archiveren

knack

Vijftig jaar na de dood van onze grootste surrealistische schilder René Magritte blijven zijn gemaskerde appels, zwevende bolhoeden, wolkenvogels en pijpen die geen pijpen zijn tot de verbeelding spreken. Maar was hij wel een surrealist? En bovenal: was hij wel een schilder?

 

Op 15 augustus is het precies vijftig jaar geleden dat René Magritte stierf. 15 augustus wordt ook de dag waarop het boek Magritte ontsluierd van de in kunst gespecialiseerde journalist Eric Rinckhout verschijnt. ‘René Magritte was één van de eerste schilders waarmee ik als kleine jongen in aanraking kwam,’ zegt hij. ‘Ik keek gefascineerd naar zijn bolhoedmannetjes, naar de trein die uit de schoorsteenmantel kwam gereden en naar de man die zijn eigen achterhoofd in de spiegel zag. Al die intrigerende beelden waar je als toeschouwer aanvankelijk kop noch staart aan krijgt, vormen de charme van het merendeel van Magritte’s werk.’

Ook voor Bart Verschaffel, cultuurfilosoof en professor architectuurtheorie en -kritiek aan de UGent, waren de schilderijen van René Magritte zijn eerste kennismaking met de wereld van de kunst. ‘Eén van de eerste grote tentoonstellingen die ik zag, draaide rond zijn werk’, zegt hij. ‘Magritte schilderde niet alleen, maar schreef ook veel. Al zijn teksten zijn verzameld in een dik boek en getuigen van verstand en luciditeit. Zijn vrienden waren geen schilders, maar dichters, filosofen en intellectuelen. Hij moest niets hebben van kunstenaars die werkten vanuit hun buikgevoel.’

Kunstkenner Claude Blondeel dweepte in zijn jonge jaren met René Magritte, maar verloor later zijn interesse in diens werk. ‘Ik heb hem pas eind vorig jaar herontdekt met de grote retrospectieve “La trahison des images” in Centre Pompidou in Parijs. De tentoonstelling begon met zijn geschriften. Magritte correspondeerde met Michel Foucault die ook een boek over hem schreef. In Parijs ontdekte ik Magritte als filosoof. Wat een denkende schrijver met woorden doet, voerde hij met beelden uit. Hij is geen schilder in de zuivere zin van het woord. Echt grote schilders zijn figuren als Rembrandt en William Turner. Het is niet omdat je met een in verf gedoopt penseel over een canvas strijkt, dat je automatisch een goede schilder bent. Magritte is geen goede schilder, maar een denker. Hij zet ons aan het denken door voorwerpen naast elkaar te plaatsen die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Zo creëert hij een afgrond die ons verontrust, ons doet schrikken en dromen. Het voorbeeld bij uitstek is zijn afbeelding van de hyperrealistische pijp met daaronder Ceci n’est pas une pipe. Natuurlijk is het geen pijp, maar de afbeelding van een pijp. Het is belangrijk om te weten dat het werk “La trahison des images” heet. Magritte’s titels zijn van wezenlijk belang.’

‘Bij Magritte zijn beeld en titel als twee vuurstenen die vonken veroorzaken’, beaamt Bart Verschaffel. ‘Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en laten een raadselachtig schilderij ontstaan of een beeld dat het statuut heeft van een raadsel. Het schilderen zelf vond hij niet belangrijk. Daardoor lag zijn focus niet op het schildersambacht, maar op het beeld. Tezelfdertijd dacht hij na over wat kunst is. Die vraag vond haar oorsprong bij de twintigste-eeuwse Franse kunstenaar Marcel Duchamp en zijn urinoir ‘Fontein’. Wat is kunst en wat niet? En is iets kunst van zodra de kunstenaar zegt dat het kunst is?’

 

Gesluierd

Eric Rinckhout vindt de werken van Magritte “schilderkunstig” minder interessant. ‘Dat komt omdat hij zo accuraat mogelijk schilderde’, zegt hij. ‘Zijn werk is zeer precies. Zijn bijna fotografisch gereproduceerde werkelijkheid was tegelijkertijd een onmogelijke werkelijkheid. Hij speelde met de botsing tussen die twee. Hij heeft altijd geweigerd om zijn werk uit te leggen. Hij stelde: “Als ik het verklaar, vernietig ik het mysterie, terwijl ik net wil laten zien dat we in een mysterieuze wereld leven.” Elke biografische interpretatie ontweek hij.’

René Magritte was dertien toen zijn moeder zelfmoord pleegde. Eric Rinckhout: ‘Ze sprong in de Samber en verdronk. Volgens Georgette Magritte heeft haar man René daar zijn leven lang nooit iets over verteld. Maar het effect van die traumatische gebeurtenis kan niet onderschat worden. Ze moét zijn arsenaal aan beelden wel gevoed hebben. Gezichten ontbreken vaak of zijn gesluierd: waarschijnlijk zijn het verwijzingen naar de dood van zijn moeder. Dertien dagen na haar wanhoopsdaad werd ze met haar nachtkleed over haar hoofd uit de rivier opgevist. Ze lag opgebaard in het ouderlijke huis en dat kan niet anders dan een zeer grote indruk op die jongen van dertien hebben gemaakt.’

In de loop van zijn leven gaf René Magritte een paar lezingen over de fundamenten van zijn werk. ‘Hij vertelde toen dat hij met zijn schilderijen filosofische problemen wou onderzoeken’, zegt Eric Rinckhout. ‘In “Le viol”, De verkrachting, is het vrouwengezicht veranderd in een naakte vrouw: de ogen zijn borsten en de mond is het geslacht. Magritte wil daarmee zeggen: als een man naar een vrouw kijkt, ziet hij haar naakt. Met andere woorden: elke tien minuten denkt een man aan seks. Magritte onderzocht ook taal: Ceci n’est pas une pipe is daar een voorbeeld van. Het woord dat we aan een bepaald object verbinden, is niet meer dan een afspraak die we maken. Zo ondermijnt hij het schoolboek waarin staat: Ceci est une pipe. “Aap, noot, mies”, lezen we op de schoolbanken. Plots is er dan Magritte die zegt: “Dit is geen aap.”’

 

“Dit is geen surrealist”

Volgens Luc Tuymans, een van onze grootste hedendaagse schilders, is René Magritte geen surrealist. Om die stelling te onderbouwen, verwijst hij naar “La trahison des images”. ‘In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is dat schilderij zeer reëel’, zegt hij. ‘Want het is geen pijp, maar de afbeelding van een pijp. Ceci nest pas une pipe is dus niets meer of minder dan de waarheid.’

‘Magritte vond zelf dat hij geen surrealist was”, zegt Bart Verschaffel. ‘Hij zit ook niet in de traditie die het droomachtige trachtte te stimuleren. Maar een aantal van zijn schilderijen van halverwege de jaren twintig haalden hun inspiratie wel uit de irrealiteit. Als het al een misverstand zou zijn dat hij als surrealist gecatalogeerd staat, is dat een begrijpelijk misverstand. Hij was zeer ironisch en gebruikte de surrealistische strategieën van spot en van het niet ernstig nemen van zaken die door de goegemeente wel ernstig genomen werden.’

Ook Claude Blondeel vindt Magritte geen diehard surrealist. ‘Het surrealisme was oorspronkelijk een Parijse historie, met André Breton op kop als schrijver van het in 1924 verschenen Manifest van het Surrealisme. In België waren ook surrealisten actief, alleen gedroegen zij zich veel anarchistischer dan hun Franse geestesgenoten. Breton noemde zichzelf de paus van het surrealisme, al paste “de ayatollah” beter bij hem. In het begin verdiende René Magritte zijn brood als reclametekenaar. Hij wou naar Parijs, want daar gebeurde het allemaal. De Franse dichter Paul Eluard bood aan om hem te introduceren bij André Breton. Magritte voelde zich vereerd en trok samen met zijn vrouw naar Parijs. Eluard haalde hen op en zag dat Georgette een gouden kruisje van haar plechtige communie droeg. Hij waarschuwde haar: “U weet toch dat André Breton antiklerikaal is en zelfs antigodsdienstig? U kan dat kruisje misschien beter afdoen.” Magritte reageerde meteen: “Geen sprake van.” Ze kwamen bij Breton en dronken koffie. Breton zag het kruisje en noemde Georgette een kwezel. René stond recht: “Georgette, nous partons.” En weg waren ze. René Magritte en zijn Belgische surrealistische vrienden waren kwajongens, plezante gasten die afspraken in het Brusselse café Het goudblommeke in papier waar nog altijd die grote foto hangt waar ze allemaal samen opstaan. De Belgische surrealisten waren veel minder doctrinair dan hun Franse ‘medebroeders’. De Franse surrealisten predikten de vrijheid, terwijl homoseksuelen bij hen niet welkom waren.’

 

Période Vache

In de vooroorlogse jaren bleef het grote commerciële succes voor René Magritte uit. ‘In de jaren twintig en dertig had hij wel wat werk verkocht, maar hij had het nooit erg breed’, zegt Eric Rinckhout. ‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij even uit het bezette België weg. Hij keerde terug en begon op een totaal andere, ‘wilde’ manier te schilderen: kleurrijk impressionistisch, met een surrealistische inslag. Zijn werk uit de periode vlak na WO II vind ik zeer boeiend. Hij baseerde zich op de thema’s en motieven van Renoir. Zijn verhouding met de Franse surrealisten raakte totaal vertroebeld en in zijn zogenaamde Période Vache ging hij helemaal loos en begon op een bijna karikaturale manier te schilderen. Hij stapte met les pieds dans le plat. Zijn tentoonstelling in Frankrijk was een complete ramp. Niemand begreep zijn werk. Ik kende die periode wel, maar wist niet dat de omslag zo groot was. Dat heb ik pas ontdekt door voor mijn boek dieper in zijn leven en werk te duiken.’

Bart Verschaffel: ‘Na WO II kon hij meermaals in Parijs tentoon stellen. Hij zal toen wel gehoopt hebben dat hij zo met het Parijse milieu kon aanknopen. Dat lukte niet en in zijn Période Vache zette hij al die mensen een neus. Op dat moment had hij zijn contracten met Amerika rond. Daar groeide hij uit tot een succesvol schilder dankzij de Griekse galeriehouder Alexander Iolas. Die introduceerde hem in de Verenigde Staten en begon er zijn werken te verkopen. Magritte is een van de eerste Belgische kunstenaars die succesrijk werd in de VS. Hij zag het land als zijn commercieel afzetgebied; de Amerikanen waren geen intellectuele sparringpartners. In Parijs raakten zijn werken niet verkocht, maar die stad bleef wel zijn intellectueel referentiepunt.’

Op aanraden van Alexander Iolas begon René Magritte terug op zijn klassieke manier te schilderen. Eric Rinckhout: ‘De tentoonstellingen die Iolas in de VS organiseerde, zorgden voor een oplaaiende interesse voor het surrealisme. Met frisse tegenzin keerde Margritte terug naar de stijl van voor de Période Vache. Hij heeft toen zeker nog zeer goede schilderijen gemaakt. Hij varieerde veel op dezelfde thema’s, maar verlegde tezelfdertijd grenzen. Hij schilderde verschillende versies van “l’Empire des Lumières”, Het rijk der lichten, het beroemde schilderij van de lantaarnpaal voor het huis, waarop het zowel dag als nacht is. Als je al die versies met elkaar vergelijkt, merk je evolutie. Zijn vierde of vijfde versies zijn vaak de beste.’

