Van doodknuppelen tot de kogel: Michiel Krielaars reconstrueert Stalins omgang met muzikanten

In zijn intrigerende boek De klank van de heilstaat reconstrueert Michel Krielaars hoe onder het terreurbewind van Jozef Stalin de levens verwoest werden van getalenteerde componisten en muzikanten. ‘Naast de namen van beroemdheden schreef Stalin: “doodknuppelen”, “ophangen”, “de kogel” of “wurgen”.’’

Tussen 1928 en 1953 joeg de communistische dictator Jozef Stalin 15 miljoen mensen de dood in. Toch hebben veel Russen het vandaag nog vertederend over ‘vadertje Stalin’. Volgens Ruslandkenner en melomaan Michel Krielaars komt dat sentiment voort uit een verlangen naar de orde van toen. ‘In haar boek Het einde van de rode mens beschrijft Nobelprijswinnares Svetlana Aleksijevitsj hoe blij de Sovjetburgers waren met die orde’, zegt hij. ‘Want de corruptie lag aan banden en alles was strak georganiseerd. Twee jaar geleden hoorde ik in Rusland een knappe japanologe van een jaar of twintig klagen: “Vooral de hoge lagen van onze samenleving zijn door en door corrupt. Als Stalin nu onze leider zou zijn, was dat snel afgelopen.” Ik vroeg haar: “Maar je weet toch dat Stalin miljoenen onschuldigen heeft laten executeren?” Dat had hij niet mogen doen, vond ze, al zag ze geen graten in af en toe een terdoodveroordeling. “Hele strenge straffen moeten mogelijk zijn.”’

Van 2007 tot 2012 leefde en werkte Michel Krielaars in Moskou als correspondent voor de Nederlandse krant NRC Handelsblad. Vandaag is hij NRC’s chef Boeken. Als kind was hij al gefascineerd door Rusland. ‘Eerst was er Jules Verne’s roman Michael Strogoff, de koerier van de tsaar. Later raakte ik in de ban van het werk van Anton Tsjechov. Ik wou net als Tsjechov dokter worden, maar koos toch maar voor geschiedenis met als ultieme doel: me kunnen onderdompelen in die boeiende Russische geschiedenis.’

Uw liefde voor Rusland werd niet op de proef gesteld toen u er als correspondent leefde?

Michel Krielaars: Eind jaren 1980 kwam ik voor het eerst in Rusland, toen Michaël Gorbatsjov er de lakens uitdeelde en het communisme nog bestond. Ik keerde regelmatig terug en zag inderdaad dat het een heel raar land was. En was grote armoede en mensen waren zeer bang om met westerlingen om te gaan. Maar dat vergrootte alleen maar mijn fascinatie.

Onder Gorbatsjov gingen de archieven open en werd duidelijk wat er onder Stalin was gebeurd. In 1989 viel de Berlijnse Muur, het communistische systeem implodeerde en in december 1991 werd de Sovjet-Unie ontbonden. Ik werkte toen als redacteur Rusland voor de NOS en was rechtstreeks getuige van de politieke ontwikkeling van Gorbatsjov over Boris Jeltsin naar Vladimir Poetin. Als correspondent voor NRC belandde ik midden in de actie. Toen werd het nóg boeiender. (lacht)

Uw andere grote liefde is de klassieke muziek?

Krielaars: Jawel, en klassieke muziek en Rusland vormen bij wijze van spreken een eenheid. De Russen koesteren een enorme bewondering voor cultuur. Ik weet nog hoe ik me ten tijde van de Sovjet-Unie aan mensen voorstelde als journalist en daar amper reactie op kreeg. Maar als ik eraan toevoegde: ‘Ik schreef ook een paar romans’, werd ik plots een schrijver en droegen ze me op handen. Dat is ook zo met muzikanten en componisten. Onder het regime van Jozef Stalin werd het componeren en musiceren hen vaak onmogelijk gemaakt.

Dat gold toch ook voor andere kunstenaars, denk maar aan de repressie tegen schrijvers?

Krielaars: Schrijvers betaalden zelfs een veel hogere prijs dan componisten. Tijdens het Stalin-bewind werden 1500 schrijvers vermoord omdat ze iets op papier hadden gezet wat de autoriteiten niet aanstond. Terwijl er ‘maar’ een dertigtal componisten werden omgebracht. De verklaring is wellicht dat het geschreven woord duidelijker aangeduid kon worden als ‘zondigend tegen de stijlregels van het socialistisch realisme’. Bij muziek was dat veel moeilijker vast te stellen. Want van een klank kun je niet bepalen hoe die precies moet klinken. In 1932 besloot Stalin om de muziek, net als alle andere kunsten, te onderwerpen aan de doctrine van dat socialistisch realisme.

Wat hield het socialistisch realisme in?

Krielaars: Het kwam erop neer dat troost, schoonheid en vermaak taboe werden. Kunst diende enkel nog om het volk te helpen bij de verwezenlijking van het socialisme. De positieve energie die uit deze nieuwe Sovjetmuziek voortkwam, zou tot betere mensen leiden. De grote schrijver Maxim Gorki was één van de pleitbezorgers voor het opleggen van de stijlregels van het socialistisch realisme. De kunsten moesten het heil van de arbeidersstaat bezingen. Muziekstukken moesten gaan over arbeiders in de fabriek, of al ploegend op het platteland. Die ‘klank van de heilstaat’ moest in de melodieën te horen zijn. Het kwam erop neer dat muziek geneuried moest kunnen worden. Net op dat moment was de trend in de klassieke muziek atonaal en impressionistisch. Moderne componisten als Arnold Schönberg en Arthur Honegger maakten in het westen grote sier. In de Sovjet-Unie werden hun werken voortaan verboden.

Zij maakten ‘ontaarde muziek’?

Krielaars: Zo kun je het wel noemen, ja. Maar hoe Sovjetmuziek dan precies hoorde te klinken, bleef onduidelijk. De wereldberoemde Russische componist en pianist Sergej Prokofjev (1891-1953) vertrok in 1918 naar Amerika. Hij ontvluchtte de bloedige burgeroorlog die volgde na de revolutie. Prokofjev miste zijn vaderland, reisde er regelmatig naar terug en merkte dat hij in Rusland veel succesvoller was dan in de Verenigde Staten. Hij werd door de communistische machthebbers erg in de watten gelegd en besloot na een paar Russische tournees om in 1937 definitief terug te keren. Hij was overtuigd van een gouden toekomst. Maar zijn nieuwe composities werden voortdurend afgekeurd. Hij snapte niet waarom. Prokofjev was een opportunist die wou behagen. In 1939 componeerde hij ter ere van Stalins zestigste verjaardag de cantate Zdravitsa, met zinnen als: ‘Heil Stalin, vader van ons allen!’ Dat werd wel geapprecieerd en Prokofjev was in de wolken. ‘Nu weet ik hoe het moet’, dacht hij, waarna hij een nieuw werk componeerde dat in het verlengde lag van zijn lofzang op Stalin. Tot zijn grote verbazing werd het opnieuw door de censuur afgeschoten. Sergej Prokofjev wou zo graag volgens de regels van de heilstaat componeren, alleen lukte dat niet. Hij werd er knettergek van.

Wie controleerde de composities en bepaalde wat wel kon en wat niet?

Krielaars: De vanuit het Kremlin geleide Componistenbond met zijn secretaris-generaal. Niet het socialistisch realisme, maar jaloezie speelde een hoofdrol bij de leden van de bond. Zij waren zelf componist en als er werken passeerden die hun composities overschaduwden, schoten ze die af. Ook al wisten ze dat het risico dan bestond dat de componist in kwestie bij Stalin in ongenade kon vallen en in een strafkamp kon eindigen.

Maar ook zij konden elk moment in ongenade vallen?

Krielaars: Zeker, dat is net het absurde aan de hele Sovjetgeschiedenis. De collaborateurs van het regime belandden uiteindelijk ook tien jaar in een strafkamp of werden doodgeschoten. Er was altijd wel iets te vinden om je op te pakken, hoe hard je ook je best deed.

Beroemde componisten als Prokofjev en Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975) hadden het zwaar te verduren onder de grote terreur van Stalin. In Het tumult van de tijd beschrijft Julian Barnes hoe een volledig aangeklede Sjostakovitsj ’s nachts urenlang met een reiskoffer naast hem stond te wachten bij de lift van zijn appartement, wachtend op de klop op de deur. Zo zou hij zijn gezin niet storen als hij gearresteerd werd. Die angst was in de jaren dertig alomtegenwoordig in de Sovjet-Unie. Iedereen kon worden opgepakt. Vooral mensen in hoge posities waren doodsbang.

In 1938, een jaar nadat Sergej Prokofjev definitief naar zijn heimat terugkeerde, werd zijn collega-componist Vsevolod Zaderatski opgesloten in een strafkamp in het barre Kolyma. Vandaag is Zaderatski als componist onbekend.

Krielaars: Vsevolod Zaderatski (1891-1953) stamde uit een adellijke familie en was minstens even getalenteerd als Prokofjev en Sjostakovitsj. In tegenstelling tot hen, belandde hij wel in een strafkamp. De communisten hebben geprobeerd om hem totaal uit de geschiedenis te wissen. Zijn vroege werk werd vernietigd; zijn latere werk mocht niet uitgegeven worden. Zijn zoon heet ook Vsevolod en is 85. Ik ontmoette hem in Moskou. Samen met zijn dochter de musicologe Marina Brokanova ijvert hij voor eerherstel voor zijn vader.

