‘Elon Musk moet van Mars afblijven’

Onder leiding van professor Veronique Dehant vliegt België samen met de NASA en de ESA op verkenning naar Mars. ‘We willen weten waarom die ooit levende planeet nu zo dood als een pier is. Zo leren we misschien ook iets bij over de evolutie van de aarde.’

 

In 1993 stapte de briljante jonge astro- en geofysicus Veronique Dehant voor het eerst de imposante gebouwen van de Koninklijke Belgische Sterrenwacht (KBS) in Ukkel binnen. Vandaag leidt ze er de dienst ‘Referentiesystemen en planetologie’ en geldt ze wereldwijd onder vakbroeders als een autoriteit in de studie van de rotatie van de aarde. Aan de UCL doceert ze astronomie en geofysica en leidt ze het Center for Space Radiations. Op zaterdag 5 mei woonde ze op de luchtmachtbasis Vandenberg in Californië de vlekkeloze lancering bij van de NASA-ruimtesonde InSight. Als alles goed gaat, zal de InSight in november op Mars landen, om daarna twee jaar lang het inwendige van de rode planeet te onderzoeken.

‘Wij helpen op de KBS met de verwerking en de interpretatie van de gegevens’, zegt professor Dehant. ‘De kernvraag van deze missie is: waarom is er niet langer leven op Mars? Want ooit was dat wél het geval. Leven wordt pas mogelijk als er energie, voedingsstoffen en vloeibaar water beschikbaar zijn. Ooit waren die drie voorwaarden op Mars vervuld. Tussen 4,6 miljard en 3,5 miljard jaar geleden, na het ontstaan van het zonnestelsel, bulkte de planeet zelfs van het water. Op foto’s die vanuit andere ruimtetuigen gemaakt zijn, kun je heel duidelijk de sporen zien die het stromende water er achterliet, met uitgedroogde rivierbeddingen en -delta’s. Door het inwendige van de planeet te onderzoeken, hopen we inzicht te krijgen in de evolutie van terrestrische of aardachtige planeten zoals Mars, Venus, Mercurius én de aarde.’

 

Nu is de planeet Mars dood, maar miljarden jaren geleden was ze springlevend?

Veronique Dehant: Precies. En wij willen begrijpen waarom ze van levend naar dood geëvolueerd is. We zoeken antwoorden op vragen als: hoe kan een atmosfeer rond een planeet ontstaan, maar ook weer verdwijnen? Alles wat aan de oppervlakte van de planeet gebeurt, is verbonden met wat er zich binnenin afspeelt. Vandaar onze missie InSight, wat staat voor ‘Interior Exploration using Seismic Investigations, Geodesy and Heat Transport’.

 

Kan u die link tussen het inwendige en uitwendige van Mars eens heel concreet maken?

Dehant: Elke planeet die een vloeibare, stromende kern heeft, heeft ook een magnetisch veld. Onze aarde is daar een mooi voorbeeld van. Dat magnetisch veld beschermt ons tegen zonnewinden die onze atmosfeer oplossen. Zonder dat veld zou onze atmosfeer zelfs totaal kunnen verdwijnen. Onder andere dankzij de innerlijke vloeibare toestand van de kern van de aarde zitten wij hier nu dus met elkaar te praten. Onze studie van het innerlijk van Mars kan ons meer inzicht geven in de werking van de atmosfeer en het magnetische veld.

De aardkorst bestaat uit grote tektonische platen. Vlak onder de korst ligt de aardmantel. De platen en het oceaanwater bewegen in en over de mantel, oefenen zo rechtstreeks invloed uit op de werking van vulkanen en veroorzaken ook aardbevingen. Op Mars is geen platentektoniek, want de korst bestaat uit een gigantische ‘monoplaat’. Doordat er op Mars geen tektoniek is, kun je bij wijze van spreken de hele geschiedenis van ons zonnestelsel van die planeet aflezen. Op het oppervlak liggen kraters die 4,5 miljard jaar oud zijn. Door dit onderzoek zullen we dus meer te weten komen over de evolutie van aardachtige planeten en over ons zonnestelsel. Maar ook al is Mars een buurplaneet, ze verschilt toch grondig van de aarde. We kunnen dus niet zomaar aan de hand van onze bevindingen op Mars de toekomst van onze eigen planeet voorspellen.

 

De InSight wil onder andere Mars-bevingen registreren, maar zijn die eigenlijk wel mogelijk als er geen platentektoniek is?

Dehant: Dat vormt precies ook onderdeel van ons onderzoek. Waar we zeker van zijn, is dat sommige bevingen veroorzaakt worden door meteorietinslagen. De InSight heeft een seismometer die àlle mogelijke bevingen zal vastleggen. De resultaten zullen ons meer leren over de verhouding tussen de mantel en de korst. De InSight heeft nog twee andere meetinstrumenten aan boord: een boor en een radiozender en -ontvanger. Met de boringen in het Marsoppervlak meten we de temperaturen tot vijf meter diep. Zo kunnen we de warmteoverdracht van de kern naar de oppervlakte in kaart brengen. Vanop de aarde zullen we radiosignalen naar Mars sturen. De twee antennes op de InSight zullen die capteren en meteen naar ons terugsturen. Wij meten dan het dopplereffect. Dat kan ons iets leren over de beweging van Mars, net zoals het de politie bij radarcontroles iets leert over de snelheid van voorbijrijdende auto’s. (lacht)

 

Hoelang zal de Insight-missie duren?

Dehant: Minstens één Marsjaar of twee aardjaren. De aarde draait in 1 jaar tijd rond de zon en Mars doet daar twee jaar over. Wie een ruimtetuig naar Mars wil sturen, moet daar het juiste moment voor afwachten. Dat zogenaamde ideale lanceervenster is er om de twee jaar en duurt ongeveer één maand. Dit jaar hadden we de hele maand mei tijd om de InSight te lanceren. Dit is trouwens niet het eerste tuig dat naar Mars gestuurd wordt. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw vlogen verschillende sondes richting Mars. De meesten namen foto’s of onderzochten het oppervlak van de planeet. In het begin van deze eeuw zette de NASA twee zogenaamde rovers of onbemande robotwagens op Mars. De Spirit en de Opportunity stuurden beelden van de gesteenten door die ze onderweg tegenkwamen.

 

Hoe raakte u bij het Mars-onderzoek betrokken?

Dehant: Door mijn specialisatie: ik hou me bezig met het bestuderen van de rotatie van de aarde. Hebt u ooit al eens een rauw en een gekookt ei op tafel rondjes laten draaien? U zal zien dat ze verschillend roteren. De rotatie vertelt ons iets over de kern van het ei: of die vast is of vloeibaar. Hetzelfde geldt voor planeten: hun rotatie geeft veel informatie over de toestand van hun diepste kern. Is hij vast of vloeibaar?

Ikzelf droomde al lang van een missie zoals InSight. Samen met de European Space Agency (ESA) hadden we daar een tijd geleden ook plannen voor gemaakt. Maar het binnenste van Mars was toen nog niet sexy genoeg, eerst wilden ze het oppervlak bestuderen. We raakten niet aan fondsen en daarom zochten we contact met de collega’s van de NASA. Zij kregen het hele InSight- project wel rond.

 

Wetenschappelijk ruimteonderzoek moet dus sexy zijn of het raakt moeilijk gefinancierd?

Dehant: Het helpt als er ruimere belangstelling is. Een paar jaar geleden was het wereldnieuws toen de NASA sporen van vloeibaar water op Mars gevonden meende te hebben. Later viel die vondst lelijk tegen, toen het zogenaamde stromende water droog zand bleek te zijn. Het grote publiek wou ook zo graag dát er water op Mars gevonden werd. ‘Waar is het water?’ Het motto van het Mars Exploration Program van NASA begin deze eeuw was: ‘Follow the water’. Want water op het oppervlak betekende bijna automatisch: leven. Tot hiertoe is dat leven nog niet gevonden. Integendeel: het besef groeit dat Mars zo dood als een pier is. Wat niet wil zeggen dat er helemaal geen vloeibaar water te vinden zou zijn. Dat blijft nog steeds mogelijk.

 

En microscopisch kleine levende organismen?

Dehant: Ik denk het niet. De ExoMars-missie van de ESA zal in 2020 een rover op Mars brengen die met boringen in het oppervlak op zoek zal gaan naar fossielen, overblijfselen van vroeger leven. Ooit was er veel water; de kans is reëel dat er dan leven was. Wij werken ook mee aan die ExoMars-missie. Samen met het ruimtebedrijf AntwerpSpace bouwen we nu het instrument LaRa, Lander Radioscience, een zender en ontvanger waarmee we vanaf 2020 hier op de Koninklijke Sterrenwacht de rotatie van Mars zullen kunnen bestuderen. We hebben daar pas alle officiële documenten voor in orde gemaakt, samen met onze partners van het Russische ruimtevaartagentschap Roscosmos.

 

In het heelal is de koude oorlog dus definitief voorbij en gelden er geen sancties tegen het beleid van Vladimir Poetin?

Dehant: De Russische wetenschappers met wie ik rechtstreeks contact heb, zijn heel aardige mensen. We praten niet over politiek: ze willen alleen maar met hun wetenschap bezig zijn. Maar het is niet altijd even makkelijk om met hen samen te werken. De ESA is voorzichtig en test op voorhand alles goed uit. Maar de Russische wetenschappers hebben een andere mentaliteit: they just go for it. Vaak halen ze hun deadlines niet en dat is soms frustrerend. De laatste Russische missie naar Mars, de lancering van het ruimtetuig Fobos-Grunt in 2011, draaide uit op een mislukking. Ik hoop dat de ESA een positieve invloed op de Russen heeft, maar zeker ben ik daar niet van. LaRa zal geïnstalleerd worden op een Russisch platform en ik pendel nu heen en weer tussen Brussel en Moskou. Er worden soms lastige discussies gevoerd. Mijn Russische collega’s van Roscosmos moeten maanden wachten op beslissingen van hogerhand. Waarom dat zo moeizaam verloopt, weet ik niet. Ze praten daar niet graag over, maar zitten er wel erg mee verveeld. Ze staan te popelen om in actie te schieten, maar kunnen niet voluit gaan omdat ze er de middelen niet voor hebben.

 

Verloopt de samenwerking met de Amerikanen van NASA ook zo moeizaam?

Dehant: Nee, dat gaat even vlot als samenwerken met de ESA. Zij hebben solide procedures en werken grondig en secuur. België is klein en kan financieel geen complete missie aan. Daarom werken wij graag onder de vleugels van de NASA of de ESA.

 

Het is belangrijk dat u ook een goede lobbyist bent?

Dehant: Niet echt, maar het helpt wel als je een goede wetenschappelijke naam hebt. Je moet een uitstekende reputatie hebben, anders kan je het schudden. ESA besliste wie welk onderdeel van ExoMars mocht leiden. De selectie verliep zeer streng. Ze hebben mijn cv grondig onder de loep genomen, net als onze plannen voor LaRa. Vervolgens moest de Belgische overheid haar zegen geven, want zij staat in voor de financiering van ons project.

 

InSight is goedgekeurd toen in Amerika Barack Obama nog aan de macht was. Het lijkt alsof de huidige president Donald Trump de erfenis van zijn voorganger zoveel mogelijk wil uitwissen. Merkt u iets van die nieuwe politieke toestand?

Dehant: Helemaal niet. Ik hoor daar ook geen verontrustende berichten over van NASA-wetenschappers. Het ruimteonderzoek zal meer dooreen geschud worden door de komst van private ondernemers.

 

Omdat privé-investeerders andere bedoelingen hebben dan overheidsinstellingen: zij willen dat hun investeringen renderen?

Dehant: Ja, maar er speelt ook nog iets anders: zij dromen van koloniseringsreizen door het heelal. Ik hou daar niet van. Kerels zoals Elon Musk moeten van mijn planeet afblijven. (lacht) Ik hou niet van al die plannen om planeten te koloniseren, inclusief de maan. Ik weet ook wel dat we ons in het verleden op onze eigen planeet als kolonisatoren gedroegen. Maar in plaats van nu op identieke wijze de ruimte te koloniseren, moeten we ze exploreren. Dat wil niet zeggen dat er in de verre toekomst nooit basissen gebouwd mogen worden waar wetenschappers onderzoek kunnen voeren. Maar Mars of de maan koloniseren en er onze vlag planten, gaat regelrecht in tegen mijn wetenschappelijke inborst. Ik wil onderzoeken en begrijpen, niet veroveren. Wij zijn altijd heel voorzichtig als we de ruimte ingaan en letten er op dat we nooit afval achterlaten. Wij willen Mars echt niet vervuilen.

 

We worstelen hier op aarde al decennialang met het probleem van het nucleaire afval. Het zou me niet verwonderen dat er ergens plannen liggen te rijpen om dat ooit naar Mars te verschepen.

Dehant: Dat afval is inderdaad een heel groot probleem waar we ooit een oplossing voor zullen moeten vinden. Maar ik hoop uit de grond van mijn hart dat het nooit gedumpt wordt op Mars. Ze moeten écht met hun fikken van mijn planeet afblijven. (lacht)

 

De Nederlandse stichting Mars One wil in 2026 vier mensen naar Mars sturen. Is dat een waanzinnig plan?

Dehant: Weet u wat ik er waanzinnig aan vind? Dat het een enkele reis is. Die mensen zullen nooit terugkeren en ik vind dat ethisch onverantwoord. Je kan toch geen mensen naar een planeet sturen, goed wetende dat ze er na een paar jaar zullen sterven?

 

Dat is toch hun eigen keuze?

Dehant: Dan nog kunnen we dat niet zomaar laten gebeuren. Kijk, het is nu al perfect mogelijk om op Mars een basis te bouwen waar mensen kunnen overleven. Alleen hebben we niet de technologie om ze te laten terugkeren. Ik heb geen bezwaar tegen een bemande ruimtereis naar Mars, op voorwaarde dat we de middelen en mogelijkheden hebben om terugvluchten te organiseren. Ik begrijp niet waarom die mensen nu willen vertrekken, in het volle besef dat ze gedoemd zijn om daar dood te gaan.

 

Als ze u als wetenschapper een reis naar Mars aanbieden, wijst u die vriendelijk af?

Dehant: Zonder twijfel, er is op dit moment geen enkele reden te verzinnen waarom ik zou gaan. We kunnen ons Mars-onderzoek door robots laten uitvoeren. Wat niet wil zeggen dat ik iets tegen ontdekkingsreizigers heb. Mijn goede vriendin Vinciane Debaille voert aan de ULB wetenschappelijk onderzoek naar het ontstaan van ons zonnestelsel. Zij is zo’n échte ontdekkingsreiziger en wil plekken verkennen waar nooit iemand eerder was. Zij wil graag de ruimte in, op voorwaarde dat ze kan terugkeren. Voor reizen naar Mars zal dat nog wel even duren. De eerste stap zal zijn dat we bodemmonsters van daar naar hier brengen. NASA en ESA hebben onlangs een akkoord gesloten om daar hun krachten rond te bundelen. De volgende stap zal dan transport van mensen zijn.

 

Is er ergens in ons zonnestelsel nog leven mogelijk?

Dehant: Ja, al zal dat leven cellulair zijn: bacteriën die de kosmische straling kunnen doorstaan. Ik denk dan aan wezentjes zoals onze beerdiertjes. Ze zijn amper 0,1 tot 0,5 mm groot en zijn bestand tegen langdurige koude, droogte en warmte. Het zijn de meest veerkrachtige levende wezens op aarde. Het enige wat ze nodig hebben, is energie, vloeibaar water en voedingsstoffen. De maan Europa van de planeet Jupiter is een interessante kandidaat voor leven in de vorm van beerdiertjes. Europa heeft een ijle atmosfeer met zuurstof en onder de korst bevindt zich vermoedelijk een oceaan die misschien in contact staat met rotsgesteente. Als die hypothese klopt, zijn er automatisch voedingsstoffen voorhanden.

 

Is het mogelijk dat er ergens in het heelal wezens leven die minstens evenveel verstand hebben als wij?

Dehant: Dat kan. Zij bevinden zich dan vermoedelijk veel te ver van ons vandaan om hen te kunnen observeren. Sinds de jaren negentig ontdekken we met de hulp van sterke telescopen steeds meer exoplaneten. Dat zijn planeten die niet rond onze zon, maar rond andere sterren draaien. Een aantal van die exoplaneten bevinden zich ten opzichte van hun ster op levensvastbare plekken. Dus ja, de kans bestaat dat er nog ergens een planeet zoals de aarde is. Maar ik focus me liever op ons zonnestelsel, want we raken toch nooit tot in die andere sterrenstelsels.

 

Zouden we het vele belastinggeld dat naar ruimtereizen zoals de InSight en ExoMars gaat niet beter investeren in wetenschappelijk onderzoek op aarde?

Dehant: Laat er geen misverstand over bestaan: we moéten investeren in onderzoek naar onze eigen planeet. Maar we moeten ook blijven investeren in ruimteonderzoek, want dat levert ons op technologisch vlak heel wat op. Wij ontwikkelen ruimtetechnologie die later misschien de basis is voor aardse toepassingen. Teflon is zo’n succesvolle spin-off van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma.

