‘In de privé is er nog meer bureaucratie dan onder ambtenaren’

Volgens de Amerikaans-Britse antropoloog David Graeber is driekwart van al onze jobs niets meer dan zinloze verspilling van tijd. ‘De meeste mensen werken al jaren gemiddeld slechts 15 uur per week. De rest gaat op aan onzin.’

 

‘Bullshit jobs’, noemt David Graeber in zijn prikkelende gelijknamige boek de overgrote meerderheid van de functies in de financiële dienstverlening, sales, marketing, human resources, communicatie en administratie. ‘Als bankiers, juristen, consultants, zakenadvocaten, lobbyisten of pr-lui een staking uitroepen, kraait er geen haan naar’, zegt de aan de London School of Economics (LSE) verbonden en met het anarchisme dwepende professor antropologie. ‘Maar als treinmachinisten, schoonmakers of buschauffeurs er de brui aan geven, is het halve land ontregeld. Hun jobs behoren dan ook tot dat kwart dat er écht toe doet en diensten en producten levert waar werkelijk behoefte aan is.’

In 1930 voorspelde de grote econoom John Maynard Keynes dat dankzij de automatisering vóór het einde van de twintigste eeuw de vijftienurige werkweek zou zijn ingevoerd. ‘Keynes had het bij het rechte eind’, stelt Graeber. ‘Alleen zijn de door automatisering verdwenen jobs vervangen door bullshit jobs. De meeste mensen werken al jaren gemiddeld slechts 15 uur zinvol per week. De rest van hun tijd gaat verloren aan volstrekt zinloze activiteiten zoals het versturen van e-mails, het organiseren of bijwonen van motivatieseminars, urenlang vergaderen, het bijwerken van hun Facebookprofiel of het downloaden van televisieseries. Met mijn boek raak ik een open zenuw. Eerder vandaag had ik nog een erg uit de hand gelopen discussie met een collega van u van een Nederlandse krant. In Bullshit Jobs schrijf ik dat bijna veertig procent van alle werkenden vindt dat hun job zin- en inhoudsloos is. De journalist vond mijn statistieken niet accuraat. Volgens hem zou maar tussen de vijf à tien procent van de mensen van oordeel zijn dat ze een bullshit job hebben. Hij haalde daarvoor een andere enquête aan dan degene die ik in mijn boek presenteer. Het probleem met al dat soort onderzoeken is dat veel afhangt van de manier waarop de vragen gesteld worden. De belangrijkste peiling waarop ik steun komt van het Britse YouGov, een onderzoeksbureau met een uitstekende reputatie. Uw collega bleef maar doordrammen over die veertig procent. Ik claim niet dat ik een wetenschappelijke verhandeling geschreven heb, maar wel een boek over een niet onbelangrijk fenomeen: de ‘bullshitisering’ van het werk. Dat leek niet echt bij die mijnheer door te dringen.’

 

Wat is dat precies, een bullshit job of onzinjob?

Graeber: Dat is een baan waarbij degene die ze uitoefent zelf vindt dat het geen verschil maakt als ze zou verdwijnen. Sterker nog: in sommige gevallen geloven mensen zelfs dat de wereld er veel beter bij zou varen als hun eigen bullshit job opgedoekt zou worden. Zes procent van de bullshit jobbers zegt: ‘Ik heb een zinloze job en ik vind dat fantastisch.’ Misschien omdat ze een hekel aan hun gezin hebben en blij zijn dat ze overdag aan hun bureau kruiswoordraadsels kunnen zitten invullen. (lacht)

Zowat alle economen houden ons voor dat mensen dolgraag werk willen, ook al stelt dat niets voor. Want wij zouden rationele wezens zijn die met zo weinig mogelijk inspanning zoveel mogelijk opbrengst voor onszelf nastreven. Als dat echt waar is, moeten mensen die betaald worden om een hele dag te niksen daar zeer blij mee zijn. De werkelijkheid toont een ander beeld: de overgrote meerderheid is diep ongelukkig. Ik heb die wijsheid niet alleen uit de YouGov-enquête gehaald, maar ook uit de massale reacties die ik kreeg op een essay over bullshit jobs dat ik in augustus 2013 voor het magazine Strike schreef. Ik stelde toen voor het eerst dat ik het sterke gevoel had dat onzinjobs wijdverspreid zijn. De maanden erna overstroomde mijn mailbox met verhalen van mensen die dat gevoel alleen maar bevestigden.

 

Steeds meer mensen worstelen met een burn-out. Maar als uw veertig procent onzinbanen min of meer klopt, zijn heel wat burn-outs eerder bore-outs? Mensen die zich niet te pletter gewerkt hebben, maar te pletter verveeld?

Graeber: Dat zou best kunnen. Van een huisschilder weten we dat hij geen inhoudsloze job heeft. Ik ben er zeker van dat hij het meest gruwt van die schaarse momenten waarop hij moet doen alsof hij hard aan het werk is om zijn baas te vriend te houden. Stel je voor dat je hele job eruit bestaat met te moeten doen alsof je ijverig aan de slag bent. Dat is toch vreselijk? Een jonge Egyptische ingenieur die voor een publieke onderneming in Cairo werkt, vertelde me dat hij de hele dag zit te wachten tot ergens in het gebouw de airco uitvalt. Ondertussen houdt hij zich onledig met het invullen van formulieren. Ze kunnen hem net zo goed thuis laten en opbellen als ze hem nodig hebben. Maar dat mag niet, want dan is hij ‘niet aan het werk’. Dus verlegt hij acht uur per dag stapeltjes papier op zijn bureau.

 

Het cliché wil dat vooral ambtenaren daar meester in zijn. Volgens u liggen de onzinbanen in de private sector minstens even dik gezaaid?

Graeber: Ambtenaren omschrijven hun baan minder snel als bullshit job. Natuurlijk bestaan nogal wat overheidsbanen uit een stevige hoeveelheid zinloze bureaucratie, maar de mensen zelf ervaren hun werk niet altijd als zinloos. Bureaucratie is niet exclusief gelinkt aan het overheidsapparaat, integendeel, in de private sector hebben sommige ondernemingen er nóg meer kaas van gegeten. Stel: je hebt pas een nieuwe computer gekocht en het keyboard is kapot. Je stapt ermee naar de winkel en je vraagt een nieuw. Waarop de man achter de toonbank zegt: ‘U moet eerst een afspraak maken met mijn collega die bevoegd is om vast te stellen of uw keyboard kapot is.’ Klinkt dat herkenbaar? Hoe vaak komen mensen niet in een kafkaiaans spektakel terecht wanneer ze met een klein probleem naar hun bank bellen? Ik hing laatst meer dan een uur met acht verschillende personeelsleden van mijn bank aan de lijn over een onnozele internationale overschrijving. Ze konden die zogezegd niet uitvoeren omdat er een probleem was met een of ander overheidsvoorschrift. De private en overheidsbureaucratie gingen op dat moment feilloos in elkaar over. Want al die zogenaamde overheidsregels voor de financiële sector zijn geschreven door de banken zelf. Terwijl ze omkoopgeld aan politici geven, fluisteren ze hen in het oor: ‘Op dat A4-tje staat de regelgeving die wij willen.’ Twee derde van de winst van de grootste Amerikaanse bank JP Morgan Chase is afkomstig van ‘bijdragen en boetes’. Ze hebben er dus alle belang bij om die regelgeving zo ingewikkeld mogelijk te maken zodat ze hun klanten centen kunnen aftroggelen.

 

Private ondernemingen willen winst maken. Zowel aandeelhouders als ceo’s en raden van bestuur hebben er toch geen enkel belang bij om mensen te betalen voor het verrichten van zinloos werk?

Graeber: Dat zou je veronderstellen, maar het kapitalisme heeft intussen een andere logica ontwikkeld. Als je auto’s of lampen fabriceert, wil je inderdaad normaal gezien liefst geen mensen in dienst waar je niets mee kunt aanvangen. Zeker niet als er concurrenten in je sector actief zijn. De uitbater van een restaurant wil ook geen ober die een hele avond rondlummelt. Maar als je JP Morgan Chase bent, geldt een andere werkelijkheid. Want dan heb je alle belang bij een regelgeving die zo dubbelzinnig is dat je klanten voortdurend fouten maken. De boetes die dat oplevert, doen de kassa extra rinkelen. De meeste bullshit jobs vinden we niet voor niets bij banken, verzekeringen en vastgoed. Zij maken momenteel grote winsten die niet gebaseerd zijn op kapitalisme, maar op feodalisme. Het gaat niet over winst door de verkoop van geproduceerde producten, maar over de ene die de andere uitzuigt. Zelfs oude grote industriële bedrijven zoals ‘ons’ General Motors (GM) hebben bijna hun volledige winst te danken aan hun financiële afdelingen. GM verdient zijn geld niet meer door de verkoop van auto’s, maar door de rente op autoleningen.

Productiegerichte beroepen zijn weg geautomatiseerd. Tussen 1910 tot 2000 kalfde het aantal mensen dat in de VS in de industrie- en landbouwsector werkzaam was zienderogen af. In plaats daarvan verdrievoudigde de dienstensector, die eigenlijk vooral een administratieve sector is, met totaal nieuwe bedrijfstakken zoals financiële dienstverlening en telemarketing. Tezelfdertijd groeiden sectoren zoals ondernemingsrecht, onderwijs- en zorgadministratie, human resources en public relations als kool. Driekwart van de Amerikaanse beroepsbevolking werkt vandaag in die zogenaamde dienstensector vol onzinbanen. Daarin zijn dan nog niet eens alle schoonmakers, veiligheidsmensen, pizzabezorgers en hondenuitlaters meegerekend die met hun zinvolle jobs die hele onzinsector aan de praat houden. Maar ook het zinvolle werk raakt steeds meer gebullshitiseerd, denk maar aan de verplegers en leraars die kostbare tijd verloren zien gaan aan het invullen van zinloze documenten. Als docent ben ik een ervaringsdeskundige.

Er is een vorm van ‘manageriaal feodalisme’ geïnstalleerd vol bullshit jobs waarin de ene duurbetaalde consultant de andere goed verdienende middelmanager onzin probeert aan te smeren. Ze troggelen hun klanten losgeld af en herverdelen dat onder elkaar. Net als in de middeleeuwen creëert dat hedendaagse feodalisme eindeloze hiërarchieën van heren, vazallen en bedienden. Al die mensen die luidkeels beweren dat bullshit jobs onbestaande zijn omdat het kapitalisme omwille van de winst komaf maakt met alle onzin, hebben een politieke of ideologische agenda. Het zijn ofwel vrije markt-libertairen ofwel gestaalde marxisten die in de 19e eeuw zijn blijven hangen.

 

Maar veel van de jobs die u als onzinjobs bestempelt, worden toch niet door iedereen zo ervaren? Voor veel mensen geeft hun job net zin aan hun leven.

Graeber: Arbeidssociologen stellen altijd dat de meeste mensen zin halen uit hun beroep. Het paradoxale is dat diezelfde arbeidssociologen ook altijd vaststellen dat de meeste mensen hun job haten. Dat kan toch niet allebei waar zijn? (lacht) Tenzij de meeste mensen hun job zinvol vinden omdat ze ze haten. ‘Ik lijd, dus daarom verdien ik het om er genoeg voor betaald te worden om een huis en een auto te kopen.’

 

U pleit ervoor om alle onzinjobs op te doeken en het zinvolle werk te herverdelen. U pleit ook voor de vijftienurige werkweek en de invoering van het basisinkomen. U bent niet bang dat nogal wat mensen het lastig zullen hebben met al die vrije tijd?

Graeber: Die vijftienurige werkweek is geen fetisj. We kunnen ook veertig uur per week blijven werken en vier maanden vakantie nemen. Sinds Wereldoorlog II zijn we beginnen geloven dat arbeiders met te veel vrije tijd aan de drank raken en door de ledigheid van hun bestaan een depressie ontwikkelen. Ik vind het erg neerbuigend om er zo maar vanuit te gaan dat werkende mensen niet in staat zijn om hun tijd met andere bezigheden zinvol te vullen. Acht uur op een dag werken, is trouwens een vrij recente uitvinding. Zelfs een middeleeuwse knecht werkte maar vier uur per dag.

 

De rest van zijn tijd ging op aan de strijd om te overleven.

Graeber: Dat is waar. Toch had hij meer vrije tijd dan wij en daarom kennen we nog al die folklore van toen. Als morgen de vijftienurige werkweek wordt ingevoerd, zullen heel wat mensen een muziekinstrument leren bespelen, of een nieuw ambacht aanleren. Als antropoloog weet ik best wel hoe het er in samenlevingen vroeger aan toeging. Ik verbleef jarenlang op Madagaskar en schreef een cultuurgeschiedenis over dat eiland. De Madagasken brengen mijn ideale samenleving al eeuwenlang in de praktijk: het zijn boeren die niet meer dan vier uur per dag werken. Monogamie bestaat er niet en iedereen slaapt er met iedereen. (lacht) Weet u wat het echte drama is? Dat de huidige economische leer ontwikkeld is voor problemen uit de 19e eeuw en niet voor de problemen die op ons afkomen. In het verleden draaide het om maximale groei en winst, nu zou het moeten gaan over hoe we de boel aan de praat houden zonder onze planeet te vernietigen. De economische wetenschap zoals ze nu bestaat, is niet ontwikkeld om de klimaatverandering, vervuiling of overproductie aan te pakken. We moeten ons hele systeem herdenken.

 

Naar aanleiding van de financiële crisis voorspelde u opstanden in verschillende Europese landen en een grote economische ineenstorting. ‘Binnenkort zullen onze politici een valse snor moeten opplakken als ze een hapje willen gaan eten’, zei u in 2012 in een interview met Knack. Vandaag lopen onze politici nog niet met valse snorren rond. Hebt u zich vergist?

David Graeber: Helemaal niet. Ik denk dat we er gewoon gewend aan geraakt zijn. Begin juni was ik in San Francisco. Ik was gechoqueerd over wat ik daar zag. In Londen slapen mensen in kartonnen dozen in portieken, maar daar liggen de daklozen gewoon midden op straat. Het is niet voor niets dat er vandaag zoveel zombiefilms in de Amerikaanse bioscopen draaien; ze leven er namelijk in een apocalyptische zombiewereld. Iemand zei me dat de daklozen op straat maar het topje van de ijsberg zijn. Minstens evenveel mensen slapen in hun auto of leven in een camper. Steeds meer zestigers en zeventigers kunnen niet op pensioen en moeten werken tot aan hun dood. Er is zich dus wel degelijk een sociale ineenstorting aan het voltrekken die dertig jaar geleden als catastrofaal beschouwd zou worden. Nu lijken mensen dat heel normaal te vinden.

 

U stond mee aan de basis van Occupy Wall Street in New York en was een van de initiatiefnemers van de bezetting van Zuccotti Park in september 2011. Hoe is het vandaag gesteld met Occupy?

Graeber: De beweging is nog actief, maar dan vooral als fundament voor de Democratic Socialists of America (DSA). Er wordt nu gezegd: ‘Occupy was een mislukking’; ik durf dat sterk te betwijfelen. Want waar zou Occupy gefaald hebben?

 

De VS worden nu geleid door Donald Trump, bijvoorbeeld.

Graeber: Right. Occupy ging niet over het verkiezen van mensen, maar over het niet blijven nastreven van het verkiezen van mensen. Natuurlijk is Trump verkozen, maar dat zegt toch niets over het succes van Occupy? Wij verwierpen net de verkiezingsaanpak.

 

U verwierp de democratie?

Graeber: Nee, wij stelden dat het systeem niet democratisch is. Echte democratie is dat mensen zelf beslissen hoe ze over zichzelf wensen te regeren. Dat is iets helemaal anders dan een systeem waarbij degene die het meeste omkoopgeld kan verzamelen zichzelf kan laten verkiezen. Met Occupy probeerden we een culturele transformatie te bewerkstelligen: we probeerden het gedachtengoed van mensen over democratie en kapitalisme te veranderen. Een paar jaar geleden werd een bevraging georganiseerd bij Amerikanen van 18 tot 30. De meerderheid zei dat ze antikapitalistisch en pro-socialistisch was. Ik stond daarvan te kijken, want het was uniek dat zoveel jonge Amerikanen zich uitspraken voor het socialisme. Occupy mislukt? Komaan, zeg.

 

De Amerikaanse president is Donald Trump en niet Bernie Sanders.