Zaderatski werd in 1926 gearresteerd omdat hij tegen de bolsjewieken had gevochten. Al zijn composities werden verbrand. In de gevangenis bleef hij verder componeren. In 1929 werd hij vrijgelaten en even kon hij in Moskou als componist wonen en werken. Tot hij opnieuw in ongenade viel en in de jaren dertig in een Goelag-kamp in het verre oosten werd opgesloten. Maar ook daar bleef hij verder werken. Hij schreef zijn partituren op telegrampapiertjes of wc-papier en hoopte dat er iets bewaard zou blijven.

Is dat gelukt?

Krielaars: 24 prachtige pianostukken liet hij na. De voorbije jaren werden ze vooral in Duitsland opgevoerd. Zaderatski had geluk dat dit kleine deel van zijn werk nog overbleef. Van de jazzzanger Vadim Kozin (1903-1994) werden alle muzikale sporen gewist. Nadat hij bij Stalin in ongenade viel, werden al zijn platen uit de winkel gehaald en vernietigd. Kozin was een crooner, de Russische Frank Sinatra van de jaren twintig en dertig. De Russen kenden zijn liedjes uit het hoofd. Kozin stak niet weg dat hij homo was en dat kwam hem duur te staan: in 1944 werd hij voor vijf jaar naar een strafkamp in Magadan gestuurd. De helft van het jaar komt de zon er niet op en in de winter zakt de temperatuur tot -50 graden. Stalin liet daar een geweldig concertgebouw bouwen, met misschien wel de beste akoestiek van de hele Sovjet-Unie. De dictator geloofde dat de ‘juiste muziek’ schurken, contrarevolutionairen en afvalligen tot goede Sovjetburgers kon kneden. Vadim Kozin was in de wolken met dat concertgebouw en besloot na zijn vrijlating in Magadan te blijven. Wat ook in die beslissing meespeelde, was dat hij een theaterregisseur verklikt had. Hij durfde niet meer terug te keren naar Moskou uit angst voor wraakacties. Tot aan zijn dood in 1994 woonde hij in wat hij ‘kuuroord Magadan’ noemde.

Was Jozef Stalin zelf een groot muziekliefhebber?

Krielaars: Zonder twijfel. Elke nieuwe plaat moest aan hem worden voorgelegd. Hij luisterde ernaar en schreef op de hoes: ‘mooi’, ‘matig’ of ‘rotzooi’. Als er ‘rotzooi’ stond, werd het gevaarlijk voor de zanger of componist in kwestie. Stalin was zelf een begenadigd zanger. Tijdens zijn opleiding in Georgië tot priester zong hij in een kerkkoor. Zijn lievelingslied was het mooie volkslied Suliko. Stalin was ook geen slechte dichter; hij had gevoel voor ritme en maat. Maar hij was uiterst grillig én sadistisch en kon van het ene op het andere moment besluiten dat iemand ter door veroordeeld moést worden. In het Staatsmuseum van de geschiedenis van de Goelag in Moskou liggen de executielijsten. In de kantlijn schreef Stalin met een potlood naast de namen van beroemdheden: ‘doodknuppelen’, ‘ophangen’, ‘de kogel’, ‘wurgen’.

In documentaires die na de dood van Stalin gemaakt zijn, valt het van angst verkrampte gezicht van Dmitri Sjostakovitsj op. Zelfs zoveel jaar na de dood van de tiran zie je hoe vreselijk de componist in de jaren dertig en veertig geleden moet hebben. Hij was dan zogezegd nog een van Stalins ‘lievelingen’ en kreeg de ene prijs na de andere. Zelfs Prokofjev ontving fikse geldprijzen van Stalin. Maar de volgende dag kon alles worden afgenomen. Sjostakovitsj stortte zich op zijn werk omdat hij heel goed besefte dat het elk moment afgelopen kon zijn.

Moeten componisten en andere kunstenaars onder Vladimir Poetin op hun tellen letten?

Krielaars: Nee, voorlopig niet. Er worden nu films gemaakt met heel wat kritiek op de leiding van het land. Die worden niet gecensureerd. Je mag ook schrijven wat je wil: in de Russische boekhandel vind je de meest idiote boeken. Toen ik in 2007 als prille correspondent een Moskouse boekhandel binnenstapte, lag daar een stapel van het boek Rijk worden als een Jood. Ik dacht eerst dat het een antisemitisch pamflet was, maar het bleek een werkstuk van een Joodse economieprofessor te zijn. (lacht)

Poetin deelt graag medailles uit aan grote kunstenaars. Het enige wat je als kunstenaar níet mag doen, is je daadwerkelijk met de politiek bemoeien. Als Aleksej Navalny een schrijver was geweest die in zijn romans tegen de heersers te keer ging, was hem niets overkomen. Maar van zodra je écht politiek actief wordt en laat zien hoeveel miljarden de leiders hebben gestolen, moet je maken dat je wegkomt. Want dan loop je gevaar of verdwijn je voor de rest van je leven in een strafkamp. Tot iedereen je vergeten is.

De strafkampen zijn er nog steeds?

Krielaars: De vernietigingskampen van de goelag zijn opgedoekt. Er zijn wel nog honderden strafkampen, waar bijvoorbeeld Navalny gevangen zit. Massale executies vinden er niet meer plaats. Als afschrikking wordt er nu af en toe in het buitenland een tegenstander doodgeschoten of vergiftigd.

De Sovjet-Unie bestaat niet meer, maar veel is er niet veranderd in de manier waarop Rusland geleid wordt. Ik herinner me een congres van Verenigd Rusland, de partij van Poetin. Er werd zeer gelijkmatig geapplaudisseerd, zoals op bijeenkomsten indertijd van de Communistische Partij. De aanwezigen riepen net als toen in koor: ‘Leve de Partij!’ In mijn reportage wees ik op die gelijkenissen. Achteraf vroegen een paar collega’s me of ik een fossiel uit de koude oorlog was. Maar ik dacht: ‘Verdorie, het ís zo!’ Ook Russische vrienden die de tijd van de Sovjet-Unie bewust hadden meegemaakt, zegden me van in een vroeg stadium: ‘Er is hier helemaal niet veel veranderd.’

Moskou en andere grote steden gingen er wél op vooruit. Want Poetin zorgde goed voor die paar honderdduizend nieuwe zakenlui: er kwam een zeer lage inkomstenbelasting en het centrum van Moskou werd een chique Parijse winkelstraat met pokkedure kledingwinkels. Maar het binnenland bleef onveranderd, met verlopen fabrieken, verwoeste infrastructuur en mensen aan de drank.

Vladimir Poetin sluit naadloos aan bij de traditie van Lenin en Stalin?

Krielaars: En bij die van de tsaren. Tot vandaag blijft de staatsstructuur van bovenaf centraal geleid, net zoals tijdens het tsarisme en het communisme. Een kleine elite bepaalt wat er gebeurt en het gepeupel mag zich niet moeien.

Qua wreedheid kun je Poetin niet vergelijken met Stalin. Ook al ziet iedereen hem vandaag als de grote leider van het kwaad. Hij is eerder de machtsmakelaar. Rond hem beweegt zich een kleine kring van zeer machtige mensen. Een man als Alexander Bortnikov, het hoofd van de geheime dienst FSB, is minstens even machtig als de president. Poetin weet heel goed hoe hij die kliek tevreden moet houden.

Bent u optimistisch over de toekomst van Rusland?

Krielaars: Nee. Het gaat slecht met de economie en de gas- en olievoorraden zijn niet onuitputtelijk. Daardoor komt er steeds meer onrust in de samenleving. Ik zie gelijkenissen met de Sovjet-Unie onder Leonid Brezjnev. In het begin van de jaren zeventig beleefde het land een enorme boost dankzij de olie. Er werd gebouwd en het ging velen voor de wind. Tien jaar later was dat sprookje voorbij. Ook toen sloop er onrust in de samenleving en het communisme verbrokkelde. Alleen zal een man als Poetin zijn macht nooit opgeven. Ik vrees dus het ergste.

Michel Krielaars, De klank van de heilstaat – Musici in de tijd van Stalin, Uitgeverij Pluim, 368 blzn., 23,99 euro

Michel Krielaars

  • In 1961 geboren in Amsterdam
  • Studeert geschiedenis
  • Is van 2007 tot 2012 correspondent Rusland voor NRC
  • Is vandaag chef Boeken bij NRC
  • Debuteert in 1990 met de roman Meeuw
  • Wint met zijn non-fictiedebuut Het brilletje van Tsjechov in 2015 de Bob den Uyl Prijs

© Jan Stevens

‘Altijd lopen we één ramp achter’

De aarde was al eerder in de ban van een klimaatverandering. In de 17e eeuw daalde de temperatuur met 2°; de gevolgen waren desastreus. In Wereldcrisis houdt historicus Geoffrey Parker ons een spiegel voor. ‘We hebben niets van de geschiedenis geleerd.’

Vijftien jaar werkte de Brits-Amerikaanse historicus Geoffrey Parker aan het vuistdikke Wereldcrisis. ‘De kiemen voor mijn boek liggen in de jaren 1970’, zegt hij. ‘Op de radio hoorde ik een interview met zonne-astronoom John “Jack” Eddy. Hij had net in Science een artikel gepubliceerd over de afwezigheid van zonnevlekken in de 17e eeuw. Hij had vastgesteld dat tussen 1645 en 1715 de zonneactiviteit zeer laag was, met weinig zonnevlekken als gevolg. Eddy concludeerde dat die afname in zonneactiviteit verantwoordelijk was voor de lagere temperaturen op aarde, voor de 17e-eeuwse zogenaamde “kleine ijstijd”. Die benaming was al in de jaren 1930 bedacht door de Nederlands-Amerikaanse geoloog François-Émile Matthes.’

