‘Het was een pure horroshow’

In De Russische klus reconstrueert Douglas Smith hoe Amerika begin twintigste eeuw tijdens de hongersnood in de Sovjet-Unie ingreep. ‘Zo behoedden we de communistische dictatuur van de ondergang.’

 

De Amerikaanse historicus Douglas Smith blaast in zijn fascinerende boek De Russische klus het stof van een compleet vergeten geschiedenis. Na jaren van revolutie en oorlog was rond 1920 de hongersnood in de prille Sovjet-Unie zo extreem, dat sommigen wanhopig hun toevlucht namen tot kannibalisme. Vladimir Lenin, de leider van de bolsjewistische partij, zag geen andere uitweg dan de aangeboden hulp van kapitalistische aartsvijand Amerika te aanvaarden. In het vroege najaar van 1921 trok een kleine groep Amerikaanse hulpverleners de op instorten staande communistische heilstaat in. De reddingsactie van de American Relief Administration (ARA) onder leiding van de latere Amerikaanse president Herbert Hoover redde miljoenen Russen van de hongerdood. Voor miljoenen anderen kwam alle hulp te laat. Twee jaar lang voedde ARA dagelijks 11 miljoen Russische burgers. Na het stopzetten van de operatie op 15 juni 1923 veegden zowel de Sovjets als de Amerikanen de succesvolle Russische klus zo snel mogelijk onder het tapijt.

 

Het ligt voor de hand dat Lenin de ‘vernederende’ Amerikaanse hulp wou vergeten, maar waarom verdween die geschiedenis ook uit het Amerikaanse collectieve geheugen?

Douglas Smith: ARA-baas Herbert Hoover profiteerde eerst van de populariteit die hij in Rusland als Master of Emergencies had opgebouwd. Daarom won hij 1928 met een overgrote meerderheid de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Maar een jaar later crashte de beurs en brak de Grote Depressie uit. De ‘Meester van Noodgevallen’ slaagde er niet in zijn eigen verpauperde bevolking uit de armoede te tillen en donderde van zijn sokkel. De sloppenwijken in de steden werden ‘Hoovervilles’ genoemd, de oude kranten waaronder de daklozen sliepen ‘Hooverdekens’, en karton om gaten in afgedragen schoenen dicht te stoppen, heette ‘Hooverleer’. Een tweede ambtsermijn zat er voor Herbert Hoover niet meer in. In die donkere jaren voor WO II verdween ‘de Russische klus’ dan ook razendsnel uit de Amerikaanse herinnering.

De ARA-reddingsactie werd in de Sovjet-Unie door Lenin meteen na afloop al op de zwarte lijst gezet. Russische ARA-medewerkers werden gebrandmerkt als spionnen en de operatie werd integraal uit de Sovjetgeschiedenisboeken gegomd. Later verschenen er een paar wetenschappelijke werken over, maar voor het grote publiek bleef de Amerikaanse reddingsoperatie in Rusland tot nu een groot mysterie.

 

De Russische revolutie was nog heel pril toen de Amerikanen de Sovjets te hulp snelden.

Smith: De bolsjewieken grepen in november 1917 de macht. Daarna volgde een burgeroorlog die duurde tot halverwege 1920 en die de Russische bevolking decimeerde. In de jaren 1919 en 1920 waren de Verenigde Staten in de ban van de ‘Rode Schrik’. Na WO I was er heel wat onrust onder arbeiders, met stakingen en oproer. Onder Amerikaanse politici was de angst groot dat de bolsjewisten hun revolutie naar het Westen zouden exporteren. Achter elke straathoek bespeurden ze een bolsjewist die de regering omver wou werpen. De Amerikaanse Senaat stelde zelfs een commissie aan die de dreiging van het ‘Rode Gevaar’ in kaart moest brengen. De ‘Rode Schrik’ van toen is het equivalent van islamofobie vandaag, en van onze niet altijd even rationele angst voor jihadistische terreur.

 

Waren er in die tijd bolsjewistische terroristen actief in Amerika?

Smith: In de lente van 1919 pleegden anarchisten een reeks bomaanslagen op belangrijke politici, topambtenaren en ondernemers. Op 16 september ontplofte op Wall Street zelfs een bom die 38 mensen het leven kostte. De terreurdreiging zat dus niet helemaal tussen de oren van de burgers, maar ze mondde wel uit in een vorm van massahysterie. Die paranoia was wijdverspreid.

 

De grote hongersnood in de Sovjet-Unie was in de eerste plaats een gevolg van jaren burgeroorlog?

Smith: Jawel, zeven jaar van ononderbroken oorlog tussen het Rode leger van de bolsjewieken en het Witte Leger van de grootgrondbezitters en de adel eiste een loodzware tol. Niet enkel de Roden verspreidden terreur, ook de Witten lieten zich niet onbetuigd. Ze stalen het graan van de boeren die op hun beurt de productie drastisch terugschroefden en enkel nog graan voor eigen gebruik teelden. De wanhopige boeren verstopten het onder de vloer, in putten, tussen de rieten daken of achter schijnmuren. De extreme droogte van 1920 en ’21 was de spreekwoordelijke druppel. Twee jaar lang viel er zo goed als geen regen in zowat de hele vallei rond de rivier de Wolga. De oogsten mislukten, er was geen voedseloverschot en tegen de lente van 1921 was de ramp compleet.

 

Was het Westen zich bewust van de omvang van de Russische hongersnood?

Smith: De Amerikanen wisten dat er ernstige bevoorradingsproblemen waren, maar de ware omvang van de hongersnood drong door nadat de ARA-reddingsoperatie van start ging. Pas dan begonnen kranten en tijdschriften er aandacht aan te besteden. Zelfs de Amerikaanse hulpverleners hadden bij hun vertrek nog niet in de gaten hoe erg het was. De meesten hadden gevochten in de Eerste Wereldoorlog en vreselijke dingen gezien. Maar de toestand in de Sovjet-Unie overtrof alles. Het was een pure horrorshow. De hulpverleners waren daar niet op voorbereid. Na de revolutie was Rusland jarenlang afgesneden van de rest van de wereld. Slechts weinig westerlingen waren er zich van bewust hoe hard de oorlog het land had verwoest. De infrastructuur was vernietigd, net als de landbouw, en de steden lagen in puin. Het was alsof de Apocalyps had plaatsgevonden, met overal stapels uitgemergelde lijken.

 

In uw boek lees ik dat Vladimir Lenin minstens even meedogenloos was als zijn opvolger Jozef Stalin. Zo gaf hij in augustus 1918 het bevel om boeren die te weinig graan produceerden te ontvoeren en terecht te stellen: ‘Knoop minstens 100 rijke klootzakken op. Publiceer hun namen. Neem ze hun graan af. (…) Doe dat allemaal zodat mensen kilometers verderop het zien, het begrijpen, beven.’

Smith: Veel mensen zien Lenin nog steeds als een progressieve humanist, terwijl hij in werkelijkheid uitermate wreed was. De laatste twintig jaar werden steeds meer archieven in Rusland toegankelijk en dat leverde nieuw materiaal over de eerste leider van de Sovjet-Unie op. Recente biografieën tonen aan dat ‘vadertje Stalin’ geen verdorven tegenpool van Lenin was, maar een logische voortzetting. Vladimir Lenin was bereid tot alles om de macht te behouden. Om zijn bolsjewistische experiment te redden, liet hij Amerika, de duivel zelf, binnen. Tegen de lente van 1921 was hij doodsbang dat hij de controle over het land ging verliezen. In februari en maart kwam de marine in de militaire vestingstad Kronstadt tegen de communistische regering in opstand. Ze noemden Lenin de nieuwe tsaar Nikolaas. Dat was heel pijnlijk, want de matrozen hadden de bolsjewieken van in het begin gesteund. Arbeiders staakten massaal in Sint-Petersburg, Moskou en andere grote steden, en boeren kwamen in opstand tegen de inbeslagnames van hun graan. De problemen van de boeren konden Lenin niet veel schelen, maar hij maakte zich wel grote zorgen over de bevoorrading van de steden. Hij was doodsbang dat hij de controle helemaal zou verliezen als de marine en de soldaten van het Rode Leger honger zouden lijden. Hij vertrouwde Herbert Hoover en zijn ARA voor geen haar, maar hij had geen andere keuze dan hun hulp te aanvaarden. Hij zorgde er wel voor dat de organisatie op de voet gevolgd werd door agenten van de geheime dienst Tsjeka.

 

Wat voor iemand was Herbert Hoover?

Smith: Hij was een Republikein, maar als hij vandaag zou leven denk ik niet dat hij lid zou zijn van de Republikeinse Partij. Hij zou zich diep schamen voor wat Donald Trump met de Grand Old Party heeft aangericht. Herbert Hoover was een briljante ingenieur en zakenman die rijk werd in de wereld van de internationale mijnbouw.

 

Ook in Rusland?

Smith: Ja, al verkocht hij zijn Russische mijnconcessies vlak voor de start van de Eerste Wereldoorlog. Hij had het Rusland van de tsaren een paar keer bezocht en was geschokt door de repressie, de stuitende ongelijkheid en het gebrek aan democratie. Hij was ervan overtuigd dat die cocktail ooit zou ontploffen. Hoover groeide op als Quaker, The Religious Society of Friends. Die kerkgemeenschap voert het helpen van de medemens hoog in het vaandel. De Amerikaanse Quakers vochten van in het begin tegen de slavernij. Herbert Hoover had als veertiger fortuin vergaard en wou voortaan als een echte Quaker verder met zijn leven. Tijdens WO I stortte hij zich in de liefdadigheid.

 

Met zijn ‘Comittee for Relief of Belgium’ (CRB) kocht Herbert Hoover vanaf 1914 wereldwijd voedsel aan dat hij vervolgens naar het bezette België en Noord-Frankrijk liet brengen. Hoovers CRB verdeelde twee miljoen ton voedsel onder zeven miljoen Belgen en twee miljoen Fransen. Vóór Rusland redde Hoover België van de hongerdood?

Smith: U hebt gelijk, daar had ik zelf niet eens aan gedacht. (lacht) Hoover staat inderdaad ook bekend als de redder van België. Zijn uw landgenoten zich daar nog van bewust?

 

Ik denk het niet, ook al hebben we dan in verschillende gemeenten Herbert Hooverstraten en -pleinen.

Smith: Na WO I hielp Hoover bij de opstart van de American Relief Administration, of ARA. Hij nam eerst als Amerikaans adviseur deel aan de vredesonderhandelingen in Versailles en was geschokt en triest door de miserie en verwoesting die hij overal in Europa zag. Hij kreeg geld van het Amerikaanse Congres om ARA op te richten en zo de grootste noden van de Europeanen te helpen lenigen. Hij vond dat een flink deel van het geld naar Duitsland en Oostenrijk moest vloeien omdat ook zij geleden hadden. Maar de Amerikaanse overheid zinde in de eerste plaats op wraak en stak daar een stokje voor.

 

Boden de Amerikanen in 1921 hulp aan de Sovjets aan, of werden ze gevraagd?

Smith: In de zomer van 1921 schreef de beroemde Russische schrijver Maxim Gorki een brief om hulp aan de wereld. Het Europese Rode Kruis en de Noorse ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen organiseerden de eerste hulpacties. Maar Europa had in die tijd niet de middelen omdat het continent nog moest herstellen van de gruwel van de wereldoorlog. De Amerikanen hadden wel geld in overvloed, waardoor zij snel verantwoordelijk waren voor 90 procent van alle hulp aan Rusland.

In het begin stond Lenin erg sceptisch tegenover ARA. Hij sprak zeer cynisch over Hoover, maar dat veranderde toen hij zag hoe efficiënt de Amerikanen te werk gingen. Het duurde niet lang of Lenin vond Herbert Hoover een geweldige kerel. ‘We hebben Hoover en zijn manschappen broodnodig’, verkondigde hij aan al wie het horen wou. Jozef Stalin heeft de Amerikanen nooit vertrouwd. Sommigen binnen de Tsjeka probeerden de operatie te dwarsbomen. Het bizarre is dat Feliks Dzerzjinski, het toenmalige nietsontziende hoofd van de Tsjeka, de Amerikanen wél gunstig gezind was.

 

Dzerzjinski alias ‘IJzeren Felix’, had toch een zeer slechte reputatie?

Smith: De Amerikanen hadden de Russische spoorwegen nodig om voedsel over het land te transporteren. Als hoofd van het Volkscommissariaat van het Vervoer had de machtige Dzerzjinski alles te zeggen over de treinen. William Haskell leidde de ARA-operatie en ontmoette Dzerjinski meermaals. Bij problemen liet IJzeren Felix spoorwegbeambten koudweg executeren. Haskell zei daarover: ‘Ik weet dat Dzerjinski’s handen druipen van het bloed, maar dat is oké want hij zorgt ervoor dat onze goederentreinen rijden.’

 

Een van de sleutelfiguren in de ARA-reddingsoperatie is de Amerikaanse diplomaat en gesjeesde schrijver James Rives Childs. Hij was in de eerste plaats een avonturier?

Smith: Childs was een merkwaardig man. Zijn schrijverschap kwam nooit van de grond, maar hij gold wel als een van ’s werelds grootste kenners van Giacomo Casanova. Dat zegt misschien veel over hemzelf. (lacht) Childs was inderdaad een avonturier, maar ook een idealist. Amerika vond hij te saai en te normaal. Hij had gevochten in WO I en was geheim agent geweest. Als student op Harvard ging hij naar een lezing van John Reed, een radicale Amerikaanse journalist die de Russische revolutie had meegemaakt. De jonge Childs werd op slag socialist en wou het arbeidersparadijs in de Sovjet-Unie met eigen ogen aanschouwen. Hij geloofde in de waarden van de revolutie en had het hart op de juiste plaats. Hij wou zijn Russische broeders helpen. Maar hij schrok van wat hij in Rusland aantrof.

 

Een andere schilderachtige figuur is Henry Wolfe. U volgt hem op zijn kannibalenjacht.

Smith: Wolfe was leraar geschiedenis in de staat Ohio en verveelde zich te pletter. Dus sloot hij zich aan bij ARA en vertrok op avontuur naar Russisch hongergebied. Hij zocht actie en opwinding. Veel Russen konden niet begrijpen waarom jongemannen zoals Wolfe uit een rustig, stabiel land aan de andere kant van de wereld, de chaos en de gruwel opzochten. Henry Wolfe ving geruchten op dat wanhopige Russen hun gestorven medeburgers opaten. Zo was er het verhaal van twaalf uitgehongerde mannen en vrouwen die het lijk van een recent overleden man op een kerkhof hadden opgegraven en er zijn rauwe vlees meteen hadden verslonden. Er was ook het sensationele verhaal van een dode man die door een restaurantuitbater versneden was tot koteletten en gehakt. Henry Wolfe wou die kannibalen ontmoeten en dat lukte hem uiteindelijk ook. Er is een foto bewaard gebleven waarop hij poseert met de resten van een kannibalenmaal: twee opengekliefde vrouwenhoofden, een deel van een ribbenkast, een hand en de schedel van een kind. De Sovjetautoriteiten wisten niet goed hoe ze met hun kannibalen moesten omgaan. Want meestal waren het wanhopige mensen en geen criminelen.

 

ARA heeft de Russen daadwerkelijk helpen overleven?

Smith: Zonder twijfel. In het begin van de operatie dachten de Amerikanen dat ze grofweg een miljoen mensen per dag zouden moeten voeden. Op het toppunt een jaar later gaven ze elf miljoen mensen te eten. Daarnaast verscheepten ze tonnen medisch materiaal, knapten ze ziekenhuizen op en herstelden ze vernielde wegen in dorpen en steden. Ze brachten kleding en schoenen mee en zetten zelfs een speciaal programma op om de hoogopgeleide Russische wetenschappers, dokters en academici terug aan de bak te helpen.

 

De Amerikanen hebben de Russische revolutie gered?