Graeber: Dat komt omdat mainstream links in Amerika niet begrijpt wat mainstream rechts wel doorhad: je moet je gekke radicalen goed soigneren als je de macht wil grijpen. De rechts-radicalen van de Tea Party zijn veel angstaanjagender dan wij van Occupy, maar dat was voor rechtse Republikeinen geen bezwaar om hen tegen de borst te drukken. De Democraten raakten geobsedeerd door het feit dat vijf kerels van Occupy tijdens de bezetting een raam hadden durven inslaan. ‘O nee, met dat uitschot willen we niets te maken hebben.’ Ook al waren de duizenden andere bezetters vreedzaam. Rechtse Republikeinen hadden er ondertussen niet echt een probleem mee dat neonazi’s hun geweren leegschoten. ‘We zijn het niet eens met de shooting, so what?’ Vervolgens gingen ze verder met het knuffelen van hun radicalen. Wij werden door mainstream links onderdrukt. Ik was erbij toen Zuccotti Park op 15 november 2011 hardhandig ontruimd werd. De Democraten hadden eerst gehoopt dat wij ons naar het corrupte systeem zouden schikken. Maar wij bleven erop hameren dat we dat radicaal verwierpen. Voor rechts was het natuurlijk makkelijker, want zij vinden corruptie best oké.

 

U geeft nu les aan de London School of Economics (LSE), een elite-universiteit waar de meeste studenten van rijke komaf zijn.

Graeber: Kent u de stichters van de LSE, Sidney en Beatrice Webb, Graham Wallas en George Bernard Shaw? Aan het eind van de 19e eeuw waren zij vooraanstaande leden van de socialistische Fabian Society. In oorsprong is de LSE dus een links project. Nu al lang niet meer, dat is waar. Enkel het antropologiedepartement houdt nog stand als klein radicaal links bastion. (lacht)

 

David Graeber, Bullshit jobs, Over zinloos werk, waarom het toeneemt en hoe we het kunnen bestrijden, Business Contact, 416 blz., 24,99 euro

 

David Graeber

  • Geboren in 1961 in New York
  • Groeide op als zoon van een communistische vakbondsactiviste en een veteraan van de Spaanse Burgeroorlog
  • Werkte vanaf 1998 als antropologieprofessor aan de prestigieuze Yale University, waar hij zijn anarchistische sympathieën niet onder stoelen of banken stak
  • Zijn contract werd in 2005 niet verlengd, waarna zijn studenten in opstand kwamen
  • Verhuisde een jaar later naar Londen waar hij eerst antropologie doceerde aan Goldsmiths
  • Stond in 2011 aan de wieg van Occupy Wall Street
  • Scheef in datzelfde jaar zijn magnum opus Schuld, de eerste 5000 jaar
  • Ruilde in 2013 Goldsmiths in voor de London School of Economics

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

‘Erectieproblemen? Ga naar de cardioloog’

In Amerika is Aaron Spitz voor de popularisering van de kennis over de penis wat Jeroen Meus bij ons is voor de popularisering van de kennis over (groot)moeders keuken. ‘Lengte lijkt voor veel mannen van levensbelang.’

 

In het Amerikaanse tv-programma The Doctors laat uroloog Aaron Spitz geregeld zijn licht schijnen over typisch mannelijke gezondheidskwesties. ‘Tijdens mijn studentenjaren probeerde ik furore te maken als stand-upcomedian’, zegt hij. ‘Die optredens waren een keiharde leerschool, maar ik heb toen wel geleerd om mensen te entertainen en begeesteren. Dat komt me nu in mijn talkshow goed van pas.’ Naast zijn tv-werk runt dokter Spitz een bloeiende urologenpraktijk in Los Angeles, met als specialisatie mannelijke vruchtbaarheid.

Aaron Spitz: ‘Al jaren moet ik vaststellen dat de kennis van veel patiënten over hun eigen geslachtsorgaan niet altijd even accuraat is. Velen schamen zich voor hun jongeheer of geloven dat hij niet aan de gangbare norm voldoet. Daarom besloot ik om Het Penisboek te schrijven, waarin ik geen enkel heet hangijzer uit de weg wou gaan. Ik heb dat met veel humor proberen doen om zo de pil voor de ietwat preutsere man te vergulden. Want de penis is en blijft een gevoelig onderwerp. Het was ook hoog tijd voor een nieuw penisboek omdat er de voorbije jaren veel kennis bijgekomen is over de mannelijke seksualiteit.’

 

Nieuwe kennis?

Spitz: Niet spiksplinternieuw, maar wel van de laatste dertig jaar. Toen ik als dokter in de jaren negentig in urologie aan het specialiseren was, zat Viagra nog in de klinische testfase. Ze hadden pas ontdekt hoe de werkzame stof sildenafil precies werkt. Op dat moment waren er maar weinig middelen voorhanden voor de behandeling van erectieproblemen. Die waren ook niet altijd even sexy of gebruiksvriendelijk, met pompjes, injecties in de penis of een operatieve ingreep. Toen Viagra alle tests doorstaan had en op de markt kwam, konden mannen écht geholpen worden. Want eindelijk hadden we een makkelijke, effectieve behandelingsmethode voor erectiestoornissen. Je slikt een pil en vervolgens krijg je een erectie om u tegen te zeggen. Viagra zorgde ook in het dokterskabinet voor een kleine revolutie, want voortaan voelden artsen zich minder geremd om het onderwerp ‘erectiestoornis’ met hun mannelijke patiënten aan te snijden. Ze hadden nu immers een behandeling aan te bieden die comfortabel was én hielp.

 

Zijn erectiestoornissen dan zo’n groot en wijdverspreid probleem?

Spitz: Zeker. Vanaf hun vijftigste krijgt de helft van de mannen er in min of meerdere mate last van. Sommigen ondervinden af en toe dat hun erectie te wensen over laat, bij anderen wordt het snel een ernstig probleem. Zelfs een gezonde vijftiger ziet zijn erectie soms op cruciale ogenblikken verslappen. Erecties zijn nauw verbonden met de algemene conditie van hart en bloedvaten. De erectie van de penis is een weerspiegeling van de bloedcirculatie doorheen het hele lichaam. Mannen met erectieproblemen lopen risico op verminderde of haperende bloedtoevoer naar hun hart en hersenen. Ze riskeren dus een hartaanval of beroerte. De bloedvaten naar de penis zijn veel kleiner dan die naar het hart of de hersenen. De penisslagaders zijn de kleinste in een mannenlichaam, met een diameter van amper een millimeter. De kransslagaders naar ons hart zijn vijf keer zo dik.

 

De penis is dus de kanarie in de koolmijn?

Spitz: Precies. Als je hem niet meer omhoog krijgt, is het niet onverstandig om naast de uroloog ook even bij de cardioloog langs te gaan. Want vaak zijn erectieproblemen de voorbode van een hartaandoening. Vrouwen hebben de gewoonte om jaarlijks minstens een keer bij hun gynaecoloog langs te gaan, maar de meeste mannen bezoeken na hun tienerjaren amper nog een dokter. In Amerika stappen volwassen mannen pas op hun vijftigste terug bij de arts binnen. Er wordt hen dan verteld dat het hoog tijd is dat ze hun prostaat en hun darmen laten onderzoeken. Al die mannen zouden op dat moment best ook hun cholesterolwaarden laten opmeten en hun hart laten testen.

 

Pleit u ervoor dat alle mannen één keer per jaar bij de uroloog langsgaan, zoals vrouwen bij de gynaecoloog?

Spitz: Toch niet, het zou al fantastisch zijn als ze af en toe eens hun huisarts bezoeken. Die kan hen dan informeren wanneer ze best bij de specialist een afspraak maken. Soms krijg ik mannen met erectieproblemen over de vloer die al een tijd in behandeling zijn voor hart- of bloeddrukproblemen en daar de juiste medicatie voor slikken. ‘Mijn bloeddruk is onder controle dokter, en toch krijg ik hem niet meer omhoog. Ik begrijp er niets van. Mijn vrouw zegt dat ik haar niet meer aantrekkelijk vind. Help!’ Dat is het moment waarop ik Viagra bovenhaal.

 

Is dat middel dan niet gevaarlijk voor mannen met een hartziekte?

Spitz: Dat is wat de legende wil. Toen Viagra pas uitkwam, stierven er een paar mannen aan een hartaanval. Het is een werk van lange adem om die onterechte slechte reputatie van de blauwe pillen de wereld uit te krijgen. Viagra is honderd procent veilig voor je hart. Er is maar één uitzondering: nitroglycerine en Viagra samen kunnen een gevaarlijke cocktail vormen. Nitroglycerine wordt genomen door mensen die angina pectoris of hartkramp hebben. In alle andere gevallen is Viagra veilig, net als Cialis. Die middelen zijn niet verslavend en ondermijnen het gestel niet.

 

In uw boek raadt u de pijnstiller Tramadol aan voor mannen die last hebben van voortijdige zaadlozing. U schrijft: ‘Het middel is niet zo verslavend als de meeste pijnstillers.’ Tramadol is een synthetisch opioïde en familie van het opiaat morfine. Erg onschuldig is dat toch niet? De VS worden geteisterd door een heuse opioïde-epidemie en ook in België ontwikkelen steeds meer mensen een ernstige verslaving aan opioïdes zoals Tramadol.

Spitz: U hebt gelijk: de opioïde-epidemie woedt wereldwijd en Tramadol is inderdaad een opioïde. Maar je kan het enkel op voorschrift krijgen en bij voortijdige ejaculatie wordt het eenmalig ingenomen. Je neemt niet elke zes uur een pil om de pijn te bestrijden, enkel wanneer je wil vrijen. Ik begrijp uw bezorgdheid over Tramadol, want mensen die er verslaafd aan zijn, zoeken continu manieren om aan voorschriften te geraken. Ik schrijf het daarom enkel voor wanneer ik zekerheid heb over de motieven van de man die voor me zit. Ik vraag mijn patiënten altijd of ze gevoelig zijn aan verslaving. Want er is een alternatief: paroxetine, alleen moet je dat dan elke dag in een lage dosis innemen. Paroxetine is een niet-verslavend antidepressivum dat het serotonineniveau in de hersenen opkrikt. In België wordt het verkocht onder de merknaam Seroxat. Als bijwerking onderdrukt het het spinale ejaculatiecentrum. Dat is ideaal voor mannen die te snel klaarkomen. Als je van jezelf vindt dat je veel te snel klaarkomt, hoef je trouwens niet meteen je toevlucht tot pillen te nemen. Er zijn sprays op de markt die de gevoeligheid van de zenuwen in de penis verminderen, waardoor je de ejaculatie kunt uitstellen. Meestal zit daar een verdovende stof zoals lidocaïne in. Hoe meer je ervan op je penis spuit, hoe groter het effect. Er zijn ook condooms in de handel met een glijmiddel met dezelfde werking.

 

Is voortijdige ejaculatie net zo’n groot probleem als erectiestoornissen? Of schatten mannen verkeerd in hoe lang ze het moeten volhouden?

Spitz: Veel mannen worstelen daarmee. Gedeeltelijk is dat omdat seks een recreatieve sport lijkt te zijn geworden. (lacht) Vroeger diende seks vooral om onze genetische code te laten voortbestaan. De man die het snelste kon ejaculeren, was het best uitgerust om de soort te laten overleven. Tijdens het copuleren in de wilde natuur was de man kwetsbaar: hoe sneller dat achter de rug was, hoe sneller hij weer paraat was om zijn vijanden het hoofd te bieden. De mens ontwikkelde verder en kreeg meer controle over zijn seksuele activiteit. Vandaag controleren we zelfs of onze vrijpartijen nageslacht zullen opleveren. De menselijke verwachtingen over de kwaliteit van seks liggen veel hoger dan ooit tevoren. Bij sommige mensen misschien té. Een man die vindt dat hij te snel klaarkomt, drukt dat altijd uit in tijd. Zelden of nooit vraagt hij zich af of zijn partner dat misschien wel prettig vindt. Voortijdige ejaculatie is geen ziekte, toch wordt algemeen aangenomen dat het een probleem kan zijn als je het niet langer dan twee minuten volhoudt en daar gestresseerd door raakt. Maar als zowel jij als je partner het fijn vinden dat je snel kan ejaculeren, is er toch geen enkel probleem?

 

Speelt lengte een rol?

Spitz: Lengte lijkt voor veel mannen van levensbelang. Toen ik me als uroloog aan het specialiseren was, vroegen zowat al mijn mannelijke vrienden: ‘Bestaat er een pil die de penis kan verlengen?’ En ze vroegen dat niet uit puur wetenschappelijke interesse. (lacht) U kunt zich niet voorstellen hoeveel patiënten met advertenties voor penisverlenging voor de dag komen. ‘Dokter, wat denkt u hiervan? Deugt dit middel?’ Sommige middeleeuws uitziende folterapparaten kunnen de penis na urenlange reksessies een klein beetje verlengen, maar het sop is de kool niet waard. De meeste mannen hebben trouwens een fout beeld van de ideale penislengte. De kerels die ze in pornofilms aan de slag zien, hebben allemaal een buitengewoon groot geschapen lid. Dat is ook net een van de redenen waarom die heren het tot pornoacteur geschopt hebben. De meeste gewone mannen zien in hun dagelijkse leven weinig realistisch vergelijkingsmateriaal. Sommigen douchen een keer per week na het sporten samen, en daar houdt het op. Hun foute informatie over penislengte halen ze op pornosites. Door het internet en de smartphone is porno altijd en overal beschikbaar. Dat was vroeger toch anders; ik ging bij een vriend langs die wist waar de blootblaadjes van zijn vader lagen. Wie alle dagen porno kijkt, raakt er snel verslaafd aan en wil steeds extremere beelden zien. Hardcore porno is ook à volonté voor kinderen beschikbaar. Dat kan onmogelijk gezond zijn; het zorgt voor een compleet vertekend beeld van wat seks is. De explosie van internetporno gaat niet voor niets gepaard met een opvallende verhoging van het aantal erectiestoornissen.

Als uroloog heb ik ondertussen duizenden piemels gezien. Ik weet dat de overgrote meerderheid van de stijve penissen geen twintig centimeter lang is, maar gemiddeld iets meer dan dertien centimeter, met een marge van 2 centimeter. De lengte van een slappe penis is gemiddeld negen centimeter. Uit gedegen onderzoek blijkt dat grotere mannen vaak een grotere piemel hebben, maar dat is niet altijd zo. Er zijn ook zwakke correlaties gevonden met de schoenmaat en met de relatieve grootte van de wijsvinger ten opzichte van de ringvinger. De grootste verschillen tussen penissen zie je wanneer ze slap zijn.

 

U gebruikt daar de plastische begrippen ‘bloedlul’ en ‘vleeslul’ voor.

Spitz: Die heb ik niet verzonnen, maar worden frequent gebruikt. De vleeslul ziet er in slappe conditie vrij groot uit, maar groeit niet zoveel als hij stijf wordt. Een bloedlul lijkt eerder aan de kleine kant, maar groeit stevig als hij in actie treedt. In erectie verschillen ze niet zoveel van elkaar. Ongeveer vijftig procent van de mannen gelooft dat hun partner vindt dat ze te klein geschapen zijn. Maar tachtig procent van de partners blijkt dan weer tevreden te zijn over de lengte van meneers jongeheer. Mannen hebben dus niet alleen een vertekend beeld van hoe een normale penis eruitziet, maar schatten ook de verwachting van hun partners verkeerd in. De vagina is gemiddeld 9,6 centimeter diep, met een marge van anderhalve centimeter. Het maakt dus eigenlijk niet zoveel uit of je als man een paal van 20 of 10 centimeter hebt. Mannen moeten dringend meer met hun partners praten over hoe ze het liefdesspel ervaren.

 

U schrijft dat er een rechtstreekse link is tussen ‘het grote en het kleine koppie’.

Spitz: Veel complexe neurologische en neuro-chemische processen moeten gecoördineerd samenwerken om de erectie en ejaculatie mogelijk te maken. Als die processen verstoord raken, blijft er enkel slapte over. Er zijn triggers in je hersenen die seksueel verlangen in gang zetten en triggers die het blokkeren. Maar ook je testosteronspiegel speelt een rol. De belangrijkste chemische stof in je hersenen die invloed op je erecties heeft, is adrenaline. Je maakt adrenaline aan op stressmomenten. Het helpt je een aanval te doorstaan. Adrenaline opent de bloedvaten naar je longen, hart, lever en spieren, zodat je klaar bent om te vechten of te vluchten. De stof trekt je bloed vanuit je uiteinden van je lichaam naar het centrum. Op momenten van stress zit er dus minder bloed in je armen en benen. Bij een aanval met een mes of een bijl, of na een beet van een dier, zal je zo niet te veel bloed via je uiteinden verliezen. Adrenaline houdt bij stress het bloed bij de vitale organen. Vervelend bijverschijnsel is dat ook de bloedtoevoer naar je penis wordt afgesloten.

 

Stress is nefast voor de seksuele feestvreugde?