In de jaren 1950 omschreven historici de 17e eeuw als het tijdperk van ‘de algemene crisis’. ‘Dat was een verwijzing naar hoe het de mensen was vergaan. Toen ik Jack Eddy op de radio hoorde, wist ik dat Europa in de 17e eeuw geteisterd werd door opstanden, maar had ik geen idee dat ook China en India door hetzelfde soort geweld getroffen waren. Het duurde nog tot 1998 vooraleer ik over die link tussen klimaatverandering en geweld begon te schrijven.’

Geoffrey Parker doorploegde archieven in Amerika, Europa, Azië en Afrika, op zoek naar sporen van de gevolgen van de 17e-eeuwse globale afkoeling. In 2013 verscheen de eerste editie van Global crisis. Vier jaar later volgde een hernieuwde versie en begin september ligt Wereldcrisis, de eerste Nederlandse vertaling, in de boekhandel.

Nu warmt de aarde op, maar in de 17e eeuw koelde ze met gemiddeld 2° Celsius af.

Geoffrey Parker: Klimaatverandering is iets van alle tijden. Waarschijnlijk vond dat al eens plaats tussen de 4e en 5e eeuw na Christus, met de val van het Romeinse Rijk en de Chinese Hang-dynastie als gevolg. Alleen is er niet veel bronnenmateriaal overgebleven. De klimaatverandering van de 17e eeuw werd wel goed gedocumenteerd. De archieven van steden, gemeenten en in bibliotheken bevatten veel interessante documenten over hoe het de mensen van toen verging. Op de site van de Amerikaanse National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA) vond ik dan weer ontzettend veel informatie over het klimaat van toen. NOAA zet alle ontdekkingen van paleo-archeologen online. Zo is uit de jaarringen van bomen heel wat over de evolutie van het klimaat af te leiden. Als geschiedenisprofessor ben ik verbonden aan de universiteit van Ohio. Zij huisvest het Byrd Polar and Climate Research Center waar wetenschappers gletsjers onderzoeken. Aan de hand van hun data was het mogelijk om het verloop van de kleine ijstijd van de 17e eeuw te reconstrueren.

U bent een van de eerste historici die de 17e-eeuwse klimaatverandering koppelt aan het vele geweld?

Parker: Wellicht ben ik de eerste. De meeste historische studies over de kleine ijstijd omschrijven enkel de gevolgen voor de natuur van de temperatuurdaling van 2°. De link tussen de klimaatverandering en het menselijke bestaan werd zelden gelegd. De 19e-eeuwse Engelse filosoof William Whewell bedacht de term ‘consilience’, wat zoveel betekent als ‘samenvloeien’, als het samenbrengen van humane en natuurlijke archieven. Dat is precies wat ik in Wereldcrisis in de praktijk breng. Dat staat haaks op het door de Duitse historicus Franz Mauelshagen uitgevonden neologisme ‘peccatogenic’ of: het beschouwen van rampen als een straf van God voor ons zondige leven. (lacht) Veel Amerikaanse evangelische christenen zijn er rotsvast van overtuigd dat de huidige klimaatverandering Gods toorn is. In de 17e eeuw overheerste datzelfde geloof.

Door historische archieven te vermengen met de klimaatdata komt u tot de conclusie dat de vele opstanden en oorlogen van de 17e eeuw een rechtstreeks gevolg waren van de klimaatverandering?

Parker: Als wetenschapper moet je altijd voorzichtig zijn met het trekken van conclusies. In het Wilde Westen was er de uitdrukking: painting bull’s eyes around bullet holes, stierenogen rond kogelgaten schilderen. Je kunt als historicus dus niet zomaar een verband leggen tussen twee gebeurtenissen die zich min of meer gelijktijdig afspelen. Je moet dan echt op zoek naar hoe het ene het andere in gang zette. In dit geval: hoe een daling van 2° Celsius de oogsten drastisch verstoorde, waardoor er hongersnood uitbrak en mensen in opstand kwamen. Je moet een glasheldere koppeling vinden. Die vond ik bijvoorbeeld in Noord-Ierland. Daar brak in oktober 1641 een grote opstand uit die in oorlog eindigde. De rebellie kwam er nadat de oogst drie keer was mislukt. Die misoogsten waren dan weer een gevolg van extreem koud weer, met overvloedig veel sneeuw en ijs. Dat weten we omdat meer dan 3000 protestanten die de zogenaamde Ierse Opstand overleefden, daar later uitvoerig voor rechters over getuigden. In totaal bleven 20.000 bladzijden met hun getuigenissen in de bibliotheek van Trinity College in Dublin bewaard. Ze vertellen over de extreme koude die een deel van hun familie doodde en over gewelddadige katholieken die een ander deel vermoordden.

Een gelijkaardig scenario speelde zich toen over de hele wereld af?

Parker: Ik stelde zowel in Europa, Amerika, Azië en Afrika dezelfde fenomenen vast, alleen kon ik het achterliggende mechanisme niet altijd bewijzen, zoals dat wel lukte in Ierland. Maar wereldwijd waren er de opeenvolgende extreme winters en de mislukte oogsten. Overal was er hongersnood, buitensporig geweld, opstand en oorlog. Alleen was het soms moeilijk om de juiste chronologie in kaart te brengen: wat was er eerst en wat volgde uit welke gebeurtenis?

Het was toen toch niet overal kommer en kwel? De 17e eeuw geldt in Nederland als ‘de gouden eeuw’.

Parker: Het was toen geen gouden eeuw voor elke Nederlander. Een stad als Amsterdam floreerde, maar streken als Friesland of Gelderland werden verscheurd door opstand. De Republiek der Verenigde Nederlanden kreeg twee grote oorlogen te verwerken: de eerste in 1618 en de tweede in 1672. In 1650 was het kantje boordje. Ik denk niet dat veel 17e-eeuwse Nederlanders geloofden dat ze gouden tijden beleefden. Integendeel. Veel later pas werd dat etiket erop gekleefd.

De oorlogen vloeiden voort uit de hongersnoden?

Parker: Als je van de honger vergaat, heb je drie alternatieven. Ofwel sterf je, ofwel probeer je voedsel van de rijken te pikken, ofwel verhuis je naar een plek waar het beter is. De tweede optie heet opstand of revolutie, de derde migratie. Precies dat speelt zich op dit moment in Oost-Afrika af.

De geschiedenis herhaalt zich?

Parker: We hebben niets van de geschiedenis geleerd. We weten dat er nu ook een klimaatverandering bezig is en dat er op sommige plekken in de wereld hongersnood dreigt. Toch vertikken we het om ons daar fatsoenlijk op voor te bereiden. Natuurlijk is het moeilijk te voorspellen waar de hongersnood keihard zal toeslaan, al maakt Oost-Afrika met zijn ligging vlakbij de evenaar en zijn gebrek aan regen veel kans. Waarom bouwen we daar nu geen loodsen vol voedsel en zorgen we niet voor reservoirs vol drinkwater? Altijd lopen we één ramp achter.

Een groot verschil met de 17e eeuw is dat we ‘onze’ klimaatverandering zelf veroorzaakt hebben.

Parker: Voor een groot deel is dat ongetwijfeld waar. Al maakt het eigenlijk niet uit wat aan de oorsprong ligt van de huidige opwarming. We wéten dat het aan het gebeuren is en toch grijpen we niet echt in. We zouden ons nu volop moeten voorbereiden op de extreme weersomstandigheden die met deze klimaatverandering gepaard gaan. Want ook Nederland en België moeten zich geen illusies maken: het water zàl komen. Alleen is onduidelijk wanneer en hoe. Ik weet dat België, net als Nederland, aan de infrastructuur werkt om acute stormschade af te wenden. Maar wordt er ook nagedacht over hoe natuurrampen in de verdere toekomst vermeden kunnen worden? Het monster van de klimaatverandering ís gecreëerd. We moeten er nu alles op inzetten om het onder controle te houden.

Want als we niet oppassen eindigen we in een ‘algemene crisis’ zoals in de 17e eeuw? U noemt die eeuw: ‘Het tijdperk van de soldaten.’

Parker: Het kan inderdaad zo eindigen. In de 17e eeuw stierven tientallen miljoenen mensen aan de gevolgen van de globale afkoeling. Het is moeilijk om het correcte aantal te bepalen. Er zijn geen algemene cijfers voorhanden, maar er is wel informatie over bepaalde gemeenschappen en steden. Zo bleven er uitstekende registers bewaard van Île-de-France, de regio rond Parijs. Daaruit kon ik afleiden dat rond 1640 één derde van de totale bevolking het loodje legde. In sommige gebieden met bewaard gebleven archieven was het minder, in andere meer. Bij schrijvers uit die tijd vond ik dezelfde schatting van één derde van de populatie terug. Vandaag leven er op onze planeet ruim 7 miljard mensen. Stel je voor dat één derde daarvan gedood wordt als gevolg van extreme weersomstandigheden, hongersnoden, opstanden en wapengekletter.

Japan was het enige land in de 17e eeuw waar de mensen niet verhongerden of elkaar continu te lijf gingen. Werden zij dan niet geplaagd door strenge winters?

