond wil eten zijn de voedingsmiddelen in de rode bol in principe overbodig, maar we verbieden ze niet. Mensen consumeren er wel best zo weinig mogelijk van. We houden rekening met de realiteit en hebben daarom ook een aantal tips opgelijst over hoe je best gezond eet. Een van die tips is: geniet van wat je eet. Het is niet onze ambitie om met deze driehoek het gedrag van elke Vlaming te veranderen. Zo naïef zijn we niet.

 

Sander Kersten vraagt zich ook af of jullie milieuaspecten zoals pesticiden in rekening brengen.

Loes Neven: Er is een duidelijke link tussen gezond eten en duurzaam leven. Maar het is moeilijk om de duurzaamheid van elk voedingsmiddel te bepalen: een inlandse tomaat is niet altijd duurzamer dan een ingevoerde. Pesticiden zijn inderdaad nog onderbelicht. We focussen ons op een algemene vorm van duurzaamheid die vasthangt aan het voedingspatroon. Vandaar ook ons pleidooi voor meer plantaardig in plaats van dierlijk. Wie de producten uit de rode bol vermijdt, wint twee keer: zowel zijn gezondheid zal erop vooruitgaan, als het milieu. Want je eet dan niet langer dingen die nergens toe dienen.

 

Professor Kersten stelt zich ook vragen bij de wetenschappelijke onderbouw van de nieuwe bewegingsdriehoek.

Ragnar Van Acker, bewegingsexpert bij het VIGeZ: Dat is een terechte bekommernis, want we hebben tijdens ons eigen voorbereidend onderzoek vastgesteld dat veel bewegingsmodellen uit het buitenland niet getest zijn. Onze op wetenschappelijke literatuur gebaseerde bewegingsdriehoek is gemaakt in samenwerking met bewegingsexperten die internationaal aan de top staan. Daarnaast hebben we hem ook uitgebreid getest bij 300 Vlamingen, waardoor hij uniek is.

 

(c) Jan Stevens

“Onder natuurkundigen overheerst snobisme”

Helen Czerski bestudeert oceaanbubbels, maakt en presenteert BBC-documentaires en schreef een boek over de fysica van het alledaagse leven. Aan filosoferen over wetenschap heeft ze een broertje dood. ‘Als je een hartklep bouwt, help je een medemens. Dat is veel zinvoller dan een namiddag naar het heelal te zitten staren en te mijmeren over het wezen van het bestaan.’

‘Veel volwassenen zijn het spelen verleerd’, zegt fysicus en oceanograaf Helen Czerski. ‘Het lijkt zelfs alsof ze ook hun nieuwsgierigheid zijn kwijtgeraakt.’ Speciaal voor hen schreef Czerski haar boek Ober, er zit natuurkunde in mijn soep, waarin ze op levendige wijze uitlegt wat de natuurkundige principes zijn achter koffievlekken, popcorn, ketchupflessen en andere alledaagse zaken.

We zitten in haar piepkleine kantoor in het departement Mechanical Engineering van het University College London, in het hart van de Britse hoofdstad. Het vrolijke gejoel van pas afgestudeerde studenten op de centrale binnenplaats dringt door tot op de vierde verdieping. ‘Dit kantoor is de ideale plek voor als u iets over het universum zou willen leren’, zegt ze uitdagend. ‘We hoeven daar echt niet voor naar de ruimte. De voorbije twintig jaar hebben nogal wat wetenschapsjournalisten en wetenschappers ernstige pogingen ondernomen om de natuurkunde tot bij het grote publiek te brengen. Denk maar aan de grote aandacht voor de deeltjesversnellers van het CERN in Genève, de vele artikelen over het higgsbosondeeltje en de Hubble-ruimtetelescoop. Heel spectaculair en spannend allemaal, alleen vergaten ze datgene waar het eigenlijk om zou moeten draaien: de eenvoudige dingen uit de fysica. Al is “eenvoudig” misschien niet het juiste woord. Want het universum in mijn kantoor is hetzelfde als het universum van de Hubble-telescoop in het heelal. Zowel hier als daar gelden exact dezelfde natuurwetten. Dit kantoor, uw woonkamer en mijn keuken zijn dus uitstekende plekken voor al wie iets over het universum wil leren. Ik ben een grote fan van “de fysica van het alledaagse” omdat ze de natuurkunde tastbaar en werkelijk maakt. In lessen over wetenschap wordt altijd eerst een fenomeen beschreven, waarna het verklaard wordt. Als je vanuit het alledaagse vertrekt, kan je het beschrijven gewoon weglaten. Want iedereen heeft ooit al gezien hoe de beboterde kant van een toast zo goed als altijd eerst op de grond beland. We weten allemaal dat gemorste koffie een bruine koffievlek nalaat. We zagen dat met onze eigen ogen, alleen gingen we nooit op zoek naar een verklaring. We vroegen het ons misschien even af, en lieten die gedachte razendsnel weer los. Dat hoort ook zo, want we zijn nu eenmaal “volwassen”. Kinderen daarentegen, mogen altijd aan mama of papa vragen: “Waarom?”’

 

In plaats van ons aan deeltjesversnellers en ruimtetelescopen te vergapen, concentreren we ons als we iets over natuurkunde willen te weten komen beter op onze eigen huis, tuin en keuken?

Helen Czerski: Op alles wat in ons eigen bestaan ons pad kruist. De natuurwetten van de fysica vormen het geraamte van ons leven. Daar wordt door natuurkundigen en andere wetenschappers nooit met een woord over gerept en dat is ook de hoofdreden waarom ik Ober, er zit natuurkunde in mijn soep geschreven heb. Oppervlaktespanning, viscositeit, zwaartekracht, rotatie, elektromagnetisme vind je niet enkel op onze planeet, maar ook op alle andere planeten in het heelal. Alleen bevinden wij ons op planeet aarde, we kunnen al die fenomenen dus net zo goed rustig hier bestuderen. Neem de koffievlek: als je koffie morst en het plasje laat drogen, blijft er alleen een bruine omtrek over. In het begin was die omtrek helemaal gevuld, maar tijdens het drogen verplaatste alle koffie zich naar de buitenste rand. Als je heel veel tijd zou hebben en vanaf het begin met een microscoop inzoomt op het plasje, zie je een verzameling watermoleculen die botsautootje spelen en grotere bolvormige bruine deeltjes koffie die doelloos rondzwerven. De watermoleculen trekken elkaar sterk aan. Een molecuul dat een klein stukje van het oppervlak omhooggaat, wordt onmiddellijk weer neer onder getrokken in het plasje. Het wateroppervlak gedraagt zich als een elastisch laken dat strak over het water getrokken is zodat het altijd glad is. Deze ogenschijnlijke elasticiteit van het oppervlak wordt in de fysica de ‘oppervlaktespanning’ genoemd. Door de warmte in de kamer ontsnapt er van tijd tot tijd een watermolecuul die wegzweeft als waterdamp. Dat noemen we ‘verdamping’. De koffiedeeltjes kunnen niet verdampen en zitten gevangen in het plasje. De watermoleculen verdampen sneller aan de rand dan in het midden, omdat ze daar meer blootgesteld zijn aan de lucht. Vloeibare koffie uit het midden stroomt naar de rand om het verdwenen water te vervangen. Als het water volledig verdwenen is, blijft er alleen nog een kring achtergebleven koffie over.

 

Zijn uw collega fysici even enthousiast over de manier waarop u de fysica met beide voeten op moeder aarde zet?

Czerski: Dat moet u hen vragen. (lacht) Mijn rechtstreekse collega’s van Mechanical Engineering begrijpen perfect waarover het gaat. Misschien omdat ik hier als zowat de enige natuurkundige tussen de ingenieurs zit. Zij zien de wereld als een bak vol gereedschap, als een grabbelton gevuld met manieren om problemen op te lossen. Hier achter de hoek zijn mensen bezig met het zoeken naar verbeterde echografietechnieken, met het op punt stellen van ventilatie in ziekenhuizen en met het bouwen van machines voor de toekomst. Zij vinden mijn boek fantastisch en houden van al die concrete verhalen. Ze zitten ook zo in elkaar: ‘Je wil een snellere motor? Oké, we maken die voor je.’ Wie de wereld als gereedschapskist ziet, moét de natuurwetten wel kennen, anders kan hij nooit problemen oplossen. Ingenieurs zijn geen snobs, en dat vind ik net geweldig.

 

Natuurkundigen zijn wel snobs?

Czerski: Onder natuurkundigen overheerst snobisme, ja. Te vaak hoor ik: ‘Die uitleg is niet slim genoeg.’ Dat is niet alleen pompeus maar ook monsterlijk verkeerd. Kosmologen focussen zich op zwaartekracht en mechanica en maken daarvoor gebruik van ‘maar’ twee types natuurkundewetten. Zij zijn de eersten om toe te geven dat de fysica van het alledaagse veel complexer is. Want in het doorsnee bestaan van alledag worden alle verschillende soorten natuurwetten voortdurend dooreen geschud, met als resultaat: onze gecompliceerde realiteit. Kosmologen kunnen een mooi, eenvoudig model van het universum tekenen, dat is echt poepsimpel. Maar als je zoals ik het oppervlak van de oceaan bestudeer, of zoals mijn collega-ingenieurs een nieuwe motor probeert te bouwen, moet je er voortdurend rekening mee houden dat àlles er een klein beetje toe doet. Wij moeten dus ook àlles kennen, zoals elektromagnetisme, zwaartekracht, oppervlaktespanning, viscositeit of de regels van de rotatie. Ik verspil mijn tijd niet aan de snobs, want waar zij zich mee bezighouden, is niet meer of minder dan een vorm van glamourfilosofie.

 

U vindt filosoferen een vorm van tijdverspilling voor wetenschappers?

Czerski: Natuurkunde was lang gedomineerd door mannen met veel aandacht voor al die grote wetten van het universum, terwijl vrouwen veel praktischer ingesteld zijn. Die ‘mannelijke overheersing’ in de fysica heeft ongemeen boeiende debatten opgeleverd over bijvoorbeeld ‘de aard van de materie’. Interessant hoor, alleen vind ik het niet meer dan een intellectueel spel. Is het niet verstandiger om ons als wetenschappers op het gefilosofeer te storten nadat we we de honger de wereld hebben uitgeholpen, alle ziektes hebben bestreden en iedereen een dak boven het hoofd hebben bezorgd? Er moeten eerst nog heel wat praktische problemen opgelost worden vooraleer we de luxe hebben om ons het hoofd te breken over ‘de filosofie van het universum’. Vrouwen zijn veel meer geïnteresseerd in praktische problemen dan mannen. Dat beginnen we hier aan het University College gelukkig eindelijk ook te merken. Biomedical engineering is vandaag zeer populair bij vrouwelijke studenten. Als je een hartklep bouwt, help je een medemens. Dat is veel zinvoller dan een namiddag naar het heelal te zitten staren en te mijmeren over het wezen van het bestaan. Ongetwijfeld een rustgevende bezigheid, alleen brengt ze geen zoden aan de dijk.