 

Is ruimtewetenschap een mannenwereld?

Dehant: De ingenieurs zijn vooral mannen. Maar onder de wetenschappers is de verhouding tussen mannen en vrouwen in evenwicht. Er zitten heel wat vrouwen in mijn team.

 

Reizen naar Mars neemt veel tijd in beslag. U bent als wetenschapper gericht op de lange termijn?

Dehant: Zeker, deze twee missies kunnen me zelfs nog overleven. (lacht) Ik heb nog zeven jaar te gaan voor ik op pensioen moet. Gelukkig heb ik jonge collega’s die uitstekend werk leveren. Die lange termijn is soms lastig. Toen ik LaRa voor het eerst voorstelde, was dat nog een heel abstract idee. Ik moest op dat moment een instrument verdedigen waar niets concreets van voorhanden was.

 

De theorie kan in de praktijk niet blijken te werken.

Dehant: Dat risico is niet zo groot omdat de theorie zowel bij NASA als bij ESA op voorhand sterk wordt doorgelicht en uitgetest. Maar op het moment dat InSight de lucht inging, hadden wij er als wetenschappers al veel tijd én stress in geïnvesteerd. Als we in 2020 ExoMars de ruimte insturen, zal de stress opnieuw door mijn lijf gieren. Eigenlijk is mislukken geen optie, want dan is alles wat we ontwikkeld hebben voor niets. Of dan moeten we van nul herbeginnen, en dat zie ik eerlijk gezegd niet meteen zitten.

 

Maar de kans op mislukking is reëel? De InSight kan bij de landing in november crashen en de ExoMars kan bij de lancering in 2020 exploderen.

Dehant: Daar moet ik rekening mee houden. De vorige ExoMars-missie dateert van mei 2016. De toen volledig nieuw ontwikkelde landingsmodule Schiaparelli crashte in oktober van datzelfde jaar bij de landing op Mars. InSight kost 450.000 dollar en is goedkoper dan de Schiaparelli. Niet omdat InSight uit minderwaardige materialen gebouwd is, maar omdat het een perfecte kopie is van de ‘oude’ sonde Phoenix. Die landde in 2008 probleemloos op Mars. Ik heb er dus goede hoop op dat de landing straks ook zal lukken en dat we champagne zullen kunnen drinken. En als het toch misgaat, drinken we champagne als troost. (lacht)

 

Veronique Dehant

  • 1959 geboren in Brussel
  • 1977-1982 studeert wiskunde en fysica aan de UCL
  • 1982-1986 doctoreert in de geofysica aan de UCL
  • Sinds 1993 wetenschappelijk onderzoeker en hoofd van de dienst ‘Referentiesystemen en planetologie’ aan de Koninklijke Belgische Sterrenwacht in Ukkel
  • Sinds 1998 professor astronomie en geofysica aan de UCL

 

(c) Jan Stevens 

Advertenties

Reder Willy Versluys verloor zeven bemanningsleden

De Oostendse reder Willy Versluys leerde de voorbije veertig jaar de dood in al zijn gedaanten kennen. ‘Zeven mensen stierven op mijn vissersboten.’ De dood van zijn machinist Bouba raakte hem midscheeps. ‘Negen maanden lang wisten we niet wat hem was overkomen. Dat stuitende gebrek aan informatie neem ik de dood erg kwalijk.’

 

Op de openingsdag van Theater aan Zee (TAZ) op 25 juli wordt door kunstenaars Eva Knibbe en Bart van de Woestijne de dood op de beklaagdenbank gezet. Om 2 uur stipt zal de voorzitter van de gelegenheidsassisenrechtbank in het vroegere Vredegerecht van Oostende de ‘Rechtszaak tegen de Dood’ voor geopend verklaren. Ex-voorzitter van de Hoge Raad voor Justitie Jean-Luc Cottyn zal er als openbare aanklager persoonlijke getuigenissen vertalen in een juridische aanklacht en Els Leenknecht treedt op als advocate van de burgerlijke partijen. Strafpleiter Walter van Steenbrugge zal als advocaat van de beklaagde zijn lugubere cliënt proberen zuiveren van alle schuld. Het lot van de dood ligt in handen van een twaalfkoppige jury van willekeurig gekozen mensen. Op 4 augustus om 11 uur vellen zij samen met de assisenvoorzitter hun arrest.

De Oostendse reder Willy Versluys zal op het proces met hart en ziel tegen de dood getuigen. Sinds begin jaren tachtig is hij actief in de zeevisserij. ‘Ik maakte verschillende ongevallen aan boord mee’, zegt hij. ‘In het prille begin van mijn carrière verloor ik een schip. Gelukkig werden toen alle bemanningsleden door de beroemde Sea King-helikopter gered. Maar in de jaren erna stierven er wel mensen op mijn schepen. De ene door een hartaanval, de andere door een ongeval in de machinekamer, nog iemand anders door een stom ongeluk op het dek. Zeevisserij is een van de zwaarste en gevaarlijkste beroepen. Maar als reder stond ik daar niet altijd bij stil. Zeker niet als het noodlot bij een andere rederij toesloeg. De voorbije decennia lieten zeven mensen het leven op het moment dat ze voor mij aan het werk waren. Zoiets kruipt niet in je kouwe kleren.’

 

De dood is een buur geworden?

Willy Versluys: Ja, en ik ben me er ook heel goed van bewust dat hij onvermijdelijk is. Er is geen leven mogelijk zonder dood. Ik ben daarmee verzoend. Maar wat ik onverdraaglijk vind, is een geliefde die sterft zonder dat de nabestaanden weten wat hem of haar overkomen is. Daarom ook getuig ik op 25 juli vol overtuiging tegen de dood.

In de nacht van 27 op 28 december 2016 kapseisde voor de kust van Engeland mijn schip Zeebrugge 582 Asannat, Oostends voor ‘altijd nat’. Van de drie opvarenden kon enkel bemanningslid Johny Ronsijn zich redden door op de romp te klauteren. De twee anderen, kapitein Eric Maeckelbergh en machinist Omar Fall Diaw Babacar, verdronken. Vooral de dood van Bouba, want zo noemden we Omar, heeft me vreselijk dooreen geschud. Hij was van Mauritiaanse afkomst maar had de Spaanse nationaliteit en was al een paar jaar bij mij in dienst. Op een dag stond hij in mijn kantoor, hij wilde dolgraag werken en ik zag wel iets in hem. Hij had voor ‘machinist alle vermogens’ gestudeerd in Spanje. Voortaan zou er een pikzwarte Afrikaan meevaren aan boord van een van mijn schepen. Voor de Vlaamse visserij was dat revolutionair. (lacht) Ik heb Bouba leren fietsen en hem getoond waar hij naar de moskee kon. Hij was een moslim met een open geest. Iedereen op de kaai zag hem graag. Hij was veertig en had mijn zoon kunnen zijn. We werden vrienden en vertelden elkaar alles. Zijn vader had drie vrouwen en hij was de zoon van de tweede vrouw. Hij stuurde geld naar zijn moeder. Zijn grote droom was om genoeg geld te kunnen sparen om later thuis in Mauritanië een eigen bedrijfje op te starten. Vlak na kerst 2016 vroeg ik Bouba of hij een nachtje wou invallen voor de vaste machinist van de Asannat die geveld was door rugpijn. ‘Eén nacht? Geen probleem.’ Hij had plannen om na nieuwjaar een maand lang bij zijn familie op bezoek te gaan.

Die dinsdag, 27 december 2016, vertrok het schip in de namiddag. Normaal zou het ‘s anderendaags in de voormiddag terugkeren, ze bleven maar twaalf uur weg. ’s Woensdagsmorgens kreeg ik om negen uur telefoon van een schipper. Hij vroeg: ‘Is er iets aan de hand met de Asannat? Er ligt een politieboot in zijn buurt.’ Mijn eerste reactie was: ‘Verdorie, ze zullen in overtreding zijn. Hun netten zijn niet in orde of ze hebben zich niet aan de limieten gehouden.’ Ik belde naar Maurice, een vriend van kapitein Eric. Hij zei: ‘We hadden vannacht nog contact. De vangst was goed en hij zou vandaag om elf uur binnen moeten zijn.’ Maar ik had een slecht gevoel en belde de kustreddingsdienst. Toen hoorde ik dat de Asannat gekapseisd was en dat er reddingsboten en een helikopter onderweg waren.

 

Wat was er gebeurd?

Versluys: Tot vandaag weten we dat niet. Het was goed weer, de netten waren omhoog, de schroeven lagen stil en toch is het schip in een fractie van een seconde gekapseisd. Er is geen kabel gebroken en er was geen ander vaartuig in de buurt. Er is ook geen signaal voor hulp uitgezonden. Er volgden onderzoeken van het parket, van verzekeringsfirma’s, van alle mogelijke instanties. De conclusie luidt: we weten niet wat deze scheepsramp veroorzaakt heeft. In het rapport van de nautische commissie stond wel dat de Asannat stabiliteit verloren had. Net daarom is de boot gekapseisd. Ze hebben zelfs onderzocht of hij een duw van een onderzeeër gekregen zou kunnen hebben. Johny, de overlevende visser, getuigde dat hij een klap hoorde en net op tijd overboord kon springen. Hij moest eerst een tijdje zwemmen voor hij via de schroef op de romp kon klauteren. Zes uur zat hij daar, kletsnat in de winterse vrieskou. De bemanning van een voorbijvarend schip merkte hem op. Ze haalden kapitein Eric Maeckelbergh uit het water en probeerden hem te reanimeren. Maar na zes uur in de ijskoude zee kwam alle hulp te laat. Van Bouba vonden ze geen spoor. Diezelfde week nog werd de Asannat geborgen en teruggebracht naar Oostende. Toen begonnen de vragen pas goed te spoken in mijn hoofd. Wat zou er gebeurd zijn met onze Bouba, die sterke kerel? Heeft hij een slag van iets moeten incasseren, zodat hij bewusteloos was en niet kon zwemmen? Een maand later werd ik gebeld door een journalist van een lokale omroep uit het Nederlandse Zeeland. Een vrouw had daar op het strand een plank gevonden met ‘Asannat’ op. Ze had die naam gegoogeld en las zo over de schipbreuk. Ik heb dat plankje bij haar opgehaald. Maar zo hadden we Bouba nog niet terug. De vraag wat er met hem gebeurd was, bleef maandenlang knagen. Ook voor zijn familie in Mauritanië was dat moeilijk om dragen. Tot we in september van vorig jaar bericht kregen dat hij aangespoeld was aan de kust van Engeland. Ze konden hem identificeren aan de hand van een halskettinkje. Waarschijnlijk is hij negen maanden lang tussen de zeeoppervlakte en de -bodem blijven dobberen.

Ik weet dat Bouba’s dood het gevolg is van een kapseizend schip. Maar het is als bij een dodelijk verkeersongeluk waarbij een auto van rijstrook verandert en een tegenligger ramt. Iedereen blijft zich dan afvragen: ‘Waarom week hij van de weg af?’ Enkel wanneer je weet wat er precies gebeurd is, kun je het beginnen verwerken. Anders blijft het knagen.

 

Hebt u toen Bouba nog leefde ooit met hem over de dood gesproken?

Versluys: Ja. Hij vond dat iets beangstigends. Ik begrijp dat wel, want hij was nog jong. Als het een troost kan zijn: hoe ouder je wordt, hoe minder angstwekkend het vooruitzicht te sterven, wordt. Als ik hier nu een hartaanval krijg, zit u met de miserie maar ben ik er vanaf. (lacht) Mij zou dat niet veel kunnen schelen, want ik ben toch niet gelovig. De dood is het definitieve einde voor mij en ik aanvaard dat. Maar wat ik de dood kwalijk neem, is dat ik negen maanden lang moest wachten op nieuws over Bouba. Hij geloofde wel in het hiernamaals. Hij lag overdag niet op een matje te bidden, maar deed wel mee met de ramadan. Af en toe bezocht hij de moskee, hij dronk geen druppel alcohol en at geen varkensvlees. Hij wist dat ik vrijzinnig ben en kende mijn ideeën over God en het leven na de dood. Ik ben het eens met Marx’ uitspraak dat godsdienst opium is van het volk. Bouba geloofde in God en deed geen vlieg kwaad. Waarom moest zijn familie dan negen maanden lang in die vreselijke onzekerheid blijven leven? Waarom?

 

Wie gaat varen en beroepsvisser wordt, weet natuurlijk dat hij meer risico loopt op een zeemansgraf dan wie aan wal blijft.

Versluys: Dat is zo. Maar tegenwoordig kun je je aan boord vrij goed tegen zowat alle risico’s beschermen. Ongevallen op zee zijn vaak een gevolg van de routine. Door altijd hetzelfde te doen, word je te nonchalant. Je ziet het gevaar niet meer, terwijl het om elke hoek loert. Een rondslingerende katrol, netten waar je in kan blijven haken… Er gaan genoeg verhalen rond van vissers die overboord sloegen en gelukkig weer aan boord gehesen konden worden. Of van mensen die overboord sprongen. Dat heb ik ook meegemaakt.

 

Een bemanningslid dat zelfmoord pleegt?

Versluys: Ja. Twee jaar geleden kreeg een jonge kerel op een van mijn boten een berichtje van zijn lief dat ze het uitmaakte. Die jongen stak dat in zijn hoofd en sprong overboord. Aan land hadden ze hem misschien op tijd kunnen helpen, of was hij een robbertje gaan vechten om zijn frustraties kwijt te raken. Maar neen, hij was op zee en sprong overboord op een onbewaakt moment, met zijn laarzen aan. Hij was een vogel voor de kat.

 

Voor zijn collega’s moet dat afschuwelijk geweest zijn?

Versluys: Zeker. Aan boord leef je dag en nacht samen met vier tot zes andere mensen. Je bent op elkaar ingesteld en plotseling verdwijnt die ene. Soms gaan jongens overboord zonder dat iemand iets in de gaten heeft. Op een keer zagen mijn vissers pas dat een van hun makkers verdwenen was toen ze de haven van Oostende binnenvoeren. Die jongen spoelde een paar weken later aan op het strand van Wenduine. Een van mijn werknemers is ooit geëlektrocuteerd in de machinekamer. Hij moest de spanning controleren. Hij was dat zodanig gewend dat hij ervan overtuigd was dat hem niets kon overkomen. Hij stond met zijn voeten in het water, kwam in aanraking met de elektrische stroom en: boem! De mannen boven aan dek hadden niets in de gaten. Een paar uur later vonden ze zijn lichaam.

Nu hebben alle schepen een defibrillator aan boord, maar een paar jaar geleden was dat een uitzondering. Een van mijn matrozen kreeg een hartaanval, zijn collega’s probeerden hem te reanimeren en de helikopter werd opgeroepen, maar alle hulp kwam te laat.

Een van onze schepen lag aan wal in Engeland. Een jonge matroos ging van boord. Er lag een treinspoor zoals in vele havens. Maar een Engels spoor is verraderlijk: de elektriciteit wordt er geleid via de sporen. Er stond een groot waarschuwingsbord: ‘Verboden het spoor over te steken.’ Die jongen trok er zich niets van aan, struikelde, viel, strekte zijn armen uit, raakte zo de twee sporen en het was gedaan. Ik mocht dat aan zijn ouders gaan vertellen.

Al die vreselijke ongelukken kon ik nog plaatsen, omdat ik telkens wist wat er gebeurd was. Maar de dood van Bouba, een echte vriend die zolang onvindbaar was, destabiliseerde me en zette me aan het piekeren.

 

Over de oneerlijkheid van het leven?

Versluys: Precies. Een mens moet geluk hebben in welk bed hij geboren wordt. Sommigen kunnen dat geluk later een handje helpen, maar velen hebben er niets over te zeggen. Je wieg moet maar in Syrië staan. Tegenwoordig verkondigt zowat iedereen: ‘carpe diem’, pluk de dag. Maar straks rinkelt mijn telefoon misschien opnieuw: ‘Patron, we hebben een probleempje.’ Moet ik dan zeggen: ‘Jongens, laat me even met rust, ik zit in mijn carpe diem-periode, profiteer ook een beetje van het leven.’ Dat kan toch niet?

 

U bent zeventig, u kan toch stoppen met de rederij?

Versluys: Als ik alles verkoop kan ik rustig gaan leven. Maar de rederij is een van mijn passies. Ik kan wel eens één dag plukken, maar alle dagen? Krantje lezen, kop koffie drinken op het terras, een reisje naar hier, een reisje naar daar. Dat vult mijn leven niet. De rederij wel, net als de aquacultuur: mosselen, zeewier en oesters kweken. Ik ben ook bezig met het opzetten van een nieuwe fish and food market in Oostende. Dàn voel ik pas dat ik leef.