Zou hij uitgegroeid zijn tot een nòg interessantere schilder als hij Iolas niet had ontmoet en was blijven experimenteren? Rinckhout: ‘Zijn Période Vache vond hijzelf alvast surrealisme in het kwadraat: hij schilderde niet alleen surrealistisch, maar zette ook nog eens iedereen op het verkeerde been. Hij bracht toeschouwers in totale verwarring. André Breton trok toen definitief de deur dicht.’

 

Beeldenmaker

René Magritte schilderde snel en veel. ‘Er was een jaar waarin hij honderd schilderijen maakte’, zegt Claude Blondeel. ‘Zijn Brusselse vriendenkring kwam op vrijdagavond bij hem thuis in de Esseghemstraat in Jette. Magritte was een huismus en hing niet rond in salons of cafés. Op die vrijdagavonden toonde hij de schilderijen die hij de voorbije week gemaakt had. Dan mochten zijn vrienden titels voorstellen: de meest maffe won.’

Samen met zijn vrienden draaide hij verschillende amateurfilmpjes. ‘Margritte hield van foto’s en van film en was een begenadigd beeldenmaker’, zegt Eric Rinckhout. ‘Als hij nu zou leven, was hij misschien geen schilder maar maakte hij games, films of video’s.’

Bart Verschaffel werkte in de jaren negentig van de vorige eeuw samen met reportage- en documentairemaker Jef Cornelis aan twee documentaires over René Magritte. Verschaffel bekeek toen alle filmpjes die Magritte ooit gedraaid heeft. ‘De filmpjes dateren uit de jaren vijftig’, zegt hij. ‘Er zitten heel diverse dingen tussen. Magritte filmde en zijn vrienden reageerden op de camera en gedroegen zich kolderiek. Die filmpjes zijn interessant omdat ze zijn milieu tonen en je de mensen ziet die bij hem op bezoek komen. Zijn vrienden filmden hem ook. Zo ontdek je de vulgaire kant van René Magritte: hij maakte graag platte grappen. De middenklasse waartoe hij behoorde, had een stevige volkse ondergrond. Hij begon ook zijn eigen werk te filmen. Je ziet hoe de nog jonge schilder Marcel Mariën schilderijen naar de tuin brengt omdat daar meer licht is. Magritte filmt zijn doeken, zoomt in en uit. Aan de hand van die filmpjes konden we verschillende werken dateren. Hij ensceneerde ook filmpjes met vrienden als de schrijver Louis Scutenaire en diens vrouw Irène Hamoir. Op zijn verjaardag draaide hij Le loup rouge, een kortfilm in kleur over een tuba die verdwijnt en teruggevonden wordt. De tuba is een van de symbolen uit zijn schilderwerk uit de jaren twintig en staat voor de ingewanden van de vrouw. 25 jaar later spelen ze met die tuba tijdens de opname van dat filmpje.’

Aan het eind van zijn leven was Magritte van plan om zijn filmpjes tot een nieuwe film te monteren. Verschaffel: ‘In die tijd werden filmpjes verknipt en opnieuw aan elkaar geplakt of gemonteerd. Magritte had al zijn filmpjes verknipt maar niet meer aan elkaar geplakt. Al die stukken film lagen dooreen in dozen. Ik hielp Jef Cornelis bij het opnieuw ineen puzzelen. Het was een bijzondere ervaring om de kunstenaar en de mens Magritte op het witte doek te zien verschijnen. Louis Scutenaire’s weduwe Irène Hamoir leefde toen nog. Hoogstwaarschijnlijk was zij ook de maîtresse van René Magritte. We toonden haar de filmpjes. Ze wist niet dat ze nog bestonden en voor haar was het een confrontatie met haar dode geliefden. Ze zag die opnieuw herleven: haar man, René, Georgette en de kunstenaar Edouard Mesens.’

 

Steen

Veel werk van René Magritte werd al tijdens zijn leven gecommercialiseerd en op posters geprint. Volgens Claude Blondeel had de schilder daar geen enkel probleem mee. ‘Integendeel, hij vond dat heel tof en werkte er zelfs aan mee. Het is niet zo dat hij op geld uit was. Hij huurde lang een huis en kocht pas op het einde van zijn leven een villaatje. Hij heeft in zijn hele leven ook maar één auto gekocht. Na amper drie weken deed hij hem weer van de hand omdat hij er iets te veel mee gebotst had. Magritte genoot ervan dat zijn werk op posters werd uitgegeven. In de shop van het Magrittemuseum in Brussel kun je heel goed zien wat er allemaal met zijn werk gebeurd is. Na Walt Disney moet hij een van de meest gekopieerde artiesten ter wereld zijn. We komen René Magritte overal tegen: op koffiekoppen, kussens, dekbedovertrekken, kaartjes… Hij is een van de weinige kunstenaars die tijdens zijn leven een overzichtstentoonstelling kreeg in het New Yorkse MOMA. Popartkunstenaars zoals Robert Rauschenberg en Andy Warhol herkenden een geestesverwant in hem. Ook zij begonnen hun eigen werk te kopiëren.’

Een van de grote verdiensten van René Magritte is volgens Claude Blondeel dat hij kunst toegankelijk gemaakt heeft. ‘Terwijl zijn werk moeilijk blijft. Je staat oog in oog met een schilderij van hem, je vindt het bizar en aantrekkelijk. Vervolgens zie je de titel, begin je erover na te denken en stoot je op de intellectuele laag.’

Bart Verschaffel: ‘Schilderen was voor Magritte een vorm van nadenken; beelden maken een manier van mentale concentratie. Op het einde van zijn leven wordt dat nadenken bijna mediteren. In de jaren vijftig schilderde hij versteende stillevens, landschappen en interieurs. Alles veranderde in steen. In een van zijn laatste interviews werd hem gevraagd: “Wat betekent die steen?” Hij antwoordde: “La pierre ne pense pas.”’

 

(c) Jan Stevens

vorm van ruïnesEind 2012 keerde de Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez na zestien jaar Europese ‘ballingschap’ terug naar ‘zijn’ stad Bogotá. Zelf had hij daar niet zoveel zin in, maar vrouw en kinderen drongen aan. Gelukkig maar, want die terugkeer leverde opnieuw een meesterwerk op.

 

Juan Gabriel Vásquez groeide in de jaren tachtig op in de Colombiaanse hoofdstad Bogotá, op dat moment de meest gewelddadige stad ter wereld. Hij was amper 23 toen hij in 1996 zijn land vaarwel zei om in Parijs aan de Sorbonne Latijns-Amerikaanse literatuur te gaan studeren. In Europa wou hij zijn droom waarmaken: schrijver worden. Maar dat schrijverschap kwam niet meteen van de grond en hij belandde in een zware existentiële crisis. Een bevriend bejaard echtpaar nodigde hem uit voor een weekend op hun landgoed in de Belgische Ardennen. Het geplande weekend werden negen maanden en zijn eerste verhalen speelden zich af tijdens dat verblijf. In zijn nieuwe roman De vorm van ruïnes laat Vásquez een van zijn personages genadeloos afrekenen met die oude ‘brave’ Belgische verhalen. “Terwijl het thuisfront kampt met een burgeroorlog die meer dan twintigduizend doden per jaar eist, een terrorismeprobleem dat je nergens anders in Latijns-Amerika tegenkomt en een geschiedenis die van meet af aan wordt gekenmerkt door de moord op onze grote mannen, schrijft u over stelletjes in de Ardennen die uit elkaar gaan”, klinkt het verwijtend. Dat oordeel is ongenadig streng, want na zijn Belgische verhalen schreef Juan Gabriel Vásquez een aantal zeer indringende romans waarin zijn door drugs en geweld geteisterde geboorteland de hoofdrol speelt. Eerst vanuit Frankrijk, later vanuit Barcelona. Toen hij eind 2012 op verzoek van zijn vrouw en tweelingdochters samen met hen terugkeerde naar Bogotá, was dat ietwat tegen zijn zin. Hij was bang dat het gebrek aan afstand zijn vrije en vranke literaire stem over Colombia in de kiem zou smoren. De vorm van ruïnes schreef hij integraal in zijn geboorteland. Hij bewijst ermee dat zijn vrees om een voorzichtige, door de heimat geknechte schrijver te worden, totaal ongegrond was.

In De vorm van ruïnes duikt hij diep in het heart of darkness van zijn land, net zoals zijn grote idool Joseph Conrad hem dat voordeed in Congo. Vásquez reconstrueert twee politieke moorden die Colombia tot vandaag beroeren. De eerste is op Jorge Eliécer Gaitán, een beloftevol links-liberaal politicus die op 9 april 1948 doodgeschoten werd, de tweede op de linkse generaal en politicus Rafael Uribe Uribe die op 15 oktober 1914 met bijlslagen afgemaakt werd. De schrijver laat zich daarbij op sleeptouw nemen door de Kurtz-achtige Carlos Carballo, een hevig aanhanger van complottheorieën met een ongezonde obsessie voor het oeuvre van Vásquez.

Niemand schrijft soepeler en vloeiender dan Juan Gabriel Vásquez. De vorm van ruïnes is, alweer, een knap geconstrueerd meesterwerk en door de historische foto’s en de vele verwijzingen naar het persoonlijke leven van de schrijver bedrieglijk waarheidsgetrouw. Al is het boek wel degelijk een roman, bulkend van wat Vásquez zelf ‘poëtische waarheid’ noemt.

 

 

Juan Gabriel Vásquez

De lectuur van Honderd jaar eenzaamheid van zijn beroemde landgenoot Gabriel García Márquez ontstak bij Juan Gabriel Vásquez (1973) het heilige vuur om zelf ook schrijver te worden. Het magisch realisme liet hij achterwege. Hij debuteerde in 1997 met de novelle Persona. In 2004 schreef hij de biografie van zijn grote idool Joseph Conrad. Zijn grote internationale doorbraak beleefde hij in 2011 met Het geluid van vallende dingen waarmee hij de belangrijke Spaanse Premio Alfaguara won. Een jaar later werd de roman onderscheiden met de International IMPAC Dublin Literary Award.

 

Juan Gabriel Vásquez , De vorm van ruïnes, Signatuur, 520 blz. 24,99 euro

 

(c) Jan Stevens

De film Denial reconstrueert de geruchtmakende gerechtszaak die holocaustontkenner David Irving zeventien jaar geleden tegen Deborah Lipstadt aanspande. Irving wou de geschiedenisprofessor laten veroordelen wegens smaad maar beet zelf in het zand. Lipstadt is razend enthousiast over de film. ‘Denial laat zien wat voor een racistische leugenaar en vrouwenhater Irving is.’

 

Op 5 september 1996 viel bij de Amerikaanse professor geschiedenis Deborah Lipstadt een dagvaarding in de bus van de Britse zelfverklaarde historicus David Irving. Hij vervolgde haar voor laster en eerroof omdat ze hem in haar drie jaar eerder verschenen boek Denying the Holocaust omschreven had als ‘Hitler-adept’ en als ‘een gevaarlijke revisionist die historische feiten verdraait zodat ze bij zijn ideologische gedachtengoed passen.’ Het proces startte op 11 januari 2000 in het Hooggerechtshof in Londen en kreeg wereldwijde media-aandacht. Wat op het eerste gezicht een dispuut tussen twee ‘collega-historici’ leek, groeide uit tot ‘het proces van de eeuw’ over de historiciteit van de holocaust. De vraag was niet langer of Lipstadt de excentriek uitgedoste gentleman Irving beledigd had, maar of tijdens de holocaust werkelijk zes miljoen joden vermoord waren. De uitspraak van rechter Charles Gray drie maanden later werd een ijskoude douche voor David Irving. Gray nam geen blad voor de mond en noemde Irving ‘een holocaustontkenner, antisemiet, racist en een bondgenoot van rechtse extremisten die het neonazisme promoten. David Irving heeft voor eigen ideologische motieven aanhoudend en moedwillig historisch bewijs foutief voorgesteld en gemanipuleerd.’

