Eén eeuw herfsttij

Exact honderd jaar geleden verscheen Herfsttij der Middeleeuwen van de Nederlandse hoogleraar geschiedenis Johan Huizinga (1872-1945). Ter gelegenheid van dat eeuwfeest bezorgde Huizinga-kenner Anton van der Lem een nieuwe uitgave. ‘Het boek kreeg in 1919 cultstatus en wordt nog steeds gelezen.’ Al is dat niet meer door iedereen. ‘Mijn studenten gingen op hun achterste poten staan.’

 

Bij de voorstelling van de nieuwe editie van Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen, kreeg de Nederlandse minister-president Mark Rutte het eerste exemplaar overhandigd. ‘Dat illustreert meteen ook de status van dat boek in Nederland’, zegt Wim Blockmans, Belg en emeritus professor Middeleeuwse Geschiedenis aan de universiteit Leiden. ‘Herfsttij der Middeleeuwen is bij onze noorderburen een heus cultboek en auteur Johan Huizinga is er een beroemdheid. Verschillende instituten zijn naar hem genoemd. In de Verenigde Staten staat Herfsttij op de verplichte lectuurlijst voor historici in spe. Daar prijken maar twee geschiedenisauteurs uit de Lage Landen op: Huizinga en zijn Gentse tijdgenoot Henri Pirenne. Zij zijn de enigen van vier generaties Nederlandstalige historici. In de universiteitsbibliotheek van Leiden wordt tot vandaag elke snipper over of van Johan Huizinga verzameld.’

Verzamelaar van die snippers en bezorger van de nieuwe editie van Herfsttij der Middeleeuwen is Anton van der Lem, conservator oude drukken en bibliofiele uitgaven. ‘In alle boeken van Johan Huizinga voel je zijn betrokkenheid’, zegt hij. ‘Zeer veel historici schrijven zeer plichtsmatig over hun studieobject. Bij Huizinga is dat niet zo. Als lezer voel je meteen: deze man leeft zich in zijn onderwerp in. Natuurlijk blijft hij een academicus: hij heeft Herfsttij der Middeleeuwen dan ook tot in de puntjes gedocumenteerd. Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag heb ik driehonderd illustraties aan het boek toegevoegd. Johan Huizinga ging ervan uit dat iedereen al die schilderijen die aan bod kwamen ook kende. Ik schreef er ook nog de na- en voorgeschiedenis van Herfsttij bij. Woord voor woord vergeleek ik meerdere edities. Tussen 1945 en eind jaren negentig werd het boek telkens opnieuw bij de drukker gezet. Zo slopen er steeds meer kleine fouten in. Die heb ik er uitgefilterd. Het resultaat is de originele Herfsttij der Middeleeuwen in moderne spelling.’

 

Vlaamse Primitieven

In Herfsttij der Middeleeuwen beschrijft Johan Huizinga het rijke culturele leven aan het Bourgondische hof in de veertiende en vijftiende eeuw. Precies ook het hof dat Bart Van Loo onder de loep neemt in zijn gloednieuwe De Bourgondiërs, waar Knack vorige week aandacht aan schonk. ‘Het belang van de Nederlander Johan Huizinga en de Belg Henri Pirenne voor de Bourgondische studies kan moeilijk onderschat worden’, stelt Van Loo. ‘Vóór het begin van de twintigste eeuw was dat braakliggend terrein. Huizinga en Pirenne bliezen de Bourgondiërs nieuw leven in. Lang kregen de hertogen van Bourgondië het label van “slechteriken” opgeplakt. Ze werden afgeschilderd als vermaledijde kerels die de eigenheid van Holland, Brabant of Vlaanderen om zeep wilden helpen. In de 19e eeuw ontstonden de staten zoals wij ze nu kennen en de behoefte aan mythische basisverhalen was groot. De Gentse historicus Henri Pirenne las vervolgens de geschiedenis van de Bourgondiërs door een Belgische bril. Zijn werk is echt heel interessant, maar vooringenomen omdat hij via de Bourgondiërs het nog jonge België wou verantwoorden. Ook Herfsttij der Middeleeuwen van Johan Huizinga is indrukwekkend, en net zo vooringenomen, maar dan op een positieve, vernieuwende manier. Hij bekeek de late middeleeuwen in de Lage Landen en Frankrijk vooral door de bril van de culturele elite. De creatieve kiem voor zijn boek werd gelegd in 1902, toen hij in Brugge Les primitifs flamands bezocht, de grote overzichtstentoonstelling van de laatmiddeleeuwse schilders uit onze contreien. Hij raakte onder de indruk van het werk van onder anderen Rogier van der Weyden, Jan van Eyck, Hans Memling en Dirk Bouts. Al had hij soms bizarre voorkeuren. Dat hij nogal neerbuigend over Van Eyck schreef, heb ik nooit begrepen, alsof hij nooit echt de tijd genomen heeft om zijn oeuvre van dichtbij te bestuderen.’

 

Klassieker

Anton van der Lem noemt Herfsttij der Middeleeuwen zondermeer een klassieker. ‘Het boek bezit enorme zeggingskracht. Het is naast pure geschiedenis ook kunst- en mentaliteitsgeschiedenis, antropologie, etnologie… Al die verschillende stromingen verbindt Huizinga voortreffelijk. Daarom vind je er ook steeds nieuwe dingen in terug wanneer je het herleest. Later zijn er nog veel uitstekende boeken over de Bourgondische Nederlanden verschenen, maar in geen enkel werk worden de cultuurhistorische aspecten zo indringend beschreven als in Huizinga’s Herfsttij. Ze beschrijven vooral de politieke geschiedenis; die kennen we intussen voldoende. Een cultuurhistorische of mentaliteitsgeschiedenis zoals in de traditie van Huizinga, blijft uniek. Hij was de eerste. We kennen allemaal de schilderijen van de Vlaamse Primitieven. Maar we kennen niet de mentaliteit van de mensen die erop geportretteerd zijn of erachter schuilgaan. Net dat probeerde Johan Huizinga te traceren, aan de hand van de literatuur, godsdienstige geschriften en kronieken uit die tijd.’

Al die kroniekschrijvers werkten toch in opdracht van de hoge adel? Van der Lem: ‘Het klopt dat zij enkel oog hadden voor de elite en niet voor de dorpers. Ze schreven in opdracht of om in het gevlei te komen. Toen chroniqueur Martin le Franc ietwat negatief over een hertog berichtte, moest hij zijn werk overdoen. Huizinga beschreef dus inderdaad een elitecultuur. Meteen na de publicatie van zijn boek werd hem dat al kwalijk genomen. Hij kreeg het verwijt dat hij geen aandacht had voor de opkomende burgerij en de groeiende financiële centra. De kritiek luidde: “Die Huizinga las enkel wat kroniekjes.” Maar dat is onzin. Ik heb in mijn editie een literatuuropgave bijgevoegd van alles wat Johan Huizinga gebruikt heeft. Er stonden noten en referenties in Herfsttij der Middeleeuwen, maar hij heeft nooit zelf een literatuurlijst gemaakt. Huizinga’s archief is in ons bezit. Hij was als hoogleraar algemene geschiedenis verbonden aan de universiteit van Leiden en was hier in 1932-1933 zelfs even rector. Tijdens het schrijven van Herfsttij ontleende hij een heleboel boeken uit de universiteitsbibliotheek. In zijn archief vond ik daar twee lijsten van terug. Daar stonden niet alleen kronieken op. Zo raadpleegde hij nogal wat godsdienstige boeken, denk maar aan de werken van de 15e-eeuwse Vlaamse mysticus Dionysius de Karthuizer. Hij wou niet alleen in het hoofd van de elite van de late middeleeuwen kruipen, maar ook weten hoe de massa tot tranen toe beroerd kon worden door de opzwepende preken van monniken en priesters.’

 

Mooi & meeslepend

Marc Boone is professor Middeleeuwse Geschiedenis aan de universiteit Gent. ‘Herfsttij der Middeleeuwen blijft een belangrijk monument uit de Nederlandse geschiedschrijving’, vindt ook hij. ‘In 1919 was het vernieuwend en zeer ongewoon. De manier waarop Huizinga naar de geschiedenis keek, week af van wat gangbaar was. Tot dan werd geschiedenis feitelijk beschreven, positivistisch bijna. Er was vooral aandacht voor de grote gebeurtenissen, terwijl Huizinga zocht naar de mentaliteit van de mensen. Hij ging min of meer intuïtief te werk en probeerde in hun hoofden te kijken. Het zou nog meer dan een generatie duren voor ook andere geschiedschrijvers in zijn voetsporen traden. Volgens Huizinga moest een historicus gegrepen worden door “de historische sensatie”. Hij moest een persoonlijke band ontwikkelen met de periode die hij bestudeerde én met de mensen die erin leefden.’

Professor Wim Blockmans noemt Huizinga een ‘historische antropoloog’. ‘In 1919 was dat uniek en dat verklaarde mee zijn onmiddellijke succes. Daarenboven had hij ook een uitstekende pen. Herfsttij der Middeleeuwen is mooi en meeslepend geschreven. Na de eerste paragraaf wil je blijven lezen.’

Marc Boone: ‘Toch is het geen eenvoudige tekst. De taal is soms gezocht. Neem “herfsttij” uit de titel: dat is al iets heel bijzonder. Niemand gebruikt dat woord nu nog, maar ook vóór Huizinga had niemand het over “herfsttij”. Het is een neologisme dat hem in het oor gefluisterd werd door de dichteres Henriette Roland Holst-van der Schalk. “Herfsttij” zorgde voor vertalingsproblemen, al stonden die het internationale succes niet in de weg. In het Frans werd “herfsttij” eerst “le déclin”, later “l’automne”, wat niet precies hetzelfde is. We weten hoe lang hij aan dat boek gewerkt heeft, want er is veel briefwisseling uit die periode bewaard gebleven. Zo correspondeerde hij met Henri Pirenne. Hij begon al aan Herfsttij der Middeleeuwen te werken in de jaren 1913-1914. Hij zag de late middeleeuwen als een periode van verval, van geleidelijk afsterven van de samenleving. Die visie werd beïnvloed door de manier waarop hij zijn eigen tijd beleefde. De Eerste Wereldoorlog brak uit en ook al bleef Nederland neutraal, de oorlog zorgde voor een enorme schok. In Herfsttij der Middeleeuwen ligt de klemtoon heel sterk op dat afsterven, waardoor het boek een zeer pessimistische ondertoon krijgt.’

Wim Blockmans: ‘De leidende gedachte in het boek is: al die uiterlijke vormen van de Bourgondiërs, de pracht en praal, waren de laatste stuiptrekkingen van een ridderwereld in verval. Huizinga verloor jammer genoeg uit het oog dat de dynamiek in die samenleving niet enkel vanuit dat hof vertrok. Later zou hij toegeven dat hij zich te veel op de neergang gericht had, en te weinig oog had voor de opwaartse krachten in de laatmiddeleeuwse maatschappij.’

 

Beunhaas

Volgens professor Blockmans zijn kunsthistorici geen fan van Herfsttij der Middeleeuwen. ‘Toen Huizinga nog leefde, was dat al zo. Hij wordt door geen enkel groot kunsthistoricus van zijn generatie geciteerd. Dan heb ik het over internationaal toonaangevende specialisten van de laatmiddeleeuwse schilderkunst zoals Max Jakob Friedländer. Ik ken ook geen enkele belangrijke kunsthistoricus uit de Lage Landen die Huizinga citeert. Als het op kunstgeschiedenis aankwam, was Huizinga een beunhaas. Daar kwam bij dat hij heel beperkt beeldmateriaal gebruikte. Natuurlijk bezocht hij in 1902 die bewuste tentoonstelling in Brugge, maar daarna kreeg hij nog maar bitter weinig schilderijen onder ogen. Hij werkte met zwart-witfoto’s en reisde nauwelijks. Als verzachtende omstandigheid geldt dat reizen in die tijd heel moeilijk was; WO I woedde volop. Het gevolg was dat hij niet goed in de kunstgeschiedenis onderlegd was. Bovendien merk je dat hij de religie uit de late middeleeuwen beoordeelde als kleinzoon van een protestantse dominee uit het begin van de twintigste eeuw. Hij catalogeert het katholicisme uit de vijftiende eeuw als uiterlijke glorie. Hij zet de religieuze praktijken aan het hof op dezelfde lijn als die van de kerk en velt een zeer negatief oordeel over de liturgie. Hij beschrijft religie naar de vorm, maar niet naar de inhoud.’

 

Stille waters

Johan Huizinga werd op 7 december 1872 geboren in Groningen. ‘Een uithoek in het noorden van Nederland’, omschrijft Anton van der Lem die stad. ‘Eind 19e eeuw was je van daaruit een halve dag onderweg naar het centrum van het land. Huizinga stamde uit een familie van doopsgezinde predikanten. Maar zijn vader raakte het geloof kwijt, raakte verslingerd aan een “actrice” en kreeg syfilis. Johan Huizinga liet zich op zijn achttiende tóch dopen. Zijn leven lang bleef hij lid van de doopsgezinde kerk. Als scholier was hij al geïnteresseerd in Arabisch. Hij wou oosterse letteren studeren. Dat kon enkel in Leiden, maar dat zag zijn vader niet zitten. Te duur, oordeelde hij, en zonder toekomst. Waarna de jonge Huizinga Nederlandse letteren ging studeren, met bijzondere aandacht voor het Sanskriet. Daar promoveerde hij mee. Hij had veel belangstelling voor andere culturen, vooral voor het boeddhisme, hindoeïsme en de islam. Maar ook al was hij gefascineerd door oosterse godsdiensten, zijn leven lang beschouwde hij de christelijke zedenleer als het fundament van onze beschaving. Zeven jaar lang werkte hij als leraar geschiedenis in het atheneum in Haarlem. Die stad ligt dicht bij Leiden en stiekem hoopte hij om met zijn Sanskriet aan de universiteit een academische carrière te kunnen uitbouwen. In 1902 was er enkel in Utrecht een hoogleraarszetel Sanskriet beschikbaar; die ging aan zijn neus voorbij. Als ze hem daar wél hadden benoemd, was Herfsttij der Middeleeuwen er nooit gekomen. De historicus Petrus Johannes Blok was zijn mentor en adviseerde hem om zich te concentreren op de middeleeuwse geschiedenis. Waarna Huizinga een studie maakte over het stadsrecht van Haarlem. Met de hulp van Blok werd hij in 1905 de eerste hoogleraar “vaderlandse en algemene geschiedenis” in Groningen. Om in 1915 over te stappen naar Leiden.’

Wat voor een man was Johan Huizinga? Anton van der Lem: ‘Introvert. Maar u kent het gezegde: stille waters, diepe gronden. Hij kon zeer emotioneel zijn, alleen toonde hij dat nooit aan de buitenwereld.’

Verraadt Johan Huizinga’s werk dat geschiedenis eigenlijk zijn tweede keuze was? ‘Misschien wel’, knikt Marc Boone. ‘Op het einde van zijn leven schreef hij de autobiografische tekst Mijn weg tot de historie, waarin hij uitlegde hoe hij bij geschiedenis terechtkwam. Na Herfsttij der Middeleeuwen sloeg hij totaal andere richtingen in. In 1926 verscheen een bundel van hem vol essays over de Amerikaanse samenleving, Amerika levend en denkend. Veel later, in 1941, volgde nog een boek over de Nederlandse republiek, Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw. Het werk dat vandaag het meest geciteerd wordt, stamt uit 1938: Homo Ludens, een essay over “de spelende mens”. Vandaag zijn games ontzettend populair en Homo Ludens kun je daar een voorloper van noemen. In 1935 verscheen In de schaduwen van morgen. Daarin probeerde hij het onheil te voorspellen dat op de wereld aan het afkomen was. Het totalitarisme, met het fascisme, stalinisme en nazisme waren in opmars. De ondertitel van dat boek luidde: “Een diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd”, en geeft perfect de toon weer. Moest hij nu leven, zou hij misschien iets gelijkaardigs schrijven. In de schaduwen van morgen werd door zijn tijdgenoten met veel aandacht gelezen en werd in verschillende talen vertaald. Er heerste op dat moment een ware cultus rond Johan Huizinga.’