De Asannat was totaal verloren. De nabestaanden van de slachtoffers zijn via de arbeidsongevallenverzekering netjes vergoed. Ik had toen de handdoek in de ring kunnen gooien, maar ik kon dat niet over mijn hart krijgen. Want alle andere bemanningsleden die ook met dat schip voeren, zaten thuis. Ik heb toen besloten om de Asannat te vervangen door een nieuwe vissersboot. We behielden het nummer, maar Zeebrugge werd Oostende: de Oostende 582. Bouba begroette iedereen op de kaai altijd met: ‘Hombre!’ Daarom doopte ik het nieuwe schip: ‘Hombre’. Telkens wanneer iemand op de kaai de Hombre ziet, denkt hij spontaan aan Bouba. Iedereen had hem graag. Hij was superhandig en een vat vol kennis. Als er ergens een probleem met een schip was, vroeg ik: ‘Bouba, wil je daar eens naar kijken?’ Eind 2016 viel hij weg en ik betrapte mezelf erop dat ik me zorgen maakte over wie zijn plaats als technicus moest innemen. Ik schrok van mijn zelfmedelijden en heb dat van me afgeschud.

Tijdens de inrichting van de Hombre stapte ik naar de beveiligingsspecialisten. Ik zei: ‘Ik wil alles dubbel. Ik wil niet meer dat er iets niet werkt. Neem alle mogelijke veiligheidsmaatregelen, ook de niet verplichte. Voortaan ben ik niet langer tevreden met het hoogstnodige. Er wordt niet meer op veiligheid beknibbeld. Werkt iets niet goed? Weg ermee en vervang het. Het moet gedaan zijn met: het zal waarschijnlijk nog wel even meegaan. Dat wil ik nooit meer.’ Zo krijgt Bouba’s dood misschien toch een beetje zin. Ik was er vroeger al van overtuigd dat er best niet op veiligheid beknibbeld werd; nu overweeg ik het zelfs niet meer.

 

Vroeger dus wel?

Versluys: Ja. ‘Het zal nog wel een reisje mee gaan. Wat denk jij? Lukt het nog? Kom, we proberen het nog een keer.’ Dat is voltooid verleden tijd, want een mensenleven is onbetaalbaar. Als de dood zou zeggen: ‘Leg 500.000 euro op tafel en je krijgt Bouba terug’, lég ik ze op tafel. Dan verkoop ik mijn bezittingen tot ik dat bedrag bijeen gescharreld heb. Geld verdwijnt in het niets als je iemand kwijt bent die je graag ziet. Vriendschap is het allerhoogste goed. Weet u wat ik het meeste zou missen als ik lange tijd weg zou zijn? De vriendschap. En mijn vrouw, kinderen en naaste familieleden. Al de rest niet.

 

 

Willy Versluys

  • 1948 geboren in Oostende
  • 1971 studeert af als ingenieur bouwkunde
  • 1971-1982 manager in het bouwbedrijf van zijn vader ‘Kamiel Versluys & zonen’
  • 1982 tot nu reder en ondernemer in de visserijsector

 

(c) Jan Stevens 

Smokkelaar van de filosofie

Vlak voor WO II smokkelde de jonge pater Herman Leo Van Breda het persoonlijke archief van de filosoof Edmund Husserl nazi-Duitsland uit. Hij bracht het onder in de universiteit van Leuven. Vandaag is het Husserl-Archief wereldvermaard. Toon Horsten schreef de biografie van pater Van Breda, de lievelingsneef van zijn oma. “Het Husserl-Archief was zijn obsessie. Alles moest er voor wijken.”

 

‘Iedereen noemde hem “de Pater”. In de filosofiewereld was dat zijn bijnaam’, zegt Toon Horsten, stripuitgever en biograaf van Herman Leo Van Breda, pater, redder, stichter en behoeder van het Husserl-Archief aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de Leuvense universiteit. ‘Ik was samen met mijn vader in een fotoboek van zijn familie aan het kijken. Er stond een foto in van mijn grootmoeder met naast haar een priester met een sigaret tussen de vingers. Je zag meteen dat mijn oma die man graag zag. ‘Wie is dat?’ vroeg ik. ‘Pater Van Breda, oma’s lievelingsneef’, antwoordde vader. ‘Wat deed hij?’ ‘Iets met filosofie in Leuven.’ ‘Wat precies?’ ‘Geen idee.’ Waarna mijn vader een doodsbrief uit een doos bovenhaalde. Herman Leo Van Breda heette de man. Geboren in Lier op 28 februari 1911, gestorven in Leuven op 4 maart 1974, drie jaar na mijn grootmoeder. “Ridder in de Leopoldsorde, Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, Weerstander, Eremedaille van West-Duitsland, een doctoraat in Freiburg en eremedaille van Yad Vashem, uitgereikt bij de 20e verjaardag van de opstand in het getto van Warschau.” Ik vond dat erg intrigerend en wou weten wat die man precies had gedaan. Ik ben er vijf jaar zoet mee geweest.’

Het resultaat is de uitstekend gedocumenteerde biografie De Pater en de filosoof, waarin Horsten beschrijft hoe Herman Leo Van Breda deed wat Martin Heidegger naliet: de intellectuele nalatenschap redden van Edmund Husserl, een van de belangrijkste 20e-eeuwse Duitse filosofen.

Toon Horsten: ‘Leo Van Breda trad in bij de Franciscanen en werd pater Herman. Meteen na zijn priesterwijding ging hij halverwege de jaren dertig van de vorige eeuw filosofie studeren aan de universiteit van Leuven. Zijn licentiaatsthesis handelde over het vroege werk van Edmund Husserl. Voor zijn doctoraatsthesis wou hij het late werk van de filosoof behandelen. Hij wist dat Husserl nog heel wat ongepubliceerde manuscripten in zijn persoonlijke archief in zijn thuisstad Freiburg had liggen. Hij wou die graag inkijken.’

 

Wat was er zo fascinerend aan de filosofie van Husserl?

Horsten: In de 19e eeuw werden de wetenschappen steeds belangrijker en won het mathematische denken fors terrein. Tezelfdertijd ontstond de psychologie die bewustzijn als onderwerp had. Het leek alsof de filosofie een koning zonder land geworden was. De filosoof Friedrich Nietzsche reageerde daarop met het ontwikkelen van een zeer individualistisch, op persoonlijkheid gebouwd wereldbeeld. Edmund Husserl deed net het tegenovergestelde: in de geest van Plato wou hij van de filosofie weer een absolute en alomvattende wetenschap maken. Hij vond zelfs dat we die doelstelling bijna bereikt hadden. Sterker nog: hij beweerde dat hij de sluitsteen kon leveren om dat ideaal waar te maken.

 

Bescheiden was hij niet.

Horsten: Zeker niet. ‘De filosofie als alomvattende en absolute wetenschap vestigen’, het is een ambitie die moderne mensen niet meer koesteren. Husserl zag zichzelf als een Christoffel Columbus die een nieuwe wereld had ontdekt: het zuivere bewustzijn. Hij geloofde dat we door reflectie en door met alle ballast komaf te maken, de dingen kunnen zien zoals ze écht zijn. Hij had daar ook een methode voor ontwikkeld: de fenomenologische reductie. De toepassing van die ingewikkelde methode bepaalde volgens Husserl niet alleen het lot van de filosofie, maar van de hele wereld. Want pas als we de wereld met behulp van de fenomenologische reductie helemaal doorgrond zullen hebben, kunnen we het ideaal van een rationele en liefdevolle wereld verwezenlijken. Het doel van de fenomenologische reductie was om alle verschijnselen en begrippen die zich aan ons bewustzijn opdringen tot hun essentie te herleiden. Om tot het wezen van de dingen te kunnen doordringen, moest de filosoof afstand nemen van alle overtuigingen, vragen en persoonlijke omstandigheden die hij in zijn bewustzijn aantrof. Over die methode en de grondslagen van zijn filosofie had Edmund Husserl ontzettend veel geschreven en gepubliceerd. Daarnaast had hij ook de praktische toepassingen van zijn filosofie op papier gezet en veel van die geschriften waren nog niet uitgegeven.

 

Dat waren zelfs gigantisch veel geschriften.

Horsten: Ruim 40.000 bladzijden, geschreven in Husserls persoonlijke variant van het Gabelsberger steno. Tijdens zijn actieve leven was dat steno vrij goed ingeburgerd, maar eind jaren dertig beheersten steeds minder mensen die techniek. Als je zo’n manuscript van Husserl nu onder ogen krijgt, moet je het twee keer interpreteren. Eerst moet je het steno ontcijferen, en dan moet je nog eens op zoek naar wat de filosoof precies heeft willen zeggen. Dat is dus geen lachertje.

 

Husserl stierf op 27 april 1938. Op 29 augustus van datzelfde jaar belde pater Herman aan bij Husserls weduwe Malvine in Freiburg.

Horsten: Hij hoopte toen om voor zijn doctoraatsthesis een paar van die manuscripten te kunnen inkijken. Hij was zich zeer goed bewust van de toestand in nazi-Duitsland. Twee maanden later zou de Kristallnacht plaatsvinden. Edmund Husserl en zijn vrouw waren Joods en hun kinderen waren geëmigreerd naar Amerika. Op voorhand had pater Herman met zijn professoren afgesproken dat de universiteit van Leuven een paar van die manuscripten zou uitgeven. Want in Duitsland was dat onmogelijk geworden. Hij logeerde in Freiburg bij de franciscanen in de Adolf-Hitler-Straße. Op die eerste ontmoeting klikte het tussen de 27-jarige pater en de tachtigjarige weduwe Malvine Husserl. Toen haar man nog leefde, waren ze al van plan om het archief en de bibliotheek met 2.700 boeken uit het huis in Freiburg te verhuizen en in het buitenland in veiligheid te brengen. Dat was vooralsnog niet gelukt en de weduwe was de wanhoop nabij. Pater Van Breda gaf haar nieuwe hoop. Hij maakte meteen ook kennis met Eugen Fink, de laatste assistent van Husserl, en met de Senegalees-Franse filosoof Gaston Berger, de vader van choreograaf Maurice Béjart.

 

Martin Heidegger, de opvolger van Husserl als hoogleraar filosofie aan de universiteit van Freiburg, was er op die bijeenkomst niet bij?

Horsten: Heidegger was fan van de nazi’s én lid van de NSDAP. Ooit was Husserl zijn leermeester, maar gaandeweg nam Heidegger steeds meer afstand. Hij stuurde zelfs zijn kat naar Husserls begrafenis. Op Martin Heidegger kon Malvine dus helemaal niet rekenen. Op pater Van Breda des te meer: tijdens dat allereerste bezoek zei hij meteen: ‘We gaan het archief redden.’ Het oorspronkelijke plan was om de 40.000 bladzijden naar Zwitserland te smokkelen naar de psychiater Ludwig Binswanger, die als ex-student in nauw contact was gebleven met Edmund Husserl en een op de fenomenologie gebaseerde psychologie had ontwikkeld. Een bevriende Zwitserse kloosterzuster trok op verkenning en klopte aan bij Binswanger: ‘Kunnen we Husserls archief tijdelijk bij u onderbrengen?’ Het antwoord was: ‘Wij zijn voor de nazi’s. Laat ons met rust.’ Op dat moment besliste Van Breda: ‘Dan smokkel ik het archief naar Leuven.’ Hij wou de documenten als diplomatieke post via de Belgische ambassade de grens over krijgen, maar dan moest hij ze eerst tot in Berlijn brengen.

 

Vanwaar al die geheimzinnigheid? Het ging toch maar over 40.000 bladzijden vol filosofische teksten in steno die niemand begreep?

Horsten: Ik kan je verzekeren dat Herman Leo Van Breda echt zijn leven riskeerde wanneer hij met drie loodzware hutkoffers vol papier met de trein van het zuiden van Duitsland naar Berlijn reisde. Bij een controle was de kans groot dat de nazi’s zouden denken dat hij een spion was. Want de documenten leken geschreven te zijn in codetaal. Daarom ook durfde hij met die koffers de grens niet over en moesten ze als diplomatieke post verstuurd worden. Met drie koffers die samen 100 kilo wogen, reisde hij in zijn eentje eind september 1938 heel Duitsland door. Voor zijn vertrek had hij samen met Malvine een document opgemaakt waarin zij tijdelijk het eigendomsrecht van het archief aan hem afstond. Want enkel Belgische papieren mochten mee met de diplomatieke post van onze ambassade.

De ambassadeur in Berlijn was Jacques Davignon, de vader van Etienne die het tot vice-voorzitter van de Europese Commissie schopte. Davignon was degene die zijn zegen voor de verzending moest geven, maar door de gespannen politieke toestand was hij weggeroepen uit Berlijn. Zijn plaatsvervanger was burggraaf Jo Berryer en voor pater Herman leek dat wel een geschenk uit de hemel. Berryer was een avonturier die tijdens de Spaanse burgeroorlog op het consulaat in het door de republikeinen gecontroleerde Madrid werkte en daar onderdak geboden had aan medestanders van Franco. Hij was meteen gewonnen voor Van Breda’s plan. Die keerde terug naar Leuven, waar hij het bestuur van de universiteit nog moest overtuigen om van start te gaan met een heus Husserl-archief. Hij stelde de universiteit min of meer voor een voldongen feit.

 

Op dat moment waren het ook in België zeer onzekere tijden?

Horsten: Zonder twijfel. Er hing toen ontzettend veel spanning in de lucht. De documenten raakten via de ambassade tot in België en Eugen Fink en Ludwig Landgrebe, een andere assistent van Husserl, kwamen over naar Leuven om er in het gloednieuwe Husserl-Archief de geschriften te ontsluiten. Zij beheersten Husserls steno en kenden zijn filosofie van naaldje tot draadje.

Van zodra het archief veilig en wel in Leuven was, probeerde Van Breda de weduwe van Husserl te overhalen om Duitsland te ontvluchten. Na de Kristallnacht schakelde de Jodenvervolging een paar versnellingen hoger en er werden synagogen in brand gestoken en boeken verbrand. Malvine wou naar haar kinderen in Amerika, maar ze geraakte niet aan een visum. Van Breda stelde haar voor om eerst naar België te reizen. ‘Dan ben je tenminste al veilig. Dat visum komt dan later wel.’ Ze ging akkoord, op voorwaarde dat ook de bibliotheek van haar man en zijn uitgebreide correspondentie met andere grote filosofen mee naar Leuven verhuisde. Hij regelde een container en pas op het moment dat alle goederen in veiligheid waren, stapte Malvine samen met haar huishoudster Joséphine Näpple op de trein richting België. Hij hielp de weduwe en haar huishoudster onderduiken in een klooster in Herent, tot hij een visum voor Amerika voor hen kon bemachtigen. Dat lukte niet en uiteindelijk zou het tot mei 1946 duren voor Malvine Husserl en Joséphine Näpple aan de overtocht naar Amerika konden beginnen.

Tijdens de bezetting werden Joden verplicht tot het dragen van de Davidster. De gemeentesecretaris van Herent stuurde op 3 juni 1942 een ster voor Malvine naar ‘Pater Herman Leo Van Breda’. Blijkbaar wist de secretaris dat de weduwe van Husserl ondergedoken zat in het plaatselijke klooster. Malvine heeft die ster nooit gedragen.

Als het nodig was onderhandelde Van Breda met de Duitse bezetter. Hij had geluk dat Leuven bestuurd werd door Major Wehrkreiskommandeur Reinold von Thadden, een Pruis van adellijke afkomst die zich in de jaren dertig als lid van de protestantse Bekennende Kirche verzet had tegen pogingen van de nazi’s om de kerk aan banden te leggen. Die kerk had zich ook uitgesproken tegen de Jodenvervolging. Von Thaddens halfzuster Elisabeth was trouwens in het verzet actief, en werd in september 1944 geëxecuteerd. Van Breda had een erg goede verstandhouding met Von Thadden. Ik vermoed dat de majoor Malvine de hand boven het hoofd hield, waardoor ze als Joodse de oorlog overleefde.

 

Had ze in Antwerpen ondergedoken gezeten, was ze in een vernietigingskamp beland?

Horsten: Antwerpen was de enige stad waar de politie aan razzia’s meewerkte. Daar had ze inderdaad waarschijnlijk het einde van de oorlog niet gehaald.

Tijdens de bezetting viel de werking van het Husserl-Archief stil. Fink keerde terug naar Freiburg, Landgrebe reisde naar Hamburg. Van Breda had geen personeel meer, maar hij regelde het zo dat verschillende ondergedoken Joden van op hun onderduikadres teksten van Husserl begonnen te transcriberen.

 

Betaalde hij hen daarvoor?

Horsten: Hij zag dat vooral als bezigheidstherapie. Hij had toen zelf niet veel geld, maar sommige Joodse mensen namen het hem achteraf zeer kwalijk dat hij hen niet betaalde op het moment dat zij aan de grond zaten.

 

Ze voelden zich door hem gebruikt?

Horsten: Ja. Het Husserl-Archief was voor hem een obsessie. Hij was er toevallig in gerold, maar maakte er al zeer snel zijn levensmissie van. Alles moest er voor wijken. Hij droeg de titel ‘professor’ aan de Leuvense universiteit, waar velen hem niet meteen als een grote filosoof beschouwden. ‘Hij heeft amper iets gepubliceerd.’ Dat is waar, maar hij heeft wel de hele intellectuele nalatenschap van een grote Duitse filosoof gered én toegankelijk gemaakt. Vandaag zouden we hem een cultuurmanager noemen. Hij had een gigantisch netwerk dat hij zijn leven lang gebruikte en inzette om zijn geesteskind springlevend te houden.