In de uitstekende film Denial reconstrueert regisseur Mick Jackson het uitputtende juridische gevecht tussen Irving, vertolkt door Timothy Spall, en Deborah Lipstadt, vertolkt door Rachel Weisz. De inmiddels zeventigjarige Lipstadt is razend enthousiast over de manier waarop Weisz een zeventien jaar jongere versie van haarzelf neerzet. ‘Tijdens de voorbereiding van Denial heb ik lang met Rachel gepraat over hoe ik dat hele proces emotioneel beleefd heb’, zegt ze. ‘Zij brengt mijn emoties van toen op een wonderbaarlijke wijze op het witte doek weer tot leven. Ik hou zielsveel van de film. In minder dan twee uur slaagt Mick Jackson erin om duidelijk te maken op wat voor een perfide manier David Irving de feiten manipuleerde. Hij laat zien wat voor een racistische leugenaar en vrouwenhater die man is. Maar wat ik minstens even belangrijk vind: Denial vertelt niet enkel mijn persoonlijke verhaal.’

 

De film gaat eigenlijk ook over zeer actuele fenomenen zoals ‘alternatieve feiten’ of ‘nepnieuws’?

Deborah Lipstadt: ‘Zeer juist. De ‘alternatieve feiten’ van onze nieuwe president Donald Trump en zijn entourage zijn niets anders dan ordinaire leugens, even fabelachtig als het revisionisme van David Irving en zijn aanhangers. Sommigen vergelijken Trump nu met Irvings grote idool Adolf Hitler, maar dat vind ik overdreven. Het is niet omdat iemand zich slecht en gevaarlijk gedraagt, dat hij meteen een kloon van de Führer is. Zo is een vreselijke moordpartij ook niet automatisch een genocide. Het klinkt misschien cynisch, maar we moeten altijd de correcte verhoudingen in acht nemen. De belegering van Aleppo was verschrikkelijk: hospitalen, scholen en openbare markten werden door alle partijen en vooral door Assad gebombardeerd, maar dat wil nog niet zeggen dat het een genocide was. Een leider kan zich dus heel erg misdragen zonder Hitler naar de kroon te steken. Dat neemt niet weg dat Donald Trump zowel voor als tijdens zijn presidentschap uitspraken gedaan heeft waar ik me veel zorgen over maak. Zo hoorde ik hem alle problemen opnoemen waar Amerika volgens hem mee te maken heeft. Zijn conclusie luidde: “Ik ben de enige die ze kan oplossen.” Dat klonk als een echo van Mussolini, als onvervalste fascistische praat dus. Daar lig ik wakker van. Veel van de problemen die Trump in onze samenleving ontwaart, zijn trouwens eerder problemen in zijn eigen hoofd.’

 

President Donald Trump en holocaustontkenner David Irving staan voor u op één lijn?

Lipstadt: ‘Ja, samen met de complottheoretici, klimaatontkenners en brexiteers. Er zijn leugens, opinies en feiten. Ik kan u nu zeggen dat ik van mening ben dat de aarde plat is, waarna u zal opmerken dat ik geschift ben. Mijn repliek zal dan zijn: “Nee, ik voel heel sterk dat de aarde zo plat als een pannenkoek is.” (lacht) Onze president zit op die golflengte. Hij haalt zijn kennis bij Fox News en bij een figuur zoals die Steve Bannon die hem de meest gore onzin influistert. Trump is net als David Irving een leugenaar. “America First”, roept hij. Hij kent zijn geschiedenis niet, want hij lijkt nog nooit gehoord te hebben van het vooroorlogse The America First Committee met antisemiet Charles Lindbergh. Zéér beangstigend.’

 

Waarom begon David Irving tegen u te procederen? In uw boek had hij slechts een bijrol.

Lipstadt: ‘In november 1994 kwam hij naar het DeKalb College in Atlanta waar ik een lezing gaf over de ontkenning van de holocaust. Hij onderbrak me en zette een grote bek op. Ik wist niet waar ik het had. Tijdens de voorbereiding voor de film vroeg Rachel Weisz me: “Hoe was dat?” Ik antwoordde: “Ik voelde me als een hert gevangen in de koplampen van een auto.” De studenten wisten bitter weinig over de holocaust en plots stond daar iemand recht die riep dat alles wat ik vertelde onzin was. “Kijk, ze beginnen te bekvechten. Cool.” Ik stond daar bedremmeld en stil en Irving voelde zich de overwinnaar. Het was hem gelukt op dat kleine podium in die school, wat moest het dan wel niet worden op dat immense podium van het Hooggerechtshof in Londen?’

 

Het was een publiciteitsstunt?

Lipstadt: ‘Zonder twijfel. Hij zag hoe ik me liet intimideren en verwachtte niet dat ik zou terugvechten. “Die Amerikaanse jodin? Nee toch?” Hij wou bewijzen dat hij het slachtoffer was van een internationaal joods complot. Hij geloofde echt dat een stelletje joden van over de hele wereld rond de tafel was gaan zitten om de grote historicus David Irving te vernietigen. “Hoe gaan we dat aanpakken? Zullen we Deborah inschakelen?” Want ik, een vrouw, kon in de ogen van Irving natuurlijk nooit één van de samenzweerders zijn en was hooguit een marionet.

Toen zijn dagvaarding toekwam, voelde ik me verloren. Ik zei tegen vrienden: “David Irving heeft me gedagvaard”, en ze begonnen te schaterlachen. “Wie gelooft die kerel nu? Negeer dat gedoe.” Maar zo’n dagvaarding kun je niet negeren, ook al ben je ervan overtuigd dat je recht in je schoenen staat. Vlak voor het begin van de rechtszaak bood hij me een minnelijke schikking aan. Als ik vijfhonderd dollar zou geven aan een door hem gekozen liefdadigheidsorganisatie, me op papier verontschuldigde en hem erkende als bonafide holocaustontkenner, wou hij de zaak laten vallen. Ik moest ook alle nog niet verkochte exemplaren van mijn boek laten vernietigen. Mensen uit mijn omgeving drongen erop aan dat ik akkoord ging. Ze waren bang dat het slecht voor mij zou aflopen. Ik vond dat onzin.’

 

Waarom weigerde u een minnelijke schikking?

Lipstadt: ‘Dan had ik nooit nog een overlever in de ogen kunnen zien. Dan had ik ook nooit nog iemand die met de waarheid begaan is, durven aankijken. Ik had geen andere keuze dan dat juridische gevecht aangaan. Achteraf zeiden vrienden me: “Wat jij gedaan hebt, was heroïsch.” Maar ik ben geen held; ik had gewoon geen keuze. De dag na de uitspraak schreef de Britse historicus en journalist John Keegan: “Historici zijn nu aan het bibberen en beven. Want elke keer wanneer ze een fout maken, riskeren ze in een gerechtszaal te belanden.” Ik las dat artikel en ik dacht, zeventien jaar voor de film: “Die kerel leeft in La La-land.” (lacht) Want David Irving had mij vervolgd en ik niet hem. Ik geloof niet in het vervolgen van mensen die het niet nauw nemen met historische feiten. Ik geloof zelfs niet in wetten tegen negationisme.’

 

Sinds 1995 hebben wij zo een wet in België.

Lipstadt: ‘Dat is dan een vergissing. Ik ben tegen dat soort wetten omdat ik een groot verdediger van de vrijheid van meningsuiting ben. Free speech kan enkel gered worden door verstandige more speech. Een wet die negationisme verbiedt, maakt er alleen maar forbidden fruit van. Dan wordt al die onzin pas écht interessant. Mein Kampf was jaren niet te krijgen in Duitsland. Nu is er een heruitgave en is het een gigantisch succes. Ik wil niet dat politici beslissen wat ik wel of niet mag zeggen. Het is niet aan hen om te bepalen wat racistisch, antisemitisch of homofoob is.’

 

In België pleiten sommigen ervoor om het salafistische gedachtengoed te verbieden. Want als we te tolerant voor dat soort van denkbeelden zijn, nemen de intoleranten het misschien ooit over.

Lipstadt: ‘Er is een verschil tussen free speech en hate speech. Als salafistenleiders op een meeting verkondigen dat christenen ongelovige honden zijn wier hoofd afgehakt moet worden en een paar van de toehoorders wil dat in de praktijk brengen, moet er ingegrepen worden. Want dan wordt de wet overtreden.’

 

Zonder afgehakte hoofden kan er niet worden ingegrepen?

Lipstadt: ‘Van zodra er concrete plannen zijn, moet er worden ingegrepen. Daarom is het belangrijk dat de politie voldoende middelen en manschappen heeft om potentiële geweldplegers op tijd te stoppen. Als duidelijk is dat geradicaliseerde individuen van plan zijn om hoofden af te hakken, moeten ze meteen gearresteerd worden. Toch moeten we oppassen dat we niet islamofoob worden. Ik haat de salafisten, maar dat wil niet zeggen dat we daarom de islam moeten verketteren. Ik heb moslimvrienden en zij haten het salafisme even erg als ik.’

 

U plaatst antisemitisme en islamofobie op dezelfde lijn?

Lipstadt: ‘Antisemitisme, racisme, homofobie én islamofobie zijn uitingen van vooroordelen. Voor-oordeel: “Ik heb mijn oordeel geveld, breng me nu niet in verwarring met de feiten, alsjeblieft. Ik wéét dat joden niet deugen. Elke jood is een oplichter. Homo’s zijn ziek en zwarte Amerikanen zijn luie donders.” Er zit geen logica in vooroordelen. Ze zijn alleen maar dom.

Er zijn verschillen tussen islamofobie en antisemitisme. Veel gematigde moslims zijn antisemiet. “De joden zijn de satan.” Dat is een heel groot probleem. Gisteren zat ik in een taxi in Londen. De chauffeur was een moslim die al jaren in Engeland leeft. Een sympathieke kerel. Op een bepaald moment zei hij: “De joden hebben Jezus vermoord.” Ik dacht: “O my God, hier gaan we weer.” (lacht) Antisemitisme is eeuwenoud en de katholieke kerk draagt daar een grote verantwoordelijkheid voor. In de 18e en 19e eeuw gebruikten figuren zoals Voltaire en de Europese politici van die tijd het antisemitisme om hun eigen macht en invloed te vergroten. De nazi’s schakelden nog een paar versnellingen hoger. Kent u die mop van een nazi-bons die een grote groep mensen toespreekt? Hij buldert: “De joden deden dit, en de joden deden dat.” Waarop een man uit de menigte roept: “En de fietsers deden dit, en de fietsers deden dat.” De nazi kijkt verbaasd. “Wat is er mis met de fietsers?”, vraagt hij. “Wat is er mis met de joden?”, kaatst de man de bal terug.’

 

David Irving sleurde u in Londen voor het gerecht, terwijl u een Amerikaans staatsburger bent.