Smith: Een Amerikaans recensent merkte op dat zonder ARA de Sovjet-Unie in elkaar gezakt zou zijn en we de terreur van Stalin nooit hadden moeten meemaken. Misschien heeft hij gelijk, toch vind ik het onze morele plicht om mensen die in de shit zitten altijd te helpen. In 1921 kon niemand de latere capriolen van dictator Stalin voorspellen. Veel Amerikaanse hulpverleners geloofden dat door ARA de Russen wel zouden inzien dat communisme een vergissing was. Dat bleek een illusie te zijn.

 

Is in het huidige Amerika een reddingsactie zoals ‘de Russische klus’ nog mogelijk?

Smith: De ARA-redding van Rusland staat haaks op wat er nu in mijn land plaatsvindt. De VS isoleren zich in sneltreinvaart van de rest van de wereld. Ik begon dit boek te schrijven vóór Trump president werd en ‘America First’ de kop opstak. Ik hoop dat De Russische klus sommige landgenoten laat inzien dat het als welvarende samenleving onze verdomde plicht is mensen in nood te helpen. Voor een échte Republikein zou niet Donald Trump de gids mogen zijn, maar Herbert Hoover uit 1921.

 

Douglas Smith, De Russische klus, Spectrum, 328 blz., 27,99 euro

 

Douglas Smith

  • 1962 geboren in Minnesota
  • Studie Russisch aan de universiteit van Vermont en geschiedenis aan de universiteit van Californië
  • Schrijft verschillende historische werken over Rusland
  • 2012 debuteert als schrijver van populair-wetenschappellijke boeken over Rusland met Verloren adel, de laatste dagen van de Russische aristocratie

 

 

© Jan Stevens

‘De nonnen namen hun geheimen mee in het graf’

In het najaar van 1966 beviel Jeanine Ogiers anoniem in een rijhuis in Rijsel en stond haar kind af voor adoptie. Sindsdien is ze wanhopig op zoek naar haar verdwenen dochter. ‘De mensen zien me nog altijd als een paria omdat ik mijn kind afstond.’

 

Bijna haar leven lang is de inmiddels tachtigjarige Jeanine Ogiers uit Wetteren op zoek naar haar ‘verdwenen dochter’. In oktober 1966 beviel ze anoniem in Frankrijk. ‘Dat was zo geregeld door de blauwe zusters van Gent.’ Haar baby moest ze meteen na de geboorte afgeven. ‘Ik mocht haar niet vastpakken, maar diezelfde nacht nog sloop ik uit mijn bed om haar te knuffelen. Ik noemde haar Regina; ik vond dat een heel mooie naam. Ik heb haar nooit meer gezien.’

Jeanine’s zoon John Verstraeten maakte in oktober 2017 de Facebook-pagina ‘Op zoek naar mijn verloren zus’ aan. ‘Ik zette er foto’s op van ons, haar broers en zussen, en van moeder toen ze nog jong was. Die pagina werd meer dan duizend keer gedeeld en ik hoopte dat mijn verdwenen zus ons zo misschien op het spoor zou komen. Tot hiertoe is dat niet gebeurd. Ik heb intussen bij de Franse overheid een verzoek ingediend om de anonimiteit van moeder op te heffen. Zo komt mijn zus tenminste de naam van haar biologische moeder te weten, als ze op zoek zou zijn. Mijn moeder werd er indertijd door haar moeder van beschuldigd haar kind verkocht te hebben aan de Zusters Kindsheid Jesu, de blauwe zusters in de volksmond. Grootmoeder legde toen ook klacht neer bij de rijkswacht, zonder gevolg.’

 

In de jaren zestig gingen vooral ongehuwde meisjes anoniem in een kliniek in Frankrijk bevallen. Mevrouw Ogiers, u was 27 en had al drie kinderen.

Jeanine Ogiers: Ik kwam bij die nonnen terecht omdat ik materieel en emotioneel volledig aan de grond zat. Mijn toenmalige man had een zwaar drankprobleem en mishandelde ons. Op een nacht gooide hij de bedjes om waarin John en zijn oudere broer en zus lagen te slapen. Toen was de maat vol. Ik vluchtte met de kinderen naar mijn ouders, maar daar waren we niet welkom. Ik stond op straat met drie kleine kinderen, zonder inkomen. Mijn man betaalde het onderhoudsgeld niet en ik kreeg geen kindergeld. Ik wist van geen hout pijlen maken en moest dringend werk vinden. De kinderen werden in een home in Heusden geplaatst en ik vond een job bij de pas geopende Volvo-fabriek in Gent, aan de lopende band.

John Verstraeten: Op mijn 56e heb ik nog steeds vreselijke beelden van die paar maanden in dat tehuis. Ze stopten ons in de kelder omdat onze ouders de rekeningen niet betaalden. Toen ik drie jaar oud was, werden we geplaatst bij onze grootouders.

Ogiers: Mijn vader en moeder aasden eerst en vooral op het geld dat ze daarvoor kregen.

Verstraeten: Dat is jammer genoeg waar. Met die centen kochten ze een nieuwe salon en tv. Wij krikten hun materiële welstand op en in ruil gaven ze ons slaag. Ik hoor mijn grootmoeder nog schreeuwen: ‘Je moeder is een hoer. Ze liet je in de steek. Trap het maar af als het je niet aanstaat.’

 

Dat klinkt alsof u opgroeide aan de zelfkant van de samenleving.

Verstraeten: Toch niet. Mijn grootvader was buschauffeur en verdiende goed zijn boterham. Maar mijn grootouders waren allebei zeer gewelddadig tegenover hun kinderen en kleinkinderen. Ik zie nog hoe opa mijn zus met een stok afranselde. Als de woede uit zijn ogen verdwenen was, zei hij tegen haar: ‘Hier heb je 500 frank.’ De huisdokter speelde een smerige rol in heel ons verhaal. Elke maand kwam hij controleren of mijn veertienjarige zus nog maagd was. Toen ik veertien was, ging hij ook bij mij over tot seksueel grensoverschrijdend gedrag. ‘Dan kan ik je beter onderzoeken’, beweerde hij. Onlangs zat ik in het vliegtuig naast een vriendelijk oud heertje. ‘Waar komt u vandaan?’, vroeg hij. ‘Wetteren’, antwoordde ik. Hij zei: ‘Dat is toevallig, ik woon in de buurt, in Oordegem. Ik ben dokter D.W., aangename kennismaking.’ Ik voelde me misselijk worden; het was onze huisdokter van toen. Ik kon geen woord meer uitbrengen.

 

Mevrouw Ogiers, in 1966 raakte u ongewenst zwanger.

Ogiers: Mijn zes jaar oudere ploegbaas bij Volvo toonde zich erg bezorgd over mijn situatie. Hij troostte me en van het een kwam het ander. Hij was getrouwd en had kinderen. Er wordt vaak gezegd: ‘Een getrouwde kerel verleiden, deugt niet.’ Terwijl ik geen seks zocht, maar warmte, genegenheid en vriendschap. Maar dat beseffen al die mensen niet die met het vingertje staan te zwaaien. Zijn vrouw heeft nooit iets van onze relatie geweten. Toen ik zwanger was, vroeg hij niet of hij kon helpen. Hij heeft later ook nooit naar ons kind gevraagd.

Verstraeten: Ik kan begrijpen dat je in die man zijn armen belandde, want jij zat in de miserie. Maar hij maakte misbruik van je, want jij was de zwakkere partij. Hij was je baas, getrouwd, met kinderen. Als hij je echt graag had gezien, zou hij zijn verantwoordelijkheid genomen hebben en had hij een fatsoenlijke regeling uitgewerkt.

Ogiers: Toen ik wist dat ik zwanger was, raakte ik in paniek. Ik zat er compleet onderdoor, kon geen nieuwe baby aan en zocht hulp in het Bijlokehospitaal in Gent. Zij verwezen me door naar het klooster van de blauwe nonnen in de Nederpolder. Ik tekende een contract dat ik mijn kind afstond. Toen de weeën begonnen, voerden de zusters me met een auto naar Rijsel om te gaan bevallen.

 

Naar een ziekenhuis?

Ogiers: Nee, naar een huis in de rij, bij een vroedvrouw. Ik was niet de enige die daar kwam bevallen; er was nog een hoogzwanger meisje. Zij kwam uit Schellebelle. Ook haar kind, een jongen, werd zonder boe of ba meegenomen, net als mijn dochter. Ik mocht haar zelfs niet even vasthouden. Die nonnen waren keihard. ’s Anderendaags voerden ze me terug naar huis. Op het moment van ons vertrek zag ik een non een andere auto instappen, met mijn pasgeboren baby in haar armen. Ik was murw en alles gebeurde buiten mij om. Ik weet zelfs niet meer waar ze me toen in Gent hebben afgezet. Vannacht lag ik daar urenlang over te piekeren, maar heel die tocht van Rijsel naar Gent is een zwart gat. Die reis is al jaren uit mijn geheugen gewist.

 

Werd u door de zusters onder druk gezet om uw kind af te staan?

Ogiers: Nee. Ik zat diep in de shit en zag geen andere uitweg. Maar zowat meteen na de geboorte stak een overweldigend schuldgevoel op. Een paar maanden later klopte ik opnieuw bij de blauwe zusters aan. Ik wou weten waar mijn kind was. Hun reactie was ijskoud: ‘Daar heb je geen zaken mee.’ Ik had mijn kind definitief afgestaan, was dus geen moeder meer en kon maar beter opkrassen. Ze werden boos omdat ik het lef had naar mijn dochter te vragen. Jaren later hoorde ik dat de non die zich met de ongewenste zwangerschappen bezighield, bijna al haar dossiers verbrand had. ‘Ik neem mijn geheimen mee in het graf’, zei ze. Ook het dossier van mijn dochter ging in vlammen op.

 

Toch wist u dat u uw kind voor adoptie had afgestaan?

Ogiers: Natuurlijk, maar ik kreeg daar zeer snel spijt van. De kinderen werden alleen verkocht aan adoptieouders die er warmpjes inzaten. Dat zeiden de zusters me toen ik dat contract tekende. De handel in baby’s van ‘gevallen vrouwen’ bracht in die tijd een aardige stuiver op.

Verstraeten: In werkelijkheid was het mensenhandel, die dan nog eens netjes geregeld was tussen kerk en staat. Want anoniem bevallen in Frankrijk was volkomen normaal. Ik begrijp de hardheid van die nonnen niet die mijn moeder een paar maanden na de bevalling wegstuurden.

Ogiers: Op school leerde ik dat we respect moesten hebben voor dokters, advocaten, pastoors en nonnen. Sorry, maar vandaag heb ik voor geen enkele geestelijke nog respect. Ik geloof in iets dat ons overstijgt, maar het instituut de kerk kan me gestolen worden. Weet u dat ik het er zeer moeilijk mee heb om mijn verhaal aan u te vertellen? Want ook al is de maatschappij veranderd en is de kerk haar greep kwijt, toch blijft er veel schaamte. Ik word nog altijd als een paria bekeken omdat ik mijn kind heb afgestaan.

 

Mijnheer Verstraeten, wanneer zag u uw moeder voor het eerst terug?

Verstraeten: Op de begrafenis van mijn grootmoeder. Ik was toen veertien. Ik was boos op moeder, want ze had ons in de steek gelaten. Het heeft dertig jaar geduurd voor ik hier over de vloer kwam. Ik kon het woord ‘moeder’ niet uitspreken. Toch raapte ik op een dag al mijn moed bijeen en belde aan. Grootmoeder had bij leven en welzijn de wildste verhalen over mijn moeders handel en wandel verteld. Ik wou haar versie van de feiten horen en heb haar intussen ook vergeven. Ik kan niet oordelen over wat zij indertijd meemaakte.

Ogiers: Mijn moeder zei dikwijls dat ze me liever kwijt dan rijk was. Tegen mijn vader riep ze: ‘Sla Jeanine dood, dan zijn we tenminste van haar verlost.’ Ik was een ongewenst kind en dat heeft me voor de rest van mijn leven getekend. Net als mijn zoektocht naar mijn verdwenen dochter.

 

Zoekt u niet naar een naald in een hooiberg?

Ogiers: Daar lijkt het op, ja. Want weet zij dat ze in Frankrijk geboren is? Niemand heeft zicht op wat die nonnen indertijd aan de adoptieouders wijsmaakten. Wat wisten die mensen over haar afkomst?

Verstraeten: We hopen dat ze ooit onze Facebook-pagina ‘Op zoek naar mijn verloren zus’ bezoekt, al die foto’s van haar broers, zussen, moeder en grootouders ziet en zichzelf daarin herkent.

Ogiers: Ik heb via een website een DNA-staal laten nemen in de hoop dat er ergens een match is met haar. Waarschijnlijk heeft zij intussen kinderen en heb ik zo ook nog kleinkinderen die ik niet ken. Veel jaren resten me niet meer om haar te vinden.

 

Het zou ook kunnen dat ze heel kwaad is op u.

Ogiers: Daar hou ik rekening mee. Ik wil haar heel graag vinden, maar tezelfdertijd ben ik bang voor die eerste ontmoeting. Het kan best dat ze me nooit meer wil zien.

 

U hebt vijf kinderen. Hebben zij allemaal evenveel begrip voor uw zoektocht naar uw verdwenen dochter?

Ogiers: Ik heb zes kinderen, want ik tel mijn verdwenen dochter altijd mee. Drie zonen en drie dochters. Mijn verdwenen dochter was lang een geheim. Veertig jaar lang verzweeg ik haar, nu weten ze het allemaal. Op een bepaald moment was ik niet meer aanspreekbaar. Bij het minste schoot ik uit mijn krammen. Tot mijn dochter Tanja zei: ‘Moeder, het is hoog tijd dat je er iets aan doet, want zo kan het niet verder.’ Ik ging in therapie en dat hielp. Mijn leven was een aaneenschakeling van ellende. De gelukkigste jaren maak ik nu mee, maar elke dag denk ik aan mijn verdwenen kind.

 

 

Anoniem bevallen, het laatste mysterie

 

Met haar vzw Mater Matuta verdedigt Marleen Adriaens onder andere de belangen van slachtoffers van anonieme bevallingen. Zij voerde lang onderzoek naar adopties van de Kindsheid Jesu en weet wel wat er met de dossiers gebeurde. ‘Eind jaren tachtig zijn ze allemaal verbrand. De kloosterordes die zich met anoniem bevallen bezighielden, wisten dat er rond adoptie een strengere wetgeving in de lucht hing en hielden preventief grote kuis. Van begin jaren zestig tot eind jaren tachtig was anoniem bevallen in Frankrijk courante praktijk. Dat stopte pas definitief met die nieuwe adoptiewet van 1989. Vooral de congregatie van de Kindsheid Jesu, met kloosters in Gent en Lommel, was erin gespecialiseerd. Maar ook het seculiere adoptiebureau ‘Thérèse Wante’ uit Schoten hielp vrouwen anoniem bevallen. Wante is inmiddels dood, maar haar adoptiedienst bestaat nog en is nu gevestigd in het Waalse Ottignies. Ook Thérèse Wante stak alle dossiers in de fik.

De meeste anonieme bevallingen waren tienermeisjes in nood. De familie bracht hen naar het klooster, want de nonnen zorgden ervoor dat ze konden bevallen zonder dat iemand het wist. De baby’s werden vervolgens doorverkocht aan adoptieouders.’

 

Was het onvervalste kinderhandel?

Marleen Adriaens: Zonder twijfel, al wordt dat nog steeds ontkend. Adoptieouders moesten zogezegd niet betalen voor hun kind, maar ‘giften’ aan de kloosterorde waren wel verplicht. De nonnen stelden zich ook altijd keihard op tegen vrouwen die later wilden weten wat er met hun kind gebeurd was. Omdat alle papieren sporen gewist zijn, weet nu niemand hoeveel vrouwen er anoniem in Frankrijk gingen bevallen en hoeveel kinderen er ter adoptie werden aangeboden.