 

Waarom koos u er eind jaren negentig voor om fysica te gaan studeren?

Czerski: Ik was in zeer uiteenlopende onderwerpen geïnteresseerd. Ik hield van wiskunde en wetenschap, maar ik was ook dol op talen, boeken, geschiedenis én op sport. De beste wetenschappers van vandaag zijn geen nerds of geeks, maar lezen, luisteren naar muziek en tokkelen op hun iPone. Een wetenschapper kan zowel van een gelukt experiment genieten als van een schilderij of beeldhouwwerk. Wetenschap is gewoon deel van de samenleving. Weet u wat ik het toppunt van absurditeit vind? Iemand die via Twitter zeurt dat wetenschap een zinloze bezigheid is. Via Twitter. Heeft zo’n idioot dan niet door dat hij de wetenschap dood verklaard met behulp van een knap staaltje technologie dat hem toelaat om zijn mening met de rest van de wereld te delen? (lacht) Variëteit is wat de wereld zo boeiend maakt en als jonge vrouw was ik in ontzettend veel dingen geïnteresseerd. Maar ik koos uiteindelijk voor wiskunde en fysica omdat die vakken me toegang gaven tot oplossingen voor al die praktische problemen. Zeker fysica zou alle vragen beantwoordden waarmee ik worstelde.

 

Het was dus toch een soort van filosofische ontdekkingsreis, een manier om zin aan uw leven te geven?

Czerski: Niet echt, ik wou gewoon spelen. (lacht) Al moet ik dat misschien toch enigszins nuanceren en ging er inderdaad honger naar kennis over het leven achter schuil. Ik was verzot op boeken over melkweg- en zonnestelsels. Op mijn 17e gaf ik mijn allereerste publieke lezing. Het onderwerp was: het atoom. Ik ben heel praktisch ingesteld en wil ook iets doén met al die theorie. Praten over kwantummechanica is interessant, maar het wordt pas écht boeiend als er geëxperimenteerd en gebouwd wordt. Het spel om door te dringen tot de fysica van alles wat ons omringt, vond ik zo intrigerend.

 

Net wat u ook in uw boek doet.

Czerski: Ja, maar daarnaast wou ik ook tonen dat wetenschap niet iets is dat plaatsvindt in een laboratorium. Door mijn boek te lezen, word je geen fysicus, maar snap je wel het spel genaamd ‘wereld’. Want eindelijk ken je de natuurwetten, de regels. Je zal voortaan ook de juiste vragen kunnen stellen. Het is toch fantastisch om de regels van de rotatie te herkennen in het dagelijkse leven? Als ik met een lepeltje in mijn thee roer, ontstaat er een ‘kuil’ omdat elk deeltje vloeistof zich in een rechte lijn voort wil bewegen. De thee duwt tegen de wand van het kopje en gaat omhoog zodat er minder thee in het midden overblijft. Als ik ophoud met roeren, verdwijnt de kuil niet meteen omdat de vloeistof nog ronddraait. Wanneer ik de thee langzamer laat draaien, is er minder kracht nodig om hem te laten rondcirkelen, waardoor er minder thee ophoopt tegen de wand. Middenin de cirkels draaien de belletjes rond. Die plek in het midden is voor de kneusjes. In een glas bier bewegen de bellen naar boven omdat het bier zegeviert in de strijd wie het dichtst bij de bodem mag zitten. In een kop thee is dat ook zo. De thee zegeviert in de strijd wie er naar de zijkant mag. De bellen zijn altijd het slachtoffer. De vloeistof heeft een grotere dichtheid dan het gas, zodat het gas naar de ruimte drijft die overblijft. Onze samenleving zit vol dingen die ronddraaien: wasdrogers, discuswerpers en opgegooide pannenkoeken. De aarde zelf roteert terwijl hij om de zon draait. Rotatie kan reusachtige krachten en gigantisch veel energie vrijmaken, terwijl alles net op zijn plaats blijft zitten, zoals de thee in de kop. Je kunt een grote snelheid halen zonder echt ergens heen te gaan. Een mooi voorbeeld is het baanwielrennen. De steile piste zorgt ervoor dat de renners niet uit hun baan in een rechte lijn vooruitschieten terwijl ze tegen hoge snelheid rondjes draaien.

Ik toon de paralellen tussen dingen die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben. Volwassenen moeten dringend terug nieuwsgierig worden en opnieuw leren spelen. ‘We zijn volwassenen en horen ons te gedragen.’ Sod that. Ouders zeggen tegen hun kinderen dat ze zaadjes in potjes moeten planten en goed moeten observeren hoe ze uitgroeien tot plantjes. Wanneer hebben al die brave vaders en moeders dat zelf voor het laatst gedaan?

 

Hier aan de universiteit bestudeert u de luchtbellen in de oceaan.

Czerski: Ik onderzoek de bellen die zich vormen aan de oppervlakte van de oceaan, meestal zijn dat de luchtbellen onder de brekende golven. Ik reis daarvoor de wereld rond en heb een bijzondere interesse voor golven van gemiddeld tien meter hoog. De bubbels helpen de oceaan ademen. De oceanen ademen in de noordelijke Atlantische Oceaan en de Zuidelijke Oceaan in, en ademen uit aan de evenaar. De zee is geen organisme met een bewustzijn, maar is wel een ademende motor. De luchtbellen uit de oceaan zijn als de bubbels uit een fles frisdrank: als je de stop opendraait, spatten ze uit de fles en ‘prikken’ ze je neus. Het schuim in de branding laat op eenzelfde manier bellen opspatten in de lucht, waarna ze wegzweven en wolken vormen. Mijn eerstvolgende reis brengt me naar de Noordpool. Het is daar zeer zuiver en dat is ideaal voor het bestuderen van de inhoud van opspattende bubbels.

De klimaatverandering zorgt voor een veranderend weerpatroon en dat heeft een weerslag op de oceaanbellen. De oceanen warmen op waardoor het aantal stormen lijkt toe te nemen. De stormen lijken ook veel intenser te worden. Het aantal oceaanbubbels zal daardoor toenemen. Dat zien we nu al, maar het is onduidelijk wat de ultieme consequenties zijn voor die grote ademende motor die de zee is.

 

Bent u een pionier met uw bubbelonderzoek?

Czerski: Wereldwijd ken ikzelf nog zes andere wetenschappers die bubbels bestuderen. Op het eerste gezicht lijkt ons onderzoek misschien overbodig, maar dat is een misvatting. De oceanen geven hun warmte af aan de atmosfeer, ontvangen op hun beurt warmte van de zon en transporteren voedingsstoffen over de hele planeet. Het water uit de oceaan belandt via de wolken op de bergen en erodeert ze. Het is één groot systeem, waarin alles invloed heeft op alles. Het systeem bestaat uit zoveel verschillende puzzelstukjes dat het echt niet verwonderlijk is dat elk puzzelstuk slechts door een handvol wetenschappers kan bestudeerd worden. Er is ook dat eeuwige probleem van beperkte budgetten: met het weinige dat we hebben, doen we wat we kunnen. Maar we hebben altijd meer vragen dan er geld voorhanden is. Wetenschap is een onderneming op lange termijn. Maar in de huidige tijd van besparingen wordt er vooral aan de korte termijn gedacht en raakt het weidsere perspectief op de achtergrond. President Donald Trump heeft stevig gehakt in de budgetten voor onderzoek naar de klimaatverandering. Wetenschappelijke instellingen in sommige Europese landen roepen nu luidkeels naar Amerikaanse wetenschappers: ‘Als Trump jullie niet wil, zijn jullie bij ons van harte welkom. Frankrijk wil jullie! Wij hebben fondsen.’ Het grote drama is dat de Verenigde Staten traditiegetrouw al heel lang een stevige bijdrage leveren aan de wetenschap, en dan heb ik het niet alleen over wetenschappers, maar ook over infrastructuur. Zij hebben heel wat satellieten in het heelal die de aarde observeren en we maken ons zorgen dat ook die projecten op de schop zullen gaan. Trump zelf heeft als president niet zoveel macht: als de Republikeinen willen, stoppen ze hem, maar ze vertikken het. Wetenschappers hebben zich lang ver weg gehouden van de politiek, want het is net de job van een wetenschapper om objectief te zijn en geen persoonlijke opinie te hebben. Al zijn in het verleden wel wetenschappers in opstand gekomen tegen politici, denk maar aan de Pugwash Conference die in 1957 opgericht werd door de natuurkundige Joseph Rotblat. Tijdens WO II was hij betrokken bij het Manhattan Project voor de bouw van de atoombom, later tok hij ten strijde tegen de nucleaire wapenwedloop. Veel wetenschappers die aan de bom hadden meegewerkt, kregen wroeging na Hiroshima. Ze verzetten zich tegen het gebruik van de bom in Nagasaki en vroegen zich af of de president wel goed besefte waar hij mee bezig was. Rotblat kreeg in 1995 de Nobelprijs voor de Vrede. Sommige wetenschappers werden dus wel degelijk erg politiek, alleen wrong dat altijd met hun job. Nu zouden de wetenschappers die niets meer te verliezen hebben best hun mond opendoen en het verzet organiseren.

 

De Nobelprijswinnaars chemie en fysica bijvoorbeeld?

Czerski: Precies, want zij zijn onaantastbaar. Zij hebben bewezen wat ze waard zijn en niemand kan beweren dat hun opinie waardeloos is. Zij zouden een grote positieve invloed kunnen uitoefenen door zich als leiders te gedragen. Mensen luisteren naar hen, òòk politici. Zij kunnen het zich permitteren om tegen Trump en co in het verweer te gaan. De Pughwash Conference werd indertijd zeer ernstig genomen; het is hoog tijd dat er iets gelijkaardigs opgestart wordt. In vergelijking met vroeger hebben we één groot voordeel: onze mogelijkheden om te communiceren zijn eindeloos met Twitter, Facebook, Youtube en de rest van het internet.

 

U maakt documentaires over wetenschap voor de BBC.