Parker: Toch wel: ook zij gingen gebukt onder extreme kou met catastrofale misoogsten. Maar de Japanners leden minder erg dan tijdgenoten uit andere landen. Dat was de verdienste van de autocratische shoguns van de Tokugawa-familie die van 1600 tot 1867 over Japan heersten. Ze waren vooruitziend en lieten over het hele land veel grotere graanschuren bouwen. Ze namen ook draconische maatregelen: de vrije meningsuiting werd aan banden gelegd, net als de godsdienstvrijheid. Wapenbezit werd het monopolie van de staat. Handelaars die graan achteroverdrukten, werden onthoofd. De Tokugawa-shoguns verplichtten alle notabelen en magistraten om hun keiharde beleid nauwgezet na te volgen. Zij moesten er alles op inzetten om oorlogen te vermijden. Op een bepaald moment kwamen de Nederlandse heren van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) bij de shogun langs. ‘De Spanjaarden zitten in het nauw. Laat ons nu samen de Filippijnen inpikken.’ Shogun Tokugawa Ieyeasu antwoordde: ‘Schitterend idee, maar mijn onderdanen sterven en alles is bevroren. Deze keer pas ik.’ Daarna kwamen de Chinese heersers van de Ming-dynastie langs. ‘De Manchu-krijgers zijn net als de Mongolen. Als we niet oppassen, nemen ze bij ons de macht over. Het volgende land op hun lijstje wordt zeker Japan. Kom ons alsjeblieft nu helpen om hen te verslaan.’ Shogun Tokugawa Iemitsu antwoordde: ‘Schitterend idee, maar mijn onderdanen sterven en alles is bevroren. Ook ik pas.’ (lacht) Japan hield zich bewust ver weg van het oorlogsgewoel. De shoguns namen vaak juiste beslissingen, alleen gingen die ten koste van zeer veel vrijheid.

Het autocratische systeem heeft Japan gered?

Parker: Zonder twijfel. De Tokugawa’s waren geen vredelievende jongens. Enkel vanuit egoïsme en eigenbelang redden ze hun land. Hongerdoden waren niet goed voor de staat. Met hun ingrijpende maatregelen stelden de shoguns hun inkomsten veilig. Vandaag stel ik mijn hoop op de verzekeringsgiganten. Ik ben er zeker van dat zij onze verkozen leiders onder druk zullen zetten om écht in te grijpen. Want zij willen niet ten onder gaan aan schadeclaims die het gevolg zijn van de door de globale opwarming veroorzaakte natuurrampen.

Voorlopig zijn we nog niet bereid vrijheid op te offeren in ruil voor harde, noodzakelijke ingrepen. Ontstellend veel Amerikanen zijn bang van de federale overheid. Ze weigeren alle bemoeienis en verhinderen zo dat er preventieve maatregelen genomen worden. Terwijl de federale regering de enige is die in deze materie kan ingrijpen. Sommigen verenigen zich in zwaarbewapende milities, meestal van extreemrechtse signatuur. Ze zijn erg naïef en geloven dat ze met hun AR-15 semi-automatische geweren een tank kunnen stoppen. Dat maakt de dreiging van een burgeroorlog zeer reëel.

Tijdens de coronacrisis lieten we onze vrijheid toch aan banden leggen? Er werden lockdowns uitgevaardigd, grenzen gesloten, avondklokken ingevoerd en een mondmaskerplicht opgelegd.

Parker: In het begin van de crisis misschien wel, maar hoe langer die duurde, hoe meer er onder druk van de bevolking werd versoepeld. Tenminste toch in de Verenigde Staten.

De vorige president Donald Trump minimaliseerde heel lang de gevaren van het virus.

Parker: Laten we het over die man maar niet hebben. De geschiedenis zal later over hem oordelen.

Hoe zal de geschiedenis over de huidige coronapandemie oordelen?

Parker: Nu is dat een grote gebeurtenis, maar binnen een eeuw is het misschien niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis. Kijk naar hoe het de zogenaamde Spaanse Griep vergaan is. Eigenlijk was dat de Amerikaanse Griep, want ze brak in januari 1918 uit in Kansas. Het werd ‘Spaanse Griep’ omdat Spanje het enige land was dat de statistieken over de pandemie niet censureerde. Frankrijk, de VS, Groot-Brittannië, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, landen in oorlog, weigerden hun cijfers vrij te geven. Ze waren bang dat hun vijanden zouden denken dat ze zwakke naties waren. Spanje vocht niet mee en rapporteerde kollosaal veel overlijdens. De totale dodentol wereldwijd wordt geschat op 50 miljoen. Toch verdween die Spaanse Griep uit ons collectieve geheugen. Zonder covid had het voorbije anderhalf jaar niemand er aandacht aan besteed.

Toen u in 1998 aan Wereldcrisis begon, was onze huidige klimaatverandering ook geen gespreksonderwerp.

Parker: Die was enkel voer voor sommige wetenschappers. Hoe langer ik aan mijn boek werkte, hoe relevanter het onderwerp werd. In 2012 waren er presidentsverkiezingen: Barack Obama nam het op tegen Mitt Romney. Obama had het tijdens die campagne even over de opwarming van de aarde. Een krant schreef: ‘Waarom haalt hij zo’n totaal onbeduidend onderwerp van stal?’ Waarna in oktober van datzelfde jaar superstorm Sandy over het land raasde. Het scheelde geen haar of New York was totaal vernield. Daarna kantelde de discussie en werd klimaatverandering wél ernstig genomen. Orkaan Katrina werd in 2005 door veel Amerikanen nog beeschouwd als een probleem van New Orleans. Ze zagen het als iets ‘peccatogenic’, als de wraak van God voor het liederlijke leven van de inwoners van die stad. (lacht) De LGBTQ-gemeenschap was zich net aan het voorbereiden op de Gay Pride en Katrina stak daar een stokje voor. Een presbyteriaanse dominee jammerde: ‘Dit is Gods straf.’

Doorheen onze geschiedenis lijken we te denken dat rampen alleen anderen overkomen. Of dat ze ons niet nu te grazen zullen nemen. We leven in een vreemde staat van ontkenning. We geloven dat we aan de vreselijke gevolgen van de klimaatverandering zullen ontsnappen, of dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen. Terwijl het overdonderende wetenschappelijke bewijs ons een compleet ander verhaal vertelt. Nu al worden we geconfronteerd met ingrijpende fenomenen, zoals de recente hittekoepel boven delen van Canada en de VS. De poolkappen smelten, de zeespiegel stijgt en dat zal alleen maar versnellen. Intussen steken we onze kop in het zand. Tot het water onze huizen binnendringt.

Geoffrey Parker

  • 1934 geboren in Nottingham, Engeland
  • Studeerde geschiedenis in Cambridge, waar hij doctoreerde en vanaf 1968 doceerde
  • Is als militair historicus gespecialiseerd in de vroegmodere tijd
  • 1993 – 1996 professor geschiedenis aan de universiteit van Yale
  • 1997 werd geschiedenisprofessor aan de universiteit van Ohio
  • Het vorig jaar verschenen Keizer Karel V geldt als de ultieme biografie van de keizer

Geoffrey Parker, Wereldcrisis, Omniboek, 672 blzn., 39,99 euro, verschijnt begin september

© Jan Stevens

‘Zijn lot kan de Belgische regeringen niets schelen’

‘Mijn man kan elk moment sterven’, zegt Vida Mehrannia, de vrouw van de ter dood veroordeelde VUB-professor Ahmadreza Djalali. ‘De Zweedse, Belgische en Vlaamse regeringen zullen dan medeverantwoordelijk zijn.’

Vida Mehrannia (46) is de wanhoop nabij. Bijna vijf jaar geleden, op 25 april 2016 werd haar man Ahmadreza Djalali in Iran gearresteerd. Anderhalf jaar later werd de aan de VUB verbonden Zweeds-Iraanse professor rampengeneeskunde in een showproces ter dood veroordeeld voor spionage.

‘Ik vrees dat Ahmad 25 april van dit jaar niet meer haalt’, zegt Mehrannia aan de telefoon vanuit Stockholm. ‘Ik weet zelfs niet of hij nog het einde van deze of volgende week haalt. Ahmadreza is op sterven na dood. De Zweedse, Belgische én Vlaamse regeringen laten intussen betijen. Als mijn man sterft, beschouw ik hen als medeverantwoordelijk.’

Wanneer sprak u Ahmadreza Djalali voor het laatst?

Vida Mehrannia: De laatste keer dat ik zijn stem hoorde, was op 24 november vorig jaar. Hij belde me toen om afscheid te nemen. Hij was in de Evin-gevangenis in Teheran verplaatst naar een dodencel, waar hij sindsdien in isolatie zit. Zondag gingen zijn moeder en zus bij hem op bezoek. Dat was verschrikkelijk. Ze zijn in paniek en wenen continu aan de telefoon. Ahmads gezondheidstoestand gaat razendsnel achteruit. Hij is graatmager, vel over been en wordt psychisch gefolterd. In zijn cel staat er dag en nacht een felle lamp op hem gericht. Hij heeft geen enkel contact met medegevangenen. Vier maanden lang al zit hij in totale isolatie in dat witte licht. Niemand van zijn bewakers wil hem zeggen wat ze met hem van plan zijn. Hij mag niet met mij of onze kinderen bellen, of met zijn advocaat. We leven in totale onzekerheid. Ik ben zo vreselijk bang dat mijn man een van deze dagen gewoon zal bezwijken. Hij zit in een diepe depressie en krijgt amper nog voedsel binnen. Hij zei zondag tegen zijn moeder en zus dat hij gek aan het worden is. Hij slaapt niet meer en eet niet meer.

Hoort u iets van de Zweedse en Belgische overheden?

Mehrannia: Altijd hetzelfde riedeltje: dat ze zijn zaak op de voet volgen. (stilte) Intussen gebeurt er helemaal niets. Ze laten gewoon toe dat Ahmadreza gefolterd wordt. Het kan hun niets schelen.

‘Zijn zaak volgen’ is niet genoeg. In juni 2018 ontmoette ik de toenmalige Vlaamse minister-president Geert Bourgeois (N-VA). Hij beloofde dat hij diplomatieke druk zou uitoefenen op het Iraanse regime. Begin februari 2019 verzekerde de toenmalige Belgische minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders (MR) me dat hij het bij elk overleg met zijn Iraanse collega over Ahmad zou hebben. Daarna werd het stil. Ook de Zweedse regering liet mijn man vallen als een baksteen. Op papier zijn we Zweedse staatsburgers; in de praktijk merken we daar niets van. Intussen tikt de klok en houdt de angst me in een wurggreep.