 

Is er dan niets terug te vinden in bevolkingsregisters en archieven van gemeenten?

Adriaens: Zelden. Onlangs werd ik gebeld door een vrouw van 58. Zij had nog maar pas ontdekt dat ze geadopteerd was. Niemand had begin jaren zestig haar moeder zwanger gezien en tóch was zij bevallen van een dochter. De vrouw stond geregistreerd als het biologische kind van mensen die in feite haar adoptieouders waren. Die volstrekt illegale praktijk van ‘onderschuivingen’ van kinderen kwam bij anoniem bevallen regelmatig voor. Ziekenhuizen, dokters en verpleegkundigen waren medeplichtig. Sommige veertigers en vijftigers weten vandaag dus nog altijd niet dat ze ooit geadopteerd zijn.

 

© Jan Stevens

‘Om te kunnen liegen zoals Hitler, moét je wel een doortrapte charmeur zijn’

Vlak voor de oorlog lieten belangrijke Amerikaanse, Britse en Franse journalisten zich bedwelmen door Adolf Hitler. In zijn boek De vergeten gesprekken met Hitler delft Eric Branca hun interviews op. ‘Ze waren allemaal bang voor oorlog en geloofden de Führers pleidooien voor vrede.’

_DSC0005

 

Jarenlang was Parijzenaar Eric Branca journalist en redactiedirecteur bij het Franse actualiteitenmagazine Valeurs Actuelles. Tot hij in 2015 bij een grote reorganisatie samen met elf collega’s aan de deur gezet werd. ‘Toen was dat een grote schok’, zegt hij. ‘Achteraf gezien was het een bevrijding. Want ik ergerde me steeds meer aan de populistische koers die onder druk van de dalende oplagecijfers was ingezet.’ Hij trok zich terug in zijn appartement vlakbij de Arc de Triomphe en verdiepte zich in een vergeten stuk recente geschiedenis: de vooroorlogse vrijages van Adolf Hitler met belangrijke Amerikaanse, Britse en Franse journalisten. In zijn verbluffende boek De vergeten gesprekken met Hitler reconstrueert Branca zestien interviews waarin de dictator ‘met de zachtblauwe ogen’ via zijn gewillige gesprekspartners probeerde de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk in slaap te wiegen.

U bent de eerste die het stof blaast van de vooroorlogse Hitler-interviews.

Eric Branca: Het was nochtans niet moeilijk om ze terug te vinden. Die interviews worden allemaal netjes bewaard in voor iedereen toegankelijke archieven. Af en toe werden er wel eens enkele zinnen uit geciteerd, maar nooit publiceerde iemand ze opnieuw. Van 1923 tot 1940 gaf Hitler precies dertig interviews aan buitenlandse journalisten. Uiteindelijk blijven er zestien over die het verdienen een écht interview genoemd te worden. De rest zijn eerder uitvoerige verslagen van ontmoetingen met de Führer, opgefleurd met een paar quotes. Uit alle gesprekken komt de dictator naar voor als een volbloed leugenaar.

 

Hij deed mij soms aan de Amerikaanse president Donald Trump denken.

Branca: Misschien wel, alleen was Hitler subtieler. Trump doet de waarheid op een directe, simpele manier geweld aan. Hitler was doortrapter én strategischer. Hij zei tegen zijn gesprekspartners: ‘Ook ik verlang naar vrede’, terwijl hij in werkelijkheid volop de oorlog aan het voorbereiden was. Hij vertelde zijn toehoorders wat ze dolgraag wilden horen. Dat zal Donald Trump nooit doen. Die beledigt iedereen voluit. Adolf Hitler werd tegenover buitenlandse journalisten nooit een brulboei, behalve in het allereerste interview dat in oktober 1923 in The American Monthly verscheen. Daarin werd hij zeer agressief tegenover de Joden, met gepeperde uitspraken in de trant van: ‘Zoals syfilislijders en alcoholisten moeten worden geïsoleerd en zich niet mogen voortplanten, zo mogen ook Joden zich niet met Duitsers vermengen.’ Hij verkondigde toen onomwonden de nazistische ideologie, zoals hij die een paar maanden later in Mein Kampf zou neerschrijven.

 

Interviewer van dienst van dat allereerste interview was de Amerikaanse schrijver George Viereck.

Branca: Viereck was zelf een volbloed-nazi en ontpopte zich later tot propagandist voor Hitler in de VS. Halverwege de jaren dertig begon de FBI hem in de gaten te houden. Na Pearl Harbor namen de Amerikanen de wapens op tegen Duitsland en Japan. Viereck belandde in de cel omdat hij ervan verdacht werd een Duitse spion te zijn. Hij kwam pas terug vrij in ’47.

 

Van alle buitenlandse journalisten die met Hitler spraken, was Viereck de enige echte nazi?

Branca: Hitler koos er heel bewust voor om buitenlandse nazi-reporters links te laten liggen. Hij wou in de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk eerst en vooral de pacifisten en de mensen aan de linkerzijde bereiken. Want extreem-rechts was al overtuigd. Voor alle anderen trok hij een rookgordijn op. Hij maakte hen wijs dat hij niet uit was op oorlog. Hij wou ook de aandacht in het buitenland weg van Mein Kampf, vol rauw antisemitisme en virulente haat tegen alles wat Frans is. Hij koos doelbewust voor gerenommeerde journalisten en degelijke kranten en tijdschriften. Hij vermeed bladen die flirtten met het fascisme of nazisme. In Frankrijk praatte hij met de fatsoenlijke, pacifistische krant Le Matin of met het ‘onafhankelijke’ Paris-Soir, maar niet met extreem-rechtse bladen als L’Ami du Peuple of Je suis partout. Met de Britten communiceerde hij via grote populaire kranten als The Daily Mail en The Daily Mirror, maar niet met de fascistische krant van zijn Engelse evenknie Oswald Mosley. Hitler was een bewonderaar en een vriend van de Amerikaanse autobouwer Henry Ford. Die gaf het openlijk antisemitische weekblad Dearborn Independent uit. Hitler hoefde maar met zijn vingers te knippen voor een paginagroot interview, maar hij deed dat niet. Want waarom zou hij tijd verspillen aan buitenlandse lezers die toch al overtuigd waren?

 

Had hij die strategie zelf bedacht?

Branca: Die kwam uit de koker van zijn allereerste perschef Ernst ‘Putzi’ Hanfstaengl. Putzi was een leeftijdsgenoot van Hitler en had een Duitse vader en een Amerikaanse moeder. Hij stamde uit een rijke familie, studeerde aan Harvard, werd gerekruteerd als geheim agent en kreeg de opdracht om die jonge onruststoker Adolf Hitler in de gaten te gaan houden. Hij was geen Hitler-sympathisant, maar in München hoorde hij de man in het openbaar spreken en hij was meteen in de ban. Het gangbare beeld van een speechende Hitler is dat van een continu schreeuwende en razende fanaat. Maar in beperkte kring was dat helemaal niet zo. Hij begon dan pas op het einde te schreeuwen. (lacht) Het eerste uur van een redevoering kwam hij vaak zelfs heel charmant uit de hoek. Zo zorgde hij ervoor dat zijn toehoorders zeer ontvankelijk waren voor zijn boodschap.

In 1922 werden Hitler en Hanfstaengl goede vrienden; niet veel later werd Putzi zijn persattaché. Tot 1934 werkten ze nauw samen. Hanfstaengl had uitstekende relaties in de VS en kende er iedereen die ook maar iets te zeggen had. Hij regelde interviews met belangrijke Amerikaanse journalisten zoals Harold Calender van The New York Times en Hubert Knickerbocker van de New York Evening Post, winnaar van een Pulitzerprijs in 1931. Hij introduceerde zijn baas ook bij de kopstukken van de zeer invloedrijke Hearst Press Group en adviseerde hem om Engels te leren. Maar dat was een brug te ver voor de Führer. Eind jaren dertig keerde Hanfstaengl nog eens zijn kar: hij werd opnieuw Amerikaans agent. In 1942 trad hij zelfs in dienst bij de Amerikaanse president Franklin Roosevelt als diens naaste adviseur voor Duitse aangelegenheden.

 

In de jaren twintig gaf Hitler interviews aan Britse en Amerikaanse journalisten; de eerste Franse journalist sprak hij pas in 1930. Had dat te maken met zijn niet aflatende woede over het Verdrag van Versailles na WO I?

_DSC0060Branca: Versailles beschouwde hij inderdaad als de ultieme vernedering. Maar zijn haat tegenover Frankrijk ging nóg veel dieper. De hele Franse geschiedenis zag hij als één grote brok tegenstand tegen een verenigd sterk Duitsland. Eerlijk gezegd had hij een punt: alle Franse koningen hadden er een erezaak van gemaakt om Duitsland te verdelen. In Mein Kampf stond zwart op wit dat hij definitief met Frankrijk wou afrekenen. Alle ‘verloren gebieden’ wou hij heroveren. Hij schreef: ‘Dat lukt niet door plechtige aanroepingen van Onze-Lieve-Heer of door vroom op een Volkerenbond te hopen, maar alleen door wapengeweld.’ Vanaf 1930 zette hij zijn haat tegenover Franse journalisten even in de diepvries. Via interviews met hen probeerde hij ook de Fransen zand in de ogen te strooien. Die journalisten tuinden er met open ogen in, omdat ze allemaal bang waren voor oorlog. Daarom geloofden ze de Führers pleidooien voor vrede.

 

Sommige journalisten bekeerden zich na hun interview met Hitler zelfs tot het nazisme. Was dat door zijn charisma?

Branca: De kiem was bij de meesten al aanwezig. Maar op het moment waarop hun interview gepubliceerd werd, golden ze in hun eigen land nog als gerespecteerde reporters, zoals de Franse schrijver Alphonse de Châteaubriant. In 1911 won hij de Prix Goncourt voor zijn nog steeds lezenswaardige roman Monsieur des Lourdines. Hij stond bekend als een vrome katholiek, tot hij Hitler in 1938 ontmoette in diens buitenverblijf in Berchtesgaden. Aan het begin van de twintigste eeuw was Châteaubriant een groot verdediger van Alfred Dreyfus, de Joodse kapitein die er valselijk van beschuldigd werd een Duitse spion te zijn en die wereldberoemd werd door het pamflet J’accuse van schrijver Emile Zola. Na zijn interview met Hitler voor Le Journal beschouwde hij de Führer als de reïncarnatie van Jezus. In 1948 werd Alphonse de Châteaubriant als collaborateur bij verstek ter dood veroordeeld. Drie jaar later stierf hij in ballingschap in een klooster in het Oostenrijkse Kitzbühel.

Niet alleen oudere, conservatieve journalisten lieten zich door Hitler in de doeken doen, ook jonge progressievere collega’s zoals Elisabeth Sauvy alias Titaÿna raakten door hem betoverd. Zij mocht Hitler in januari 1936 uitgebreid interviewen in zijn werkkamer in de kanselarij in Berlijn. Ze was toen nog maar 38, en had van in de jaren twintig in Frankrijk een ijzersterke reputatie opgebouwd.

 

Zij was het prototype van de onverschrokken vrouwelijke sterreporter?

Branca: Ze had haar eigen vliegtuig waarmee ze op reportage trok naar verre oorlogsgebieden. In 1924 interviewde ze Kemal Atatürk en in ’35 Benito Mussolini. De hele Franse pers van die tijd vocht om haar artikels, interviews en reportages, van Le Matin, Lectures pour tous, Paris Match tot Paris-Soir. Zij wou per se Hitler interviewen omdat ze dacht dat hij een hartsgrondige hekel had aan Franse vrouwelijke journalisten. Tot haar grote verbazing wou hij haar toch ontvangen. Ook zij werd een bekeerlinge.

 

Door dat welbewuste interview?

Branca: Jawel. Haar interview een jaar eerder met Mussolini, die andere ‘grote dictator’ van die tijd, was uitgedraaid op een mislukking. Hij ontving haar zeer afstandelijk vanachter zijn bureau, met meters parketvloer tussen hen in. Hitler kwam haar met uitgestoken hand tegemoet. Hij kwam naast haar zitten, was één en al charme en dat werkte. In haar inleiding beschreef Titaÿna hem als ‘intelligent’ en ‘energiek’, als een ‘volksleider’ met ‘verleidingskracht’. In het echt was hij volgens haar helemaal niet die agressieve manipulator. Ze schreef ook over zijn opvallend blauwe ogen. Hitler loog er op los en zei dat geen haar op zijn hoofd eraan dacht een oorlog te beginnen. ‘Welke staatsman zou vandaag nog gewapenderhand zijn grondgebied willen uitbreiden?’, vroeg hij retorisch aan Titaÿna. ‘De menselijke logica verzet zich tegen territoriale oorlogvoering.’ Hij stelde zichzelf voor als de grote verzoener. Hij zei: ‘Het is mij er vooral om te doen dat de wereld gaat beseffen dat het idee van goede wil onder de volken moet leiden tot een samenwerking zonder verborgen agenda’s ten gunste van het welzijn van elk mens.’ Vijf weken later viel hij Frankrijk binnen. Om te kunnen liegen zoals Adolf Hitler, moét je wel een doortrapte charmeur zijn. Titaÿna ging volledig overstag. Tijdens de oorlog schreef ze antisemitische artikels in collaboratiekranten. Na de oorlog werd ze veroordeeld voor spionage.

_DSC0009

Slechts weinig journalisten stelden vragen over het lot van de Joden in Duitsland.

Branca: Ik vond het vreselijk om dat te moeten vaststellen. Alle vragen werden op voorhand door de persdienst van de nazi’s beoordeeld, waardoor lastige vragen in de prullenmand belandden. Maar blijkbaar had niemand de guts om tijdens het interview tóch zijn kritische geest te laten werken. Naderhand redigeerde Hitler de tekst persoonlijk. Dat ging heel ver. Titaÿna beschreef in november 1933 in Dimanche Illustré hoe haar interview ‘verbeterd’ werd. Ze zat in het vliegtuig van Berlijn naar Parijs en hoorde de boordtelex ‘continu ratelen’. Het was de Führer himself die correcties aan het sturen was: ‘Pagina zoveel, woord x vervangen door woord y. Regel zoveel schrappen.’

 

In uw boek blaast u ook het stof van de zeer lucratieve deal die het Amerikaanse persbureau Associated Press (AP) begin jaren dertig met de nazi’s sloot.

Branca: Op 4 oktober 1933 werd in Duitsland de Schriftleitergesetz van kracht, een nazi-wet die de pers zwaar aan banden legde. Voortaan was het correspondenten verboden teksten te publiceren die ‘de kracht van het Derde Rijk verzwakten’ en mochten media niet langer Joden in dienst hebben. Journalisten moesten van ‘Arische afkomst’ zijn en mochten niet getrouwd zijn met een Jood. Alle buitenlandse persagentschappen weigerden die wet te onderschrijven, behalve Associated Press. Het agentschap riep al zijn Joodse medewerkers in Duitsland zonder morren naar huis. Met als gevolg dat vanaf 1934 AP nog als enige buitenlandse persagentschap in Duitsland mocht werken. AP kreeg zo het monopolie in handen van verslaggeving over het Derde Rijk. Dat sterk gefilterde en gekleurde nieuws sluisde het vervolgens door naar krantenredacties over de rest van de wereld.

 

In feite was dat nazi-propaganda?