Czerski: Ik wil daarmee de kijkers een klein beetje meer inzicht in wetenschap geven zodat ze beter begrijpen hoe het skelet van de wereld ineenzit. Ik wil de Britten ook tonen dat er zoiets als ‘een wetenschapper’ bestaat. Want voor veel landgenoten klinkt ‘wetenschapper’ als iets buitenaards, terwijl wij ook maar doodgewone mensen zijn.

 

Helen Czerski, Ober, er zit natuurkunde in mijn soep, Maven Publishing, 336 blz., 22 euro

(c) Jan Stevens

 

 

‘Soms lijkt het alsof we in een samenleving vol Calimero’s beland zijn’

‘Ik stoor me er aan dat het begrip geweld vandaag te pas en te onpas gebruikt wordt’, zegt filosoof Lode Lauwaert. ‘Door beledigen ook als geweld te beschouwen, vrees ik dat we vormen van geweld uit het oog verliezen die wél ernstige gevolgen hebben.’ In Filosofie van geweld zet hij samen met collega’s uit Vlaanderen en Nederland de puntjes op de i.

 

In de pas verschenen essaybundel Filosofie van geweld gaat filosoof Lode Lauwaert samen met onder anderen Maarten Boudry, Ignaas Devisch en Paul Cliteur op zoek naar de juiste betekenissen van geweld. ‘Geweld wordt te breed geïnterpreteerd en dekt te veel ladingen’, zegt de initiatiefnemer en “regisseur” van het boek. ‘Dat heeft gevolgen voor de manier waarop we samenleven. Daarom heb ik aan een aantal vakbroeders gevraagd om samen met mij over geweld na te denken en te zoeken naar een nauwkeurige omschrijving.’

Lode Lauwaerts persoonlijke ‘fascinatie’ voor geweld stamt uit de tijd dat hij zich verdiepte in leven en werk van de beruchte 18e-eeuwse Markies de Sade. Tijdens zijn doctoraalonderzoek bestudeerde hij vijf jaar lang de libertijnse levenswandel van de pornograaf en de ‘grondlegger’ van het sadisme. ‘Je vijf jaar in een figuur zoals De Sade onderdompelen lijkt ongezond lang, maar ik bestudeerde toen niet enkel de markies’, zegt hij. ‘Ik concentreerde me vooral op de Franse filosofie over De Sade die dateert van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Tussen 1947 en 1967 liet zowat elke belangrijke Franse filosoof zijn licht schijnen over Markies de Sade. Tijdens mijn onderzoek begon het me te dagen dat Europese filosofen nog niet zo heel erg lang intens nadenken over geweld.’

 

Terwijl dat fenomeen zo oud is als de mens zelf.

Lode Lauwaert: ‘Ja, dat vond ik ook zeer merkwaardig. Geweld bestaat al tienduizenden jaren en toch kwam dat thema in de westerse wijsbegeerte niet vaak ter sprake. Aristoteles, Thomas van Aquino, René Descartes en David Hume schreven over woede en haat; geweld raakten ze nauwelijks aan. Pas vanaf de twintigste eeuw begonnen filosofen erover na te denken.’

 

Als reactie op de gruwel van de Eerste Wereldoorlog?

Lauwaert: ‘De westerse pioniers die geweld onder de loep namen, schreven hun teksten inderdaad kort na WOI. De eerste was Sigmund Freud. Hij was geen filosoof, maar hij vertelde wel zinnige dingen over geweld. Een andere pionier is Walter Benjamin. In 1921 schreef hij Zur Kritik der Gewalt, De kritiek van het geweld. Die tekst was gegroeid uit de toestand in Duitsland in de nasleep van de Grote Oorlog. Vandaag is geweld een populair thema onder filosofen, denk maar aan het boek Geweld van Slavoj Žižek. Ook Italiaanse, Amerikaanse en Britse filosofen spitten dat onderwerp nu grondig uit.’

 

Volgens de Canadees-Amerikaanse psycholoog Steven Pinker leefden we nog nooit in veiliger tijden dan nu. Maar onze perceptie is toch enigszins anders: door de recente aanslagen lijkt het alsof de wereld in brand staat en het geweld steeds dichterbij komt.

Lauwaert: ‘Pinker wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd. In zijn boek The Better Angels of Our Nature schrijft hij niet dat de hoeveelheid geweld afneemt. Dat zou ook niet kunnen kloppen, denk maar aan de twee wereldoorlogen en de talloze genocides van de voorbije eeuw. Wat hij wél schrijft, is dat de kans ontzettend klein is dat u en ik vermoord zullen worden. De kans dat iemand anders ons doodt, is één op honderdduizend. En dat risico wordt steeds kleiner.’

 

Op voorwaarde dat er in onze contreien geen oorlog uitbreekt.

Lauwaert: ‘Zelfs dan zijn onze overlevingskansen groot. Als je de evolutie van tienduizend jaar geleden tot nu bekijkt, is het onmiskenbaar zo dat steeds minder mensen sterven als gevolg van moord. Het aantal doden door moord bedraagt nu ongeveer 3 procent, terwijl dat bij de jager-verzamelaars rond 15 procent schommelde. Maar dat is nog geen doorslaggegevend argument voor de stelling dat het geweld afneemt. Want er bestaan veel meer vormen van geweld dan moord alleen. Ik kan straks op uw gezicht slaan, dat is dan een vorm van fysiek geweld maar geen moord. Geweld hoeft trouwens niet altijd fysiek te zijn. Ik kan u psychisch folteren, ook dat kan flink pijn doen.’

 

Zou het kunnen dat we gevoeliger geworden zijn?

Lauwaert: ‘Dat denk ik wel. We willen geweld een halt toeroepen, en dat is prima. Maar de keerzijde is dat we steeds meer dingen als geweld catalogeren. Zaken die vroeger nooit als geweld werden omschreven, vinden we nu wél gewelddadig. Zo plakken tegenwoordig nogal wat mensen het label ‘geweld’ op een handeling als ‘beledigen’. Duwen en trekken in een betoging wordt ook als geweld beschouwd. Vroeger niet. Echt geweld is per definitie ernstig, omdat het altijd gepaard gaat met schade, lichamelijk of geestelijk. Door beledigen ook als een vorm van geweld te beschouwen en ons daarop te focussen, vrees ik dat we vormen van geweld uit het oog verliezen die wel ernstige gevolgen hebben. Het is dus niet onzinnig om te onderzoeken wat we in ons doordeweekse taalgebruik verstaan onder geweld en om te bepalen wat er onder valt en wat niet. Filosofie van geweld vormt een bijdrage aan die discussie.’

 

Maar is dat door onze grotere gevoeligheid sowieso niet een erg moeilijke discussie geworden?

Lauwaert: ‘In het algemeen zijn we het er met zijn allen toch over eens wat geweld is en wat niet. Geweld is altijd een daad tegenover iets. De Engelsen zeggen: “It is something which is done.” Dat klinkt op het eerste gehoor misschien nogal onnozel, maar als er sprake is van geweld kan je niet zeggen dat het niet begaan werd. Het gebeurt ten opzichte van ‘iets’. Mijn ‘iets’ overkoepelt drie begrippen: objecten, dieren en personen. Ook dieren zijn slachtoffer van geweld: denk maar aan de gruwelijke beelden onlangs uit dat slachthuis. Er kan ook geweld uitgeoefend worden op objecten. Vandalisme dus, al is volgens sommigen niet elke vandalenstreek een daad van geweld. Als iemand een grafsteen vernietigt, is dat wel zo. Net als wat de IS in Palmyra heeft aangericht.’

 

Is het verscheuren van de koran ook een vorm van geweld?

Lauwaert: “Er is sprake van geweld op objecten als er een zekere ernst aan verbonden is. Als ik u een foto van mijn vrouw geef en u verscheurt die, zal ik me diep beledigd voelen, maar toch is dat geen daad van geweld. Uw actie zal mij veel pijn doen, maar niet alles wat pijn veroorzaakt, is gewelddadig. Ook niet elke vernietiging van een object is gewelddadig. Een garagist kan een auto demonteren zodat er enkel nog onderdelen overblijven. Hij heeft die auto vernietigd en heeft zich toch niet bezondigd aan geweld. Ik keur het verscheuren van de koran niet goed en beveel dat ook niet aan, maar of we het een vorm van geweld moeten noemen? Geweld gaat altijd om een oneigenlijke omgang, “niet overeenkomstig de bedoeling”, met een object, dier of persoon.’

 

Als wij het opblazen van historisch erfgoed in Palmyra door de IS als een vorm van geweld beschouwen, mogen moslims het vernietigen van hun heilige boek door bijvoorbeeld de Amerikaanse dominee Terry Jones toch ook als een vorm van geweld zien?

Lauwaert: ‘(Denkt na en knikt) U hebt gelijk, dat is ook een duidelijke vorm van geweld. Er wordt op een oneigenlijke manier met het object omgegaan en zo wordt er schade aangericht. Er is ook oneigenlijke omgang mogelijk zonder schadelijke gevolgen. U steekt ter begroeting uw hand naar mij uit; in plaats van uw hand te drukken, streel ik over uw arm. Ik verwar u zo heel even, maar schade richt ik niet aan.’

 

Als u me op mijn neus slaat in plaats van me een hand te geven, richt u wel schade aan.

Lauwaert: ‘Dan zitten we in het hoofdstuk geweld tegenover personen. De schade van de oneigenlijke handeling kan dan lichamelijk zijn, zoals een gebroken neus. Als ik u vervolgens ook nog folter, kan dat geweld u een psychisch trauma opleveren. Bij geweld op personen heeft de dader meestal de intentie om het slachtoffer te beschadigen. Ik sla u en u bloedt. Als u zich op tijd terugtrekt, hebt u geen pijn en ook geen lichamelijke schade, toch blijft het een gewelddaad. Bij geweld tegen objecten is er altijd schade, bij personen niet. Een bokser kan een slag incasseren zonder dat er schade veroorzaakt wordt. Al is op lange termijn boksen natuurlijk niet zo gezond voor de hersenen. (lacht)’

 

Leven we vandaag in een slachtoffercultuur, in een maatschappij waarin mensen zichzelf graag erkend willen zien als slachtoffer?