Van Breda was zeer bedreven in het vinden van geld. Veertig jaar lang trok hij als een echte bedelpater van de ene rijke familie naar de andere. Het geld dat hij ophaalde, investeerde hij in zijn archief. Hij hield daar geen boekhouding van bij, waardoor ik niet al zijn geldschieters heb kunnen traceren. Wat ik wel weet, is dat hij fondsen kreeg van de Franqui-Stichting, de Unesco, het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek en NV De Gids. Dat was het bedrijf dat na de oorlog de krant De Standaard uitgaf. Zij schonken 500.000 frank. Het ging vaak over fikse bedragen, al nam hij ook genoegen met minder. Het zou te negatief zijn om te stellen dat hij voortdurend geld aan het aftroggelen was, maar hij leefde wel op giften.

 

Wat voor een mens was pater Herman Leo Van Breda?

Horsten: Er circuleren een aantal verhalen over zijn opvliegende karakter. Hij leed aan diabetes en de behandeling daarvan stond nog in de kinderschoenen. Het zou best kunnen dat veel van zijn verbale uitvallen een gevolg waren van zijn ziekte. Als het op de uitbouw van zijn archief aankwam, kon hij heel innemend zijn. Kapitaalkrachtige mensen wist hij er vrij makkelijk toe te overhalen om hun portemonnee te trekken. Hij maakte grapjes, babbelde een beetje hier en een beetje daar en probeerde zo zijn zin te krijgen. Hij was ijdel. Wijlen Samuel IJsseling, zijn opvolger als directeur van het Husserl-Archief omschreef hem vrij accuraat: ‘Van Breda had een groot ego, maar was geen egoïst.’

Hij correspondeerde uitgebreid met de filosoof Maurice Merleau-Ponty. Die was goed bevriend met Jean-Paul Sartre. Van Breda schreef dat hij Sartre niet echt een interessante filosoof vond, maar voegde er toch aan toe: ‘Kun je geen afspraak met hem regelen?’ (lacht) Hij heeft Sartre ook ontmoet én gebruikt toen hij geld voor zijn archief nodig had. Zo schermde hij met de naam Sartre om bij de Unesco aan geld te geraken.

 

Eigenlijk was hij een opportunist?

Horsten: Ja. Anna Katz, de moeder van de Antwerpse schepen Claude Marinower, heeft hem tijdens de oorlog zeer goed gekend. Zij leefde samen met haar man Marcel Marinower ondergedoken in Leuven. Ik heb haar voor het boek uitgebreid gesproken en het werd snel duidelijk dat ze een grondige hekel aan Van Breda had, precies door dat opportunisme. Marcel Marinower werd in februari ’44 door de Duitsers opgepakt en op transport naar Auschwitz gezet. Zijn vrouw gaf een envelop met familiefoto’s in bewaring bij pater Herman. Ze vertelde me dat die foto’s Marcels kostbaarste bezit waren en zijn enige herinnering aan zijn familie. Van Breda beloofde dat hij ze zou bijhouden tot na de oorlog. Hij heeft dat niet gedaan, maar ze verbrand. Anna’s man overleefde Auschwitz en toen ze de foto’s terugvroegen, kregen ze nul op het rekest. Ze zei me: ‘Als je 40.000 bladzijden kunt verstoppen, kun je toch gemakkelijk een envelop met foto’s bijhouden?’ Toen Marcel Marinower was opgepakt, vroeg ze Van Breda ook of hij een brief aan de Duitsers wou schrijven ten gunste van haar man. Hij weigerde. ‘Dat kan ik niet,’ zei hij. ‘Want ik ben professor. Het is te gevaarlijk.’ Op een bepaald moment vroeg Van Breda aan Anna Katz om Malvine Husserl te bezoeken, zodat de weduwe haar zinnen wat kon verzetten. ‘Ze droeg ontzettend veel juwelen’, herinnerde Anna zich. ‘Tijdens het gesprek stelde zij zich hautain op. Ik vond het een vreselijk mens. Ik ben er nooit meer terug geweest.’

 

Toon Horsten, De pater en de filosoof, Vrijdag, 296 blz., 22,50 euro

 

Toon Horsten

  • 1969 geboren in Hoogstraten
  • Studie Germaanse filologie en Neerlandistiek
  • 1994 – 2000 journalist bij Gazet van Antwerpen
  • 2000 – 2006 podiumprogrammator bij cultuurcentrum De Warande in Turnhout
  • 2006 – 2016 hoofdredacteur Stripgids
  • 2006 – nu freelancejournalist en auteur van onder andere het boek Landlopers
  • 2017 – nu uitgeefdirecteur strips bij Standaard Uitgeverij

 

(c) Jan Stevens

De koning der koningen

Na vijf bestsellers over le petit caporal Napoleon schreef voormalig tv-journalist Johan Op de Beeck De Zonnekoning, een heerlijke vuistdikke biografie over Frankrijks koning der koningen Louis XIV. “Eerst zette hij Frankrijk op de kaart, om het daarna terug te katapulteren naar de donkerste tijden uit de Europese geschiedenis.”

 

In De Zonnekoning noemt Johan Op de Beeck zijn hoofdpersonage consequent Louis XIV en niet Lodewijk de Veertiende. ‘We spreken vandaag toch ook niet over “Karel van Wales” als we het over prins Charles hebben of over “Filip” als we de Spaanse koning Felipe bedoelen?’, zegt hij. ‘Ik begrijp niet goed waarom dat plots niet meer geldt als het over een Franse koning uit de zeventiende eeuw gaat. In de van verzinsels en halve waarheden aaneenhangende tv-reeks Versailles praat Louis XIV Engels. Dat klinkt als gevloek in mijn oren. Ik hoorde de producent in een interview zeggen: “De Zonnekoning was zo’n universeel figuur dat hij Engels zou spreken als hij vandaag zou leven.” Alleen een Brit kan zoiets over de grootste Franse vorst ooit beweren.’ (lacht)

 

Waar komt uw fascinatie voor de Zonnekoning vandaan?

Johan Op de Beeck: Ik heb Versailles verschillende keren bezocht en ervoer dat telkens als een heel speciale plek. Ondanks het feit dat Louis XIV bigger than life is en zichzelf ook graag verheven voorstelde, is hij toch zeer menselijk. Zo was er zijn gevecht om in het leven iets te bereiken en na zijn dood iets achter te laten. Hij reikte naar de sterrenhemel en belandde in de goot.

Als koning had hij een goddelijke status. Van toen hij nog heel klein was, werd hem voorgehouden dat hij het centrum van alles was. In de geschiedenis van de mensheid zijn er maar een paar andere figuren van zijn kaliber: Alexander de Grote, Napoleon en Frederik I Barbarossa. Ze namen de herculische taak op hun schouders om de wereld te veranderen.

Louis XIV had een middelmatige intelligentie, maar was op politiek vlak zeer sluw. De eerste tientallen jaren van zijn koningschap stonden in het teken van explosieve vernieuwing. Hij voerde maatschappelijke veranderingen door en stimuleerde de kunsten. Tot hij de verandering op een verstikkende manier stopte omdat hij zijn verwezenlijkingen koste wat kost wou consolideren. Hij vond dat zijn doel bereikt was: hij had de feodaliteit beëindigd en Frankrijk gecentraliseerd. Hij regeerde niet langer met mensen die minister waren omdat er blauw bloed door hun aderen stroomde, maar omdat ze onder zijn absolute dictatuur uitvoerden wat hij wou. Maar hij moest zijn veranderingen ook stopzetten omdat Frankrijk blut was. Hij was verwikkeld geraakt in te veel oorlogen die handenvol geld kosten. De laatste tien jaar van zijn bewind voerde hij een pure overlevingsstrijd.

Vier generaties lang bleef hij aan de macht. Hij wou alles stevig in handen houden en kon er geen afstand van nemen. Zijn absolutisme zou ervoor zorgen dat er een eeuw lang zo goed als geen hervormingen mogelijk waren. Die domper op de vernieuwing maakte volgens mij de Verlichting mogelijk. Hij heeft die nooit gewild, maar wel mee veroorzaakt. Dat is dus positief, al hij had schaduwkanten. Zo voerde hij veel te graag oorlog, wat hij op zijn sterfbed ook toegaf. Misschien wel de zwartste bladzijde uit zijn koningschap is de intrekking van de geloofsvrijheid met het Edict van Fontainebleau uit 1685. Hij zette toen de deur open voor de genadeloze vervolging van andersdenkenden. Protestanten en atheïsten werden vogelvrij. Dat was een erg domme beslissing, want hij joeg hooggeschoolden op de vlucht en amputeerde zo zijn eigen economie. Eerst zette hij Frankrijk op de kaart, om het daarna terug te katapulteren naar de donkerste tijden uit de Europese geschiedenis.

 

In wat voor een Frankrijk kwam Louis XIV in 1638 ter wereld?

Op de Beeck: Het land was toen op alle vlakken achterlijk. De Italianen noemden de Fransen niet voor niets ‘de barbaren’. De Engelsen, Hollanders en Duitsers stelden met veel genoegen vast dat de Fransen van handeldrijven geen kaas gegeten hadden.

Frankrijk was een lappendeken van baronieën. De adel zwaaide de plak en de koning werd getolereerd. Hij mocht op zijn troon zitten van God, maar moest vooral niet te vaak denken dat hij ook nog iets te zeggen had. Het verfijnde Frans zoals wij dat nu kennen, werd nog niet gesproken. De doorsnee Fransman bediende zich van een erbarmelijk taaltje. De prachtige Franse taal zou pas in de eeuw van de Zonnekoning tot volle wasdom komen en bepaalde mee de uitstraling van Frankrijk over de rest van de wereld.

 

Het zag er lang naar uit dat de Zonnekoning nooit geboren zou worden?

Op de Beeck: Zijn vader Louis XIII was niet echt voor de vrouwen. Hij speelde liever ondeugende spelletjes met wufte edellieden en met zijn koetsier. Het duurde achttien jaar voor Louis XIII en zijn vrouw Anna van Oostenrijk met succes de liefde bedreven. Niet omdat de vorst er plots zoveel zin in had, maar omdat kardinaal Richelieu, de eerste minister, vond dat het de hoogste tijd was dat er voor een troonsopvolger gezorgd werd. Richelieu wou de centrale macht in handen van de koning brengen. Om dat plan door te voeren, had hij een geschikte dauphin nodig. Op bevel van de kardinaal maakten Louis XIII en Anna vervolgens een kleine. Twee jaar later volgde nog een zoon: Philippe. Die groeide op in de schaduw van zijn oudere broer.

Louis XIV cijferde zichzelf als mens volledig weg in functie van ‘l’état’, het staatsbelang, het koningschap. Er wordt gezegd dat hij ooit zou uitgeroepen hebben: ‘L’État, c’est moi!’, maar dat is niet meer dan een historisch verzinsel. Hij cijferde niet alleen zichzelf, maar ook alle anderen weg, inclusief zijn eigen broer. Philippe d’Orléans had niets te zeggen. Toen bleek dat Philippe een betere veldheer was dan Louis, werd hij onmiddellijk uit het leger gehaald.

 

Philippe werd aan het hof als meisje opgevoed.

Op de Beeck: Het was in die tijd niet ongebruikelijk dat kleine jongens tot hun zesde in meisjeskleren rondliepen. Bij Philippe bleef dat maar duren. Richelieu en diens opvolger kardinaal Jules Mazarin wilden hem verwijfd maken. Zo probeerden ze te vermijden dat Philippe ooit ambities zou krijgen om zijn broer van de troon te stoten. Ze vertrouwden hem als kind toe aan een notoire pedofiel. Veel later zou Philippe zich aan het hof van Versailles manifesteren als vrouw. In die tijd kon een gewone burger voor homoseksuele betrekkingen veroordeeld worden tot branden aan de staak. Maar in Versailles nam niemand daar aanstoot aan. Mannelijke edellieden mochten probleemloos met elkaar van bil gaan. Tot Louis XIV vond dat ze te veel een kliek vormden. Hij vertrouwde geen kliekjes en wou daarom alle homo’s weg uit de top van het leger. Dat plan werd weer opgeborgen toen hij erachter kwam dat hij dan de helft van de legertop zou verliezen. (lacht)

Ik twijfel er trouwens niet aan dat de beide broers elkaar graag zagen. Louis werd net geen 77, wat in die tijd erg oud was. In de loop der jaren zag de koning de ene na de andere sterven. Zijn zoon, zijn kleinzoon, zijn achterkleinkind… Ze gingen allemaal dood. Ook zijn broer. Er zijn talloze getuigenissen dat hij daaronder leed en met depressies kampte. Louis had ook nogal wat fysieke problemen, met een fistel aan de anus die hij ten einde raad op 17 november 1686 zonder verdoving liet wegsnijden. Een jaar eerder kwam zijn linkerbovenkaak mee toen de tandartsen zonder verdoving zijn rottende tanden aan het trekken waren. Het gat dat zo tussen neus en mondholte ontstond, probeerden ze verschillende keren dicht te schroeien met gloeiende ijzers en hete kolen. Ook zonder verdoving, want van anesthesie was in de 17e eeuw jammer genoeg geen sprake.

Er werd nauwgezet bijgehouden wat Louis at, dronk, hoeveel keer hij naar het toilet ging, hoe vaak hij ziek was en aan welke kwalen hij leed. We weten echt alles over hem en we weten ook wat en hoe de absolutist der absolutisten dacht. Vóór zijn veertigste schreef hij al zijn memoires, want hij was ervan overtuigd dat hij net als de doorsnee Fransman niet veel ouder zou worden. Die geschriften zijn meer dan louter memoires: het is een handleiding voor de volgende koning: zó leid je dit land, zó moet je je gedragen en zó voer je politiek.

 

Hoe belangrijk was kardinaal Jules Mazarin in de vorming van Louis XIV?

Op de Beeck: Zijn belang kan niet onderschat worden. Kardinaal Richelieu duidde op zijn sterfbed Jules Mazarin als zijn opvolger aan. Richelieu leerde Mazarin hoe je tezelfdertijd het land en jezelf kunt verrijken. Beide kardinalen waren financiële genieën. Mazarin slaagde er als eerste minister in om de staatskas te vullen én om tegelijkertijd een van de rijkste mensen van Europa te worden. Hij was niet alleen kardinaal en eerste minister, maar ook de minnaar van Louis’ moeder Anna. Daarnaast was hij wapenhandelaar, smokkelaar, sjoemelaar en fraudeur op grote schaal.

Zijn grootste uitvinding is zonder twijfel Louis XIV. Mazarin had heel vroeg door dat de Dauphin niet de zoveelste koning zou worden, maar de potentie had om uit te groeien toe een heel grote vorst. Mazarin wist ook: regeren is communiceren. Een van de grote middelen daarvoor was toen de kunst. Hij leerde Louis niet alleen kunst appreciëren, maar er ook de macht van ontdekken. De Galerie des Glaces in Versailles is een van de mooiste zalen in Europa. Het plafond is beschilderd met prachtige fresco’s van Charles Le Brun. Die zijn stuk voor stuk ondertiteld in het Frans en niet in het Latijn zoals toen de gewoonte was. Ze werden gebruikt als propagandamiddel, net als al die andere kunst- en cultuuruitingen die fors ondersteund werden. Met kunst propageerden Mazarin en Louis het koningschap niet alleen in Frankrijk, maar in heel Europa.

 

Is dat een van de redenen waarom de Zonnekoning het paleis en de tuinen van Versailles bouwde?

Op de Beeck: Zonder twijfel. Maar er zijn ook andere redenen: Versailles was een overwinning van de mens op de chaos. Eerst lagen er enkel moerassen. Iedereen verklaarde Louis gek. Zijn minister van Financiën Jean-Baptiste Colbert zat met de handen in het haar. De tuinen en het paleis van Versailles zouden elk jaar zes procent van het totale nationale budget opsouperen. ‘Laat ons het Louvre uitbouwen’, suggereerde Colbert. Louis dreef toch zijn wil door: hij overwon het moeras en de vijandigheid. Versailles was een persoonlijk statement van de vorst: ‘De mensheid, ons land, ons volk, de koning: wij kunnen hogerop.’ Versailles vatte ook de drie grote principes van de architectuur van de klassieke oudheid samen in één gebouw: de venustas – de schoonheid, de soliditas – de sterkte van de constructie, en de commoditas – je moest er comfortabel in kunnen leven. Al mislukte dat laatste ietwat, want er waren amper toiletten en de koning was de enige die een badkamer had. De duizenden andere bewoners en bezoekers moesten het stellen met een waskommetje.