Branca: Zonder twijfel. Die werd vervolgens gepubliceerd in grote kranten en tijdschriften in de democratische landen. In de VS alleen al leverde AP aan 1400 nieuwskanalen. Tot de belangrijkste klanten van Associated Press behoorden het weekblad Life, maar ook The Washington Post en de Chicago Tribune. De man achter die deal was Louis Lochner, de directeur van de Duitse vestiging van AP. Hij was de voormalige secretaris van de notoire antisemiet Henry Ford. Bij het begin van WO II was Lochner de enige buitenlandse journalist die met het Duitse leger mocht meereizen. In 1939 kreeg hij een Pulitzer voor zijn verslaggeving vanuit Berlijn. Als de Duitsers in 1941 Rusland binnenvielen en massaal Joden afslachtten, was de correspondent van AP daar rechtstreeks getuige van, maar hij repte er met geen woord over. Hij berichtte wel uitvoerig over de Duitse slachtoffers van de Russen. Lochner volgde slaafs de richtlijnen van Joseph Goebbels en diens ministerie van Propaganda. Na de Amerikaanse deelname aan de oorlog, keerde hij in 1942 terug naar de VS. Maar de deal met de nazi’s bleef overeind. Lochner bezorgde de Duitsers interessant fotomateriaal van de geallieerden, in ruil voor interessant fotomateriaal uit het Derde Rijk. Zo kreeg AP na de aanslag op Hitler op 20 juli 1944 exclusief toegang tot de beelden van de ongedeerde Führer. In ruil leverde AP een maand later aan de Duitse pers foto’s van de schade die in Londen veroorzaakt werd door de V1-raketten. Na de oorlog was Lochner een gevierd oorlogscorrespondent. Hij gaf voordrachten, nam deel aan congressen en teerde op zijn succes tot zijn dood in 1975.

 

Decennialang wist niemand van zijn geheime deal?

Branca: Die kwam pas aan het licht in 2016 door onderzoek van de Duitse historica Harriet Scharnberg. De afspraken die Lochner met de nazi’s maakte, waren gewoon degoutant. Scharnberg publiceerde de contracten tussen AP en het ministerie van Propaganda van Goebbels op de website Zeithistorische-forschungen.de. Wat mij zo tegen de borst stoot, is dat het nieuws van die deal amper een rimpeling veroorzaakte. Binnenkort verschijnt de neerslag van het volledige onderzoek van Scharnberg, misschien dat er dan meer ophef volgt. Er komen gelukkig hier in Frankrijk meer reacties op mijn boek. Veel collega’s wisten niet dat illustere voorgangers zoals Bertrand de Jouvenel het nazisme omarmden. In februari 1936 publiceerde Jouvenel een uiterst kritiekloos interview met Hitler in Paris-Midi. Het lijkt eerder een hagiografie. In zijn inleiding beschrijft hij hoe de Führer blaakt van gezondheid: ‘Met zijn roze huid oogt hij sportief, iemand die veel frisse lucht krijgt. Zijn gezicht vertoont geen rimpels en ook geen spoor van fysieke of mentale vermoeidheid.’ Ook Jouvenel liet zich inpakken door Hitler en werd na publicatie van het interview hoofdredacteur van het weekblad van de fascistische partij PPF. Hij moet echt geloofd hebben dat Hitler een pacifist was, want toen de oorlog uitbrak, stapte hij gedesillusioneerd uit de PPF. Na de oorlog werd hij een alom gewaardeerd essayist, gespecialiseerd in economie en geschiedenis. Veel journalisten van mijn generatie dweepten met hem. Door mijn boek leren ze Jouvenels aangebrande verleden kennen en dat is een grote schok.

 

In uw boek vallen ook verschillende Angelsaksische journalisten van hun sokkel. Wordt het in het Engels vertaald?

Branca: Voorlopig niet. Blijkbaar is geen enkele Britse of Amerikaanse uitgever geïnteresseerd. Ik vind dat zeer merkwaardig. Naast de Nederlandse, komt er een Tsjechische, Roemeense, Duitse en misschien zelfs Chinese vertaling, maar geen Engelse.

 

Stel dat u in de jaren dertig journalist in Parijs was geweest. Had u de Führer geïnterviewd als de kans zich voordeed?

Branca: Ik denk het niet, want het was niet de bedoeling dat je als journalist ook nog eens vragen ging stellen. Een interview met Adolf Hitler was dus bij voorbaat zinloos. Een paar journalisten moet dat toch beseft hebben. Ik vermoed dat ze tóch naar Berlijn afreisden omdat ze nieuwsgierig waren. Ze wilden die man in levende lijve ontmoeten. Dat begrijp ik, want de leider van Duitsland was niet de eerste de beste. Maar als de voorwaarde is dat je kritische geest moet thuisblijven, ben je geen journalist meer, maar een propagandist.

 

Eric Branca, De vergeten gesprekken met Hitler, Polis, 320 blz., 25 euro

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

 

 

‘Het leek net een gevangenis’

Vijf weken lang ging journalist Jeroen van Bergeijk undercover in het distributiecentrum van webwinkel bol.com. ‘Met malafide huisvesting van goedkope werkkrachten wordt bakken geld verdiend’

De Nederlandse journalist Jeroen van Bergeijk las ontluisterende verhalen over de arbeidsomstandigheden in de Britse en Amerikaanse magazijnen van webwinkel Amazon. ‘De werknemers staan er onder extreem zware druk’, zegt hij. ‘Zo beschrijft de Britse journalist James Bloodworth in zijn boek Hired hoe ze strafpunten krijgen als ze ziek zijn, te laat komen of hun doelen niet halen. Van zodra ze een bepaald aantal punten verzameld hebben, vliegen ze eruit. Tijdens de werkuren mogen ze zelfs niet naar het toilet, waardoor sommigen noodgedwongen in plastic flessen plassen.’

Die keiharde werksfeer stond haaks op het coole imago dat Amazon bij Van Bergeijk had. ‘Ik bestelde al jaren online boeken bij the world’s largest bookstore. Ik ben ook een regelmatige shopper bij andere webwinkels, net zoals 96 procent van de Nederlanders van vijftien en ouder, en 89 procent van de Belgen.’ In 2018 voerden die Nederlanders 240 miljoen onlinebestellingen in en de Belgen 97 miljoen. In vergelijking met een jaar eerder vertegenwoordigde dat een groei aan online-uitgaven van 19 procent in Nederland en 12 procent in België. ‘Ik vroeg me af wat de gevolgen van onze collectieve verslaving aan internetshoppen zijn voor de werksfeer bij bol.com, “de winkel van ons allemaal”.’

Dus solliciteerde Jeroen van Bergeijk voor een job als magazijnier. Vijf weken lang ging hij undercover in het distributiecentrum van bol.com in het Nederlandse Waalwijk. In zijn boek Binnen bij bol.com brengt hij verslag uit van zijn korte loopbaan bij de webwinkel en van zijn verblijf op vakantiepark De Droomgaard, waar veel Oost-Europese werknemers van het distributiecentrum wonen.

Jeroen van Bergeijk: ‘De voorbije jaren schoten langs de Nederlandse snelwegen de grote anonieme distributiecentra als paddenstoelen uit de grond. Vooral in onze provincies Brabant en Limburg staat het ene raamloze gebouw naast het andere. Het zijn net immense dozen en je kan niet zien wat er binnen gebeurt. In Noordwest-Europa is Nederland kampioen in dat soort distributiecentra. Volgens de laatste tellingen staan er hier 1999 stuks.’

 

België ligt voor grote webwinkels strategisch even interessant als Nederland, en toch delven wij het onderspit. Hoe komt dat?

Van Bergeijk: Omdat jullie lonen hoger liggen, maar ook omdat nachtwerk in België strenger gereguleerd is. ‘Vóór 23.59 uur besteld, morgen in huis’, kunnen Belgische webwinkels veel moeilijker garanderen dan Nederlandse. De flexibilisering van de arbeidsmarkt is bij ons meer doorgeschoten dan bij jullie. Nederland staat traditioneel ook heel sterk in logistiek, transport én in handeldrijven. Internationale bedrijven kiezen daarom vaak voor dit land. Ze bouwen hun distributiecentra aan de Belgische grens om zo ook makkelijk jullie te kunnen bedienen. Volgens de Ecommerce Foundation winkelt liefst 56 procent van de Belgen online over de grens, meer bepaald in Nederland. Het magazijn van bol.com beslaat 42.000 vierkante meter, of acht voetbalvelden, en staat in een bedrijvenpark in Waalwijk, vlakbij de autosnelweg. Het ligt op een boogscheut van de Efteling en een half uurtje rijden van de grens.

 

Het magazijn zelf is toch geen eigendom van bol.com?

Van Bergeijk: Dat klopt, via uitzendkantoor Tempo-Team werkte ik voor Ingram Micro, het bedrijf dat voor bol.com de logistiek verzorgt. En toch blijf ik consequent zeggen: bol.com. Ze nemen er de verantwoordelijkheid niet voor, terwijl ik in de retourafdeling enkel pakjes van bol.com zag passeren. De officiële uitleg voor die opsplitsing is dat bol.com doet waarin het goed is: de webwinkel, en dat Ingram Micro zich bezighoudt met zijn specialiteit: de logistiek.

 

U bent 52 en werd probleemloos aangenomen.

Van Bergeijk: Laat het een geruststelling zijn dat je als werkloze vijftigplusser toch nog bij bol.com aan de slag kunt. Voor ik het goed en wel doorhad, was ik al aangenomen. (lacht) Het uitzendbureau organiseerde in het najaar van 2018 een ‘open dag’ bij Ingram Micro. Ik vond die ‘open dag’ een goede gelegenheid om dat magazijn te verkennen en had niet door dat het in werkelijkheid een sollicitatie was. Na de rondleiding vroegen ze: ‘Wanneer kun je beginnen?’

 

U verdiende 10 euro bruto per uur, 80 cent boven het Nederlandse minimumloon.

Van Bergeijk: Het is slecht betaald werk, in niet al te beste arbeidsomstandigheden. Daarom ook tref je er amper Nederlanders aan.

 

Klopt mijn indruk dat Ingram Micro en bol.com liefst geen Nederlandse werknemers hebben?

Van Bergeijk: Officieel willen ze dolgraag Nederlanders in dienst nemen, de werkelijkheid is anders. Ik stond op twee afdelingen: bij de retouren en orderpicking. Op de afdeling retouren werkten enkel mensen die Nederlands spraken. Zij moesten kunnen lezen waarom mensen een artikel terugstuurden. Maar dat eilandje is niet representatief voor de rest van het bedrijf. De afdeling orderpicking is dat wel: 95 procent is arbeidsmigrant. De meesten komen uit Oost-Europa.

 

Volgens de overheid zorgen flexibiliteit en lage lonen ervoor dat ook laaggeschoolden aan de slag kunnen.

Van Bergeijk: Dat klinkt leuk, maar in de praktijk klopt het niet. Distributiecentra zoals Ingram Micro worden gebouwd op plaatsen die alleen met de auto toegankelijk zijn. De werktijden zijn zo flexibel dat een normaal sociaal leven onmogelijk is. Nederlanders willen daar niet werken. Dus importeren ze goedkope arbeid uit Oost-Europa. Natuurlijk hebben die mensen recht op werk, maar dat was niet de bedoeling van de door de overheid toegelaten flexibiliteit. De uitzendbureaus en de bazen van bol.com beweren dat die arbeidsmigranten na verloop van tijd allemaal terugkeren. Dat blijkt niet uit de statistieken. Een derde keert na zes maanden terug, een derde blijft langer en het laatste derde wil zich hier permanent vestigen.

 

Als die mensen integreren, is er toch geen probleem?

Van Bergeijk: Dat is zo, en in Europa mogen mensen vrij bewegen. Maar toch is er bij de Nederlandse bevolking, en misschien ook bij de Belgische, groeiende bezorgdheid over het aantal Oost-Europeanen dat hier neerstrijkt. Dat kan best ten onrechte zijn, maar een van de redenen waarom Britten voor de brexit stemden, was net de angst voor Oost-Europa. ‘Ze pikken onze banen in.’ Je hoort daar nu ook echo’s van bij ons.

 

U ging in de buurt van Waalwijk op zoek naar een tijdelijke woonst en kwam terecht in een chalet in ‘De Droomgaard’ in Kaatsheuvel, bijgenaamd de ‘bol.com-camping’.

Van Bergeijk: Ik verwachtte de grootste misstanden te zullen aantreffen op de werkvloer, maar dat was minder erg dan gedacht. Het échte schandaal is de huisvesting van de mensen die bij bol.com aan de slag zijn. Het is sowieso lastig om in Nederland een huis te vinden, maar voor arbeidsmigranten is het nog iets moeilijker. Zij komen op de rottigste plekken terecht, zoals aftandse vakantieparken, campings en de zogenaamde Polenhotels. Dat zijn kantoorgebouwen die uitzendbedrijven verbouwd hebben tot tijdelijke woonruimten. De huur wordt door het uitzendkantoor ingehouden van het salaris en met die malafide huisvesting wordt bakken geld verdiend.

Het is een kwalijke zaak dat zowel werk als onderdak geregeld wordt door één en dezelfde partij. De meeste werknemers bij Ingram Micro, maar ook bij vele gelijkaardige distributiecentra, zijn van Poolse origine. Het Nederlandse uitzendbureau heeft in Polen een vestiging en rekruteert mannen en vrouwen met de belofte dat ze in Nederland goed betaald zullen worden. ‘Je zal veertig uur moeten werken en wij zorgen voor een huis.’ Het uitzendbureau huurt vervolgens chalets op een vakantiepark en stoppen die vol Poolse werkkrachten. Van zodra een Poolse werknemer ontslagen wordt, wordt hij onmiddellijk uit zijn ‘huis’ gezet. Veel mensen worden zo dakloos. Wie niet ontslagen wordt, blijft compleet afhankelijk van het uitzendbureau.

 

U schrijft dat er een parallelle, ‘onzichtbare’ samenleving is ontstaan.

Van Bergeijk: Dat is niet alleen zo in Nederland, maar in heel West-Europa. Duizenden Oost-Europese arbeidsmigranten komen in de problemen op het moment dat ze door hun werkgever gedumpt worden en tezelfdertijd hun huis verliezen. Sommigen zaten al in een moeilijke situatie thuis in Polen, maar hier in Nederland zijn ze dan nog eens volledig afgesneden van vrienden en familie.

 

U maakte niet bekend dat u journalist bent. Volgens de journalistieke deontologie is undercoverjournalistiek pas toegestaan als informatie niet op een andere manier verkregen kan worden en het maatschappelijk belang dat verantwoordt. Dat was nu zo?

Van Bergeijk: In principe ben ik het eens met de regel dat je jezelf altijd als journalist bekend maakt. Maar door scha en schande heb ik geleerd dat ik dan niet altijd het hele plaatje krijg. Ik vind het ook belangrijk om iets zelf aan den lijve te ervaren. Zo kan ik een beter verhaal schrijven. Dat lukt alleen undercover. Dit is niet mijn eerste undercoveroperatie; ik was eerder chauffeur bij Uber. Ik solliciteer altijd onder mijn eigen naam en plak geen valse snorren op. Ik laat wel dingen weg uit mijn CV.

 

’s Morgens moest u aan de ingang van het magazijn al uw bezittingen in een kluisje achterlaten en ’s avonds moest u door een bodyscanner.

Van Bergeijk: Je mocht niets mee naar binnen nemen, want al die spullen verkopen zij ook. Geen horloge, telefoon, petje, halsketting, hoofddoek, ring of piercing. We kregen een soort uniform: een zwart T-shirt. De baasjes boven ons droegen een groen T-shirt. De baasjes boven hen hadden dan weer een andere kleur, en zo kon je aan de kleur van het shirt zien wie waar in de hiërarchie zat. Die bodyscanner vond ik vernederend. Ze bespeurden dan een propje papier in je broekzak en vervolgens moest je al je zakken leegmaken. ’s Avonds stonden we voor die controle eindeloos in de rij. Het leek net een gevangenis.

 

Beleefde u zware tijden op de afdeling retouren?

Van Bergeijk: Ik trof daar geen wantoestanden aan zoals bij Amazon. Ik mocht zoveel naar het toilet als ik wou, de werkdruk viel mee en de rechtstreekse bazen waren best aardig. Maar ik stond te kijken van de hoeveelheid pakjes die bol.com terugkrijgt. De klanten retourneren gigantisch veel.