Lipstadt: ‘In Amerika had hij moeten bewijzen dat ik een leugenaar was; nu moest ík bewijzen dat ik de waarheid vertelde. Dat is een totaal ander vertrekpunt. In Amerika bestaat ook zoiets als de Public Figure Defence, wat wil zeggen dat een publieke figuur zoals een politicus, auteur, journalist of schrijver niet voor smaad vervolgd kan worden tijdens zijn publieke optreden, tenzij kwaadaardig opzet bewezen kan worden.

De aandacht van de wereldpers voor het proces was compleet geschift. Ik liep in Londen over straat en mensen riepen me toe: “Veel geluk!” In het begin schonken journalisten zeer veel aandacht aan wat Irving te vertellen had. Hij had nogal wat geschiedenisboeken geschreven en hij presenteerde zich ook als een degelijk historicus, gespecialiseerd in Adolf Hitler. Alleen had hij zich die titel van historicus ten onrechte toegeëigend, hij heeft er nooit voor gestudeerd. Het duurde een tijdje voor journalisten in de gaten kregen dat hij een charlatan was. Op een dag kwam een journalist naar me toe. “Ik moet je iets vertellen”, zei hij. “Ik zag daarnet hoe een vrouw tegen Irving zei: ‘Mijnheer, mijn moeder is vermoord in Auschwitz.’ Irving antwoordde: ‘Mevrouw, dan zal u blij zijn om te horen dat ze waarschijnlijk gestorven is aan de gevolgen van tyfus.’” De journalist was er niet goed van. “Waarom zou die vrouw blij moeten zijn dat haar moeder gecrepeerd is aan de tyfus? Waarom zat ze in Auschwitz? We weten toch dat ze zo goed als zeker vergast is? Wat voor een barbaar zegt nu zoiets?”’

 

U hebt het proces glansrijk gewonnen.

Lipstadt: ‘De uitspraak was fantastisch. Mijn enige probleem met de film is dat ik vind dat ze daar iets meer van hadden mogen laten zien. De rechter noemt Irving “een opzettelijke leugenaar, een vervalser van de geschiedenis, een fantast.” Hij zei: “Geen enkel redelijke mens kan eraan twijfelen dat er gaskamers in Auschwitz waren.” Tijdens het proces dineerde ik ergens in Londen bij vrienden en daar was een andere Britse rechter aanwezig. Hij had eerst toestemming aan het Hooggerechtshof moeten vragen of hij wel in mijn aanwezigheid mocht dineren. Ik vond dat hysterisch, want de man behandelde alleen faillissementen. (lacht) Tijdens het diner zei ik hem: “Ik wil die zaak winnen en Irving met de grond gelijk maken.” Hij zei: “Deborah, ik wil je niet teleurstellen, maar dat is niet de manier waarop wij, Britse rechters, oordelen. Wij zullen schrijven: ‘We vonden deze getuige niet behulpzaam.’ Elke Brit weet dat dit een eufemisme is voor: ‘Deze getuige is een leugenaar.’” Ik zei: “Dat is niet goed genoeg voor mij. Want Irving kan dan rondbazuinen: ‘Het is mijn job niet om behulpzaam te zijn.’ De rechter moet hem ronduit een leugenaar noemen.” Dat is gelukkig ook gebeurd. Ik kan me nog heel goed dat gevoel van pure vreugde voor de geest halen toen ik de uitspraak hoorde.’

 

Heeft het proces David Irving geruïneerd?

Lipstadt: ‘Compleet. Maar nu loopt hij rond te bazuinen dat duizenden mensen hem geschreven en gesteund hebben. “Ik leef in een huis met veertig kamers en rijd rond in een Rolls Royce.’ Een journalist vertelde me dat hij na een interview Irvings Rolls te zien kreeg. Ik adviseerde hem: ‘Ga volgende week nog eens onaangekondigd kijken. Wedden dat ‘zijn’ Rolls terug bij de verhuurder is?’ Een andere journalist vertelde me gisteren dat hij naar een van Irvings lezingen geweest was en dat er vier mensen in de zaal zaten, inclusief die journalist.’ (lacht)

 

U lijkt daar van te genieten, terwijl het toch iets zieligs heeft?

Lipstadt: ‘David Irving is helemaal niet zielig: hij is kwaadaardig. Weet u door wie hij na het proces het meest verketterd werd? Door andere holocaustontkenners. “Hij heeft de kans van zijn leven verknald om in de rechtbank brandhout van Lipstadt te maken.” Het stond in de sterren geschreven dat hij het zelf om zeep zou helpen. Onze strategie was om de bronnen uit te vlooien die hij vermelde in de voetnoten van zijn negationistische teksten. Irving schrijft: “Tijdens de Kristallnacht hoorde Hitler wat er aan het gebeuren was en werd hij woest. Hij verstuurde een telex: ‘Stop met de waanzin.’” In de voetnoot staat een verwijzing naar die telex. Wij snorden de originele telex op en lazen: “Stop het brandstichten”, want hele woonblokken stonden in de fik en de brandweerlui konden het niet meer aan. Er stond niet: “Stop met joden in elkaar te slaan”, of: “Stop met het vernielen van synagoges”, of: ‘Stop met joden uit de ramen te gooien.” Er stond alleen: “Stop met brandstichten.” Als je die telex citeert als “Stop met de waanzin”, geef je wel een heel ingrijpende draai aan de geschiedenis. David Irving doet dat continu. Veel mensen die zijn geschriften lazen, zagen de ellenlange voetnoten en vonden: “Hij heeft zich goed gedocumenteerd.” Door dat proces zagen wij ons genoodzaakt om àlle voetnoten te checken. Dat was bijzonder ontluisterend voor zijn geloofwaardigheid.’

 

Door u te dagvaarden, schoot Irving in eigen voet?

Lipstadt: ‘Ja. Op een bepaald moment tijdens het proces ondervroeg hij een getuige, want hij speelde zijn eigen advocaat. “Volgens dit document ging het zus en zo.” Tot de rechter hem onderbrak. “Mijnheer Irving, in dat document staat helemaal niet wat u daarnet zei.” Irving keek heel even verstoord en repliceerde: “O, dank u, your lordship.” Hij stelde de getuige een paar vragen en zei daarna opnieuw: “Volgens dit document…” En opnieuw werd hij onderbroken door de rechter. “Mijnheer Irving…” Zelfde scenario. De derde keer zei de rechter: “Mijnheer Irving, move on.” Tegen die stem van autoriteit kon Irving niet zomaar verder zijn leugens blijven herhalen. Tegen de rechter kon hij niet op.’

 

Had u toen niet een klein beetje medelijden met hem?

Lipstadt: ‘Geen sikkepit. Hij had het zelf gezocht. Hij dagvaardde me met opzet om me te vernietigen en hoopte zo zijn reputatie te vergroten. Hij koos mij uit om publiciteit te genereren en stal zes jaar van mijn leven. Geen medelijden. Mensen spreken me soms aan: “Deborah, heb je gelezen wat hij nu weer op zijn website over je geschreven heeft?” Nee, ik verspil geen tijd aan zijn onzin. Ik heb dat gevecht met Irving niet zelf gekozen. Het was als stappen in een hondendrol op straat. Dat stelt niets voor, tenzij je de stront je huis binnen brengt en je het tapijt naar de droogkuis moet brengen. Maar als je op tijd je schoen buiten uitdoet en proper en geduldig reinigt, is er niets aan de hand. De enige manier om kwaadaardige haters te bestrijden, is ervoor zorgen dat ze niet aan belang kunnen winnen.’

 

 

 

 

 

 

Deborah Lipstadt

1947 geboren in New York.

1976 studeert af aan de Brandeis University als doctor in de joodse geschiedenis en wordt geschiedenisprof aan verschillende universiteiten.

1993 publiceert Denying the Holocaust, The Growing Assault on Truth & Memory waarin ze ontkenners van de holocaust in kaart brengt.

1996 wordt samen met haar uitgever Penguin door David Irving voor het Britse Hooggerechtshof gedagvaard voor smaad.

2000 Irvings dagvaarding komt als een boemerang terug in zijn gezicht. De rechter noemt hem een leugenaar en een holocaustontkenner.

2005 schrijft History on Trial: My Day in Court with a Holocaust Denier, haar memoires over het proces.

 

 

(c) Jan Stevens

Zeventig jaar na zijn dood klinkt Al Capone’s naam nog steeds als een klok. Deirdre Bair ging bij zijn nazaten op de koffie, schreef zijn ultieme biografie en schrok van de gelijkenissen tussen Capone en Donald Trump. ‘Net alsof de geschiedenis rondjes draait.’

 

Overal ter wereld kent iedereen maffiabaas Al Capone. Op 17 januari 1899 zag hij als Alphonse Gabriel Capone het levenslicht in Brooklyn, New York. De Amerikaanse gangster beleefde zijn gloriejaren tijdens de drooglegging eind jaren twintig. Eerst vanuit het Metropole Hotel en later vanuit het Lexington Hotel bouwde hij de stad Chicago om tot een voor hem uiterst lucratief rovershol. Capone controleerde er de illegale gokhallen, de prostitutie en de handel in alcohol en drugs. Hij draaide een winst van minstens 105 miljoen dollar cash per jaar en bouwde zijn misdaadsyndicaat uit tot een perfect geoliede onderneming. Op het toppunt van zijn roem gedroeg hij zich als een superster en gaf hij aan ‘bevriende’ journalisten interviews waarin hij een pocherige inkijk in de werking van zijn Chicago Outfit gaf. Zo vertelde hij dat hij 185 mensen op zijn persoonlijke loonlijst had staan die hij elk 300 tot 400 dollar per week betaalde. ‘Allemaal ex-gedetineerden en moordenaars, maar nu zijn het eerbare zakenlieden, even respectabel als de mensen die mijn spullen kopen en gokken in mijn speelhallen.’

Er zijn bibliotheken gevuld met boeken over het leven van Al Capone, maar aan geen enkele biografie werkten de nazaten van de mobster mee. Ze maakten een uitzondering voor Deirdre Bair, die op haar 81e geldt als de Grande Dame van de Amerikaanse biografie. ‘Ze gaven me voor het eerst vrije toegang tot het familiearchief.’ Het resultaat is het met veel oog voor detail geschreven Al Capone, leven, legende en nalatenschap.

 

Waar komt uw persoonlijke fascinatie voor de figuur Al Capone vandaan?

Deirdre Bair: Eerlijk gezegd was die er niet. (lacht) De jongeman Andy Capone ving in zijn familie geruchten op dat zijn grootvader een onwettig kind van Al Capone was. Hij wou weten of dat verhaal waar was en vroeg aan een gemeenschappelijke vriendin of zij hem dat kon helpen uitzoeken. Die vriendin werkte ooit bij een uitgeverij, kwam bij mij op de thee en vertelde over Andy’s verzoek. ‘Geen idee hoe ik hem kan helpen,’ zei ze. ‘Wat moet hij volgens jou doen?’ ’Een privédetective inhuren’, luidde mijn advies. Ikzelf wist zo goed als niets over Al Capone, behalve dan al die misdaadverhalen die elke doorsnee Amerikaan kent. Zowat elke levende ziel op deze planeet weet dat Capone een afschuwelijke gangster en een bloeddorstige killer was. De zoektocht van Andy naar mogelijke verwantschap met de beruchte maffiabaas triggerde mijn nieuwsgierigheid. Ik begon stapels boeken over Al te lezen. Toen pas raakte ik écht gefascineerd door de figuur en zocht ik contact met leden van zijn familie. Andy Capone weet intussen dat hij daar niet bij hoort. (lacht)

 

Waarna u besloot om Al Capone’s biografie te schrijven?

