‘De Wehrmacht was net zo schuldig als de SS’

In Ondankbaar België reconstrueert historicus Dimitri Roden de Duitse repressie van verzetslui in België tijdens WO II. ‘De Duitse militaire gouverneur Alexander von Falkenhausen beweerde na de oorlog dat hij de levens van veel Belgen gered had. Dat klopt, alleen was dat niet uit medelijden, maar om zijn eigen hachje te redden.’

 

73 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog presenteert historicus en Breendonk-conservator Dimitri Roden in zijn boek Ondankbaar België nieuwe inzichten over de veroordelingen van politieke gevangenen. ‘Dat “nieuwe” lijkt verrassend’, zegt hij, ‘maar is het niet als je weet dat onderzoek naar het gedrag van Duitse militairen tijdens WO II lange tijd vooral een Duitse aangelegenheid was. Daardoor bleven veel feiten onderbelicht. Want in het naoorlogse Duitsland leefde de overtuiging dat vooral de nazi’s van de SS zich misdragen hadden. “Onze militairen van de Wehrmacht daarentegen hielden zich aan het internationaal recht.” De Duitsers raakten daarmee weg omdat net op dat moment de koude oorlog uitbrak. De geallieerden konden de expertise van figuren zoals een Wernher von Braun goed gebruiken. Daarom waren ze zeer tegemoetkomend in het bepalen van wie een oorlogsmisdadiger was en wie nog ‘bruikbaar’ was. Als ze veel strenger waren geweest, had zo goed als geen Duitser aan hun kant kunnen gaan staan. Natuurlijk ontsprongen de echt grote oorlogsmisdadigers de dans niet. Maar tot de jaren tachtig bleef het adagium overeind dat de militairen van het Duitse leger niet waren zoals die wreedaards van de SS. De van stad naar stad reizende tentoonstelling “Vernietigingsoorlog: misdaden van de Wehrmacht 1941-1945” maakte daar voorgoed een eind aan. Ze toonde foto’s van soldaten van de “saubere” Wehrmacht die zich aan het Oostfront te buiten gingen aan oorlogsmisdaden. Er ging toen een schokgolf door de Duitse samenleving en sindsdien brengen historici aan het licht dat Hitlers Wehrmacht net zo schuldig was als de rest.’

 

Zo ook in bezet België.

Dimitri Roden: Precies. Tijdens de oorlogsjaren was de situatie in bezet Frankrijk vergelijkbaar met de Belgische. Ook daar werd het grondgebied 4 jaar lang bestuurd door militairen, al moesten de Fransen in 1942 wel een SS-generaal dulden die de ordehandhaving naar zich toetrok. Maar het veiligheidsbeleid was zowel in Noord-Frankrijk als in België in handen van militairen van de Wehrmacht die hun eigen verordeningen en wetten uitvaardigden. Belgische overtreders werden door de politiediensten van de bezetter opgespoord. Een aantal gearresteerden werden zonder vonnis naar een concentratiekamp gestuurd; anderen stonden in bezet gebied terecht voor een Duitse militaire rechtbank. Tijdens de bezetting kwamen naar schatting enkele tienduizenden burgers in aanraking met het Duitse krijgsgerecht. Minstens 900 van hen werden ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.

Na de oorlog beschreven vooral advocaten de geschiedenis van het Duitse krijgsgerecht in bezet België. Zij hadden zelf landgenoten voor een krijgsraad verdedigd. Zo brachten de Luikse strafpleiters Cassian Lohest en Gaston Kreit in 1945 een boek uit over de strafzaken die zij hadden gepleit. Een paar jaar later zette ook de Brusselse advocaat Frédéric Eickhoff zijn ervaringen op papier. Maar getuigenissen van veroordeelden waren veel zeldzamer. Vermoedelijk is dat ook de reden waarom collega-historici er jarenlang bijzonder weinig oog voor hadden. Sommigen onderzochten wel aspecten van de Duitse veiligheidspolitiek in ons land, maar nooit vanuit de invalshoek van het Duitse krijgsgerecht. De eerste studie over de vervolging van verzetsfeiten die gebruik maakt van primaire bronnen, dateert pas van 2004. Historica Tamara Altman voerde toen haar onderzoek aan de hand van vonnissen die bewaard zijn gebleven in de Duitse opsluitingsdossiers van de gevangenis van Sint-Gillis. Maar een overzichtswerk over het Duitse krijgsgerecht in heel bezet België was er niet.

 

Met Ondankbaar België wil u dat hiaat wegwerken?

Roden: Zeker. België is eigenlijk een heel interessant onderwerp omdat wij het enige bezette West-Europese land waren waar de militairen écht vier jaar lang de ordehandhaving in handen hadden. Hier kwam geen SS-generaal langs die de ordehandhaving naar zich toe trok. Adolf Hitler wist niet goed wat hij met ons moest aanvangen. Hij beschouwde ons als een Germaans broedervolk en dubde over onze toekomst: België annexeren of ‘germaniseren’? Hij kon geen beslissing nemen, met als gevolg dat het militaire bestuur gewoon op post bleef. Daardoor is België het land bij uitstek om te onderzoeken of de Wehrmacht in West-Europa altijd wel zo correct handelde als de Duitsers zelf beweerden. Ook Alexander von Falkenhausen, de militaire gouverneur die hier verantwoordelijk was voor de ordehandhaving, hield die mythe tot aan zijn dood in 1966 hoog. Zo huwde hij na de oorlog met de Belgische verzetsvrouw Cécile Vent, hoofd van de sector Verviers van het inlichtingennetwerk Tégal. In zijn memoires schreef Von Falkenhausen dat hij de Belgen altijd goed behandeld had.