Lauwaert: ‘Soms lijkt het inderdaad alsof we in een samenleving vol Calimero’s beland zijn. (lacht) We voelen ons graag slachtoffer en dat heeft waarschijnlijk ook te maken met onze steeds breder wordende notie van wat geweld is. Sinds de jaren zeventig zijn we dat stelselmatig aan het oprekken: beledigen, onrecht aangedaan worden, duwen en trekken in betogingen: allemaal geweld. Anno 2017 is zo goed als alles een mogelijke bron van geweld en stellen we ons voortdurend als slachtoffer op. We zitten hier nu in een rustig koffiehuis waar alles vredig lijkt, maar zelfs deze lieflijke plek kan ontaarden in een oord vol geweld. Ik wil koffie, maar mijn favoriete bonensoort is er niet, terwijl ik vind dat ik daar recht op heb. Ik voel me dus onrecht aangedaan en word daar zeer boos en ongelukkig over. Ik trek het nu misschien een beetje in het belachelijke, maar ik wil enkel illustreren hoe ver we gaan in het oprekken van het geweldbegrip en in het cultiveren van onze slachtofferrol. Tezelfdertijd zien we iedereen als potentiële dader. Zo wordt het natuurlijk moeilijk om een samenleving op te bouwen. Elke buurt wordt onleefbaar als iedereen ofwel een mogelijk slachtoffer, ofwel een dader is. Meer dan ooit hebben we nood aan duidelijke definities van wat geweld is, en dat is net ook een van de taken van de filosoof. Je wilt je kinderen toch niet het mensbeeld meegeven dat we allemaal slachtoffers zijn, omringd door daders? Dat is toch een extreem negatieve invulling van wat het betekent om mens te zijn?’

 

Heeft onze overgevoeligheid voor geweld en ons ‘verlangen’ om slachtoffer te zijn en de anderen als dader te beschouwen, iets te maken met het verlies aan “grote verhalen”?

Lauwaert: ‘(Denkt diep na) Door de secularisering en individualisering liggen de grote verhalen inderdaad op apegapen. Zij hadden een soort van koepelfunctie en verenigden mensen rond een gedeeld wereldbeeld. De individualisering hoeft niet per se negatief te zijn: mensen nemen nu beslissingen op basis van hun eigen interesses en bevindingen, niet op wat de zuil hen voorschrijft. De grote verhalen verdwijnen en we leven in een steeds liberaler wordende cultuur. Vroeger werden allerlei vormen van agressie, ongemak, frustratie en angst gekanaliseerd en geabsorbeerd via het grote verhaal, door de zuil waartoe mensen behoorden. De frustratie en agressie die we allemaal wel eens voelen, raken we nu inderdaad steeds minder op collectieve wijze via bijvoorbeeld de vakbond kwijt. Uitingen van agressie worden geïndividualiseerd of diep vanbinnen opgepot. Je kan veel kritiek hebben op Sigmund Freud en de psychoanalyse, maar als er een ding is wat Freud ons geleerd heeft, is het dat frustratie en agressie een uitweg moeten vinden. De psychische gesteldheid van de burgers in onze samenleving doet vermoeden dat er inderdaad iets fout loopt. De spectaculaire toename van depressie en burn-out zou ook wel eens te maken kunnen hebben met agressie en frustratie die zich naar binnen richt.’

 

Er volgen vaak collectieve demonstraties op uitingen van ‘zinloos geweld’. Bestaat er dan ook zoiets als zinvol geweld?

Lauwaert: ‘De term “zinloos geweld” verwijst naar vormen van geweld waarbij de act van geweld niet gerechtvaardigd is en niet in verhouding tot het doel dat iemand wil bereiken. “Zinloos geweld” gaat altijd over kleine geweldsvormen en niet over grootschalig oorlogsgeweld. Denk aan de scholier Joe Van Holsbeeck die in 2006 op klaarlichte dag in Brussel door twee jongens werd doodgestoken, nadat hij geweigerd had om zijn mp3-speler af te geven. Het geweld op Van Holsbeeck was niet gerechtvaardigd en niet in proportie. Met de omschrijving “zinloos geweld” tonen mensen eerst en vooral hun afkeer. Terecht, vind ik.

Sommigen hebben een probleem met de term “zinvol geweld”. Ze vinden dat een rare constructie omdat ze ervan uitgaan dat geweld per definitie nooit gerechtvaardigd en altijd fout is. Filosofen spreken dat tegen. “Geweld is op het eerste gezicht fout, maar misschien niet op het tweede gezicht”, zeggen zij. Het is goed dat we schrikken bij een daad van geweld, maar het zou best wel eens kunnen dat er een goede reden voor was. Heel wat militaire interventies zijn vormen van geweld die gerechtvaardigd zijn.’

 

Of die op het eerste gezicht gerechtvaardigd lijken en op het tweede gezicht een zware vergissing zijn. Denk maar aan de invasie in Irak.

Lauwaert: ‘Die invasie was op leugens gebouwd; dat geldt niet voor alle militaire interventies. Je moet echt al een absolute pacifist zijn als je stelt dat alle interventies niet alleen op het eerste, maar ook op het tweede gezicht niet gerechtvaardigd zijn. Ik voer geen pleidooi voor geweld, maar ik vind het wel eigenaardig dat sommige mensen alle vormen van geweld altijd als fout beschouwen. Soms is geweld zo gerechtvaardigd dat het bijna immoreel is om het niet te gebruiken. Stel dat we in een dictatuur leven en dat ik zeker weet dat de dictator op het punt staat om veel tegenstanders over de kling te jagen. Dan is het gerechtvaardigd dat ik de despoot met een welgemikt schot het hoekje omhelp. Want zo zal ik de levens van zeer veel medemensen redden. Stel dat er in deze koffiebar zo meteen brand uitbreekt, dan is het gerechtvaardigd dat wij samen met fors geweld de deur inbeuken om ons leven en dat van de andere stamgasten te redden. Er bestaat trouwens ook zinvol geweld dat geen doel heeft en niet gebruikt wordt om bijvoorbeeld een onderdrukte minderheid te bevrijden. Sommige vormen van geweld lijken dwaas, wild, ongecoördineerd en worden op sociale media afgekeurd, maar hebben tòch zin. Ik heb het dan over die vormen van geweld die voortvloeien uit sociale of collectieve woede.’

 

Zoals we dat in november 2014 konden meemaken op een grote betoging in Brussel toen de auto van een elektricien door een groep demonstranten in brand gestoken werd?

Lauwaert: ‘Precies. Of die actie gerechtvaardigd was, doet er nu niet toe, maar dat doelloze geweld had wel een zekere zin. Er is geweld dat iets duidelijk wil maken, geweld dat gelezen moet worden als een soort van bijbeltekst. Als toeschouwer moet je dan onder het oppervlak kijken. Herinnert u zich de opstoot van geweld in oktober 2005 in de Parijse banlieues? Twee tienerjongens waren op de vlucht voor de politie, verstopten zich in een elektriciteitscabine en raakten geëlektrocuteerd. De politie werd daarvoor verantwoordelijk gehouden en niet veel later braken er onlusten uit. Er vonden confrontaties plaats tussen jongeren en de politie. Het geweld verspreidde zich vervolgens razendsnel over andere Franse steden, en ook over steden in België en Duitsland. De volgende twee weken gingen duizenden auto’s in vlammen op. In al dat geweld moet je de boodschap proberen lezen. Het was geen revolutionair geweld, maar had wel een signaalfunctie: “Er schort iets aan het systeem.”’

 

Dat soort van geweld is misschien ook een vorm van collectief stoom aflaten?

Lauwaert: ‘Dat geldt zeker als er een rechtstreeks verband is tussen woede en geweld. Ik kan diep vanbinnen kolken van woede en het kan zo erg worden dat ik in blinde razernij dat glas hier neem en het tegen de grond keil. Natuurlijk is dat stom en doelloos geweld waar ik niets mee bereik. Toch kan het zin hebben, al was het maar omdat ik zo stoom aflaat. Zelfs als ik alleen in een kamer ben en even met mijn vuist tegen de muur klop, kan dat een manier zijn om te kalmeren. Zo installeer ik afstand tussen mezelf en de woede. Die vorm van geweld kun je vergelijken met rouw. Je vriend of vriendin verlaat je en het lijkt alsof je wereld instort. Door in een brief je gevoelens neer te schrijven, creëer je afstand. Rouwrituelen hebben zin: ze helpen je verdriet op afstand te zetten. Met stom geweld zoals het smijten van een glas of het slaan tegen een muur, zet je ook woede op afstand.’

 

Maar geweld is toch van een andere orde dan rouw? Net als geweld kan rouw of liefdesverdriet escaleren, alleen is de rouwende daar dan zelf de dupe van. Bij escalerend geweld worden anderen de dupe. Neem kindermishandeling: een ouder slaat zijn kind de eerste keer misschien vanuit onmacht. Er volgt een tweede en een derde keer en gaandeweg wordt het kind de favoriete boksbal van de gefrustreerde vader of moeder.

Lauwaert: ‘Geweld kan escaleren, maar er leeft ook een mythe over de escalatie van geweld. We lezen in kranten en tijdschriften soms levendige verslagen over grote vechtpartijen in steden, terwijl die in werkelijkheid niet zoveel blijken voor te stellen. In werkelijkheid escaleert geweld niet zo vaak, behalve dan in oorlogssituaties. Militairen veroveren een dorp en doen er nog een schepje bovenop: ze vernietigen het. Ze hebben hun doel bereikt, maar gaan in overdrive en branden het dorp plat, verkrachten alle vrouwen, mishandelen de kinderen en zetten de mannen tegen de muur. Zo’n escalatie is zeldzaam en gebeurt vooral op die momenten waarop de geweldplegers ervan overtuigd zijn dat de tegenstander niet meer zal terugslaan. Nadat alle dorpen veroverd zijn, wordt dat laatste dorp met de grond gelijkgemaakt. Chimpansees vertonen exact hetzelfde gedrag. Ze maken een chimpansee kapot op het moment dat ze er zeker van zijn dat er geen andere chimpansees in de buurt zijn en de kans op represailles nihil is. Ook bij mensen is de kans op extreem geweld het grootst als de kust veilig lijkt.’

 

Lode Lauwaert (red.), Filosofie van geweld, Polis, 256 blz., 24,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Ceci n’est pas un peintre’

Vijftig jaar na de dood van onze grootste surrealistische schilder René Magritte blijven zijn gemaskerde appels, zwevende bolhoeden, wolkenvogels en pijpen die geen pijpen zijn tot de verbeelding spreken. Maar was hij wel een surrealist? En bovenal: was hij wel een schilder?