Bair: Ik wou de waarheid van de mythe scheiden. Een van mijn grote problemen was de overvloed aan informatie over de man. Elke hond met een hoed op schreef ooit over hem. Toen hij nog leefde, vond je in elke grote Amerikaanse stad stapels kranten en tijdschriften vol artikels over Al Capone. Iedereen had een mening over hem. Hij deed de kassa rinkelen en als ze geen nieuwe harde feiten naar boven konden spitten, verzonnen ze die zelf wel. ‘Gisterenavond at hij in het restaurant om de hoek.’ Neen hoor, want hij zat toen in een andere stad te dineren. (lacht) De familieleden van Al Capone schilderden hun illustere voorvader af als een liefhebbende, charmante en bezorgde kerel. Zijn kleindochters Diane, Barbara en Theresa schetsten een beeld van de typische Italiaans-Amerikaanse familieman. Hij was bijzonder genereus voor zijn eigen grote familie. Die complexe combinatie van gezapige, ultralieve familieman en wreedaardige killer intrigeerde me mateloos.

 

Al Capone werd geboren in Brooklyn, New York. Zijn ouders waren eerste generatiemigranten uit het Italiaanse Napels. Rond zijn twintigste verhuisde hij naar Chicago. Waarom?

Bair: Dat weten we niet precies. In Brooklyn stond hij bekend als een straatnozem. Op zijn veertiende was hij van school weggestuurd, toen hij in het laatste jaar van de basisschool zat. Hij gedroeg er zich als een pain in the ass. Het tragische is dat hij erg intelligent was en een heus rekenwonder. Maar rond 1910 lieten leerkrachten op school de immigrantenkinderen links liggen. Ze haalden hun neus op voor die jongens en meisjes uit Oost- en Zuid-Europa. Volgens hen deugden Slovaken, Hongaren en Italianen voor geen millimeter. ‘Waarom zouden we aan die etters onze energie verkwisten? Ze groeien toch op voor galg en rad.’ De verhuis van Al van Brooklyn naar Chicago was vermoedelijk een vlucht. Hij had de Ierse gangster Arthur Finnegan zwaar toegetakeld en volgens sommige bronnen zelfs gedood. Hij moest dus waarschijnlijk weg uit New York om zijn eigen vege lijf te redden, want de Ieren zinden op wraak.

 

Was hij lid van een New Yorkse gangsterbende?

Bair: Nee, maar eens in Chicago werkte hij wel voor maffiabaas Giovanni ‘Johnny’ Torrio, Papa Johnny voor de vrienden. Torrio leidde geen echte gang, maar had allerlei mensen ‘in dienst’ met elk hun specialiteit, zoals afpersing of de illegale gokindustrie. Al Capone was een van Johnny’s ‘bedienden’. Torrio zal wel gezegd hebben: ‘Waarom verhuis je niet voor een paar jaar naar Chicago tot alles afgekoeld is?’ Al beheerde geld voor Torrio, want hij kon vertrouwd worden en was slim met cijfertjes.

 

Hij was Torrio’s accountant?

Bair: Precies. In zijn hele leven heeft Al Capone maar één legale baan gehad, en dat was ook als boekhouder. Hij was misschien zelfs aan de juiste kant van de wet gebleven als zijn vader Gabriele niet zo jong gestorven was. Gabriele had een bloeiende kapperszaak en een kwakkelende gezondheid. Toen vader Capone in november 1919 aan een hartaanval bezweek, was Al net met het twee jaar oudere Ierse middenklassemeisje Mae getrouwd en zelf ook vader geworden. Hij had Mae leren kennen in de kartonfabriek waar hij werkte. Op zijn drie oudere broers Vincenzo, Raffaele en Salvatore kon hij niet rekenen om voor zijn moeder Teresa te zorgen. De weduwe zelf had nog vijf kinderen thuis. Van de ene dag op de andere werd Al de kostwinner voor zijn moeder, zijn broers en zussen en zijn eigen gezin. Dat was het moment waarop hij zijn boekhoudersbestaan vaarwel zei, in dienst kwam van Johnny Torrio en naar Chicago vertrok.

 

In New York had hij dan misschien wel een legale job, een koorknaap was hij toch niet? Op het moment dat hij Brooklyn verliet, noemde iedereen hem al ‘scarface’.

Bair: Hij haatte die bijnaam. Het litteken in zijn gezicht was een gevolg van een gevecht in een café. Hij maakte een jonge vrouw een compliment: ‘U hebt een fraaie kont, juffrouw.’ Haar broer kon daar niet mee lachen en ritste ofwel met een mes, ofwel met een gebroken fles over Capone’s gezicht. Later durfde niemand het aan om in zijn nabijheid het woord ‘scarface’ te laten vallen. Zijn kompanen wisten dat hij dan uiterst gewelddadig werd.

 

In Chicago maakte hij snel ‘carrière’?

Bair: Hij klom in een rotvaart op de ladder in Torrio’s organisatie. Hij verhuisde zijn hele familie naar Chicago en geen enkele Capone keerde ooit terug naar Brooklyn.

 

Echt lang duurde de carrière van Al Capone niet.

Bair: Nee, en dat was voor mij een grote verrassing. Op zijn 25e had hij de hele wereld in zijn zak en op zijn 29e was hij al op weg naar de cel. Amper vijf jaar lang was hij de koning van de onderwereld van Chicago. En toch is hij nu nog steeds the talk of the town.

 

Is dat omdat hij als killer een immens bloederig spoor achterliet?

Bair: Niet alleen daarom. Ik wik mijn woorden nu, maar hij was minstens even excentriek als onze kersverse president Donald Trump. Al Capone is de uitvinder van de ‘spin’, u kent dat wel: de kunst van het verzinnen van ‘alternatieve feiten’. Tot voor kort dacht ik dat Capone op eenzame hoogte stond, de voorbije weken heb ik dat jammer genoeg moeten herzien: Trump steekt hem naar de kroon. (lacht)

 

Donald Trumps grote leermeester was in de jaren zeventig wijlen Roy Cohn, de advocaat van beruchte New Yorkse maffiosi als Carmine Galante, Tony Salerno en John Gotti.

Bair: Dat is dan een extra verbinding tussen beiden. Net als Tump was Al Capone erg flashy, flamboyant en larger than life. Alle andere maffiosi leidden stille levens en meden de schijnwerpers, maar Capone zocht de aandacht op. Hij droeg absurde kledij, zoals banaangele en paarse kostuums en hij was verzot op gigantische diamanten ringen en dasspelden. Hij mengde zich onder de jetset en liet het geld rollen. Twee derde van de politie van Chicago stond op zijn loonlijst. Hij betaalde journalisten royaal om positieve verhalen over hem te schrijven en creëerde zo zijn twintigste-eeuwse variant van breitbart.com. De stennis die hij in zijn tijd schopte, houdt hem tot vandaag alive and kicking. De Bulgaarse maffia heeft de manier waarop Capone de Chicago Outfit leidde grondig bestudeerd en brengt dat nu zelf in de praktijk. De regering van Tadzjikistan heeft een postzegel laten drukken met zijn gezicht op. Ze zijn allemaal grote fans. Capone was een geslepen vos. Aan de businessschool van de universiteit van Harvard wordt een cursus gegeven waarin bestudeerd wordt hoe Al Capone zijn illegale zakenafdeling leidde. Hij had het zonder twijfel erg goed gedaan als ceo van een regulier miljoenenbedrijf.

 

Waren de late jaren twintig en de vroege jaren dertig van de twintigste eeuw even woelig als nu?

Bair: De Amerikaanse samenleving was toen net zo diep verdeeld als nu. Een kleine groep rijken werd niet geraakt door de Grote Depressie en bleef in het geld zwemmen; de rest van de Amerikanen had alles verloren en was straatarm. Al Capone beweerde dat hij voor de kleine man was, voor de gewone dompelaar. Hij presenteerde zich als een soort Robin Hood, organiseerde soepkeukens voor mensen die honger leden, deelde bankbiljetten uit en stuurde kinderen naar school. Tezelfdertijd maakte hij woekerwinsten met illegaal gestookte drank. In dat diep verdeelde Amerika was daar plots die figuur van Al Capone die zonder scrupules in het openbaar de wet aan zijn laars lapte en er nog mee weg geraakte ook. Hij was niet de enige die de wet overtrad: nog veel anderen stookten illegaal alcohol om door te verkopen. Maar zij leefden ondergedoken.

De droogleggingswet was ontsproten uit de koker van oerconservatieve rechtse scherpslijpers. Vandaag wordt ons land geleid door gelijkaardige politici. Het lijkt alsof de geschiedenis rondjes draait, vindt u niet? In de jaren twintig en dertig vergaapte het hele land zich aan Al Capone, net zoals iedereen nu zit te staren naar Donald Trump, die andere brulboei die vroeger hard bezig was met het opeenstapelen van geld. Iedereen vindt hem fantastisch en houdt van hem. Ze hielden ooit ook van Al Capone, tot ze zich op een bepaald moment massaal tegen hem keerden en hij in de cel eindigde. We leven dus nog op hoop. (diepe zucht)

 

De gelijkenissen tussen de tijd van Capone en de huidige tijd van Trump boezemen u angst in?

Bair: Heel erg veel zelfs. Ik demonstreer mee met de vrouwen en doneer geld voor progressieve goede doelen. Ik word doodsbang als ik zie wat er aan de top van het land gebeurt. Het enige hoopgevende is dat steeds meer Amerikanen tegen hun nieuwe regering in het verzet gaan. Natuurlijk was de crisis van de Grote Depressie veel ingrijpender dan de huidige. Tijdens de drooglegging probeerden mensen te overleven en hadden ze wat anders aan hun hoofd dan demonstreren tegen de overheid. In 1932 werd de progressieve president Franklin Roosevelt verkozen. Met zijn New Deal schonk hij ons een sociaal contract en introduceerde hij sociale zekerheidsprogramma’s. Toen begon de oorlog die ons helemaal uit de depressie trok. ‘Dankzij’ de oorlogsindustrie had iedereen tegen 1940 een job. Het afgrijselijke oorlogsscenario zorgde paradoxaal genoeg voor stabiliteit en bracht later terug welvaart in dit land. Maar op dit moment is er noch stabiliteit, noch welvaart. Dat is zeer onrustwekkend.

 

Hoeveel mensen heeft Al Capone eigenhandig vermoord?

Bair: Daar bestaat nog steeds geen overeenstemming over. Zowat alle boeken die tot hiertoe over Capone verschenen zijn, gebruiken dezelfde bronnen en toch komen ze tot uiteenlopende tellingen van de slachtoffers die hij eigenhandig gedood heeft. Er zijn twee uitersten: ofwel tussen 18 en 25, ofwel 500. Ik durf er geen cijfer op te plakken. U mag kiezen: een stuk of 20 of een stuk of 500. (lacht) Al was erg begaan over zijn public relations en deed er alles aan om niet het imago van massamoordenaar te krijgen. Het lijkt me daarom ook logischer dat hijzelf ‘maar’ 18 mensen omlegde in plaats van 500. ‘Uitbesteden aan onderaannemers’ lag meer in zijn aard. Toen hij op zijn veertiende de school vaarwel zei, kreeg hij van zijn vader een schoenpoetskistje cadeau. Pa Capone bracht zijn zoon naar een drukke straat in Brooklyn. De boodschap was duidelijk: ’Vanaf nu, zoon, verdien je je kostje maar als schoenpoetser.’ Al wou zijn handen niet vuil maken en hij verkocht zijn schoenpoetsdoos aan een andere jongen. Met de opbrengst huurde hij een groep straatjongens in die voor hem schoenpoetsertjes gingen afpersen. Wie geen problemen wilde, betaalde braaf zijn bijdrage aan Al Capone. Dat was het oerbegin van zijn leven als mobster.