 

Interne verbanning

In het academiejaar 1932-1933 was Johan Huizinga rector van de Leidense universiteit. Op dinsdag 11 april 1933 verbood hij de Duitse professor Johann von Leers de toegang tot zijn universiteit. Von Leers was een overtuigd nazi, biograaf van Adolf Hitler en schrijver van antisemitische pamfletten. Hij was op de universiteit te gast als leider van de Duitse delegatie op een conferentie van de International Student Service. De internationale beroering die ontstond na de beslissing van rector Huizinga zorgde ervoor dat het congres vervroegd uiteenging. Johann von Leers reisde woedend terug naar Duitsland en zinde op wraak. Marc Boone: ‘Toen de nazi’s in Nederland binnenvielen, werd Johan Huizinga meteen op non-actief geplaatst. Hij mocht geen les meer geven en werd intern verbannen, naar het oosten van Nederland. In 1945 stierf hij. Hij maakte net niet de bevrijding mee. Na zijn dood verscheen Geschonden wereld, een beschouwing over de kansen op herstel van onze beschaving. Dat had hij twee jaar eerder in zijn ballingsoord geschreven. Merkwaardig genoeg was de toon in Geschonden wereld toch iets optimistischer dan in Herfsttij der Middeleeuwen.’

Raden Marc Boone en Wim Blockmans Herfsttij der Middeleeuwen aan studenten geschiedenis aan?

Marc Boone: ‘Natuurlijk, want het is wel degelijk een klassieker. Ook in de Verenigde Staten wordt dat boek nog steeds terecht zo beschouwd.’

Wim Blockmans: ‘Aan Amerikaanse universiteiten is het boek zeker een bestseller. Toen ik professor in Leiden was, heb ik het één keer met mijn studenten van het tweede jaar helemaal doorgenomen. Maar ze stonden snel op hun achterste poten, wezen op de methodologische zwakheden én op Huizinga’s vooroordelen. Dat was niet voor herhaling vatbaar.’

 

Johan Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen, Samengesteld en van bibliografie voorzien door Anton van der Lem, Leiden University Press, 592 blz., 59,50 euro

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

De Bourgondiërs

Eind 2014 scoorde Bart Van Loo een bestseller met zijn vuistdikke biografie over Napoleon. Vandaag legt hij daar een minstens even dikke kroniek van de Bourgondiërs naast. ‘Ze stonden op de eerste rij bij alle belangrijke Europese revoluties.’

 

Vier jaar lang werkte Bart Van Loo aan De Bourgondiërs. Duizend jaar Europese geschiedenis balde hij tot ruim 600 vaardig geschreven bladzijden. Met veel oog voor detail schildert hij het ontstaan van de Nederlanden in de vijftiende eeuw. ‘De Lage Landen zijn een Bourgondische uitvinding’, zegt hij. ‘Om dat verhaal goed uitgelegd te krijgen, moest ik ver teruggaan in de tijd.’

 

U begon in 406.

Bart Van Loo: De reconstructie van de eerste 990 jaar in 66 bladzijden kostte me maanden. Ik begin bij de inval van de barbaren uit het noorden. In december 406 vroor de Rijn in de buurt van Mainz dicht. De schijnbaar onoverbrugbare rivier veranderde in één grote uitnodigende brug. De barbaren uit het ruige Germanië kregen toegang tot het door de Romeinen bestuurde Gallië, het latere Frankrijk. Vandalen, Sueben en Alanen stroomden Gallië binnen. Wij hebben dat allemaal geleerd op de middelbare school. Maar wat niet in onze geschiedenislessen verteld werd, is dat er ook Bourgondiërs mee de Rijn overstaken.

 

Kwamen de Bourgondiërs dan niet oorspronkelijk uit het zuiden?

Van Loo: Helemaal niet. Zij hadden heel Oost-Europa doorkruist, van rivier naar rivier en stamden eigenlijk van het eiland Bornholm. Dat ligt in de Oostzee, tussen Denemarken en Polen. Vóór onze jaartelling heette het Burgundarholm. Die naam smokkelden ze via Oost-Europa mee naar de plek waar ze zich uiteindelijk vestigden: Bourgondië. Aan de hand van dat vergeten Germaanse volk, de Bourgondiërs, schets ik de middeleeuwen in het eerste deel van mijn boek. Clovis, de eerste koning der Franken, bekeerde zich tot het christendom onder grote invloed van zijn vrouw Clothilde, een Bourgondische katholieke prinses. In 911 werden de Noormannen bij Chartres tegengehouden door een leger onder leiding van Richard de Rechtsbrenger, de eerste hertog van Bourgondië.

 

De Bourgondiërs hielden de Vikingen tegen?

Van Loo: Jawel. De verslagen Vikingenleider Rollo kon zijn vege lijf redden door zich te laten dopen en werd verbannen. Het eerste stuk land dat hem als ballingsoord werd aangeboden, was Vlaanderen. Toen was dat nog moerasland. Rollo had geen zin om de rest van zijn dagen te zitten verpieteren in een zompig moeras. Hij weigerde en kreeg een ander gebied toegewezen dat we nu kennen als Normandië. Stel je voor dat hij akkoord was gegaan met Vlaanderen, dan leefden wij nu in Normandië. (lacht)

Het was niet vanzelfsprekend om dat eerste millennium opnieuw te vertellen aan de hand van de vergeten Bourgondiërs. Ik weet ook niet of iemand ooit de middeleeuwen ontsloten heeft op de manier waarop ik het heb aangepakt. Maar ik moést dat doen, want zij stonden telkens weer op de eerste rij bij alle belangrijke Europese revoluties.

 

Na dat millennium in 66 bladzijden, vertelt u de Bourgondische eeuw die liep van 1369 tot 1467 in 292 bladzijden. De verhoudingen lijken een beetje zoek.

Van Loo: Toch niet. Want na dat millennium in sneltreinvaart, staan de middeleeuwen in stelling en is de lezer helemaal klaar om te begrijpen wat zal volgen. Dan komt de eigenlijke start van de eenmaking van de Lage Landen, met op 19 juni 1369 het huwelijk in Gent van Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië met Margaretha van Male, de dochter van de graaf van Vlaanderen. Filips de Stoute legde de basis, zijn nazaten Jan zonder Vrees, Filips de Goede en Karel de Stoute bouwden de erfenis uit. Kleinzoon Filips de Goede gaf de onder zijn gezag verenigde landen aan de benedenloop van Rijn, Maas en Schelde voor het eerst een staatkundige dimensie. Hij zorgde voor een echt gevoel van eenheid met ‘de vierlander’, een munteenheid voor de hele Nederlanden. Vervolgens maakte hij werk van een representatieve vertegenwoordiging: op 9 januari 1464 riep hij de eerste Staten-Generaal van de Nederlanden in de gotische zaal van het stadhuis van Brugge samen. Vertegenwoordigers uit Artesië (vandaag het oostelijke en noordelijke deel van het huidige Franse departement Pas-de-Calais – JS), Vlaanderen, Frans-Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Holland, Zeeland, Namen, Boulogne en Mechelen tekenden present. Die bijeenkomst markeert de officiële geboorteakte van de Lage Landen. Dat is nu exact 555 jaar geleden.

 

En daarom siert een portret van Filips de Goede de cover?

Van Loo: Ik vind dat een beeldschoon portret, naar een verloren origineel van Rogier van der Weyden. Het hangt in het Musée des Beaux-Arts van Dijon, meteen ook het vroegere paleis van de hertogen van Bourgondië. Filips de Goede is de man die de eenmaking écht geregeld heeft. Hij regeerde ook het langst, van 1419 tot 1467. Veel mensen kennen vandaag zijn naam, maar weten niet meer wie hij was of waar hij voor stond. Als ze mijn boek gelezen hebben, zullen ze voor eens en voor altijd weten dat hij onze aartsvader is. En dan zullen ze hem net als mijn vierjarige dochter Clémence overal meteen herkennen. Zij zat in mijn nek toen we door het Musée des Beaux-Arts kuierden. We passeerden dat schilderij en Clémence riep verrukt: ‘Filips de Goede!’ (lacht)

 

Wat voor een man was hij?

Van Loo: Zowel ascetisch als wellustig. Soms vaste hij als brave katholiek en soms was hij onwijs geil. Hij organiseerde uitzinnige feesten en had 26 bastaardkinderen bij 25 minnaressen. Aan de ene kant was hij een stoere ridder die op kruistocht wou, en aan de andere kant gaf hij bijvoorbeeld justitie een boost door rechtbanken te installeren. Hij creëerde financiële rekenkamers, waar ze behoefte hadden aan mensen met een goed ontwikkeld verstand. Dus moesten er opleidingen komen. Filips werd zo een van de drijvende krachten achter de universiteit van Leuven. Hij is ridder maar ook burger. Met de ene voet staat hij nog in de klassieke middeleeuwen en met de andere in de renaissance. De door hem opgerichte ridderorde van het Gulden Vlies illustreert die dubbelzinnigheid. Het was een religieuze broederschap van heldhaftige ridders die paraat stonden om op kruistocht te vertrekken. Tegelijkertijd was het ook een netwerk, een soort van businessclub. Filips kanselier Rolin was een slimme kerel die gestudeerd had, net als zijn allereerste minister van Financiën Bladelin. Lang voor de Franse revolutie kon wie van goede komaf was voor het eerst dankzij studie carrière maken. De rest van de adel miste de trein van het burgerschap. Zij bleven ronddwalen in hun Don Quichote-achtige ridderverhalen. Het hof van Filips de Goede was altijd onderweg. Een hoofdstad zoals wij die vandaag hebben, bestond nog niet.

 

De hofhouding van de hertog was voortdurend on the road?

Van Loo: Ze legden lange afstanden te paard af, door weer en wind. Wij kunnen ons dat niet voorstellen. Filips de Goede logeerde vaak op verschillende plekken. Hij had de Prinsenhoven in Gent en Brugge en zijn paleizen in Dijon en Rijsel. In Brussel bezat hij het paleis op de Koudenberg. Daar verbleef hij het meest, zeker in de laatste jaren van zijn leven. Je mag gerust stellen dat Brussel de feitelijke hoofdstad van het Bourgondische rijk werd. Zijn paleis op de Koudenberg stond op exact dezelfde plaats waar ons huidige koninklijk paleis staat. Je kan er zijn kelders nog bezoeken en dromen van de vaten Beaune die er lagen.

 

U beschrijft feesten georganiseerd door de hertogen van Bourgondië. Het lijken scènes uit een film van Fellini, of La Grande Bouffe in overtreffende trap. Vooral de zogeheten ‘entremets’ spreken tot de verbeelding.

Van Loo: De koks deden hun uiterste best om met die tussengerechten de gasten te verrassen. Ze decoreerden trapganzen met diamanten, hulden hazelhoenen in een gouden habijt of plaatsten een kippenkop op een konijnenlijf. De poten van een gegrilde pauw werden verguld, zijn staart en pluimen werden weer op zijn lijf geplakt en ze propten een in brandewijn gedrenkte lap stof in zijn bek. Ze staken de prop in brand en onder begeleiding van hoorngeschal werd de vuurspuwende pauw opgediend. De Bourgondiërs waren daar gek op. Jan Fabre zou dat vandaag feilloos georchestreerde performances noemen. Het vette en vrome leven van de hertogen van Bourgondië ging later via het werk van Bruegel en figuren als Lamme Goedzak tot de volksaard behoren. Als de hertogen van hun feestjes geen propagandistische kunstwerken hadden gemaakt, zouden we nu iemand die van lekkere gastronomie houdt, geen ‘bourgondiër’ noemen.

 

U citeert af en toe kroniekschrijvers. Maar kunnen we die zogenaamde ooggetuigenverslagen blindelings vertrouwen? Zij werkten toch vaak in opdracht van de machthebbers van die tijd?

Van Loo: Nee, ze zijn niet te vertrouwen, al ben ik als schrijver toch heel blij met hun verhalen. De gerenommeerde historicus Wim Blockmans was tijdens het schrijven van dit boek mijn klankbord. Academici zoals hij verrichten pionierswerk met het uitpluizen van het waarheidsgehalte van al die kronieken. Met de facturen in de hand gaan ze na wat juist is en wat verzinsel.

 

Want de Bourgondiërs waren uitstekende boekhouders?

Van Loo: Ze schreven graag facturen en hielden nauwgezet hun boekhouding bij. Die boekhoudingen zijn onmisbare bronnen vol hard cijfermateriaal. De kroniekschrijvers lieten zalige teksten vol anekdotiek na, maar met hun getuigenverslagen moet je goed oppassen. Als zij schrijven dat honderduizend mensen een veldslag uitvochten, neem je dat aantal best met een korrel zout.

 

Dat klinkt Trumpiaans. Na zijn inauguratie had de Amerikaanse president Donald Trump het over ‘de grootste menigte toeschouwers ooit’.

Van Loo: Dat is inderdaad een kopie van toen. Bij het huwelijk van Filips de Goede in 1430 telde een enthousiaste chroniqueur 5000 deelnemers aan de stoet. Een stoet van 5000 deelnemers? Komaan zeg. Een andere schreef over 150.000 toeschouwers. Natuurlijk vond Filips de Goede die aantallen in zijn kronieken fantastisch. Net zoals Trump jubelt over de opkomst op zijn politieke rally’s.

 

De hoge heren leefden zich op hun banketten uit als echte bourgondiërs, terwijl het voor het gewone volk verschrikkelijke tijden waren?

Van Loo: De vijftiende-eeuwse Franse kroniekschrijver Philippe de Commynes beschreef Bourgondië en de Lage Landen onder Filips de Goede als ‘de landen van belofte’. Met eten, drinken, feesten en rijkdom. Natuurlijk had De Commynes vooral oog voor de elite. Maar die lag hier wel dikker gezaaid dan elders. De levensstandaard in de zuidelijke Nederlanden bereikte op dat moment het hoogste peil ooit. Het zou daarna nog tot in de 19e eeuw duren vooraleer we daar terug bij aanknoopten. Wat niet wil zeggen dat er geen kommer en kwel was, integendeel. Maar binnen de buitengrenzen van het Bourgondische rijk heerste er vrede. Dat was al heel wat.

 

Behalve dan in de steden.

Van Loo: Dat klopt, de steden gingen met de regelmaat van de klok in het verweer. Gent speelde telkens weer de hoogste viool. Daar heerste een redelijk onwaarschijnlijke rebelse geest.

 

In de Bourgondische eeuw kreeg ‘de ontwakende individualisering van de westerse mens een kleine groeischeut’, schrijft u. Dat gebeurde op het moment dat ze het geloof in hun privésfeer toelieten. Zweefde het geloof daarvoor dan altijd boven hun hoofden?

Van Loo: Geloof was eerst elitair, met de kloosterorden in een glansrol. Vanuit het klooster van het Bourgondische Cluny oefende de Benedictijnerorde veel macht uit over de hele katholieke gemeenschap. In Cluny werd gebeden voor het zielenheil van de hele mensheid. De Benedictijnen groeiden uit tot een succesvolle religieuze multinational, met kloosters tot in Santiago De Compostella. Maar vanaf de 14e eeuw kwam daar verandering in door rondtrekkende predikers die met hun verhalen steeds meer volk lokten. Hun openbare preken groeiden uit tot heuse spektakels, inclusief stuntachtige verschijningen. Geloof werd iets heel zintuiglijk. Tegelijk veranderde ook de kunst: die verliet de kerk en het klooster. Gewone mensen wilden graag iets tastbaars van hun geloof. Als ze het zich konden veroorloven, kochten ze een gebedenboek of een brevier. Arme dompelaars hadden een paternoster of bouwden in een hoekje van hun huis een privékapelletje met een kruis of een primitieve afbeelding van Christus met een kaars ervoor. Uit die volksdevotie groeide een heuse industrie van niet al te beste kunst. Mozes en de andere heiligenbeelden verlieten de kerk en doken plots overal op. Het geloof werd ‘draagbaar’. Filips de Stoute, de grootvader van Filips de Goede, zat tijdens die evolutie op de eerste rij. Zijn kaarsen waren enorm, net als zijn brevieren. Zijn privékapelletje werd meteen een heel klooster. (lacht) Hij gaf opdracht tot de bouw van het tot de verbeelding sprekende kartuizerklooster van Champmol in Dijon. De kartuizers waren het strengst in het navolgen van de gelofte van armoede, terwijl Filips de Stoute de best geklede man was van zijn tijd.