Spitz: Ja. Stress en adrenaline helpen ons moeilijke omstandigheden te overleven. Alleen krijgen we in deze moderne wereld stress van zaken die niet levensbedreigend zijn. Ons lichaam reageert dan alsof een grizzly ons in de pan wil hakken. Als journalist hebt u waarschijnlijk last van stress omdat u deadlines moet halen. Op die momenten zorgt de adrenaline ervoor dat het bloed uit uw penis gezogen wordt, recht naar uw vitale organen. U zal dan geen erectie kunnen krijgen of uw erectie zal er snel de brui aan geven.

Een man is aan het vrijen, maar wordt afgeleid door iets banaals waardoor hij zijn erectie verliest. De kans is reëel dat hij vanaf dat moment erectiestoornissen ontwikkelt. Want de eerstvolgende keer dat hij van bil wil gaan, zoemt in zijn achterhoofd de gedachte: ‘Wat als het me weer overkomt?’ Die gedachte alleen al zorgt voor stress en zet de aanmaak van adrenaline in werking. De rest kan u wel raden. Na een paar mislukte vrijages raakt onze arme man gevangen in een vicieuze cirkel.

 

En moet hij in therapie?

Spitz: Voor veel mannen met een erectieprobleem als gevolg van stress, is therapie bij een in seks gespecialiseerde psycholoog de beste oplossing. Maar vaak moet ik vaststellen dat die drempel voor veel patiënten te hoog ligt. Ik vind dat jammer, want eens die gedachte ‘dat het zal misgaan’ diep in je brein ingeplant is, krijg je ze er moeilijk weer uit. Integendeel, ze wordt alleen maar krachtiger.

 

Hoe houden mannen hun penis gezond?

Spitz: De basis van alles is de manier waarop de penis werkt: de bloedtoevoer zorgt ervoor dat hij gaat zwellen en dat wij een stevige erectie krijgen. Een gezonde bloedsomloop zorgt voor een gezonde penis. Vanuit de wetenschap weten we dat de sleutel tot een goede bloedsomloop stikstofmonoxide is, in de scheikunde NO gedoopt, of stikstof en zuurstof. Die moleculen zetten de slagaders naar de penis wijd open en voeden en versterken de bloedvaten. NO wordt aangemaakt uit gezonde voeding en afgebroken door ongezonde voeding. Als je een gezonde penis wil, let je op je voeding en eet je best plantaardig of veganistisch. Voedsel op basis van planten dat niet geraffineerd is: groenten, fruit, noten, bonen en volkorenproducten. Vermijd alles wat in blik of plastic verpakt is.

 

Hipsters hebben dus de gezondste penissen?

Spitz: Vermoedelijk. (lacht) Ik hoor sommige lezers van uw blad nu roepen: ‘Ik ken een viriele negentiger die alle dagen whisky drinkt, sigaren rookt en biefstuk eet.’ Beste lezers, die man is een uitzondering. Twintigers of dertigers die graag hun stevige erecties willen behouden, schakelen zo snel mogelijk over op het veganisme. Net als een zeventiger die nog lang van zijn erecties wil blijven genieten. Dit advies heeft niets te maken met ideologie, maar alles met wetenschappelijk onderzoek. Als het je niet lukt om honderd procent veganistisch te eten, is negentig procent ook goed.

 

Bent u full blown veganist?

Spitz: Nee, ik zit aan negentig procent. Ik ben veganist omdat ik gezond wil blijven, maar het veganisme heeft als groot bijkomend voordeel dat het ook ecologisch verantwoord is. Nog belangrijk voor een gezonde penis is voldoende sporten. Want ook bewegen is essentieel voor een goede bloedcirculatie. Net als voldoende slaap, iets wat te veel moderne mensen verwaarlozen.

 

In uw boek vond ik een paar recepten die de smaak van sperma zouden beïnvloeden. Zo is er het recept voor ‘ananasverrassing’: ‘Meng 200 gram blokjes ananas, 1 in stukjes gesneden kiwi en 100 gram bosbessen. Consumeer 1 uur voor de verhoopte fellatio.’ Hebt u dat zelf uitgetest?

Spitz: Mijn vrouw had geen zin in veldonderzoek. (lacht) Het zal u misschien verbazen, maar als uroloog krijg ik regelmatig de vraag: ‘Dokter, hebt u tips om mijn sperma lekker te maken?’ In de wetenschappelijke literatuur vind je daar helaas niet veel over terug. Sommige sperma-ingrediënten smaken of ruiken zelfs smerig, zoals de amines, ammoniakachtige moleculen. Ze luisteren naar namen als ‘cadaverine’, van kadaver, en ‘putrescine’, van putrefactie of ontbinding. Ik hoop dat ik toch een paar recepten gevonden heb die sperma een beetje kunnen pimpen.

 

Aaron Spitz

  • Geboren in 1966 in Miami Beach, Florida
  • Studeert in 1988 af als politicoloog en begint daarna een opleiding geneeskunde
  • Studeert in 1998 af als uroloog
  • Heeft sinds 1999 zijn eigen praktijk in de buurt van Los Angeles
  • Is sinds 2006 onderzoeksprofessor aan de Universiteit van Californië, gespecialiseerd in mannelijke vruchtbaarheid
  • Groeide vanaf 2008 uit tot ‘Amerika’s favoriete penisdokter’ dankzij het tv-programma The Doctors

 

Aaron Spitz, Het Penisboek, Thomas Rap, 336 blz., 19,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Veel kinderen zijn doodsbang van de vrijheid’

Psychiater en tachtiger Boris Cyrulnik verrichtte pionierswerk naar de verwerking van trauma’s uit de kindertijd en muntte het begrip ‘veerkracht’. ‘Mijn leven lang onderschatte ik de rol van één psychotherapeut: God.’ Om dat goed te maken, schreef hij God als therapeut.

 

Neuropsychiater Boris Cyrulnik is wereldberoemd in Frankrijk én ver daarbuiten voor zijn baanbrekend onderzoek naar traumaverwerking. In 2001 publiceerde hij zijn ultieme bestseller Les vilains petits canards, vertaald als Veerkracht. Daarin bouwde hij verder op de hechtingstheorie van de tien jaar eerder overleden Britse psychiater John Bowlby. Volgens Bowlby zijn kinderen geprogrammeerd om zich te hechten aan hun ouders of opvoeders. Als die hechting fout loopt, betalen de kinderen daar soms een levenslange prijs voor met relatieproblemen, depressie, verslaving of angst. Boris Cyrulnik introduceerde het begrip résilience of ‘veerkracht’. Op de bodem van de put ligt volgens hem de sleutel voor heling en misschien zelfs voor herstel van mislukte of onveilige hechting. Onze natuurlijke veerkracht is onze beste bondgenoot in de strijd tegen de gevolgen van vreselijke trauma’s als oorlog, incest, terreur, mishandeling of misbruik. Gespecialiseerde therapie kan daarbij helpen.

Cyrulnik putte voor zijn theorie over ‘veerkracht’ uit ervaringen die hij als psychiater had opgedaan met jeugdige delinquenten, maar ook uit wat hij zelf als kind had meegemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog. ‘Toen ik in 2010 in Congo in een opvangcentrum van Unicef kindsoldaten ontmoette, werd ik verrast door de kracht die de zwaar getraumatiseerde jongens uit hun geloof putten’, zegt hij. ‘Een jongen van een jaar of tien met ogen vol angst zei me: “Ik voel me alleen goed in de kerk.” Het instituut kerk en God leken hem veerkracht te geven. Op dat moment voelde ik de noodzaak om dat fenomeen dieper te gaan onderzoeken, met behulp van de moderne psychologie, de neurowetenschappen en de hechtingstheorie. Want ik kon niet anders dan vaststellen dat God soms een uitstekende therapeut is.’

 

Gelooft u zelf in God?

Boris Cyrulnik: Nee. Dat verrast u na lezing van mijn boek God als therapeut? (lacht) Ik heb heel lang een praktijk gehad als psychiater en kreeg soms patiënten over de vloer die gebukt gingen onder immens verdriet. Sommigen hadden een kind verloren; anderen hadden hun partner zien sterven. Zij vertelden me hoe ze zich in hun lijden gesteund voelden door hun geloof in God. Ik stond dan altijd met mijn mond vol tanden, want als neuroloog en psychiater wist ik niet wat ik daarmee moest aanvangen. Ik hoorde hen vertellen dat God hen hielp, maar ik had daar geen verklaring voor. Tijdens mijn onderzoek naar veerkracht hoorde ik soms ook van collega’s hoe zij op moeilijke momenten in hun leven houvast vonden in hun geloof in God. Dat fascineerde me, want zelf had ik als kind al geen God. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verdween mijn hele familie. Ik ben geboren in 1937 in Bordeaux. In 1944 werden mijn ouders gearresteerd en naar Auschwitz gebracht. Ze waren joods en ‘verdwenen’. De avond voor mijn moeder op transport gezet werd, had ze me bij een pleeggezin ondergebracht. Die mensen gingen me bijna meteen aangeven bij de met de nazi’s collaborerende politie. Zuid-Frankrijk werd toen gecontroleerd door het Vichy-regime. Ik was zes en een half jaar toen ikzelf door de beruchte Maurice Papon en zijn agenten gearresteerd werd. Ze vielen ’s nachts binnen en ze droegen zonnebrillen. Ik herinner me nog dat ik dacht: ‘Waarom dragen die mannen donkere brillen? Het is toch pikdonker buiten?’ Ze namen me mee en veroordeelden me bijna meteen tot de doodstraf. Ze sloten me op in een tot gevangenis vertimmerde synagoge in Bordeaux. Op een onbewaakt ogenblik kon ik me verbergen in een vals plafond en zo ook ontsnappen. Daarna leefde ik ondergedoken als ‘Jean Laborde’ bij een christelijk gezin dat joden hielp. In Frankrijk worden die mensen nu ‘Les Justes’ genoemd. Ik kon toen onmogelijk in God geloven omdat niemand me kon vertellen wie God echt is of hoe ik tot God moest bidden. Geen jood of christen kon me uitleggen waar God gebleven was op het moment dat mijn ouders vermoord werden. Na de oorlog was ik overtuigd atheïst. Wat niet wil zeggen dat ik nergens meer in geloofde. Ik geloofde in kunst, literatuur, humanisme, geneeskunde, filosofie.’

 

Een oom van mijn vrouw zat tijdens WO II in het verzet. Hij werd gearresteerd en overgebracht naar het concentratiekamp Mittelbau-Dora in Oost-Duitsland. Op het einde van de oorlog overleefde hij een dodenmars. Hij beschouwde zijn redding als een persoonlijke interventie van God. Hij is nu 94 en nog steeds diepgelovig.

Cyrulnik: Hij is geen uitzondering. Meer mensen die de kampen overleefden, kwamen zo dichter bij God. Maar het tegengestelde is ook waar: velen namen toen afscheid van God. Na Auschwitz zeiden sommigen: ‘Het is voortaan onmogelijk om nog in God te geloven. Als hij echt zou bestaan, had hij die verschrikking verhinderd.’ Er zijn ook verhalen van mensen die Auschwitz niet overleefd hebben, maar die er toch God vonden als troost. Voor hen was het een manier om te verwerken wat hen werd aangedaan. De overlevenden van de kampen die God als beschermer zagen, zoals de oom van uw vrouw, zijn blijven geloven.

 

U schrijft dat het godsbeeld van mensen bepaald wordt door hoe ze als baby hun ouders over God hoorden praten.

Cyrulnik: Ons geheugen zit vol herinneringen. De aard van die herinneringen wordt bepaald door onze allereerste interacties met andere mensen en door wat voor jeugd we gehad hebben. Kent u de verhalen van Gargantua en Pantagruel van de 16e-eeuwse grootmeester François Rabelais? Hij was naast schrijver net als ik ook arts in het zuiden van Frankrijk. Zijn geesteskind Gargantua begon meteen na zijn geboorte te spreken. Zijn eerste woorden waren: ‘Wijn, wijn! Ik wil wijn drinken!’ (lacht) Gargantua is een literair verzinsel en er is geen enkel kind dat voor zijn twintigste levensmaand een zinnig woord zal zeggen. Maar een baby hoort zijn moeder in die allereerste levensmaanden wel praten over haar God. Zij presenteert haar godsbeeld aan haar pasgeborene. Later zal dat kind in de God van zijn moeder geloven. In God geloven, is dus eigenlijk ook een manier van affectie delen met elkaar.

Als ik het over ‘God’ heb, gaat het niet over de christelijke, joodse of islamitische religie. Want de voorbije decennia hebben veel mensen in het westen de religie de deur gewezen, maar niet de spiritualiteit of het transcendente. Religie en spiritualiteit zijn niet hetzelfde. Spiritualiteit is universeel, terwijl religie cultureel bepaald is.

 

Wie niet in God gelooft, kan spiritueel zijn?

Cyrulnik: Zonder twijfel. Een mens heeft geen nood aan een instituut om toegang te hebben tot een vorm van spiritualiteit. Maar als je een religieus gelovig mens bent, heb je wel een kerk, synagoge of moskee nodig om anderen te ontmoeten en te bidden tot jouw God. Religies zijn producten van culturen en spiritualiteit zit in elke mens, ongeacht tot welke cultuur hij behoort. Spiritualiteit is het overstijgen van de werkelijkheid, in de richting van het ‘goddelijke’.

 

Er zit dus ook spiritualiteit in atheïsten?

Cyrulnik: Maar natuurlijk. Atheïsten die ervan overtuigd zijn dat er geen greintje spiritualiteit in hen zit, vergissen zich. Volgens mij is het trouwens onmogelijk om in niets te geloven. Ook atheïsten hebben een geloof: het geloof dat God niet bestaat. Dus ook atheïstische moeders en vaders delen met hun kind hun spiritualiteit. Alleen is God dan vervangen door muziek, kunst, literatuur of grote humanistische waarden. Voor transcendentie of het overstijgen van het aardse heb je de figuur van God niet per se nodig.

 

Dat is dan een vorm van religieus atheïsme: God bestaat niet, maar toch overstijgt de werkelijkheid ons en is niet alles zinloos?

Cyrulnik: Precies. Het belangrijkste is dat door die spirituele link met de ouders de interne wereld van het kind gevoed wordt, lang voor het zijn eerste woordjes brabbelt. Een kind ontwikkelt altijd in een context, in een structuur en neemt gebeurtenissen waar. Dankzij moeders verhalen over God of het spirituele zal het kind zodra het begint te spreken, ook in staat zijn om een wereld te voelen die niet waarneembaar is. Baby’s ontwikkelen zich in de gevoelsomgeving die hun ouders voor hen creëren. Geen enkele pasgeborene gelooft in God. Maar de manier waarop een kind van God zal houden, hangt af van de hechting die hij van huis uit meekreeg. Als zijn ouders op een vriendelijke, beschermende manier over God praten, zal het kind God zien als iemand die veiligheid en zekerheid biedt. Maar als vader en moeder enkel over een streng en straffend opperwezen vertellen, wordt het kind bang van God.

 

Veel mensen hebben geen boodschap aan God of spiritualiteit. Zij zijn vooral geïnteresseerd in het materiële en vertellen hun pasgeborenen geen spirituele verhalen.

Cyrulnik: Dat is heel jammer, want het materiële, geld of consumptie hebben geen moraliteit of ethiek. God wel: Hij schrijft voor hoe we moeten samenleven. Die goddelijke moraliteit of ethos hangt af van de cultuur waaruit de figuur van God stamt. De regels van God geven meteen ook structuur aan de samenleving. In sommige culturen kan je de maatschappelijke ethos samenvatten als leven voor God en niet voor het goud.

 

Voor de gezonde evolutie van een kind in de samenleving is de hechting aan God of spiritualiteit even belangrijk als de hechting aan de ouders?

Cyrulnik: De hechting aan God is net als de hechting aan een vader. U kent de katholieke gebedsregel misschien nog: ‘Onze Vader die in de hemelen zijt.’ God wordt vaak geportretteerd als een oude man met een lange grijze baard. Religies leren aan kinderen dat ze God even graag moeten zien als hun ouders. Soms wordt hij voorgesteld als streng en bestraffend en soms als vredevol en vergevingsgezind, als een echte vaderfiguur.

 

Sommige kinderen worden door hun ouders mishandeld of misbruikt. God als vader is daar ook toe in staat?

Cyrulnik: Als je als kind door je ouders mishandeld of misbruikt werd, draag je daar soms de rest van je leven de gevolgen van. Wanneer ouders dan op een bepaald moment tegenover jou erkennen dat ze fouten gemaakt hebben, kan dat de start zijn van een verbeterde relatie. Iets gelijkaardigs geldt inderdaad ook in onze verhouding met God. Als je als kind geconfronteerd werd met een bestraffende, strenge, harteloze God, is de kans groot dat je op een dag met slaande deuren afscheid van hem neemt. Je zweert God af en wordt bijvoorbeeld strijdend atheïst. Maar van zodra je in je leven met pijn, lijden en angst geconfronteerd wordt, is de kans niet gering dat je je toch tot God zal richten.