 

Een van de beruchtste raids waar Al Capone verantwoordelijkheid voor draagt, is het bloedbad van Sint-Valentijn, waarbij zijn bendeleden in politie-uniform zes leden van een rivaliserende bende afmaakten. Capone zelf was toen niet in Chicago, maar op vakantie in Florida.

Bair: Hij genoot van de zon op het terras van zijn schitterende huis in Miami. Op 14 februari 1929 gaf hij er een groots feest voor alle lokale notabelen. De burgemeester, de commissarissen, hoofdredacteurs… ze waren er allemaal. De drank vloeide in beken. Al droeg zijn schitterende witte pak en ondertussen vond in Chicago de slachting plaats van zes leden van de concurrerende bende van de Ierse gangster George ‘Bugs’ Moran. Ze werden in een garage in koelen bloede met machinegeweren afgemaakt. Het afgrijzen over dat bloedbad was groot en betekende het begin van het einde van Al Capone. De andere bendeleiders van Chicago zeiden dat ze wisten dat Capone het meesterbrein achter de slachting was. Want: ‘Nobody kills like Al Capone.’ De publieke opinie keerde zich tegen hem. De federale overheid wou hem achter de tralies. Ze kregen hem niet te pakken voor de moordpartijen en zijn criminele activiteiten, maar wel voor belastingfraude: Al betaalde geen belastingen omdat hij naar eigen zeggen geen inkomen had. In 1931 werd hij gearresteerd.

 

Van Donald Trump wordt ook gezegd dat hij zijn belastingaangiften niet wil vrijgeven omdat dan zou blijken dat hij al jaren geen belastingen betaalt.

Bair: De gelijkenissen tussen die twee zijn echt griezelig. De Amerikaanse fiscus ging niet langer akkoord met Capone’s uitleg dat hij geen cent verdiende. ‘Hoe kunt u dan duizend dollar per week besteden aan delicatessen? Hoe betaalt u dan uw handgemaakt zijden ondergoed? Uw schitterend huis? Uw personeel? U leeft als een multimiljonair en toch beweert u geen dollarcent te verdienen.’

Belastingontduiking werd toen bestraft met 2,5 jaar; Al kreeg van zijn rechter elf jaar. De druk om hem op te sluiten was groot. Zijn proces was een aanfluiting: met wat aan bewijzen op tafel lag, had hij nooit zo’n zware straf mogen krijgen. Hij werd opgesloten in de gevangenis van Atlanta waar hij zich ontpopte tot voorbeeldgevangene in de hoop zo vervroegd vrij te komen. Na twee jaar werd hij overgebracht naar de nieuwgebouwde gevangenis op Alcatraz Island vlakbij San Francisco. Ze probeerden van Capone een afschrikwekkend voorbeeld te maken dat misdaad niet loont. Maar op dat moment was hij al volop aan het dementeren als gevolg van de syfilis die hij rond zijn 18e bij een hoertje had opgelopen. Hij gaf de ziekte toen ook door aan zijn vrouw Mae en zijn ongeboren zoon. In de gevangenis van Atlanta kreeg Al de eerste aanvallen. In Alcatraz had hij nog de verstandelijke vermogens van een tienjarige. De dementie werd zo erg dat ze hem vrijlieten. Hij trok zich terug in zijn huis in Miami waar hij als gevolg van de syfilis op zijn 48e overleed.

 

Bent u tijdens het schrijven van uw boek sympathie beginnen koesteren voor Al Capone?

Bair: Eigenlijk wel. Ik heb een uitgebreide studie gemaakt over immigranten uit Zuid- en Oost-Europa in de VS en zij kregen het uitzonderlijk hard te verduren. De miserie waarin de familie Capone ondergedompeld werd, geldt voor mij als verzachtende omstandigheid. Uit alle gesprekken die ik met zijn nog levende naaste familieleden had, komt Al naar voor als een liefhebbende echtgenoot, vader en grootvader. Zij vinden het lastig om de meedogenloze killer in hem te zien.

 

Zetten zijn nazaten zijn werk voort?

Bair: Geen enkele Capone is in de misdaad actief. Sommigen zijn ondernemer, anderen dokter, nog anderen verdienen hun dagelijkse brood aan de universiteit. De Capone’s vormen een hechte, warme familie, wat typisch is voor Italiaanse immigranten van de derde en vierde generatie. Ze hebben het gemaakt en uitstekende carrières uitgebouwd. Moest Al een halve eeuw later geboren zijn, zat hij nu niet als die mythische moordende scarface in ons collectieve geheugen.

 

Deirdre Bair, Al Capone. Leven, legende en nalatenschap, Spectrum, 454 blz., 29,99 euro

 

 

Deirdre Bair

1935: geboren in Pittsburgh, Philadelphia.

1957: studeert af aan de letterenfaculteit van de universiteit van Pennsylvania.

1957 – 1969: werkt als assistent-professor Engels aan dezelfde universiteit.

1976: wordt professor literatuur aan de universiteit van New York.

1990: publiceert haar biografie Samuel Beckett waar ze de National Book Award mee wint. In datzelfde jaar volgt ook nog Simone de Beauvoir: A Biography.

1995: haar biografie Anaïs Nin wordt door de New York Times verkozen tot ‘beste boek van het jaar’.

2003: Jung, A Biography verschijnt.

2012: in Saul Steinberg, A Biography, reconstrueert ze het leven van een van de meest vooraanstaande cartoonisten van het magazine The New Yorker.

 

 

© Jan Stevens

 

 

https://player.fm/series/interne-keuken-podcast/interne-keuken-25-maart-2017

 

sport der koningenEen ‘Great American Novel’ schrijven: niets meer of minder was de ambitie van de nog jonge Amerikaanse schrijfster C.E. Morgan. Met haar tweede roman Sport der Koningen komt ze héél dicht in de buurt.

 

 

Vijf jaar geleden schreef C. E. Morgan naar aanleiding van de heruitgave van Light in August van William Faulkner op nieuwssite The Daily Beast een lange beschouwing over The Great American Novel. Het ideaal van die grote, epische roman die à la Faulkner de Amerikaanse ziel weet te vatten, was voor de (post)moderne literatuurliefhebber a bit of an embarrassment geworden, schreef ze. ‘De Great American Novel wordt gekastijd als een mannelijke uitvinding, als een viering van de literaire diepte en breedte van het mannelijke brein ten koste van zijn vrouwelijke tegenhanger. Bijna iedereen lijkt het erover eens te zijn: de ‘grote Amerikaanse roman’ is rijp voor het pensioen, of is een literaire dinosaurus die we, met trots, als uitgestorven mogen beschouwen.’ Wat Morgan vervolgens in haar artikel te vuur en te zwaard bestreed. ‘De Great American Novel is helemaal niet dood’, besloot ze. ‘Ons land is niet dood. Tragedie is niet dood. Hilariteit is niet dood, net als geboorte, huwelijk, seks, misdaad, haat, waanzin, gebed.’ De daad bij het woord voegend, werkte ze in de jaren erna naarstig aan Sport der Koningen, haar vuistdikke ‘grote Amerikaanse roman’ waarin ze op Faulkneriaanse wijze het epos van de bijna mythische familie Forge schrijft.

Henry Forge groeit in de jaren vijftig van de twintigste eeuw op het platteland van Kentucky op. Zijn vader stamt uit een familie met een bloedlijn die teruggaat tot de Amerikaanse Burgeroorlog. Rijke voorvader Samuel Forge vond Virginia, de staat waar hij woonde, te druk en te dichtbevolkt, hij zadelde zijn paard, stak met zijn favoriete slaaf de bergen over en legde in Kentucky de fundamenten voor de boerderij en de landerijen van de familie Forge. Henry’s vader is minstens even streng als oervader Samuel en tuchtigt zijn zoon met de riem. Maar de wil van de eigenwijze Henry breekt hij niet. Integendeel, wanneer Henry het op de boerderij voor het zeggen krijgt, ruilt hij de tabakskweek in voor het fokken van paarden. Hij moet en zal het ultieme paard fokken en zo zijn vader eens en voorgoed overvleugelen. Hij werkt daarvoor samen met zijn dochter Henrietta. Dat loopt niet van een leien dakje, want Henrietta heeft een aartje naar haar vaartje en is minstens even eigenzinnig. De komst van de zwarte ex-gevangene Allmon Shaughnessy als stalknecht, zet het conflict tussen vader en dochter op scherp.

C.E. Morgan is als schrijfster minstens een even grote doordouwer als haar hoofdfiguur Henry. Haar ambitie om die grote Amerikaanse roman te schrijven, spat van elke bladzijde. Alle ingrediënten zijn ook ruim aanwezig, met veel aandacht voor het brede historische perspectief, met schitterende beelden, fraai gecomponeerde zinnen, uitzinnige vreugde en neerdrukkende tragiek. Slaven, moord, doodslag, geknetter van vuursteengeweren, onversneden racisme, incest… you name it, C.E’s got it. Alleen jammer genoeg soms iets té veel. Want na vierhonderd bladzijden weegt de zoveelste gedetailleerde natuurbeschrijving toch ietwat zwaar. Met een klein beetje dosering was Sport der koningen uitgegroeid tot een waarlijk grote Great American Novel.

 

 

C.E. Morgan

De in Kentucky opgegroeide Amerikaanse schrijfster C. E. Morgan (1947) debuteerde in 2009 met de bejubelde liefdesroman Alle levenden. De National Book Foundation riep haar in datzelfde jaar prompt uit tot een van de vijf meest belovende Amerikaanse auteurs onder de 35. Morgan studeerde literatuur en theologie en schuwt het bijbelse taalgebruik niet.

 

C.E. Morgan, Sport der koningen, De Bezige Bij, 672 blz. 24,99 euro

 

© Jan Stevens

4321Wat als Hillary Clinton de Amerikaanse presidentsverkiezingen gewonnen had? Wat als Donald Trump zonder haarlak valt? Wat als uw kat een koe is? In 4 3 2 1 daagt Paul Auster het toeval uit en verkent hij mogelijke variaties op één mensenleven.

 

Het scheelde geen haar of Archibald Isaac Ferguson, het hoofdpersonage uit Paul Austers nieuwe roman 4 3 2 1, had Archibald Rockefeller geheten. Tenminste, dat leert de familieoverlevering. In 1900 voer Fergusons Russische grootvader Isaac Reznikov via Hamburg naar New York. In afwachting van zijn ondervraging door de immigratiedienst sloeg Reznikov een praatje met een andere Rus. ‘Met jouw naam raak je hier nergens”, zei die. ‘Zeg straks dat je Rockefeller bent.’ Toen Isaac Reznikov een paar uur later eindelijk bij de immigratiebeambte kwam, was hij zijn nieuwe naam alweer vergeten. Op de vraag hoe hij heette, antwoordde hij in het Jiddisch: ‘Ich hob fargesn.’ De beambte noteerde: ‘Ichabod Ferguson’.

De legende over opa Ferguson ging over van vader op zoon, vormt de start van 4 3 2 1 en van de mogelijke levens van Archibald ‘Archie’ Ferguson, het enige kind van Stanley en Rose.