Met Versailles had Louis ook een politieke bedoeling: hij wou zo zijn grip vergroten op de verschillende baronieën. Hij lokte de edellieden uit de departementen met belastingvoordelen en privileges naar Versailles. Daar bevond zich voortaan het centrum van de macht waar het echte politieke leven zich afspeelde. ‘Als je het wil maken, moet je dicht bij de koning zijn.’ Louis XIV was de zon en Versailles the place to be. Louis ontpopte zich tot een meester in het het verlenen van gunsten en privileges. De edellieden gingen er helemaal in op. Als hertog bereikte je het summum als je de nachtkaars mocht vasthouden wanneer de koning in bed kroop. Een etentje met de vorst in Château de Marly gold als opperste erkenning. Edellieden lobbyden zich suf om op de lijst van genodigden te komen. Tijdens Louis’ dagelijkse wandeling door de Galerie des Glaces smeekten ze met gebogen ruggen: ‘Sire, Marly?’ De meesten kwamen er nooit.

Marly was de plek waar Louis helemaal zichzelf was. Aan het begin van de 19e eeuw is dat kasteel jammer genoeg vernield. Te paard lag het op een uur rijden van Versailles. Volgens de schrijver Racine gedroeg hij zich in Marly veel vrijer dan in Versailles. ‘De koning laat de remmen hier los en is lief’, schreef hij. Louis’ moeder Anna van Oostenrijk en kardinaal Mazarin hadden hem geleerd dat hij een masker moest opzetten als hij als vorst wou overleven. Hij moest ‘ondoordringbaar’ zijn en mocht geen emoties tonen. Zijn plannen en werkelijke intenties moesten verborgen blijven.

 

Hij was nog heel jong toen hij die levenslessen opgelepeld kreeg?

Op de Beeck: Zeker. Hij was tien toen de troon wankelde en er oproer in Parijs was. De edellieden hadden het in die tijd niet begrepen op het streven van kardinaal Mazarin naar ‘potestas absoluta’, de absolute heerschappij van de kroon én de eerste minister, die alleen de wetten stelden en geen rekenschap hoefden af te leggen aan andere instellingen. De opstand daartegen, of de Fronde, bestond uit een warrige combinatie van parlementairen en geestelijken die het volk bespeelden. In het holst van de nacht van 5 op 6 januari 1649 werd de kleine Louis van zijn bed getild en moest hij samen met zijn familie voor de opstandelingen op de vlucht. Het plebs plunderde de stad en Louis voelde zich vreselijk vernederd toen hij hoorde dat zijn moeder haar juwelen had moeten verpanden om de soldij van de soldaten te kunnen betalen. In Engeland werd koning Charles I op bevel van het parlement onthoofd. Anna van Oostenrijk zag al hetzelfde met haar zoon gebeuren en in overleg met Mazarin sloot ze een akkoord met het Franse parlement. Het koningshuis was gered, maar tezelfdertijd werden zowat alle eisen van de tegenstanders ingewilligd. Al wie zich tegen de kroon had gekeerd kreeg amnestie. Louis zwoer dat zoiets nooit meer mocht gebeuren. De koning moest daarom alle macht in handen krijgen. Hij wou die absolute macht niet omdat hij een soort van Hitler was. Nee, hij wou die absolute macht omdat hij de maatschappij wou laten vooruitgaan. ‘Dat kunnen we toch niet langer overlaten aan die “vertegenwoordigers van het volk”?’, vond hij. ‘Want die edellieden zijn zakkenvullers die enkel geïnteresseerd zijn in hun eigenbelang. Ik ben de garantie voor de welvaart en het welzijn van mijn volk.’ Louis XIV had dus zeker de eerste decennia van zijn koningschap een echte missie.

 

Hij verwekte heel wat kinderen, niet alleen bij zijn echtgenote Maria Theresia van Oostenrijk. Ik leer uit uw boek dat hij naast zes reguliere kinderen ook nog zestien bastaardkinderen bij verschillende minnaressen had.

Op de Beeck: Veel van die kinderen stierven heel jong. De kindersterfte was in die tijd enorm; we kunnen ons dat nu niet meer voorstellen. Louis koesterde al zijn overlevende kinderen, óók de bastaarden die hij erkende, en hij was een echte papa voor hen. Dat staat compleet haaks op zijn keiharde imago. Hij was ook een opa met een peperkoeken hart. Toen hij zijn kleinzoon naar Spanje stuurde om daar koning te worden, stond het huilen hem nader dan het lachen.

Louis XIV werd in zijn puberteit ontmaagd op bevel van zijn moeder. Zij zag hoe de vrouwen in bosjes voor hem vielen en maakte zich daar zorgen over. Hij mocht zeker niet verliefd worden en zich binden aan een vrouw die niet paste binnen de politiek van de staat. Dus besloot Anna van Oostenrijk dat haar zoon zo snel mogelijk met seks kennis moest maken, in de hoop dat hij daarna voorgoed van zijn driften verlost zou zijn. Ze schakelde de veertigjarige schele hofdame Catherine Bellier in. Chroniqueur Primi Visconti beschrijft wat er gebeurde: ‘De vorst was nog zeer jong toen ze hem in een uithoek van het Louvre terzijde nam en verkrachtte, of toch tenminste derwijze verraste dat ze van hem kreeg wat ze verlangde.’ De ontmaagding had een totaal tegengesteld effect: het betekende voor Louis de start van een gevuld liefdesleven met talloze minnaressen.

 

Bepaalden die minnaressen achter de schermen mee zijn politieke beleid?

Op de Beeck: Er zijn notulen van een ministerraad waarin hij toegaf dat hij iets te veel naar de vrouwen keek. Hij zei tot zijn ministers: ‘Als u ooit merkt dat een vrouw ook maar de geringste macht over mij uitoefent, dan beveel ik u om mij te waarschuwen.’

Zijn minnaressen hadden geen politieke invloed, maar sommige beïnvloedden hem wel op andere manieren. Marie Mancini, een nicht van kardinaal Mazarin, en Athénaïs de Montespan, de vleesgeworden erotiek, wekten bij hem de zin voor het esthetische op. Maar het veelvuldige overspel speelde hem ook parten. Als diepchristelijke koning was hij de behoeder van het katholieke geloof. Naarmate hij ouder werd, werd hij gevoeliger voor de kritiek van de devoten aan het hof. Zijn lange relatie met de eveneens getrouwde De Montespan vonden zij not done. Een dubbel overspelige katholieke vorst met de uitstraling van Louis XIV was in Frankrijk en de rest van Europa niet meteen reclame voor de kerk. Een nieuwe maîtresse, de katholieke Françoise Scarron bracht soelaas. Hij werd dolverliefd op haar, terwijl zij onder een hoedje met de kerk speelde. Ze wordt door de geschiedschrijving heiliger voorgesteld dan ze was, want uit haar brieven blijkt dat ook zij verliefd was op Louis, niet alleen geestelijk. Terwijl ze met hem sliep, trok ze hem weg van De Montespan en overtuigde ze hem er zelfs van om terug met zijn vrouw naar bed te gaan. Na de dood van Marie Theresia hertrouwde Louis met Scarron. Zo groeide zij als Madame de Maintenon uit tot één van de machtigste vrouwen van Frankrijk. Dat huwelijk betekende meteen ook het einde van Versailles met de vele feesten. Langzaam maar zeker veranderde het ooit zo liederlijke paleis in een museum.

 

Johan Op de Beeck, De Zonnekoning, Horizon, 736 blz., 34,99 euro

 

Johan Op de Beeck

  • 1957 geboren in Duffel
  • Studeerde communicatiewetenschappen aan de VUB
  • 1980 begon te werken als journalist en nieuwslezer bij de VRT
  • 1990 verliet de VRT en richtte zijn eigen mediabedrijf op
  • 1993 werd de eerste hoofdredacteur van TV Limburg
  • 1996 leidde de redactie van nieuwszender Euronews
  • 1999 startte mee Kanaal Z op en werd er directeur informatie
  • 2003 – 2005 netmanager van Ketnet en Canvas
  • Maakte verschillende tv-documentaires zoals Masters of the Game en Atlantik Wall
  • Naast vijf bestsellers over Napoleon en zijn tijd schreef hij ook nog Het verlies van België en De bedreigde vrijheid.

 

 

(c) Jan Stevens

‘Ik was verzoend met mijn naderende dood’

Op 15 december 2014 werd de Koerdische journalist Masoud Aqil in Syrië ontvoerd door IS-strijders. 280 dagen lang werd hij gefolterd. Hij kwam vrij bij een gevangenenruil. ‘Als ik een westerling geweest was, hadden ze me voor een videocamera onthoofd.’

 

Negen maanden lang was journalist Masoud Aqil de gevangene van de Islamitische Staat (IS). ‘Elke vrijdag na het gebed schoten ze een paar gevangenen dood’, zegt hij. ‘Ik hoorde de knallen in mijn cel. Na afloop dwongen ze me om naar de executies te kijken op hun telefoon. “Jou zullen we levend verbranden”, dreigden ze.’

Vandaag woont Aqil in een stad in Duitsland waar hij een paar maanden na zijn gevangenschap naartoe vluchtte. ‘Niemand mag weten waar precies.’ Want tot vandaag is hij bang voor represailles van jihadisten. ‘Er lopen nog te veel IS-sympathisanten in Europa rond. Dat heb ik de voorbije jaren zelf kunnen vaststellen.’ Over zijn kidnapping, gevangenschap, vlucht en samenwerking als informant voor de Duitse politie, schreef hij het boek De jongen die tegen IS strijdt. ‘Ik schreef het in de eerste plaats omdat ik nooit meer zou moeten praten over de martelingen die ik moest ondergaan’, fluistert hij bijna. ‘Het blijft verschrikkelijk lastig om te vertellen wat er precies gebeurd is. Herinneringen ophalen aan mijn beulen werkt allesbehalve therapeutisch. Integendeel, in dat verleden blijven roeren, vernietigt me.’

 

U werkte als journalist in Syrië?

Masoud Aqil: Ik was alleen actief in het Koerdische gebied, in het noorden van Syrië. Ik werkte er voor het Koerdische mediabedrijf Rudaw dat opereert vanuit de Noord-Iraakse stad Erbil. Ik ben geboren en getogen in de Noord-Syrische stad Kamishli, Qamishlo in het Koerdisch. Samen met mijn collega Farhad Hamo werd ik door IS-strijders ontvoerd op 15 december 2014, toen we op weg waren naar het dorpje Tal Alo om er sjeik Mehdi Daham al-Hadi in zijn versterkt hoofdkwartier te gaan interviewen. Hadi is een belangrijke figuur in de Arabische wereld. Hij is vice-gouverneur van het district Al-Hasakah en was zeer actief in de strijd tegen de IS. Eind 2014 had de terreurgroep heel wat grote steden in Noord-Irak in handen, maar wij hadden niet in de gaten dat ze ook in onze streek geïnfiltreerd waren. Toen we op die ochtend in december in onze auto stapten, wisten we niet dat de IS de snelweg controleerde. Ze stonden in het midden van de weg met hun machinegeweren in de aanslag. We probeerden hen eerst nog wijs te maken dat we arbeiders waren, op weg naar de olieraffinaderijen, maar daar trapten ze niet in. Ze zagen onze opnameapparatuur met het logo van de tv-zender en zo wisten ze dat we journalisten waren. Ze waren met een man of zes, allemaal gemaskerd, zwaarbewapend, in een Toyota-pick-up. Wij hadden ook meteen door dat het IS-strijders waren.

 

Sloeg u in paniek?

Aqil: Het kan misschien raar klinken, maar op dat moment voelde ik helemaal niets. Ik zag het gebeuren en keek ernaar alsof ik een toeschouwer was van mijn eigen ontvoering. Eerder dat jaar had ik de ontvoeringen en onthoofdingen van James Foley en Steven Sotloff gevolgd op tv. Ik wist perfect hoe de IS ontvoerde journalisten behandelde, maar ik had nooit gedacht dat ik zelf de hoofdrol in hun crimineel toneelstuk zou moeten spelen. Ik besefte dat ik de toestand niet meer meester was en nam me meteen voor dat ik de controle over mezelf niet mocht verliezen. Die strategie heeft me door de rest van mijn gevangenschap geholpen. 280 dagen lang had ik mezelf onder controle en bleef ik kalm, ondanks alles wat ze me aandeden.

 

Want u werd gefolterd?

Aqil: Ja. Dat overkomt trouwens iedereen die in het Midden-Oosten ontvoerd of gearresteerd wordt. Om het even wie je oppakt, een reeks martelsessies krijg je er altijd gratis bovenop. Folteren was niet iets typisch voor de Islamitische Staat, het is een standaardbehandeling van zowel politie, leger als alle mogelijke rebellengroepen. De marteltechnieken die de IS op mij toepaste, hebben ze geleerd van het Syrische regime en van Saddam Hoessein. Van zodra ze ons pad kruisten, wist ik dat ik gefolterd zou worden. Het bizarre is dat zij de schijn hoog hielden en de inwoners van hun hoofdstad Raqqa probeerden wijs te maken dat ze gevangenen zoals wij goed behandelden. Ze hielden ons daar vast in hun centrale gevangenis, bijgenaamd het ‘Zwarte Stadion’. Het was er levensgevaarlijk: je kon er ofwel elk moment afgemaakt worden door een IS-terrorist, ofwel de dood vinden in een bombardement van de Coalitie.

Mijn folteraars schiepen er een waar genoegen in om me op te hangen aan metalen kettingen en af te rossen met metalen staven. Ze gedroegen zich als volbloedsadisten. Soms had ik geluk en gebruikten ze plastieken of houten stokken. Ze wisten elke plek op mijn lichaam te raken en sloegen me op het hoofd. Sommige medegevangenen werden voor mijn ogen gefolterd met elektrische stroom. (stilte)

 

Wat wilden ze van u?

Aqil: Niets. Op dat moment wisten ze eigenlijk alles van mij. Ze hadden mijn smartphone, laptop en externe harde schijven uitgevlooid. Het martelen diende niet om meer te weten te komen, maar enkel om me te vernederen en wraak op mij te nemen. Ze wisten dat ik hun gedachtegoed verafschuwde. ‘We folteren je omdat je ons haat.’ In de tweede week van onze ontvoering moesten we voor de shariarechtbank verschijnen. Farhad en ikzelf werden veroordeeld tot de doodstraf door onthoofding. Vanaf dan begon ik elke seconde te tellen. Ik was er rotsvast van overtuigd dat ik aan mijn laatste uren op aarde bezig was. Ik kende niet alleen het gruwelijke einde van Foley en Sotloff, maar ook dat van hulpverleners David Haines, Alan Henning en Peter Kassig. Ik probeerde kalm te blijven en me te schikken in mijn lot.

 

U bent geen gelovig man?

Aqil: Nee, ik ben atheïst. Het klinkt misschien raar, maar dat hielp me om te aanvaarden wat me te wachten stond. Ik hoopte niet wanhopig op God die me ter hulp zou snellen en was verzoend met mijn nakende dood. Als ik een westerse journalist geweest was, had u zo goed als zeker in 2015 mijn onthoofding in de woestijn kunnen meemaken op een IS-propagandafilm. Mijn leven is gered omdat ik een Koerd ben. Het Koerdische leger viel de door de IS veroverde steden aan, boekte resultaat en nam honderden IS-strijders gevangen. Door onze Koerdische origine werden Farhad en ikzelf interessante ruilwaar voor de IS. Op 20 september 2015 werd ik geruild voor een paar IS-strijders en kwam ik in handen van de Koerdische YPG. Een dag later was ik herenigd met mijn familie. Farhad werd een paar weken later vrijgelaten.

 

Wat voor mensen waren de IS-strijders die u gevangen hielden?

Aqil: Eerst en vooral: er bestond niet zoiets als ‘de IS’. Er waren verschillende Islamitische Staten. De IS uit Irak verschilde nogal van die in Syrië. De Iraakse IS-terroristen waren veel gewelddadiger dan hun Syrische broeders. In Irak woedde er oorlog sinds de invasie van de Amerikanen in 2003. Duizenden gestaalde jihadisten verhuisden van Afghanistan naar Irak om daar hun heilige oorlog verder te zetten. De IS startte eerst in Irak en werd pas later in Syrië actief. De Syrische tak van de IS bestond uit verschillende gemeenschappen. Je had de Europeanen die samenklitten, de IS-leden die in Syrië gerekruteerd waren en de IS-strijders die uit de landen kwamen tussen Turkije en Rusland: Tadzjikistan, Oezbekistan en Kazakhstan. Ze hadden allemaal een verschillende achtergrond, maar over één ding waren ze het roerend eens: al wie tegen hen was, verdiende de dood. Ze waren er heilig van overtuigd dat God hen geschapen had om de ongelovigen te terroriseren en af te slachten. De overgrote meerderheid was naïef en idioot. Er zat niets in hun hoofd; de radicale imams vulden het met de grootst mogelijke onzin. De Europeanen waren van een ander kaliber. Sommigen onder hen hadden zich bekeerd en ontpopten zich tot de radicaalsten onder de radicalen. Een aantal had ook gestudeerd. Zij moordden niet eigenhandig, maar tekenden de moordplannen uit. Tijdens mijn gevangenschap kon ik gesprekken volgen tussen mijn bewakers. Ze hadden het verschillende keren vol bewondering over die masterminds uit Europa.

 

Voerde u zelf gesprekken met hen?