De Frans-Belgische schrijver Éric-Emmanuel Schmitt verdwaalde eind jaren tachtig tijdens een wandeltocht in de Sahara. Hij moest er in zijn eentje overnachten, zonder voedsel of water. Hij dacht dat hij ging sterven, en kreeg die nacht een religieuze ervaring. Hij voelde extatisch geluk en noemde dat ‘God’. ‘s Anderendaags werd hij gered, en hij ging voortaan als een gelovig mens door het leven. Een vriend van mij is een verwoed zeiler. Hij geloofde niet, maar betrapte zich erop dat hij tijdens een zeer zware storm op zee tot God begon te bidden. Hij was ervan overtuigd dat hij de storm niet zou overleven. Hij voelde zich enorm schuldig, want hij had iemand overtuigd om samen met hem te gaan zeilen, terwijl er slecht weer in de lucht hing. Tijdens die storm ging hij door de knieën en bad tot God. Vandaag gelooft hij nog steeds.

Momenten van gevaar en grote ongerustheid triggeren onze nood aan God. Maar op momenten van vrede, welvaart en welzijn zetten we God makkelijk aan de kant. In Canada waren God en de kerk generaties lang ontzettend belangrijk. Het geloof bepaalde er de ordening van de samenleving. In amper één generatie is dat zo goed als verdwenen. De verklaring daarvoor is volgens mij dat de staat er de rol van God heeft overgenomen. De Canadese overheid voorziet nu in alles wat een kind nodig heeft: school, bescherming en veiligheid. God heeft er steeds minder in de pap te brokkelen. Wij trekken allemaal een beetje op Canada. Hoe minder miserie we in ons leven hebben en hoe beter het ons vergaat, hoe minder behoefte we hebben aan God. Maar de dag dat we een geliefde verliezen of ons leven aan een zijden draadje hangt, richten we ons, al dan niet ver van de schijnwerpers, met onze smeekbeden naar boven. Veel ongelovigen laten zich nog steeds begraven in een kerk. Dat is omdat we als mens nood hebben aan de troost van dat soort van rituelen. Op zo’n momenten wordt God onze therapeut.

 

God en rituelen zijn belangrijk voor onze psychische gezondheid?

Cyrulnik: Jazeker. Rituelen geven structuur aan ons bestaan en op het moment dat de staat God vervangt, verliezen we een flink pak van die rituelen die onze bakens waren. Dat verlies van God impliceert ook een verlies aan waarden, ethiek en moraliteit. Dat is problematisch, want hoe meer we ons hechten aan het materiële, hoe egoïstischer we worden. Wanneer God uit onze samenleving verdwijnt, vergeten we hoe we moeten samenleven met andere mensen. Een kind leert dan niet langer om rekening te houden met anderen en empathie wordt selectiever.

 

Maar een opvoeding met God kan toch ook tot onvoorstelbare gruwel leiden? Denk maar aan de kinderen van de Islamitische Staat.

Cyrulnik: Van zodra een geloofsgemeenschap zich afsluit van de rest van de wereld, wordt het extreem gevaarlijk. In een sekte is er enkel nog empathie voor de andere sekteleden. De buitenwereld is de vijand en moét bestreden worden, of op zijn minst genegeerd. Enkel de eigen God telt en alle andere goden zijn des duivels. Kijk, de essentie is: we hebben allemaal behoefte aan onze God, maar we moeten ons er altijd goed bewust van zijn dat er nog andere goden bestaan die minstens evenveel recht van spreken hebben. Vandaag zijn er op aarde 35.000 verschillende goden. Ze zijn stuk voor stuk nuttig voor alle mensen die erin geloven, net zoals onze God nuttig en noodzakelijk is voor ons.

 

Veel jonge mensen nemen op een bepaald moment afscheid van de God van hun ouders.

Cyrulnik: Dat gold misschien voor uw generatie, maar ik merk dat kinderen vandaag naar de schaapsstal terugkeren. Net nu God door de staat compleet verdrongen lijkt te zijn, keren heel wat jonge mensen terug naar de God van hun voorouders. Ik zie die evolutie iets minder bij christenen, maar vooral bij moslims en joden. Steeds meer jonge moslims hullen zich in kledij die de eerste volgelingen van de profeet Mohammed gedragen zouden hebben. Er worden zelfs bizarre zwempakken ontworpen én gedragen die in Arabische landen verboden zijn omdat ze in strijd zouden zijn met de islam. Tot voor een paar jaar kwam je op straat nauwelijks joden met een keppeltje tegen, nu zie ik overal jonge mannen met een keppeltje op. Piepjonge joden keren terug naar de godsdienst van oma en opa. Ze gaan langs bij de rabbijn en vragen hoe ze moeten bidden en geloven. Hun geseculariseerde ouders staan daar met open monden naar te kijken. Mama en papa gingen indertijd samenwonen of trouwden enkel op het gemeentehuis, maar zoon- en dochterlief vragen aan de rabbijn advies over hoe ze best moeten huwen. De ouders moesten zichzelf vrijvechten, weg van onder wat zij ervaarden als het juk van het geloof en de geestelijkheid. Vol verbazing kijken ze nu naar hun kinderen die afstand nemen van die vrijheid, zich onderwerpen aan de rabbijn en terugkeren naar wat zij ooit als verstikkende regels ervoeren. Het gaat heel ver, hoor. Veel jonge joden zien het huwelijk niet langer als een bezegeling van de liefde tussen twee mensen, maar als een manier om onder toezicht van de rabbijn de samenleving in te richten.

 

Die jonge generatie bouwt vol overgave aan de restauratie van een door God gedomineerde conservatieve samenleving?

Cyrulnik: Ja, zonder twijfel. Dat vindt nu toch onder onze ogen plaats? Westerse samenlevingen beleven een terugkeer naar conservatieve waarden. Daar is ook een verklaring voor: veel kinderen zijn doodsbang van de vrijheid waarin ze geboren zijn. Ze hebben nood aan houvast en structuur en vluchten daarom in de armen van een autoritaire God. Te veel vrijheid voor kinderen levert alleen maar angst en onzekerheid op. Ze hebben nood aan een duidelijk opvoedkundig pad. Praat met leerkrachten op lagere en secundaire scholen en zij zullen u vertellen dat steeds meer jongens en meisjes worstelen met problemen die het gevolg zijn van een gebrek aan structuur in gezin en samenleving. Ze hunkeren naar autoriteit, want dat kalmeert hen en biedt zekerheid.

 

 

Boris Cyrulnik, God als therapeut, Lannoo, 272 blz., 24,99 euro

 

 

 

Boris Cyrulnik

  • Geboren in 1937 in Bordeaux
  • Studeerde in de jaren zestig geneeskunde en psychiatrie aan de Faculté de médecine de Paris
  • Is als neuropsychiater verbonden aan de universiteit van Toulon
  • Schreef verschillende populair-wetenschappelijke boeken over psychologie
  • Introduceerde in 2001 voor het grote publiek de theorie over résilience of veerkracht
  • Richtte in 2013 L’Institut Petite Enfance op voor opleiding van hulpverleners en onderzoek naar de vroege kinderjaren

 

(c) Jan Stevens

‘Elon Musk moet van Mars afblijven’

Onder leiding van professor Veronique Dehant vliegt België samen met de NASA en de ESA op verkenning naar Mars. ‘We willen weten waarom die ooit levende planeet nu zo dood als een pier is. Zo leren we misschien ook iets bij over de evolutie van de aarde.’

 

In 1993 stapte de briljante jonge astro- en geofysicus Veronique Dehant voor het eerst de imposante gebouwen van de Koninklijke Belgische Sterrenwacht (KBS) in Ukkel binnen. Vandaag leidt ze er de dienst ‘Referentiesystemen en planetologie’ en geldt ze wereldwijd onder vakbroeders als een autoriteit in de studie van de rotatie van de aarde. Aan de UCL doceert ze astronomie en geofysica en leidt ze het Center for Space Radiations. Op zaterdag 5 mei woonde ze op de luchtmachtbasis Vandenberg in Californië de vlekkeloze lancering bij van de NASA-ruimtesonde InSight. Als alles goed gaat, zal de InSight in november op Mars landen, om daarna twee jaar lang het inwendige van de rode planeet te onderzoeken.

‘Wij helpen op de KBS met de verwerking en de interpretatie van de gegevens’, zegt professor Dehant. ‘De kernvraag van deze missie is: waarom is er niet langer leven op Mars? Want ooit was dat wél het geval. Leven wordt pas mogelijk als er energie, voedingsstoffen en vloeibaar water beschikbaar zijn. Ooit waren die drie voorwaarden op Mars vervuld. Tussen 4,6 miljard en 3,5 miljard jaar geleden, na het ontstaan van het zonnestelsel, bulkte de planeet zelfs van het water. Op foto’s die vanuit andere ruimtetuigen gemaakt zijn, kun je heel duidelijk de sporen zien die het stromende water er achterliet, met uitgedroogde rivierbeddingen en -delta’s. Door het inwendige van de planeet te onderzoeken, hopen we inzicht te krijgen in de evolutie van terrestrische of aardachtige planeten zoals Mars, Venus, Mercurius én de aarde.’

 

Nu is de planeet Mars dood, maar miljarden jaren geleden was ze springlevend?

Veronique Dehant: Precies. En wij willen begrijpen waarom ze van levend naar dood geëvolueerd is. We zoeken antwoorden op vragen als: hoe kan een atmosfeer rond een planeet ontstaan, maar ook weer verdwijnen? Alles wat aan de oppervlakte van de planeet gebeurt, is verbonden met wat er zich binnenin afspeelt. Vandaar onze missie InSight, wat staat voor ‘Interior Exploration using Seismic Investigations, Geodesy and Heat Transport’.

 

Kan u die link tussen het inwendige en uitwendige van Mars eens heel concreet maken?

Dehant: Elke planeet die een vloeibare, stromende kern heeft, heeft ook een magnetisch veld. Onze aarde is daar een mooi voorbeeld van. Dat magnetisch veld beschermt ons tegen zonnewinden die onze atmosfeer oplossen. Zonder dat veld zou onze atmosfeer zelfs totaal kunnen verdwijnen. Onder andere dankzij de innerlijke vloeibare toestand van de kern van de aarde zitten wij hier nu dus met elkaar te praten. Onze studie van het innerlijk van Mars kan ons meer inzicht geven in de werking van de atmosfeer en het magnetische veld.

De aardkorst bestaat uit grote tektonische platen. Vlak onder de korst ligt de aardmantel. De platen en het oceaanwater bewegen in en over de mantel, oefenen zo rechtstreeks invloed uit op de werking van vulkanen en veroorzaken ook aardbevingen. Op Mars is geen platentektoniek, want de korst bestaat uit een gigantische ‘monoplaat’. Doordat er op Mars geen tektoniek is, kun je bij wijze van spreken de hele geschiedenis van ons zonnestelsel van die planeet aflezen. Op het oppervlak liggen kraters die 4,5 miljard jaar oud zijn. Door dit onderzoek zullen we dus meer te weten komen over de evolutie van aardachtige planeten en over ons zonnestelsel. Maar ook al is Mars een buurplaneet, ze verschilt toch grondig van de aarde. We kunnen dus niet zomaar aan de hand van onze bevindingen op Mars de toekomst van onze eigen planeet voorspellen.

 

De InSight wil onder andere Mars-bevingen registreren, maar zijn die eigenlijk wel mogelijk als er geen platentektoniek is?

Dehant: Dat vormt precies ook onderdeel van ons onderzoek. Waar we zeker van zijn, is dat sommige bevingen veroorzaakt worden door meteorietinslagen. De InSight heeft een seismometer die àlle mogelijke bevingen zal vastleggen. De resultaten zullen ons meer leren over de verhouding tussen de mantel en de korst. De InSight heeft nog twee andere meetinstrumenten aan boord: een boor en een radiozender en -ontvanger. Met de boringen in het Marsoppervlak meten we de temperaturen tot vijf meter diep. Zo kunnen we de warmteoverdracht van de kern naar de oppervlakte in kaart brengen. Vanop de aarde zullen we radiosignalen naar Mars sturen. De twee antennes op de InSight zullen die capteren en meteen naar ons terugsturen. Wij meten dan het dopplereffect. Dat kan ons iets leren over de beweging van Mars, net zoals het de politie bij radarcontroles iets leert over de snelheid van voorbijrijdende auto’s. (lacht)

 

Hoelang zal de Insight-missie duren?

Dehant: Minstens één Marsjaar of twee aardjaren. De aarde draait in 1 jaar tijd rond de zon en Mars doet daar twee jaar over. Wie een ruimtetuig naar Mars wil sturen, moet daar het juiste moment voor afwachten. Dat zogenaamde ideale lanceervenster is er om de twee jaar en duurt ongeveer één maand. Dit jaar hadden we de hele maand mei tijd om de InSight te lanceren. Dit is trouwens niet het eerste tuig dat naar Mars gestuurd wordt. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw vlogen verschillende sondes richting Mars. De meesten namen foto’s of onderzochten het oppervlak van de planeet. In het begin van deze eeuw zette de NASA twee zogenaamde rovers of onbemande robotwagens op Mars. De Spirit en de Opportunity stuurden beelden van de gesteenten door die ze onderweg tegenkwamen.

 

Hoe raakte u bij het Mars-onderzoek betrokken?

Dehant: Door mijn specialisatie: ik hou me bezig met het bestuderen van de rotatie van de aarde. Hebt u ooit al eens een rauw en een gekookt ei op tafel rondjes laten draaien? U zal zien dat ze verschillend roteren. De rotatie vertelt ons iets over de kern van het ei: of die vast is of vloeibaar. Hetzelfde geldt voor planeten: hun rotatie geeft veel informatie over de toestand van hun diepste kern. Is hij vast of vloeibaar?

Ikzelf droomde al lang van een missie zoals InSight. Samen met de European Space Agency (ESA) hadden we daar een tijd geleden ook plannen voor gemaakt. Maar het binnenste van Mars was toen nog niet sexy genoeg, eerst wilden ze het oppervlak bestuderen. We raakten niet aan fondsen en daarom zochten we contact met de collega’s van de NASA. Zij kregen het hele InSight- project wel rond.

 

Wetenschappelijk ruimteonderzoek moet dus sexy zijn of het raakt moeilijk gefinancierd?

Dehant: Het helpt als er ruimere belangstelling is. Een paar jaar geleden was het wereldnieuws toen de NASA sporen van vloeibaar water op Mars gevonden meende te hebben. Later viel die vondst lelijk tegen, toen het zogenaamde stromende water droog zand bleek te zijn. Het grote publiek wou ook zo graag dát er water op Mars gevonden werd. ‘Waar is het water?’ Het motto van het Mars Exploration Program van NASA begin deze eeuw was: ‘Follow the water’. Want water op het oppervlak betekende bijna automatisch: leven. Tot hiertoe is dat leven nog niet gevonden. Integendeel: het besef groeit dat Mars zo dood als een pier is. Wat niet wil zeggen dat er helemaal geen vloeibaar water te vinden zou zijn. Dat blijft nog steeds mogelijk.

 

En microscopisch kleine levende organismen?

Dehant: Ik denk het niet. De ExoMars-missie van de ESA zal in 2020 een rover op Mars brengen die met boringen in het oppervlak op zoek zal gaan naar fossielen, overblijfselen van vroeger leven. Ooit was er veel water; de kans is reëel dat er dan leven was. Wij werken ook mee aan die ExoMars-missie. Samen met het ruimtebedrijf AntwerpSpace bouwen we nu het instrument LaRa, Lander Radioscience, een zender en ontvanger waarmee we vanaf 2020 hier op de Koninklijke Sterrenwacht de rotatie van Mars zullen kunnen bestuderen. We hebben daar pas alle officiële documenten voor in orde gemaakt, samen met onze partners van het Russische ruimtevaartagentschap Roscosmos.

 

In het heelal is de koude oorlog dus definitief voorbij en gelden er geen sancties tegen het beleid van Vladimir Poetin?