 

Maar wordt het stilaan geen onmogelijk opgave om meer dan 70 jaar na datum nog te onderzoeken hoe de Duitse militairen zich tegenover gearresteerde verzetslui gedroegen? De laatste getuigen zijn aan het verdwijnen.

Roden: Het is heel spijtig dat die laatste getuigen verdwijnen; binnenkort zullen we hen geen rechtstreekse vragen meer kunnen stellen. Al hebben de voorbije jaren een aantal mensen wel veel moeite gedaan om zoveel mogelijk materiaal te verzamelen. Mijn collega’s van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (CEGESOMA) namen ontzettend veel getuigenissen af en je mag ook de interviews van de legendarische onderzoeksjournalist Maurice De Wilde niet vergeten. Maar voor een historicus die zoals ik in kaart wil brengen hoe de Duitse veiligheidspolitiek in bezet België écht functioneerde, is het grote probleem inderdaad de schaarsheid aan bronnenmateriaal. Veel archieven werden vlak voor de bevrijding vernietigd, of gingen tijdens de geallieerde bombardementen in vlammen op. Gelukkig kon ik de hand leggen op ongeveer 10.000 originele Duitse opsluitingsdossiers die kort na de oorlog door verbindingsofficieren van het Belgisch Commissariaat der Repatriëring uit verschillende strafinrichtingen in Duitsland werden meegebracht. Die zogenaamde Personalakten hebben heel lang stof liggen vergaren, terwijl ze een schat aan informatie bevatten, zoals gegevens over de aanhouding en opsluiting van veroordeelden, gemotiveerde vonnissen, aktes van beschuldiging of correspondentie tussen gerechtelijke instanties en de gevangenisdirecties. Die opsluitingsdossiers vormen echt wel een solide basis om de gerechtelijke vervolging in bezet België te bestuderen. Ik kon zo ook het soms ingewikkelde strafuitvoeringssysteem reconstrueren. Dat is in die tijd nooit op papier gezet en evolueerde mee met hoe de oorlog verliep. Tot de zomer van ’41 besliste Alexander von Falkenhausen dat alle veroordeelde politieke gevangenen hun straf in een Belgische gevangenis moesten uitzitten. De Duitse militaire overheid eiste daar een paar vleugels in de gevangenissen van Sint-Gillis, Gent en Brugge voor op. De ‘zware gevallen’ werden uitzonderlijk naar Duitsland gedeporteerd. In oktober 1941 voerde de bezetter de maatregel in dat alle mannelijke en vrouwelijke politieke gevangenen die tot drie jaar of meer veroordeeld waren, hun straf moesten gaan uitzitten in Duitse gevangenissen. Voor straffen onder drie jaar werden de mannen naar Leuven of Merksplas gestuurd en de vrouwen naar Vorst. Hoe slechter het met de oorlog ging en hoe actiever het verzet werd, hoe sneller het Duitse bewind onder leiding van Von Falkenhausen veroordeelden naar Duitsland stuurde.

 

Aan de basis van de titel van uw boek, ‘ondankbaar België’, ligt een uitspraak van Alexander von Falkenhausen.

Roden: Toen Von Falkenhausen in maart 1951 door de Belgische overheid het land werd uitgezet, waren zijn laatste woorden: ‘Ingrata Belgia, non possidebis ossa mea. Ondankbaar België, gij zult mijn beenderen niet bezitten.’ Of vrij vertaald: ‘Ondankbare Belgen, jullie veroordelen mij terwijl net ik jullie uit handen van de SS heb gehouden.’ Daar zit een kern van waarheid in.

 

Omdat de SS qua wreedheid onovertroffen was?

Roden: De SS werkte buitengerechtelijk. Als je als verzetslid door SS’ers gearresteerd werd, betekende dat deportatie naar de concentratiekampen zonder enige vorm van proces. Onder Von Falkenhausen werd van in 1940 de nadruk gelegd op juridische vervolging, wat wil zeggen dat verzetslui voor krijgsraden verschenen. De redenering was dat die processen op termijn het verzet tot bezinning zou brengen. Wat niet wil zeggen dat Von Falkenhausen nooit maatregelen nam die vanuit juridisch standpunt onaanvaardbaar waren, of ver over de schreef gingen. Door in te zetten op juridische bestraffing, kon hij wel claimen dat hij binnen het kader van het internationaal recht bleef. Maar de druk vanuit Berlijn om dat pad te verlaten en keihard tegen het verzet op te treden, werd steeds groter. Heel bezet West-Europa kreeg draconische maatregelen opgelegd, zoals het deporteren van verdachten zonder hun familie op de hoogte te stellen. Von Falkenhausen ging daar tegenin: ‘Als wij doen wat jullie in Berlijn vragen, maken we het verzet in België veel groter dan het is.’ Om weerstand aan de druk vanuit Berlijn te kunnen blijven bieden, ging hij steeds verder in het zoeken naar manieren om zijn krijgsraden in stand te houden. In de praktijk kwam het erop neer dat de strafrechtspraak zienderogen verstrengde.