 

Met Champmol wou hij zijn toekomst in het hiernamaals veilig stellen?

Van Loo: Natuurlijk. Zijn graf moest in dat klooster komen, waar vervolgens een hele orde dag en nacht voor zijn zielenheil kon bidden. In de Lage Landen rekruteerde hij kunstenaars. De belangrijkste was Klaas Sluter uit Haarlem. Niemand kent die man nu nog, maar ik vind hem de Michelangelo van de Lage Landen. Zijn werk is prachtig, je moet echt eens naar Dijon naar het praalgraf van Filips de Stoute gaan kijken. Sluter beeldhouwde de rouwstoet in albast en marmer. Je ziet iemand een traan wegpinken, iemand anders snuit zijn neus. De huidplooien en rimpels van die gebeeldhouwde mensen zijn levensecht. Die meesterwerken zijn gemaakt door iemand van bij ons. Of toch ongeveer: Klaas Sluter was een Haarlemmer die waarschijnlijk rond de markt van Brussel de stiel geleerd heeft. Jan van Eyck moet zeker het werk van Sluter in Dijon gezien hebben, want je vindt Sluters invloed terug in het Lam Gods in de Gentse Sint-Baafskathedraal.

Sluter wil zeggen: ‘sleuteldrager’. Klaas Sluter gaf Van Eyck de sleutels waarmee hij de deur van een nieuwe kunsteeuw kon ontsluiten. Daarom noem ik hem onze Michelangelo en geef ik hem met dit boek eindelijk de honneurs die hij verdient.

 

Had Sluter dan niet op de cover moeten staan?

Van Loo: We hebben geen beeld van hem. Toen hij in Dijon aan het werk was, draaide alles nog rond Filips de Stoute en niet rond de kunstenaar. De naam ‘Klaas Sluter’ kennen we eigenlijk alleen uit de Bourgondische boekhouding. Als de betalingen aan hem daar niet netjes in waren bijgehouden, hadden we zelfs nooit geweten wie die prachtige beelden gemaakt heeft.

 

Bart Van Loo

  • Geboren in Herentals in 1973.
  • Studeerde Romaanse filologie.
  • Gaf een aantal jaren Frans in het middelbaar onderwijs.
  • Werd in 2006 voltijds schrijver en conferencier. Debuteerde in dat jaar met de literaire reisgids voor Frankrijk Parijs retour.
  • Schreef o.a. Frankrijktrilogie (2011), Chanson(2011) en Napoleon (2014).
  • Is getrouwd met een Française uit Bourgondië.

 

Bart Van Loo, De Bourgondiërs. Aartsvaders van de Lage Landen, De Bezige Bij; 607 blz., 34,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘De Wehrmacht was net zo schuldig als de SS’

In Ondankbaar België reconstrueert historicus Dimitri Roden de Duitse repressie van verzetslui in België tijdens WO II. ‘De Duitse militaire gouverneur Alexander von Falkenhausen beweerde na de oorlog dat hij de levens van veel Belgen gered had. Dat klopt, alleen was dat niet uit medelijden, maar om zijn eigen hachje te redden.’

 

73 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog presenteert historicus en Breendonk-conservator Dimitri Roden in zijn boek Ondankbaar België nieuwe inzichten over de veroordelingen van politieke gevangenen. ‘Dat “nieuwe” lijkt verrassend’, zegt hij, ‘maar is het niet als je weet dat onderzoek naar het gedrag van Duitse militairen tijdens WO II lange tijd vooral een Duitse aangelegenheid was. Daardoor bleven veel feiten onderbelicht. Want in het naoorlogse Duitsland leefde de overtuiging dat vooral de nazi’s van de SS zich misdragen hadden. “Onze militairen van de Wehrmacht daarentegen hielden zich aan het internationaal recht.” De Duitsers raakten daarmee weg omdat net op dat moment de koude oorlog uitbrak. De geallieerden konden de expertise van figuren zoals een Wernher von Braun goed gebruiken. Daarom waren ze zeer tegemoetkomend in het bepalen van wie een oorlogsmisdadiger was en wie nog ‘bruikbaar’ was. Als ze veel strenger waren geweest, had zo goed als geen Duitser aan hun kant kunnen gaan staan. Natuurlijk ontsprongen de echt grote oorlogsmisdadigers de dans niet. Maar tot de jaren tachtig bleef het adagium overeind dat de militairen van het Duitse leger niet waren zoals die wreedaards van de SS. De van stad naar stad reizende tentoonstelling “Vernietigingsoorlog: misdaden van de Wehrmacht 1941-1945” maakte daar voorgoed een eind aan. Ze toonde foto’s van soldaten van de “saubere” Wehrmacht die zich aan het Oostfront te buiten gingen aan oorlogsmisdaden. Er ging toen een schokgolf door de Duitse samenleving en sindsdien brengen historici aan het licht dat Hitlers Wehrmacht net zo schuldig was als de rest.’

 

Zo ook in bezet België.

Dimitri Roden: Precies. Tijdens de oorlogsjaren was de situatie in bezet Frankrijk vergelijkbaar met de Belgische. Ook daar werd het grondgebied 4 jaar lang bestuurd door militairen, al moesten de Fransen in 1942 wel een SS-generaal dulden die de ordehandhaving naar zich toetrok. Maar het veiligheidsbeleid was zowel in Noord-Frankrijk als in België in handen van militairen van de Wehrmacht die hun eigen verordeningen en wetten uitvaardigden. Belgische overtreders werden door de politiediensten van de bezetter opgespoord. Een aantal gearresteerden werden zonder vonnis naar een concentratiekamp gestuurd; anderen stonden in bezet gebied terecht voor een Duitse militaire rechtbank. Tijdens de bezetting kwamen naar schatting enkele tienduizenden burgers in aanraking met het Duitse krijgsgerecht. Minstens 900 van hen werden ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.

Na de oorlog beschreven vooral advocaten de geschiedenis van het Duitse krijgsgerecht in bezet België. Zij hadden zelf landgenoten voor een krijgsraad verdedigd. Zo brachten de Luikse strafpleiters Cassian Lohest en Gaston Kreit in 1945 een boek uit over de strafzaken die zij hadden gepleit. Een paar jaar later zette ook de Brusselse advocaat Frédéric Eickhoff zijn ervaringen op papier. Maar getuigenissen van veroordeelden waren veel zeldzamer. Vermoedelijk is dat ook de reden waarom collega-historici er jarenlang bijzonder weinig oog voor hadden. Sommigen onderzochten wel aspecten van de Duitse veiligheidspolitiek in ons land, maar nooit vanuit de invalshoek van het Duitse krijgsgerecht. De eerste studie over de vervolging van verzetsfeiten die gebruik maakt van primaire bronnen, dateert pas van 2004. Historica Tamara Altman voerde toen haar onderzoek aan de hand van vonnissen die bewaard zijn gebleven in de Duitse opsluitingsdossiers van de gevangenis van Sint-Gillis. Maar een overzichtswerk over het Duitse krijgsgerecht in heel bezet België was er niet.

 

Met Ondankbaar België wil u dat hiaat wegwerken?

Roden: Zeker. België is eigenlijk een heel interessant onderwerp omdat wij het enige bezette West-Europese land waren waar de militairen écht vier jaar lang de ordehandhaving in handen hadden. Hier kwam geen SS-generaal langs die de ordehandhaving naar zich toe trok. Adolf Hitler wist niet goed wat hij met ons moest aanvangen. Hij beschouwde ons als een Germaans broedervolk en dubde over onze toekomst: België annexeren of ‘germaniseren’? Hij kon geen beslissing nemen, met als gevolg dat het militaire bestuur gewoon op post bleef. Daardoor is België het land bij uitstek om te onderzoeken of de Wehrmacht in West-Europa altijd wel zo correct handelde als de Duitsers zelf beweerden. Ook Alexander von Falkenhausen, de militaire gouverneur die hier verantwoordelijk was voor de ordehandhaving, hield die mythe tot aan zijn dood in 1966 hoog. Zo huwde hij na de oorlog met de Belgische verzetsvrouw Cécile Vent, hoofd van de sector Verviers van het inlichtingennetwerk Tégal. In zijn memoires schreef Von Falkenhausen dat hij de Belgen altijd goed behandeld had.

 

Maar wordt het stilaan geen onmogelijk opgave om meer dan 70 jaar na datum nog te onderzoeken hoe de Duitse militairen zich tegenover gearresteerde verzetslui gedroegen? De laatste getuigen zijn aan het verdwijnen.

Roden: Het is heel spijtig dat die laatste getuigen verdwijnen; binnenkort zullen we hen geen rechtstreekse vragen meer kunnen stellen. Al hebben de voorbije jaren een aantal mensen wel veel moeite gedaan om zoveel mogelijk materiaal te verzamelen. Mijn collega’s van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (CEGESOMA) namen ontzettend veel getuigenissen af en je mag ook de interviews van de legendarische onderzoeksjournalist Maurice De Wilde niet vergeten. Maar voor een historicus die zoals ik in kaart wil brengen hoe de Duitse veiligheidspolitiek in bezet België écht functioneerde, is het grote probleem inderdaad de schaarsheid aan bronnenmateriaal. Veel archieven werden vlak voor de bevrijding vernietigd, of gingen tijdens de geallieerde bombardementen in vlammen op. Gelukkig kon ik de hand leggen op ongeveer 10.000 originele Duitse opsluitingsdossiers die kort na de oorlog door verbindingsofficieren van het Belgisch Commissariaat der Repatriëring uit verschillende strafinrichtingen in Duitsland werden meegebracht. Die zogenaamde Personalakten hebben heel lang stof liggen vergaren, terwijl ze een schat aan informatie bevatten, zoals gegevens over de aanhouding en opsluiting van veroordeelden, gemotiveerde vonnissen, aktes van beschuldiging of correspondentie tussen gerechtelijke instanties en de gevangenisdirecties. Die opsluitingsdossiers vormen echt wel een solide basis om de gerechtelijke vervolging in bezet België te bestuderen. Ik kon zo ook het soms ingewikkelde strafuitvoeringssysteem reconstrueren. Dat is in die tijd nooit op papier gezet en evolueerde mee met hoe de oorlog verliep. Tot de zomer van ’41 besliste Alexander von Falkenhausen dat alle veroordeelde politieke gevangenen hun straf in een Belgische gevangenis moesten uitzitten. De Duitse militaire overheid eiste daar een paar vleugels in de gevangenissen van Sint-Gillis, Gent en Brugge voor op. De ‘zware gevallen’ werden uitzonderlijk naar Duitsland gedeporteerd. In oktober 1941 voerde de bezetter de maatregel in dat alle mannelijke en vrouwelijke politieke gevangenen die tot drie jaar of meer veroordeeld waren, hun straf moesten gaan uitzitten in Duitse gevangenissen. Voor straffen onder drie jaar werden de mannen naar Leuven of Merksplas gestuurd en de vrouwen naar Vorst. Hoe slechter het met de oorlog ging en hoe actiever het verzet werd, hoe sneller het Duitse bewind onder leiding van Von Falkenhausen veroordeelden naar Duitsland stuurde.

 

Aan de basis van de titel van uw boek, ‘ondankbaar België’, ligt een uitspraak van Alexander von Falkenhausen.

Roden: Toen Von Falkenhausen in maart 1951 door de Belgische overheid het land werd uitgezet, waren zijn laatste woorden: ‘Ingrata Belgia, non possidebis ossa mea. Ondankbaar België, gij zult mijn beenderen niet bezitten.’ Of vrij vertaald: ‘Ondankbare Belgen, jullie veroordelen mij terwijl net ik jullie uit handen van de SS heb gehouden.’ Daar zit een kern van waarheid in.

 

Omdat de SS qua wreedheid onovertroffen was?

Roden: De SS werkte buitengerechtelijk. Als je als verzetslid door SS’ers gearresteerd werd, betekende dat deportatie naar de concentratiekampen zonder enige vorm van proces. Onder Von Falkenhausen werd van in 1940 de nadruk gelegd op juridische vervolging, wat wil zeggen dat verzetslui voor krijgsraden verschenen. De redenering was dat die processen op termijn het verzet tot bezinning zou brengen. Wat niet wil zeggen dat Von Falkenhausen nooit maatregelen nam die vanuit juridisch standpunt onaanvaardbaar waren, of ver over de schreef gingen. Door in te zetten op juridische bestraffing, kon hij wel claimen dat hij binnen het kader van het internationaal recht bleef. Maar de druk vanuit Berlijn om dat pad te verlaten en keihard tegen het verzet op te treden, werd steeds groter. Heel bezet West-Europa kreeg draconische maatregelen opgelegd, zoals het deporteren van verdachten zonder hun familie op de hoogte te stellen. Von Falkenhausen ging daar tegenin: ‘Als wij doen wat jullie in Berlijn vragen, maken we het verzet in België veel groter dan het is.’ Om weerstand aan de druk vanuit Berlijn te kunnen blijven bieden, ging hij steeds verder in het zoeken naar manieren om zijn krijgsraden in stand te houden. In de praktijk kwam het erop neer dat de strafrechtspraak zienderogen verstrengde.

 

Alexander von Falkenhausen installeerde in België zijn eigen rechtssysteem?

Roden: Binnen de mate van het mogelijke koos hij inderdaad voor een gerechtelijke aanpak van het verzet, maar natuurlijk kon hij de bevelen vanuit Berlijn niet blijven negeren.Op 7 december 1941 vaardigde Adolf Hitler het beruchte Nacht und Nebel-decreet uit. Dat schreef voor dat de Duitse krijgsraden in bezet gebied nog enkel verzetslui voor zware feiten mochten vervolgen wanneer hun veroordeling en executie binnen de week na hun aanhouding kon plaatsvinden. In alle andere gevallen moesten de gearresteerden in het grootste geheim naar Duitsland overgebracht worden. Daar kwamen ze dan meestal in tuchthuizen of strafkampen terecht waar ze soms in vreselijke omstandigheden ingeschakeld werden in de oorlogsindustrie. De familie mocht daar niet over ingelicht worden, zodat het leek alsof de verdachte ‘in nacht en nevel’ verdwenen was. Met die maatregel wou Hitler zowel de bevolking in de bezette gebieden als het verzet de stuipen op het lijf jagen. De uiteindelijke beslissing over de heimelijke deportatie of ‘Abgabe ins Reich’ van een verdachte lag bij de hoogste Gerichtsherr in het ambtsgebied. In België was dat dus generaal von Falkenhausen. Na de oorlog beweerde hij dat hij zich tegen dat vreselijke decreet verzet had. Dat klopt, maar niet omdat hij inzat met het lijden van de gearresteerden. Eerst en vooral wou hij zijn eigen militaire bestuur handhaven. Want hij vreesde dat er hier net als in Nederland een burgerlijk bestuur geïnstalleerd zou worden, met de SS als ordehandhaver. Hij stuurde ondergeschikten naar Berlijn om daar voorzichtig bezwaren te gaan uiten. Zo liet hij via-via weten dat de executieplaats in Beverlo niet geschikt was om er mensen binnen de week te executeren.

 

Von Falkenhausen wou geen Belgische mensenlevens redden, maar zijn eigen positie veilig stellen?