Dehant: De Russische wetenschappers met wie ik rechtstreeks contact heb, zijn heel aardige mensen. We praten niet over politiek: ze willen alleen maar met hun wetenschap bezig zijn. Maar het is niet altijd even makkelijk om met hen samen te werken. De ESA is voorzichtig en test op voorhand alles goed uit. Maar de Russische wetenschappers hebben een andere mentaliteit: they just go for it. Vaak halen ze hun deadlines niet en dat is soms frustrerend. De laatste Russische missie naar Mars, de lancering van het ruimtetuig Fobos-Grunt in 2011, draaide uit op een mislukking. Ik hoop dat de ESA een positieve invloed op de Russen heeft, maar zeker ben ik daar niet van. LaRa zal geïnstalleerd worden op een Russisch platform en ik pendel nu heen en weer tussen Brussel en Moskou. Er worden soms lastige discussies gevoerd. Mijn Russische collega’s van Roscosmos moeten maanden wachten op beslissingen van hogerhand. Waarom dat zo moeizaam verloopt, weet ik niet. Ze praten daar niet graag over, maar zitten er wel erg mee verveeld. Ze staan te popelen om in actie te schieten, maar kunnen niet voluit gaan omdat ze er de middelen niet voor hebben.

 

Verloopt de samenwerking met de Amerikanen van NASA ook zo moeizaam?

Dehant: Nee, dat gaat even vlot als samenwerken met de ESA. Zij hebben solide procedures en werken grondig en secuur. België is klein en kan financieel geen complete missie aan. Daarom werken wij graag onder de vleugels van de NASA of de ESA.

 

Het is belangrijk dat u ook een goede lobbyist bent?

Dehant: Niet echt, maar het helpt wel als je een goede wetenschappelijke naam hebt. Je moet een uitstekende reputatie hebben, anders kan je het schudden. ESA besliste wie welk onderdeel van ExoMars mocht leiden. De selectie verliep zeer streng. Ze hebben mijn cv grondig onder de loep genomen, net als onze plannen voor LaRa. Vervolgens moest de Belgische overheid haar zegen geven, want zij staat in voor de financiering van ons project.

 

InSight is goedgekeurd toen in Amerika Barack Obama nog aan de macht was. Het lijkt alsof de huidige president Donald Trump de erfenis van zijn voorganger zoveel mogelijk wil uitwissen. Merkt u iets van die nieuwe politieke toestand?

Dehant: Helemaal niet. Ik hoor daar ook geen verontrustende berichten over van NASA-wetenschappers. Het ruimteonderzoek zal meer dooreen geschud worden door de komst van private ondernemers.

 

Omdat privé-investeerders andere bedoelingen hebben dan overheidsinstellingen: zij willen dat hun investeringen renderen?

Dehant: Ja, maar er speelt ook nog iets anders: zij dromen van koloniseringsreizen door het heelal. Ik hou daar niet van. Kerels zoals Elon Musk moeten van mijn planeet afblijven. (lacht) Ik hou niet van al die plannen om planeten te koloniseren, inclusief de maan. Ik weet ook wel dat we ons in het verleden op onze eigen planeet als kolonisatoren gedroegen. Maar in plaats van nu op identieke wijze de ruimte te koloniseren, moeten we ze exploreren. Dat wil niet zeggen dat er in de verre toekomst nooit basissen gebouwd mogen worden waar wetenschappers onderzoek kunnen voeren. Maar Mars of de maan koloniseren en er onze vlag planten, gaat regelrecht in tegen mijn wetenschappelijke inborst. Ik wil onderzoeken en begrijpen, niet veroveren. Wij zijn altijd heel voorzichtig als we de ruimte ingaan en letten er op dat we nooit afval achterlaten. Wij willen Mars echt niet vervuilen.

 

We worstelen hier op aarde al decennialang met het probleem van het nucleaire afval. Het zou me niet verwonderen dat er ergens plannen liggen te rijpen om dat ooit naar Mars te verschepen.

Dehant: Dat afval is inderdaad een heel groot probleem waar we ooit een oplossing voor zullen moeten vinden. Maar ik hoop uit de grond van mijn hart dat het nooit gedumpt wordt op Mars. Ze moeten écht met hun fikken van mijn planeet afblijven. (lacht)

 

De Nederlandse stichting Mars One wil in 2026 vier mensen naar Mars sturen. Is dat een waanzinnig plan?

Dehant: Weet u wat ik er waanzinnig aan vind? Dat het een enkele reis is. Die mensen zullen nooit terugkeren en ik vind dat ethisch onverantwoord. Je kan toch geen mensen naar een planeet sturen, goed wetende dat ze er na een paar jaar zullen sterven?

 

Dat is toch hun eigen keuze?

Dehant: Dan nog kunnen we dat niet zomaar laten gebeuren. Kijk, het is nu al perfect mogelijk om op Mars een basis te bouwen waar mensen kunnen overleven. Alleen hebben we niet de technologie om ze te laten terugkeren. Ik heb geen bezwaar tegen een bemande ruimtereis naar Mars, op voorwaarde dat we de middelen en mogelijkheden hebben om terugvluchten te organiseren. Ik begrijp niet waarom die mensen nu willen vertrekken, in het volle besef dat ze gedoemd zijn om daar dood te gaan.

 

Als ze u als wetenschapper een reis naar Mars aanbieden, wijst u die vriendelijk af?

Dehant: Zonder twijfel, er is op dit moment geen enkele reden te verzinnen waarom ik zou gaan. We kunnen ons Mars-onderzoek door robots laten uitvoeren. Wat niet wil zeggen dat ik iets tegen ontdekkingsreizigers heb. Mijn goede vriendin Vinciane Debaille voert aan de ULB wetenschappelijk onderzoek naar het ontstaan van ons zonnestelsel. Zij is zo’n échte ontdekkingsreiziger en wil plekken verkennen waar nooit iemand eerder was. Zij wil graag de ruimte in, op voorwaarde dat ze kan terugkeren. Voor reizen naar Mars zal dat nog wel even duren. De eerste stap zal zijn dat we bodemmonsters van daar naar hier brengen. NASA en ESA hebben onlangs een akkoord gesloten om daar hun krachten rond te bundelen. De volgende stap zal dan transport van mensen zijn.

 

Is er ergens in ons zonnestelsel nog leven mogelijk?

Dehant: Ja, al zal dat leven cellulair zijn: bacteriën die de kosmische straling kunnen doorstaan. Ik denk dan aan wezentjes zoals onze beerdiertjes. Ze zijn amper 0,1 tot 0,5 mm groot en zijn bestand tegen langdurige koude, droogte en warmte. Het zijn de meest veerkrachtige levende wezens op aarde. Het enige wat ze nodig hebben, is energie, vloeibaar water en voedingsstoffen. De maan Europa van de planeet Jupiter is een interessante kandidaat voor leven in de vorm van beerdiertjes. Europa heeft een ijle atmosfeer met zuurstof en onder de korst bevindt zich vermoedelijk een oceaan die misschien in contact staat met rotsgesteente. Als die hypothese klopt, zijn er automatisch voedingsstoffen voorhanden.

 

Is het mogelijk dat er ergens in het heelal wezens leven die minstens evenveel verstand hebben als wij?

Dehant: Dat kan. Zij bevinden zich dan vermoedelijk veel te ver van ons vandaan om hen te kunnen observeren. Sinds de jaren negentig ontdekken we met de hulp van sterke telescopen steeds meer exoplaneten. Dat zijn planeten die niet rond onze zon, maar rond andere sterren draaien. Een aantal van die exoplaneten bevinden zich ten opzichte van hun ster op levensvastbare plekken. Dus ja, de kans bestaat dat er nog ergens een planeet zoals de aarde is. Maar ik focus me liever op ons zonnestelsel, want we raken toch nooit tot in die andere sterrenstelsels.

 

Zouden we het vele belastinggeld dat naar ruimtereizen zoals de InSight en ExoMars gaat niet beter investeren in wetenschappelijk onderzoek op aarde?

Dehant: Laat er geen misverstand over bestaan: we moéten investeren in onderzoek naar onze eigen planeet. Maar we moeten ook blijven investeren in ruimteonderzoek, want dat levert ons op technologisch vlak heel wat op. Wij ontwikkelen ruimtetechnologie die later misschien de basis is voor aardse toepassingen. Teflon is zo’n succesvolle spin-off van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma.

 

Is ruimtewetenschap een mannenwereld?

Dehant: De ingenieurs zijn vooral mannen. Maar onder de wetenschappers is de verhouding tussen mannen en vrouwen in evenwicht. Er zitten heel wat vrouwen in mijn team.

 

Reizen naar Mars neemt veel tijd in beslag. U bent als wetenschapper gericht op de lange termijn?

Dehant: Zeker, deze twee missies kunnen me zelfs nog overleven. (lacht) Ik heb nog zeven jaar te gaan voor ik op pensioen moet. Gelukkig heb ik jonge collega’s die uitstekend werk leveren. Die lange termijn is soms lastig. Toen ik LaRa voor het eerst voorstelde, was dat nog een heel abstract idee. Ik moest op dat moment een instrument verdedigen waar niets concreets van voorhanden was.

 

De theorie kan in de praktijk niet blijken te werken.

Dehant: Dat risico is niet zo groot omdat de theorie zowel bij NASA als bij ESA op voorhand sterk wordt doorgelicht en uitgetest. Maar op het moment dat InSight de lucht inging, hadden wij er als wetenschappers al veel tijd én stress in geïnvesteerd. Als we in 2020 ExoMars de ruimte insturen, zal de stress opnieuw door mijn lijf gieren. Eigenlijk is mislukken geen optie, want dan is alles wat we ontwikkeld hebben voor niets. Of dan moeten we van nul herbeginnen, en dat zie ik eerlijk gezegd niet meteen zitten.

 

Maar de kans op mislukking is reëel? De InSight kan bij de landing in november crashen en de ExoMars kan bij de lancering in 2020 exploderen.

Dehant: Daar moet ik rekening mee houden. De vorige ExoMars-missie dateert van mei 2016. De toen volledig nieuw ontwikkelde landingsmodule Schiaparelli crashte in oktober van datzelfde jaar bij de landing op Mars. InSight kost 450.000 dollar en is goedkoper dan de Schiaparelli. Niet omdat InSight uit minderwaardige materialen gebouwd is, maar omdat het een perfecte kopie is van de ‘oude’ sonde Phoenix. Die landde in 2008 probleemloos op Mars. Ik heb er dus goede hoop op dat de landing straks ook zal lukken en dat we champagne zullen kunnen drinken. En als het toch misgaat, drinken we champagne als troost. (lacht)

 

Veronique Dehant

  • 1959 geboren in Brussel
  • 1977-1982 studeert wiskunde en fysica aan de UCL
  • 1982-1986 doctoreert in de geofysica aan de UCL
  • Sinds 1993 wetenschappelijk onderzoeker en hoofd van de dienst ‘Referentiesystemen en planetologie’ aan de Koninklijke Belgische Sterrenwacht in Ukkel
  • Sinds 1998 professor astronomie en geofysica aan de UCL

 

(c) Jan Stevens 

Reder Willy Versluys verloor zeven bemanningsleden

De Oostendse reder Willy Versluys leerde de voorbije veertig jaar de dood in al zijn gedaanten kennen. ‘Zeven mensen stierven op mijn vissersboten.’ De dood van zijn machinist Bouba raakte hem midscheeps. ‘Negen maanden lang wisten we niet wat hem was overkomen. Dat stuitende gebrek aan informatie neem ik de dood erg kwalijk.’

 

Op de openingsdag van Theater aan Zee (TAZ) op 25 juli wordt door kunstenaars Eva Knibbe en Bart van de Woestijne de dood op de beklaagdenbank gezet. Om 2 uur stipt zal de voorzitter van de gelegenheidsassisenrechtbank in het vroegere Vredegerecht van Oostende de ‘Rechtszaak tegen de Dood’ voor geopend verklaren. Ex-voorzitter van de Hoge Raad voor Justitie Jean-Luc Cottyn zal er als openbare aanklager persoonlijke getuigenissen vertalen in een juridische aanklacht en Els Leenknecht treedt op als advocate van de burgerlijke partijen. Strafpleiter Walter van Steenbrugge zal als advocaat van de beklaagde zijn lugubere cliënt proberen zuiveren van alle schuld. Het lot van de dood ligt in handen van een twaalfkoppige jury van willekeurig gekozen mensen. Op 4 augustus om 11 uur vellen zij samen met de assisenvoorzitter hun arrest.

De Oostendse reder Willy Versluys zal op het proces met hart en ziel tegen de dood getuigen. Sinds begin jaren tachtig is hij actief in de zeevisserij. ‘Ik maakte verschillende ongevallen aan boord mee’, zegt hij. ‘In het prille begin van mijn carrière verloor ik een schip. Gelukkig werden toen alle bemanningsleden door de beroemde Sea King-helikopter gered. Maar in de jaren erna stierven er wel mensen op mijn schepen. De ene door een hartaanval, de andere door een ongeval in de machinekamer, nog iemand anders door een stom ongeluk op het dek. Zeevisserij is een van de zwaarste en gevaarlijkste beroepen. Maar als reder stond ik daar niet altijd bij stil. Zeker niet als het noodlot bij een andere rederij toesloeg. De voorbije decennia lieten zeven mensen het leven op het moment dat ze voor mij aan het werk waren. Zoiets kruipt niet in je kouwe kleren.’

 

De dood is een buur geworden?

Willy Versluys: Ja, en ik ben me er ook heel goed van bewust dat hij onvermijdelijk is. Er is geen leven mogelijk zonder dood. Ik ben daarmee verzoend. Maar wat ik onverdraaglijk vind, is een geliefde die sterft zonder dat de nabestaanden weten wat hem of haar overkomen is. Daarom ook getuig ik op 25 juli vol overtuiging tegen de dood.

In de nacht van 27 op 28 december 2016 kapseisde voor de kust van Engeland mijn schip Zeebrugge 582 Asannat, Oostends voor ‘altijd nat’. Van de drie opvarenden kon enkel bemanningslid Johny Ronsijn zich redden door op de romp te klauteren. De twee anderen, kapitein Eric Maeckelbergh en machinist Omar Fall Diaw Babacar, verdronken. Vooral de dood van Bouba, want zo noemden we Omar, heeft me vreselijk dooreen geschud. Hij was van Mauritiaanse afkomst maar had de Spaanse nationaliteit en was al een paar jaar bij mij in dienst. Op een dag stond hij in mijn kantoor, hij wilde dolgraag werken en ik zag wel iets in hem. Hij had voor ‘machinist alle vermogens’ gestudeerd in Spanje. Voortaan zou er een pikzwarte Afrikaan meevaren aan boord van een van mijn schepen. Voor de Vlaamse visserij was dat revolutionair. (lacht) Ik heb Bouba leren fietsen en hem getoond waar hij naar de moskee kon. Hij was een moslim met een open geest. Iedereen op de kaai zag hem graag. Hij was veertig en had mijn zoon kunnen zijn. We werden vrienden en vertelden elkaar alles. Zijn vader had drie vrouwen en hij was de zoon van de tweede vrouw. Hij stuurde geld naar zijn moeder. Zijn grote droom was om genoeg geld te kunnen sparen om later thuis in Mauritanië een eigen bedrijfje op te starten. Vlak na kerst 2016 vroeg ik Bouba of hij een nachtje wou invallen voor de vaste machinist van de Asannat die geveld was door rugpijn. ‘Eén nacht? Geen probleem.’ Hij had plannen om na nieuwjaar een maand lang bij zijn familie op bezoek te gaan.

Die dinsdag, 27 december 2016, vertrok het schip in de namiddag. Normaal zou het ‘s anderendaags in de voormiddag terugkeren, ze bleven maar twaalf uur weg. ’s Woensdagsmorgens kreeg ik om negen uur telefoon van een schipper. Hij vroeg: ‘Is er iets aan de hand met de Asannat? Er ligt een politieboot in zijn buurt.’ Mijn eerste reactie was: ‘Verdorie, ze zullen in overtreding zijn. Hun netten zijn niet in orde of ze hebben zich niet aan de limieten gehouden.’ Ik belde naar Maurice, een vriend van kapitein Eric. Hij zei: ‘We hadden vannacht nog contact. De vangst was goed en hij zou vandaag om elf uur binnen moeten zijn.’ Maar ik had een slecht gevoel en belde de kustreddingsdienst. Toen hoorde ik dat de Asannat gekapseisd was en dat er reddingsboten en een helikopter onderweg waren.

 

Wat was er gebeurd?