 

Alexander von Falkenhausen installeerde in België zijn eigen rechtssysteem?

Roden: Binnen de mate van het mogelijke koos hij inderdaad voor een gerechtelijke aanpak van het verzet, maar natuurlijk kon hij de bevelen vanuit Berlijn niet blijven negeren.Op 7 december 1941 vaardigde Adolf Hitler het beruchte Nacht und Nebel-decreet uit. Dat schreef voor dat de Duitse krijgsraden in bezet gebied nog enkel verzetslui voor zware feiten mochten vervolgen wanneer hun veroordeling en executie binnen de week na hun aanhouding kon plaatsvinden. In alle andere gevallen moesten de gearresteerden in het grootste geheim naar Duitsland overgebracht worden. Daar kwamen ze dan meestal in tuchthuizen of strafkampen terecht waar ze soms in vreselijke omstandigheden ingeschakeld werden in de oorlogsindustrie. De familie mocht daar niet over ingelicht worden, zodat het leek alsof de verdachte ‘in nacht en nevel’ verdwenen was. Met die maatregel wou Hitler zowel de bevolking in de bezette gebieden als het verzet de stuipen op het lijf jagen. De uiteindelijke beslissing over de heimelijke deportatie of ‘Abgabe ins Reich’ van een verdachte lag bij de hoogste Gerichtsherr in het ambtsgebied. In België was dat dus generaal von Falkenhausen. Na de oorlog beweerde hij dat hij zich tegen dat vreselijke decreet verzet had. Dat klopt, maar niet omdat hij inzat met het lijden van de gearresteerden. Eerst en vooral wou hij zijn eigen militaire bestuur handhaven. Want hij vreesde dat er hier net als in Nederland een burgerlijk bestuur geïnstalleerd zou worden, met de SS als ordehandhaver. Hij stuurde ondergeschikten naar Berlijn om daar voorzichtig bezwaren te gaan uiten. Zo liet hij via-via weten dat de executieplaats in Beverlo niet geschikt was om er mensen binnen de week te executeren.

 

Von Falkenhausen wou geen Belgische mensenlevens redden, maar zijn eigen positie veilig stellen?

Roden: Ja. Na de oorlog beweerde hij dat hij gehandeld had in het belang van de Belgen, terwijl hij eerst en vooral zijn eigen militaire bestuur wou handhaven. Hij was een real-politiker. Aan de ene kant moest hij het verzet in toom houden en aan de andere kant moest hij Berlijn laten zien dat hij de zaak meester was en op bepaalde momenten keihard kon optreden. Wat hij trouwens ook deed. Zo aarzelde hij niet om tussen december 1942 en januari 1943 zestig gijzelaars te laten executeren, om op die manier een aanslagengolf van het verzet halt toe te roepen. Met succes: als gevolg van de harde represailles staakte het verzet zijn aanslagen tegen Duitsers en richtte het zijn pijlen voortaan op Belgische collaborateurs. Volledigheidshalve moet ik eraan toevoegen dat Von Falkenhausen meteen stopte met het executeren van gijzelaars van zodra het geweld tegen Duitse militairen ophield.

 

Probeerde hij het Nacht und Nebel-decreet te ondermijnen door zo weing mogelijk gearresteerde verzetslui bij nacht en ontij naar Duitsland te deporteren?

Roden: Hij deed exact het tegendeel en stuurde zowat iedereen naar Duitsland. Het gevolg was dat hij een vlammende brief uit Berlijn kreeg waarin stond dat dat niet geapprecieerd werd en dat hij dringend werk moest maken van een correcte toepassing van het decreet. Toch bleef hij massaal mensen naar Duitsland sturen. Na de oorlog verklaarde hij dan weer dat hij het aantal Nacht und Nebel-deportaties teruggeschroefd had omdat hij wist dat het lot van de gevangenen in de kampen afschuwelijk was en hij ze zo wou beschermen. Maar de cijfers vertellen een ander verhaal: van de 4500 zaken tegen vermeende verzetslui die hem tijdens de oorlog werden voorgelegd, stuurde hij bijna 3000 personen naar Duitsland. Dat is meer dan 85 procent. Het merkwaardige is dat hij zo levens gered heeft, want Duitsland kon die instroom niet aan. Gearresteerden die hier in principe binnen de week terechtgesteld hadden moeten worden, kwamen door Von Falkenhausens beleid in een Duits kamp terecht waar het maanden en zelfs jaren duurde eer ze voor een rechter verschenen.

 

Misschien is er begrip mogelijk voor dat beleid van Alexander von Falkenhausen?

Roden: ‘Begrip’ is in deze kwestie heel moeilijk. Al kan niet ontkend worden dat hij dingen gedaan heeft die een deel van de Belgische bevolking ten goede kwamen. In de periode’40-‘42 stond hij inderdaad op de rem, maar daarna verloor zijn bewind steeds meer controle. Vanaf 1943 is er nog maar weinig goeds over Von Falkenhausen en consorten te vertellen. Willekeurige arrestaties, deporteren zonder proces en executies werden de standaard. We moeten ook oppassen dat we het lijden niet minimaliseren van de families van alle mensen die tussen ’40 en ’42 terechtgesteld zijn. In 1943 besefte Alexander von Falkenhausen dat de Duitsers de oorlog gingen verliezen, waarna hij zich concentreerde op de redding van zijn eigen hachje.