Roden: Ja. Na de oorlog beweerde hij dat hij gehandeld had in het belang van de Belgen, terwijl hij eerst en vooral zijn eigen militaire bestuur wou handhaven. Hij was een real-politiker. Aan de ene kant moest hij het verzet in toom houden en aan de andere kant moest hij Berlijn laten zien dat hij de zaak meester was en op bepaalde momenten keihard kon optreden. Wat hij trouwens ook deed. Zo aarzelde hij niet om tussen december 1942 en januari 1943 zestig gijzelaars te laten executeren, om op die manier een aanslagengolf van het verzet halt toe te roepen. Met succes: als gevolg van de harde represailles staakte het verzet zijn aanslagen tegen Duitsers en richtte het zijn pijlen voortaan op Belgische collaborateurs. Volledigheidshalve moet ik eraan toevoegen dat Von Falkenhausen meteen stopte met het executeren van gijzelaars van zodra het geweld tegen Duitse militairen ophield.

 

Probeerde hij het Nacht und Nebel-decreet te ondermijnen door zo weing mogelijk gearresteerde verzetslui bij nacht en ontij naar Duitsland te deporteren?

Roden: Hij deed exact het tegendeel en stuurde zowat iedereen naar Duitsland. Het gevolg was dat hij een vlammende brief uit Berlijn kreeg waarin stond dat dat niet geapprecieerd werd en dat hij dringend werk moest maken van een correcte toepassing van het decreet. Toch bleef hij massaal mensen naar Duitsland sturen. Na de oorlog verklaarde hij dan weer dat hij het aantal Nacht und Nebel-deportaties teruggeschroefd had omdat hij wist dat het lot van de gevangenen in de kampen afschuwelijk was en hij ze zo wou beschermen. Maar de cijfers vertellen een ander verhaal: van de 4500 zaken tegen vermeende verzetslui die hem tijdens de oorlog werden voorgelegd, stuurde hij bijna 3000 personen naar Duitsland. Dat is meer dan 85 procent. Het merkwaardige is dat hij zo levens gered heeft, want Duitsland kon die instroom niet aan. Gearresteerden die hier in principe binnen de week terechtgesteld hadden moeten worden, kwamen door Von Falkenhausens beleid in een Duits kamp terecht waar het maanden en zelfs jaren duurde eer ze voor een rechter verschenen.

 

Misschien is er begrip mogelijk voor dat beleid van Alexander von Falkenhausen?

Roden: ‘Begrip’ is in deze kwestie heel moeilijk. Al kan niet ontkend worden dat hij dingen gedaan heeft die een deel van de Belgische bevolking ten goede kwamen. In de periode’40-‘42 stond hij inderdaad op de rem, maar daarna verloor zijn bewind steeds meer controle. Vanaf 1943 is er nog maar weinig goeds over Von Falkenhausen en consorten te vertellen. Willekeurige arrestaties, deporteren zonder proces en executies werden de standaard. We moeten ook oppassen dat we het lijden niet minimaliseren van de families van alle mensen die tussen ’40 en ’42 terechtgesteld zijn. In 1943 besefte Alexander von Falkenhausen dat de Duitsers de oorlog gingen verliezen, waarna hij zich concentreerde op de redding van zijn eigen hachje.

 

Hij was geen volbloednazi?

Roden: Nee, hij is echt een intrigerende man. Op indirecte wijze was Von Falkenhausen betrokken bij het verzet tegen Hitler. Niet actief, maar hij had wel contacten met de plegers van de mislukte aanslag van 20 juli 1944 op de Führer. Zijn jongere broer Hans-Joachim werd in 1934 om het leven gebracht door de SS tijdens de fameuze Röhm-Putsch, de Nacht van de Lange Messen. Meteen daarna vluchtte Alexander weg uit Duitsland, naar China. Daar werkte hij als militair adviseur van Tsjang Kai-Sjek. Nadat in 1937 de Chinees-Japanse oorlog uitbrak, kwam Von Falkenhausen in een lastig parket te zitten. Het naziregime eiste dat hij meteen ophield met het trainen van de Chinese troepen, want zij trokken ten strijde tegen een mogelijke Duitse bondgenoot, het Japanse keizerrijk. Een jaar later keerde hij terug naar Duitsland en door een speling van het lot werd hij in mei 1940 aangesteld tot Militärbefehlshaber van bezet België. Hij trad zo in de voetsporen van zijn oom Ludwig Freiherr von Falkenhausen, die hier tijdens de Eerste Wereldoorlog gouverneur-generaal was. Alexander von Falkenhausen was dus geen diehard nazi, maar eerder een vertegenwoordiger van de Pruisische conservatieve militaire klasse. Hij was een aanhanger van de Pruisische ‘Kriegsnotwendigkeit’. Volgens dat principe had een natie in tijden van oorlog het recht om met alle middelen, zowel wettige als onwettige, haar voortbestaan te verzekeren. Die mentaliteit sijpelde door in alle beslissingen die hij als militaire gouverneur nam.

 

Dimitri Roden

  • Geboren in 1982.
  • Studeerde geschiedenis aan de KULeuven.
  • Werkt sinds 2005 als historicus in het Breendonk Memoriaal.
  • Promoveerde in 2015 In 2015 tot doctor in de geschiedenis (UGent) en doctor in de sociale en militaire wetenschappen (KMS).
  • Werd in 2018 conservator van het Fort van Breendonk.

 

Dimitri Roden, Ondankbaar België, De Duitse repressie in de Tweede Wereldoorlog, AUP, 356 blz., 29,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Net als in de hoogdagen van het communisme, houden de Hongaren elkaar terug in de gaten’

Meer dan een kwart eeuw na de val van het communisme ontdekte de Hongaarse schrijver András Forgách dat zijn moeder Bruria van 1975 tot haar dood in 1985 informant voor de geheime dienst was. Ze hield niet alleen buren en vrienden in de gaten, maar ook haar eigen kinderen. In De akte van mijn moeder doet Forgách een boekje open over zijn moeder-spion. ‘Omdat ik haar zoon ben, vind ik niet dat ze me verraden heeft.’

 

In de herfst van 2013 kreeg András Forgách telefoon van een oude kennis uit zijn jeugd. Die had tijdens opzoekingswerk in het archief van de geheime dienst in Boedapest ontdekt dat een van Forgáchs familieleden jarenlang tijdens het communisme als informant voor de geheime dienst had gewerkt. ‘Hij noemde geen namen tijdens dat gesprek’, zegt András Forgach. ‘Maar ik voelde instinctief over wie het ging. We spraken af in een koffiehuis waar mijn vermoeden bevestigd werd: mijn in 1985 overleden moeder Bruria had decennialang een dubbelleven als informant geleid.’

 

Was dat een schok?

András Forgách: Zeker, maar toch ook niet helemaal. Toen ik die kerel in dat café sprak, viel het laatste stuk van de puzzel op zijn plaats. Plots begreep ik waarom ze zich op bepaalde momenten tijdens haar leven zo bizar had gedragen. Haar foute keuzes kregen betekenis, en veel vragen een antwoord.

 

Na de val van de muur in 1989 werd in Duitsland de Gauck-Behörde opgericht, een soort Waarheidscommissie belast met het beheer, onderzoek en openbaar maken van de Oost-Duitse Stasi-archieven. U hoorde pas in 2013 over het informantenverleden van uw moeder. Was er in Hongarije dan nooit een gelijkaardig initiatief?

Forgách: Nee, en voor Hongarije is dat een tragedie. Na bijna dertig jaar zal er ook niets meer veranderen. Jonge Hongaren zijn niet geïnteresseerd in dat verleden en historici hebben weinig aandacht voor die archieven. Al moet ik dat misschien toch nuanceren: de jaren veertig, vijftig en zestig worden wel goed onderzocht. Maar zeventig en tachtig zijn zo goed als onontgonnen terrein.

 

Hoe komt dat?

Forgách: Omdat veel van onze huidige politici in die periode als informant voor die geheime dienst actief waren. Zij hebben liever niet dat hun namen aan de oppervlakte komen en houden die doos van Pandora dus liever dicht. Ook veel artiesten waren informant en willen niet met hun verleden geconfronteerd worden. Politieke partijen zijn het eens met dat grote stilzwijgen, uit schrik dat ze anders leden zouden kunnen verliezen. Maar doen alsof er niets gebeurd is, is zeer ongezond voor een samenleving. Een van de redenen waarom ik dit boek geschreven heb, is om die samenzwering van de stilte te doorbreken. In De akte van mijn moeder schrijf ik zonder censuur over haar informantenwerk en leg haar dossier open en bloot op tafel. Ook al is het dan een ‘roman’, de inhoud is authentiek, met de echte namen van agenten, contactpersonen, figuranten. Ik wil dat er in Hongarije over die periode tenminste gepraat wordt.

 

Bent u boos op uw moeder?

Forgách: Nee. Onlangs hoorde ik op de radio een interview met Rebekka Hermán Mostert, zij vertaalde mijn boek naar het Nederlands. Ze zei dat mijn moeder me verraden heeft. Ik schrok daarvan, want ik heb dat nooit zo aangevoeld. Ik twijfel er geen moment aan dat Rebekka een uitstekende vertaalster is, maar haar interpretatie dat mijn moeder een verraadster zou zijn, vind ik zeer eenzijdig. In De akte van mijn moeder probeer ik net te analyseren waarom iemand informant wordt. Mijn moeder was lid van de partij en een overtuigde communist.

 

Meer nog: ze was stalinist.

Forgách: Dat klopt, maar tezelfdertijd was ze écht een trouwe goede communist, met uitstekende kwaliteiten. De agenten van de geheime dienst maakten overal aantekeningen van en hielden tot in de puntjes uitgeschreven verslagen van ontmoetingen met informanten bij. Mijn moeder komt uit haar dossier naar voor als een kameraad onder de kameraden. Als ze met haar contactpersonen overleg pleegde, was dat onder geestesgenoten. In haar dossier wordt ze omschreven als patriot.

 

Ze was geen informant omwille van het geld?

Forgách: Helemaal niet. Niet voor het geld en niet voor de macht. Enkel uit idealisme. Maar misschien toch ook weer niet helemaal, want als informant mocht ze regelmatig naar haar familie in Israël reizen. Dat kan je als een vergoeding beschouwen. Maar het is niet zo dat ze een vorm van verraad pleegde door informant te zijn. Nee, ze werd informant door haar overtuiging. ‘Bruria verraadde haar zoon András’, hoorde ik vertaalster Rebekka zeggen. Dat klopt ook niet. Rebekka’s uitspraken verrasten me, nadat ik de voorbije maanden urenlang met haar over mijn boek gepraat heb.

 

U bent Bruria’s zoon, en daarom misschien ook loyaal aan haar?

Forgách: Natuurlijk, maar dat wil nog niet zeggen dat mijn blik daardoor vertroebeld is. Ik heb in mijn boek geprobeerd om de context waarin zij leefde te reconstrueren.

 

Begin jaren tachtig biedt u in uw appartement in Boedapest onderdak aan de dissidente dichter György Petri. Wanneer de geheime dienst aan uw moeder vraagt om hen zonder uw medeweten toegang tot uw appartement te verschaffen, gaat ze daarop in. Is dat geen vorm van verraad?

Forgách: Verraad is niet het juiste woord. Ook niet als ze bij wijze van spreken later mijn hoofd aan de geheime dienst zal offreren. Want dat deed ze: ze droeg mij zonder dat ik het wist bij de Hongaarse Veiligheidsdienst voor als haar opvolger. Daar is gelukkig nooit iets van in huis gekomen, maar zelfs dat feit past in haar geloof dat ze een dienares van de communistische zaak is. Ze is er heilig van overtuigd dat ze zo meehelpt aan een betere wereld. Ik vermoed dat ze wel wist dat ze door mij ‘over te leveren’ een grens overschreed, alleen moest die kennis maar wijken voor de ‘goede zaak’. En natuurlijk heeft ze net als elke andere informant van de geheime dienst informatie over buren verzameld die die mensen soms in een lastig parket bracht. Maar doordat er in Hongarije een gebrek aan historisch onderzoek naar de communistische Veiligheidsdienst is, worden alle informanten over dezelfde kam gescheerd. ‘Ze deden het allemaal voor het geld of uit jaloezie.’ Er is geen enkel eerbaar motief mogelijk en er rest enkel zwart-wit.

 

Wat voor reacties kreeg u in uw thuisland op uw boek?

Forgách: Meestal positief, al probeerden sommigen mijn geloofwaardigheid in twijfel te trekken. Ze vonden dat ik de nagedachtenis van mijn moeder besmeurde. Alsof ik een andere keuze had.

Volgens de Hongaarse letter van de wet is het archief open en toegankelijk en mag er vrijelijk uit geciteerd worden. Het Stasi-archief is gedigitaliseerd en elke inwoner van de voormalige DDR kan online op zoek naar zijn eigen naam. Slechts een klein deel van het archief van de Hongaarse Veiligheidsdienst is digitaal raadpleegbaar. Als je als Hongaar iets wil opzoeken, moet je beroep doen op een researcher die voor jou in dozen en dossiermappen zal wroeten. In de praktijk is dat archief dus log en moeilijk toegankelijk. Niet lang na de publicatie in Hongarije van De akte van mijn moeder, vond ik in dat archief een dossier van een bladzijde of tien over mijn vader. Dat is nu opgenomen in de Nederlandse versie en de kans is groot dat ik in de toekomst nóg documenten vind.

 

Uw vader begon als eerste te werken voor de geheime dienst?

Forgách: Hij was journalist en werd gerekruteerd toen hij eind jaren vijftig correspondent in Londen werd. Ook hij geloofde heel sterk in de communistische zaak. Maar het spionnenwerk ondermijnde zijn persoonlijkheid, waardoor hij ten onder ging aan paranoia. Elke Hongaarse journalist die in de jaren zeventig en tachtig naar het Westen reisde, moest een document tekenen dat hem tot informant van de geheime dienst maakte.

 

Álle Hongaarse journalisten die tijdens het communisme als verslaggever naar het Westen kwamen, waren spionnen?

Forgách: Alle journalisten die voor de staat werkten. Mijn vader was in dienst van het officiële Hongaarse persbureau. Een correspondent raakte nooit aan een reispas als hij of zij niet eerst ook informant werd. De man die mijn vader in Londen opvolgde, was ook een agent, net als degene die erna kwam. Dat sloot naadloos aan bij de journalistiek zoals die door de grote kameraden van de Sovjet-Unie beleden werd.

Mijn vader leed onder aanvallen van paranoia en stortte begin jaren zestig helemaal in. Hij had wat men toen een zenuwinzinking noemde. Zijn laatste werk als Londense agent waren verslagen over Italiaanse en Joodse kranten. Hip spionnenwerk kan je dat niet noemen. Mijn ouders waren Joods, spraken Hebreeuws en waren gekant tegen de staat Israël. Niet veel Hongaarse Joden waren antizionisten, waardoor vader en moeder interessante agenten waren voor de geheime dienst. Toen vader te ziek werd om te kunnen functioneren, rekruteerden ze mijn moeder. Zij wist dat haar man een agent was en stond daar volledig achter.

 

Ze nam ook de codenaam van haar man over: ‘Papái’, Hongaars voor paus.

Forgách: Die naam was een vondst van vaders overste bij de veiligheidsdienst. Mijn vader was een ongelovige Jood. ‘Een Jood verberg je het best door er een katholiek sausje over te gieten’, vond luitenant Takács, de officier in kwestie. ‘Vanaf nu wordt kameraad Forgách: Papái, de paus’. De luitenant was daar naar het schijnt erg over in zijn nopjes. Toen moeder haar man als informant opvolgde, werd zij ‘mevrouw Papái’. Ze rekruteerden haar trouwens op een slinkse manier. Op geen enkel moment is haar meegedeeld: ‘Vanaf nu bent u geheim agent.’ Nee, op een bepaald moment vroegen ze: ‘Mevrouw, kunt u deze week eens een paar kranten voor ons bekijken?’ Later vroegen ze: ‘Wat zou u denken van een bezoek aan het Zionistisch Wereldcongres in Jeruzalem?’

 

Ze werd er langzaam ingesleurd?