 

Volgens bol.com wordt amper 4,7 procent van de verkochte artikelen geretourneerd.

Van Bergeijk: Mijn ervaring is dat het veel meer is, maar natuurlijk is dat enkel gebaseerd op wat ik op mijn plek te verwerken kreeg. Bol.com beweert dat de meeste geretourneerde goederen zo de schappen weer in kunnen. Dat is niet zo. Ik vond het ontluisterend hoe consumenten op grote schaal de webwinkel proberen tillen, en er nog makkelijk mee wegkomen ook. Binnen dertig dagen mag je elke aankoop terugsturen. Er worden geen vragen gesteld en je krijgt zo je geld terug. Ik trof stofzuigers met propvolle zakken aan. Klanten stofzuigden er een maand mee en stuurden hem net voor de vervaldatum terug. Ik zag schuurmachines vol bouwstof. Er kwamen seksspeeltjes binnen die na intensief gebruik niet gereinigd waren. Of bladblazers in dozen waar de herfstbladeren uit dwarrelden. Ik zou wel eens willen weten wie die mensen zijn.

 

U was één van hen.

Van Bergeijk: Jawel, maar dat was omdat ik niet kon geloven dat je daarmee kon wegkomen. Dus bestelde ik een scheerapparaat bij bol.com, scheerde me daar een week mee, en stuurde het inclusief baardhaartjes terug. Een paar dagen later werd het aankoopbedrag netjes teruggestort. De werkschoenen die ik bij bol.com kocht om bij bol.com te werken, stuurde ik na een maand ook terug. Die werden ook keurig terugbetaald. (lacht)

 

U ging regelmatig bij uw collega ‘Moeilijke Gevallen’ klagen over retouren die er volgens u frauduleus uitzagen, maar u ving bijna altijd bot.

Van Bergeijk: Als je een dure iPhone koopt en een week later het lege doosje terugstuurt, krijg je je geld niet terug. Dat is onbetwistbaar fraude. Maar er waren heel wat grensgevallen die zonder verpinken aanvaard werden. Zo kreeg ik op een dag een speelgoedracebaan op mijn tafel waarin de auto’s van Max Verstappen en Lewis Hamilton de hoofdrol speelden. De doos was gehavend en de onderdelen waren er van ver in gegooid. Het autootje van Max Verstappen ontbrak. Een overduidelijk geval van diefstal vond ik, dus stapte ik naar ‘Moeilijke Gevallen’. Mijn collega checkte de prijs: 44,99 euro. ‘Voor alles onder 50 euro schakelen we de fraudeafdeling niet in’, zei ze. Retour aanvaard en de doos vertrok richting opkoper. Als eerlijke burger vond ik het demotiverend dat mensen daarmee wegkomen.

 

Zowat alle geretourneerde producten verdwijnen richting ‘opkoper’. Wie is dat?

Van Bergeijk: Dat zijn bedrijven, gespecialiseerd in het opkopen van afgeschreven troep van webwinkels. Vandaag is dat aan het uitgroeien tot big business. Nederlanders zijn schaatsgek en van zodra het begint te vriezen bestellen ze schaatsen bij bol.com. Net geen dertig dagen later sturen ze hun schaatsen terug. Het aankoopbedrag wordt teruggestort en de gigantische hoeveelheid flink ingereden schaatsen vertrekt voor een spotprijs richting opkoper. Hij verkoopt ze door via sites als Marktplaats.nl.

Bol.com is niet de enige webwinkel die gratis retourneren aanbiedt. Ze doen het quasi allemaal en het levert onwaarschijnlijk veel verspilling op. Bij sommige winkels wordt de helft, of zelfs meer, teruggestuurd.

 

U wou orderpicker worden, terwijl u het relatief goed had bij de retouren.

Van Bergeijk: Retouren bleek een eilandje te zijn van Nederlanders die het onderling netjes geregeld hadden. Ik merkte dat het er bij orderpicking iets minder leuk aan toeging. Dus deed ik mijn uiterste best om overgeplaatst te worden. Maar dat viel niet mee. Ze vonden het raar dat ik dat per se wou. ‘Orderpicking is toch niets voor jou?’ Uiteindelijk lukte het, en de sfeer was totaal anders. De bazen waren Polen of andere Oost-Europeanen. Er werd keihard gewerkt en de druk lag extreem hoog. Elke dag hingen er lijsten uit met de scores van de vorige dag: hoeveel producten je had ‘gepickt’ en je ratio. Gemiddeld moest je drie items per minuut halen. Bovenaan prijkten altijd Poolse namen, met scores tussen de 3 en de 5. Mijn beste score ooit was 1,4.

 

Hingen daar consequenties aan vast?

Van Bergeijk: Dat vroeg ik aan mijn collega’s. De meeste mensen die er wat langer werkten, haalden hun targets. ‘Je moet wel heel dom zijn als je dat niet lukt’, zeiden ze. Tja, ik haalde ze dus niet. (lacht) Ik heb er niet lang genoeg gewerkt om te weten te komen wat de consequenties zouden kunnen zijn. Het verloop was enorm hoog en er hing een angstige sfeer. ‘Doorlopen, doorlopen, sneller, sneller…’ We wisten nooit van tevoren wanneer en hoe lang we moesten werken. Soms was het van zes tot twee, gevolgd door een dag van twaalf uur. Het werkschema veranderde continu, waardoor je in je privéleven niets meer geregeld kreeg. Op zaterdagochtend wist je pas hoe de volgende maandag eruitzag. Uitblinkers kregen na verloop van tijd een vast contract en een min of meer werkbaar uurrooster, maar zij waren de uitzonderingen. De ‘flexibele schil’ zoals dat in Nederland met een eufemisme heet, is bij bol.com compleet doorgeslagen.

 

Het is het wilde westen?

Van Bergeijk: Ja. De filosofie is: ‘Als morgen de zon schijnt, bestelt iedereen barbecues en hebben we meer mensen nodig.’ Het onlinekoopgedrag is zo grillig dat complete flexibiliteit blijkbaar een absolute noodzaak is. Dat heeft natuurlijk ernstige gevolgen voor de mensen die er werken.

Weet u waar ik me het meest zorgen over maak? Over het feit dat we door de digitalisering nu continu op het werk in de gaten worden gehouden. Als Uber-chauffeur kreeg ik voor elk ritje een beoordeling van de klant. De cijfers die zij me gaven, hadden meteen gevolgen voor mijn inkomen. Toen mijn rating zakte, kreeg ik geautomatiseerde mailtjes van Uber. ‘Als het niet snel beter wordt, mag je vertrekken.’ De klant was mijn supervisor. Ook bij Ingram Micro werd alles geregistreerd en in de gaten gehouden. Het gevolg is dat mensen zich als robotten beginnen gedragen.

 

Wat natuurlijk de bedoeling is.

Van Bergeijk: Precies. Ik begrijp waarom, want alles moet zo efficiënt mogelijk. Het verzenden van een pakje mag zo goed als niets kosten, dus moet er snel en foutloos gewerkt worden. Liefst tegen het laagst mogelijke loon, want de prijs moét gedrukt worden. Ik vraag me alleen af of extreme controle ook echt iets oplevert. De gevolgen voor de werknemers zijn niet van de poes. Ik geloof dat mensen juist beter presteren als ze verantwoordelijkheid krijgen en niet continu op de vingers worden gekeken.

 

Maar het uiteindelijke doel is: ze vervangen door echte robots.

Van Bergeijk: In die fase zijn we inderdaad aanbeland. De kostprijs voor menselijke arbeid blijft min of meer gelijk, die voor robotarbeid daalt. In sommige branches zijn robots inmiddels goedkoper en daar is de vervanging volop bezig. De bazen bij Uber zeggen luidop: ‘Wij werken aan de zelfrijdende auto. Mensen moéten eruit.’ Zo’n samenleving wil ik niet.

 

Jeroen van Bergeijk, Binnen bij bol.com, Querido Fosfor, 136 blz., 15 euro

 

Jeroen van Bergeijk

1967 Geboren in het Nederlandse Naaldwijk

1995 studeert af in sociale geografie, sociologie, communicatiewetenschap en journalistiek

1996-2002 werkt als journalist in New York

2003 debuteert als schrijver met U.S.1 – Amerika na 11 september en maakt sindsdien reportages en documentaires voor de Nederlandse radio en televisie,

2018 ging undercover bij Uber als chauffeur en schreef daarover Uberleven (2018)

 

Bol.com reageert: ‘Veel mensen kiezen bewust voor flexibiliteit’

‘We hebben niets te verbergen’, zegt Marjolein Verkerk, woordvoerster van bol.com. ‘Na zijn undercoveroperatie hebben we met Jeroen van Bergeijk een goed gesprek gevoerd. Hij geeft toe dat de arbeidsomstandigheden veel beter zijn dan hij had verwacht.’

 

Een van zijn bevindingen is dat de flexibiliteit in jullie magazijn doorgeslagen is.

Marjolein Verkerk: Veel mensen kiezen net bewust voor dit werk vanwege de flexibiliteit. Dat is hen op voorhand bekend.

Het fysieke werk in een distributiecentrum is niet hetzelfde als een administratieve kantoorjob. Onze werknemers krijgen geen hogere targets opgelegd dan nodig.

 

Er werken voornamelijk Oost-Europeanen.

Verkerk: Er werken dertig verschillende nationaliteiten. We zoeken eerst altijd mensen die in de buurt wonen. Als dat niet lukt, kijken we verder in Nederland én in België. Pas dan zoeken we in andere delen van Europa. Daar kunnen ook Oost-Europeanen bij zijn. De werknemers in ons magazijn zijn niet in dienst van bol.com. We werken daarvoor samen met Ingram Micro; zij sturen de dagelijkse logistieke operaties aan en zorgen voor alle personeel, waaronder uitzendkrachten.

 

Buitenlandse uitzendkrachten krijgen onderdak op campings?

Verkerk: De huisvesting verloopt via Ingram Micro en de uitzendkantoren. Zij kunnen u meer vertellen over de details. Het kan zijn dat mensen tijdelijke woonruimte krijgen. Dat hangt af van de afspraken die met hen gemaakt worden.

 

Jeroen van Bergeijk noemt het een kwalijke zaak dat zowel werk als onderdak geregeld wordt door één en dezelfde partij. De huur wordt rechtstreeks van het loon afgehouden. Als iemand ontslagen wordt, is hij meteen zijn huis kwijt. Vindt bol.com die regeling oké?

Verkerk: We spreken daar regelmatig over met onze partners én met de gemeente Waalwijk. We vinden het belangrijk dat er bij de huisvesting op een juiste manier met mensen wordt omgegaan. We houden dit dan ook kritisch in de gaten.

 

Volgens Van Bergeijk zorgt het toeschietelijke retourbeleid van bol.com voor verspilling.

Verkerk: Bij ons komen echt maar enkele procenten retour. Maar als je tien miljoen klanten hebt, zijn dat natuurlijk veel pakketten. Gemakkelijk retourbeleid is voor veel mensen een voorwaarde om online te kopen. Naar een fysieke winkel mag je ook producten terugbrengen als je niet tevreden bent. Alles wat bij ons terugkomt, wordt niet verspild en verdwijnt in de voorraad. Dozen die wel zijn opengemaakt, gaan naar een partner die tweedehands verkoopt, of schenken we aan een goed doel.

 

(c) Jan Stevens

‘De klimaatcrisis drukt ons met onze neus op een nieuwe tijd’

In het vuistdikke Leven in het nu geeft zenboeddhist Tom Hannes inkijk in zijn ‘flinterdunne filosofie van het bestaan’. ‘Laat de temperatuur vijf graden stijgen en we zitten tot over onze oren in de ellende. Maar dat besef van de flinterdunheid van ons leven lijkt ons niet eens te raken. Ik vind dat onbegrijpelijk.’

Vijftien jaar lang leefde Tom Hannes als zenmonnik, ‘inclusief kaalkop en urenlang mediteren’. In 2011 gooide hij zijn monnikenkleed over de haag, stichtte een gezin en startte een gesprekspraktijk met wortels in de zenboeddhistische psychologie. Hij schreef een paar dunnere boeken over zenboeddhisme en stond bij een tributeband op het podium als David Byrne, David Bowie en Lou Reed. Oorspronkelijk was hij van plan om opnieuw een dun boekje te schrijven. ‘De titel luidde: De flinterdunheid van het bestaan’, zegt hij. Eindigen deed hij met Leven in het nu, een turf van bijna 450 bladzijden, waarin hij op zoek gaat naar zingeving in turbulente tijden.

De flinterdunheid van het bestaan laat zich niet in een flinterdun boekje vatten?

Tom Hannes: Misschien wel, maar gaandeweg merkte ik dat die flinterdunheid op veel meer terreinen een rol speelde dan ik eerst dacht. Ik stond voor de keuze: ofwel beperkte ik me tot de essentie en schreef ik een beknopte inleiding tot flinterdun in het leven staan, ofwel schreef ik de klepper die hier nu op tafel ligt. De complexe realiteit dwong me tot het schrijven van dit dikke boek. Want in zowat alle aspecten van ons bestaan is de nood groot aan die filosofie van de flinterdunheid.

 

Leven in het nu wordt dé filosofie voor de 21e eeuw?

Hannes: Die pretentie heb ik niet. Maar vandaag worstelen we wel met heel wat urgente problemen die we met onze oude, versleten manier van denken proberen op te lossen.

 

Die oude manier van denken noemt u: het ‘dieptedenken’. Wat is dat precies?

Hannes: Met ‘dieptedenken’ bedoel ik niet de onderliggende structuren die aan de grondslag van verschijnselen liggen, zoals de appel die valt door de zwaartekracht. Wel de wijdverspreide aanname dat er een diepere absolute waarheid schuilgaat onder onze feitelijke ervaring van de realiteit. Die diepere waarheid hebben we dan nodig om ons leven zinvol te laten zijn.

 

Wat is daar mis mee?

Hannes: Als literatuurstudent las ik het razend interessante boek The discarded image van C.S. Lewis. Het is een inleiding in de middeleeuwse Engelse literatuur, met een lang hoofdstuk over de middeleeuwse kosmologie. Eén paragraaf sloeg bij mij in als een bom: die over het nijpende theologische vraagstuk van de rondzwierende God. Voor mij is dat hét voorbeeld van waar dieptedenken toe leidt. De middeleeuwers waren ervan overtuigd dat de aarde in het midden van een netjes geordend heelal hing. Daarrond bevonden zich een aantal concentrische sferen. De sfeer van de maan vormde de grens tussen chaos en harmonie. Boven de maan bevonden zich de steeds volmaakter wordende planeten, sterren en engelen. Helemaal bovenaan verbleef de perfect volmaakte God. De sferen draaiden rond hun middelpunt, met als logisch gevolg: hoe hoger de sfeer, hoe sneller ze rond de aarde draaide. De nabije maan draaide betrekkelijk traag; de sterren van de buitenste sferen supersnel. De engelen en God zwierden dus in hun allerhoogste sferen aan een rotvaart om ons heen. Dat was een groot probleem, want het kon niet dat God, de Volmaakte, zo onwaardig snel rond ons vloog. Het idee ‘God’ was too big to fail en moest tegen elke prijs gered worden. Dus werd er een mouw aan gepast: in fysische zin bleef de aarde in het midden staan, maar in spirituele zin stond God voortaan centraal. Zijn waardigheid was gered. Wij kunnen vandaag eens goed met die onhandige oplossing van de middeleeuwers lachen, alleen brengen we het er even bekaaid van af. Want wij hanteren nog steeds een identieke vorm van dieptedenken.

 

Tegenover het dieptedenken plaatst u het ‘dunheidsdenken’. Wat houdt dat in?

Hannes: De basis van de flinterdunheid ontleen ik uit het boeddhisme: de zogenaamde drie kenmerken van elk verschijnsel. Ten eerste zijn alle verschijnselen compleet vergankelijk. Denk aan de regendruppel die voor je ogen op grond uiteen spat. Of aan je stemming van vanochtend; die is inmiddels vervangen door een geheel andere.