 

Hij was geen volbloednazi?

Roden: Nee, hij is echt een intrigerende man. Op indirecte wijze was Von Falkenhausen betrokken bij het verzet tegen Hitler. Niet actief, maar hij had wel contacten met de plegers van de mislukte aanslag van 20 juli 1944 op de Führer. Zijn jongere broer Hans-Joachim werd in 1934 om het leven gebracht door de SS tijdens de fameuze Röhm-Putsch, de Nacht van de Lange Messen. Meteen daarna vluchtte Alexander weg uit Duitsland, naar China. Daar werkte hij als militair adviseur van Tsjang Kai-Sjek. Nadat in 1937 de Chinees-Japanse oorlog uitbrak, kwam Von Falkenhausen in een lastig parket te zitten. Het naziregime eiste dat hij meteen ophield met het trainen van de Chinese troepen, want zij trokken ten strijde tegen een mogelijke Duitse bondgenoot, het Japanse keizerrijk. Een jaar later keerde hij terug naar Duitsland en door een speling van het lot werd hij in mei 1940 aangesteld tot Militärbefehlshaber van bezet België. Hij trad zo in de voetsporen van zijn oom Ludwig Freiherr von Falkenhausen, die hier tijdens de Eerste Wereldoorlog gouverneur-generaal was. Alexander von Falkenhausen was dus geen diehard nazi, maar eerder een vertegenwoordiger van de Pruisische conservatieve militaire klasse. Hij was een aanhanger van de Pruisische ‘Kriegsnotwendigkeit’. Volgens dat principe had een natie in tijden van oorlog het recht om met alle middelen, zowel wettige als onwettige, haar voortbestaan te verzekeren. Die mentaliteit sijpelde door in alle beslissingen die hij als militaire gouverneur nam.

 

Dimitri Roden

  • Geboren in 1982.
  • Studeerde geschiedenis aan de KULeuven.
  • Werkt sinds 2005 als historicus in het Breendonk Memoriaal.
  • Promoveerde in 2015 In 2015 tot doctor in de geschiedenis (UGent) en doctor in de sociale en militaire wetenschappen (KMS).
  • Werd in 2018 conservator van het Fort van Breendonk.

 

Dimitri Roden, Ondankbaar België, De Duitse repressie in de Tweede Wereldoorlog, AUP, 356 blz., 29,99 euro

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

‘Net als in de hoogdagen van het communisme, houden de Hongaren elkaar terug in de gaten’

Meer dan een kwart eeuw na de val van het communisme ontdekte de Hongaarse schrijver András Forgách dat zijn moeder Bruria van 1975 tot haar dood in 1985 informant voor de geheime dienst was. Ze hield niet alleen buren en vrienden in de gaten, maar ook haar eigen kinderen. In De akte van mijn moeder doet Forgách een boekje open over zijn moeder-spion. ‘Omdat ik haar zoon ben, vind ik niet dat ze me verraden heeft.’

 

In de herfst van 2013 kreeg András Forgách telefoon van een oude kennis uit zijn jeugd. Die had tijdens opzoekingswerk in het archief van de geheime dienst in Boedapest ontdekt dat een van Forgáchs familieleden jarenlang tijdens het communisme als informant voor de geheime dienst had gewerkt. ‘Hij noemde geen namen tijdens dat gesprek’, zegt András Forgach. ‘Maar ik voelde instinctief over wie het ging. We spraken af in een koffiehuis waar mijn vermoeden bevestigd werd: mijn in 1985 overleden moeder Bruria had decennialang een dubbelleven als informant geleid.’

 

Was dat een schok?

András Forgách: Zeker, maar toch ook niet helemaal. Toen ik die kerel in dat café sprak, viel het laatste stuk van de puzzel op zijn plaats. Plots begreep ik waarom ze zich op bepaalde momenten tijdens haar leven zo bizar had gedragen. Haar foute keuzes kregen betekenis, en veel vragen een antwoord.

 

Na de val van de muur in 1989 werd in Duitsland de Gauck-Behörde opgericht, een soort Waarheidscommissie belast met het beheer, onderzoek en openbaar maken van de Oost-Duitse Stasi-archieven. U hoorde pas in 2013 over het informantenverleden van uw moeder. Was er in Hongarije dan nooit een gelijkaardig initiatief?

Forgách: Nee, en voor Hongarije is dat een tragedie. Na bijna dertig jaar zal er ook niets meer veranderen. Jonge Hongaren zijn niet geïnteresseerd in dat verleden en historici hebben weinig aandacht voor die archieven. Al moet ik dat misschien toch nuanceren: de jaren veertig, vijftig en zestig worden wel goed onderzocht. Maar zeventig en tachtig zijn zo goed als onontgonnen terrein.

 

Hoe komt dat?