Forgách: Ja, langzaam maar zeker maakten ze haar tot deel van het systeem. Ze hanteerden een goed uitgekiende, gedisciplineerde methode om mensen tot informant te kneden. In haar dossier vond ik een bijzonder intrigerend stukje tekst: ‘Aangezien het slechts een formaliteit is om mevrouw Papái tot officiële geheim medewerker te verklaren, zullen we haar hiervan niet speciaal op de hoogte brengen.’ Ze hebben haar dus nooit expliciet gezegd dat ze agent van de veiligheidsdienst was. De expert die samen met mij het dossier van moeder onderzocht, vertelde me dat dat heel typisch was. Blijkbaar wilden ze mensen die om ideologische redenen informatie doorgaven, niet het vieze gevoel geven dat ze verklikkers waren. Mama voerde ook vaak discussies met de officieren waarmee ze rechtsreeks in contact stond. Ze verdedigde mij en mijn dissidente vriend, de dichter Petri, ook al had ze eerder agenten in mijn appartement binnengelaten om afluisterapparatuur te installeren. ‘György Petri is een uitstekende dichter’, zei ze. Ze vond het fout dat hij geen reispas van het regime kreeg. ‘Als het systeem geen kritiek verdraagt, radicaliseren getalenteerde mensen’, zei ze tegen haar officier van de geheime dienst. Oké, ze was communist, maar uit de gesprekken met haar kameraden komt ze naar voor als een vrouw met een open geest. Tenminste, voor een stalinist was ze erg open, al moet u zich daar ook niet té veel van voorstellen. Het stalinisme is nu eenmaal zeer rigide.

 

Was ze op de hoogte van de ‘zuiveringen’ en de Goelag-kampen in de Sovjet-Unie onder Stalin?

Forgách: Jawel. Mijn ouders wisten dat, maar ze wilden de gruwel gewoon niet geloven. Moeder was een intelligente, belezen vrouw. Het stalinistische denkkader had haar geest vervormd. Haar leven lang klampte ze zich krampachtig vast aan die starre ideologie. Lang na de dood van Stalin bleef zij stalinist, net als haar man. Hun huwelijk was grote chaos. Ik herinner me mijn jeugd als een vreselijk chaotische periode, met wildvreemden die ons appartement binnen en buiten liepen. Mijn ouders spraken continu Hebreeuws met elkaar, zodat wij niet konden meevolgen. Net als mijn broer en zus wist ik van jongs af aan dat ze geheimen met zich meedroegen. Ik denk dat het rigide stalinisme hun manier was om de chaos te bedwingen. Informant zijn, zorgde voor zin in hun door partij en staat gedomineerde bestaan.

 

Uw moeder ging als informant toch heel ver, daar ook haar kinderen te bespioneren?

Forgách: Nee, echt niet. Integendeel, ze verdedigde en beschermde ons. Als jonge twintigers waren wij zeer actief tegen de communistische partij. Zij zette ons soms uit de wind. Akkoord, er waren een paar momenten waarop ze dicht bij dat ‘verraad’ van mijn vertaalster stond. Maar ik ben haar zoon en u moet begrijpen dat ik daarom vind dat zij mij niet verraden heeft. (stilte) Mijn zus Susan zat tot over haar oren in de oppositie en verhuisde vroeg naar New York. Toen mijn moeder haar daar wou gaan bezoeken, roken de officieren bij de geheime dienst hun kans om via mevrouw Papái de Hongaarse dissidenten in de VS in kaart te brengen. Ze is toen niet vertrokken, want mijn zus wou niet dat ze kwam. Dat was ook een van die momenten waarop ‘verraad’ in de lucht hing. God zij dank is mama toen in Boedapest gebleven. En god zij dank werd ik niet haar opvolger bij de geheime dienst. De zaden van verraad zijn gelukkig nooit beginnen kiemen.

 

Uw zus is niet erg blij met uw boek.

Forgách: ‘Niet erg blij’ is een eufemistische omschrijving. Volgens haar is het informantendossier van mijn moeder fake. ‘Het zijn nepdocumenten’, zegt ze. ‘Iemand heeft ze gefabriceerd om onze familie te chanteren.’

 

Wie is ‘iemand’?

Forgách: Het huidige regime: Viktor Orbán en zijn vrienden. Ik verafschuw Orbán en zijn ‘illiberale democratie’ die in werkelijkheid een zachte dictatuur is, maar de theorie van mijn zus is grotesk. Mijn moeders dossier is authentiek. Ik herken alle omstandigheden en details die erin beschreven staan. Ik begrijp dat mijn zus het er moeilijk mee heeft; het gaat tenslotte ook over haar moeder. Ik heb het er tot vandaag ook lastig mee. Ik voel me er fysiek niet goed door en ik vrees dat ik me nog lang slecht zal voelen. Vrienden jubelen: ‘András, je boek is een groot succes. Fantastisch!’ Nee, niet fantastisch, dit is een dagelijkse strijd voor de waarheid. Ik begrijp de woede van mijn zus, alleen gaf zij het verkeerde antwoord en ik het juiste. Ik moést hier wel over schrijven. Als ik dat niet had gedaan, waren al mijn andere boeken halve leugens. Mijn eerder verschenen roman Zehuse heeft als grondstof de briefwisseling tussen mijn moeder en haar geëmigreerde dochter. Toen ik dat boek schreef, wist ik niets over Bruria’s carrière als geheim agent. Dat moést rechtgezet worden.

 

U noemt de regering van Viktor Orbán een ‘zachte dictatuur’. Inclusief geheime dienst die de eigen bevolking in de gaten houdt?

Forgách: Ja, daar ben ik honderd procent zeker van. Net als in de hoogdagen van de communistische dictator Janos Kádár houden mensen elkaar nu in scholen, overheidsinstellingen en bedrijven in de gaten. Ze moeten aan de overheid over zowat àlles rapporteren. Het op verklikking gebaseerde informatiesysteem van de communisten is opnieuw uitgerold. Wie zoals ik in de jaren zeventig met dissidenten optrok, werd standaard afgeluisterd. We hadden toen de gewoonte om middenin een telefoongesprek te zeggen: ‘Hé, kameraad-sergeant, hoe gaat het met u? Bent u nog niet ingedommeld? Luistert u nog mee?’ Vrienden die nu in de oppositie actief zijn, vertellen me dat ze een echo van zichzelf horen als ze met hun smartphone aan het bellen zijn. Voortdurend. Een teken dat er iemand meeluistert. Ze maken dan soms dat grapje van toen: ‘Hé luistervink, luister je nog mee?’ (lacht) Eigenlijk is dat niet grappig, maar intriest.

 

 

András Forgách

  • Geboren in 1952 in Boedapest.
  • Schrijver, vertaler, acteur en dramaturg.
  • Was in de jaren zeventig en tachtig actief in het Hongaarse verzet tegen de Sovjet-Unie.

 

 

András Forgách, De akte van mijn moeder, Cossee, 320 blz., 24,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘In de privé is er nog meer bureaucratie dan onder ambtenaren’

Volgens de Amerikaans-Britse antropoloog David Graeber is driekwart van al onze jobs niets meer dan zinloze verspilling van tijd. ‘De meeste mensen werken al jaren gemiddeld slechts 15 uur per week. De rest gaat op aan onzin.’

 

‘Bullshit jobs’, noemt David Graeber in zijn prikkelende gelijknamige boek de overgrote meerderheid van de functies in de financiële dienstverlening, sales, marketing, human resources, communicatie en administratie. ‘Als bankiers, juristen, consultants, zakenadvocaten, lobbyisten of pr-lui een staking uitroepen, kraait er geen haan naar’, zegt de aan de London School of Economics (LSE) verbonden en met het anarchisme dwepende professor antropologie. ‘Maar als treinmachinisten, schoonmakers of buschauffeurs er de brui aan geven, is het halve land ontregeld. Hun jobs behoren dan ook tot dat kwart dat er écht toe doet en diensten en producten levert waar werkelijk behoefte aan is.’

In 1930 voorspelde de grote econoom John Maynard Keynes dat dankzij de automatisering vóór het einde van de twintigste eeuw de vijftienurige werkweek zou zijn ingevoerd. ‘Keynes had het bij het rechte eind’, stelt Graeber. ‘Alleen zijn de door automatisering verdwenen jobs vervangen door bullshit jobs. De meeste mensen werken al jaren gemiddeld slechts 15 uur zinvol per week. De rest van hun tijd gaat verloren aan volstrekt zinloze activiteiten zoals het versturen van e-mails, het organiseren of bijwonen van motivatieseminars, urenlang vergaderen, het bijwerken van hun Facebookprofiel of het downloaden van televisieseries. Met mijn boek raak ik een open zenuw. Eerder vandaag had ik nog een erg uit de hand gelopen discussie met een collega van u van een Nederlandse krant. In Bullshit Jobs schrijf ik dat bijna veertig procent van alle werkenden vindt dat hun job zin- en inhoudsloos is. De journalist vond mijn statistieken niet accuraat. Volgens hem zou maar tussen de vijf à tien procent van de mensen van oordeel zijn dat ze een bullshit job hebben. Hij haalde daarvoor een andere enquête aan dan degene die ik in mijn boek presenteer. Het probleem met al dat soort onderzoeken is dat veel afhangt van de manier waarop de vragen gesteld worden. De belangrijkste peiling waarop ik steun komt van het Britse YouGov, een onderzoeksbureau met een uitstekende reputatie. Uw collega bleef maar doordrammen over die veertig procent. Ik claim niet dat ik een wetenschappelijke verhandeling geschreven heb, maar wel een boek over een niet onbelangrijk fenomeen: de ‘bullshitisering’ van het werk. Dat leek niet echt bij die mijnheer door te dringen.’

 

Wat is dat precies, een bullshit job of onzinjob?

Graeber: Dat is een baan waarbij degene die ze uitoefent zelf vindt dat het geen verschil maakt als ze zou verdwijnen. Sterker nog: in sommige gevallen geloven mensen zelfs dat de wereld er veel beter bij zou varen als hun eigen bullshit job opgedoekt zou worden. Zes procent van de bullshit jobbers zegt: ‘Ik heb een zinloze job en ik vind dat fantastisch.’ Misschien omdat ze een hekel aan hun gezin hebben en blij zijn dat ze overdag aan hun bureau kruiswoordraadsels kunnen zitten invullen. (lacht)

Zowat alle economen houden ons voor dat mensen dolgraag werk willen, ook al stelt dat niets voor. Want wij zouden rationele wezens zijn die met zo weinig mogelijk inspanning zoveel mogelijk opbrengst voor onszelf nastreven. Als dat echt waar is, moeten mensen die betaald worden om een hele dag te niksen daar zeer blij mee zijn. De werkelijkheid toont een ander beeld: de overgrote meerderheid is diep ongelukkig. Ik heb die wijsheid niet alleen uit de YouGov-enquête gehaald, maar ook uit de massale reacties die ik kreeg op een essay over bullshit jobs dat ik in augustus 2013 voor het magazine Strike schreef. Ik stelde toen voor het eerst dat ik het sterke gevoel had dat onzinjobs wijdverspreid zijn. De maanden erna overstroomde mijn mailbox met verhalen van mensen die dat gevoel alleen maar bevestigden.

 

Steeds meer mensen worstelen met een burn-out. Maar als uw veertig procent onzinbanen min of meer klopt, zijn heel wat burn-outs eerder bore-outs? Mensen die zich niet te pletter gewerkt hebben, maar te pletter verveeld?

Graeber: Dat zou best kunnen. Van een huisschilder weten we dat hij geen inhoudsloze job heeft. Ik ben er zeker van dat hij het meest gruwt van die schaarse momenten waarop hij moet doen alsof hij hard aan het werk is om zijn baas te vriend te houden. Stel je voor dat je hele job eruit bestaat met te moeten doen alsof je ijverig aan de slag bent. Dat is toch vreselijk? Een jonge Egyptische ingenieur die voor een publieke onderneming in Cairo werkt, vertelde me dat hij de hele dag zit te wachten tot ergens in het gebouw de airco uitvalt. Ondertussen houdt hij zich onledig met het invullen van formulieren. Ze kunnen hem net zo goed thuis laten en opbellen als ze hem nodig hebben. Maar dat mag niet, want dan is hij ‘niet aan het werk’. Dus verlegt hij acht uur per dag stapeltjes papier op zijn bureau.

 

Het cliché wil dat vooral ambtenaren daar meester in zijn. Volgens u liggen de onzinbanen in de private sector minstens even dik gezaaid?

Graeber: Ambtenaren omschrijven hun baan minder snel als bullshit job. Natuurlijk bestaan nogal wat overheidsbanen uit een stevige hoeveelheid zinloze bureaucratie, maar de mensen zelf ervaren hun werk niet altijd als zinloos. Bureaucratie is niet exclusief gelinkt aan het overheidsapparaat, integendeel, in de private sector hebben sommige ondernemingen er nóg meer kaas van gegeten. Stel: je hebt pas een nieuwe computer gekocht en het keyboard is kapot. Je stapt ermee naar de winkel en je vraagt een nieuw. Waarop de man achter de toonbank zegt: ‘U moet eerst een afspraak maken met mijn collega die bevoegd is om vast te stellen of uw keyboard kapot is.’ Klinkt dat herkenbaar? Hoe vaak komen mensen niet in een kafkaiaans spektakel terecht wanneer ze met een klein probleem naar hun bank bellen? Ik hing laatst meer dan een uur met acht verschillende personeelsleden van mijn bank aan de lijn over een onnozele internationale overschrijving. Ze konden die zogezegd niet uitvoeren omdat er een probleem was met een of ander overheidsvoorschrift. De private en overheidsbureaucratie gingen op dat moment feilloos in elkaar over. Want al die zogenaamde overheidsregels voor de financiële sector zijn geschreven door de banken zelf. Terwijl ze omkoopgeld aan politici geven, fluisteren ze hen in het oor: ‘Op dat A4-tje staat de regelgeving die wij willen.’ Twee derde van de winst van de grootste Amerikaanse bank JP Morgan Chase is afkomstig van ‘bijdragen en boetes’. Ze hebben er dus alle belang bij om die regelgeving zo ingewikkeld mogelijk te maken zodat ze hun klanten centen kunnen aftroggelen.

 

Private ondernemingen willen winst maken. Zowel aandeelhouders als ceo’s en raden van bestuur hebben er toch geen enkel belang bij om mensen te betalen voor het verrichten van zinloos werk?

Graeber: Dat zou je veronderstellen, maar het kapitalisme heeft intussen een andere logica ontwikkeld. Als je auto’s of lampen fabriceert, wil je inderdaad normaal gezien liefst geen mensen in dienst waar je niets mee kunt aanvangen. Zeker niet als er concurrenten in je sector actief zijn. De uitbater van een restaurant wil ook geen ober die een hele avond rondlummelt. Maar als je JP Morgan Chase bent, geldt een andere werkelijkheid. Want dan heb je alle belang bij een regelgeving die zo dubbelzinnig is dat je klanten voortdurend fouten maken. De boetes die dat oplevert, doen de kassa extra rinkelen. De meeste bullshit jobs vinden we niet voor niets bij banken, verzekeringen en vastgoed. Zij maken momenteel grote winsten die niet gebaseerd zijn op kapitalisme, maar op feodalisme. Het gaat niet over winst door de verkoop van geproduceerde producten, maar over de ene die de andere uitzuigt. Zelfs oude grote industriële bedrijven zoals ‘ons’ General Motors (GM) hebben bijna hun volledige winst te danken aan hun financiële afdelingen. GM verdient zijn geld niet meer door de verkoop van auto’s, maar door de rente op autoleningen.

Productiegerichte beroepen zijn weg geautomatiseerd. Tussen 1910 tot 2000 kalfde het aantal mensen dat in de VS in de industrie- en landbouwsector werkzaam was zienderogen af. In plaats daarvan verdrievoudigde de dienstensector, die eigenlijk vooral een administratieve sector is, met totaal nieuwe bedrijfstakken zoals financiële dienstverlening en telemarketing. Tezelfdertijd groeiden sectoren zoals ondernemingsrecht, onderwijs- en zorgadministratie, human resources en public relations als kool. Driekwart van de Amerikaanse beroepsbevolking werkt vandaag in die zogenaamde dienstensector vol onzinbanen. Daarin zijn dan nog niet eens alle schoonmakers, veiligheidsmensen, pizzabezorgers en hondenuitlaters meegerekend die met hun zinvolle jobs die hele onzinsector aan de praat houden. Maar ook het zinvolle werk raakt steeds meer gebullshitiseerd, denk maar aan de verplegers en leraars die kostbare tijd verloren zien gaan aan het invullen van zinloze documenten. Als docent ben ik een ervaringsdeskundige.