Aqil: Ja, tijdens mijn gevangenschap sprak ik met meer dan veertig van die gasten. Vaak waren dat griezelig normale gesprekken. Veel van mijn medegevangenen waren trouwens ooit zelf ook IS-lid. Een van de grote risico’s van het lidmaatschap van de IS, was dat je razendsnel bij je medebroeders in ongenade kon vallen. Waarna je in de gevangenis terechtkwam bij ontvoerde journalisten zoals wij. De IS voerde dus niet alleen terreur tegen de buitenwereld, maar ook tegen zijn eigen mensen. Ze vraten elkaar op. Het was zonneklaar dat hun kalifaat geen lang leven beschoren zou zijn. Ondertussen hebben ze wel heel keurig het doel van de Syrische president Assad gediend.

 

Hoe bedoelt u?

Aqil: Ik ben ervan overtuigd dat Assad de IS mee heeft gecreëerd, of op zijn minst groot heeft helpen maken. Met hun georchestreerde wreedheden zogen ze wereldwijd alle aandacht naar zich toe en ondertussen kon Assad rustig zijn gang gaan. Maar niet alleen de Syrische president trok aan de touwtjes: zijn Turkse evenknie Recep Tayyip Erdogan en de regimes van Saudi-Arabië en Qatar hebben evenveel boter op hun hoofd. Zij zagen alleen maar voordelen aan het kalifaat. Wist u dat Assad in het begin van de zogenaamde Syrische revolutie duizenden jihadistische salafisten uit zijn gevangenissen vrijliet, ook al lustten zij hem als sjiitische alawiet rauw? Die ex-gevangenen stonden aan de basis van talloze extremistische en jihadistische rebellengroeperingen. Assad gaf het jihadisme een extra boost en hoopte zo zijn eigen hachje te redden. De gewone Syrische burgers hadden snel genoeg van die door jihadterreur verziekte revolutie. Ze smeekten hun dictator bijna om de gekken van God te lijf te gaan. Het cynisme werd ten top gedreven door Erdogan die op slinkse wijze IS-strijders steunde en bevoorraadde.

 

De Brit Mike Rosa vocht in 2015 aan de zijde van de Koerdische YPG tegen de IS aan het front in Sinjar. Hij beweerde achteraf dat hij bewijzen gezien had van Turkse gespecialiseerde troepen die aan de zijde van IS-strijders opereerden.

Aqil: Ik heb die Turkse elitesoldaten ook gezien. Sky News heeft zelfs gefilmd hoe Turkse soldaten en IS-strijders met elkaar verbroederden. Erdogan heeft de IS aan zijn grens nooit iets in de weg gelegd. Geen kogel heeft hij naar hen laten afvuren. Tegen de Koerden daarentegen trekt hij wel ten strijde. Hij noemt ons allemaal PKK-terroristen en geeft zichzelf zo een vrijgeleide om ons op te jagen. Als hij de PKK wil bestrijden, moet hij dat in zijn eigen land doen en niet in Syrië. Maar nee, veel liever trekt hij de grens over om dood en vernieling te zaaien in de Koerdische enclave Afrin. Die hele bloedige oorlog lang al schept Erdogan er een duivels genoegen in om de extremistische soennitische krachten in Syrië te voeden. Zo voert hij zijn persoonlijke vendetta tegen die andere dictator Assad en rekent hij af met de Koerden. Ondertussen laat de internationale gemeenschap Syrië aan zijn lot over. Zeven jaar lang al kijkt ze toe hoe het land naar de verdoemenis gaat. Ze richtten hun focus op de IS en al de rest kon hen gestolen worden. Ze volgden zo blindelings de strategie van Assad. Ik voorspel dat het niet lang meer zal duren voor de leiders van àlle landen binnenkort handjes zullen schudden met de Syrische dictator. Ze zullen hem zien als enige ‘stabiele’ factor in die poel van ellende. Ze vergeten dat hij die poel zelf veroorzaakt heeft en dat hij er niet voor zal terugdeinzen om in de toekomst de boel terug in de fik te steken.

 

Na uw vrijlating vluchtte u naar Duitsland. Waarom?

Aqil: Ikzelf wou liever in Syrië blijven, ook al was er die niet aflatende dreiging van de Islamitische Staat. Een volksverhuizing van Syrië en Irak naar het Westen kan nooit een oplossing zijn. Ik wou blijven, maar mijn ouders waren zo van de kaart door mijn ontvoering dat zij weg wilden. Hun kinderen moesten in veiligheid gebracht worden. Ik zag hun angst en heb hun beslissing om te vertrekken gerespecteerd. Na alles wat ze meegemaakt hadden, kon ik hen niet dwingen om te blijven. Op 20 december 2015 vertrokken we en sinds die dag heb ik me in mijn hoofd geen moment meer op mijn gemak gevoeld. Als vluchteling voel ik me de speelbal van politici zoals Erdogan. De Turkse president heeft ons meermaals misbruikt om Europa te chanteren. Vluchtelingen werden voorgesteld als gevaarlijke extremisten die hij in ruil voor 6 miljard euro zou tegenhouden. Sindsdien zijn vluchtelingen zijn pasmunt om zijn zin te krijgen. Ik word daar misselijk van. Ik woon nu in het noorden van Duitsland en ik voel hoe veel Duitse burgers mij en andere vluchtelingen haten. De spandoeken met ‘Welcome refugees’ zijn in heel Europa al lang opgeborgen. De dag dat de oorlog in Syrië echt stopt, keer ik terug naar huis. Mijn familie is uitgeput en leeft versnipperd over Europa. Moest ik alleen zijn op de wereld, zou ik me misschien makkelijker kunnen aanpassen aan Duitsland. Maar nu voel ik me verscheurd. Ik mag het contact met mijn broers en zussen niet verliezen, want dan ben ik totaal verloren.

 

Toen u in Duitsland arriveerde, liep u gevluchte IS-aanhangers tegen het lijf.

Aqil: Een bevriende journalist vertelde me over een man die hij in een asielcentrum ergens in Europa ontmoet had. Die kerel bleek bij mij in de IS-gevangenis gezeten te hebben. Hij was zogezegd bij zijn IS-makkers in ongenade gevallen, maar ik ben er zo goed als zeker van dat ze hem in mijn cel geplaatst hadden om me te bespioneren. Hij heeft het bloed van veel onschuldige burgers aan zijn handen en kreeg later in dat West-Europese land toch asiel. Hij schopte het er zelfs tot imam. Hoe hij heet en waar hij zijn ‘zendelingenwerk’ verricht, mag ik u helaas niet zeggen, maar ik maak me daar zeer veel zorgen over.

 

De Duits-Pakistaanse journalist Shams Ul-Haq ging in 2016 undercover in verschillende Duitse asielcentra. Volgens hem kwam hij er talloze malen in contact met sleepers van de IS, IS-strijders die in de vluchtelingenstroom geïnfiltreerd waren.

Aqil: U mag hem gerust geloven. Mohammed Daleel, de dader van de aanslag in Ansbach op 24 juli 2016, kwam uit Syrië. Hij ‘vluchtte’ in 2013 naar Duitsland, nadat hij voor IS in Irak had gevochten. De Duitse politie heeft de voorbije jaren trouwens verschillende leden van slapende IS-cellen opgepakt. Dat waren vaak mensen die zich in Syrië of Irak aan oorlogsmisdaden schuldig gemaakt hadden en in Duitsland asiel aanvroegen. Ik heb als journalist nogal goede contacten met verschillende mensen binnen de Koerdische strijdkrachten. Zij hebben 1.500 IS-leden in hun gevangenissen zitten en verzamelden zo de voorbije jaren heel wat interessante informatie. Ik had daar toegang toe en kon zo namen plakken op heel wat gezichten die ik later tegenkwam. In 2016 en 2017 legde ik een database aan van verdachte figuren. Dat was mijn bijdrage aan de strijd tegen de IS. Op dat moment vervelde ik van journalist tot activist, omdat ik hartstochtelijk wou dat de IS totaal verslagen werd. Want ik geloofde dat zij aan de basis lagen van alle ellende in mijn land. Ondertussen heb ik moeten vaststellen dat ik me daarin schromelijk vergist heb. We hebben één club extremisten opgeruimd, maar nu blijkt dat al die zogenaamd gematigde rebellengroepen geen haar beter zijn. Ze kregen jarenlang steun van Erdogan en gesofisticeerd wapentuig van de Amerikanen en blijken nu minstens even radicaal én jihadistisch te zijn als de IS. Het grote probleem met de door de islam gestuurde verzetsgroepen, is dat de lijn tussen ‘gematigd’ en ‘radicaal’ flinterdun is. Alles hangt af van de boodschappen die hun imams de wereld insturen. De Amerikanen hebben geen enkel inzicht in wat er zich op het terrein afspeelt. Dat was zo al onder president Obama en is onder Trump geen sikkepit veranderd. Het kalifaat is ingestort, maar het moorden en onthoofden gaat gewoon verder. Uit het puin van het kalifaat zijn ondertussen tien nieuwe IS-varianten opgestaan. De ene nóg radicaler dan de andere. De enige manier om ze te stoppen, is Erdogan een halt toeroepen.

 

Hoor ik nu de Koerdische activist spreken?

Aqil: Toch niet. Ik heb het helemaal niet over de Koerdische kwestie, maar over het stoppen van de radicale islam. Europeanen onderschatten Turkije én Saudi-Arabië. Al jarenlang sturen die twee landen handenvol geld naar Europa voor de bouw van moskeeën en de opleiding van imams. Gelooft u echt dat ze dat doen om de plaatselijke gemeenschappen vooruit te helpen? Denkt u dat ze zo de vluchtelingen een hart onder de riem willen steken of de Europeanen een helpende hand reiken? Nee, ze willen de vluchtelingen en migranten vervreemden van het Westen en van de democratie. Wij zijn naar Europa gevlucht omdat we genoeg hadden van de moskeeën. We verlangen naar universiteiten, gezondheidszorg, werk en vrijheid. Moskeeën en imams kunnen ons gestolen worden.

 

Masoud Aqil

  • 1993 geboren in Kamishli, Syrië
  • 2014 wordt ontvoerd door de IS terwijl hij als journalist aan het werk is voor het Koerdische mediabedrijf Rudaw
  • 2015 komt na 280 dagen vrij en vlucht naar Duitsland
  • 2016-2017 helpt de Duitse politie bij het opsporen van gevluchte IS-leden
  • 2018 bereidt zich voor op een opleiding aan een Duitse universiteit

 

Masoud Aqil, De jongen die tegen IS strijdt, HarperCollins, 320 blz., 17,99 euro

(c) Jan Stevens

‘De toestand is nu zeker niet beter dan toen het kalifaat nog bestond’

In 2017 was er nauwelijks een dag zonder dat er ergens ter wereld een aanslag begaan werd in naam van God. Volgens Paul Cliteur en Dirk Verhofstadt onderschatten we nog steeds de dreiging die uitgaat van dat ‘theoterrorisme’. ‘Als je er in slaagt om een terroristische beweging aan twintig procent van de wereldbevolking te koppelen, heb je een fenomeen gecreëerd dat iets lastiger te bezweren is dan de Rote Armee Fraktion.’

 

In het vuistdikke In naam van God brengen moraalwetenschapper Dirk Verhofstadt en rechtswetenschapper Paul Cliteur de achtergronden in kaart van terreur begaan in naam van God. Aanleiding was een aanslagendagboek dat Dirk Verhofstadt in 2017 begon bij te houden. ‘Op 1 januari van dat jaar werd ik wakker met het nieuws dat een man met een kalasjnikov dood en vernieling gezaaid had in een nachtclub in de Turkse hoofdstad Istanboel’, zegt hij. ‘In naam van zijn God vermoordde de IS-sympathisant 39 mensen en verwondde hij 69 anderen. Veel slachtoffers waren westerlingen, maar ook moslims die Nieuwjaar aan het vieren waren, werden in koelen bloede afgeslacht. Die aanslag richtte zich specifiek op mensen die plezier maakten, iets waar radicale islamisten van gruwen. Ik besloot toen om alle aanslagen in naam van God van het nieuwe jaar bij te houden. Toen ik de volgende ochtend de kranten opensloeg, was het meteen weer raak en het stopte sindsdien niet meer. In maart dacht ik: “Dit is zo immens dat het meer dan louter een dagboek moet worden.” De tijd leek me rijp om op zoek te gaan naar de wortels van dit nietsontziende theoterrorisme, deze terreur in naam van God. Toen contacteerde ik Paul Cliteur, want ik ken hem al lang en ik weet dat hij zeer begaan is met die problematiek.’

Paul Cliteur: ‘Toen Dirk me over zijn dagboek vertelde, vond ik dat een zware taak, want hoe lang ga je door met het bijhouden van zo’n gruwelcatalogus? Dat is een zeer deprimerend karwei, maar tezelfdertijd is het ook erg belangrijk dat mensen er kennis van nemen. Ik vroeg me ook af hoe we lezers ervan zouden kunnen overtuigen dat al dat geweld iets te maken heeft met ideologie, met een wereldbeschouwing. Want ik ben me er erg van bewust dat veel mensen er rotsvast van overtuigd zijn dat die terreur helemaal niks met religie te maken heeft.’

 

Jullie zijn het niet eens met de stelling dat de motieven voor jihadterreur niet uitsluitend in de religie gezocht moeten worden, maar wel in het sociaal-economische, zoals discriminatie in onderwijs en werk? Of in het geopolitieke, met aanslagen als vergelding voor wat het Westen aangericht heeft in het Midden-Oosten?

Paul Cliteur: Kijk, in de wijsbegeerte zijn er twee grote scholen om de motieven van mensen te verklaren: de idealistische en de materialistische school. De idealisten gaan ervan uit dat ons denken invloed heeft op ons handelen. Volgens de materialistische school heeft dat denken er niet veel mee te maken, maar bepalen sociaaleconomische factoren onze handelingen. De idealistische school is die van Georg Wilhelm Friedrich Hegel, de materialistische is die van Karl Marx. De waarheid ligt waarschijnlijk ergens in het midden. Natuurlijk spelen sociaaleconomische factoren een rol in de ontwikkeling van het theoterrorisme, net als geopolitieke én psychologische.

 

De Britse historicus Michael Burleigh schreef een paar jaar geleden Bloed en woede, waarin hij op zoek ging naar de ziel van het terrorisme. Volgens hem zijn terroristen niet meer dan nihilistische idioten, met ideologie als schaamlap.

Cliteur: ‘Het zijn gekken.’ Dat kan best. Maar mij fascineert het dat er onder terrorismedeskundigen zo weinig aandacht is voor de ideële factoren. Marx regeert en Hegel wordt genegeerd. Ze zeggen: ‘Die terreur heeft te maken met marginalisering op de arbeidsmarkt. Die jongens hebben geen baan en zijn ontevreden over 1001 andere dingen. Maar met hun denken heeft het geen uitstaans.’ Sorry, maar ik geloof dat dat gewoon niet kan. Want als je net zoals wij de wereldbeschouwing van die mannen en vrouwen begint te bestuderen, bespeur je er een samenhang in waarvan zelfs ik me kan voorstellen dat er een zekere verleidingskracht vanuit gaat. In 2010 publiceerde ik Het monotheïstisch dilemma, waarin ik een ernstige zoektocht ondernam naar de relatie tussen religie en geweld. Sindsdien heb ik me samen met Dirk gespecialiseerd in de uitgangspunten van de terroristische en extremistische kanten van de drie monotheïstische godsdiensten, het christendom, het jodendom en de islam.

Dirk Verhofstadt: Paul introduceerde als eerste het begrip ‘theoterrorisme’. Uit mijn aanslagendagboek van 2017 blijkt dat de meeste daders salafistische soennieten zijn. Natuurlijk zitten er ook radicale sjiieten, christenen, joden en hindoes tussen, maar de overgrote meerderheid zijn salafisten. Zij willen doelbewust terug naar de oorsprong van de islam, naar de tijd van de profeet en de drie generaties erna, om vanuit dat gedachtengoed te streven naar de zuivere islam en de vernietiging van al de rest. Dat mag je letterlijk nemen. Het salafisme heeft zonder enige twijfel te maken met religie. De heilige schrift, in dit geval de koran, wordt door salafisten letterlijk geïnterpreteerd. Ze keren zich af van de Verlichtingsideeën, haten de vrijheid van meningsuiting, verwerpen de gelijkheid tussen man en vrouw, maar misschien nog het belangrijkste is dat ze de burgerlijke wetgeving afwijzen. De wet van God, de sharia, is voor hen het allerbelangrijkste. Ze zijn overtuigd van hun gelijk en willen dat opdringen aan anderen. Wie tegen hen is, moet vernietigd worden. De boodschappen die ze na hun aanslagen de wereld insturen, laten duidelijk zien dat het om religie gaat. Als ze een sjiitische moskee opblazen, luidt de boodschap: ‘Deze aanslag is omdat jullie niet zuiver in de leer zijn.’

 

In jullie boek verwijzen jullie naar de Britse historicus Tom Holland wiens BBC-documentaire over de geschiedenis van de islam in september 2012 geannuleerd werd nadat hij bedreigd werd. Jullie zijn niet bang dat jullie nu hetzelfde zal overkomen?