Forgách: Omdat veel van onze huidige politici in die periode als informant voor die geheime dienst actief waren. Zij hebben liever niet dat hun namen aan de oppervlakte komen en houden die doos van Pandora dus liever dicht. Ook veel artiesten waren informant en willen niet met hun verleden geconfronteerd worden. Politieke partijen zijn het eens met dat grote stilzwijgen, uit schrik dat ze anders leden zouden kunnen verliezen. Maar doen alsof er niets gebeurd is, is zeer ongezond voor een samenleving. Een van de redenen waarom ik dit boek geschreven heb, is om die samenzwering van de stilte te doorbreken. In De akte van mijn moeder schrijf ik zonder censuur over haar informantenwerk en leg haar dossier open en bloot op tafel. Ook al is het dan een ‘roman’, de inhoud is authentiek, met de echte namen van agenten, contactpersonen, figuranten. Ik wil dat er in Hongarije over die periode tenminste gepraat wordt.

 

Bent u boos op uw moeder?

Forgách: Nee. Onlangs hoorde ik op de radio een interview met Rebekka Hermán Mostert, zij vertaalde mijn boek naar het Nederlands. Ze zei dat mijn moeder me verraden heeft. Ik schrok daarvan, want ik heb dat nooit zo aangevoeld. Ik twijfel er geen moment aan dat Rebekka een uitstekende vertaalster is, maar haar interpretatie dat mijn moeder een verraadster zou zijn, vind ik zeer eenzijdig. In De akte van mijn moeder probeer ik net te analyseren waarom iemand informant wordt. Mijn moeder was lid van de partij en een overtuigde communist.

 

Meer nog: ze was stalinist.

Forgách: Dat klopt, maar tezelfdertijd was ze écht een trouwe goede communist, met uitstekende kwaliteiten. De agenten van de geheime dienst maakten overal aantekeningen van en hielden tot in de puntjes uitgeschreven verslagen van ontmoetingen met informanten bij. Mijn moeder komt uit haar dossier naar voor als een kameraad onder de kameraden. Als ze met haar contactpersonen overleg pleegde, was dat onder geestesgenoten. In haar dossier wordt ze omschreven als patriot.

 

Ze was geen informant omwille van het geld?

Forgách: Helemaal niet. Niet voor het geld en niet voor de macht. Enkel uit idealisme. Maar misschien toch ook weer niet helemaal, want als informant mocht ze regelmatig naar haar familie in Israël reizen. Dat kan je als een vergoeding beschouwen. Maar het is niet zo dat ze een vorm van verraad pleegde door informant te zijn. Nee, ze werd informant door haar overtuiging. ‘Bruria verraadde haar zoon András’, hoorde ik vertaalster Rebekka zeggen. Dat klopt ook niet. Rebekka’s uitspraken verrasten me, nadat ik de voorbije maanden urenlang met haar over mijn boek gepraat heb.

 

U bent Bruria’s zoon, en daarom misschien ook loyaal aan haar?

Forgách: Natuurlijk, maar dat wil nog niet zeggen dat mijn blik daardoor vertroebeld is. Ik heb in mijn boek geprobeerd om de context waarin zij leefde te reconstrueren.

 

Begin jaren tachtig biedt u in uw appartement in Boedapest onderdak aan de dissidente dichter György Petri. Wanneer de geheime dienst aan uw moeder vraagt om hen zonder uw medeweten toegang tot uw appartement te verschaffen, gaat ze daarop in. Is dat geen vorm van verraad?

Forgách: Verraad is niet het juiste woord. Ook niet als ze bij wijze van spreken later mijn hoofd aan de geheime dienst zal offreren. Want dat deed ze: ze droeg mij zonder dat ik het wist bij de Hongaarse Veiligheidsdienst voor als haar opvolger. Daar is gelukkig nooit iets van in huis gekomen, maar zelfs dat feit past in haar geloof dat ze een dienares van de communistische zaak is. Ze is er heilig van overtuigd dat ze zo meehelpt aan een betere wereld. Ik vermoed dat ze wel wist dat ze door mij ‘over te leveren’ een grens overschreed, alleen moest die kennis maar wijken voor de ‘goede zaak’. En natuurlijk heeft ze net als elke andere informant van de geheime dienst informatie over buren verzameld die die mensen soms in een lastig parket bracht. Maar doordat er in Hongarije een gebrek aan historisch onderzoek naar de communistische Veiligheidsdienst is, worden alle informanten over dezelfde kam gescheerd. ‘Ze deden het allemaal voor het geld of uit jaloezie.’ Er is geen enkel eerbaar motief mogelijk en er rest enkel zwart-wit.

 

Wat voor reacties kreeg u in uw thuisland op uw boek?

Forgách: Meestal positief, al probeerden sommigen mijn geloofwaardigheid in twijfel te trekken. Ze vonden dat ik de nagedachtenis van mijn moeder besmeurde. Alsof ik een andere keuze had.

Volgens de Hongaarse letter van de wet is het archief open en toegankelijk en mag er vrijelijk uit geciteerd worden. Het Stasi-archief is gedigitaliseerd en elke inwoner van de voormalige DDR kan online op zoek naar zijn eigen naam. Slechts een klein deel van het archief van de Hongaarse Veiligheidsdienst is digitaal raadpleegbaar. Als je als Hongaar iets wil opzoeken, moet je beroep doen op een researcher die voor jou in dozen en dossiermappen zal wroeten. In de praktijk is dat archief dus log en moeilijk toegankelijk. Niet lang na de publicatie in Hongarije van De akte van mijn moeder, vond ik in dat archief een dossier van een bladzijde of tien over mijn vader. Dat is nu opgenomen in de Nederlandse versie en de kans is groot dat ik in de toekomst nóg documenten vind.