Ten tweede zijn alle verschijnselen radicaal afhankelijk: niets is compleet autonoom, alles heeft een context. Als het klimaat een paar graden warmer wordt, heeft dat ingrijpende gevolgen voor de landbouw en onze voedselvoorziening.

Last but not least: alle verschijnselen zijn onvermijdelijk onbevredigend. In plaats van op zoek te gaan naar die ‘eeuwige’, ‘diepe’ of ‘ware’ authenticiteit, kijken we die onbevredigendheid beter recht in de ogen.

 

Is flinterdunheid synoniem voor het weg relativeren van alles?

Hannes: Nee, het is er net het tegendeel van, want in de flinterdunheid wordt alles belangrijk. Als er slechts één absolute waarheid is, verliest al de rest aan belang. Maar als àlles vergankelijk is, verdwijnt de hiërarchie en kunnen we meteen ook beter zorg dragen voor alles, zoals bijvoorbeeld voor onze leefomgeving. In de flinterdunheid is er nu eenmaal niets anders dan de vergankelijke dingen.

 

Ik kan me voorstellen dat veel mensen niet graag afscheid nemen van hun diepe overtuigingen.

Hannes: Mijn uitgever zei: ‘Na dit boek wordt iedereen kwaad op je.’ Ik hoop van niet. Net het dieptedenken is ontwrichtend en ligt aan de basis van veel maatschappelijke problemen. Maar we durven het niet loslaten uit angst dat we dan nihilistisch zullen worden. Ik verwijderde bij mezelf het dieptedenken met wortel en tak en ik werd allesbehalve nihilistisch. En ik ben niet de enige die het dieptedenken vaarwel zei. De wetenschap dat alles gedoemd is te verdwijnen, inclusief ons authentieke ik, geeft ons rust. Het wordt dan veel makkelijker om geëngageerd en liefdevol in het leven te staan.

 

Het besef dat alles eindig is, kan ook een ernstige depressie opleveren.

Hannes: Daar is geen enkele reden voor. Wie daar wel depressief door wordt, is een dieptedenker in rouw. Hij is bang niet verder te kunnen zonder diepte. Er zijn allerlei oorzaken voor depressie, maar de flinterdunheid is er geen van.

 

Zelf bent u zenboeddhist.

Hannes: Tot 2011 was ik zelfs zenmonnik. Ik ben geboren in 1970 en werd mild katholiek opgevoed. In de jaren tachtig gingen alle grote verhalen op de schop. Tezelfdertijd zocht iedereen alternatieven. Ik voelde me op dat moment aangetrokken door de new age. Tot ik me daar op mijn negentiende serieus in begon te verdiepen en moest vaststellen: ‘Wat een onzin.’ (lacht) In die periode ontdekte ik het zenboeddhisme; dat zat vol vitaliteit en kracht en was andere koek dan die zweverige esoterie.

 

Eén van de pijlers van het boeddhisme is de reïncarnatietheorie: de eeuwigdurende cyclus van dood en geboorte, tot het nirwana bereikt wordt.

Hannes: Dat is een van die dieptewaarheden waar ik afscheid van genomen heb, net zoals de meeste westerse boeddhisten. Maar je mag niet uit het oog verliezen dat het de bedoeling is van het traditionele boeddhisme om reïncarnatie te stoppen. De wedergeboorte is een beeld van de kosmische zinloosheid van het bestaan.

 

Is ook uw boek een visie op hoe we best met de zinloosheid van ons bestaan omgaan?

Hannes: Daar komt het wel op neer. De titel ‘Leven in het nu’ lijkt naadloos aan te sluiten bij zoveel andere in boekvorm verschenen pleidooien om het bestaan te aanvaarden zoals het is. Want: ‘Dan komt alles in orde.’ Vergeet het. Die titel is een plaagstoot: mijn boek is net een pleidooi tégen dat soort van pseudo-mystieke aanvaarding. Ja, neem eerst de tijd om goed te kijken naar wat er aan de hand is. Maar wie écht aanvaardt, blijft daarna niet bij de pakken neerzitten. Na een rondje aanvaarden, grijp je dus maar best in en tracht je de toestand te verbeteren. In weerwerk bieden zijn we trouwens bijzonder goed.

 

Net zoals de Griekse mythische held Hercules, die met zijn twaalf werken het heft in eigen handen nam, en een rode draad vormt in uw boek?

Hannes: Ik heb veel sympathie voor het idee van ‘heldhaftigheid’, voor het trotseren van de gevaren. De oeroude mythische figuur van Hercules spreekt in alle tijden tot de verbeelding. In mijn boek gebruik ik hem als symbool voor de naar zin zoekende mens. In de loop van de geschiedenis werd hij steeds anders ingevuld. De oudste Hercules is de tragische mythologische held. Vervolgens bedachten de Griekse filosofen de denkende Hercules op de tweesprong, die in de vroege moderne tijden een populair thema voor schilders werd. Voor onze tijd koos ik Hercules Farnese van Jeff Koons. Dat beeld symboliseert voor mij de vraag: wat is onze tijd? Kunnen we oude ideeën blijven kopiëren en herkauwen of hebben we iets helemaal anders nodig? Staan we voor ‘the dawn of a new era’?

 

Een new age, dus?

Hannes: Dat is gemeen. (lacht) Oké, maar dan niet de esoterische new age van het Watermantijdperk. Of we het nu willen of niet, de klimaatkwestie drukt ons met onze neus op die andere tijd. Dat is iets gloednieuws. Onze wapens uit het verleden zullen niet volstaan om alles wat er op ons afkomt goed aan te pakken. En het begint zeer dringend te worden.

 

Die nieuwe tijd wordt apocalyptisch?

Hannes: Hopelijk niet. De klimaatverandering is ontegensprekelijk ons grootste probleem. Ik vond de reacties van de politieke klasse op de klimaatmarsen van de scholieren verrassend krampachtig. Conservatieve politici vroegen de spijbelende jongens en meisjes om vooral toch goed wiskunde te studeren. Sommige progressieve collega’s reageerden minstens even geïrriteerd. Een socialistisch kopstuk vond het na twee marsen wel genoeg. Zij wou eerst de mensen doen groeien, en pas dan de bomen. Zowel onze linkse als rechtse partijen wortelen in dezelfde oude dieptelogica: de economie is de essentie en al de rest is bijzaak. Wij hebben de natuur uit ons hart verbannen, terwijl het klimaatprobleem van ons eist dat we het ecologische eindelijk ernstig nemen. Zonder die natuur stellen we niets voor. De scheten van onze veeteelt volstaan al om de atmosfeer te verzieken. Laat de temperatuur vijf graden stijgen en we zitten tot over onze oren in de ellende. Maar dat besef van de flinterdunheid van ons leven lijkt ons niet eens te raken. Ik vind dat onbegrijpelijk.

 

Zolang door de klimaatverandering ons comfort niet al te zeer in het gedrang komt, steken we onze koppen liever in het zand?

Hannes: Dat speelt wellicht mee, maar waarom vinden we het wél vanzelfsprekend om zin te zoeken in een extreem veeleisende job en niet in de zorg voor onze natuurlijke biotoop? Omdat we zingeving verengd hebben tot iets tussen het individu en de ‘diepere waarheid’. In onze contreien was dat lange tijd God. Mede onder invloed van het vroege protestantisme zijn we beginnen denken dat het hebben van een succesvolle baan een teken is dat God ons uitverkoren heeft. God is er intussen stilletjes tussenuit gemuisd, maar het diepte-idee ‘ik heb succes, dus ik ben het bestaan waard’ bleef overeind. Wie geen succes heeft, zit zelfs met een probleem en sommigen moeten in therapie om hun ware passie te vinden. In dit alles fungeert de natuurlijke wereld hooguit als zielloos decor. Dat maakt ons miserabel.

 

Is de natuur niet eerder herleid tot die plek waar de mens het rentmeesterschap over heeft?

Hannes: Het rentmeesterschap deugt niet als de rentmeester zich niets aantrekt van de staat van het gebied dat hij onder zijn hoede heeft. In verschillende religieuze tradities geldt het ideaal: ‘Ik leef wel in de wereld, maar ben niet van de wereld.’ Dat hoor je zowel in christelijke, als in boeddhistische middens. ‘Ja, we zijn hier op aarde en moeten elkaar helpen, maar we zijn niet van deze wereld. We overstijgen ze.’ Zo wordt ‘de wereld’ herleid tot iets wat wezenlijk niet de moeite waard is. Maar als je flinterdun in het leven staat, ervaar je aan den lijve dat de natuurlijke én sociale wereld een ontzagwekkende grond van ons bestaan is, en dus een bron van zin en engagement.

 

Dat klinkt als romantische indianenwijsheid voor de 21e eeuw.

Hannes: Toch is het dat niet. Tijdens de godsdienstlessen op school hoorde ik de beroemde ecologische toespraak van indianenopperhoofd Chief Seattle uit 1854. Hij had het over ‘moeder aarde’, ‘zuster hemel’ en ‘broeder arend’. Tot vandaag geldt die toespraak inderdaad als blijk van oude indianenwijsheid. Alleen is hij in 1972 bedacht door de Amerikaanse scenarist Ted Perry voor de film Home. De historische Chief Seattle hield wel degelijk een speech, maar om de Amerikaanse regering te bedanken voor de flinke som geld die zijn stam voor hun land gekregen had.

Natuurlijk hebben de natuurvolkeren een waardevolle schat aan oude wijsheid, maar we kunnen niet terug in kleine stammen gaan leven. Toch moeten we een manier vinden om de aarde opnieuw te eren. Maar dan niet zoals een zeemzoete moeder, want ‘moeder aarde’ is ook een plek waar gruwelijke dingen plaatsvinden.

 

Hoe dan wel?

Hannes: Ik kan niet zeggen dat ik in mijn boek oplossingen aanlever. Ik beschrijf voornamelijk de wortels van ons dieptedenken en hoe we op een flinterdunne manier in de breedte kunnen vinden wat anderen in de diepte zoeken. Ik hoop dat ik erin slaag de woordenschat aan te reiken om flinterdun naar de werkelijkheid te kijken. En misschien zitten er ook een paar tips in om het daadwerkelijk anders aan te pakken. Verlichting, bevrijding, zingeving, authenticiteit, verbinding: al die grote verzuchtingen kun je vinden door de oppervlakkigheid te omarmen. Met ’oppervlakkigheid’ bedoel ik: durven toekomen met de verschijnselen zoals ze zich aandienen.

 

Bent u optimistisch over de toekomst?

Hannes: (lange stilte) Soms. Tijdens het schrijven van het hoofdstuk over ecologie, heb ik drie weken niet geslapen. Tezelfdertijd is 2019 een opmerkelijk jaar. Tot eind vorig jaar besteedden de media meer aandacht aan het voetbalschandaal dan aan de klimaatcrisis. Toen kwamen die scholierenopstanden, waardoor het klimaat plots in het middelpunt van de belangstelling stond. Dat geeft mij hoop. Nu moeten we zeer dringend in actie schieten en onze oude diepte-ideeën loslaten zoals: ‘Zolang God ons gunstig gezind is, kan ons niets overkomen.’ Want die overtuiging leeft nog steeds onder klimaatnegationisten. Of: ‘De vrije markt en de technologie zullen ons redden.’ Same difference. Waar halen we die gekke gedachte vandaan dat we net op tijd iets zullen uitvinden dat ons voor een ramp zal behoeden? Waarom kijken we niet op een flinterdunne manier naar die werkelijkheid van de klimaatopwarming? ‘De dingen zijn vergankelijk, onderling afhankelijk en het zal altijd lastig of onbevredigend zijn.’ Dan hebben we alleszins een beter platform om te spreken over wat zich nu voordoet. Dan hoeven we geen energie meer te verspillen aan diepte-waarheden over God, de mens, de economie of de wereld. En kunnen we eindelijk het tij proberen keren.

 

Tom Hannes, Leven in het nu. Een filosofische zoektocht, Polis, 444 blz, 25 euro

 

 

Tom Hannes

Geboren in 1970 in Antwerpen

Studeerde Germaanse filologie aan de KULeuven

Was lange tijd zenmonnik

Is therapeut, theatermaker en auteur van  o.a. Zen of het konijn in ons brein en De vijf gezichten van angst

 

(c) Jan Stevens

‘Gebruik de dreigende klimaatramp om de economie te hervormen’

‘We hebben niets geleerd uit de kredietcrisis’, zegt topeconome Mariana Mazzucato. ‘Integendeel. In 2018 werd het bedje nog wat meer gespreid voor de volgende crisis.’

 

Na een korte promotour door Australië voor haar nieuwe boek ‘De waarde van alles’, is de Italiaans-Amerikaanse econome Mariana Mazzucato terug thuis in Londen. ‘Tijd om te crashen op de bank was er niet, want onze tweeling werd de dag na mijn aankomst veertien’, zegt ze. ‘Dat moest gevierd worden.’

Sinds de publicatie in 2013 van haar bestseller ‘De ondernemende staat’ reist Mazzucato de wereld rond. Ze adviseert regeringen, politici en ceo’s over economische innovatie en duurzaam ondernemen, geeft lezingen en doceert tussendoor economie aan de universiteit van Londen.

Melania Mazzucato: ‘Mijn ‘ondernemende staat’ is: een investerende en innoverende overheid. Die is onontbeerlijk voor slimme, duurzame groei. Zonder de jarenlange investeringen van de Amerikaanse overheid in fundamenteel onderzoek konden Apple, Google en Microsoft nooit zo’n belangrijke ondernemingen worden. Dankzij overheidsinvesteringen is er nu het internet en de smartphone.’

 

In ‘De waarde van alles’ wil u het begrip ‘waarde’ terug ‘de invulling geven die het echt verdient’. Wat is ‘waarde’ dan precies?

Mazzucato: De essentie van ‘waarde’ is dat het moet gaan om het voortbrengen van nieuwe goederen en diensten. De kernvragen zijn: hoe worden die goederen en diensten geproduceerd, hoe worden ze verdeeld en wat gebeurt er met de winsten die ze opbrengen? Een product wordt pas écht waardevol als het ook nuttig is. Voegt het iets toe aan de mensheid of schaadt het ons? Zorgt het met andere woorden voor waardecreatie of is het volstrekt waardeloos? Een nieuwe fabriek bijvoorbeeld kan vanuit economisch standpunt zeer waardevol zijn, maar verliest aan waarde wanneer ze tijdens de productie de omgeving te veel vervuilt.

 

Volgens u bezondigen bankiers, durfkapitalisten en vermogensbeheerders zich eerder aan waardeonttrekking dan aan waardecreatie?

Mazzucato: Vaak behoren zij tot de ‘pakkers’ of ‘graaiers’. Ze produceren zo goed als niets en toch belonen ze zichzelf met riante commissies, zelfs als de adviezen aan hun cliënten compleet de mist ingaan. Ze komen daar ook probleemloos mee weg.

In 2009 verklaarde Lloyd Blankfein, de ceo van Goldman Sachs: ‘Onze mensen zijn de productiefste ter wereld.’ Terwijl Goldman Sachs amper een jaar eerder de hoofdrol gespeeld had in de zwaarste financiële crisis in tachtig jaar. De Amerikaanse belastingbetalers moesten 700 miljard dollar ophoesten om de bank van de ondergang te redden. Toch gingen Goldman Sachs en andere zakenbanken later lustig door met speculeren tegen de door henzelf uitgevonden derivaten die tot zoveel ellende hadden geleid. Tussen 2009 en 2016 boekte Goldman Sachs een nettowinst van 63 miljard dollar op een netto-omzet van 250 miljard. In 2009 haalde het bedrijf zelfs een recordwinst van 13,4 miljard. En hoewel de bank een jaar eerder door de Amerikaanse overheid met geld van belastingbetalers gered was, durfde de regering het niet aan om daar later een faire vergoeding voor te vragen. Ze was al lang blij dat het geld werd terugbetaald.