 

Op 15 augustus is het precies vijftig jaar geleden dat René Magritte stierf. 15 augustus wordt ook de dag waarop het boek Magritte ontsluierd van de in kunst gespecialiseerde journalist Eric Rinckhout verschijnt. ‘René Magritte was één van de eerste schilders waarmee ik als kleine jongen in aanraking kwam,’ zegt hij. ‘Ik keek gefascineerd naar zijn bolhoedmannetjes, naar de trein die uit de schoorsteenmantel kwam gereden en naar de man die zijn eigen achterhoofd in de spiegel zag. Al die intrigerende beelden waar je als toeschouwer aanvankelijk kop noch staart aan krijgt, vormen de charme van het merendeel van Magritte’s werk.’

Ook voor Bart Verschaffel, cultuurfilosoof en professor architectuurtheorie en -kritiek aan de UGent, waren de schilderijen van René Magritte zijn eerste kennismaking met de wereld van de kunst. ‘Eén van de eerste grote tentoonstellingen die ik zag, draaide rond zijn werk’, zegt hij. ‘Magritte schilderde niet alleen, maar schreef ook veel. Al zijn teksten zijn verzameld in een dik boek en getuigen van verstand en luciditeit. Zijn vrienden waren geen schilders, maar dichters, filosofen en intellectuelen. Hij moest niets hebben van kunstenaars die werkten vanuit hun buikgevoel.’

Kunstkenner Claude Blondeel dweepte in zijn jonge jaren met René Magritte, maar verloor later zijn interesse in diens werk. ‘Ik heb hem pas eind vorig jaar herontdekt met de grote retrospectieve “La trahison des images” in Centre Pompidou in Parijs. De tentoonstelling begon met zijn geschriften. Magritte correspondeerde met Michel Foucault die ook een boek over hem schreef. In Parijs ontdekte ik Magritte als filosoof. Wat een denkende schrijver met woorden doet, voerde hij met beelden uit. Hij is geen schilder in de zuivere zin van het woord. Echt grote schilders zijn figuren als Rembrandt en William Turner. Het is niet omdat je met een in verf gedoopt penseel over een canvas strijkt, dat je automatisch een goede schilder bent. Magritte is geen goede schilder, maar een denker. Hij zet ons aan het denken door voorwerpen naast elkaar te plaatsen die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Zo creëert hij een afgrond die ons verontrust, ons doet schrikken en dromen. Het voorbeeld bij uitstek is zijn afbeelding van de hyperrealistische pijp met daaronder Ceci n’est pas une pipe. Natuurlijk is het geen pijp, maar de afbeelding van een pijp. Het is belangrijk om te weten dat het werk “La trahison des images” heet. Magritte’s titels zijn van wezenlijk belang.’

‘Bij Magritte zijn beeld en titel als twee vuurstenen die vonken veroorzaken’, beaamt Bart Verschaffel. ‘Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en laten een raadselachtig schilderij ontstaan of een beeld dat het statuut heeft van een raadsel. Het schilderen zelf vond hij niet belangrijk. Daardoor lag zijn focus niet op het schildersambacht, maar op het beeld. Tezelfdertijd dacht hij na over wat kunst is. Die vraag vond haar oorsprong bij de twintigste-eeuwse Franse kunstenaar Marcel Duchamp en zijn urinoir ‘Fontein’. Wat is kunst en wat niet? En is iets kunst van zodra de kunstenaar zegt dat het kunst is?’

 

Gesluierd

Eric Rinckhout vindt de werken van Magritte “schilderkunstig” minder interessant. ‘Dat komt omdat hij zo accuraat mogelijk schilderde’, zegt hij. ‘Zijn werk is zeer precies. Zijn bijna fotografisch gereproduceerde werkelijkheid was tegelijkertijd een onmogelijke werkelijkheid. Hij speelde met de botsing tussen die twee. Hij heeft altijd geweigerd om zijn werk uit te leggen. Hij stelde: “Als ik het verklaar, vernietig ik het mysterie, terwijl ik net wil laten zien dat we in een mysterieuze wereld leven.” Elke biografische interpretatie ontweek hij.’

René Magritte was dertien toen zijn moeder zelfmoord pleegde. Eric Rinckhout: ‘Ze sprong in de Samber en verdronk. Volgens Georgette Magritte heeft haar man René daar zijn leven lang nooit iets over verteld. Maar het effect van die traumatische gebeurtenis kan niet onderschat worden. Ze moét zijn arsenaal aan beelden wel gevoed hebben. Gezichten ontbreken vaak of zijn gesluierd: waarschijnlijk zijn het verwijzingen naar de dood van zijn moeder. Dertien dagen na haar wanhoopsdaad werd ze met haar nachtkleed over haar hoofd uit de rivier opgevist. Ze lag opgebaard in het ouderlijke huis en dat kan niet anders dan een zeer grote indruk op die jongen van dertien hebben gemaakt.’

In de loop van zijn leven gaf René Magritte een paar lezingen over de fundamenten van zijn werk. ‘Hij vertelde toen dat hij met zijn schilderijen filosofische problemen wou onderzoeken’, zegt Eric Rinckhout. ‘In “Le viol”, De verkrachting, is het vrouwengezicht veranderd in een naakte vrouw: de ogen zijn borsten en de mond is het geslacht. Magritte wil daarmee zeggen: als een man naar een vrouw kijkt, ziet hij haar naakt. Met andere woorden: elke tien minuten denkt een man aan seks. Magritte onderzocht ook taal: Ceci n’est pas une pipe is daar een voorbeeld van. Het woord dat we aan een bepaald object verbinden, is niet meer dan een afspraak die we maken. Zo ondermijnt hij het schoolboek waarin staat: Ceci est une pipe. “Aap, noot, mies”, lezen we op de schoolbanken. Plots is er dan Magritte die zegt: “Dit is geen aap.”’

 

“Dit is geen surrealist”

Volgens Luc Tuymans, een van onze grootste hedendaagse schilders, is René Magritte geen surrealist. Om die stelling te onderbouwen, verwijst hij naar “La trahison des images”. ‘In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is dat schilderij zeer reëel’, zegt hij. ‘Want het is geen pijp, maar de afbeelding van een pijp. Ceci nest pas une pipe is dus niets meer of minder dan de waarheid.’

‘Magritte vond zelf dat hij geen surrealist was”, zegt Bart Verschaffel. ‘Hij zit ook niet in de traditie die het droomachtige trachtte te stimuleren. Maar een aantal van zijn schilderijen van halverwege de jaren twintig haalden hun inspiratie wel uit de irrealiteit. Als het al een misverstand zou zijn dat hij als surrealist gecatalogeerd staat, is dat een begrijpelijk misverstand. Hij was zeer ironisch en gebruikte de surrealistische strategieën van spot en van het niet ernstig nemen van zaken die door de goegemeente wel ernstig genomen werden.’

Ook Claude Blondeel vindt Magritte geen diehard surrealist. ‘Het surrealisme was oorspronkelijk een Parijse historie, met André Breton op kop als schrijver van het in 1924 verschenen Manifest van het Surrealisme. In België waren ook surrealisten actief, alleen gedroegen zij zich veel anarchistischer dan hun Franse geestesgenoten. Breton noemde zichzelf de paus van het surrealisme, al paste “de ayatollah” beter bij hem. In het begin verdiende René Magritte zijn brood als reclametekenaar. Hij wou naar Parijs, want daar gebeurde het allemaal. De Franse dichter Paul Eluard bood aan om hem te introduceren bij André Breton. Magritte voelde zich vereerd en trok samen met zijn vrouw naar Parijs. Eluard haalde hen op en zag dat Georgette een gouden kruisje van haar plechtige communie droeg. Hij waarschuwde haar: “U weet toch dat André Breton antiklerikaal is en zelfs antigodsdienstig? U kan dat kruisje misschien beter afdoen.” Magritte reageerde meteen: “Geen sprake van.” Ze kwamen bij Breton en dronken koffie. Breton zag het kruisje en noemde Georgette een kwezel. René stond recht: “Georgette, nous partons.” En weg waren ze. René Magritte en zijn Belgische surrealistische vrienden waren kwajongens, plezante gasten die afspraken in het Brusselse café Het goudblommeke in papier waar nog altijd die grote foto hangt waar ze allemaal samen opstaan. De Belgische surrealisten waren veel minder doctrinair dan hun Franse ‘medebroeders’. De Franse surrealisten predikten de vrijheid, terwijl homoseksuelen bij hen niet welkom waren.’

 

Période Vache

In de vooroorlogse jaren bleef het grote commerciële succes voor René Magritte uit. ‘In de jaren twintig en dertig had hij wel wat werk verkocht, maar hij had het nooit erg breed’, zegt Eric Rinckhout. ‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij even uit het bezette België weg. Hij keerde terug en begon op een totaal andere, ‘wilde’ manier te schilderen: kleurrijk impressionistisch, met een surrealistische inslag. Zijn werk uit de periode vlak na WO II vind ik zeer boeiend. Hij baseerde zich op de thema’s en motieven van Renoir. Zijn verhouding met de Franse surrealisten raakte totaal vertroebeld en in zijn zogenaamde Période Vache ging hij helemaal loos en begon op een bijna karikaturale manier te schilderen. Hij stapte met les pieds dans le plat. Zijn tentoonstelling in Frankrijk was een complete ramp. Niemand begreep zijn werk. Ik kende die periode wel, maar wist niet dat de omslag zo groot was. Dat heb ik pas ontdekt door voor mijn boek dieper in zijn leven en werk te duiken.’

Bart Verschaffel: ‘Na WO II kon hij meermaals in Parijs tentoon stellen. Hij zal toen wel gehoopt hebben dat hij zo met het Parijse milieu kon aanknopen. Dat lukte niet en in zijn Période Vache zette hij al die mensen een neus. Op dat moment had hij zijn contracten met Amerika rond. Daar groeide hij uit tot een succesvol schilder dankzij de Griekse galeriehouder Alexander Iolas. Die introduceerde hem in de Verenigde Staten en begon er zijn werken te verkopen. Magritte is een van de eerste Belgische kunstenaars die succesrijk werd in de VS. Hij zag het land als zijn commercieel afzetgebied; de Amerikanen waren geen intellectuele sparringpartners. In Parijs raakten zijn werken niet verkocht, maar die stad bleef wel zijn intellectueel referentiepunt.’