Zocht Bourgeois’ opvolger Jan Jambon contact met u?

Mehrannia: Ja, maar ook hij draaide datzelfde afgezaagde liedje af. ‘We volgen de zaak van uw man nauwgezet.’ De voorbije vier maanden veranderde er niets in de zaak van mijn man. Hij zit nog steeds in isolatie en wordt dag en nacht gefolterd.

Maar wat verwacht u dan van onze Vlaamse en federale regeringen?

Mehrannia: Ze moeten de druk op Iran zonder treuzelen opvoeren en eisen dat mijn man meteen wordt vrijgelaten. Op dit moment is hij een vogel voor de kat. Voor mij is het duidelijk: het interesseert hen niet.

Zou het niet kunnen dat er achter de schermen gewerkt wordt aan een ruil tussen uw man en de onlangs in België tot twintig jaar veroordeelde diplomaat/spion Assadollah Assadi?

Mehrannia: Ik weet daar niets over. Misschien is dat zo, maar ik heb daar tot hiertoe geen enkele aanwijzing voor. Het is best mogelijk dat het Iraanse regime mijn man als een interessante gijzelaar beschouwt. Alleen rest er voor Ahmad nog maar weinig tijd. Hij zit er compleet onderdoor, is totaal uitgeput en in acuut levensgevaar.

Misschien komt het Iran goed uit dat uw man in gevangenschap een ‘natuurlijke dood’ sterft of zelf een einde aan zijn leven maakt?

Mehrannia: Dat heb ik ook al gedacht, ja. Ik ben heel bang dat het de doelbewuste strategie van het Iraanse regime is om hem in totale isolatie te laten creperen. Dan hoeven ze zijn executie niet meer te voltrekken en vermijden ze dat ze door de internationale gemeenschap met de vinger gewezen worden. Als dat gebeurt, beschouw ik de Vlaamse, Belgische en Zweedse regeringen als medeschuldig. Want zij weten perfect hoe slecht Ahmad eraan toe is, maar behalve zijn zaak ‘op de voet volgen’, doen ze niets. Alsof ze braaf op de dood van Ahmad zitten te wachten en daarna op de excuses van het Iraanse regime. Ik aanvaard dat niet. Ik ben zo ontzettend teleurgesteld.

Ook in de hulp van Europa?

Mehrannia: Zeker. Álle politici laten ons in de steek. Ze sluiten hun ogen. Waar ze ‘achter de schermen’ ook mee bezig zijn: het is duidelijk niet voldoende. Ook de EU zal verantwoordelijk zijn voor de dood van mijn man. Waarom lukt het hun niet om net als de Amerikaanse regering een gevangenenruil met Iran te organiseren? De Amerikanen durven wél hun stem verheffen en maatregelen nemen. Zij sussen niet met: ‘We volgen uw zaak op de voet.’

De voorbije vier maanden hadden ik en de kinderen geen enkel contact met Ahmad. Geen foto, geen telefoongesprek, geen nieuwjaarswens, geen teken van leven. Alleen af en toe een gruwelijk verslag van zijn familie in Iran. Zaterdag 20 maart is Perzisch Nieuwjaar. ‘Zal papa dan bellen?’, vraagt ons negenjarig zoontje Amitis. Hij gelooft al vijf jaar dat Ahmad in Iran op zakenreis is en door omstandigheden niet terug kan. Ik durf hem de waarheid niet te zeggen. Hij is nog zo jong, maar ik zie hoe hij er emotioneel onder lijdt. Onze dochter Aryio is tien jaar ouder. Zij weet wél hoe de vork in de steel zit. Ze maakt zich zoveel zorgen over haar papa.

Hoe gaat het met u?

Mehrannia: Ik ben wanhopig en de druk is immens, maar ik kan het me niet permitteren om compleet te crashen. Ik ben de enige kostwinner nu in dit gezin en ik moet er zijn voor de kinderen. Maar weten dat mijn man dag en nacht gefolterd wordt, is ondraaglijk. Net als het besef dat de politici die ons zouden moeten helpen, daar hun slaap niet voor laten.

© Jan Stevens

‘Corona is de chaperonne van de 21e eeuw’

Filosoof Jan Drost zoekt doordachte antwoorden op prangende vragen over liefde. ‘Onze huidige smetvrees kan ontsporen waarbij aanraken iets weerzinwekkends wordt.

Drie jaar geleden begon relatiefilosoof Jan Drost in de Nederlandse krant Algemeen Dagblad (AD) vragen van lezers over liefde te beantwoorden. ‘Het format van mijn rubriek dwong me tot het schrijven van teksten van slechts 200 woorden’, zegt hij. ‘In het begin werd ik daar moedeloos van. Maar na een tijd leerde ik die vastomlijnde korte vorm te waarderen. Want doordat ik me geen overgewicht aan woorden kon permitteren, kwam ik veel sneller tot de kern van de zaak.’

De meest prikkelende vragen en antwoorden bundelde hij in hét boekje voor Valentijn Waarom is het dat de liefde zo is.

Is een relatiefilosoof ook een therapeut?

Jan Drost: Meestal wordt voor dit soort van rubrieken beroep gedaan op psychologen of seksuologen. Zij geven dan vaak praktische tips en leggen minder nadruk op nadenken waarover het precies gaat. Het AD wou óók een filosoof en dat charmeerde me. Ik had altijd al veel aandacht voor het relationele mensbeeld. ‘Relatiefilosoof’ dekt dus de lading, al hadden ze me ook ‘wij-geer’ kunnen noemen. (lacht)

De vragen worden gesteld door de AD-lezers?

Drost: De meeste wel. Sommige vragen werden me via mail verzonden, of ik pikte ze op een van mijn lezingen op. Bij zowat elke vraag die me gesteld wordt, schiet spontaan door mijn hoofd: waar gaat dit in wezen over? Je zou dat de ‘beroepsmisvorming’ van de filosoof kunnen noemen. Op dezelfde manier benaderde ik al die vragen over relaties en liefde.

Mensen hanteren zelden dezelfde betekenissen voor op het eerste gezicht eenvoudige begrippen. Zo was er die vrouw die haar nakende huwelijk niet wou laten doorgaan. Ze vertelde dat ze ontdekt had dat haar verloofde ontrouw was en al lang vreemdging. Hij stelde dan weer dat hij wél trouw was gebleven, al definieerde hij die als ‘emotioneel trouw’. Hij geloofde dus echt dat hij nooit ontrouw was, ook al had hij seks met vele andere vrouwen.

Welke filosofen zijn uw leidmeesters bij het beantwoorden van die vragen over liefde?

Drost: Vroeger stond ik erg onder de invloed van Sartre en Nietzsche. Ik geloofde toen al snel dat anderen me beperken in mijn vrijheid. Vandaag weet ik dat ik niemand ben zonder andere mensen in mijn leven. Dat inzicht heb ik te danken aan Emmanuel Levinas en Aristoteles. Zij zetten de bakens uit. In deze tijden van corona komen daar ook nog de stoïcijnen bij. Zij leren me dat ik op sommige gebeurtenissen totaal geen vat heb, maar dat ik wel mijn gedachten daarover enigszins onder controle kan houden.

Sommige vragen zijn zeer rechttoe-rechtaan, zoals: ‘Mijn vriend wil niet dat ik een vibrator gebruik. Dat maakt hem onzeker.’ Hoe geeft u daar een filosofisch antwoord op?

Drost: Mijn eerste gedachte was om die vraag door te schuiven naar de seksuoloog. Maar intussen weet ik dat dat soort vragen best interessante antwoorden kan opleveren. Zo zou die afkeer van de man voor haar vibrator best wel eens een uiting kunnen zijn van zijn vrees dat hij op seksueel gebied overbodig is. Mijn advies aan haar was om de vibrator een tijdje in zijn bijzijn achterwege te laten. Tot het voor allebei duidelijk is dat er een verschil is tussen masturbatie, of tijd voor jezelf, en vrijen, of tijd voor elkaar. Dan groeit wellicht ook het besef dat het ene geen bedreiging hoeft te vormen voor het andere. Na een tijd kunnen vriend en vibrator dan misschien samengaan.

De eerste vraag die u behandelt in Waarom is het dat de liefde zo is, is misschien wel de belangrijkste: wat is liefde?

Drost: Eigenlijk wel. Veel andere vragen over iets heel specifieks als ontrouw, liefdesverdriet of jaloezie zijn in werkelijkheid terug te voeren tot die ene vraag: is het liefde wat ik hier en nu beleef? Het subjectieve antwoord zou dan kunnen zijn: dat bepaal je zelf. Maar zo eenvoudig is het meestal niet.

Voor de meeste mensen moet liefde meer zijn dan vriendschap?

Drost: Ze delen hun vriendschapsrelaties in volgens een hiërarchie, met de geliefde aan de top van de piramide. De brede basis wordt dan gevormd door veel kennissen, met daarboven een kleiner aantal vrienden, daarboven beste vrienden en naaste familie, met als kroon op het werk: die ene geliefde. Meestal toch is dat er één.

Door de geliefde helemaal bovenaan de piramide te plaatsen, wordt de verwachting van exclusiviteit gekoesterd. Ook het idee van trouw volgt daaruit, net als wederkerigheid: ‘Jij bent de enige voor mij en ik de enige voor jou.’ We vinden het niet fijn als we ontdekken dat wij niet de top van de piramide voor de ander blijken te zijn. Of als die ander ontrouw is geweest. ‘Ik moet je iets bekennen: ik heb iets met iemand gedaan wat ik alleen maar met jou zou doen.’ Dat komt keihard aan.