Cliteur: Tom Holland maakte een documentaire en schreef een boek over de islam en de profeet. Dat is niet wat wij doen. Wij houden ons niet bezig met de profeet of met de essentie van godsdiensten zoals de islam, het christen- of jodendom. We focussen ons enkel op een bepaalde politieke vormgeving van de godsdienst.

Verhofstadt: We geven geen waardeoordelen over godsdiensten, en we wensen alle vrijzinnige moslims die de islam willen hervormen veel succes. Zij komen trouwens ook aan bod in ons boek, zoals de Duitse moslima Seyran Ates die in haar moskee in Berlijn een liberale islam wil lanceren. Maar we denken dat het onderzoek naar de oorzaken van terrorisme geen stap verder komt, als de overheden niet bereid zijn eindelijk een blik te werpen op de ideële achtergronden van terreur. Het is toch vreemd dat dat tot hiertoe niet gebeurd is?

 

Er zijn toch wel degelijk politici én experts die erkennen dat de terreur van een organisatie als de IS religieus geïnspireerd is?

Cliteur: Die ommekeer dateert pas van de afgelopen maanden, onder impuls van de Franse president Emmanuel Macron. Hij tweette dat terreur wel iets met ideologieën te maken zou kunnen hebben. In de VS heeft president Donald Trump exact hetzelfde gedaan. Ik ben daar verheugd over, want ik vind dat we intussen veel te gewend geraakt zijn aan al die terroristische aanslagen. Als burgers mogen we er geen genoegen mee nemen dat in onze wereld terrorisme als een fact of life wordt geaccepteerd.

 

Ten tijde van de Rote Armee Fraktion en de Rode Brigades in de jaren zeventig en tachtig dachten we ook: dit stopt nooit meer. Die rode terreur ligt ondertussen alweer een paar decennia achter ons. Terroristische golven komen en gaan. Dan beroepen ze zich op die ideologie, vervolgens weer op een andere.

Cliteur: Al heel vroeg na 9/11 was een van de grote zorgen van Amerikaanse inlichtingendiensten dat de terroristen zich beroepen op een wereldgodsdienst. Dat maakt die vorm van terreur heel boosaardig. De monotheïstische godsdiensten vertegenwoordigen 50 procent van de wereldbevolking. Grofweg 0,25 procent is joods. Uit dat kleine jodendom stammen het christendom en de islam. Ongeveer dertig procent van de wereldbevolking is christelijk en ongeveer 20 procent is islamitisch. Als je er in slaagt om een terroristische beweging aan twintig procent van de wereldbevolking te koppelen, heb je een fenomeen gecreëerd dat toch iets lastiger te bezweren is dan de Rote Armee Fraktion.

Verhofstadt: Wat ons vooral stoort is dat westerse intellectuelen daar zo weinig aandacht voor hebben. Ik heb ontzettend veel respect voor het feminisme. Feministen spreken zich terecht over heel wat maatschappelijke kwesties uit, maar van zodra je over de islam begint, klappen de meeste dicht. Alsof in die religie mannen en vrouwen op gelijke voet behandeld worden, terwijl we allemaal weten én studies aantonen dat juist binnen de islam vrouwen in een problematische positie zitten. Als je voor de rechten van de vrouw opkomt, is dat voor de rechten van àlle vrouwen. Dan kan je verplicht sluieren, gedwongen huwelijken, genitale verminkingen, verstotingen of eremoorden niet zomaar onder de mat vegen. Natuurlijk zullen de feministes van Baas Over Eigen Hoofd (BOEH) en Furia zeggen dat ze daar tegen zijn, maar in hun acties merk ik daar niet veel van. Toen ik op de Boekenbeurs van 2006 mijn boek De derde feministische golf voorstelde, kreeg ik te maken met een demonstratie van BOEH en Furia, dat toen nog het Vrouwen Overleg Komitee heette. Ik stond als aan de grond genageld. Alsof ik géén boek had mogen schrijven over de misogyne kanten van de orthodoxe islam.

 

Vandaag is het kalifaat opgedoekt, lijkt de Islamitische Staat (IS) verslagen en is het veiligheidsniveau in België verlaagd van drie naar twee. De gevreesde massale terugkeer van Syriëstrijders vond vooralsnog niet plaats. Op het moment dat jullie boek verschijnt, lijkt de jihadterreur op zijn retour.

Cliteur: Dat is een beetje naïef. Vandaag leven we in een betrekkelijk poreuze wereld waar niet meer zo goed te controleren valt wie er zich in welk land bevindt. In 2010 werd de Deense cartoonist Kurt Westergaard bijna vermoord door iemand die uit Somalië kwam. Het feit dat er zoveel jihadisten verspreid over de hele wereld zijn, schept een veiligheidsrisico. Dat geldt óók voor Europese landen. Denk maar aan Frankrijk dat in 2015 twee enorme aanslagen te verwerken kreeg. Er zijn zelfs cynici die stellen: ‘Je kan beter een kalifaat in Syrië en Irak hebben, daar zitten ze goed. Dan leven ze tenminste niet verspreid over de rest van de wereld.’ De toestand is nu dus zeker niet beter dan toen het kalifaat nog bestond. Het zal pas de goede kant uitgaan wanneer Europese staten er in zullen slagen hun eigen bevolking, waaronder de moslims, ervan te overtuigen dat een liberale democratische rechtsstaat een beter model is dan een kalifaat. Dat het beter is om in een democratie te leven dan in een staat die door de sharia geregeerd wordt.

Verhofstadt: Wij maken ons niet alleen zorgen over de aanslagen, maar ook over de impact van die radicale geloofsovertuigingen op de Verlichtingswaarden. Vlak na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015 was iedereen Charlie. Op 11 januari stapten presidenten en premiers samen op onder het banier ‘Je Suis Charlie’. Maar toen op 14 januari het eerste nummer van Charlie Hebdo na de aanslag verscheen, trokken heel wat gezagsdragers hun steun in. Een spottende cartoon van een bedroefde profeet met het bordje ‘Je Suis Charlie’ in zijn handen, vonden ze plots onaanvaardbaar, want moslims zouden zich wel eens beledigd kunnen voelen. Naast dat openlijke inbinden op het principe van onze vrijheid van meningsuiting, zien we ook allerlei vormen van zelfcensuur de kop opsteken. ‘We schrijven dat beter niet, anders krijgen we misschien problemen.’ Als je niet oplet, laat je je op den duur sturen door radicale fanatici.

 

In zijn autobiografie beschrijft Salman Rushdie hoe na de fatwa van ayatollah Khomeini in 1989 een aantal weldenkende collega’s en kennissen hem lieten weten dat het doodvonnis zijn eigen fout was. Hij had De duivelsverzen maar niet moeten schrijven.

Cliteur: De politie zei toen tegen Rushdie: ‘Dit duurt een paar dagen, dan hebben de politici het uitgepraat met Iran en koelt het wel af.’ Maar dat bleek wishful thinking te zijn. Daarna werden er plannen op tafel gelegd om de crisis te bezweren. Rushdie schrijft: ‘Er werd voorgesteld dat ik mijn excuses zou aanbieden aan Iran. Er werd ook geopperd dat de paperbackeditie niet zou uitkomen.’ Toen werd het meest wrange plan op tafel gelegd: Rushdie zou een tijdje met een pruik op zijn hoofd op straat moeten rondlopen zodat hij onherkenbaar was. Hij heeft dat ook uitgetest. En hij vertelt hoe iemand op straat riep: ‘Hey! There you have that bastard Salman Rushdie with a wig!’

Verhofstadt: En dan was er de op dat moment alom gewaardeerde Britse historicus Hugh Trevor-Roper die in een interview zei: ‘Als een groep Britse moslims mijnheer Rushdie in een donker steegje zou staan opwachten en hem wat manieren zou bijbrengen, zou ik daar geen bezwaar tegen hebben.’ Die houding tref je ook in Vlaanderen en Nederland aan.

Cliteur: Een paar maanden na de moord op Theo Van Gogh in november 2004 verscheen van Geert Mak het boek Gedoemd tot kwetsbaarheid. Mak vond dat de Europese staten zich veel kwetsbaarder moesten opstellen. Dat was natuurlijk een verschrikkelijke vergissing, en Mak is er daarna ook nooit meer op teruggekomen, maar toch vertolkte hij met dat boekje een dominante mentaliteit. Hij was een van de velen die op dat moment het fenomeen van de radicale islam zwaar onderschatte. Het is ondertussen al lang niet meer beperkt tot het in elkaar slaan van een schrijver in een donker steegje. We weten nu dat het ook te maken heeft met onthoofdingen op een strand door de IS.

 

Aan de andere kant slaan de stoppen evenzeer door bij islamhaters die gewone moslims viseren en het leven zuur maken.

Verhofstadt: Daar sluiten we onze ogen niet voor. In het dagboek staan ook aanslagen beschreven op moskeeën in de VS door mensen die de islam haten. Dat is verschrikkelijk en keuren we alleen maar af. Voor alle duidelijkheid: In naam van God is geen antireligieus boek. Iedereen mag geloven wat hij of zij wil. Maar wij hebben het er moeilijk mee van zodra iemand zijn religie aan anderen probeert op te dringen.

 

Geweld en terreur kun je toch niet alleen op het conto van religies schrijven? Het stalinisme en het nazisme hadden niet veel affiniteit met God.

Cliteur: Dat is zeker zo. Maar over dat stalinisme wil ik toch iets kwijt. In 1989 viel de Berlijnse muur. Op dat moment stortte ook het Sovjetrijk in elkaar. Ayatollah Khomeini maakte van die gelegenheid gebruik om een brief te schrijven naar Sovjetleider Gorbatsjov. ‘Het is jullie niet gelukt om de grote satan Amerika op de knieën te dringen. Nu nemen wij het over’, schreef hij. En tegen Gorbatsjov persoonlijk zei hij: ‘Je kan nog moslim worden.’ Dat enorme zelfvertrouwen van Khomeini vind ik interessant. In datzelfde jaar vaardigde hij in het openbaar het doodvonnis uit over Rushdie. Dat durfde zelfs Stalin niet. Op het moment dat Stalin vond dat Trotski als politieke tegenstander vermoord moest worden, deed hij dat stiekem.

 

Het is Stalin wel gelukt, natuurlijk. Rushdie is nog steeds alive and kicking.

Cliteur: Het is Stalin wel gelukt, ja. Maar op een gegeven moment concentreerde Stalin zich op socialisme binnen een bepaald land. Khomeini, en de hedendaagse theoterroristen en hun financiers zoals Saudi-Arabië, leggen zich toe op het subsidiëren en plegen van aanslagen in stations zoals Antwerpen Centraal, waar wij ons nu bevinden. Op dit moment is het theoterrorisme internationaal een veel ingrijpender verschijnsel dan het communisme ooit was.

 

De Britse auteur Karen Armstrong schreef een boek met exact dezelfde titel, over hetzelfde thema. Alleen de inhoud verschilt nogal drastisch. Volgens haar hebben oorlog en geweld weinig met religie van doen, maar eerder met economie en politiek. Ik vermoed dat ze het ook niet eens is met jullie interpretatie van bijbel en koran. Voor haar handelen de heilige boeken in de eerste plaats over naastenliefde in plaats van over moord en doodslag.

Verhofstadt: Uiteraard staan er in de bijbel en de koran mooie passages over naastenliefde en compassie. Andere passages zijn dan weer minder leuk, maar die worden steevast weg geïnterpreteerd. Alleen kán je die niet allemaal zomaar hocuspocus weg interpreteren. Want hoe interpreteer je een tekst zoals Numeri 25 weg waarin de moord op een overspelpleger bejubeld wordt? Hoe moffel je die passages onder het tapijt waarin opgeroepen wordt om ongelovigen of homo’s over de kling te jagen? Die kun je toch niet zomaar uitvegen?

Cliteur: Karen Armstrong doet eigenlijk hetzelfde als wat de Amerikaanse president Thomas Jefferson in 1820 deed. Hij pakte het evangelie en las: ‘Opgestaan uit de dood? Dat kan natuurlijk niet, hup, er uit. Steniging op basis van overspel? Beetje overdreven, weg ermee.’ Hij interpreteerde niet, maar schrapte wat hem niet aanstond. Wat overbleef, werd de Jefferson Bible. Die bijbel bulkt van de naastenliefde, de goede zorgen voor de weduwen en de wezen en nog zoveel andere mooie dingen. Al die liberale theologen waar Karen Armstrong zo’n fan van is, zeggen natuurlijk niet: ‘We moeten net als Jefferson te werk gaan en alles dumpen wat we niet leuk vinden.’ Dat zou te gek zijn, en toch begeven ze zich schoorvoetend op zijn pad. Want ze interpreteren de bijbel zo dat alle passages die aanzetten tot geweld, in hun tijd gezien moeten worden of enkel beeldspraak zijn. Dat mag hoor, maar zelfs dan blijven er voldoende teksten over die zeer zorgwekkend zijn. Wij hebben een paar van die verhalen geanalyseerd en tonen aan dat de theoterroristische ideologie er aanknopingspunten in heeft.

Verhofstadt: We zijn wel veel te lang te tolerant geweest voor de intoleranten. Ik vind dat we dringend salafistische organisaties moeten aanpakken en hun financiering droogleggen.

 

Moeten we ze verbieden?

Verhofstadt: Ik vind van wel. Ik vind ook dat we moeten stoppen met het godsdienstonderwijs zoals het op dit ogenblik gegeven wordt. Eigenlijk moet de overheid ophouden met het financieren van alle religies.

 

Dan verlies je er toch alle controle erover?

Verhofstadt: Dat wordt altijd gezegd, maar ik ben het daar niet mee eens. Waarom moeten scholen godsdienstlessen organiseren? Twaalf jaar lang volgt het ene kind islamitische godsdienst, het andere katholieke, misschien is er nog een anglicaan en een boeddhist en de rest volgt zedenleer. Elk leert zijn eigen waarheid. We passen in ons onderwijs een soort van feitelijke segregatie toe, terwijl het over heel belangrijke zaken gaat: het doorgeven van waarden. Ik ben een groot voorstander van wat professor Patrick Loobuyck in 2013 lanceerde, de vervanging van levensbeschouwelijke vakken door lessen LEF: levensbeschouwing, ethiek en filosofie. Zodat kinderen na twaalf jaar niet als gelovigen de school verlaten maar als kritische burgers die zelf kunnen beslissen wat ze willen geloven.

Cliteur: Er zijn natuurlijk ook mensen die zeggen: ‘Katholicisme is geen probleem meer tegenwoordig, net als het jodendom en het protestantisme. Alleen de islam is een probleem. Daarom mogen we geen islamitische scholen hebben, maar wel katholieke, joodse en protestantse.’ Dat vinden wij een veel te grote inbreuk op liberale kernwaarden. Dus zal er een moment moeten komen waarop katholieken, protestanten en joden zich erbij neerleggen dat ze hun eigen boontjes moeten doppen.

 

Eigenlijk zijn zij dan de dupe van het feit dat een paar radicale islamitische broertjes zich niet goed gedragen hebben?

Cliteur: Ja. Ik wil wel optimistisch zijn, maar de problemen van radicalisering zullen niet vanzelf weggaan, ook al wordt dreigingsniveau drie verlaagd naar twee. We zullen dus inderdaad in ons onderwijs moeten ingrijpen. Maar we moeten ook zeer dringend de financieringsstromen droogleggen. Op dit moment wordt een heel grote moskee in Amsterdam gebouwd en het is uiterst moeilijk om de vinger achter de financiering van dat gebouw te krijgen. Saudi-Arabië stort niet rechtstreeks, maar via een wirwar aan zogenaamd charitatieve instellingen. Heimelijk wordt zo de jihad gefinancierd. Daar moeten we toch dringend komaf mee maken?

 

 

Paul Cliteur

  • 1955 geboren in Amsterdam
  • 1989 promoveerde na zijn studies rechten en filosofie aan de universiteit van Amsterdam met het proefschrift ‘Conservatisme en cultuurrecht’, waarin hij een herleving van het conservatisme bepleitte
  • 1993-1995 voorzitter van het Nederlandse Humanistisch Verbond
  • 2002-2004 televisie-columnist in het Nederlandse programma Buitenhof
  • 2004 wordt hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap aan de universiteit van Leiden
  • 2018 wordt vanaf 1 maart voorzitter van het studiebureau van de rechtsliberale partij  Forumvoor Democratie van Thierry Baudet

 

Dirk Verhofstadt

  • 1955 geboren in Dendermonde
  • 2010 wordt doctor in de Moraalwetenschappen aan de universiteit van Gent met zijn proefschrift ‘Pius XII en de vernietiging van de Joden’
  • 2015 schreef samen met Paul Cliteur Het atheïstisch woordenboek
  • 2017 wordt als professor Media en Ethiek bevorderd tot hoofddocent aan de universiteit van Gent
  • Is kernlid van de liberale denktank Liberales

 

Paul Cliteur & Dirk Verhofstadt, In naam van God, Houtekiet, 472 blz., 24,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Big data worden belangrijker dan geld’

Oxford-professor en internetexpert Viktor Mayer-Schönberger vindt dat politici kostbare tijd verliezen met palaveren over de verkeerde problemen. ‘Terwijl ze over het pensioenstelsel debatteren, staat de arbeidsmarkt op instorten. Ze zouden zich beter op digitalisering focussen in plaats van op vergrijzing. Want de digitale revolutie wordt minstens even heftig als de industriële uit de 19e eeuw.’