Op aanraden van Alexander Iolas begon René Magritte terug op zijn klassieke manier te schilderen. Eric Rinckhout: ‘De tentoonstellingen die Iolas in de VS organiseerde, zorgden voor een oplaaiende interesse voor het surrealisme. Met frisse tegenzin keerde Margritte terug naar de stijl van voor de Période Vache. Hij heeft toen zeker nog zeer goede schilderijen gemaakt. Hij varieerde veel op dezelfde thema’s, maar verlegde tezelfdertijd grenzen. Hij schilderde verschillende versies van “l’Empire des Lumières”, Het rijk der lichten, het beroemde schilderij van de lantaarnpaal voor het huis, waarop het zowel dag als nacht is. Als je al die versies met elkaar vergelijkt, merk je evolutie. Zijn vierde of vijfde versies zijn vaak de beste.’

Zou hij uitgegroeid zijn tot een nòg interessantere schilder als hij Iolas niet had ontmoet en was blijven experimenteren? Rinckhout: ‘Zijn Période Vache vond hijzelf alvast surrealisme in het kwadraat: hij schilderde niet alleen surrealistisch, maar zette ook nog eens iedereen op het verkeerde been. Hij bracht toeschouwers in totale verwarring. André Breton trok toen definitief de deur dicht.’

 

Beeldenmaker

René Magritte schilderde snel en veel. ‘Er was een jaar waarin hij honderd schilderijen maakte’, zegt Claude Blondeel. ‘Zijn Brusselse vriendenkring kwam op vrijdagavond bij hem thuis in de Esseghemstraat in Jette. Magritte was een huismus en hing niet rond in salons of cafés. Op die vrijdagavonden toonde hij de schilderijen die hij de voorbije week gemaakt had. Dan mochten zijn vrienden titels voorstellen: de meest maffe won.’

Samen met zijn vrienden draaide hij verschillende amateurfilmpjes. ‘Margritte hield van foto’s en van film en was een begenadigd beeldenmaker’, zegt Eric Rinckhout. ‘Als hij nu zou leven, was hij misschien geen schilder maar maakte hij games, films of video’s.’

Bart Verschaffel werkte in de jaren negentig van de vorige eeuw samen met reportage- en documentairemaker Jef Cornelis aan twee documentaires over René Magritte. Verschaffel bekeek toen alle filmpjes die Magritte ooit gedraaid heeft. ‘De filmpjes dateren uit de jaren vijftig’, zegt hij. ‘Er zitten heel diverse dingen tussen. Magritte filmde en zijn vrienden reageerden op de camera en gedroegen zich kolderiek. Die filmpjes zijn interessant omdat ze zijn milieu tonen en je de mensen ziet die bij hem op bezoek komen. Zijn vrienden filmden hem ook. Zo ontdek je de vulgaire kant van René Magritte: hij maakte graag platte grappen. De middenklasse waartoe hij behoorde, had een stevige volkse ondergrond. Hij begon ook zijn eigen werk te filmen. Je ziet hoe de nog jonge schilder Marcel Mariën schilderijen naar de tuin brengt omdat daar meer licht is. Magritte filmt zijn doeken, zoomt in en uit. Aan de hand van die filmpjes konden we verschillende werken dateren. Hij ensceneerde ook filmpjes met vrienden als de schrijver Louis Scutenaire en diens vrouw Irène Hamoir. Op zijn verjaardag draaide hij Le loup rouge, een kortfilm in kleur over een tuba die verdwijnt en teruggevonden wordt. De tuba is een van de symbolen uit zijn schilderwerk uit de jaren twintig en staat voor de ingewanden van de vrouw. 25 jaar later spelen ze met die tuba tijdens de opname van dat filmpje.’

Aan het eind van zijn leven was Magritte van plan om zijn filmpjes tot een nieuwe film te monteren. Verschaffel: ‘In die tijd werden filmpjes verknipt en opnieuw aan elkaar geplakt of gemonteerd. Magritte had al zijn filmpjes verknipt maar niet meer aan elkaar geplakt. Al die stukken film lagen dooreen in dozen. Ik hielp Jef Cornelis bij het opnieuw ineen puzzelen. Het was een bijzondere ervaring om de kunstenaar en de mens Magritte op het witte doek te zien verschijnen. Louis Scutenaire’s weduwe Irène Hamoir leefde toen nog. Hoogstwaarschijnlijk was zij ook de maîtresse van René Magritte. We toonden haar de filmpjes. Ze wist niet dat ze nog bestonden en voor haar was het een confrontatie met haar dode geliefden. Ze zag die opnieuw herleven: haar man, René, Georgette en de kunstenaar Edouard Mesens.’

 

Steen

Veel werk van René Magritte werd al tijdens zijn leven gecommercialiseerd en op posters geprint. Volgens Claude Blondeel had de schilder daar geen enkel probleem mee. ‘Integendeel, hij vond dat heel tof en werkte er zelfs aan mee. Het is niet zo dat hij op geld uit was. Hij huurde lang een huis en kocht pas op het einde van zijn leven een villaatje. Hij heeft in zijn hele leven ook maar één auto gekocht. Na amper drie weken deed hij hem weer van de hand omdat hij er iets te veel mee gebotst had. Magritte genoot ervan dat zijn werk op posters werd uitgegeven. In de shop van het Magrittemuseum in Brussel kun je heel goed zien wat er allemaal met zijn werk gebeurd is. Na Walt Disney moet hij een van de meest gekopieerde artiesten ter wereld zijn. We komen René Magritte overal tegen: op koffiekoppen, kussens, dekbedovertrekken, kaartjes… Hij is een van de weinige kunstenaars die tijdens zijn leven een overzichtstentoonstelling kreeg in het New Yorkse MOMA. Popartkunstenaars zoals Robert Rauschenberg en Andy Warhol herkenden een geestesverwant in hem. Ook zij begonnen hun eigen werk te kopiëren.’

Een van de grote verdiensten van René Magritte is volgens Claude Blondeel dat hij kunst toegankelijk gemaakt heeft. ‘Terwijl zijn werk moeilijk blijft. Je staat oog in oog met een schilderij van hem, je vindt het bizar en aantrekkelijk. Vervolgens zie je de titel, begin je erover na te denken en stoot je op de intellectuele laag.’

Bart Verschaffel: ‘Schilderen was voor Magritte een vorm van nadenken; beelden maken een manier van mentale concentratie. Op het einde van zijn leven wordt dat nadenken bijna mediteren. In de jaren vijftig schilderde hij versteende stillevens, landschappen en interieurs. Alles veranderde in steen. In een van zijn laatste interviews werd hem gevraagd: “Wat betekent die steen?” Hij antwoordde: “La pierre ne pense pas.”’

 

(c) Jan Stevens

Poëtische waarheid

vorm van ruïnesEind 2012 keerde de Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez na zestien jaar Europese ‘ballingschap’ terug naar ‘zijn’ stad Bogotá. Zelf had hij daar niet zoveel zin in, maar vrouw en kinderen drongen aan. Gelukkig maar, want die terugkeer leverde opnieuw een meesterwerk op.

 

Juan Gabriel Vásquez groeide in de jaren tachtig op in de Colombiaanse hoofdstad Bogotá, op dat moment de meest gewelddadige stad ter wereld. Hij was amper 23 toen hij in 1996 zijn land vaarwel zei om in Parijs aan de Sorbonne Latijns-Amerikaanse literatuur te gaan studeren. In Europa wou hij zijn droom waarmaken: schrijver worden. Maar dat schrijverschap kwam niet meteen van de grond en hij belandde in een zware existentiële crisis. Een bevriend bejaard echtpaar nodigde hem uit voor een weekend op hun landgoed in de Belgische Ardennen. Het geplande weekend werden negen maanden en zijn eerste verhalen speelden zich af tijdens dat verblijf. In zijn nieuwe roman De vorm van ruïnes laat Vásquez een van zijn personages genadeloos afrekenen met die oude ‘brave’ Belgische verhalen. “Terwijl het thuisfront kampt met een burgeroorlog die meer dan twintigduizend doden per jaar eist, een terrorismeprobleem dat je nergens anders in Latijns-Amerika tegenkomt en een geschiedenis die van meet af aan wordt gekenmerkt door de moord op onze grote mannen, schrijft u over stelletjes in de Ardennen die uit elkaar gaan”, klinkt het verwijtend. Dat oordeel is ongenadig streng, want na zijn Belgische verhalen schreef Juan Gabriel Vásquez een aantal zeer indringende romans waarin zijn door drugs en geweld geteisterde geboorteland de hoofdrol speelt. Eerst vanuit Frankrijk, later vanuit Barcelona. Toen hij eind 2012 op verzoek van zijn vrouw en tweelingdochters samen met hen terugkeerde naar Bogotá, was dat ietwat tegen zijn zin. Hij was bang dat het gebrek aan afstand zijn vrije en vranke literaire stem over Colombia in de kiem zou smoren. De vorm van ruïnes schreef hij integraal in zijn geboorteland. Hij bewijst ermee dat zijn vrees om een voorzichtige, door de heimat geknechte schrijver te worden, totaal ongegrond was.

In De vorm van ruïnes duikt hij diep in het heart of darkness van zijn land, net zoals zijn grote idool Joseph Conrad hem dat voordeed in Congo. Vásquez reconstrueert twee politieke moorden die Colombia tot vandaag beroeren. De eerste is op Jorge Eliécer Gaitán, een beloftevol links-liberaal politicus die op 9 april 1948 doodgeschoten werd, de tweede op de linkse generaal en politicus Rafael Uribe Uribe die op 15 oktober 1914 met bijlslagen afgemaakt werd. De schrijver laat zich daarbij op sleeptouw nemen door de Kurtz-achtige Carlos Carballo, een hevig aanhanger van complottheorieën met een ongezonde obsessie voor het oeuvre van Vásquez.

Niemand schrijft soepeler en vloeiender dan Juan Gabriel Vásquez. De vorm van ruïnes is, alweer, een knap geconstrueerd meesterwerk en door de historische foto’s en de vele verwijzingen naar het persoonlijke leven van de schrijver bedrieglijk waarheidsgetrouw. Al is het boek wel degelijk een roman, bulkend van wat Vásquez zelf ‘poëtische waarheid’ noemt.

 

 

Juan Gabriel Vásquez

De lectuur van Honderd jaar eenzaamheid van zijn beroemde landgenoot Gabriel García Márquez ontstak bij Juan Gabriel Vásquez (1973) het heilige vuur om zelf ook schrijver te worden. Het magisch realisme liet hij achterwege. Hij debuteerde in 1997 met de novelle Persona. In 2004 schreef hij de biografie van zijn grote idool Joseph Conrad. Zijn grote internationale doorbraak beleefde hij in 2011 met Het geluid van vallende dingen waarmee hij de belangrijke Spaanse Premio Alfaguara won. Een jaar later werd de roman onderscheiden met de International IMPAC Dublin Literary Award.