Op 3 maart 1947 ziet Archie twee weken te vroeg het levenslicht in een materniteit in Newark, New Jersey. Niet toevallig een maand nadat Paul Auster op exact dezelfde plek geboren werd. Wat volgt zijn vier variaties van het verdere leven van Ferguson en zijn geliefden. Net alsof vanuit de oer-Archibald nog drie identieke Archibalds in hetzelfde universum een parallel bestaan uitbouwen. Alle vier worden ze verliefd op dezelfde vrouw, met telkens een andere afloop. Alle vier ervaren ze hetzelfde Amerikaanse stuk hedendaagse geschiedenis, telkens vanuit een totaal ander perspectief.

Voor een niet-gewaarschuwd lezer is het verwarring troef wanneer vader Stanley in het ene hoofdstuk gruwelijk aan zijn einde komt, om in het volgende hoofdstuk vervolgens verder vrolijk door het leven te huppelen. Maar het procedé went, werkt en zet een lezer aan tot mijmeren over het eigen levenspad. Om misschien uiteindelijk te besluiten dat dat al bij al nog niet zo rampzalig verliep, net zoals Auster op het einde van zijn roman, wanneer hij de betekenis van de titel 4 3 2 1 uitlegt.

Toeval is Paul Austers handelsmerk. Net als sterfelijkheid, New York, honkbal en identiteit. Met die thema’s vulde hij ettelijke, relatief dunne romans waarmee hij sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw een trouw publiek bereikt. Drie jaar werkte hij aan 4 3 2 1. Met de erg on-Austeriaanse dikte van 944 bladzijden lijkt het alsof dit zijn magnum opus moet worden. In de Angelsaksische wereld wordt het boek niet door iedereen even enthousiast ontvangen. “Paul Auster schreef een roman zo groot als zijn ego”, kopte een Britse recensent. Ietwat overdreven, want 4 3 2 1 is met veel zorg en toewijding geschreven vintage Auster, met deze keer zelfs vier romans voor de prijs van één.

 

Paul Auster

Na zijn studies verhuisde de Amerikaanse auteur Paul Auster (1947) begin jaren zeventig voor een paar jaar naar Frankrijk. Hij verdiende er zijn brood met het vertalen van Franse schrijvers. Terug in het door hem geliefde New York schreef hij een vooral in Europa erg gesmaakt oeuvre bijeen met ingenieus gecomponeerde romans waarin toeval en sterfelijkheid centraal staan, zoals The New York Trilogy (1985-1987), Moon Palace (1989) The Music of Chance (1990) en Leviathan (1992). Auster draagt 4 3 2 1 op aan zijn vrouw, schrijfster Siri Hustvedt.

 

Paul Auster, 4 3 2 1, De Bezige Bij, 944 blz. 34,99 euro

 

© Jan Stevens

Op zijn 24e werd de Tsjechische econoom Tomáš Sedláček adviseur van president Václav Havel. Vandaag geniet hij met zijn eigenzinnige economische analyses in eigen land de status van een rockster. ‘Met de brexit hoorden we de doodsklokken over Europa al luiden. Na president Donald Trump is voor de Europeanen meer dan ooit het moment gekomen om hun rug te rechten.’

 

Tomáš Sedláček werkt als strateeg en opper-macro-econoom voor de grootste Tsjechische bank ČSOB en doceert aan de Karelsuniversiteit in Praag. Met zijn in 2011 verschenen boek De economie van goed en kwaad gooide hij internationaal hoge ogen. Op een moment waarop de bankencrisis volop woedde, las hij de wolven van Wall Street en de Gordon Gekko’s van deze wereld de levieten: greed was not good, en alle pleitbezorgers van de vrije markteconomie hadden dringend nood aan een stevige injectie ethiek. Sedláček ging daarvoor te rade bij de bijbel en filosofen. ‘Een van onze grote problemen is dat veel economen, politici en strategen de 18e-eeuwse oervader van de economie Adam Smith verkeerd interpreteren’, zegt Tomáš Sedláček. ‘Ze kennen alleen zijn werk The Wealth of Nations, met de beruchte “onzichtbare hand”. Ze zien Smith als pleitbezorger voor egoïsme, want dat zou volstaan om de samenleving in de juiste richting te duwen. Normen en waarden vinden ze overbodig, want de markt zet dankzij die onzichtbare hand toch alles om in algemeen welzijn. In hun interpretatie is er dus met hebzucht niets verkeerd. Alleen hebben ze dat andere grote werk van Smith, The Theory of Moral Sentiments, links laten liggen. In dat boek is niet het “eigenbelang”, maar genegenheid de drijfveer van het menselijk handelen. Dat is heel wat anders dan greed.’

Ik ontmoet Tomáš Sedláček in een hotelbar in Den Haag waar hij later die dag een lezing over ethiek in de economie zal geven. Met zijn wilde rode haar en baard ziet hij er eerder als een deelnemer aan de Schotse Highland-games uit dan als een ietwat saaie topeconoom. Saai is Sedláček allerminst. ‘Weet u wat een van de plagen van onze tijd is?’, vraagt hij uitdagend. ‘Dat mensen te veel foute verwachtingen koesteren. Wacht, ik zal het illustreren met een pen.’ Hij steekt zijn hand in zijn binnenzak, tovert een tandenborstel te voorschijn, kijkt er verbaasd naar en schiet in de lach. ‘Met een tandenborstel lukt het ook. “Hoe kan ik weten of dit een goede tandenborstel is?”, vraag ik nu aan u.’

 

Door hem uit te testen en er uw tanden mee te poetsen.

Tomáš Sedláček: ‘Ok’, antwoord ik dan. ‘Mijn tanden poetst hij goed.’ Het antwoord op mijn vraag was poepsimpel omdat we allebei weten dat een tandenborstel dient om tanden te poetsen. Nu vraag ik u: ‘Functioneert de economie goed of slecht?’ (stilte) Dat weten we niet, want we hebben geen benul waar economie voor dient. Ik zou ook kunnen vragen: ‘Werkt de Europese Unie?’ Ook dat kunnen we niet weten, want we weten niet eens wat de functie van de EU eigenlijk is.

 

Ik kan wel zeggen dat ikzelf goed functioneer in de economie, of dat ikzelf floreer in de EU.

Sedláček: Exact. Zo zal elke burger zijn eigen individuele antwoord hebben op hoe hij functioneert in die EU, terwijl we wel allemaal hetzelfde antwoord zullen geven op de vraag waar onze tandenborstel voor dient. Wie van zijn tandenborstel verwacht dat hij ’s morgens eitjes zal bakken, vertrekt met honger naar het werk en scheldt zich elke ochtend een beroerte. ‘Wat is dat toch met “de elite”, met die slimme eikels die er nog steeds niet in geslaagd zijn om mijn tandenborstel te repareren? Fuck die nitwits: elke keer als ik een ei op die tandenborstel breek, lopen de dooier en het eigeel er gewoon af. Die stomme tandenborstel werkt niet.’ En zo raken steeds meer mensen door hun foute verwachtingen gefrustreerd. Ze zijn vergeten dat de functionaliteit van een object alleen maar beoordeeld kan worden op basis van waar het ding voor dient. De rol van de economie is om ervoor te zorgen dat jijzelf, je vrouw, je kinderen en je vrienden zich niet de hele tijd zorgen hoeven te maken of jullie voldoende eten zullen hebben of een dak boven jullie hoofd. De economie vervult die rol ook voor zeer veel mensen. Maar zorgt de economie voor een ideale work/life-balans? Nope. Geeft de economie zin aan je leven? Nope. Jíj moet voor zin zorgen. Geeft de Europese Unie zin aan je leven? Ik dacht het niet. Zorgt de EU voor de armen en de gepensioneerden? Nope. Jíj moet dat doen. Wij moeten dat allemaal samen invullen, ons belastinggeld herverdelen voor de gepensioneerden en voor onze kinderen zorgen. De economie is daar alleen maar een middel voor. Het is ónze taak om de samenleving in te richten.

 

De grote religieuze en filosofische verhalen zoals u ze in uw boek beschrijft, kunnen ons daarbij helpen?

Sedláček: Ja, want we zijn te hard doorgeslagen in onze postmodernistische twijfel. Zo goed als al onze grote verhalen lijken we te zijn kwijtgeraakt, terwijl we er tijdens onze grote vrijpartij met dat postmodernisme wel heimelijk heimwee naar hadden. De financiële crisis brak die vrijpartij abrupt af, net op het moment dat we ons al die grote verhalen amper nog konden herinneren. We pochten dat we postmodernisten waren, terwijl ons postmodernisme amper kloten aan het lijf had. Ik geloof er niet in dat mensen zonder verhalen kunnen leven. Alleen is er op dit moment zo goed als niemand die nog op een geloofwaardige manier verhalen vertelt. Onze elites laten het op alle vlakken afweten. En met ‘elite’ bedoel ik niet één welbepaalde groep intellectuelen, maar al degenen die in elke sector of beroepsgroep het lichtend voorbeeld zouden moeten zijn. Ook de timmerlui hebben hun elite, net als de smeden, de landbouwers, de journalisten, de economen en de politici.

 

Doordat de elites het laten afweten, hebben de populisten het nu voor het zeggen?

Sedláček: Herinnert u zich Occupy Wall Street van vijf jaar geleden nog? Die linkse beweging beweerde het volk te vertegenwoordigen, maar leidde tot niets. Nu walst er een gigantische contrarevolutionaire beweging over ons heen. De verkiezingsoverwinning van Donald Trump is de ultieme overwinning van de Tea Party, die club waar zowel Amerikaanse als Europese intellectuelen graag de vloer mee aanveegden: ‘Wat een idioten.’ Die ‘idioten’ vieren nu wel hun ‘Tr(i)ump(h)’. Als deze golf de volgende maanden verder over Europa spoelt, kan het wel eens heel gevaarlijk worden. De geschiedenis leert mij: wat in de VS een schram veroorzaakt, vernietigt Europa. Denk maar aan de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. De recente financiële crisis startte ook in de VS en veroorzaakte daar geen burgeroorlog, maar liet er een diepe schram achter. De gevolgen van die crisis zijn voor Europa veel ingrijpender: ze bracht een land als Griekenland tot aan het bankroet en ondermijnt de solidariteit in de Unie. Hebt u de inauguratiespeech van president Trump gehoord? In plaats van de rijken tegenover de armen te zetten, plaatste hij de politici tegenover de niet-politici. Ik vond dat een bijzonder vreemde opdeling.

 

Gaf hij dan niet de politiek terug aan het volk?

Sedláček: Hij is zelf toch ook politicus geworden? Wil dat dan zeggen dat enkel hij de vertegenwoordiger is van het volk? Of wil dat zeggen dat hij het volk zelf is? Met zijn speech begeeft Donald Trump zich op zeer gevaarlijk terrein. Zijn fans waren ongetwijfeld zwaar onder de indruk van de woorden van hun president. Maar als je er even over nadenkt, zei hij eigenlijk dat het Amerikaanse volk geen sikkepit in de pap te brokken had tot vlak voor hij de eed aflegde. Wat nonsens is, want in een democratie vertegenwoordigt élke nieuw verkozen president de wil van het volk. Trump lijkt er niets van begrepen te hebben. Het is niet omdat zijn voorgangers een beleid voerden dat hem niet aanstond, dat ze het volk niet vertegenwoordigden. Nogal wat van die voorgangers boekten trouwens veel indrukwekkender verkiezingsoverwinningen dan mijnheer Trump.

 

President Trump is slecht nieuws voor Europa?