 

Uw vader begon als eerste te werken voor de geheime dienst?

Forgách: Hij was journalist en werd gerekruteerd toen hij eind jaren vijftig correspondent in Londen werd. Ook hij geloofde heel sterk in de communistische zaak. Maar het spionnenwerk ondermijnde zijn persoonlijkheid, waardoor hij ten onder ging aan paranoia. Elke Hongaarse journalist die in de jaren zeventig en tachtig naar het Westen reisde, moest een document tekenen dat hem tot informant van de geheime dienst maakte.

 

Álle Hongaarse journalisten die tijdens het communisme als verslaggever naar het Westen kwamen, waren spionnen?

Forgách: Alle journalisten die voor de staat werkten. Mijn vader was in dienst van het officiële Hongaarse persbureau. Een correspondent raakte nooit aan een reispas als hij of zij niet eerst ook informant werd. De man die mijn vader in Londen opvolgde, was ook een agent, net als degene die erna kwam. Dat sloot naadloos aan bij de journalistiek zoals die door de grote kameraden van de Sovjet-Unie beleden werd.

Mijn vader leed onder aanvallen van paranoia en stortte begin jaren zestig helemaal in. Hij had wat men toen een zenuwinzinking noemde. Zijn laatste werk als Londense agent waren verslagen over Italiaanse en Joodse kranten. Hip spionnenwerk kan je dat niet noemen. Mijn ouders waren Joods, spraken Hebreeuws en waren gekant tegen de staat Israël. Niet veel Hongaarse Joden waren antizionisten, waardoor vader en moeder interessante agenten waren voor de geheime dienst. Toen vader te ziek werd om te kunnen functioneren, rekruteerden ze mijn moeder. Zij wist dat haar man een agent was en stond daar volledig achter.

 

Ze nam ook de codenaam van haar man over: ‘Papái’, Hongaars voor paus.

Forgách: Die naam was een vondst van vaders overste bij de veiligheidsdienst. Mijn vader was een ongelovige Jood. ‘Een Jood verberg je het best door er een katholiek sausje over te gieten’, vond luitenant Takács, de officier in kwestie. ‘Vanaf nu wordt kameraad Forgách: Papái, de paus’. De luitenant was daar naar het schijnt erg over in zijn nopjes. Toen moeder haar man als informant opvolgde, werd zij ‘mevrouw Papái’. Ze rekruteerden haar trouwens op een slinkse manier. Op geen enkel moment is haar meegedeeld: ‘Vanaf nu bent u geheim agent.’ Nee, op een bepaald moment vroegen ze: ‘Mevrouw, kunt u deze week eens een paar kranten voor ons bekijken?’ Later vroegen ze: ‘Wat zou u denken van een bezoek aan het Zionistisch Wereldcongres in Jeruzalem?’

 

Ze werd er langzaam ingesleurd?

Forgách: Ja, langzaam maar zeker maakten ze haar tot deel van het systeem. Ze hanteerden een goed uitgekiende, gedisciplineerde methode om mensen tot informant te kneden. In haar dossier vond ik een bijzonder intrigerend stukje tekst: ‘Aangezien het slechts een formaliteit is om mevrouw Papái tot officiële geheim medewerker te verklaren, zullen we haar hiervan niet speciaal op de hoogte brengen.’ Ze hebben haar dus nooit expliciet gezegd dat ze agent van de veiligheidsdienst was. De expert die samen met mij het dossier van moeder onderzocht, vertelde me dat dat heel typisch was. Blijkbaar wilden ze mensen die om ideologische redenen informatie doorgaven, niet het vieze gevoel geven dat ze verklikkers waren. Mama voerde ook vaak discussies met de officieren waarmee ze rechtsreeks in contact stond. Ze verdedigde mij en mijn dissidente vriend, de dichter Petri, ook al had ze eerder agenten in mijn appartement binnengelaten om afluisterapparatuur te installeren. ‘György Petri is een uitstekende dichter’, zei ze. Ze vond het fout dat hij geen reispas van het regime kreeg. ‘Als het systeem geen kritiek verdraagt, radicaliseren getalenteerde mensen’, zei ze tegen haar officier van de geheime dienst. Oké, ze was communist, maar uit de gesprekken met haar kameraden komt ze naar voor als een vrouw met een open geest. Tenminste, voor een stalinist was ze erg open, al moet u zich daar ook niet té veel van voorstellen. Het stalinisme is nu eenmaal zeer rigide.

 

Was ze op de hoogte van de ‘zuiveringen’ en de Goelag-kampen in de Sovjet-Unie onder Stalin?

Forgách: Jawel. Mijn ouders wisten dat, maar ze wilden de gruwel gewoon niet geloven. Moeder was een intelligente, belezen vrouw. Het stalinistische denkkader had haar geest vervormd. Haar leven lang klampte ze zich krampachtig vast aan die starre ideologie. Lang na de dood van Stalin bleef zij stalinist, net als haar man. Hun huwelijk was grote chaos. Ik herinner me mijn jeugd als een vreselijk chaotische periode, met wildvreemden die ons appartement binnen en buiten liepen. Mijn ouders spraken continu Hebreeuws met elkaar, zodat wij niet konden meevolgen. Net als mijn broer en zus wist ik van jongs af aan dat ze geheimen met zich meedroegen. Ik denk dat het rigide stalinisme hun manier was om de chaos te bedwingen. Informant zijn, zorgde voor zin in hun door partij en staat gedomineerde bestaan.