 

Juan Gabriel Vásquez , De vorm van ruïnes, Signatuur, 520 blz. 24,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘De Belgische negationismewet is een vergissing’

De film Denial reconstrueert de geruchtmakende gerechtszaak die holocaustontkenner David Irving zeventien jaar geleden tegen Deborah Lipstadt aanspande. Irving wou de geschiedenisprofessor laten veroordelen wegens smaad maar beet zelf in het zand. Lipstadt is razend enthousiast over de film. ‘Denial laat zien wat voor een racistische leugenaar en vrouwenhater Irving is.’

 

Op 5 september 1996 viel bij de Amerikaanse professor geschiedenis Deborah Lipstadt een dagvaarding in de bus van de Britse zelfverklaarde historicus David Irving. Hij vervolgde haar voor laster en eerroof omdat ze hem in haar drie jaar eerder verschenen boek Denying the Holocaust omschreven had als ‘Hitler-adept’ en als ‘een gevaarlijke revisionist die historische feiten verdraait zodat ze bij zijn ideologische gedachtengoed passen.’ Het proces startte op 11 januari 2000 in het Hooggerechtshof in Londen en kreeg wereldwijde media-aandacht. Wat op het eerste gezicht een dispuut tussen twee ‘collega-historici’ leek, groeide uit tot ‘het proces van de eeuw’ over de historiciteit van de holocaust. De vraag was niet langer of Lipstadt de excentriek uitgedoste gentleman Irving beledigd had, maar of tijdens de holocaust werkelijk zes miljoen joden vermoord waren. De uitspraak van rechter Charles Gray drie maanden later werd een ijskoude douche voor David Irving. Gray nam geen blad voor de mond en noemde Irving ‘een holocaustontkenner, antisemiet, racist en een bondgenoot van rechtse extremisten die het neonazisme promoten. David Irving heeft voor eigen ideologische motieven aanhoudend en moedwillig historisch bewijs foutief voorgesteld en gemanipuleerd.’

In de uitstekende film Denial reconstrueert regisseur Mick Jackson het uitputtende juridische gevecht tussen Irving, vertolkt door Timothy Spall, en Deborah Lipstadt, vertolkt door Rachel Weisz. De inmiddels zeventigjarige Lipstadt is razend enthousiast over de manier waarop Weisz een zeventien jaar jongere versie van haarzelf neerzet. ‘Tijdens de voorbereiding van Denial heb ik lang met Rachel gepraat over hoe ik dat hele proces emotioneel beleefd heb’, zegt ze. ‘Zij brengt mijn emoties van toen op een wonderbaarlijke wijze op het witte doek weer tot leven. Ik hou zielsveel van de film. In minder dan twee uur slaagt Mick Jackson erin om duidelijk te maken op wat voor een perfide manier David Irving de feiten manipuleerde. Hij laat zien wat voor een racistische leugenaar en vrouwenhater die man is. Maar wat ik minstens even belangrijk vind: Denial vertelt niet enkel mijn persoonlijke verhaal.’

 

De film gaat eigenlijk ook over zeer actuele fenomenen zoals ‘alternatieve feiten’ of ‘nepnieuws’?

Deborah Lipstadt: ‘Zeer juist. De ‘alternatieve feiten’ van onze nieuwe president Donald Trump en zijn entourage zijn niets anders dan ordinaire leugens, even fabelachtig als het revisionisme van David Irving en zijn aanhangers. Sommigen vergelijken Trump nu met Irvings grote idool Adolf Hitler, maar dat vind ik overdreven. Het is niet omdat iemand zich slecht en gevaarlijk gedraagt, dat hij meteen een kloon van de Führer is. Zo is een vreselijke moordpartij ook niet automatisch een genocide. Het klinkt misschien cynisch, maar we moeten altijd de correcte verhoudingen in acht nemen. De belegering van Aleppo was verschrikkelijk: hospitalen, scholen en openbare markten werden door alle partijen en vooral door Assad gebombardeerd, maar dat wil nog niet zeggen dat het een genocide was. Een leider kan zich dus heel erg misdragen zonder Hitler naar de kroon te steken. Dat neemt niet weg dat Donald Trump zowel voor als tijdens zijn presidentschap uitspraken gedaan heeft waar ik me veel zorgen over maak. Zo hoorde ik hem alle problemen opnoemen waar Amerika volgens hem mee te maken heeft. Zijn conclusie luidde: “Ik ben de enige die ze kan oplossen.” Dat klonk als een echo van Mussolini, als onvervalste fascistische praat dus. Daar lig ik wakker van. Veel van de problemen die Trump in onze samenleving ontwaart, zijn trouwens eerder problemen in zijn eigen hoofd.’

 

President Donald Trump en holocaustontkenner David Irving staan voor u op één lijn?

Lipstadt: ‘Ja, samen met de complottheoretici, klimaatontkenners en brexiteers. Er zijn leugens, opinies en feiten. Ik kan u nu zeggen dat ik van mening ben dat de aarde plat is, waarna u zal opmerken dat ik geschift ben. Mijn repliek zal dan zijn: “Nee, ik voel heel sterk dat de aarde zo plat als een pannenkoek is.” (lacht) Onze president zit op die golflengte. Hij haalt zijn kennis bij Fox News en bij een figuur zoals die Steve Bannon die hem de meest gore onzin influistert. Trump is net als David Irving een leugenaar. “America First”, roept hij. Hij kent zijn geschiedenis niet, want hij lijkt nog nooit gehoord te hebben van het vooroorlogse The America First Committee met antisemiet Charles Lindbergh. Zéér beangstigend.’

 

Waarom begon David Irving tegen u te procederen? In uw boek had hij slechts een bijrol.

Lipstadt: ‘In november 1994 kwam hij naar het DeKalb College in Atlanta waar ik een lezing gaf over de ontkenning van de holocaust. Hij onderbrak me en zette een grote bek op. Ik wist niet waar ik het had. Tijdens de voorbereiding voor de film vroeg Rachel Weisz me: “Hoe was dat?” Ik antwoordde: “Ik voelde me als een hert gevangen in de koplampen van een auto.” De studenten wisten bitter weinig over de holocaust en plots stond daar iemand recht die riep dat alles wat ik vertelde onzin was. “Kijk, ze beginnen te bekvechten. Cool.” Ik stond daar bedremmeld en stil en Irving voelde zich de overwinnaar. Het was hem gelukt op dat kleine podium in die school, wat moest het dan wel niet worden op dat immense podium van het Hooggerechtshof in Londen?’

 

Het was een publiciteitsstunt?

Lipstadt: ‘Zonder twijfel. Hij zag hoe ik me liet intimideren en verwachtte niet dat ik zou terugvechten. “Die Amerikaanse jodin? Nee toch?” Hij wou bewijzen dat hij het slachtoffer was van een internationaal joods complot. Hij geloofde echt dat een stelletje joden van over de hele wereld rond de tafel was gaan zitten om de grote historicus David Irving te vernietigen. “Hoe gaan we dat aanpakken? Zullen we Deborah inschakelen?” Want ik, een vrouw, kon in de ogen van Irving natuurlijk nooit één van de samenzweerders zijn en was hooguit een marionet.

Toen zijn dagvaarding toekwam, voelde ik me verloren. Ik zei tegen vrienden: “David Irving heeft me gedagvaard”, en ze begonnen te schaterlachen. “Wie gelooft die kerel nu? Negeer dat gedoe.” Maar zo’n dagvaarding kun je niet negeren, ook al ben je ervan overtuigd dat je recht in je schoenen staat. Vlak voor het begin van de rechtszaak bood hij me een minnelijke schikking aan. Als ik vijfhonderd dollar zou geven aan een door hem gekozen liefdadigheidsorganisatie, me op papier verontschuldigde en hem erkende als bonafide holocaustontkenner, wou hij de zaak laten vallen. Ik moest ook alle nog niet verkochte exemplaren van mijn boek laten vernietigen. Mensen uit mijn omgeving drongen erop aan dat ik akkoord ging. Ze waren bang dat het slecht voor mij zou aflopen. Ik vond dat onzin.’

 

Waarom weigerde u een minnelijke schikking?

Lipstadt: ‘Dan had ik nooit nog een overlever in de ogen kunnen zien. Dan had ik ook nooit nog iemand die met de waarheid begaan is, durven aankijken. Ik had geen andere keuze dan dat juridische gevecht aangaan. Achteraf zeiden vrienden me: “Wat jij gedaan hebt, was heroïsch.” Maar ik ben geen held; ik had gewoon geen keuze. De dag na de uitspraak schreef de Britse historicus en journalist John Keegan: “Historici zijn nu aan het bibberen en beven. Want elke keer wanneer ze een fout maken, riskeren ze in een gerechtszaal te belanden.” Ik las dat artikel en ik dacht, zeventien jaar voor de film: “Die kerel leeft in La La-land.” (lacht) Want David Irving had mij vervolgd en ik niet hem. Ik geloof niet in het vervolgen van mensen die het niet nauw nemen met historische feiten. Ik geloof zelfs niet in wetten tegen negationisme.’

 

Sinds 1995 hebben wij zo een wet in België.

Lipstadt: ‘Dat is dan een vergissing. Ik ben tegen dat soort wetten omdat ik een groot verdediger van de vrijheid van meningsuiting ben. Free speech kan enkel gered worden door verstandige more speech. Een wet die negationisme verbiedt, maakt er alleen maar forbidden fruit van. Dan wordt al die onzin pas écht interessant. Mein Kampf was jaren niet te krijgen in Duitsland. Nu is er een heruitgave en is het een gigantisch succes. Ik wil niet dat politici beslissen wat ik wel of niet mag zeggen. Het is niet aan hen om te bepalen wat racistisch, antisemitisch of homofoob is.’

 

In België pleiten sommigen ervoor om het salafistische gedachtengoed te verbieden. Want als we te tolerant voor dat soort van denkbeelden zijn, nemen de intoleranten het misschien ooit over.

Lipstadt: ‘Er is een verschil tussen free speech en hate speech. Als salafistenleiders op een meeting verkondigen dat christenen ongelovige honden zijn wier hoofd afgehakt moet worden en een paar van de toehoorders wil dat in de praktijk brengen, moet er ingegrepen worden. Want dan wordt de wet overtreden.’

 

Zonder afgehakte hoofden kan er niet worden ingegrepen?