 

Hebben we dan niets uit de kredietcrisis geleerd?

Mazzucato: Nee, totaal niets. In 2018 werd het bedje nog wat meer gespreid voor de volgende crisis. In veel landen dreigt een economische kladderadatsch. Nogal wat economische statistieken tonen verontrustende cijfers. De verhouding tussen particuliere schulden en beschikbare inkomens ligt terug op het niveau van voor de financiële crisis van tien jaar geleden. In de VS worden weer volop leningen aan huishoudens en bedrijven verstrekt die ze niet kunnen dragen. Banken verstrekken opnieuw hoge hypotheken aan mensen met een te laag inkomen om ze kunnen afbetalen.

Er kwam ook geen belasting op financiële transacties, waardoor financiering op korte termijn beloond wordt, in plaats van financiering op lange termijn. Veel winsten van industriële ondernemingen worden niet in de bedrijven geherinvesteerd, maar in het terugkopen van aandelen om zo aandelenprijzen en -opties kunstmatig een boost te geven. De huishoudens zagen de voorbije jaren geen andere keuze dan steeds meer leningen aan te gaan om hun levensstandaard op peil te houden. Al die dingen samen vormen een bijzonder explosieve cocktail.

 

En dat op het moment dat de gevolgen van de klimaatverandering steeds tastbaarder worden.

Mazzucato: Precies. Als je alle immense problemen die met de klimaatverandering gepaard gaan daarbij telt, begint het pas echt te duizelen. Ik heb het meest recente IPCC-rapport gelezen en dat windt er geen doekjes om: we hebben nog twaalf jaar om ons voor een regelrechte globale catastrofe te behoeden. Misschien is nu hét moment aangebroken om de dreiging van de klimaatverandering als breekijzer te gebruiken voor noodzakelijke economische hervormingen. Laat de klimaatramp die boven ons hoofd hangt de stok achter de deur zijn om al die slecht aangewende winsten nieuwe, werkelijk zinvolle bestemmingen te geven.

Het klimaat is trouwens niet onze enige uitdaging: in veel landen deugen de zorgsystemen niet of staat de sociale zekerheid zwaar onder druk. Een nieuw economisch raamwerk is daarom ook nodig als we de welvaartstaat niet compleet ten onder willen zien gaan. Het hele systeem moet dringend doelbewuster aangestuurd worden, in het belang van ons allemaal.

 

Hoe moet dat dan concreet gebeuren?

Mazzucato: Ik roep onze bewindvoerders op om eerst en vooral gebruik te maken van het hele scala aan middelen waarmee zij de maatschappij kunnen sturen. De prijzen-, loon- en belastingpolitiek moeten zo georganiseerd worden dat die organisaties en ondernemingen beloond worden die de grote uitdagingen durven tackelen die op ons afkomen. Het uiteindelijke doel is: meer duurzame groei stimuleren.

De Europese Commissie heeft mij ingehuurd om te onderzoeken hoe grote collectieve problemen zoals klimaatverandering, ziektes, armoede en vergrijzing op een innovatie manier aangepakt kunnen worden. Ik vind dat de EU zichzelf best meer doelen stelt en ‘missies’ uittekent. Ze kan zich daarbij richten op de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN. Een van mijn adviezen luidt: creëer honderd CO2-neutrale steden in de EU. Overheden moeten dat soort van doelen dúrven stellen en zelf helpen verwezenlijken door in duurzame projecten te investeren. Ik pleit dus niet meer of minder dan voor een groene New Deal.

 

Is de nieuwe generatie populistische politici die wereldwijd aan een opmars bezig is, ook geïnteresseerd in wat u te vertellen heeft?

Mazzucato: Kent u Alexandria Ocasio-Cortez? Ze is een Democratische politica uit New York en kersvers lid van het Huis van Afgevaardigden. Met haar 29 jaar is ze de jongste Amerikaanse volksvertegenwoordiger ooit. Zij is erg geïnteresseerd in een groene New Deal en ik begeleid haar daarbij. Ik werkte ook nauw samen met de Oostenrijkse sociaaldemocraat Christian Kern, tot hij in 2017 de verkiezingen in zijn land verloor. Ik adviseer ook vooraanstaande Britse politici, ook al is het vandaag niet vanzelfsprekend om in het Verenigd Koninkrijk over goed beleid na te denken, met die obsessie voor de brexit. En in de VS is er natuurlijk die grote schaduw van president Donald Trump. Maar toch zijn er lichtpunten: zo rebelleren de staat Californië en de stad New York openlijk tegen Trump. En waarom praten we niet meer over een land als Denemarken dat al behoorlijk ver staat in de groene transitie? De Denen zijn intussen de belangrijkste leveranciers geworden van duurzame high tech-diensten aan China. Onderschat die Chinezen trouwens niet: zij spenderen 1,7 triljoen dollar in het duurzaam maken van hun economie. Er vinden dus best wel positieve dingen plaats.

 

China is niet langer de grote vervuiler?

Mazzucato: Het milieu wordt er nog steeds op grote schaal vervuild, maar de overheid beseft intussen heel goed dat het zo niet verder kan. Ze maken van de immense vervuilingsproblematiek de motor voor innovatie. De Chinese overheid wil de complete economie vergroenen. Ik vind dat zeer interessant.

 

In China bepaalt de autoritaire staat de richting van de economie. Onze overheden moeten ook meer ingrijpen?

Mazzucato: Onze overheden moeten meer geld in duurzame projecten investeren, en tezelfdertijd ophouden met het verkwisten van belastinggeld. Ontzettend veel geld wordt vermorst met subsidiëringen of zogezegd gerichte belastingverlagingen die op het einde van de rit geen verschil maken. Bedrijven maken dankbaar gebruik van al die overheidssubsidies om hun winsten nóg te vergroten, terwijl die vaak al de pan uit swingen.

 

Zo vergroten overheden al dan niet ongewild de kloof tussen rijk en arm?

Mazzucato: Ja, maar ik hou niet van die formulering. Ik vind ze nogal onvolwassen. Wat wil dat zeggen: ‘De kloof vergroten tussen rijk en arm’? Niets. Want over wie hebt u het dan? Wie zijn ‘degenen die alles hebben’ en ‘degenen die niets hebben’? De échte kern van de zaak is: hoe kan een overheid duurzame investeringen stimuleren?

 

U hebt geen boodschap aan de Occupy-slogan: ‘de 99 procent tegen de 1 procent’?

Mazzucato: Studenten mogen die slogans hanteren, maar niet adviseurs zoals ik die regeringen assisteren in hun transitie naar meer duurzaamheid. Ik ben het eens met de ideologie die erachter schuilgaat, maar niet met het sloganeske simplisme. Ik ben heel specifiek in wat ik tegen regeringsleiders zeg: ‘Als die bepaalde subsidie of belastingverlaging niet het gewenste effect heeft, is het een verkwisting van belastinggeld.’ Want het grote probleem met niet-functionerende belastingvoordelen is dat ze elders gecompenseerd moeten worden. Als bedrijven zo’n belastingverlaging niét gebruiken om een vervuilende activiteit af te bouwen, verliezen we twee keer. De kwaliteit van onze leefomgeving zal even belabberd blijven én iemand anders moet de rekening van die belastingverlaging oprapen. Misschien wordt er dan beknibbeld op het budget voor onderwijs of cultuur. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?

 

De Europese Commissie en de Britse, Oostenrijkse of Duitse bewindvoerders nemen uw adviezen misschien wel ter harte, maar hoe zit dat met de vele regimes die gebukt gaan onder corruptie?

Mazzucato: Maak u geen illusies: bijna elke regering heeft te maken met corruptie. Groot-Brittannië, het land waar ik leef, kent zelfs ontzettend veel corruptie. Zo overtuigden de grote farmaceutisch bedrijven de Britse regering ervan om een ontzettend domme taxcut te introduceren: de Patent Box. De bedoeling was zogezegd om R&D-afdelingen van farmabedrijven naar het VK te lokken, terwijl die belastingverlaging in werkelijkheid voor geen enkele innovatie zorgt. De Patent Box kwam er na intensief gelobby van de farma-industrie; voor mij is dat corruptie. In een democratie nemen de mensen die door het volk verkozen zijn de beslissingen, niet de grote ondernemingen of belangengroepen.

 

Dat is toch nog iets anders dan de corruptie in landen als pakweg Rusland of Congo?

Mazzucato: In bijvoorbeeld mijn geboorteland Italië of sommige Afrikaanse landen is de corruptie inderdaad zo hard doorgeslagen dat fatsoenlijk regeren er quasi onmogelijk is. Als antwoord op die corruptie werd in Italië de openbare sector drastisch hervormd. Die hervorming kwam eigenlijk neer in kortwieken, waardoor de overheid nóg zwakker werd. Italiaanse ambtenaren belandden van de regen in de drop, waardoor ze nu meer dan ooit gevoelig zijn voor corruptie.

 

U maakt zich grote zorgen over de brexit?

Mazzucato: Ja, dat wordt een regelrechte ramp. Alleen niet voor de usual suspects als Price Waterhouse Coopers (PWC), Ernst & Young, Deloitte… Zij werden door de regering ingehuurd en zijn vandaag de feitelijke Brexit-planners. De chaos groeide de regering boven het hoofd en daarom ging ze te rade bij PWC en co. De uitkomst van het brexit-avontuur is zeer onzeker, maar dat maakt voor de consultants geen verschil, want zij verdienen er sowieso handenvol geld aan. De brexit werd voorgesteld als dé manier voor het VK om geld te besparen; de ironie wil dat de Britse overheid nog nooit zoveel consultancyhonoraria uitbetaald heeft als nu. (lacht)

 

De brexit wordt een ramp voor zowel Groot-Brittannië als Europa?

Mazzucato: Het wordt in de eerste plaats een ramp voor Groot-Brittannië. Voor de EU zal het wel meevallen. Kwetsbare Britse burgers die zich door de campagne van de brexiteers hebben laten misleiden, worden nóg kwetsbaarder. Hun lonen zullen nog meer de dieperik in duiken. En dat in een tijd waarin zelfs een land als China volledig afscheid genomen heeft van een lagelonenpolitiek. De Chinese machthebbers bouwen vandaag aan wat ik een ondernemende staat noem, terwijl een president als Trump de Amerikaanse ondernemende staat volledig aan het uitkleden is.

 

Trump presenteert zichzelf net als dé president-ondernemer.

Mazzucato: Hij verkoopt zichzelf graag als het prototype van de ondernemer, maar dat is hij niet. Het enige wat hij doet, is de boel uitverkopen aan zijn collega-superrijken. Met zijn kruistocht voor steenkool, keert hij zelfs terug naar de jaren vijftig. Zijn beleid staat haaks op innovatie en duurzaamheid. Zijn voorganger Barack Obama had wel oren naar een groene New Deal. Het besef dat de staat een rol moet spelen in een duurzame transitie is in de VS nu helemaal weg.

Het klimaatakkoord van Parijs was voor mij een teken van hoop omdat eindelijk een grote groep landen gezamenlijke doelen vooropstelde. Intussen smelt die hoop als sneeuw voor de zon. Gelukkig zijn er steeds meer grote bedrijven die tonen hoe het wel moet. Het Sustainable Living Plan van Paul Polman, ceo van Unilever, is daar een uitstekend voorbeeld van. In dat plan legt Polman de onderneming een aantal duurzame doelstellingen op. De omzet moet omhoog, maar tegelijkertijd moet de belasting voor het milieu drastisch omlaag. Ik put ook hoop uit het duurzame beleid van gouverneur Jerry Brown in Californië. En uit wat landen als Denemarken, Duitsland en China de voorbije jaren hebben proberen verwezenlijken. We mogen ook Brazilië niet vergeten: de sociaaldemocratische president Lula zette de economische koers van zijn land zonder overdrijven op het pad van de duurzaamheid. Hij trok miljoenen mensen uit de armoede.

 

Lula zit nu in de gevangenis voor corruptie en de nieuwe radicaal-rechtse president Jair Bolsonaro werd door Donald Trump enthousiast onthaald.

Mazzucato: Wat alleen maar aantoont hoe fragiel onze democratie is. Er vinden vandaag inderdaad zeer veel deprimerende gebeurtenissen plaats, maar wil dat zeggen dat we collectief depressief moeten worden? Nee, want zo raken we van de regen in de drop.

 

 

Mariana Mazzucato

  • 1968 geboren in Rome
  • 2013 boek The Entrepreneurial State (in 2015 vertaald als De ondernemende staat)
  • 2015 wordt adviseur van Labour-leider Jeremy Corbyn
  • Sinds 2017 Professor economie aan de Universiteit van Londen en directeur van het Institute for Innovation and Public Purpose

 

Mariana Mazzucato, De waarde van alles, Nieuw Amsterdam, 384 blz., 27,99 euro

 

(c) Jan Stevens

De onderpastoor

In De onderpastoor reconstrueert Louis Van Dievel de strijd eind jaren zestig tussen de oerconservatieve bisschop Van Peteghem en de jonge vooruitstrevende dorpspriester Gilbert Verhaeghen en zijn aanhangers. ‘Tot vandaag ligt de “kwestie-Verhaeghen” nog heel gevoelig in de parochie Sint-Gillis-Dendermonde.’

 

In de prille lente van 1969 brak in de Sint-Egidiusparochie van Sint-Gillis-Dendermonde een volksopstand uit. De parochianen pikten het niet dat het bisdom Gent hun favoriete onderpastoor Gilbert Verhaeghen wou overplaatsen. Aanleiding was de nieuwe marmeren vloer in de Sint-Gilliskerk. Die had bijna 1 miljoen frank gekost, terwijl er volgens Verhaeghen en de actievoerders geen geld was voor fatsoenlijke lokalen voor de jeugdverenigingen. Dieperliggend woedde de strijd om inspraak voor leken tussen de aartsconservatieve bisschop Leonce-Albert Van Peteghem en de jonge vooruitstrevende priester Verhaeghen. De ene vond de kerk geen democratie, terwijl de andere in de geest van het Tweede Vaticaans Concilie de ramen en deuren wou opengooien. Drie maanden duurde die strijd, met pamfletten, spandoeken, misverstoringen, oproerpolitie en zelfs bijna een lynchpartij. Tot Gilbert Verhaeghen in mei ’69 zijn overplaatsing naar Nieuwkerken-Waas aanvaardde.

In zijn uitstekende roman De onderpastoor brengt voormalig VRT-journalist en schrijver Louis Van Dievel de in 2014 overleden Gilbert Verhaeghen opnieuw tot leven. ‘Eind jaren negentig was er heel wat heisa rond priester Rudy Borremans’, zegt Van Dievel. ‘Hij leefde openlijk samen met zijn vriend en dat was niet naar de zin van de toenmalige kardinaal Godfried Danneels. Pastoor Borremans mocht wel homoseksueel zijn, alleen mocht hij dat niet praktiseren. Hij werd voortdurend overgeplaatst. In 2008 was hij pastoor van de twee Vlaams-Brabantse parochies Everberg en Meerbeek. Daar raakte hij in conflict met de federatiepastoor en werd hij opnieuw de laan uitgestuurd. De parochianen vonden dat ontslag niet terecht en in maart 2008 kwamen ze massaal op straat. ’s Avonds was die betoging een hoofdpunt in het VRT-journaal. Er werd toen in de intro gezegd: “Het is de eerste keer in Vlaanderen dat parochianen demonstreren voor het behoud van hun pastoor.” De volgende dag kreeg ik een mail van een wildvreemd iemand uit Sint-Gillis-Dendermonde. Hij schreef: “De demonstratie voor Borremans is geen unicum. In 1969 hebben wij maandenlang voor onze priester betoogd. Bent u geïnteresseerd?” Zoiets moet je mij geen twee keer vragen.’

 

Dus sprak u met die man af?