 

Uw moeder ging als informant toch heel ver, daar ook haar kinderen te bespioneren?

Forgách: Nee, echt niet. Integendeel, ze verdedigde en beschermde ons. Als jonge twintigers waren wij zeer actief tegen de communistische partij. Zij zette ons soms uit de wind. Akkoord, er waren een paar momenten waarop ze dicht bij dat ‘verraad’ van mijn vertaalster stond. Maar ik ben haar zoon en u moet begrijpen dat ik daarom vind dat zij mij niet verraden heeft. (stilte) Mijn zus Susan zat tot over haar oren in de oppositie en verhuisde vroeg naar New York. Toen mijn moeder haar daar wou gaan bezoeken, roken de officieren bij de geheime dienst hun kans om via mevrouw Papái de Hongaarse dissidenten in de VS in kaart te brengen. Ze is toen niet vertrokken, want mijn zus wou niet dat ze kwam. Dat was ook een van die momenten waarop ‘verraad’ in de lucht hing. God zij dank is mama toen in Boedapest gebleven. En god zij dank werd ik niet haar opvolger bij de geheime dienst. De zaden van verraad zijn gelukkig nooit beginnen kiemen.

 

Uw zus is niet erg blij met uw boek.

Forgách: ‘Niet erg blij’ is een eufemistische omschrijving. Volgens haar is het informantendossier van mijn moeder fake. ‘Het zijn nepdocumenten’, zegt ze. ‘Iemand heeft ze gefabriceerd om onze familie te chanteren.’

 

Wie is ‘iemand’?

Forgách: Het huidige regime: Viktor Orbán en zijn vrienden. Ik verafschuw Orbán en zijn ‘illiberale democratie’ die in werkelijkheid een zachte dictatuur is, maar de theorie van mijn zus is grotesk. Mijn moeders dossier is authentiek. Ik herken alle omstandigheden en details die erin beschreven staan. Ik begrijp dat mijn zus het er moeilijk mee heeft; het gaat tenslotte ook over haar moeder. Ik heb het er tot vandaag ook lastig mee. Ik voel me er fysiek niet goed door en ik vrees dat ik me nog lang slecht zal voelen. Vrienden jubelen: ‘András, je boek is een groot succes. Fantastisch!’ Nee, niet fantastisch, dit is een dagelijkse strijd voor de waarheid. Ik begrijp de woede van mijn zus, alleen gaf zij het verkeerde antwoord en ik het juiste. Ik moést hier wel over schrijven. Als ik dat niet had gedaan, waren al mijn andere boeken halve leugens. Mijn eerder verschenen roman Zehuse heeft als grondstof de briefwisseling tussen mijn moeder en haar geëmigreerde dochter. Toen ik dat boek schreef, wist ik niets over Bruria’s carrière als geheim agent. Dat moést rechtgezet worden.

 

U noemt de regering van Viktor Orbán een ‘zachte dictatuur’. Inclusief geheime dienst die de eigen bevolking in de gaten houdt?

Forgách: Ja, daar ben ik honderd procent zeker van. Net als in de hoogdagen van de communistische dictator Janos Kádár houden mensen elkaar nu in scholen, overheidsinstellingen en bedrijven in de gaten. Ze moeten aan de overheid over zowat àlles rapporteren. Het op verklikking gebaseerde informatiesysteem van de communisten is opnieuw uitgerold. Wie zoals ik in de jaren zeventig met dissidenten optrok, werd standaard afgeluisterd. We hadden toen de gewoonte om middenin een telefoongesprek te zeggen: ‘Hé, kameraad-sergeant, hoe gaat het met u? Bent u nog niet ingedommeld? Luistert u nog mee?’ Vrienden die nu in de oppositie actief zijn, vertellen me dat ze een echo van zichzelf horen als ze met hun smartphone aan het bellen zijn. Voortdurend. Een teken dat er iemand meeluistert. Ze maken dan soms dat grapje van toen: ‘Hé luistervink, luister je nog mee?’ (lacht) Eigenlijk is dat niet grappig, maar intriest.

 

 

András Forgách

  • Geboren in 1952 in Boedapest.
  • Schrijver, vertaler, acteur en dramaturg.
  • Was in de jaren zeventig en tachtig actief in het Hongaarse verzet tegen de Sovjet-Unie.

 

 

András Forgách, De akte van mijn moeder, Cossee, 320 blz., 24,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘In de privé is er nog meer bureaucratie dan onder ambtenaren’

Volgens de Amerikaans-Britse antropoloog David Graeber is driekwart van al onze jobs niets meer dan zinloze verspilling van tijd. ‘De meeste mensen werken al jaren gemiddeld slechts 15 uur per week. De rest gaat op aan onzin.’

 

‘Bullshit jobs’, noemt David Graeber in zijn prikkelende gelijknamige boek de overgrote meerderheid van de functies in de financiële dienstverlening, sales, marketing, human resources, communicatie en administratie. ‘Als bankiers, juristen, consultants, zakenadvocaten, lobbyisten of pr-lui een staking uitroepen, kraait er geen haan naar’, zegt de aan de London School of Economics (LSE) verbonden en met het anarchisme dwepende professor antropologie. ‘Maar als treinmachinisten, schoonmakers of buschauffeurs er de brui aan geven, is het halve land ontregeld. Hun jobs behoren dan ook tot dat kwart dat er écht toe doet en diensten en producten levert waar werkelijk behoefte aan is.’