Er is een vorm van ‘manageriaal feodalisme’ geïnstalleerd vol bullshit jobs waarin de ene duurbetaalde consultant de andere goed verdienende middelmanager onzin probeert aan te smeren. Ze troggelen hun klanten losgeld af en herverdelen dat onder elkaar. Net als in de middeleeuwen creëert dat hedendaagse feodalisme eindeloze hiërarchieën van heren, vazallen en bedienden. Al die mensen die luidkeels beweren dat bullshit jobs onbestaande zijn omdat het kapitalisme omwille van de winst komaf maakt met alle onzin, hebben een politieke of ideologische agenda. Het zijn ofwel vrije markt-libertairen ofwel gestaalde marxisten die in de 19e eeuw zijn blijven hangen.

 

Maar veel van de jobs die u als onzinjobs bestempelt, worden toch niet door iedereen zo ervaren? Voor veel mensen geeft hun job net zin aan hun leven.

Graeber: Arbeidssociologen stellen altijd dat de meeste mensen zin halen uit hun beroep. Het paradoxale is dat diezelfde arbeidssociologen ook altijd vaststellen dat de meeste mensen hun job haten. Dat kan toch niet allebei waar zijn? (lacht) Tenzij de meeste mensen hun job zinvol vinden omdat ze ze haten. ‘Ik lijd, dus daarom verdien ik het om er genoeg voor betaald te worden om een huis en een auto te kopen.’

 

U pleit ervoor om alle onzinjobs op te doeken en het zinvolle werk te herverdelen. U pleit ook voor de vijftienurige werkweek en de invoering van het basisinkomen. U bent niet bang dat nogal wat mensen het lastig zullen hebben met al die vrije tijd?

Graeber: Die vijftienurige werkweek is geen fetisj. We kunnen ook veertig uur per week blijven werken en vier maanden vakantie nemen. Sinds Wereldoorlog II zijn we beginnen geloven dat arbeiders met te veel vrije tijd aan de drank raken en door de ledigheid van hun bestaan een depressie ontwikkelen. Ik vind het erg neerbuigend om er zo maar vanuit te gaan dat werkende mensen niet in staat zijn om hun tijd met andere bezigheden zinvol te vullen. Acht uur op een dag werken, is trouwens een vrij recente uitvinding. Zelfs een middeleeuwse knecht werkte maar vier uur per dag.

 

De rest van zijn tijd ging op aan de strijd om te overleven.

Graeber: Dat is waar. Toch had hij meer vrije tijd dan wij en daarom kennen we nog al die folklore van toen. Als morgen de vijftienurige werkweek wordt ingevoerd, zullen heel wat mensen een muziekinstrument leren bespelen, of een nieuw ambacht aanleren. Als antropoloog weet ik best wel hoe het er in samenlevingen vroeger aan toeging. Ik verbleef jarenlang op Madagaskar en schreef een cultuurgeschiedenis over dat eiland. De Madagasken brengen mijn ideale samenleving al eeuwenlang in de praktijk: het zijn boeren die niet meer dan vier uur per dag werken. Monogamie bestaat er niet en iedereen slaapt er met iedereen. (lacht) Weet u wat het echte drama is? Dat de huidige economische leer ontwikkeld is voor problemen uit de 19e eeuw en niet voor de problemen die op ons afkomen. In het verleden draaide het om maximale groei en winst, nu zou het moeten gaan over hoe we de boel aan de praat houden zonder onze planeet te vernietigen. De economische wetenschap zoals ze nu bestaat, is niet ontwikkeld om de klimaatverandering, vervuiling of overproductie aan te pakken. We moeten ons hele systeem herdenken.

 

Naar aanleiding van de financiële crisis voorspelde u opstanden in verschillende Europese landen en een grote economische ineenstorting. ‘Binnenkort zullen onze politici een valse snor moeten opplakken als ze een hapje willen gaan eten’, zei u in 2012 in een interview met Knack. Vandaag lopen onze politici nog niet met valse snorren rond. Hebt u zich vergist?

David Graeber: Helemaal niet. Ik denk dat we er gewoon gewend aan geraakt zijn. Begin juni was ik in San Francisco. Ik was gechoqueerd over wat ik daar zag. In Londen slapen mensen in kartonnen dozen in portieken, maar daar liggen de daklozen gewoon midden op straat. Het is niet voor niets dat er vandaag zoveel zombiefilms in de Amerikaanse bioscopen draaien; ze leven er namelijk in een apocalyptische zombiewereld. Iemand zei me dat de daklozen op straat maar het topje van de ijsberg zijn. Minstens evenveel mensen slapen in hun auto of leven in een camper. Steeds meer zestigers en zeventigers kunnen niet op pensioen en moeten werken tot aan hun dood. Er is zich dus wel degelijk een sociale ineenstorting aan het voltrekken die dertig jaar geleden als catastrofaal beschouwd zou worden. Nu lijken mensen dat heel normaal te vinden.

 

U stond mee aan de basis van Occupy Wall Street in New York en was een van de initiatiefnemers van de bezetting van Zuccotti Park in september 2011. Hoe is het vandaag gesteld met Occupy?

Graeber: De beweging is nog actief, maar dan vooral als fundament voor de Democratic Socialists of America (DSA). Er wordt nu gezegd: ‘Occupy was een mislukking’; ik durf dat sterk te betwijfelen. Want waar zou Occupy gefaald hebben?

 

De VS worden nu geleid door Donald Trump, bijvoorbeeld.

Graeber: Right. Occupy ging niet over het verkiezen van mensen, maar over het niet blijven nastreven van het verkiezen van mensen. Natuurlijk is Trump verkozen, maar dat zegt toch niets over het succes van Occupy? Wij verwierpen net de verkiezingsaanpak.

 

U verwierp de democratie?

Graeber: Nee, wij stelden dat het systeem niet democratisch is. Echte democratie is dat mensen zelf beslissen hoe ze over zichzelf wensen te regeren. Dat is iets helemaal anders dan een systeem waarbij degene die het meeste omkoopgeld kan verzamelen zichzelf kan laten verkiezen. Met Occupy probeerden we een culturele transformatie te bewerkstelligen: we probeerden het gedachtengoed van mensen over democratie en kapitalisme te veranderen. Een paar jaar geleden werd een bevraging georganiseerd bij Amerikanen van 18 tot 30. De meerderheid zei dat ze antikapitalistisch en pro-socialistisch was. Ik stond daarvan te kijken, want het was uniek dat zoveel jonge Amerikanen zich uitspraken voor het socialisme. Occupy mislukt? Komaan, zeg.

 

De Amerikaanse president is Donald Trump en niet Bernie Sanders.

Graeber: Dat komt omdat mainstream links in Amerika niet begrijpt wat mainstream rechts wel doorhad: je moet je gekke radicalen goed soigneren als je de macht wil grijpen. De rechts-radicalen van de Tea Party zijn veel angstaanjagender dan wij van Occupy, maar dat was voor rechtse Republikeinen geen bezwaar om hen tegen de borst te drukken. De Democraten raakten geobsedeerd door het feit dat vijf kerels van Occupy tijdens de bezetting een raam hadden durven inslaan. ‘O nee, met dat uitschot willen we niets te maken hebben.’ Ook al waren de duizenden andere bezetters vreedzaam. Rechtse Republikeinen hadden er ondertussen niet echt een probleem mee dat neonazi’s hun geweren leegschoten. ‘We zijn het niet eens met de shooting, so what?’ Vervolgens gingen ze verder met het knuffelen van hun radicalen. Wij werden door mainstream links onderdrukt. Ik was erbij toen Zuccotti Park op 15 november 2011 hardhandig ontruimd werd. De Democraten hadden eerst gehoopt dat wij ons naar het corrupte systeem zouden schikken. Maar wij bleven erop hameren dat we dat radicaal verwierpen. Voor rechts was het natuurlijk makkelijker, want zij vinden corruptie best oké.

 

U geeft nu les aan de London School of Economics (LSE), een elite-universiteit waar de meeste studenten van rijke komaf zijn.

Graeber: Kent u de stichters van de LSE, Sidney en Beatrice Webb, Graham Wallas en George Bernard Shaw? Aan het eind van de 19e eeuw waren zij vooraanstaande leden van de socialistische Fabian Society. In oorsprong is de LSE dus een links project. Nu al lang niet meer, dat is waar. Enkel het antropologiedepartement houdt nog stand als klein radicaal links bastion. (lacht)

 

David Graeber, Bullshit jobs, Over zinloos werk, waarom het toeneemt en hoe we het kunnen bestrijden, Business Contact, 416 blz., 24,99 euro

 

David Graeber

  • Geboren in 1961 in New York
  • Groeide op als zoon van een communistische vakbondsactiviste en een veteraan van de Spaanse Burgeroorlog
  • Werkte vanaf 1998 als antropologieprofessor aan de prestigieuze Yale University, waar hij zijn anarchistische sympathieën niet onder stoelen of banken stak
  • Zijn contract werd in 2005 niet verlengd, waarna zijn studenten in opstand kwamen
  • Verhuisde een jaar later naar Londen waar hij eerst antropologie doceerde aan Goldsmiths
  • Stond in 2011 aan de wieg van Occupy Wall Street
  • Scheef in datzelfde jaar zijn magnum opus Schuld, de eerste 5000 jaar
  • Ruilde in 2013 Goldsmiths in voor de London School of Economics

 

(c) Jan Stevens

‘Erectieproblemen? Ga naar de cardioloog’

In Amerika is Aaron Spitz voor de popularisering van de kennis over de penis wat Jeroen Meus bij ons is voor de popularisering van de kennis over (groot)moeders keuken. ‘Lengte lijkt voor veel mannen van levensbelang.’

 

In het Amerikaanse tv-programma The Doctors laat uroloog Aaron Spitz geregeld zijn licht schijnen over typisch mannelijke gezondheidskwesties. ‘Tijdens mijn studentenjaren probeerde ik furore te maken als stand-upcomedian’, zegt hij. ‘Die optredens waren een keiharde leerschool, maar ik heb toen wel geleerd om mensen te entertainen en begeesteren. Dat komt me nu in mijn talkshow goed van pas.’ Naast zijn tv-werk runt dokter Spitz een bloeiende urologenpraktijk in Los Angeles, met als specialisatie mannelijke vruchtbaarheid.

Aaron Spitz: ‘Al jaren moet ik vaststellen dat de kennis van veel patiënten over hun eigen geslachtsorgaan niet altijd even accuraat is. Velen schamen zich voor hun jongeheer of geloven dat hij niet aan de gangbare norm voldoet. Daarom besloot ik om Het Penisboek te schrijven, waarin ik geen enkel heet hangijzer uit de weg wou gaan. Ik heb dat met veel humor proberen doen om zo de pil voor de ietwat preutsere man te vergulden. Want de penis is en blijft een gevoelig onderwerp. Het was ook hoog tijd voor een nieuw penisboek omdat er de voorbije jaren veel kennis bijgekomen is over de mannelijke seksualiteit.’

 

Nieuwe kennis?

Spitz: Niet spiksplinternieuw, maar wel van de laatste dertig jaar. Toen ik als dokter in de jaren negentig in urologie aan het specialiseren was, zat Viagra nog in de klinische testfase. Ze hadden pas ontdekt hoe de werkzame stof sildenafil precies werkt. Op dat moment waren er maar weinig middelen voorhanden voor de behandeling van erectieproblemen. Die waren ook niet altijd even sexy of gebruiksvriendelijk, met pompjes, injecties in de penis of een operatieve ingreep. Toen Viagra alle tests doorstaan had en op de markt kwam, konden mannen écht geholpen worden. Want eindelijk hadden we een makkelijke, effectieve behandelingsmethode voor erectiestoornissen. Je slikt een pil en vervolgens krijg je een erectie om u tegen te zeggen. Viagra zorgde ook in het dokterskabinet voor een kleine revolutie, want voortaan voelden artsen zich minder geremd om het onderwerp ‘erectiestoornis’ met hun mannelijke patiënten aan te snijden. Ze hadden nu immers een behandeling aan te bieden die comfortabel was én hielp.

 

Zijn erectiestoornissen dan zo’n groot en wijdverspreid probleem?

Spitz: Zeker. Vanaf hun vijftigste krijgt de helft van de mannen er in min of meerdere mate last van. Sommigen ondervinden af en toe dat hun erectie te wensen over laat, bij anderen wordt het snel een ernstig probleem. Zelfs een gezonde vijftiger ziet zijn erectie soms op cruciale ogenblikken verslappen. Erecties zijn nauw verbonden met de algemene conditie van hart en bloedvaten. De erectie van de penis is een weerspiegeling van de bloedcirculatie doorheen het hele lichaam. Mannen met erectieproblemen lopen risico op verminderde of haperende bloedtoevoer naar hun hart en hersenen. Ze riskeren dus een hartaanval of beroerte. De bloedvaten naar de penis zijn veel kleiner dan die naar het hart of de hersenen. De penisslagaders zijn de kleinste in een mannenlichaam, met een diameter van amper een millimeter. De kransslagaders naar ons hart zijn vijf keer zo dik.

 

De penis is dus de kanarie in de koolmijn?

Spitz: Precies. Als je hem niet meer omhoog krijgt, is het niet onverstandig om naast de uroloog ook even bij de cardioloog langs te gaan. Want vaak zijn erectieproblemen de voorbode van een hartaandoening. Vrouwen hebben de gewoonte om jaarlijks minstens een keer bij hun gynaecoloog langs te gaan, maar de meeste mannen bezoeken na hun tienerjaren amper nog een dokter. In Amerika stappen volwassen mannen pas op hun vijftigste terug bij de arts binnen. Er wordt hen dan verteld dat het hoog tijd is dat ze hun prostaat en hun darmen laten onderzoeken. Al die mannen zouden op dat moment best ook hun cholesterolwaarden laten opmeten en hun hart laten testen.

 

Pleit u ervoor dat alle mannen één keer per jaar bij de uroloog langsgaan, zoals vrouwen bij de gynaecoloog?

Spitz: Toch niet, het zou al fantastisch zijn als ze af en toe eens hun huisarts bezoeken. Die kan hen dan informeren wanneer ze best bij de specialist een afspraak maken. Soms krijg ik mannen met erectieproblemen over de vloer die al een tijd in behandeling zijn voor hart- of bloeddrukproblemen en daar de juiste medicatie voor slikken. ‘Mijn bloeddruk is onder controle dokter, en toch krijg ik hem niet meer omhoog. Ik begrijp er niets van. Mijn vrouw zegt dat ik haar niet meer aantrekkelijk vind. Help!’ Dat is het moment waarop ik Viagra bovenhaal.

 

Is dat middel dan niet gevaarlijk voor mannen met een hartziekte?

Spitz: Dat is wat de legende wil. Toen Viagra pas uitkwam, stierven er een paar mannen aan een hartaanval. Het is een werk van lange adem om die onterechte slechte reputatie van de blauwe pillen de wereld uit te krijgen. Viagra is honderd procent veilig voor je hart. Er is maar één uitzondering: nitroglycerine en Viagra samen kunnen een gevaarlijke cocktail vormen. Nitroglycerine wordt genomen door mensen die angina pectoris of hartkramp hebben. In alle andere gevallen is Viagra veilig, net als Cialis. Die middelen zijn niet verslavend en ondermijnen het gestel niet.

 

In uw boek raadt u de pijnstiller Tramadol aan voor mannen die last hebben van voortijdige zaadlozing. U schrijft: ‘Het middel is niet zo verslavend als de meeste pijnstillers.’ Tramadol is een synthetisch opioïde en familie van het opiaat morfine. Erg onschuldig is dat toch niet? De VS worden geteisterd door een heuse opioïde-epidemie en ook in België ontwikkelen steeds meer mensen een ernstige verslaving aan opioïdes zoals Tramadol.