Volgens de filosoof Arthur Schopenhauer is vriendschap de hoogste vorm van liefde.

Drost: Mensen met een romantisch beeld van de liefde doen vriendschap inderdaad oneer aan door haar lager in de piramide te plaatsen. Met zijn prikkelende uitspraak daagt Schopenhauer ons uit meer waarde toe te kennen aan onze vriendschapsrelaties. Is het wel zo wijs om liefde en vriendschap in onze hiërarchie zo ver uit elkaar te zetten? Misschien maken we onze liefdesrelaties net duurzamer door vriendschap hoger in te schatten.

Als je wilt trouwen, moet je je volgens Schopenhauer eerst afvragen waaraan je samen de meeste tijd zal besteden. Dat zal waarschijnlijk niet vrijen zijn, maar het voeren van gesprekken. ‘Daarom trouw je best met een man of vrouw met wie je goed bevriend bent’, concludeert de filosoof.

U hebt geen hoge pet op van ons romantisch beeld van de liefde?

Drost: Neem de romantische gedachte dat de een bij wijze van spreken al van voor de geboorte toegewezen is aan de ander. Zo scheppen we voor onszelf onrealistische, torenhoge verwachtingen. Toch hou ik er ook van dat we in staat zijn om iemand als een uniek, onvervangbaar persoon te beschouwen. Niet dat we dan heiligen voor elkaar worden, maar we beginnen elkaar wel te ‘heiligen’. Die ander wordt een ‘uitverkorene’.

Dat klinkt heel bijbels.

Drost: Ja, en dat komt natuurlijk ook omdat een liefdesrelatie sowieso iets zeer bijzonders is. De liefde intensifieert je blik en je gevoelens.

Ik krijg vaak de vraag: ‘Is monogamie gedoemd te verdwijnen?’ Ik geloof dat niet, net omdat liefde zo een bijzondere vorm is van naar elkaar kijken en met elkaar omgaan.

We horen toch heel vaak dat de mens van nature niet monogaam is?

Drost: Wat wordt er bedoeld met ‘van nature’? Dat we genetisch geprogrammeerd zijn om seks met veel verschillende mensen te hebben? Ik heb het daar eerlijk gezegd moeilijk mee. Want dat zou betekenen dat alle gedrag dat in de natuur voorkomt, gerechtvaardigd is. Iets is goed omdat het zo is. ‘Ik heb een lief, toch vrij ik met elke mogelijke andere partner en dat gaat vanzelf. Daarom mag ik dat gerust blijven doen.’ Ik heb de indruk dat het zoeken naar een fundament in onze natuur vaak niet meer is dan zoeken naar een vrijbrief. Wordt stelen dan ook aanvaard zodra wetenschappelijk is aangetoond dat mensen van nature hebzuchtig zijn? Mag ik jou slaan omdat ik gewelddadig van aard ben? Mag je geliefde met iedereen de koffer induiken omdat hij of zij geile genen heeft? Het is niet omdat iemand iets doet, dat het vanzelf goed is. Het is ook niet omdat monogamie niet in onze genen zou zitten dat gevoeligheden zoals jaloezie als sneeuw voor de zon verdwijnen. We hebben altijd een keuze.

Steeds meer geliefden vinden elkaar via datingapps. Ook daar krijgt u vragen over?

Drost: Mensen willen weten hoe verstandig zo’n datingapp is als ze op zoek zijn naar een serieuze liefdesrelatie. We hebben dan allemaal de neiging om in ons datingprofiel het fraaist mogelijke beeld van onszelf te borstelen. Ook tijdens chatsessies doen we vervolgens ons uiterste best om de grappigste, slimste en knapste versie van onszelf te zijn. Dat vergroot de romantiek, maar zorgt tegelijkertijd voor een vertekend beeld. Het beste is om zo snel mogelijk in levenden lijve af te spreken als je allebei denkt dat er een match is.

Ik heb meerdere vrijgezellenavonden meegemaakt van bruiden die hun bruidegom via een datingapp leerden kennen. Ze stopten allemaal met de app zodra hun liefde begon. Een datingapp kan dus de start zijn van iets moois. Maar zo’n app kan er natuurlijk nooit voor zorgen dat je liefdesrelatie uitgroeit tot een groot succes. Het is ook geen goed idee om na de start van een nieuwe relatie in het geniep te blijven shoppen op Tinder. Samen op hetzelfde moment die app van de telefoon verwijderen, zou wel eens kunnen uitgroeien tot hét liefdesritueel van de 21e eeuw.

Werkt een datingapp ook niet erg drempelverlagend om op zoek te gaan naar iemand anders als de relatie aan het slabakken is?

Drost: Zonder twijfel. Na een lezing vertelde een vrouw me hoe ze na de zoveelste ruzie met haar man ’s avonds mokkend in bed met de rug naar elkaar toelagen. ‘Ik had mijn telefoon bij me’, zei ze. ‘Ik hield die onder het kussen en opende de datingapp Happn.’

Veel daters lijken te verwachten dat er op hun eerste afspraak meteen een vonk overslaat. Dat valt mij toch op als ik naar het datingprogramma First Dates kijk. Terwijl liefde misschien beter langzaam groeit?

Drost: Natuurlijk moet liefde groeien, maar die overslaande vonk blijft vaak onze romantische eis nummer één. Zo wordt de druk tijdens een eerste ontmoeting stevig opgevoerd.

Een goede vriend werd lang geleden van zijn sokken geblazen door een meisje. Hun eerste afspraak was voor hem als een donderslag bij heldere hemel. Het draaide op niets uit, maar hij raakte niet meer van haar hersteld en heeft sindsdien geen ander lief gehad. Hij blijft die ervaring vergeefs zoeken en maakt zichzelf zo diepongelukkig. Die ene vonk van weleer bepaalt zijn hele werkelijkheid. Hij spreekt met niemand meer dan één keer af. Het moét meteen raak zijn.

Krijgt u nu veel door de lockdown beïnvloede vragen over de liefde?

Drost: Zeker. Een van die vragen is: ‘hoe voorkom ik dat ik mijn geliefde achter het behang plak?’ (lacht) Een andere: ‘Hoe vind ik iemand in deze tijd van afstand houden en smetvrees?’ Mijn raad is: ga naar buiten, al wandelend ontmoet je misschien nieuwe mensen. Dat is exact wat er nu aan het gebeuren is. Ik woon in Amsterdam en in de straten en parken is het drukker dan ooit. Een paar vrouwen lieten me weten dat ze zich minder onveilig voelen dan vroeger. Als onbekende mannen hen nu aanspreken, is er altijd die anderhalve meter sociale afstand. De angst voor het virus zorgt ervoor dat die heren hun handen thuishouden en zich beleefd gedragen. De dames vinden dat zeer fijn. Corona wordt zo de chaperonne van de 21e eeuw.

Maar ik wil deze tijd niet romantiseren, want voor jonge mensen is het afschuwelijk. Ik doceer filosofie aan de Hogeschool van Amsterdam. Tot half december vorig jaar had ik nog het geluk dat ik om de twee weken een paar uur in een lokaal kon lesgeven aan acht studenten. Het was hun enige uitstap in de week. Toen ik die ene keer ziek was, kreeg ik het ene teleurgestelde berichtje na het andere. Heel deze toestand waarin we aanbeland zijn, zal nog zware gevolgen hebben. In onze strijd tegen dat virus laten we alle wapens los. Tezelfdertijd vergeten we dat ons lichaam niet alleen besmet kan raken, maar ook aanraking nodig heeft. Lichamelijke affectie is óók goed voor onze gezondheid.

Zal corona onze samenleving fundamenteel veranderen?

Drost: Als het van onze politici afhangt niet, want van zodra het virus bedwongen is, willen zij liefst zo snel mogelijk terug naar business as usual. Ik ben bang dat de goedkope vliegtickets ons snel opnieuw om de oren zullen vliegen. Het verwoesten van de planeet wordt gewoon hervat.

Hoopgevend is dan weer dat veel mensen goede voornemens maken. Sommigen zijn blij met de lockdown, omdat ze zo verlost zijn van de druk en rust herontdekken. Een aantal onder hen zal na de pandemie zeker een nieuw, duurzamer leven trachten op te bouwen.

Volgens de Amerikaanse viroloog Anthony Fauci schudden we best nooit nog de handen. Onze viroloog Marc Van Ranst is het daarmee eens. Zijn we nu een permanente smetvrees voor elkaar aan het ontwikkelen?

Drost: In het verleden kreeg ik af en toe wel eens een handdruk die ik liever had vermeden. (lacht) Er zijn ook heel leuke, andere manieren om elkaar te begroeten, zoals bijvoorbeeld een boeddhistische buiging. Maar het klopt inderdaad dat onze huidige smetvrees kan ontsporen waarbij aanraken iets weerzinwekkends wordt. Wij zijn ons lichaam. We moeten dat goed verzorgen, of we gaan ten onder. Het coronavirus bedreigt ons lichaam, we moeten ons dus daartegen beschermen. Alleen dreigen we nu in de val van de complete isolatie te trappen. Dat zou zeer tragisch zijn.

Mensen die elkaar in deze tijd ontmoeten en verliefd worden, staan al meteen voor een barrière als ze voor het eerst willen kussen. Die eerste zoen is niet onbelangrijk en krijgt door het virus extra waarde en betekenis. Want hij houdt nóg meer dan vroeger de belofte van exclusiviteit in. Als je ook anderen gaat zoenen, vergroot het risico dat je je pas veroverde geliefde besmet.

Die eerste zoen kan een kus des doods zijn?