Lipstadt: ‘Van zodra er concrete plannen zijn, moet er worden ingegrepen. Daarom is het belangrijk dat de politie voldoende middelen en manschappen heeft om potentiële geweldplegers op tijd te stoppen. Als duidelijk is dat geradicaliseerde individuen van plan zijn om hoofden af te hakken, moeten ze meteen gearresteerd worden. Toch moeten we oppassen dat we niet islamofoob worden. Ik haat de salafisten, maar dat wil niet zeggen dat we daarom de islam moeten verketteren. Ik heb moslimvrienden en zij haten het salafisme even erg als ik.’

 

U plaatst antisemitisme en islamofobie op dezelfde lijn?

Lipstadt: ‘Antisemitisme, racisme, homofobie én islamofobie zijn uitingen van vooroordelen. Voor-oordeel: “Ik heb mijn oordeel geveld, breng me nu niet in verwarring met de feiten, alsjeblieft. Ik wéét dat joden niet deugen. Elke jood is een oplichter. Homo’s zijn ziek en zwarte Amerikanen zijn luie donders.” Er zit geen logica in vooroordelen. Ze zijn alleen maar dom.

Er zijn verschillen tussen islamofobie en antisemitisme. Veel gematigde moslims zijn antisemiet. “De joden zijn de satan.” Dat is een heel groot probleem. Gisteren zat ik in een taxi in Londen. De chauffeur was een moslim die al jaren in Engeland leeft. Een sympathieke kerel. Op een bepaald moment zei hij: “De joden hebben Jezus vermoord.” Ik dacht: “O my God, hier gaan we weer.” (lacht) Antisemitisme is eeuwenoud en de katholieke kerk draagt daar een grote verantwoordelijkheid voor. In de 18e en 19e eeuw gebruikten figuren zoals Voltaire en de Europese politici van die tijd het antisemitisme om hun eigen macht en invloed te vergroten. De nazi’s schakelden nog een paar versnellingen hoger. Kent u die mop van een nazi-bons die een grote groep mensen toespreekt? Hij buldert: “De joden deden dit, en de joden deden dat.” Waarop een man uit de menigte roept: “En de fietsers deden dit, en de fietsers deden dat.” De nazi kijkt verbaasd. “Wat is er mis met de fietsers?”, vraagt hij. “Wat is er mis met de joden?”, kaatst de man de bal terug.’

 

David Irving sleurde u in Londen voor het gerecht, terwijl u een Amerikaans staatsburger bent.

Lipstadt: ‘In Amerika had hij moeten bewijzen dat ik een leugenaar was; nu moest ík bewijzen dat ik de waarheid vertelde. Dat is een totaal ander vertrekpunt. In Amerika bestaat ook zoiets als de Public Figure Defence, wat wil zeggen dat een publieke figuur zoals een politicus, auteur, journalist of schrijver niet voor smaad vervolgd kan worden tijdens zijn publieke optreden, tenzij kwaadaardig opzet bewezen kan worden.

De aandacht van de wereldpers voor het proces was compleet geschift. Ik liep in Londen over straat en mensen riepen me toe: “Veel geluk!” In het begin schonken journalisten zeer veel aandacht aan wat Irving te vertellen had. Hij had nogal wat geschiedenisboeken geschreven en hij presenteerde zich ook als een degelijk historicus, gespecialiseerd in Adolf Hitler. Alleen had hij zich die titel van historicus ten onrechte toegeëigend, hij heeft er nooit voor gestudeerd. Het duurde een tijdje voor journalisten in de gaten kregen dat hij een charlatan was. Op een dag kwam een journalist naar me toe. “Ik moet je iets vertellen”, zei hij. “Ik zag daarnet hoe een vrouw tegen Irving zei: ‘Mijnheer, mijn moeder is vermoord in Auschwitz.’ Irving antwoordde: ‘Mevrouw, dan zal u blij zijn om te horen dat ze waarschijnlijk gestorven is aan de gevolgen van tyfus.’” De journalist was er niet goed van. “Waarom zou die vrouw blij moeten zijn dat haar moeder gecrepeerd is aan de tyfus? Waarom zat ze in Auschwitz? We weten toch dat ze zo goed als zeker vergast is? Wat voor een barbaar zegt nu zoiets?”’

 

U hebt het proces glansrijk gewonnen.

Lipstadt: ‘De uitspraak was fantastisch. Mijn enige probleem met de film is dat ik vind dat ze daar iets meer van hadden mogen laten zien. De rechter noemt Irving “een opzettelijke leugenaar, een vervalser van de geschiedenis, een fantast.” Hij zei: “Geen enkel redelijke mens kan eraan twijfelen dat er gaskamers in Auschwitz waren.” Tijdens het proces dineerde ik ergens in Londen bij vrienden en daar was een andere Britse rechter aanwezig. Hij had eerst toestemming aan het Hooggerechtshof moeten vragen of hij wel in mijn aanwezigheid mocht dineren. Ik vond dat hysterisch, want de man behandelde alleen faillissementen. (lacht) Tijdens het diner zei ik hem: “Ik wil die zaak winnen en Irving met de grond gelijk maken.” Hij zei: “Deborah, ik wil je niet teleurstellen, maar dat is niet de manier waarop wij, Britse rechters, oordelen. Wij zullen schrijven: ‘We vonden deze getuige niet behulpzaam.’ Elke Brit weet dat dit een eufemisme is voor: ‘Deze getuige is een leugenaar.’” Ik zei: “Dat is niet goed genoeg voor mij. Want Irving kan dan rondbazuinen: ‘Het is mijn job niet om behulpzaam te zijn.’ De rechter moet hem ronduit een leugenaar noemen.” Dat is gelukkig ook gebeurd. Ik kan me nog heel goed dat gevoel van pure vreugde voor de geest halen toen ik de uitspraak hoorde.’

 

Heeft het proces David Irving geruïneerd?

Lipstadt: ‘Compleet. Maar nu loopt hij rond te bazuinen dat duizenden mensen hem geschreven en gesteund hebben. “Ik leef in een huis met veertig kamers en rijd rond in een Rolls Royce.’ Een journalist vertelde me dat hij na een interview Irvings Rolls te zien kreeg. Ik adviseerde hem: ‘Ga volgende week nog eens onaangekondigd kijken. Wedden dat ‘zijn’ Rolls terug bij de verhuurder is?’ Een andere journalist vertelde me gisteren dat hij naar een van Irvings lezingen geweest was en dat er vier mensen in de zaal zaten, inclusief die journalist.’ (lacht)

 

U lijkt daar van te genieten, terwijl het toch iets zieligs heeft?

Lipstadt: ‘David Irving is helemaal niet zielig: hij is kwaadaardig. Weet u door wie hij na het proces het meest verketterd werd? Door andere holocaustontkenners. “Hij heeft de kans van zijn leven verknald om in de rechtbank brandhout van Lipstadt te maken.” Het stond in de sterren geschreven dat hij het zelf om zeep zou helpen. Onze strategie was om de bronnen uit te vlooien die hij vermelde in de voetnoten van zijn negationistische teksten. Irving schrijft: “Tijdens de Kristallnacht hoorde Hitler wat er aan het gebeuren was en werd hij woest. Hij verstuurde een telex: ‘Stop met de waanzin.’” In de voetnoot staat een verwijzing naar die telex. Wij snorden de originele telex op en lazen: “Stop het brandstichten”, want hele woonblokken stonden in de fik en de brandweerlui konden het niet meer aan. Er stond niet: “Stop met joden in elkaar te slaan”, of: “Stop met het vernielen van synagoges”, of: ‘Stop met joden uit de ramen te gooien.” Er stond alleen: “Stop met brandstichten.” Als je die telex citeert als “Stop met de waanzin”, geef je wel een heel ingrijpende draai aan de geschiedenis. David Irving doet dat continu. Veel mensen die zijn geschriften lazen, zagen de ellenlange voetnoten en vonden: “Hij heeft zich goed gedocumenteerd.” Door dat proces zagen wij ons genoodzaakt om àlle voetnoten te checken. Dat was bijzonder ontluisterend voor zijn geloofwaardigheid.’

 

Door u te dagvaarden, schoot Irving in eigen voet?

Lipstadt: ‘Ja. Op een bepaald moment tijdens het proces ondervroeg hij een getuige, want hij speelde zijn eigen advocaat. “Volgens dit document ging het zus en zo.” Tot de rechter hem onderbrak. “Mijnheer Irving, in dat document staat helemaal niet wat u daarnet zei.” Irving keek heel even verstoord en repliceerde: “O, dank u, your lordship.” Hij stelde de getuige een paar vragen en zei daarna opnieuw: “Volgens dit document…” En opnieuw werd hij onderbroken door de rechter. “Mijnheer Irving…” Zelfde scenario. De derde keer zei de rechter: “Mijnheer Irving, move on.” Tegen die stem van autoriteit kon Irving niet zomaar verder zijn leugens blijven herhalen. Tegen de rechter kon hij niet op.’

 

Had u toen niet een klein beetje medelijden met hem?

Lipstadt: ‘Geen sikkepit. Hij had het zelf gezocht. Hij dagvaardde me met opzet om me te vernietigen en hoopte zo zijn reputatie te vergroten. Hij koos mij uit om publiciteit te genereren en stal zes jaar van mijn leven. Geen medelijden. Mensen spreken me soms aan: “Deborah, heb je gelezen wat hij nu weer op zijn website over je geschreven heeft?” Nee, ik verspil geen tijd aan zijn onzin. Ik heb dat gevecht met Irving niet zelf gekozen. Het was als stappen in een hondendrol op straat. Dat stelt niets voor, tenzij je de stront je huis binnen brengt en je het tapijt naar de droogkuis moet brengen. Maar als je op tijd je schoen buiten uitdoet en proper en geduldig reinigt, is er niets aan de hand. De enige manier om kwaadaardige haters te bestrijden, is ervoor zorgen dat ze niet aan belang kunnen winnen.’

 

 

 

 

 

 

Deborah Lipstadt

1947 geboren in New York.

1976 studeert af aan de Brandeis University als doctor in de joodse geschiedenis en wordt geschiedenisprof aan verschillende universiteiten.

1993 publiceert Denying the Holocaust, The Growing Assault on Truth & Memory waarin ze ontkenners van de holocaust in kaart brengt.

1996 wordt samen met haar uitgever Penguin door David Irving voor het Britse Hooggerechtshof gedagvaard voor smaad.

2000 Irvings dagvaarding komt als een boemerang terug in zijn gezicht. De rechter noemt hem een leugenaar en een holocaustontkenner.

2005 schrijft History on Trial: My Day in Court with a Holocaust Denier, haar memoires over het proces.

 

 

(c) Jan Stevens