Spitz: U hebt gelijk: de opioïde-epidemie woedt wereldwijd en Tramadol is inderdaad een opioïde. Maar je kan het enkel op voorschrift krijgen en bij voortijdige ejaculatie wordt het eenmalig ingenomen. Je neemt niet elke zes uur een pil om de pijn te bestrijden, enkel wanneer je wil vrijen. Ik begrijp uw bezorgdheid over Tramadol, want mensen die er verslaafd aan zijn, zoeken continu manieren om aan voorschriften te geraken. Ik schrijf het daarom enkel voor wanneer ik zekerheid heb over de motieven van de man die voor me zit. Ik vraag mijn patiënten altijd of ze gevoelig zijn aan verslaving. Want er is een alternatief: paroxetine, alleen moet je dat dan elke dag in een lage dosis innemen. Paroxetine is een niet-verslavend antidepressivum dat het serotonineniveau in de hersenen opkrikt. In België wordt het verkocht onder de merknaam Seroxat. Als bijwerking onderdrukt het het spinale ejaculatiecentrum. Dat is ideaal voor mannen die te snel klaarkomen. Als je van jezelf vindt dat je veel te snel klaarkomt, hoef je trouwens niet meteen je toevlucht tot pillen te nemen. Er zijn sprays op de markt die de gevoeligheid van de zenuwen in de penis verminderen, waardoor je de ejaculatie kunt uitstellen. Meestal zit daar een verdovende stof zoals lidocaïne in. Hoe meer je ervan op je penis spuit, hoe groter het effect. Er zijn ook condooms in de handel met een glijmiddel met dezelfde werking.

 

Is voortijdige ejaculatie net zo’n groot probleem als erectiestoornissen? Of schatten mannen verkeerd in hoe lang ze het moeten volhouden?

Spitz: Veel mannen worstelen daarmee. Gedeeltelijk is dat omdat seks een recreatieve sport lijkt te zijn geworden. (lacht) Vroeger diende seks vooral om onze genetische code te laten voortbestaan. De man die het snelste kon ejaculeren, was het best uitgerust om de soort te laten overleven. Tijdens het copuleren in de wilde natuur was de man kwetsbaar: hoe sneller dat achter de rug was, hoe sneller hij weer paraat was om zijn vijanden het hoofd te bieden. De mens ontwikkelde verder en kreeg meer controle over zijn seksuele activiteit. Vandaag controleren we zelfs of onze vrijpartijen nageslacht zullen opleveren. De menselijke verwachtingen over de kwaliteit van seks liggen veel hoger dan ooit tevoren. Bij sommige mensen misschien té. Een man die vindt dat hij te snel klaarkomt, drukt dat altijd uit in tijd. Zelden of nooit vraagt hij zich af of zijn partner dat misschien wel prettig vindt. Voortijdige ejaculatie is geen ziekte, toch wordt algemeen aangenomen dat het een probleem kan zijn als je het niet langer dan twee minuten volhoudt en daar gestresseerd door raakt. Maar als zowel jij als je partner het fijn vinden dat je snel kan ejaculeren, is er toch geen enkel probleem?

 

Speelt lengte een rol?

Spitz: Lengte lijkt voor veel mannen van levensbelang. Toen ik me als uroloog aan het specialiseren was, vroegen zowat al mijn mannelijke vrienden: ‘Bestaat er een pil die de penis kan verlengen?’ En ze vroegen dat niet uit puur wetenschappelijke interesse. (lacht) U kunt zich niet voorstellen hoeveel patiënten met advertenties voor penisverlenging voor de dag komen. ‘Dokter, wat denkt u hiervan? Deugt dit middel?’ Sommige middeleeuws uitziende folterapparaten kunnen de penis na urenlange reksessies een klein beetje verlengen, maar het sop is de kool niet waard. De meeste mannen hebben trouwens een fout beeld van de ideale penislengte. De kerels die ze in pornofilms aan de slag zien, hebben allemaal een buitengewoon groot geschapen lid. Dat is ook net een van de redenen waarom die heren het tot pornoacteur geschopt hebben. De meeste gewone mannen zien in hun dagelijkse leven weinig realistisch vergelijkingsmateriaal. Sommigen douchen een keer per week na het sporten samen, en daar houdt het op. Hun foute informatie over penislengte halen ze op pornosites. Door het internet en de smartphone is porno altijd en overal beschikbaar. Dat was vroeger toch anders; ik ging bij een vriend langs die wist waar de blootblaadjes van zijn vader lagen. Wie alle dagen porno kijkt, raakt er snel verslaafd aan en wil steeds extremere beelden zien. Hardcore porno is ook à volonté voor kinderen beschikbaar. Dat kan onmogelijk gezond zijn; het zorgt voor een compleet vertekend beeld van wat seks is. De explosie van internetporno gaat niet voor niets gepaard met een opvallende verhoging van het aantal erectiestoornissen.

Als uroloog heb ik ondertussen duizenden piemels gezien. Ik weet dat de overgrote meerderheid van de stijve penissen geen twintig centimeter lang is, maar gemiddeld iets meer dan dertien centimeter, met een marge van 2 centimeter. De lengte van een slappe penis is gemiddeld negen centimeter. Uit gedegen onderzoek blijkt dat grotere mannen vaak een grotere piemel hebben, maar dat is niet altijd zo. Er zijn ook zwakke correlaties gevonden met de schoenmaat en met de relatieve grootte van de wijsvinger ten opzichte van de ringvinger. De grootste verschillen tussen penissen zie je wanneer ze slap zijn.

 

U gebruikt daar de plastische begrippen ‘bloedlul’ en ‘vleeslul’ voor.

Spitz: Die heb ik niet verzonnen, maar worden frequent gebruikt. De vleeslul ziet er in slappe conditie vrij groot uit, maar groeit niet zoveel als hij stijf wordt. Een bloedlul lijkt eerder aan de kleine kant, maar groeit stevig als hij in actie treedt. In erectie verschillen ze niet zoveel van elkaar. Ongeveer vijftig procent van de mannen gelooft dat hun partner vindt dat ze te klein geschapen zijn. Maar tachtig procent van de partners blijkt dan weer tevreden te zijn over de lengte van meneers jongeheer. Mannen hebben dus niet alleen een vertekend beeld van hoe een normale penis eruitziet, maar schatten ook de verwachting van hun partners verkeerd in. De vagina is gemiddeld 9,6 centimeter diep, met een marge van anderhalve centimeter. Het maakt dus eigenlijk niet zoveel uit of je als man een paal van 20 of 10 centimeter hebt. Mannen moeten dringend meer met hun partners praten over hoe ze het liefdesspel ervaren.

 

U schrijft dat er een rechtstreekse link is tussen ‘het grote en het kleine koppie’.

Spitz: Veel complexe neurologische en neuro-chemische processen moeten gecoördineerd samenwerken om de erectie en ejaculatie mogelijk te maken. Als die processen verstoord raken, blijft er enkel slapte over. Er zijn triggers in je hersenen die seksueel verlangen in gang zetten en triggers die het blokkeren. Maar ook je testosteronspiegel speelt een rol. De belangrijkste chemische stof in je hersenen die invloed op je erecties heeft, is adrenaline. Je maakt adrenaline aan op stressmomenten. Het helpt je een aanval te doorstaan. Adrenaline opent de bloedvaten naar je longen, hart, lever en spieren, zodat je klaar bent om te vechten of te vluchten. De stof trekt je bloed vanuit je uiteinden van je lichaam naar het centrum. Op momenten van stress zit er dus minder bloed in je armen en benen. Bij een aanval met een mes of een bijl, of na een beet van een dier, zal je zo niet te veel bloed via je uiteinden verliezen. Adrenaline houdt bij stress het bloed bij de vitale organen. Vervelend bijverschijnsel is dat ook de bloedtoevoer naar je penis wordt afgesloten.

 

Stress is nefast voor de seksuele feestvreugde?

Spitz: Ja. Stress en adrenaline helpen ons moeilijke omstandigheden te overleven. Alleen krijgen we in deze moderne wereld stress van zaken die niet levensbedreigend zijn. Ons lichaam reageert dan alsof een grizzly ons in de pan wil hakken. Als journalist hebt u waarschijnlijk last van stress omdat u deadlines moet halen. Op die momenten zorgt de adrenaline ervoor dat het bloed uit uw penis gezogen wordt, recht naar uw vitale organen. U zal dan geen erectie kunnen krijgen of uw erectie zal er snel de brui aan geven.

Een man is aan het vrijen, maar wordt afgeleid door iets banaals waardoor hij zijn erectie verliest. De kans is reëel dat hij vanaf dat moment erectiestoornissen ontwikkelt. Want de eerstvolgende keer dat hij van bil wil gaan, zoemt in zijn achterhoofd de gedachte: ‘Wat als het me weer overkomt?’ Die gedachte alleen al zorgt voor stress en zet de aanmaak van adrenaline in werking. De rest kan u wel raden. Na een paar mislukte vrijages raakt onze arme man gevangen in een vicieuze cirkel.

 

En moet hij in therapie?

Spitz: Voor veel mannen met een erectieprobleem als gevolg van stress, is therapie bij een in seks gespecialiseerde psycholoog de beste oplossing. Maar vaak moet ik vaststellen dat die drempel voor veel patiënten te hoog ligt. Ik vind dat jammer, want eens die gedachte ‘dat het zal misgaan’ diep in je brein ingeplant is, krijg je ze er moeilijk weer uit. Integendeel, ze wordt alleen maar krachtiger.

 

Hoe houden mannen hun penis gezond?

Spitz: De basis van alles is de manier waarop de penis werkt: de bloedtoevoer zorgt ervoor dat hij gaat zwellen en dat wij een stevige erectie krijgen. Een gezonde bloedsomloop zorgt voor een gezonde penis. Vanuit de wetenschap weten we dat de sleutel tot een goede bloedsomloop stikstofmonoxide is, in de scheikunde NO gedoopt, of stikstof en zuurstof. Die moleculen zetten de slagaders naar de penis wijd open en voeden en versterken de bloedvaten. NO wordt aangemaakt uit gezonde voeding en afgebroken door ongezonde voeding. Als je een gezonde penis wil, let je op je voeding en eet je best plantaardig of veganistisch. Voedsel op basis van planten dat niet geraffineerd is: groenten, fruit, noten, bonen en volkorenproducten. Vermijd alles wat in blik of plastic verpakt is.

 

Hipsters hebben dus de gezondste penissen?

Spitz: Vermoedelijk. (lacht) Ik hoor sommige lezers van uw blad nu roepen: ‘Ik ken een viriele negentiger die alle dagen whisky drinkt, sigaren rookt en biefstuk eet.’ Beste lezers, die man is een uitzondering. Twintigers of dertigers die graag hun stevige erecties willen behouden, schakelen zo snel mogelijk over op het veganisme. Net als een zeventiger die nog lang van zijn erecties wil blijven genieten. Dit advies heeft niets te maken met ideologie, maar alles met wetenschappelijk onderzoek. Als het je niet lukt om honderd procent veganistisch te eten, is negentig procent ook goed.

 

Bent u full blown veganist?

Spitz: Nee, ik zit aan negentig procent. Ik ben veganist omdat ik gezond wil blijven, maar het veganisme heeft als groot bijkomend voordeel dat het ook ecologisch verantwoord is. Nog belangrijk voor een gezonde penis is voldoende sporten. Want ook bewegen is essentieel voor een goede bloedcirculatie. Net als voldoende slaap, iets wat te veel moderne mensen verwaarlozen.

 

In uw boek vond ik een paar recepten die de smaak van sperma zouden beïnvloeden. Zo is er het recept voor ‘ananasverrassing’: ‘Meng 200 gram blokjes ananas, 1 in stukjes gesneden kiwi en 100 gram bosbessen. Consumeer 1 uur voor de verhoopte fellatio.’ Hebt u dat zelf uitgetest?

Spitz: Mijn vrouw had geen zin in veldonderzoek. (lacht) Het zal u misschien verbazen, maar als uroloog krijg ik regelmatig de vraag: ‘Dokter, hebt u tips om mijn sperma lekker te maken?’ In de wetenschappelijke literatuur vind je daar helaas niet veel over terug. Sommige sperma-ingrediënten smaken of ruiken zelfs smerig, zoals de amines, ammoniakachtige moleculen. Ze luisteren naar namen als ‘cadaverine’, van kadaver, en ‘putrescine’, van putrefactie of ontbinding. Ik hoop dat ik toch een paar recepten gevonden heb die sperma een beetje kunnen pimpen.

 

Aaron Spitz

  • Geboren in 1966 in Miami Beach, Florida
  • Studeert in 1988 af als politicoloog en begint daarna een opleiding geneeskunde
  • Studeert in 1998 af als uroloog
  • Heeft sinds 1999 zijn eigen praktijk in de buurt van Los Angeles
  • Is sinds 2006 onderzoeksprofessor aan de Universiteit van Californië, gespecialiseerd in mannelijke vruchtbaarheid
  • Groeide vanaf 2008 uit tot ‘Amerika’s favoriete penisdokter’ dankzij het tv-programma The Doctors

 

Aaron Spitz, Het Penisboek, Thomas Rap, 336 blz., 19,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Veel kinderen zijn doodsbang van de vrijheid’

Psychiater en tachtiger Boris Cyrulnik verrichtte pionierswerk naar de verwerking van trauma’s uit de kindertijd en muntte het begrip ‘veerkracht’. ‘Mijn leven lang onderschatte ik de rol van één psychotherapeut: God.’ Om dat goed te maken, schreef hij God als therapeut.

 

Neuropsychiater Boris Cyrulnik is wereldberoemd in Frankrijk én ver daarbuiten voor zijn baanbrekend onderzoek naar traumaverwerking. In 2001 publiceerde hij zijn ultieme bestseller Les vilains petits canards, vertaald als Veerkracht. Daarin bouwde hij verder op de hechtingstheorie van de tien jaar eerder overleden Britse psychiater John Bowlby. Volgens Bowlby zijn kinderen geprogrammeerd om zich te hechten aan hun ouders of opvoeders. Als die hechting fout loopt, betalen de kinderen daar soms een levenslange prijs voor met relatieproblemen, depressie, verslaving of angst. Boris Cyrulnik introduceerde het begrip résilience of ‘veerkracht’. Op de bodem van de put ligt volgens hem de sleutel voor heling en misschien zelfs voor herstel van mislukte of onveilige hechting. Onze natuurlijke veerkracht is onze beste bondgenoot in de strijd tegen de gevolgen van vreselijke trauma’s als oorlog, incest, terreur, mishandeling of misbruik. Gespecialiseerde therapie kan daarbij helpen.

Cyrulnik putte voor zijn theorie over ‘veerkracht’ uit ervaringen die hij als psychiater had opgedaan met jeugdige delinquenten, maar ook uit wat hij zelf als kind had meegemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog. ‘Toen ik in 2010 in Congo in een opvangcentrum van Unicef kindsoldaten ontmoette, werd ik verrast door de kracht die de zwaar getraumatiseerde jongens uit hun geloof putten’, zegt hij. ‘Een jongen van een jaar of tien met ogen vol angst zei me: “Ik voel me alleen goed in de kerk.” Het instituut kerk en God leken hem veerkracht te geven. Op dat moment voelde ik de noodzaak om dat fenomeen dieper te gaan onderzoeken, met behulp van de moderne psychologie, de neurowetenschappen en de hechtingstheorie. Want ik kon niet anders dan vaststellen dat God soms een uitstekende therapeut is.’

 

Gelooft u zelf in God?