Versluys: Tot vandaag weten we dat niet. Het was goed weer, de netten waren omhoog, de schroeven lagen stil en toch is het schip in een fractie van een seconde gekapseisd. Er is geen kabel gebroken en er was geen ander vaartuig in de buurt. Er is ook geen signaal voor hulp uitgezonden. Er volgden onderzoeken van het parket, van verzekeringsfirma’s, van alle mogelijke instanties. De conclusie luidt: we weten niet wat deze scheepsramp veroorzaakt heeft. In het rapport van de nautische commissie stond wel dat de Asannat stabiliteit verloren had. Net daarom is de boot gekapseisd. Ze hebben zelfs onderzocht of hij een duw van een onderzeeër gekregen zou kunnen hebben. Johny, de overlevende visser, getuigde dat hij een klap hoorde en net op tijd overboord kon springen. Hij moest eerst een tijdje zwemmen voor hij via de schroef op de romp kon klauteren. Zes uur zat hij daar, kletsnat in de winterse vrieskou. De bemanning van een voorbijvarend schip merkte hem op. Ze haalden kapitein Eric Maeckelbergh uit het water en probeerden hem te reanimeren. Maar na zes uur in de ijskoude zee kwam alle hulp te laat. Van Bouba vonden ze geen spoor. Diezelfde week nog werd de Asannat geborgen en teruggebracht naar Oostende. Toen begonnen de vragen pas goed te spoken in mijn hoofd. Wat zou er gebeurd zijn met onze Bouba, die sterke kerel? Heeft hij een slag van iets moeten incasseren, zodat hij bewusteloos was en niet kon zwemmen? Een maand later werd ik gebeld door een journalist van een lokale omroep uit het Nederlandse Zeeland. Een vrouw had daar op het strand een plank gevonden met ‘Asannat’ op. Ze had die naam gegoogeld en las zo over de schipbreuk. Ik heb dat plankje bij haar opgehaald. Maar zo hadden we Bouba nog niet terug. De vraag wat er met hem gebeurd was, bleef maandenlang knagen. Ook voor zijn familie in Mauritanië was dat moeilijk om dragen. Tot we in september van vorig jaar bericht kregen dat hij aangespoeld was aan de kust van Engeland. Ze konden hem identificeren aan de hand van een halskettinkje. Waarschijnlijk is hij negen maanden lang tussen de zeeoppervlakte en de -bodem blijven dobberen.

Ik weet dat Bouba’s dood het gevolg is van een kapseizend schip. Maar het is als bij een dodelijk verkeersongeluk waarbij een auto van rijstrook verandert en een tegenligger ramt. Iedereen blijft zich dan afvragen: ‘Waarom week hij van de weg af?’ Enkel wanneer je weet wat er precies gebeurd is, kun je het beginnen verwerken. Anders blijft het knagen.

 

Hebt u toen Bouba nog leefde ooit met hem over de dood gesproken?

Versluys: Ja. Hij vond dat iets beangstigends. Ik begrijp dat wel, want hij was nog jong. Als het een troost kan zijn: hoe ouder je wordt, hoe minder angstwekkend het vooruitzicht te sterven, wordt. Als ik hier nu een hartaanval krijg, zit u met de miserie maar ben ik er vanaf. (lacht) Mij zou dat niet veel kunnen schelen, want ik ben toch niet gelovig. De dood is het definitieve einde voor mij en ik aanvaard dat. Maar wat ik de dood kwalijk neem, is dat ik negen maanden lang moest wachten op nieuws over Bouba. Hij geloofde wel in het hiernamaals. Hij lag overdag niet op een matje te bidden, maar deed wel mee met de ramadan. Af en toe bezocht hij de moskee, hij dronk geen druppel alcohol en at geen varkensvlees. Hij wist dat ik vrijzinnig ben en kende mijn ideeën over God en het leven na de dood. Ik ben het eens met Marx’ uitspraak dat godsdienst opium is van het volk. Bouba geloofde in God en deed geen vlieg kwaad. Waarom moest zijn familie dan negen maanden lang in die vreselijke onzekerheid blijven leven? Waarom?

 

Wie gaat varen en beroepsvisser wordt, weet natuurlijk dat hij meer risico loopt op een zeemansgraf dan wie aan wal blijft.

Versluys: Dat is zo. Maar tegenwoordig kun je je aan boord vrij goed tegen zowat alle risico’s beschermen. Ongevallen op zee zijn vaak een gevolg van de routine. Door altijd hetzelfde te doen, word je te nonchalant. Je ziet het gevaar niet meer, terwijl het om elke hoek loert. Een rondslingerende katrol, netten waar je in kan blijven haken… Er gaan genoeg verhalen rond van vissers die overboord sloegen en gelukkig weer aan boord gehesen konden worden. Of van mensen die overboord sprongen. Dat heb ik ook meegemaakt.

 

Een bemanningslid dat zelfmoord pleegt?

Versluys: Ja. Twee jaar geleden kreeg een jonge kerel op een van mijn boten een berichtje van zijn lief dat ze het uitmaakte. Die jongen stak dat in zijn hoofd en sprong overboord. Aan land hadden ze hem misschien op tijd kunnen helpen, of was hij een robbertje gaan vechten om zijn frustraties kwijt te raken. Maar neen, hij was op zee en sprong overboord op een onbewaakt moment, met zijn laarzen aan. Hij was een vogel voor de kat.

 

Voor zijn collega’s moet dat afschuwelijk geweest zijn?

Versluys: Zeker. Aan boord leef je dag en nacht samen met vier tot zes andere mensen. Je bent op elkaar ingesteld en plotseling verdwijnt die ene. Soms gaan jongens overboord zonder dat iemand iets in de gaten heeft. Op een keer zagen mijn vissers pas dat een van hun makkers verdwenen was toen ze de haven van Oostende binnenvoeren. Die jongen spoelde een paar weken later aan op het strand van Wenduine. Een van mijn werknemers is ooit geëlektrocuteerd in de machinekamer. Hij moest de spanning controleren. Hij was dat zodanig gewend dat hij ervan overtuigd was dat hem niets kon overkomen. Hij stond met zijn voeten in het water, kwam in aanraking met de elektrische stroom en: boem! De mannen boven aan dek hadden niets in de gaten. Een paar uur later vonden ze zijn lichaam.

Nu hebben alle schepen een defibrillator aan boord, maar een paar jaar geleden was dat een uitzondering. Een van mijn matrozen kreeg een hartaanval, zijn collega’s probeerden hem te reanimeren en de helikopter werd opgeroepen, maar alle hulp kwam te laat.

Een van onze schepen lag aan wal in Engeland. Een jonge matroos ging van boord. Er lag een treinspoor zoals in vele havens. Maar een Engels spoor is verraderlijk: de elektriciteit wordt er geleid via de sporen. Er stond een groot waarschuwingsbord: ‘Verboden het spoor over te steken.’ Die jongen trok er zich niets van aan, struikelde, viel, strekte zijn armen uit, raakte zo de twee sporen en het was gedaan. Ik mocht dat aan zijn ouders gaan vertellen.

Al die vreselijke ongelukken kon ik nog plaatsen, omdat ik telkens wist wat er gebeurd was. Maar de dood van Bouba, een echte vriend die zolang onvindbaar was, destabiliseerde me en zette me aan het piekeren.

 

Over de oneerlijkheid van het leven?

Versluys: Precies. Een mens moet geluk hebben in welk bed hij geboren wordt. Sommigen kunnen dat geluk later een handje helpen, maar velen hebben er niets over te zeggen. Je wieg moet maar in Syrië staan. Tegenwoordig verkondigt zowat iedereen: ‘carpe diem’, pluk de dag. Maar straks rinkelt mijn telefoon misschien opnieuw: ‘Patron, we hebben een probleempje.’ Moet ik dan zeggen: ‘Jongens, laat me even met rust, ik zit in mijn carpe diem-periode, profiteer ook een beetje van het leven.’ Dat kan toch niet?

 

U bent zeventig, u kan toch stoppen met de rederij?

Versluys: Als ik alles verkoop kan ik rustig gaan leven. Maar de rederij is een van mijn passies. Ik kan wel eens één dag plukken, maar alle dagen? Krantje lezen, kop koffie drinken op het terras, een reisje naar hier, een reisje naar daar. Dat vult mijn leven niet. De rederij wel, net als de aquacultuur: mosselen, zeewier en oesters kweken. Ik ben ook bezig met het opzetten van een nieuwe fish and food market in Oostende. Dàn voel ik pas dat ik leef.

De Asannat was totaal verloren. De nabestaanden van de slachtoffers zijn via de arbeidsongevallenverzekering netjes vergoed. Ik had toen de handdoek in de ring kunnen gooien, maar ik kon dat niet over mijn hart krijgen. Want alle andere bemanningsleden die ook met dat schip voeren, zaten thuis. Ik heb toen besloten om de Asannat te vervangen door een nieuwe vissersboot. We behielden het nummer, maar Zeebrugge werd Oostende: de Oostende 582. Bouba begroette iedereen op de kaai altijd met: ‘Hombre!’ Daarom doopte ik het nieuwe schip: ‘Hombre’. Telkens wanneer iemand op de kaai de Hombre ziet, denkt hij spontaan aan Bouba. Iedereen had hem graag. Hij was superhandig en een vat vol kennis. Als er ergens een probleem met een schip was, vroeg ik: ‘Bouba, wil je daar eens naar kijken?’ Eind 2016 viel hij weg en ik betrapte mezelf erop dat ik me zorgen maakte over wie zijn plaats als technicus moest innemen. Ik schrok van mijn zelfmedelijden en heb dat van me afgeschud.

Tijdens de inrichting van de Hombre stapte ik naar de beveiligingsspecialisten. Ik zei: ‘Ik wil alles dubbel. Ik wil niet meer dat er iets niet werkt. Neem alle mogelijke veiligheidsmaatregelen, ook de niet verplichte. Voortaan ben ik niet langer tevreden met het hoogstnodige. Er wordt niet meer op veiligheid beknibbeld. Werkt iets niet goed? Weg ermee en vervang het. Het moet gedaan zijn met: het zal waarschijnlijk nog wel even meegaan. Dat wil ik nooit meer.’ Zo krijgt Bouba’s dood misschien toch een beetje zin. Ik was er vroeger al van overtuigd dat er best niet op veiligheid beknibbeld werd; nu overweeg ik het zelfs niet meer.

 

Vroeger dus wel?

Versluys: Ja. ‘Het zal nog wel een reisje mee gaan. Wat denk jij? Lukt het nog? Kom, we proberen het nog een keer.’ Dat is voltooid verleden tijd, want een mensenleven is onbetaalbaar. Als de dood zou zeggen: ‘Leg 500.000 euro op tafel en je krijgt Bouba terug’, lég ik ze op tafel. Dan verkoop ik mijn bezittingen tot ik dat bedrag bijeen gescharreld heb. Geld verdwijnt in het niets als je iemand kwijt bent die je graag ziet. Vriendschap is het allerhoogste goed. Weet u wat ik het meeste zou missen als ik lange tijd weg zou zijn? De vriendschap. En mijn vrouw, kinderen en naaste familieleden. Al de rest niet.

 

 

Willy Versluys

  • 1948 geboren in Oostende
  • 1971 studeert af als ingenieur bouwkunde
  • 1971-1982 manager in het bouwbedrijf van zijn vader ‘Kamiel Versluys & zonen’
  • 1982 tot nu reder en ondernemer in de visserijsector

 

(c) Jan Stevens 

Smokkelaar van de filosofie

Vlak voor WO II smokkelde de jonge pater Herman Leo Van Breda het persoonlijke archief van de filosoof Edmund Husserl nazi-Duitsland uit. Hij bracht het onder in de universiteit van Leuven. Vandaag is het Husserl-Archief wereldvermaard. Toon Horsten schreef de biografie van pater Van Breda, de lievelingsneef van zijn oma. “Het Husserl-Archief was zijn obsessie. Alles moest er voor wijken.”

 

‘Iedereen noemde hem “de Pater”. In de filosofiewereld was dat zijn bijnaam’, zegt Toon Horsten, stripuitgever en biograaf van Herman Leo Van Breda, pater, redder, stichter en behoeder van het Husserl-Archief aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de Leuvense universiteit. ‘Ik was samen met mijn vader in een fotoboek van zijn familie aan het kijken. Er stond een foto in van mijn grootmoeder met naast haar een priester met een sigaret tussen de vingers. Je zag meteen dat mijn oma die man graag zag. ‘Wie is dat?’ vroeg ik. ‘Pater Van Breda, oma’s lievelingsneef’, antwoordde vader. ‘Wat deed hij?’ ‘Iets met filosofie in Leuven.’ ‘Wat precies?’ ‘Geen idee.’ Waarna mijn vader een doodsbrief uit een doos bovenhaalde. Herman Leo Van Breda heette de man. Geboren in Lier op 28 februari 1911, gestorven in Leuven op 4 maart 1974, drie jaar na mijn grootmoeder. “Ridder in de Leopoldsorde, Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, Weerstander, Eremedaille van West-Duitsland, een doctoraat in Freiburg en eremedaille van Yad Vashem, uitgereikt bij de 20e verjaardag van de opstand in het getto van Warschau.” Ik vond dat erg intrigerend en wou weten wat die man precies had gedaan. Ik ben er vijf jaar zoet mee geweest.’

Het resultaat is de uitstekend gedocumenteerde biografie De Pater en de filosoof, waarin Horsten beschrijft hoe Herman Leo Van Breda deed wat Martin Heidegger naliet: de intellectuele nalatenschap redden van Edmund Husserl, een van de belangrijkste 20e-eeuwse Duitse filosofen.

Toon Horsten: ‘Leo Van Breda trad in bij de Franciscanen en werd pater Herman. Meteen na zijn priesterwijding ging hij halverwege de jaren dertig van de vorige eeuw filosofie studeren aan de universiteit van Leuven. Zijn licentiaatsthesis handelde over het vroege werk van Edmund Husserl. Voor zijn doctoraatsthesis wou hij het late werk van de filosoof behandelen. Hij wist dat Husserl nog heel wat ongepubliceerde manuscripten in zijn persoonlijke archief in zijn thuisstad Freiburg had liggen. Hij wou die graag inkijken.’

 

Wat was er zo fascinerend aan de filosofie van Husserl?

Horsten: In de 19e eeuw werden de wetenschappen steeds belangrijker en won het mathematische denken fors terrein. Tezelfdertijd ontstond de psychologie die bewustzijn als onderwerp had. Het leek alsof de filosofie een koning zonder land geworden was. De filosoof Friedrich Nietzsche reageerde daarop met het ontwikkelen van een zeer individualistisch, op persoonlijkheid gebouwd wereldbeeld. Edmund Husserl deed net het tegenovergestelde: in de geest van Plato wou hij van de filosofie weer een absolute en alomvattende wetenschap maken. Hij vond zelfs dat we die doelstelling bijna bereikt hadden. Sterker nog: hij beweerde dat hij de sluitsteen kon leveren om dat ideaal waar te maken.

 

Bescheiden was hij niet.

Horsten: Zeker niet. ‘De filosofie als alomvattende en absolute wetenschap vestigen’, het is een ambitie die moderne mensen niet meer koesteren. Husserl zag zichzelf als een Christoffel Columbus die een nieuwe wereld had ontdekt: het zuivere bewustzijn. Hij geloofde dat we door reflectie en door met alle ballast komaf te maken, de dingen kunnen zien zoals ze écht zijn. Hij had daar ook een methode voor ontwikkeld: de fenomenologische reductie. De toepassing van die ingewikkelde methode bepaalde volgens Husserl niet alleen het lot van de filosofie, maar van de hele wereld. Want pas als we de wereld met behulp van de fenomenologische reductie helemaal doorgrond zullen hebben, kunnen we het ideaal van een rationele en liefdevolle wereld verwezenlijken. Het doel van de fenomenologische reductie was om alle verschijnselen en begrippen die zich aan ons bewustzijn opdringen tot hun essentie te herleiden. Om tot het wezen van de dingen te kunnen doordringen, moest de filosoof afstand nemen van alle overtuigingen, vragen en persoonlijke omstandigheden die hij in zijn bewustzijn aantrof. Over die methode en de grondslagen van zijn filosofie had Edmund Husserl ontzettend veel geschreven en gepubliceerd. Daarnaast had hij ook de praktische toepassingen van zijn filosofie op papier gezet en veel van die geschriften waren nog niet uitgegeven.

 

Dat waren zelfs gigantisch veel geschriften.

Horsten: Ruim 40.000 bladzijden, geschreven in Husserls persoonlijke variant van het Gabelsberger steno. Tijdens zijn actieve leven was dat steno vrij goed ingeburgerd, maar eind jaren dertig beheersten steeds minder mensen die techniek. Als je zo’n manuscript van Husserl nu onder ogen krijgt, moet je het twee keer interpreteren. Eerst moet je het steno ontcijferen, en dan moet je nog eens op zoek naar wat de filosoof precies heeft willen zeggen. Dat is dus geen lachertje.

 

Husserl stierf op 27 april 1938. Op 29 augustus van datzelfde jaar belde pater Herman aan bij Husserls weduwe Malvine in Freiburg.