Drost: Net uit angst daarvoor wordt die eerste kus vaak uitgesteld. Of de kersverse geliefden spreken af om zich eerst te laten testen. Van zodra ze allebei een negatieve uitslag hebben, mogen alle remmen los.

Wat is de meest intrigerende vraag van de voorbije drie jaar?

Drost: Vorig jaar vroeg iemand: ‘Is het gezien de klimaatcrisis nog verantwoord om kinderen te krijgen?’ Drie maanden geleden bleek dat mijn vriendin zwanger was. Ik ben daar heel blij mee, maar merk ook bij mezelf dat ik door die vraag in de war ben. Ze drukt me met de neus op de werkelijkheid, ook al wil ik dolgraag vader worden. Als iemand die vraag uitspreekt, volgen er reacties als: ‘Dat vroegen ze zich tijdens de Tweede Wereldoorlog ook af. Het kwam toen toch goed?’ Terwijl deze crisis van een totaal andere orde is. Een oorlog gaat voorbij, maar de gevolgen van de klimaatverandering bedreigen de grondvesten van ons bestaan.

Liefde voor je kinderen staat niet los van liefde voor de aarde. Daarom moet je in elk geval proberen een leven te leiden dat zowel goed is voor je kind als voor de aarde. Alleen dan zal je later je kind in de ogen kunnen kijken als het vraagt: ‘Wat heb jij gedaan om ervoor te zorgen dat er een toekomst voor ons is?’

Jan Drost

– 1975: geboren in Vroomshoop, Nederland

– 2002: studeert af in filosofie en Nederlands aan de universiteit van Amsterdam

– 2005: werkt als docent filosofie aan de Hogeschool van Amsterdam, publiceert essays en geeft lezingen over de liefde

– 2011: debuteert met Het romantisch misverstand, in 2015 gevolgd door Denken helpt en in 2017 door Als de liefde voorbij is.

– Is verbonden aan The School of Life en schrijft voor verschillende media, waaronder Algemeen DagbladNRC Handelsblad, Trouwde Volkskrant en Filosofie Magazine.

Jan Drost, Waarom is het dat de liefde zo is, Querido, 88 blzn., 10 euro

(c) Jan Stevens

‘We hebben méér chaos nodig in de politiek’

In zijn essay Alles kapot! houdt jurist en mensenrechtenlobbyist Anton Van Dyck een vurig pleidooi voor meer natiebouw. Maar eerst moeten we volgens hem na de coronacrisis collectief afrekenen met onze demonen uit het verleden. ‘Het is tijd voor een Waarheids- en Verzoeningscommissie.’

‘Jarenlang worstelde ik met mijn eigen identiteit’, zegt Anton Van Dyck. ‘Net als veel mensen vroeg ik me af: “Wie ben ik?”’

Dus begon hij een individuele zoektocht naar wat identiteit precies is. ‘Ik stootte daarbij vooral op boeken die zich aan de rechterzijde van het politieke spectrum bevinden. Zo las ik Generatie identiteit, een oorlogsverklaring aan de ‘68’ers van de jonge Oostenrijker Markus Willinger. Met dat manifest uit 2013 geldt hij als de kernideoloog van de extreemrechtse indentitaire beweging. Ik vond het zowel angstaanjagend als fascinerend. Volgens Willinger installeerden de babyboomers in West-Europa een cultuur van zelfhaat. De Soixant-Huitards zouden opzettelijk de eigen cultuur afschilderen als conservatief en barbaars en de multiculterele samenleving propageren met als ultieme doel: een grijze identiteitsloze monocultuur. Als tegenwicht pleit Willinger voor een nationale identiteit, die hij zeer expliciet linkt aan etniciteit. Met die inhoud kon ik me totaal niet vereenzelvigen.’

Ook in Over identiteit van Bart De Wever vond Van Dyck zijn gading niet. ‘Het boekje van de N-VA-voorzitter is best interessant, alleen heeft hij het eigenlijk niet over identiteit, maar over modaliteit, over de manier waarop we onze identiteit beleven.’

Anton Van Dyck besloot dan maar zelf de hand aan de ploeg te slaan en schreef Alles kapot!, een prikkelend essay over de rol van identiteit in een superdiverse samenleving. ‘In de eerste plaats wil ik een verandering op gang brengen in hoe we naar identiteit kijken’, zegt hij. ‘Maar ook hoe we met die nieuwe visie op identiteit onze samenleving en democratie kunnen versterken.’

Van Dyck werkt als mensenrechtenlobbyist in de Wetstraat voor Demens.nu, de koepelorganisatie van de Belgische vrijzinnige verenigingen. Zo brengt hij momenteel het lot van de in Iran terdoodveroordeelde VUB-gastprofessor Ahmadreza Djalali bij politici onder de aandacht.

‘Lobbyist’ is geen scheldwoord?

Anton Van Dyck: Integendeel. Elke individuele burger kan zich niet bezighouden met alle aspecten van het dagelijkse politieke beleid van een land. Het is dan ook heel normaal dat mensen zich verenigen en professionals zoals ik afvaardigen om hun belangen in de Wetstraat te verdedigen. Op voorwaarde natuurlijk dat dat in volle openheid gebeurt.

Wat vaak niet zo is?

Van Dyck: Nee, en dat is een groot probleem. Mijn organisatie was de allereerste om zich in de Kamer van Volksvertegenwoordigers te registreren als lobbygroep. Na ons volgde er geen stormloop van andere lobbyisten. Ik vermoed dat de meesten bang zijn dat hun vrijheid aan banden gelegd zal worden. Maar die registratie en bijhorende transparantie is broodnodig. Want dan komt er meteen zicht op welke politici later lobbyisten worden. Die overstap gaat nu soms snel en geruisloos en dat is niet gezond.

Zal u uw essay nu meenemen naar het parlement als u daar gaat lobbyen?

Van Dyck: Zeker. Het kan interessante discussies opleveren, zeker in de senaat. (lacht)

Want u pleit ervoor om alle senatoren te vervangen door gelote burgers?

Van Dyck: Ik ben een grote fan van David Van Reybrouck en zijn boek Tegen verkiezingen waarin hij een lans breekt voor de deliberatieve democratie. Hij wil dat het onderscheid tussen bestuurders en bestuurden vervaagt. Dat kan door willekeurig gelote burgers rechtstreeks aan het bestuur te laten deelnemen. Zo raken ze opnieuw betrokken bij wat in de eerste plaats hen aangaat. Waarom vervangen we de verkozen senatoren niet integraal door gelote burgers? Het ene deel van het parlement is dan samengesteld door willekeur en het andere door verkiezingen. Dat zou ook de chaos in de politiek ten goede komen, want we hebben net méér chaos nodig.

Hebben we in deze hectische tijd niet in de eerste plaats meer rust in de politiek nodig?

Van Dyck: Toch niet. We proberen voortdurend alles te bedaren en vast te metselen in robuuste systemen. Maar die zijn bestand tegen slechts één vorm van stress, waardoor op termijn het hele kaartenhuis dreigt ineen te storten.

In zijn boek Antifragiel stelt de Libanees-Amerikaanse wetenschapper Nassim Nicholas Taleb dat we altijd best systemen bouwen die niet fragiel zijn, die niet ineenzakken bij het eerste gebruik. Maar ‘antifragiel’ is niet hetzelfde als ‘robuust’. Een robuust systeem blijft na een klap overeind, ook al is het beschadigd, denk maar aan een aardbevingsbestendig gebouw. Onze westerse parlementaire democratie is zo’n robuust systeem. Het grote probleem van robuuste systemen is dat ze rigide zijn en zich moeilijk aanpassen aan opeenvolgende bedreigingen. Als het gedurende lange tijd te veel klappen moet incasseren, riskeert het op een bepaald moment toch in te storten. Een antifragiel systeem wordt door de constante druk net sterker. In een antifragiele democratie is er veel ruimte voor kleine crisissen in plaats van voor heel grote. Het systeem wordt zo wendbaarder en kan sneller reageren op onverwachte gebeurtenissen.

Donald Trumps ex-strateeg Steve Bannon is een groot voorstander van het creëren van maximale chaos. Hij zette de bakens uit voor Trumps verstorende, onvoorspelbare beleid. Is dat wat u voor ogen heeft?

Van Dyck: Bannon dreef de chaos en onrust heel ver, maar in essentie heeft hij gelijk. Zijn stelling is: als je een systeem wilt veranderen, moet je het eerst kapot maken. Zelf ben ik ondanks de titel van mijn essay niet zo’n fan van kapotmaken, maar ik ben er wel voorstander van om eerst alle componenten uiteen te halen, om die vervolgens weer ineen te steken.

Het robuuste Amerikaanse democratische systeem staat al jaren onder druk. Door de passage van Trump lijken we het presidentschap van Bush al te zijn vergeten, met die sinistere figuur Dick Cheney. Ook de opkomst van de Tea Party lijkt een vage herinnering. Heel die grote crisis van het systeem culmineerde de voorbije vier jaar in Donald Trump. Het uit de weg gaan van kleine crisissen leidde tot die gigantische politieke crisis.

Toen bij ons de centrumpartijen nog sterk stonden en de lakens uitdeelden, regeerde het compromis en niet de chaos.

Van Dyck: Met compromissen sluiten is niets mis. Dat lukte vroeger inderdaad beter. Maar er werd toen ook veel met de mantel der liefde bedekt. Denk maar aan de sale-and-leaseback-constructies met overheidsvastgoed om de begroting op te poetsen, of aan het Lernout & Hauspie-débacle. Politici lieten de storm overwaaien in de veronderstelling dat hij zo vanzelf voorgoed zou verdwijnen. In werkelijkheid bleef alles onderhuids gisten.