Louis Van Dievel: Hij stuurde me eerst een exemplaar van ‘Zwartboek Verhaeghen’, een bundeling persartikelen en communiqués van het ‘aksiekomitee’ uit die tijd over de ‘kwestie-Verhaeghen’. Die ligt vandaag trouwens nog steeds heel gevoelig in Sint-Gillis-Dendermonde. Zo wou de man die me in 2008 contacteerde, niet vernoemd worden in het dankwoord van mijn roman. Hij is een van de enigen van de betrokkenen die al die jaren met me is blijven spreken. Zo goed als alle anderen wilden mijn pen vasthouden. Zowel de leden van de conservatieve club die een hekel aan Verhaeghen had, als de oud-strijders uit dat steuncomité. Ingrid Michem, de dochter van een van de actievoerders, en haar vorig jaar overleden man Rik Geerinckx bleven ook met me praten. Daarom heb ik De onderpastoor aan Rik opgedragen.

 

Waarom koos u voor de romanvorm en niet voor de biografie?

Van Dievel: Ik heb lang getwijfeld. Maar toen duidelijk werd dat sommigen mijn pen wilden vasthouden en nog anderen niet meer wilden meewerken, besloot ik om het verhaal van Gilbert Verhaeghen tot roman te bewerken. Ik heb hetzelfde procedé toegepast bij mijn roman De Pruimelaarstraat over seriemoordenaar Staf Van Eyken alias de Vampier van Muizen. Eerst zoek ik alle mogelijke informatie die er ook maar over mijn onderwerp te vinden is, vervolgens maak ik er mijn eigen verhaal van. Ik schrijf dan een roman zoals ik denk dat het gegaan is. Dat geeft me meer vrijheid: al degenen die als twintigers of dertigers eind jaren zestig voor Verhaeghen demonstreerden, moet ik nu niet meer vernoemen. Zij leven nog allemaal, terwijl de pastoors van toen allemaal dood zijn.

 

Ik heb Gilbert Verhaeghen goed gekend. Ik woon in het gehucht De Hellestraat in Stekene waar hij van 1987 tot aan zijn pensioen in 2009 pastoor was. Het eerste groot interview dat ik ooit van iemand afnam, was van hem, voor het inmiddels ter ziele gegane lokale weekblad Het Vrije Waasland.

Louis Van Dievel: Echt? Overal kom ik nu mensen tegen die Verhaeghen goed gekend hebben. (lacht) Mieke Van Hecke, de voormalige topvrouw van het katholiek onderwijs, was chiroleidster in Gent toen hij daar een jonge onderpastoor was. Ze bleef contact met hem houden, want haar moeder wou elk jaar bij hem te biechten gaan. Tot in De Hellestraat.

 

Hebt u hem ooit ontmoet?

Van Dievel: Nee. Op 12 juli 2014 is hij gestorven. Ik wist dat hij na zijn afscheid van De Hellestraat naar een bejaardenhome verhuisde in de naburige gemeente Sint-Pauwels. Ik was van plan om contact met hem te zoeken, maar toen zag ik zijn overlijdensbericht in de krant.

 

U citeert veelvuldig uit zijn dagboek. Hield hij dat echt bij?

Van Dievel: Nee, dat is de vrijheid van de romanschrijver. Maar al de rest, àlle citaten komen uit officiële documenten. Na lectuur van De onderpastoor heb je een portret van Verhaeghen in een bepalende periode van zijn leven. Ik schets geen ‘hiep-hiep-hoera-beeld’. Ook Mieke Van Hecke sprak zeer genuanceerd over hem.

 

Wat voor een mens was hij?

Van Dievel: Een goed mens, maar ook een koppigaard. Ik ben dat zelf ook; dat schept een band. (lacht) Van 11 oktober 1962 tot 8 december 1965 vond op initiatief van paus Johannes XXIII het tweede Vaticaans Concilie plaats. De kerk nam op papier afscheid van het verleden en wou de moderne tijd omarmen. De ramen en deuren moesten opengezet worden om frisse lucht binnen te laten. Er werden besluiten goedgekeurd die voor meer inspraak en betrokkenheid van de gelovigen moesten zorgen. Gilbert Verhaeghen was een groot voorstander en voorvechter van dat concilie, maar de conservatieven in de kerk vonden al die progressieve nieuwlichterij maar niets. Verhaeghen had eerst niet in de gaten dat vooral in het bisdom Gent de besluiten van Vaticanum II dode letter zouden blijven. Bisschop Leonce-Albert Van Peteghem was een aartsreactionair en trok zich daar niets van aan.

 

Terwijl hij nog meegewerkt heeft aan dat Tweede Vaticaans Concilie.

Van Dievel: Ja, dat is heel bizar. Het lijkt alsof Van Peteghem veranderd was door bisschop te worden. Daarvoor was hij een geliefde professor moraaltheologie aan het seminarie van Gent. In 1964 werd hij tot bisschop gewijd en vanaf dan werd die man bang voor zijn eigen schaduw. Hij omringde zich met hondstrouwe volgelingen en donkere wolken pakten samen boven zijn bisdom. De andere Belgische bisschoppen waren wèl min of meer mee met de veranderende tijd. Van Peteghem niet. Hij hield alles en iedereen in de gaten. Hij weigerde de hand te schudden van priesters die geen Romeinse boord droegen. Hij kwam in de kerk controleren of de stoelen wel goed stonden. Snel vond hij aansluiting bij de beweging van ultraconservatieven tegen het Vaticaans Concilie. Gilbert Verhaeghen had pech dat hij in het bisdom Gent terechtgekomen was. Op een bepaald moment raadde vicaris-generaal Leo De Kesel, de rechterhand van Van Peteghem en de oom van de huidige kardinaal Jozef De Kesel, Verhaeghen zelfs aan om naar het bisdom Brugge te verhuizen. Maar de koppige onderpastoor bleef.

 

Was Verhaeghen een linkse priester?

Van Dievel: Hij was sociaal, de perfecte ACW’er of KWB’er. Hij werd ‘progressief’ genoemd, terwijl hij dat eigenlijk niet was en hij zei dat zelf ook. Hij vond dat de leken én de vrouwen in de kerk meer in de pap te brokken moesten krijgen. Échte hervorming hield veel meer in dan de mis in de volkstaal. Eind jaren zestig zag hij al het aantal priesterroepingen teruglopen. Hij voelde heel goed aan dat dat een teken van de tijd was. De kerk moest volgens hem hedendaags worden. In Sint-Gillis-Dendermonde bracht hij bij zijn parochianen de vonk over. Maar tijdens alle verdere acties, hield hij zich zo goed mogelijk op de achtergrond. Hij zat tussen hamer en aambeeld, want hij wilde niet de verdenking op zich laden dat hij de grote organisator van het protest was. De parochianen van Sint-Gillis-Dendermonde organiseerden hun verzet zélf en dat vind ik zo geweldig. Stel je voor: een doodbrave Vlaamse parochie die tegen de hoge heren van het bisdom zegt: ‘Niet met ons, Verhaeghen moet blijven!’ Iedereen dacht dat hun protest na een paar weken zou doodbloeden, maar ze bléven volhouden. Toen hij dan uiteindelijk toch naar Nieuwkerken overgeplaatst werd, zeiden ze: ‘Nu bouwen we ons eigen jeugdlokaal.’ Ze creëerden hun eigen parochietje en Verhaeghens geest is er blijven hangen.

 

Hoe kwam Gilbert Verhaeghen in Sint-Gillis-Dendermonde terecht?

Van Dievel: Vanuit Gent hadden ze hem in 1965 naar daar overgeplaatst. Tussen 1962 en ’65 was hij onderpastoor in de Gentse Sint-Vincentiusparochie. Hij was er dikke maatjes met priester-arbeider Frans Wuytack. Wuytack zou later de bevrijdingstheologie en het revolutionaire verzet omarmen en door de kerk uit zijn priesterambt gezet worden. Nog later werd Wuytack beeldhouwer. Begin jaren zestig maakten de jonge onderpastoors Verhaeghen en Wuytack de straten van de Gentse Bloemekenswijk onveilig op een oude BMW-motorfiets. Het bisdom vond dat maar niets, en Verhaeghen werd tot onderpastoor benoemd in Sint-Gillis-Dendermonde.

Hij bracht schwung in die parochie. Hij installeerde inspraak via een parochieraad en onderhield uitstekende relaties met de verenigingen en de jeugdbewegingen. Er gebeurde ontzettend veel en pastoor Jozef De Brouwer stak alle pluimen op zijn hoed. Zolang het goed ging, liet hij Gilbert Verhaeghen begaan. Maar van zodra het bisdom in Gent zich begon te moeien, keerde hij zijn kar.

 

Het bisdom wou Verhaeghen onder druk van de conservatieven in zijn parochie overplaatsen?

Van Dievel: Er werden anonieme brieven naar bisschop Van Peteghem geschreven. Mijn roman begint met zo’n authentieke brief. ‘Hooggeachte Heer Monseigneur’, schreef de ‘verontruste parochiaan’, ‘ik voel het als mijn katholieke plicht u in te lichten over de handelwijze van E.H. Verhaeghen. In de drie jaren sinds zijn benoeming in onze parochie is deze Verhaeghen erin geslaagd de gelovigen tegen elkaar op te zetten met preken en uitlatingen die nog weinig met de katholieke geloofsleer te maken hebben, ja er zelfs gans strijdig mee zijn. Vanop de kansel heeft hij het bestaan om tot een revolutie op te roepen. Hij maakt het stille werk van E.H. pastoor De Brouwer en van zijn collega-onderpastoor, de zeer ervaren E.H. Van Coppenolle, belachelijk. Hij doet bij de katholieke verenigingen waarvan hij de proost is aan zogenoemde voorlichting op een gebied waar hij zich als priester verre vandaan heeft te houden. Hij is allesbehalve terughoudend in zijn omgang met het vrouwelijke deel van onze parochie. Meer durf ik hierover niet te zeggen. Maar er zijn getuigen! Verhaeghen bezoekt socialistische dranklokalen waar hij zich blijkbaar meer op zijn plaats voelt dan in onze parochiekerk. Het huis dat de kerkfabriek hem ter beschikking stelt, is verworden tot een verzamelplaats van allen die het niet nauw nemen met de Tien Geboden. Met dit alles, zo beweert Verhaeghen, brengt hij de besluiten van het Vaticaanse Concilie in de praktijk. Maar niets is minder waar! Hij leidt de gelovigen van Sint-Gillis- Dendermonde integendeel op een dwaalspoor.’

 

U weet wie achter die brieven zat?

Van Dievel: Ja, de conservatieve kliek, maar ik ga geen namen noemen. Want het leeft nog steeds. Jan Pauwels, woordvoerder van de ongelukkige ex-minister Joke Schauvliege, is van Dendermonde en bracht me in contact met zeer veel getuigen. Jan vertelde me dat de oudjes in het plaatselijke rusthuis nog altijd ruzie maken over Verhaeghen. ‘Wat voor een vrouwenzot was dat toch!’ (lacht) Mieke Van Hecke vertrouwde me toe dat veel vrouwen hadden willen ingaan op zijn avances, maar ik weet niet of hij ook ooit verder ging.

 

Op het einde van zijn leven laat u hem in zijn dagboek schrijven: ‘Er zijn verleidingen geweest. Ik heb mij enkele keren in de schemerzone gewaagd. Zelfs met gehuwde vrouwen. Maar ik ben nooit over de drempel gegaan.’ Eén van die vrouwen vertelde mij dat hij verschillende keren de drempel overging en zo soms emotionele ravages aanrichtte.

Van Dievel: Dat wist ik niet. Hij was alleszins een opmerkelijk figuur. Kijk, wat mij zo intrigeert, is de opstand in die parochie. Mensen namen het voor hem op en wilden hem niet kwijt. Dat spleet Sint-Gillis-Dendermonde, trok families uiteen en is nooit helemaal verdwenen. Het conflict kwam in april ’69 tot een kookpunt toen Leo De Kesel bijna gelyncht werd. Hij kwam aan de plechtige communicanten het heilig vormsel toedienen, maar werd opgewacht door een woedende menigte met zwarte vlaggen. ‘Verhaeghen! Verhaeghen!’, scandeerden ze. De Kesel overleefde ternauwernood zijn bezoek aan de parochie; zo boos waren die mensen. Ze vonden dat er met hun voeten werd gespeeld. Er werd voortdurend warm en koud geblazen en er werden beloftes gedaan die meteen weer verbroken werden. De tactiek van het bisdom en de pastoor was: iets toegeven om daar niet veel later op terug te komen. Wit zeggen tegen de ene, en zwart tegen de andere. Dwaalsporen leggen, tijd winnen en hopen dat het verzet een stille dood zou sterven. Het bijna molesteren van De Kesel was een cadeau voor het bisdom: dat konden ze in Verhaeghen zijn schoenen schuiven. Een kleine maand later werd hij overgeplaatst naar Nieuwkerken-Waas.

 

Waarom is hij nooit uit de kerk gestapt? In de jaren dat ik hem kende, fulmineerde hij continu tegen de ‘kliek in Rome’.

Van Dievel: Hij noemde zichzelf katholiek en niet rooms-katholiek. Hij vond dat hij als priester niet mocht opgeven. Het is nooit bij hem opgekomen om zijn kap over de haag te smijten. Bevriende pastoors met hetzelfde gedachtengoed stapten er één na één uit. Tientallen namen afscheid van hun priesterschap. Verhaeghen liep altijd voorop en ik denk dat hij af en toe vergat om te kijken of de troepen nog volgden. In Sint-Gillis liepen ze allemaal mee.

 

Daar gedroeg hij zich toch ook als een goeroe voor de jeugd?

Van Dievel: Jawel. Het zou me niet verwonderen dat Mieke Van Hecke als 18-jarig chiromeisje een beetje verliefd op hem was. (lacht)

 

Toch was hij nogal een morsig type.

Van Dievel: Dat is hij altijd geweest. Hij rookte pijp, dronk flink wat wijn en waste zich zelden. Poetsen was niet aan hem besteed. Zijn parochianen hadden medelijden met hem en kwamen zijn huis schoonmaken en de afwas doen. Hij ging kuisen bij bejaarden die krom liepen van de reuma, maar in zijn eigen huis was het een stort.

 

Hij had een uitstekende wijnkelder en trakteerde gul.

Van Dievel: Dat was het liefste wat hij deed: samen drinken en filosoferen. Hij heeft zich nooit iets aangetrokken van zijn gezondheid, tot hij op het laatste bijna dood was. Vijf maanden lang lag hij in het ziekenhuis. Eind 2009 besloot hij om niet terug te keren naar de pastorij in De Hellestraat. Hij nam zijn intrek in een rust- en verzorgingstehuis, bij de dementen terwijl hij zelf niet aan het dementeren was.

 

Als ‘verklaring’ gaf hij toen: ‘In het land der blinden is eenoog koning.’

Van Dievel: Volgens mij beschouwde hij de dementen als zijn gelijken. Tegen andere bezoekers zei hij: ‘De dementen zullen denken dat ik hun overleden kind ben, een buur of een kameraad uit de legertijd. Ze zullen kwaad op me zijn en af en toe vloeken. Maar misschien hebben ze tussendoor ook een helder moment waarop ik iets voor hen kan betekenen.’

 

 

Louis Van Dievel

  • 1953 geboren in Mechelen
  • Studeerde vertaler Italiaans, Engels
  • Werkte een carrière lang als journalist voor de VRT, op een paar kleine overstappen naar VTM na
  • 2002 debuteerde met de roman Happy Days en schreef sindsdien meer dan een dozijn andere boeken
  • 2006 brak door met De Pruimelaarstraat
  • 2011 kreeg de Hercule Poirotprijs voor zijn misdaadroman Hof van Assisen

 

Louis Van Dievel, De onderpastoor, Uitgeverij Vrijdag, 352 blz., 22,50 euro

(c) Jan Stevens