 

De digitalisering wordt veel ingrijpender dan we nu vermoeden. Er zullen niet alleen massaal veel jobs sneuvelen; ook de financiële sector riskeert roemloos ten onder te gaan. Tenzij ze hun geliefde dollars, ponden en euro’s zo snel mogelijk inruilen voor big data. Dat is in een notendop de stelling van Oxford-professor Viktor Mayer-Schönberger en The Economist-wetenschapsjournalist Thomas Ramge in hun boek De data-economie. Niet wie geld beheert of bezit, zal volgens de auteurs in het digitale tijdperk floreren, maar wie toegang heeft tot de overvloed aan data die burgers achteloos op het wereldwijde net laten rondslingeren. ‘Want informatie is macht’, zegt Viktor Mayer-Schönberger. ‘Terwijl grote commerciële banken krimpen, groeien digitale marktplaatsen à la Booking.com, Uber, Amazon en Alibaba als kool. Het kapitalisme zoals wij dat kennen, loopt op zijn laatste benen.’

 

In het kapitalisme 2.0 wordt ‘Money makes the world go round’ vervangen door ‘Data make the world go round’?

Viktor Mayer-Schönberger: Exact. De voorbije eeuw stond onze markteconomie in het teken van financieel kapitalisme. Financiële instellingen zoals banken speelden de hoofdrol, net als het financieel kapitaal dat in bedrijven geïnvesteerd werd. Dat hele systeem gaat radicaal op de schop. Het internet heeft die verandering in gang gezet, maar de belangrijkste drijvende kracht zijn de data.

Als je mensen wilt laten samenwerken, heb je de keuze tussen twee structuren: die van het bedrijf, of die van de markt. Bedrijven zijn hiërarchisch opgebouwd, waarin de ene medewerker de andere aanstuurt. Niet elke werknemer moet van alles op de hoogte zijn; het volstaat vaak dat je je bewust bent van je eigen taak. Markten zijn andere koek. Elke markt waar handel gedreven wordt, bestaat uit vele partners, met zowel kopers als verkopers, die allemaal autonoom beslissen. Wie een domme beslissing neemt, betaalt daar de prijs voor. De markt zelf ondervindt daar geen schade van. Ze is zeer veerkrachtig omdat ze geen centraal aanstuurpunt heeft: beslissingen worden er decentraal genomen. Ze is een uitstekend instrument om het samenleven tussen mensen in goede banen te leiden. Ze dwingt ons niet om met de neuzen in dezelfde richting te kijken. Integendeel, de markt helpt ons onze eigen individuele doelen te bereiken, zonder dat we de samenleving destabiliseren. Doordat alle deelnemers hun eigen beslissingen nemen, moeten ze allemaal over veel informatie beschikken. Het is dan handig om te weten wat anderen bezitten of wat hun voorkeuren zijn.

 

Uw economische ‘markten’ lijken sterk op de traditionele wekelijkse dorps- of stadsmarkt?

Mayer-Schönberger: Ze zijn zeer vergelijkbaar. Als je op vrijdagochtend op de lokale groentemarkt inkopen doet, wandel je best eerst langs alle kraampjes om een totaal beeld van het aanbod, de prijs en de kwaliteit te krijgen. Pas dan kun je beslissen wat je bij wie zal kopen. Je moet dus zelf eerst flink wat inspanningen leveren om alle noodzakelijke informatie te verzamelen. Natuurlijk is het soms fun om de dorpsmarkt te verkennen, maar als je weinig tijd hebt en het pijpenstelen begint te regenen, is de lol er snel af. Het wordt onmogelijk als een markt uit zijn voegen groeit of geen fysieke plek meer heeft. Vóór de komst van het internet zat alle informatie vervat in de prijs die ervoor gevraagd werd. Die bepaalde, en bepaalt in grote mate nog steeds, de kwaliteit en de waarde van een product. Van een stevig geprijsde tv mag je verwachten dat hij het langer uitzingt dan een goedkoop exemplaar. Door aan te kondigen wat we voor iets willen betalen, geven we in één getal al onze voorkeuren weer. Nobelprijswinnaar economie Friedrich von Hayek noemde de prijs: ‘de magie van de markt’. In dat ene getal komen alle voorkeuren en eigenschappen samen. Prijzen maken het ook makkelijker om producten met elkaar te vergelijken.

 

Maar zo verdwijnen ook alle details en nuances?

Mayer-Schönberger: Precies, en dat heeft tot gevolg dat we soms de foute beslissingen nemen. Dat overkomt ons allemaal bijna dagelijks: we kopen de goedkoopste kurkentrekker en na het ontkurken van twee flessen wijn is hij om zeep. Door de digitalisering wordt de focus op prijs steeds minder belangrijk. Voor het vastleggen van je vakantie ging je vroeger naar een reisbureau. De meesten onder ons surfen nu naar een site om een hotel of een vlucht te boeken. Daar kunnen we onze keuze via een dozijn aan parameters uitfilteren. Wil je een grote kamer? Een dubbelbed of twee aparte bedden? Een hotel met of zonder zwembad? Ontbijt in- of exclusief? Op een andere site kun je dan weer foto’s gaan bekijken van reizigers die er al overnacht hebben. Via Google Streetview krijg je een betrouwbaar beeld van het hotelgebouw en de omgeving. Vandaag hebben we dus makkelijk toegang tot een overvloed aan data van wat er op de toeristische markt beschikbaar is. Veertig jaar geleden reisde ik met mijn ouders naar een hotel in Italië. We wisten nooit wat we zouden aantreffen, en als het meeviel, reisden we er een jaar later opnieuw naartoe. Nu ken je op voorhand je hotelkamer vanbinnen en vanbuiten.

 

Niet alle informatie op de internetplatformen is even accuraat. Er wordt toch veel gemanipuleerd?

Mayer-Schönberger: Dat valt best mee. De meeste platformen werken tegenwoordig vrij efficiënt. Al hebben ze ondertussen wel veel macht verworven. Vroeger was niemand eigenaar van de markt, nu is in de digitale wereld de markt in handen van één onderneming. Het bedrijf Amazon van Jeff Bezos runt de marktplaats Amazon, waar zowat iedereen online winkelt. Google runt wereldwijd de marktplaats voor adverteerders. De macht van digitale marktplaatsen zoals Google, Amazon, Alibaba, Booking.com, Facebook is gebouwd op controle van de informatiestroom, van de big data die bezoekers op hun digitale markten achter laten.

 

Die concentratie aan macht bij de internetgiganten is problematisch?

Mayer-Schönberger: Dat kan zeer problematisch worden door de opmars van de intelligente digitale assistenten. U kent ze wel, de Alexa’s en Siri’s van deze wereld. Ze hoeven zelfs niet te kunnen praten, de ‘gewone’ aanbevelingen die je bij Amazon krijgt, zijn ook zo’n slimme digitale assistenten. Ze ‘helpen’ je te bepalen welke producten je zou moeten kopen en zijn zo verantwoordelijk voor 30 procent van de omzet van Amazon. Ook al lijken die aanbevelingen soms van de pot gerukt, toch volgen veel mensen braafjes wat hen voorgeschoteld wordt. Digitale assistenten zijn dus krachtige instrumenten. Ze worden aangedreven door data van bezoekers en klanten die continu door Amazon & co worden verzameld.

Innovatie was tot hiertoe gebaseerd op menselijke creativiteit. Grote ondernemingen werden het vuur aan de schenen gelegd door kleine creatieve spelers van vlees en bloed met briljante vernieuwende ideeën. De intelligente digitale assistenten zeggen de menselijke creativiteit de wacht aan. Want hun innovatie wordt niet langer aangedreven door menselijk vernuft, maar door data. Supergrote internetspelers zoals Amazon verzamelen steeds meer data en worden zo ook steeds beter in het bewerken van hun klanten. Niemand kan nog tegen hen optornen, want niemand heeft zoveel data verzameld als zij. Op termijn zal ons dat als consumenten verzwakken. We schenken nu al allemaal zonder nadenken ons vertrouwen aan dat handvol intelligente assistenten. Als de assistent een foute oplossing voor een probleem aanbiedt, volgen we slaafs. Er moet dus dringend iets ondernomen worden tegen die woekerende monocultuur op het internet.

 

De digitale mastodonten moeten verplicht worden om de big data die ze verzamelen voor iedereen ter beschikking te stellen?

Mayer-Schönberger: Inderdaad. De big data, de nieuwe grondstof voor creativiteit en innovatie, moeten voor iedereen toegankelijk worden. Volgens Google-hoofdeconoom Hal Varian zijn data een grondstof waarvan de waarde bepaald wordt door wie er het beste gebruik van weet te maken. Dat is heel juist, alleen zou het fijn zijn als Google zich niet langer vastklampt aan het exploitatiemonopolie. Want alleen concurrentie helpt innovatie vooruit.

 

Wie is eigenaar van de data? Google & co lijken ervan uit te gaan dat zij dat zijn, maar het zijn toch ónze gegevens die we op hun sites veelal onbewust achterlaten?

Mayer-Schönberger: Vanuit juridisch oogpunt hebben data geen eigenaar. Data zijn dus vogelvrij en om te verhinderen dat anderen ermee aan de haal gaan, installeren internetbedrijven technische obstakels. Op Europees niveau wordt er wel gepraat over het eigendomsrecht van data. Sommige politici zijn van oordeel dat degene die de data produceert, mag bepalen wat er verder mee gebeurt. Ikzelf geloof daar niet in, want de internetgiganten zullen ons dan een aanbod doen dat we toch niet kunnen weigeren. In ruil voor een habbekrats staan de meeste mensen hun eigendomsrecht zonder treuzelen af. De meeste internetgebruikers hebben zich nog nooit afgevraagd wie hun data te gelde maakt. Het enige wat ze willen, is dat hun gegevens niet misbruikt worden. We hebben eerst en vooral nood aan een herverdelingssysteem van de data zodat de giganten hun monopolie verliezen.

 

Is het daar al niet te laat voor?

Mayer-Schönberger: Nee, we staan nog maar aan het begin. Alle grote internetbedrijven moeten de sluizen openzetten zodat de informatie rijkelijk kan vloeien. Kleine spelers zullen daar snel hun voordeel mee doen, want big data zijn een perfect smeermiddel om machines nog slimmer te maken. Het resultaat zal zijn: nog meer nieuwe slimme toepassingen.

 

Het resultaat zal ook zijn dat geld plaats moet ruimen voor data?

Mayer-Schönberger: Het zal niet langer het enige smeermiddel van de economie zijn, met alle gevolgen vandien voor de financiële sector. Zolang geld gold als zowat de enige standaard om onze voorkeuren weer te geven, konden de banken zichzelf voorstellen als superbelangrijke bemiddelaar. Maar van zodra big data de aandrijfolie voor de economie worden, verliezen de banken hun aura van informatiebemiddelaar. Ze zullen enkel nog een provider van betalingen zijn, zoals telefoonbedrijven providers zijn van een mobiel netwerk. Ze worden dus herleid tot enkel een aanbieder van infrastructuur, waardoor ze in hun kosten zullen moeten snijden en hun marmeren paleizen sluiten.

De financiële sector is al volop aan het herstructureren en wijst daarvoor met een beschuldigende vinger naar het internet en onlinebankieren. Maar het probleem zit veel dieper, want hun corebusiness is bedreigd: data worden belangrijker dan geld. Banken hebben dat aan zichzelf te danken, want oorspronkelijk vormden informatie en data wél de kern van hun bestaan. Cosimo de Medici was in de veertiende eeuw het protoype van de bankier die zijn imperium bouwde op informatie. In de twintigste eeuw hing het succes van de New Yorkse zakenbankiers af van hun netwerken en de uitwisseling van informatie. De grote commerciële banken hebben de voorbije jaren bitter weinig geïnvesteerd in het halen van toegevoegde waarde uit de data van hun klanten.

 

Maar misschien wil ik helemaal niet dat een bank of een interbedrijf me via mijn data allerlei producten probeert aan te smeren. Of dat Facebook met zijn beruchte algoritmes bepaalt wat ik interessant of leuk moet vinden.

Mayer-Schönberger: Dat begrijp ik, maar dat is een gevecht tegen de bierkaai. Het is hoog tijd dat we ons ervan bewust worden dat de mens niet langer de enige met verstand is. (lacht) We zijn allemaal opgegroeid in een antropocentrisch tijdperk en we geloven dat we het eindpunt zijn van de evolutie, terwijl het heel goed mogelijk is dat we maar een tussenfase zijn. Wie weet, komt er nog iets na ons.

 

U gelooft in de cyborg, de versmelting van de mens met de machine?

Mayer-Schönberger: Dat zou toch kunnen? Daarom is het van groot belang dat we nu het debat voeren over hoe we ruimte blijven voorzien voor het menselijke, en dus ook voor het irrationele. Onze politici discussiëren over belastingen en besparingen, maar over de toekomst van de mens in een door big data gedomineerde samenleving hoor ik niets. Dat is zeer verontrustend. Ze houden zich bezig met het oplossen van problemen uit de twintigste eeuw. Ze praten over de vergrijzende samenleving en maken zich zorgen over de betaalbaarheid van het pensioenstelsel. Terwijl onder hun ogen de bestaande arbeidsmarkt door de digitalisering op instorten staat. Zo goed als alle jobs van taxichauffeurs, truckers, verzekeringsagenten, kantoorklerken, boekhouders of bankbedienden zijn ten dode opgeschreven.

 

U bent het eens met uw Oxford-collega’s Michael Osborne en Carl Frey die in 2013 al voorspelden dat door de digitalisering de helft van alle jobs gedoemd is te verdwijnen?

Mayer-Schönberger: De studie van Osborne en Frey ging niet diep genoeg, zo hielden ze er geen rekening mee dat de inhoud van een job kan veranderen of dat er in sommige functies een samenwerking mogelijk is tussen mens en machine. Maar in essentie hebben ze gelijk: de arbeidsmarkt staat voor een drastische omwenteling. Veel laag- en middengeschoolde jobs zullen verloren gaan. Slechts weinig politici lijken daarvan wakker te liggen; dat acute gebrek aan aandacht zou wel eens als een boemerang in hun gezicht kunnen terugkeren. We staan voor een gebeurtenis die minstens even ingrijpend is als de industriële revolutie uit de 19e eeuw. Toen werd de handenarbeid geautomatiseerd, nu is het de beurt aan het mentale werk. De industriële revolutie schudde de sociale verhoudingen dooreen. Onze politici moeten eens een blik werpen op die periode, dan raken ze zich misschien bewust van de ernst van de huidige situatie. Er is een fundamentele, ingrijpende verandering in onze samenleving ingezet die veel sneller zal verlopen dan we onszelf wijsmaken. Politici moeten zich dringend afvragen hoe ze ervoor kunnen zorgen dat al die toekomstige werklozen zich niet aan hun lot overgelaten zullen voelen.

Ons sociaal zekerheidssysteem heeft ons de voorbije decennia voor veel onheil behoed. We moeten ook nu solidair zijn met degenen die de tol van de digitalisering dreigen te betalen. Het zou volgens mij niet onverstandig zijn om naast onze bestaande sociale zekerheid een gedeeltelijk universeel basisinkomen in te voeren. Ongeveer 600 euro per maand, niet genoeg om geen klap meer uit te voeren, maar wel net genoeg om een minder betaalde, maar misschien wel boeiende job te aanvaarden. Zo krijgen mensen iets meer perspectief.

 

Dreigen we door de digitalisering en de robotisering in een veel koudere samenleving terecht te komen?

Mayer-Schönberger: Dat risico is groot. We kunnen de verandering niet stoppen, dus moeten we er alles aan doen om onze samenleving ‘warm’ te houden. Daarom pleit ik voor een herwaardering van mooie Europese christelijke en humanistische waarden zoals naastenliefde en solidariteit. Dat klinkt misschien ouderwets, maar we zullen ze meer dan ooit nodig hebben. Het is niet de fout van de vrachtwagenchauffeurs dat zelfrijdende trucks hun jobs overbodig zullen maken. Dus moeten we hen helpen. En wees er maar zeker van dat er binnenkort massaal veel hulp geboden zal moeten worden.

 

 

Viktor Mayer-Schönberger

1966 geboren in het Oostenrijkse Zell am See

1986 ontwikkelt het succesvolle Oostenrijkse antivirusprogramma Virus Utilities en sticht zijn eigen softwarebedrijf Ikarus Software

1991 studeert af als doctor in de rechten aan de universiteiten van Salzburg en Harvard

1992 studeert af als econoom aan de London School of Economics

1998 begint te doceren aan de Harvard Kennedy School

2010 wordt professor Internetregulering aan het Oxford Internet Institute

2013 Co-auteur van Big Data

2014 ontvangt de World Technology Award voor zijn onderzoek naar internet en recht

 

Viktor Mayer-Schönberger & Thomas Ramge, De data-economie, Maven Publishing, 280 blz., 25 euro

 

(c) Jan Stevens