Vandaag krimpt het centrum en groeien de extremen. Dat komt ook omdat veel gematigde mensen niet meer met politiek bezig zijn. Door schandalen zoals Arco en Lernout & Hauspie hebben ze er alle interesse in verloren en haken ze af. Bij de laatste verkiezingen ging een miljoen mensen niet meer stemmen. Anderen kozen op 26 mei 2019 dan weer voor een extreme partij en staken zo hun electorale middelvinger op. Zo raakt onze representatieve democratie steeds meer in het slop. De overwinning van het Vlaams Belang legt bloot dat we veel crisissen helemaal niet achter ons hebben gelaten. Integendeel, het is de som van alle nooit verwerkte problemen uit het verleden.

U bent niet alleen voorstander van een ‘antifragiele democratie’, maar ook van een ‘antifragiele identiteit’?

Van Dyck: Identiteit is voor mij de lens waardoor ik naar de wereld kijk. Die lens wordt bepaald door de waarden die ik belangrijk acht. Mijn persoonlijke levensdoelen zijn: een goed mens zijn en gelukkig worden. Soms is het moeilijk om het evenwicht tussen die twee te vinden. Maar ze bepalen wel hoe ik als vrijzinnig humanist in het leven sta en met anderen omga.

Ik ben geboren en getogen in Dilbeek en in mijn jeugd fietste ik jaarlijks met mijn ouders de gordel rond Brussel. Dat evenement zit in mijn herinnering als een warm feest van verbondenheid, terwijl het voor anderen met een andere lens opgeslagen zit als een bijeenkomst van radicale flaminganten waar andersdenkenden niet welkom zijn.

De waarden die de lens vormen waarmee je naar de werkelijkheid kijkt, zijn dus ontzettend belangrijk. Toen ik Antifragiel van Taleb aan het lezen was, kreeg ik een soort van aha-erlebnis. Ik dacht: waarom passen we Talebs principe van antifragiliteit ook niet toe op het begrip identiteit? Want dan wordt onze lens in het vervolg misschien bepaald door antifragiele waarden, door waarden die alleen maar sterker worden als ze onder druk staan. Ik kwam dan vanzelf uit bij waarden als vrijheid, gelijkheid en solidariteit.

Misschien leidt absolute vrijheid tot een extreem individualistische samenleving, gebaseerd op de principes van het neoliberalisme?

Van Dyck: Ja, en daarom is het belangrijk dat er een wisselwerking is tussen die drie antifragiele waarden. Want als er slechts één primeert, dreigt er een vorm van radicalisering.

Wij zien identiteit nu te veel als een systeem dat robuust moet gemaakt worden om alle dreigingen het hoofd te kunnen bieden. Terwijl zo’n robuust identiteitssysteem allesbehalve opgewassen is tegen onvoorspelbare fenomenen, zoals bijvoorbeeld de exponentieel toenemende diversiteit in onze samenleving. Een antifragiele identiteit van een land wordt dan gevormd door de interactie tussen de miljoenen burgers, met elk hun eigen beleving van hun identiteit. Maar de lens waardoor ze naar de wereld kijken, wordt bepaald door die antifragiele waarden van gelijkheid, vrijheid en solidariteit.

Is het niet veel eenvoudiger om op zoek te gaan naar een grote gemene deler, een leidcultuur waar iedereen die deel van onze gemeenschap wil uitmaken zich aan kan spiegelen?

Van Dyck: Bart De Wever noemt dat in Over identiteit de ‘broncode van de samenleving’. Ik kan dat pleidooi voor een leidcultuur aan de hand van een culturele canon omwille van pragmatische overwegingen goed begrijpen. Zeker als het over taal gaat; we kunnen niet van elke loketbediende verwachten dat hij of zij een talenwonder is. Alleen is de superdiversiteit in onze samenleving inmiddels zover gevorderd dat één culturele canon niet langer volstaat. Ontzettend veel mensen hebben een verschillende culturele identiteit of combineren die zonder complexen. Sommigen voelen zich zowel Belg als Vlaming en vinden noch het ene, noch het andere slecht. Denk aan al die sportliefhebbers die met de driekleur voor de Rode Duivels supporteren en met de Vlaamse Leeuw voor een koersende flandrien. Als er dan toch met culturele canons gewerkt moet worden, kan dat best in samenspraak met de grootste culturele gemeenschappen in ons land, met vooral oog voor jonge creatievelingen.

Om eens en voorgoed komaf te maken met wat er in ons politieke bestel in het verleden misging, pleit u voor een Waarheids- en Verzoeningscommissie naar Zuid-Afrikaans model.

Van Dyck: We kunnen ontzettend veel leren van het Zuid-Afrikaanse concept van natiebouw. Negen jaar geleden verbleef ik in het kader van een uitwisselingsproject in Zuid-Afrika en die reis veranderde mijn leven. Daarvoor stelde ik me al vragen over zoiets als een nationale identiteit, maar hier in België vond ik daar geen antwoorden op. In Zuid-Afrika werd ik meteen opgenomen in een grote Zulu-familie. Ik kreeg een nieuwe naam en werd voorgesteld aan tientallen oma’s en opa’s, vaders en moeders, broers en zussen. Ze namen mij, witte jongen uit een warm Dilbeeks gezin, meteen op in hun gemeenschap. Vrij snel merkte ik hoe belangrijk het voor hen was om in hun dagelijkse leven het verleden een plaats te geven.

In de jaren negentig woedde er in Zuid-Afrika een burgeroorlog. Het is er vandaag nog steeds geen rozengeur en maneschijn, maar van een burgeroorlog is geen sprake meer. Wat toch heel opmerkelijk is, want het is alsof het land met zijn raciale spanningen in een soort van voortdurende manische depressie zit. Het ene moment gaat het heel goed en het andere heel slecht.

Ik was onder de indruk van de manier waarop de Zuid-Afrikanen in hun Waarheids- en Verzoeningscommissie met hun verleden omgingen. Na het einde van het apartheidsregime waren ze er zich erg goed van bewust dat de erfenis van dat racistische systeem de nieuwe staat kon ondermijnen. De commissie onderzocht zowel mensenrechtenschendingen van vrijheidsstrijders als van leden van het apartheidsregime. Wie bereid was om de waarheid over dat bezwaarde verleden te vertellen, kon rekenen op amnestie. Al werden niet alle misdaden met de mantel der liefde bedekt. De hoorzittingen zetten een schijnwerper op dat duistere verleden. De slachtoffers kregen eerherstel en voelden genoegdoening; de daders kregen schuldinzicht en een kans om zich in de nieuwe samenleving te integreren. De toekomst werd zo vrijer.

Onze eigen Waarheids- en Verzoeningscommissie moet ook ons land ‘bevrijden’ en resetten?

Van Dyck: Ja. De bedoeling is om daarna met een propere lei te beginnen, al is het naïef om te verwachten dat die lei brandschoon zal zijn. Dat hoeft ook niet, maar de laatste jaren liep er zoveel fout dat we ons toch moeten afvragen wat de maatschappelijke impact daarvan is. Ik denk dan aan de huidige coronacrisis, maar ook aan de financiële crisis van 2007. We verloren toen ook mensen. Nu heb ik het gevoel dat er na elke crisis opgelucht wordt ademgehaald: ‘Oef, het is voorbij. Laten we dit maar zo snel mogelijk vergeten.’

Die verzoeningscommissie wordt een vorm van collectieve therapie?

Van Dyck: Precies. Het einde van de coronacrisis is misschien het ideale moment om ze in gang te zetten. Het is niet aan mij om te bepalen hoe ver we in het verleden moeten teruggaan. Maar bijvoorbeeld de kolonisatie en de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog zouden thema’s kunnen zijn. In de nasleep van WO II maakte Europa de grootste vluchtelingencrisis uit haar geschiedenis mee. Miljoenen mensen waren toen op de dool. Ook daar is misschien nog niet de onderste steen van bovengehaald. En ook over het verloop van de repressie zijn er wellicht nog belangrijke feiten te achterhalen.

Misschien moeten we mensen ook spontaan onderwerpen laten aanleveren. Wellicht leven er onverwerkte problemen waar we geen weet van hebben.

U pleit er ook voor om in het kader van een betere natiebouw het eerste artikel van de Belgische grondwet te herschrijven.

Van Dyck: Artikel 1 stelt: ‘België is een federale staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten.’ Erg sexy is dat niet. Er staat geen woord over onze gemeenschappelijke maatschappelijke doelstellingen, het gaat enkel over de structuur van de staat. Pas vanaf artikel 7 sluipen er begrippen als ‘duurzaamheid’ en ‘sociale vooruitgang’ in. Waarom vallen we niet meteen met de deur in huis door in artikel 1 te schrijven wat voor soort samenleving we samen willen bouwen? Dat zou dan kunnen luiden als: ‘België streeft in zijn organisatie de maximale uitbouw na van de individuele vrijheid, de maatschappelijke verantwoordelijkheid en de fundamentele gelijkheid van de mens.’ Dat klinkt toch veel meer begeesterd?

Hoe hoog schat u de haalbaarheid van uw voorstellen in?

Van Dyck: Het leuke aan het schrijven van een essay is dat ik me niet hoef af te vragen of mijn voorstellen ook haalbaar zijn. Ik zal al heel blij zijn als ik er een maatschappelijk debat mee op gang kan helpen trekken. Wie weet, krijgen een paar van mijn voorstellen dan later een kans.

Bio

Anton Van Dyck

  • Geboren in 1993
  • Studeerde rechten aan de VUB
  • Directeur juridische zaken en overheidsrelaties bij Demens.nu, koepelorganisatie van de Belgische vrijzinnige verenigingen

Anton Van Dyck, Alles kapot! Pleidooi voor natiebou, VUBPress, 144 blzn., 17,50 euro

(c) Jan Stevens