Sedláček: Ja, en het wordt een regelrechte ramp als ook Europese landen voor de bijl zullen gaan voor het trumpisme, waarin politiek hetzelfde is als zakendoen en populisme vermengd wordt met radicaalrechtse retoriek. Dat zal voor de EU het begin van het einde inluiden. Met de brexit hoorden we de doodsklokken al. De uitslag van dat referendum was een mokerslag voor alle weldenkende Europeanen. Nu is meer dan ooit het moment gekomen om onze rug te rechten. Want het zal niet lang meer duren vooraleer de EU het enige blok in de wereld is met een liberale democratie. We kunnen Rusland bezwaarlijk een democratisch toonbeeld noemen en de Verenigde Staten lijken zich ook op te maken om er afscheid van te nemen. Ik hoop dat Europa er nu in zal slagen om voluit te kiezen voor de waarden die aan de oorsprong lagen van het Europese project. ‘Omdat we zo gruwen van het Rusland onder Poetin en de VS onder Trump, houden we vast aan onze democratie.’ Dat hoop ik echt.

 

Volgens eurosceptici zijn de verschillen tussen de Europese lidstaten te groot, waardoor de EU gedoemd is te verdwijnen.

Sedláček: Ik denk niet dat de EU door de verschillen tussen de lidstaten uiteen zal spatten. Reis honderd kilometer zuidwaarts, en je zal mensen ontmoeten die totaal anders tegen de wereld aankijken dan de inwoners van deze stad. Ik durf te wedden dat er tussen de burgers van Den Haag en de inwoners van New York meer verwantschap bestaat dan tussen New Yorkers en boeren uit South-Dakota. Die verschillen hoeven geen probleem te vormen. Uw land België is daar het schoolvoorbeeld van. Vlamingen, Walen en Brusselaars hebben nauwelijks affiniteiten met elkaar en toch slaan jullie elkaar de kop niet in. Verschillen kunnen overbrugd worden en de EU is daar een poging toe. ‘Jarenlang scholden we elkaar verrot, laten we daar nu eindelijk eens mee ophouden. Laten we praten met elkaar en de bureaucratie installeren.’ Jawel, de bureaucratie! Er wordt veel op gesakkerd, vaak terecht, maar toch is het hoog tijd dat we er de positieve kant van inzien. Bureaucratie is een manier om burgers die geen raakpunten met elkaar hebben en niet hetzelfde geloof delen, toch vredevol met elkaar te laten samenleven. Dat is precies het hele Europese project. Als Trump tien jaar geleden aan de macht gekomen was, net voor de financiële crisis, had Europa daar eens smakelijk om gelachen en zich niet al te veel zorgen gemaakt. ‘De Russen zitten in de economische shit en nu worstelen de Amerikanen ook nog eens met een knoert van een identiteitscrisis. Ocharme. Laat ons rustig verder werken aan de Europese integratie en de euro.’ Vandaag worstelen we met de naweeën van die financiële crisis en is de toestand compleet anders. Nu worden wij omsingeld door leiders die roepen: ‘Weg met Europa!’ Dat is heel zorgelijk, maar er is een weg vooruit: die van de tolerantie en de openheid. Onze grenzen sluiten is het domste dat we kunnen doen. Ik word naïef genoemd omdat ik pleit voor openheid en het multiculturalisme omarm. De keuze voor een politicus is vandaag doodsimpel: ofwel ben je een open leider, ofwel een neonationalist en geloof je dat wat in de 19e eeuw ‘werkte’ ook zal werken in 2017. Wat een onzin. Ik ben geen naïeve dromer, het zijn de conservatieven die extreem naïef zijn.

 

In de zomer van 2015 stroomden grote groepen vluchtelingen via de slecht bewaakte buitengrenzen de EU binnen. Was het bewaken en sluiten van die grenzen dan geen daad van zelfbescherming?

Sedláček: Gisteren wandelde ik langs het Nederlandse parlement. Ik zag de ene zwaarbewapende soldaat na de andere. ‘Het lijkt wel oorlog’, dacht ik. ‘En dat voor een handvol idioten die zichzelf opbliezen.’ Zijn we echt bereid om de inrichting van onze maatschappij te laten dicteren door fanatische gekken? In het centrum van uw hoofdstad Brussel staan op dit moment ook zwaarbewapende soldaten op elke straathoek. Ik voorspel u dat lokale politici van het kaliber van Donald Trump daar bij de eerstvolgende verkiezingen hun voordeel mee zullen doen. Politici met Führer-allures warmen zich in de coulissen nu al op om de macht over te nemen.

 

Door militairen in het straatbeeld te laten rondwandelen, delven onze politici hun eigen graf en spreiden ze het bedje van extreemrechtse populisten?

Sedláček: Zo reserveren ze inderdaad alvast hun eigen plek op het kerkhof. Ik leefde altijd in de overtuiging dat er in onze samenleving niet onderhandeld werd met terroristen. In mijn jeugd hadden de terroristen tenminste nog eisen. Meestal belachelijke, maar ze pleegden aanslagen om iets te verkrijgen. De terroristen van vandaag moeten zelfs geen eisen meer stellen, we geven hen hun zin op een dienblaadje: we sluiten de luchthavens, sturen het leger de stad in, controleren de e-mails van de burgers en luisteren telefoongesprekken af. Dat is hetzelfde als autosnelwegen verbieden omdat er mensen op sterven. Wie gelooft dat het mogelijk is om compleet veilig in een complexe samenleving zoals de onze te leven, is dom. Of zetten we bewakingsagenten in elke trein, op elk station, in elk hotel, aan elke bushalte?

 

Moeten we ons dan niet beveiligen tegen de terreur? De aanslagen in Zaventem en Brussel waren bittere werkelijkheid.

Sedláček: Natuurlijk, maar op een realistische wijze. Nu laten we toe dat de terreur ons verandert. Zo maken we de natte droom van elke terrorist waar, want wat wil die? Een geterroriseerde maatschappij vol angst. Het paradoxale is dat onze samenleving nog nooit veiliger geweest is dan vandaag. De kans dat wij het leven zullen laten in een aanslag is zo goed als nul. De kans dat u straks op de terugweg naar huis op de autosnelweg in uw ‘veilige’ auto om het leven komt, is vele malen groter. En toch voeren politici geen campagne om de snelheidslimiet op de autostrades te halveren.

 

Pleit u voor linkse populistische politici als tegenwicht voor figuren als Trump, Geert Wilders of Marine Le Pen?

Sedláček: Nee, want populisme is niets anders dan mensen wijsmaken dat je de problemen in hun plaats zal oplossen. Een echte leider vraagt aan u en aan de rest van de natie om zelf iets te doen. Een echte leider zal ook zeggen: ‘Wees niet bang.’ Onze politici sturen exact de tegengestelde boodschap de wereld in: ‘Sidder en beef en wees zo bang als een wezel.’ Als morgen de terroristen hun bommen ontmantelen en hun zelfmoordgordels aan de wilgen hangen, zullen onze politici hun uiterste best doen om zelf nieuwe vormen van dreiging te verzinnen. Die slogan van Trump, ‘Make America great again!’ is trouwens een interessante Freudiaanse verspreking van de nieuwe president. Want er bestaat geen land dat Amerika heet: Amerika is een continent. Dus als Trump roept: ‘Make America great again!’ heeft hij het over de Verenigde Staten, Canada, Mexico, Cuba, Venezuela en al die andere landen in Latijns-Amerika. (lacht) Het zal Trump veel plezier doen om te horen dat Mexicanen óók Amerikanen zijn. Met zijn verspreking heeft de president helemaal gelijk, want de betrachting moet zijn om het hele continent Amerika groot te maken. Samenwerken is het enige alternatief. Ik hoop dat de episode Trump niet meer zal blijken te zijn dan groeipijnen in de onstuitbare evolutie van een lokale naar een globale samenleving.

 

Misschien zetten we na jaren van globalisering onder impuls van Trump net de omgekeerde weg in naar een lokale economie?

Sedláček: Daar geloof ik niets van. Wij zijn de eerste generatie ooit die langzaam de weg ingezet heeft van lokale dorpen genaamd Tsjechië, België, Nederland, de VS naar een wereldbeschaving. Nu moeten we ook nog op dat globale niveau leren denken. Die evolutie zie je al een tijd weerspiegeld in de geopolitiek: als er iets in Israël gebeurd, heeft dat effect op de rest van de wereld. Je ziet het ook in de economie: een serieus akkefietje op de Japanse markt wordt gevoeld in Brussel. Globalisering is een feit: deal with it. Het enige wat niet geglobaliseerd is, is het politieke beleid. Internet is geglobaliseerd, muziek is geglobaliseerd. Of luistert u enkel naar Belgische rockers? Voedsel is geglobaliseerd: je vindt in deze straat makkelijk tien restaurants met maaltijden van over de hele wereld. Enkel de politiek blijft achter. We moeten nu nadenken over hoe we binnen niet al te afzienbare tijd wereldomvattende referenda over wereldomvattende problemen zullen organiseren. We moeten ook nadenken over hoe we in de toekomst solidariteit willen organiseren. De Belgen betalen sociale bijdragen waar ook andere Belgen mee geholpen worden. We zijn solidair in eigen land. Een kind dat geboren wordt in Europa krijgt gratis gezondheidszorg en onderwijs. Dat is een van die grote Europese waarden die je bijna nergens anders ter wereld vindt. Maar misschien moeten we er eens over nadenken of niet elk kind overal ter wereld recht heeft op gratis onderwijs en gezondheidszorg. Zou het niet kunnen dat we zo heel wat wereldwijde ellende oplossen? Wordt het niet langzaamaan tijd voor een tektonische verandering? We zitten nu middenin de vierde industriële revolutie en nog niet al te veel mensen hebben het door, maar hun smartphone heeft hun leven veel ingrijpender veranderd dan het dreigement van de IS met de sharia.

 

Maar veel mensen die voor Trump of voor de brexit gestemd hebben, voelen zich net slachtoffer van de prachtige geglobaliseerde wereld zoals u die schetst. Ze zijn er werkloos door geworden en hun job is verhuisd naar China. ‘Trump heeft me beloofd dat hij me terug een baan zal bezorgen, dus stem ik voor hem.’

Sedláček: Dat wordt dan een kale reis, want in een vrije markteconomie bestel je geen fabrieken met een vingerknip op de plaats waar jij dat wil. De werkloosheidscijfers in Amerika liggen trouwens niet hoog; qua tewerkstelling oogt de erfenis van Obama zo slecht nog niet. En het zijn ook niet allemaal arme paupers die voor Trump gestemd hebben. Vroeger stemden Amerikanen en Europeanen met economische thema’s in het achterhoofd. Wie een hekel had aan belastingen, koos in Amerika voor de republikeinen en in Europa voor de liberalen. Nu loopt er een diepe kloof tussen mensen die enkel geïnteresseerd zijn in ‘wij eerst’ en mensen die open willen zijn, die de realiteit in de ogen willen zien, die vol goede wil zitten om deze wereld beter te maken en meevoelen met oorlogsvluchtelingen. Wat voor een belachelijke ideologie is dat toch, die ‘ik eerst’-retoriek? Wij zitten hier nu samen koffie te drinken, maar stel dat ik daarnet tegen de ober gezegd had: ‘Ik eerst! Mijn overbuur kan wachten.’ U had toch volkomen terecht uw middelvinger naar me opgestoken?

 

Tomáš Sedláček, De economie van goed en kwaad, Scriptum, 477 blz., 32,50 euro

 

 

© Jan Stevens