Boris Cyrulnik: Nee. Dat verrast u na lezing van mijn boek God als therapeut? (lacht) Ik heb heel lang een praktijk gehad als psychiater en kreeg soms patiënten over de vloer die gebukt gingen onder immens verdriet. Sommigen hadden een kind verloren; anderen hadden hun partner zien sterven. Zij vertelden me hoe ze zich in hun lijden gesteund voelden door hun geloof in God. Ik stond dan altijd met mijn mond vol tanden, want als neuroloog en psychiater wist ik niet wat ik daarmee moest aanvangen. Ik hoorde hen vertellen dat God hen hielp, maar ik had daar geen verklaring voor. Tijdens mijn onderzoek naar veerkracht hoorde ik soms ook van collega’s hoe zij op moeilijke momenten in hun leven houvast vonden in hun geloof in God. Dat fascineerde me, want zelf had ik als kind al geen God. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verdween mijn hele familie. Ik ben geboren in 1937 in Bordeaux. In 1944 werden mijn ouders gearresteerd en naar Auschwitz gebracht. Ze waren joods en ‘verdwenen’. De avond voor mijn moeder op transport gezet werd, had ze me bij een pleeggezin ondergebracht. Die mensen gingen me bijna meteen aangeven bij de met de nazi’s collaborerende politie. Zuid-Frankrijk werd toen gecontroleerd door het Vichy-regime. Ik was zes en een half jaar toen ikzelf door de beruchte Maurice Papon en zijn agenten gearresteerd werd. Ze vielen ’s nachts binnen en ze droegen zonnebrillen. Ik herinner me nog dat ik dacht: ‘Waarom dragen die mannen donkere brillen? Het is toch pikdonker buiten?’ Ze namen me mee en veroordeelden me bijna meteen tot de doodstraf. Ze sloten me op in een tot gevangenis vertimmerde synagoge in Bordeaux. Op een onbewaakt ogenblik kon ik me verbergen in een vals plafond en zo ook ontsnappen. Daarna leefde ik ondergedoken als ‘Jean Laborde’ bij een christelijk gezin dat joden hielp. In Frankrijk worden die mensen nu ‘Les Justes’ genoemd. Ik kon toen onmogelijk in God geloven omdat niemand me kon vertellen wie God echt is of hoe ik tot God moest bidden. Geen jood of christen kon me uitleggen waar God gebleven was op het moment dat mijn ouders vermoord werden. Na de oorlog was ik overtuigd atheïst. Wat niet wil zeggen dat ik nergens meer in geloofde. Ik geloofde in kunst, literatuur, humanisme, geneeskunde, filosofie.’

 

Een oom van mijn vrouw zat tijdens WO II in het verzet. Hij werd gearresteerd en overgebracht naar het concentratiekamp Mittelbau-Dora in Oost-Duitsland. Op het einde van de oorlog overleefde hij een dodenmars. Hij beschouwde zijn redding als een persoonlijke interventie van God. Hij is nu 94 en nog steeds diepgelovig.

Cyrulnik: Hij is geen uitzondering. Meer mensen die de kampen overleefden, kwamen zo dichter bij God. Maar het tegengestelde is ook waar: velen namen toen afscheid van God. Na Auschwitz zeiden sommigen: ‘Het is voortaan onmogelijk om nog in God te geloven. Als hij echt zou bestaan, had hij die verschrikking verhinderd.’ Er zijn ook verhalen van mensen die Auschwitz niet overleefd hebben, maar die er toch God vonden als troost. Voor hen was het een manier om te verwerken wat hen werd aangedaan. De overlevenden van de kampen die God als beschermer zagen, zoals de oom van uw vrouw, zijn blijven geloven.

 

U schrijft dat het godsbeeld van mensen bepaald wordt door hoe ze als baby hun ouders over God hoorden praten.

Cyrulnik: Ons geheugen zit vol herinneringen. De aard van die herinneringen wordt bepaald door onze allereerste interacties met andere mensen en door wat voor jeugd we gehad hebben. Kent u de verhalen van Gargantua en Pantagruel van de 16e-eeuwse grootmeester François Rabelais? Hij was naast schrijver net als ik ook arts in het zuiden van Frankrijk. Zijn geesteskind Gargantua begon meteen na zijn geboorte te spreken. Zijn eerste woorden waren: ‘Wijn, wijn! Ik wil wijn drinken!’ (lacht) Gargantua is een literair verzinsel en er is geen enkel kind dat voor zijn twintigste levensmaand een zinnig woord zal zeggen. Maar een baby hoort zijn moeder in die allereerste levensmaanden wel praten over haar God. Zij presenteert haar godsbeeld aan haar pasgeborene. Later zal dat kind in de God van zijn moeder geloven. In God geloven, is dus eigenlijk ook een manier van affectie delen met elkaar.

Als ik het over ‘God’ heb, gaat het niet over de christelijke, joodse of islamitische religie. Want de voorbije decennia hebben veel mensen in het westen de religie de deur gewezen, maar niet de spiritualiteit of het transcendente. Religie en spiritualiteit zijn niet hetzelfde. Spiritualiteit is universeel, terwijl religie cultureel bepaald is.

 

Wie niet in God gelooft, kan spiritueel zijn?

Cyrulnik: Zonder twijfel. Een mens heeft geen nood aan een instituut om toegang te hebben tot een vorm van spiritualiteit. Maar als je een religieus gelovig mens bent, heb je wel een kerk, synagoge of moskee nodig om anderen te ontmoeten en te bidden tot jouw God. Religies zijn producten van culturen en spiritualiteit zit in elke mens, ongeacht tot welke cultuur hij behoort. Spiritualiteit is het overstijgen van de werkelijkheid, in de richting van het ‘goddelijke’.

 

Er zit dus ook spiritualiteit in atheïsten?

Cyrulnik: Maar natuurlijk. Atheïsten die ervan overtuigd zijn dat er geen greintje spiritualiteit in hen zit, vergissen zich. Volgens mij is het trouwens onmogelijk om in niets te geloven. Ook atheïsten hebben een geloof: het geloof dat God niet bestaat. Dus ook atheïstische moeders en vaders delen met hun kind hun spiritualiteit. Alleen is God dan vervangen door muziek, kunst, literatuur of grote humanistische waarden. Voor transcendentie of het overstijgen van het aardse heb je de figuur van God niet per se nodig.

 

Dat is dan een vorm van religieus atheïsme: God bestaat niet, maar toch overstijgt de werkelijkheid ons en is niet alles zinloos?

Cyrulnik: Precies. Het belangrijkste is dat door die spirituele link met de ouders de interne wereld van het kind gevoed wordt, lang voor het zijn eerste woordjes brabbelt. Een kind ontwikkelt altijd in een context, in een structuur en neemt gebeurtenissen waar. Dankzij moeders verhalen over God of het spirituele zal het kind zodra het begint te spreken, ook in staat zijn om een wereld te voelen die niet waarneembaar is. Baby’s ontwikkelen zich in de gevoelsomgeving die hun ouders voor hen creëren. Geen enkele pasgeborene gelooft in God. Maar de manier waarop een kind van God zal houden, hangt af van de hechting die hij van huis uit meekreeg. Als zijn ouders op een vriendelijke, beschermende manier over God praten, zal het kind God zien als iemand die veiligheid en zekerheid biedt. Maar als vader en moeder enkel over een streng en straffend opperwezen vertellen, wordt het kind bang van God.

 

Veel mensen hebben geen boodschap aan God of spiritualiteit. Zij zijn vooral geïnteresseerd in het materiële en vertellen hun pasgeborenen geen spirituele verhalen.

Cyrulnik: Dat is heel jammer, want het materiële, geld of consumptie hebben geen moraliteit of ethiek. God wel: Hij schrijft voor hoe we moeten samenleven. Die goddelijke moraliteit of ethos hangt af van de cultuur waaruit de figuur van God stamt. De regels van God geven meteen ook structuur aan de samenleving. In sommige culturen kan je de maatschappelijke ethos samenvatten als leven voor God en niet voor het goud.

 

Voor de gezonde evolutie van een kind in de samenleving is de hechting aan God of spiritualiteit even belangrijk als de hechting aan de ouders?

Cyrulnik: De hechting aan God is net als de hechting aan een vader. U kent de katholieke gebedsregel misschien nog: ‘Onze Vader die in de hemelen zijt.’ God wordt vaak geportretteerd als een oude man met een lange grijze baard. Religies leren aan kinderen dat ze God even graag moeten zien als hun ouders. Soms wordt hij voorgesteld als streng en bestraffend en soms als vredevol en vergevingsgezind, als een echte vaderfiguur.

 

Sommige kinderen worden door hun ouders mishandeld of misbruikt. God als vader is daar ook toe in staat?

Cyrulnik: Als je als kind door je ouders mishandeld of misbruikt werd, draag je daar soms de rest van je leven de gevolgen van. Wanneer ouders dan op een bepaald moment tegenover jou erkennen dat ze fouten gemaakt hebben, kan dat de start zijn van een verbeterde relatie. Iets gelijkaardigs geldt inderdaad ook in onze verhouding met God. Als je als kind geconfronteerd werd met een bestraffende, strenge, harteloze God, is de kans groot dat je op een dag met slaande deuren afscheid van hem neemt. Je zweert God af en wordt bijvoorbeeld strijdend atheïst. Maar van zodra je in je leven met pijn, lijden en angst geconfronteerd wordt, is de kans niet gering dat je je toch tot God zal richten.

De Frans-Belgische schrijver Éric-Emmanuel Schmitt verdwaalde eind jaren tachtig tijdens een wandeltocht in de Sahara. Hij moest er in zijn eentje overnachten, zonder voedsel of water. Hij dacht dat hij ging sterven, en kreeg die nacht een religieuze ervaring. Hij voelde extatisch geluk en noemde dat ‘God’. ‘s Anderendaags werd hij gered, en hij ging voortaan als een gelovig mens door het leven. Een vriend van mij is een verwoed zeiler. Hij geloofde niet, maar betrapte zich erop dat hij tijdens een zeer zware storm op zee tot God begon te bidden. Hij was ervan overtuigd dat hij de storm niet zou overleven. Hij voelde zich enorm schuldig, want hij had iemand overtuigd om samen met hem te gaan zeilen, terwijl er slecht weer in de lucht hing. Tijdens die storm ging hij door de knieën en bad tot God. Vandaag gelooft hij nog steeds.

Momenten van gevaar en grote ongerustheid triggeren onze nood aan God. Maar op momenten van vrede, welvaart en welzijn zetten we God makkelijk aan de kant. In Canada waren God en de kerk generaties lang ontzettend belangrijk. Het geloof bepaalde er de ordening van de samenleving. In amper één generatie is dat zo goed als verdwenen. De verklaring daarvoor is volgens mij dat de staat er de rol van God heeft overgenomen. De Canadese overheid voorziet nu in alles wat een kind nodig heeft: school, bescherming en veiligheid. God heeft er steeds minder in de pap te brokkelen. Wij trekken allemaal een beetje op Canada. Hoe minder miserie we in ons leven hebben en hoe beter het ons vergaat, hoe minder behoefte we hebben aan God. Maar de dag dat we een geliefde verliezen of ons leven aan een zijden draadje hangt, richten we ons, al dan niet ver van de schijnwerpers, met onze smeekbeden naar boven. Veel ongelovigen laten zich nog steeds begraven in een kerk. Dat is omdat we als mens nood hebben aan de troost van dat soort van rituelen. Op zo’n momenten wordt God onze therapeut.

 

God en rituelen zijn belangrijk voor onze psychische gezondheid?

Cyrulnik: Jazeker. Rituelen geven structuur aan ons bestaan en op het moment dat de staat God vervangt, verliezen we een flink pak van die rituelen die onze bakens waren. Dat verlies van God impliceert ook een verlies aan waarden, ethiek en moraliteit. Dat is problematisch, want hoe meer we ons hechten aan het materiële, hoe egoïstischer we worden. Wanneer God uit onze samenleving verdwijnt, vergeten we hoe we moeten samenleven met andere mensen. Een kind leert dan niet langer om rekening te houden met anderen en empathie wordt selectiever.

 

Maar een opvoeding met God kan toch ook tot onvoorstelbare gruwel leiden? Denk maar aan de kinderen van de Islamitische Staat.

Cyrulnik: Van zodra een geloofsgemeenschap zich afsluit van de rest van de wereld, wordt het extreem gevaarlijk. In een sekte is er enkel nog empathie voor de andere sekteleden. De buitenwereld is de vijand en moét bestreden worden, of op zijn minst genegeerd. Enkel de eigen God telt en alle andere goden zijn des duivels. Kijk, de essentie is: we hebben allemaal behoefte aan onze God, maar we moeten ons er altijd goed bewust van zijn dat er nog andere goden bestaan die minstens evenveel recht van spreken hebben. Vandaag zijn er op aarde 35.000 verschillende goden. Ze zijn stuk voor stuk nuttig voor alle mensen die erin geloven, net zoals onze God nuttig en noodzakelijk is voor ons.

 

Veel jonge mensen nemen op een bepaald moment afscheid van de God van hun ouders.

Cyrulnik: Dat gold misschien voor uw generatie, maar ik merk dat kinderen vandaag naar de schaapsstal terugkeren. Net nu God door de staat compleet verdrongen lijkt te zijn, keren heel wat jonge mensen terug naar de God van hun voorouders. Ik zie die evolutie iets minder bij christenen, maar vooral bij moslims en joden. Steeds meer jonge moslims hullen zich in kledij die de eerste volgelingen van de profeet Mohammed gedragen zouden hebben. Er worden zelfs bizarre zwempakken ontworpen én gedragen die in Arabische landen verboden zijn omdat ze in strijd zouden zijn met de islam. Tot voor een paar jaar kwam je op straat nauwelijks joden met een keppeltje tegen, nu zie ik overal jonge mannen met een keppeltje op. Piepjonge joden keren terug naar de godsdienst van oma en opa. Ze gaan langs bij de rabbijn en vragen hoe ze moeten bidden en geloven. Hun geseculariseerde ouders staan daar met open monden naar te kijken. Mama en papa gingen indertijd samenwonen of trouwden enkel op het gemeentehuis, maar zoon- en dochterlief vragen aan de rabbijn advies over hoe ze best moeten huwen. De ouders moesten zichzelf vrijvechten, weg van onder wat zij ervaarden als het juk van het geloof en de geestelijkheid. Vol verbazing kijken ze nu naar hun kinderen die afstand nemen van die vrijheid, zich onderwerpen aan de rabbijn en terugkeren naar wat zij ooit als verstikkende regels ervoeren. Het gaat heel ver, hoor. Veel jonge joden zien het huwelijk niet langer als een bezegeling van de liefde tussen twee mensen, maar als een manier om onder toezicht van de rabbijn de samenleving in te richten.

 

Die jonge generatie bouwt vol overgave aan de restauratie van een door God gedomineerde conservatieve samenleving?

Cyrulnik: Ja, zonder twijfel. Dat vindt nu toch onder onze ogen plaats? Westerse samenlevingen beleven een terugkeer naar conservatieve waarden. Daar is ook een verklaring voor: veel kinderen zijn doodsbang van de vrijheid waarin ze geboren zijn. Ze hebben nood aan houvast en structuur en vluchten daarom in de armen van een autoritaire God. Te veel vrijheid voor kinderen levert alleen maar angst en onzekerheid op. Ze hebben nood aan een duidelijk opvoedkundig pad. Praat met leerkrachten op lagere en secundaire scholen en zij zullen u vertellen dat steeds meer jongens en meisjes worstelen met problemen die het gevolg zijn van een gebrek aan structuur in gezin en samenleving. Ze hunkeren naar autoriteit, want dat kalmeert hen en biedt zekerheid.

 

 

Boris Cyrulnik, God als therapeut, Lannoo, 272 blz., 24,99 euro

 

 

 

Boris Cyrulnik

  • Geboren in 1937 in Bordeaux
  • Studeerde in de jaren zestig geneeskunde en psychiatrie aan de Faculté de médecine de Paris
  • Is als neuropsychiater verbonden aan de universiteit van Toulon
  • Schreef verschillende populair-wetenschappelijke boeken over psychologie
  • Introduceerde in 2001 voor het grote publiek de theorie over résilience of veerkracht
  • Richtte in 2013 L’Institut Petite Enfance op voor opleiding van hulpverleners en onderzoek naar de vroege kinderjaren

 

(c) Jan Stevens