Horsten: Hij hoopte toen om voor zijn doctoraatsthesis een paar van die manuscripten te kunnen inkijken. Hij was zich zeer goed bewust van de toestand in nazi-Duitsland. Twee maanden later zou de Kristallnacht plaatsvinden. Edmund Husserl en zijn vrouw waren Joods en hun kinderen waren geëmigreerd naar Amerika. Op voorhand had pater Herman met zijn professoren afgesproken dat de universiteit van Leuven een paar van die manuscripten zou uitgeven. Want in Duitsland was dat onmogelijk geworden. Hij logeerde in Freiburg bij de franciscanen in de Adolf-Hitler-Straße. Op die eerste ontmoeting klikte het tussen de 27-jarige pater en de tachtigjarige weduwe Malvine Husserl. Toen haar man nog leefde, waren ze al van plan om het archief en de bibliotheek met 2.700 boeken uit het huis in Freiburg te verhuizen en in het buitenland in veiligheid te brengen. Dat was vooralsnog niet gelukt en de weduwe was de wanhoop nabij. Pater Van Breda gaf haar nieuwe hoop. Hij maakte meteen ook kennis met Eugen Fink, de laatste assistent van Husserl, en met de Senegalees-Franse filosoof Gaston Berger, de vader van choreograaf Maurice Béjart.

 

Martin Heidegger, de opvolger van Husserl als hoogleraar filosofie aan de universiteit van Freiburg, was er op die bijeenkomst niet bij?

Horsten: Heidegger was fan van de nazi’s én lid van de NSDAP. Ooit was Husserl zijn leermeester, maar gaandeweg nam Heidegger steeds meer afstand. Hij stuurde zelfs zijn kat naar Husserls begrafenis. Op Martin Heidegger kon Malvine dus helemaal niet rekenen. Op pater Van Breda des te meer: tijdens dat allereerste bezoek zei hij meteen: ‘We gaan het archief redden.’ Het oorspronkelijke plan was om de 40.000 bladzijden naar Zwitserland te smokkelen naar de psychiater Ludwig Binswanger, die als ex-student in nauw contact was gebleven met Edmund Husserl en een op de fenomenologie gebaseerde psychologie had ontwikkeld. Een bevriende Zwitserse kloosterzuster trok op verkenning en klopte aan bij Binswanger: ‘Kunnen we Husserls archief tijdelijk bij u onderbrengen?’ Het antwoord was: ‘Wij zijn voor de nazi’s. Laat ons met rust.’ Op dat moment besliste Van Breda: ‘Dan smokkel ik het archief naar Leuven.’ Hij wou de documenten als diplomatieke post via de Belgische ambassade de grens over krijgen, maar dan moest hij ze eerst tot in Berlijn brengen.

 

Vanwaar al die geheimzinnigheid? Het ging toch maar over 40.000 bladzijden vol filosofische teksten in steno die niemand begreep?

Horsten: Ik kan je verzekeren dat Herman Leo Van Breda echt zijn leven riskeerde wanneer hij met drie loodzware hutkoffers vol papier met de trein van het zuiden van Duitsland naar Berlijn reisde. Bij een controle was de kans groot dat de nazi’s zouden denken dat hij een spion was. Want de documenten leken geschreven te zijn in codetaal. Daarom ook durfde hij met die koffers de grens niet over en moesten ze als diplomatieke post verstuurd worden. Met drie koffers die samen 100 kilo wogen, reisde hij in zijn eentje eind september 1938 heel Duitsland door. Voor zijn vertrek had hij samen met Malvine een document opgemaakt waarin zij tijdelijk het eigendomsrecht van het archief aan hem afstond. Want enkel Belgische papieren mochten mee met de diplomatieke post van onze ambassade.

De ambassadeur in Berlijn was Jacques Davignon, de vader van Etienne die het tot vice-voorzitter van de Europese Commissie schopte. Davignon was degene die zijn zegen voor de verzending moest geven, maar door de gespannen politieke toestand was hij weggeroepen uit Berlijn. Zijn plaatsvervanger was burggraaf Jo Berryer en voor pater Herman leek dat wel een geschenk uit de hemel. Berryer was een avonturier die tijdens de Spaanse burgeroorlog op het consulaat in het door de republikeinen gecontroleerde Madrid werkte en daar onderdak geboden had aan medestanders van Franco. Hij was meteen gewonnen voor Van Breda’s plan. Die keerde terug naar Leuven, waar hij het bestuur van de universiteit nog moest overtuigen om van start te gaan met een heus Husserl-archief. Hij stelde de universiteit min of meer voor een voldongen feit.

 

Op dat moment waren het ook in België zeer onzekere tijden?

Horsten: Zonder twijfel. Er hing toen ontzettend veel spanning in de lucht. De documenten raakten via de ambassade tot in België en Eugen Fink en Ludwig Landgrebe, een andere assistent van Husserl, kwamen over naar Leuven om er in het gloednieuwe Husserl-Archief de geschriften te ontsluiten. Zij beheersten Husserls steno en kenden zijn filosofie van naaldje tot draadje.

Van zodra het archief veilig en wel in Leuven was, probeerde Van Breda de weduwe van Husserl te overhalen om Duitsland te ontvluchten. Na de Kristallnacht schakelde de Jodenvervolging een paar versnellingen hoger en er werden synagogen in brand gestoken en boeken verbrand. Malvine wou naar haar kinderen in Amerika, maar ze geraakte niet aan een visum. Van Breda stelde haar voor om eerst naar België te reizen. ‘Dan ben je tenminste al veilig. Dat visum komt dan later wel.’ Ze ging akkoord, op voorwaarde dat ook de bibliotheek van haar man en zijn uitgebreide correspondentie met andere grote filosofen mee naar Leuven verhuisde. Hij regelde een container en pas op het moment dat alle goederen in veiligheid waren, stapte Malvine samen met haar huishoudster Joséphine Näpple op de trein richting België. Hij hielp de weduwe en haar huishoudster onderduiken in een klooster in Herent, tot hij een visum voor Amerika voor hen kon bemachtigen. Dat lukte niet en uiteindelijk zou het tot mei 1946 duren voor Malvine Husserl en Joséphine Näpple aan de overtocht naar Amerika konden beginnen.

Tijdens de bezetting werden Joden verplicht tot het dragen van de Davidster. De gemeentesecretaris van Herent stuurde op 3 juni 1942 een ster voor Malvine naar ‘Pater Herman Leo Van Breda’. Blijkbaar wist de secretaris dat de weduwe van Husserl ondergedoken zat in het plaatselijke klooster. Malvine heeft die ster nooit gedragen.

Als het nodig was onderhandelde Van Breda met de Duitse bezetter. Hij had geluk dat Leuven bestuurd werd door Major Wehrkreiskommandeur Reinold von Thadden, een Pruis van adellijke afkomst die zich in de jaren dertig als lid van de protestantse Bekennende Kirche verzet had tegen pogingen van de nazi’s om de kerk aan banden te leggen. Die kerk had zich ook uitgesproken tegen de Jodenvervolging. Von Thaddens halfzuster Elisabeth was trouwens in het verzet actief, en werd in september 1944 geëxecuteerd. Van Breda had een erg goede verstandhouding met Von Thadden. Ik vermoed dat de majoor Malvine de hand boven het hoofd hield, waardoor ze als Joodse de oorlog overleefde.

 

Had ze in Antwerpen ondergedoken gezeten, was ze in een vernietigingskamp beland?

Horsten: Antwerpen was de enige stad waar de politie aan razzia’s meewerkte. Daar had ze inderdaad waarschijnlijk het einde van de oorlog niet gehaald.

Tijdens de bezetting viel de werking van het Husserl-Archief stil. Fink keerde terug naar Freiburg, Landgrebe reisde naar Hamburg. Van Breda had geen personeel meer, maar hij regelde het zo dat verschillende ondergedoken Joden van op hun onderduikadres teksten van Husserl begonnen te transcriberen.

 

Betaalde hij hen daarvoor?

Horsten: Hij zag dat vooral als bezigheidstherapie. Hij had toen zelf niet veel geld, maar sommige Joodse mensen namen het hem achteraf zeer kwalijk dat hij hen niet betaalde op het moment dat zij aan de grond zaten.

 

Ze voelden zich door hem gebruikt?

Horsten: Ja. Het Husserl-Archief was voor hem een obsessie. Hij was er toevallig in gerold, maar maakte er al zeer snel zijn levensmissie van. Alles moest er voor wijken. Hij droeg de titel ‘professor’ aan de Leuvense universiteit, waar velen hem niet meteen als een grote filosoof beschouwden. ‘Hij heeft amper iets gepubliceerd.’ Dat is waar, maar hij heeft wel de hele intellectuele nalatenschap van een grote Duitse filosoof gered én toegankelijk gemaakt. Vandaag zouden we hem een cultuurmanager noemen. Hij had een gigantisch netwerk dat hij zijn leven lang gebruikte en inzette om zijn geesteskind springlevend te houden.

Van Breda was zeer bedreven in het vinden van geld. Veertig jaar lang trok hij als een echte bedelpater van de ene rijke familie naar de andere. Het geld dat hij ophaalde, investeerde hij in zijn archief. Hij hield daar geen boekhouding van bij, waardoor ik niet al zijn geldschieters heb kunnen traceren. Wat ik wel weet, is dat hij fondsen kreeg van de Franqui-Stichting, de Unesco, het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek en NV De Gids. Dat was het bedrijf dat na de oorlog de krant De Standaard uitgaf. Zij schonken 500.000 frank. Het ging vaak over fikse bedragen, al nam hij ook genoegen met minder. Het zou te negatief zijn om te stellen dat hij voortdurend geld aan het aftroggelen was, maar hij leefde wel op giften.

 

Wat voor een mens was pater Herman Leo Van Breda?

Horsten: Er circuleren een aantal verhalen over zijn opvliegende karakter. Hij leed aan diabetes en de behandeling daarvan stond nog in de kinderschoenen. Het zou best kunnen dat veel van zijn verbale uitvallen een gevolg waren van zijn ziekte. Als het op de uitbouw van zijn archief aankwam, kon hij heel innemend zijn. Kapitaalkrachtige mensen wist hij er vrij makkelijk toe te overhalen om hun portemonnee te trekken. Hij maakte grapjes, babbelde een beetje hier en een beetje daar en probeerde zo zijn zin te krijgen. Hij was ijdel. Wijlen Samuel IJsseling, zijn opvolger als directeur van het Husserl-Archief omschreef hem vrij accuraat: ‘Van Breda had een groot ego, maar was geen egoïst.’

Hij correspondeerde uitgebreid met de filosoof Maurice Merleau-Ponty. Die was goed bevriend met Jean-Paul Sartre. Van Breda schreef dat hij Sartre niet echt een interessante filosoof vond, maar voegde er toch aan toe: ‘Kun je geen afspraak met hem regelen?’ (lacht) Hij heeft Sartre ook ontmoet én gebruikt toen hij geld voor zijn archief nodig had. Zo schermde hij met de naam Sartre om bij de Unesco aan geld te geraken.

 

Eigenlijk was hij een opportunist?

Horsten: Ja. Anna Katz, de moeder van de Antwerpse schepen Claude Marinower, heeft hem tijdens de oorlog zeer goed gekend. Zij leefde samen met haar man Marcel Marinower ondergedoken in Leuven. Ik heb haar voor het boek uitgebreid gesproken en het werd snel duidelijk dat ze een grondige hekel aan Van Breda had, precies door dat opportunisme. Marcel Marinower werd in februari ’44 door de Duitsers opgepakt en op transport naar Auschwitz gezet. Zijn vrouw gaf een envelop met familiefoto’s in bewaring bij pater Herman. Ze vertelde me dat die foto’s Marcels kostbaarste bezit waren en zijn enige herinnering aan zijn familie. Van Breda beloofde dat hij ze zou bijhouden tot na de oorlog. Hij heeft dat niet gedaan, maar ze verbrand. Anna’s man overleefde Auschwitz en toen ze de foto’s terugvroegen, kregen ze nul op het rekest. Ze zei me: ‘Als je 40.000 bladzijden kunt verstoppen, kun je toch gemakkelijk een envelop met foto’s bijhouden?’ Toen Marcel Marinower was opgepakt, vroeg ze Van Breda ook of hij een brief aan de Duitsers wou schrijven ten gunste van haar man. Hij weigerde. ‘Dat kan ik niet,’ zei hij. ‘Want ik ben professor. Het is te gevaarlijk.’ Op een bepaald moment vroeg Van Breda aan Anna Katz om Malvine Husserl te bezoeken, zodat de weduwe haar zinnen wat kon verzetten. ‘Ze droeg ontzettend veel juwelen’, herinnerde Anna zich. ‘Tijdens het gesprek stelde zij zich hautain op. Ik vond het een vreselijk mens. Ik ben er nooit meer terug geweest.’

 

Toon Horsten, De pater en de filosoof, Vrijdag, 296 blz., 22,50 euro

 

Toon Horsten

  • 1969 geboren in Hoogstraten
  • Studie Germaanse filologie en Neerlandistiek
  • 1994 – 2000 journalist bij Gazet van Antwerpen
  • 2000 – 2006 podiumprogrammator bij cultuurcentrum De Warande in Turnhout
  • 2006 – 2016 hoofdredacteur Stripgids
  • 2006 – nu freelancejournalist en auteur van onder andere het boek Landlopers
  • 2017 – nu uitgeefdirecteur strips bij Standaard Uitgeverij

 

(c) Jan Stevens

De koning der koningen

Na vijf bestsellers over le petit caporal Napoleon schreef voormalig tv-journalist Johan Op de Beeck De Zonnekoning, een heerlijke vuistdikke biografie over Frankrijks koning der koningen Louis XIV. “Eerst zette hij Frankrijk op de kaart, om het daarna terug te katapulteren naar de donkerste tijden uit de Europese geschiedenis.”

 

In De Zonnekoning noemt Johan Op de Beeck zijn hoofdpersonage consequent Louis XIV en niet Lodewijk de Veertiende. ‘We spreken vandaag toch ook niet over “Karel van Wales” als we het over prins Charles hebben of over “Filip” als we de Spaanse koning Felipe bedoelen?’, zegt hij. ‘Ik begrijp niet goed waarom dat plots niet meer geldt als het over een Franse koning uit de zeventiende eeuw gaat. In de van verzinsels en halve waarheden aaneenhangende tv-reeks Versailles praat Louis XIV Engels. Dat klinkt als gevloek in mijn oren. Ik hoorde de producent in een interview zeggen: “De Zonnekoning was zo’n universeel figuur dat hij Engels zou spreken als hij vandaag zou leven.” Alleen een Brit kan zoiets over de grootste Franse vorst ooit beweren.’ (lacht)

 

Waar komt uw fascinatie voor de Zonnekoning vandaan?

Johan Op de Beeck: Ik heb Versailles verschillende keren bezocht en ervoer dat telkens als een heel speciale plek. Ondanks het feit dat Louis XIV bigger than life is en zichzelf ook graag verheven voorstelde, is hij toch zeer menselijk. Zo was er zijn gevecht om in het leven iets te bereiken en na zijn dood iets achter te laten. Hij reikte naar de sterrenhemel en belandde in de goot.

Als koning had hij een goddelijke status. Van toen hij nog heel klein was, werd hem voorgehouden dat hij het centrum van alles was. In de geschiedenis van de mensheid zijn er maar een paar andere figuren van zijn kaliber: Alexander de Grote, Napoleon en Frederik I Barbarossa. Ze namen de herculische taak op hun schouders om de wereld te veranderen.

Louis XIV had een middelmatige intelligentie, maar was op politiek vlak zeer sluw. De eerste tientallen jaren van zijn koningschap stonden in het teken van explosieve vernieuwing. Hij voerde maatschappelijke veranderingen door en stimuleerde de kunsten. Tot hij de verandering op een verstikkende manier stopte omdat hij zijn verwezenlijkingen koste wat kost wou consolideren. Hij vond dat zijn doel bereikt was: hij had de feodaliteit beëindigd en Frankrijk gecentraliseerd. Hij regeerde niet langer met mensen die minister waren omdat er blauw bloed door hun aderen stroomde, maar omdat ze onder zijn absolute dictatuur uitvoerden wat hij wou. Maar hij moest zijn veranderingen ook stopzetten omdat Frankrijk blut was. Hij was verwikkeld geraakt in te veel oorlogen die handenvol geld kosten. De laatste tien jaar van zijn bewind voerde hij een pure overlevingsstrijd.

Vier generaties lang bleef hij aan de macht. Hij wou alles stevig in handen houden en kon er geen afstand van nemen. Zijn absolutisme zou ervoor zorgen dat er een eeuw lang zo goed als geen hervormingen mogelijk waren. Die domper op de vernieuwing maakte volgens mij de Verlichting mogelijk. Hij heeft die nooit gewild, maar wel mee veroorzaakt. Dat is dus positief, al hij had schaduwkanten. Zo voerde hij veel te graag oorlog, wat hij op zijn sterfbed ook toegaf. Misschien wel de zwartste bladzijde uit zijn koningschap is de intrekking van de geloofsvrijheid met het Edict van Fontainebleau uit 1685. Hij zette toen de deur open voor de genadeloze vervolging van andersdenkenden. Protestanten en atheïsten werden vogelvrij. Dat was een erg domme beslissing, want hij joeg hooggeschoolden op de vlucht en amputeerde zo zijn eigen economie. Eerst zette hij Frankrijk op de kaart, om het daarna terug te katapulteren naar de donkerste tijden uit de Europese geschiedenis.

 

In wat voor een Frankrijk kwam Louis XIV in 1638 ter wereld?

Op de Beeck: Het land was toen op alle vlakken achterlijk. De Italianen noemden de Fransen niet voor niets ‘de barbaren’. De Engelsen, Hollanders en Duitsers stelden met veel genoegen vast dat de Fransen van handeldrijven geen kaas gegeten hadden.

Frankrijk was een lappendeken van baronieën. De adel zwaaide de plak en de koning werd getolereerd. Hij mocht op zijn troon zitten van God, maar moest vooral niet te vaak denken dat hij ook nog iets te zeggen had. Het verfijnde Frans zoals wij dat nu kennen, werd nog niet gesproken. De doorsnee Fransman bediende zich van een erbarmelijk taaltje. De prachtige Franse taal zou pas in de eeuw van de Zonnekoning tot volle wasdom komen en bepaalde mee de uitstraling van Frankrijk over de rest van de wereld.

 

Het zag er lang naar uit dat de Zonnekoning nooit geboren zou worden?

Op de Beeck: Zijn vader Louis XIII was niet echt voor de vrouwen. Hij speelde liever ondeugende spelletjes met wufte edellieden en met zijn koetsier. Het duurde achttien jaar voor Louis XIII en zijn vrouw Anna van Oostenrijk met succes de liefde bedreven. Niet omdat de vorst er plots zoveel zin in had, maar omdat kardinaal Richelieu, de eerste minister, vond dat het de hoogste tijd was dat er voor een troonsopvolger gezorgd werd. Richelieu wou de centrale macht in handen van de koning brengen. Om dat plan door te voeren, had hij een geschikte dauphin nodig. Op bevel van de kardinaal maakten Louis XIII en Anna vervolgens een kleine. Twee jaar later volgde nog een zoon: Philippe. Die groeide op in de schaduw van zijn oudere broer.

Louis XIV cijferde zichzelf als mens volledig weg in functie van ‘l’état’, het staatsbelang, het koningschap. Er wordt gezegd dat hij ooit zou uitgeroepen hebben: ‘L’État, c’est moi!’, maar dat is niet meer dan een historisch verzinsel. Hij cijferde niet alleen zichzelf, maar ook alle anderen weg, inclusief zijn eigen broer. Philippe d’Orléans had niets te zeggen. Toen bleek dat Philippe een betere veldheer was dan Louis, werd hij onmiddellijk uit het leger gehaald.

 

Philippe werd aan het hof als meisje opgevoed.

Op de Beeck: Het was in die tijd niet ongebruikelijk dat kleine jongens tot hun zesde in meisjeskleren rondliepen. Bij Philippe bleef dat maar duren. Richelieu en diens opvolger kardinaal Jules Mazarin wilden hem verwijfd maken. Zo probeerden ze te vermijden dat Philippe ooit ambities zou krijgen om zijn broer van de troon te stoten. Ze vertrouwden hem als kind toe aan een notoire pedofiel. Veel later zou Philippe zich aan het hof van Versailles manifesteren als vrouw. In die tijd kon een gewone burger voor homoseksuele betrekkingen veroordeeld worden tot branden aan de staak. Maar in Versailles nam niemand daar aanstoot aan. Mannelijke edellieden mochten probleemloos met elkaar van bil gaan. Tot Louis XIV vond dat ze te veel een kliek vormden. Hij vertrouwde geen kliekjes en wou daarom alle homo’s weg uit de top van het leger. Dat plan werd weer opgeborgen toen hij erachter kwam dat hij dan de helft van de legertop zou verliezen. (lacht)

Ik twijfel er trouwens niet aan dat de beide broers elkaar graag zagen. Louis werd net geen 77, wat in die tijd erg oud was. In de loop der jaren zag de koning de ene na de andere sterven. Zijn zoon, zijn kleinzoon, zijn achterkleinkind… Ze gingen allemaal dood. Ook zijn broer. Er zijn talloze getuigenissen dat hij daaronder leed en met depressies kampte. Louis had ook nogal wat fysieke problemen, met een fistel aan de anus die hij ten einde raad op 17 november 1686 zonder verdoving liet wegsnijden. Een jaar eerder kwam zijn linkerbovenkaak mee toen de tandartsen zonder verdoving zijn rottende tanden aan het trekken waren. Het gat dat zo tussen neus en mondholte ontstond, probeerden ze verschillende keren dicht te schroeien met gloeiende ijzers en hete kolen. Ook zonder verdoving, want van anesthesie was in de 17e eeuw jammer genoeg geen sprake.

Er werd nauwgezet bijgehouden wat Louis at, dronk, hoeveel keer hij naar het toilet ging, hoe vaak hij ziek was en aan welke kwalen hij leed. We weten echt alles over hem en we weten ook wat en hoe de absolutist der absolutisten dacht. Vóór zijn veertigste schreef hij al zijn memoires, want hij was ervan overtuigd dat hij net als de doorsnee Fransman niet veel ouder zou worden. Die geschriften zijn meer dan louter memoires: het is een handleiding voor de volgende koning: zó leid je dit land, zó moet je je gedragen en zó voer je politiek.

 

Hoe belangrijk was kardinaal Jules Mazarin in de vorming van Louis XIV?

Op de Beeck: Zijn belang kan niet onderschat worden. Kardinaal Richelieu duidde op zijn sterfbed Jules Mazarin als zijn opvolger aan. Richelieu leerde Mazarin hoe je tezelfdertijd het land en jezelf kunt verrijken. Beide kardinalen waren financiële genieën. Mazarin slaagde er als eerste minister in om de staatskas te vullen én om tegelijkertijd een van de rijkste mensen van Europa te worden. Hij was niet alleen kardinaal en eerste minister, maar ook de minnaar van Louis’ moeder Anna. Daarnaast was hij wapenhandelaar, smokkelaar, sjoemelaar en fraudeur op grote schaal.

Zijn grootste uitvinding is zonder twijfel Louis XIV. Mazarin had heel vroeg door dat de Dauphin niet de zoveelste koning zou worden, maar de potentie had om uit te groeien toe een heel grote vorst. Mazarin wist ook: regeren is communiceren. Een van de grote middelen daarvoor was toen de kunst. Hij leerde Louis niet alleen kunst appreciëren, maar er ook de macht van ontdekken. De Galerie des Glaces in Versailles is een van de mooiste zalen in Europa. Het plafond is beschilderd met prachtige fresco’s van Charles Le Brun. Die zijn stuk voor stuk ondertiteld in het Frans en niet in het Latijn zoals toen de gewoonte was. Ze werden gebruikt als propagandamiddel, net als al die andere kunst- en cultuuruitingen die fors ondersteund werden. Met kunst propageerden Mazarin en Louis het koningschap niet alleen in Frankrijk, maar in heel Europa.

 

Is dat een van de redenen waarom de Zonnekoning het paleis en de tuinen van Versailles bouwde?

Op de Beeck: Zonder twijfel. Maar er zijn ook andere redenen: Versailles was een overwinning van de mens op de chaos. Eerst lagen er enkel moerassen. Iedereen verklaarde Louis gek. Zijn minister van Financiën Jean-Baptiste Colbert zat met de handen in het haar. De tuinen en het paleis van Versailles zouden elk jaar zes procent van het totale nationale budget opsouperen. ‘Laat ons het Louvre uitbouwen’, suggereerde Colbert. Louis dreef toch zijn wil door: hij overwon het moeras en de vijandigheid. Versailles was een persoonlijk statement van de vorst: ‘De mensheid, ons land, ons volk, de koning: wij kunnen hogerop.’ Versailles vatte ook de drie grote principes van de architectuur van de klassieke oudheid samen in één gebouw: de venustas – de schoonheid, de soliditas – de sterkte van de constructie, en de commoditas – je moest er comfortabel in kunnen leven. Al mislukte dat laatste ietwat, want er waren amper toiletten en de koning was de enige die een badkamer had. De duizenden andere bewoners en bezoekers moesten het stellen met een waskommetje.

Met Versailles had Louis ook een politieke bedoeling: hij wou zo zijn grip vergroten op de verschillende baronieën. Hij lokte de edellieden uit de departementen met belastingvoordelen en privileges naar Versailles. Daar bevond zich voortaan het centrum van de macht waar het echte politieke leven zich afspeelde. ‘Als je het wil maken, moet je dicht bij de koning zijn.’ Louis XIV was de zon en Versailles the place to be. Louis ontpopte zich tot een meester in het het verlenen van gunsten en privileges. De edellieden gingen er helemaal in op. Als hertog bereikte je het summum als je de nachtkaars mocht vasthouden wanneer de koning in bed kroop. Een etentje met de vorst in Château de Marly gold als opperste erkenning. Edellieden lobbyden zich suf om op de lijst van genodigden te komen. Tijdens Louis’ dagelijkse wandeling door de Galerie des Glaces smeekten ze met gebogen ruggen: ‘Sire, Marly?’ De meesten kwamen er nooit.

Marly was de plek waar Louis helemaal zichzelf was. Aan het begin van de 19e eeuw is dat kasteel jammer genoeg vernield. Te paard lag het op een uur rijden van Versailles. Volgens de schrijver Racine gedroeg hij zich in Marly veel vrijer dan in Versailles. ‘De koning laat de remmen hier los en is lief’, schreef hij. Louis’ moeder Anna van Oostenrijk en kardinaal Mazarin hadden hem geleerd dat hij een masker moest opzetten als hij als vorst wou overleven. Hij moest ‘ondoordringbaar’ zijn en mocht geen emoties tonen. Zijn plannen en werkelijke intenties moesten verborgen blijven.

 

Hij was nog heel jong toen hij die levenslessen opgelepeld kreeg?

Op de Beeck: Zeker. Hij was tien toen de troon wankelde en er oproer in Parijs was. De edellieden hadden het in die tijd niet begrepen op het streven van kardinaal Mazarin naar ‘potestas absoluta’, de absolute heerschappij van de kroon én de eerste minister, die alleen de wetten stelden en geen rekenschap hoefden af te leggen aan andere instellingen. De opstand daartegen, of de Fronde, bestond uit een warrige combinatie van parlementairen en geestelijken die het volk bespeelden. In het holst van de nacht van 5 op 6 januari 1649 werd de kleine Louis van zijn bed getild en moest hij samen met zijn familie voor de opstandelingen op de vlucht. Het plebs plunderde de stad en Louis voelde zich vreselijk vernederd toen hij hoorde dat zijn moeder haar juwelen had moeten verpanden om de soldij van de soldaten te kunnen betalen. In Engeland werd koning Charles I op bevel van het parlement onthoofd. Anna van Oostenrijk zag al hetzelfde met haar zoon gebeuren en in overleg met Mazarin sloot ze een akkoord met het Franse parlement. Het koningshuis was gered, maar tezelfdertijd werden zowat alle eisen van de tegenstanders ingewilligd. Al wie zich tegen de kroon had gekeerd kreeg amnestie. Louis zwoer dat zoiets nooit meer mocht gebeuren. De koning moest daarom alle macht in handen krijgen. Hij wou die absolute macht niet omdat hij een soort van Hitler was. Nee, hij wou die absolute macht omdat hij de maatschappij wou laten vooruitgaan. ‘Dat kunnen we toch niet langer overlaten aan die “vertegenwoordigers van het volk”?’, vond hij. ‘Want die edellieden zijn zakkenvullers die enkel geïnteresseerd zijn in hun eigenbelang. Ik ben de garantie voor de welvaart en het welzijn van mijn volk.’ Louis XIV had dus zeker de eerste decennia van zijn koningschap een echte missie.

 

Hij verwekte heel wat kinderen, niet alleen bij zijn echtgenote Maria Theresia van Oostenrijk. Ik leer uit uw boek dat hij naast zes reguliere kinderen ook nog zestien bastaardkinderen bij verschillende minnaressen had.

Op de Beeck: Veel van die kinderen stierven heel jong. De kindersterfte was in die tijd enorm; we kunnen ons dat nu niet meer voorstellen. Louis koesterde al zijn overlevende kinderen, óók de bastaarden die hij erkende, en hij was een echte papa voor hen. Dat staat compleet haaks op zijn keiharde imago. Hij was ook een opa met een peperkoeken hart. Toen hij zijn kleinzoon naar Spanje stuurde om daar koning te worden, stond het huilen hem nader dan het lachen.

Louis XIV werd in zijn puberteit ontmaagd op bevel van zijn moeder. Zij zag hoe de vrouwen in bosjes voor hem vielen en maakte zich daar zorgen over. Hij mocht zeker niet verliefd worden en zich binden aan een vrouw die niet paste binnen de politiek van de staat. Dus besloot Anna van Oostenrijk dat haar zoon zo snel mogelijk met seks kennis moest maken, in de hoop dat hij daarna voorgoed van zijn driften verlost zou zijn. Ze schakelde de veertigjarige schele hofdame Catherine Bellier in. Chroniqueur Primi Visconti beschrijft wat er gebeurde: ‘De vorst was nog zeer jong toen ze hem in een uithoek van het Louvre terzijde nam en verkrachtte, of toch tenminste derwijze verraste dat ze van hem kreeg wat ze verlangde.’ De ontmaagding had een totaal tegengesteld effect: het betekende voor Louis de start van een gevuld liefdesleven met talloze minnaressen.

 

Bepaalden die minnaressen achter de schermen mee zijn politieke beleid?

Op de Beeck: Er zijn notulen van een ministerraad waarin hij toegaf dat hij iets te veel naar de vrouwen keek. Hij zei tot zijn ministers: ‘Als u ooit merkt dat een vrouw ook maar de geringste macht over mij uitoefent, dan beveel ik u om mij te waarschuwen.’

Zijn minnaressen hadden geen politieke invloed, maar sommige beïnvloedden hem wel op andere manieren. Marie Mancini, een nicht van kardinaal Mazarin, en Athénaïs de Montespan, de vleesgeworden erotiek, wekten bij hem de zin voor het esthetische op. Maar het veelvuldige overspel speelde hem ook parten. Als diepchristelijke koning was hij de behoeder van het katholieke geloof. Naarmate hij ouder werd, werd hij gevoeliger voor de kritiek van de devoten aan het hof. Zijn lange relatie met de eveneens getrouwde De Montespan vonden zij not done. Een dubbel overspelige katholieke vorst met de uitstraling van Louis XIV was in Frankrijk en de rest van Europa niet meteen reclame voor de kerk. Een nieuwe maîtresse, de katholieke Françoise Scarron bracht soelaas. Hij werd dolverliefd op haar, terwijl zij onder een hoedje met de kerk speelde. Ze wordt door de geschiedschrijving heiliger voorgesteld dan ze was, want uit haar brieven blijkt dat ook zij verliefd was op Louis, niet alleen geestelijk. Terwijl ze met hem sliep, trok ze hem weg van De Montespan en overtuigde ze hem er zelfs van om terug met zijn vrouw naar bed te gaan. Na de dood van Marie Theresia hertrouwde Louis met Scarron. Zo groeide zij als Madame de Maintenon uit tot één van de machtigste vrouwen van Frankrijk. Dat huwelijk betekende meteen ook het einde van Versailles met de vele feesten. Langzaam maar zeker veranderde het ooit zo liederlijke paleis in een museum.

 

Johan Op de Beeck, De Zonnekoning, Horizon, 736 blz., 34,99 euro

 

Johan Op de Beeck

  • 1957 geboren in Duffel
  • Studeerde communicatiewetenschappen aan de VUB
  • 1980 begon te werken als journalist en nieuwslezer bij de VRT
  • 1990 verliet de VRT en richtte zijn eigen mediabedrijf op
  • 1993 werd de eerste hoofdredacteur van TV Limburg
  • 1996 leidde de redactie van nieuwszender Euronews
  • 1999 startte mee Kanaal Z op en werd er directeur informatie
  • 2003 – 2005 netmanager van Ketnet en Canvas
  • Maakte verschillende tv-documentaires zoals Masters of the Game en Atlantik Wall
  • Naast vijf bestsellers over Napoleon en zijn tijd schreef hij ook nog Het verlies van België en De bedreigde vrijheid.

 

 

(c) Jan Stevens