In 1930 voorspelde de grote econoom John Maynard Keynes dat dankzij de automatisering vóór het einde van de twintigste eeuw de vijftienurige werkweek zou zijn ingevoerd. ‘Keynes had het bij het rechte eind’, stelt Graeber. ‘Alleen zijn de door automatisering verdwenen jobs vervangen door bullshit jobs. De meeste mensen werken al jaren gemiddeld slechts 15 uur zinvol per week. De rest van hun tijd gaat verloren aan volstrekt zinloze activiteiten zoals het versturen van e-mails, het organiseren of bijwonen van motivatieseminars, urenlang vergaderen, het bijwerken van hun Facebookprofiel of het downloaden van televisieseries. Met mijn boek raak ik een open zenuw. Eerder vandaag had ik nog een erg uit de hand gelopen discussie met een collega van u van een Nederlandse krant. In Bullshit Jobs schrijf ik dat bijna veertig procent van alle werkenden vindt dat hun job zin- en inhoudsloos is. De journalist vond mijn statistieken niet accuraat. Volgens hem zou maar tussen de vijf à tien procent van de mensen van oordeel zijn dat ze een bullshit job hebben. Hij haalde daarvoor een andere enquête aan dan degene die ik in mijn boek presenteer. Het probleem met al dat soort onderzoeken is dat veel afhangt van de manier waarop de vragen gesteld worden. De belangrijkste peiling waarop ik steun komt van het Britse YouGov, een onderzoeksbureau met een uitstekende reputatie. Uw collega bleef maar doordrammen over die veertig procent. Ik claim niet dat ik een wetenschappelijke verhandeling geschreven heb, maar wel een boek over een niet onbelangrijk fenomeen: de ‘bullshitisering’ van het werk. Dat leek niet echt bij die mijnheer door te dringen.’

 

Wat is dat precies, een bullshit job of onzinjob?

Graeber: Dat is een baan waarbij degene die ze uitoefent zelf vindt dat het geen verschil maakt als ze zou verdwijnen. Sterker nog: in sommige gevallen geloven mensen zelfs dat de wereld er veel beter bij zou varen als hun eigen bullshit job opgedoekt zou worden. Zes procent van de bullshit jobbers zegt: ‘Ik heb een zinloze job en ik vind dat fantastisch.’ Misschien omdat ze een hekel aan hun gezin hebben en blij zijn dat ze overdag aan hun bureau kruiswoordraadsels kunnen zitten invullen. (lacht)

Zowat alle economen houden ons voor dat mensen dolgraag werk willen, ook al stelt dat niets voor. Want wij zouden rationele wezens zijn die met zo weinig mogelijk inspanning zoveel mogelijk opbrengst voor onszelf nastreven. Als dat echt waar is, moeten mensen die betaald worden om een hele dag te niksen daar zeer blij mee zijn. De werkelijkheid toont een ander beeld: de overgrote meerderheid is diep ongelukkig. Ik heb die wijsheid niet alleen uit de YouGov-enquête gehaald, maar ook uit de massale reacties die ik kreeg op een essay over bullshit jobs dat ik in augustus 2013 voor het magazine Strike schreef. Ik stelde toen voor het eerst dat ik het sterke gevoel had dat onzinjobs wijdverspreid zijn. De maanden erna overstroomde mijn mailbox met verhalen van mensen die dat gevoel alleen maar bevestigden.

 

Steeds meer mensen worstelen met een burn-out. Maar als uw veertig procent onzinbanen min of meer klopt, zijn heel wat burn-outs eerder bore-outs? Mensen die zich niet te pletter gewerkt hebben, maar te pletter verveeld?

Graeber: Dat zou best kunnen. Van een huisschilder weten we dat hij geen inhoudsloze job heeft. Ik ben er zeker van dat hij het meest gruwt van die schaarse momenten waarop hij moet doen alsof hij hard aan het werk is om zijn baas te vriend te houden. Stel je voor dat je hele job eruit bestaat met te moeten doen alsof je ijverig aan de slag bent. Dat is toch vreselijk? Een jonge Egyptische ingenieur die voor een publieke onderneming in Cairo werkt, vertelde me dat hij de hele dag zit te wachten tot ergens in het gebouw de airco uitvalt. Ondertussen houdt hij zich onledig met het invullen van formulieren. Ze kunnen hem net zo goed thuis laten en opbellen als ze hem nodig hebben. Maar dat mag niet, want dan is hij ‘niet aan het werk’. Dus verlegt hij acht uur per dag stapeltjes papier op zijn bureau.

 

Het cliché wil dat vooral ambtenaren daar meester in zijn. Volgens u liggen de onzinbanen in de private sector minstens even dik gezaaid?

Graeber: Ambtenaren omschrijven hun baan minder snel als bullshit job. Natuurlijk bestaan nogal wat overheidsbanen uit een stevige hoeveelheid zinloze bureaucratie, maar de mensen zelf ervaren hun werk niet altijd als zinloos. Bureaucratie is niet exclusief gelinkt aan het overheidsapparaat, integendeel, in de private sector hebben sommige ondernemingen er nóg meer kaas van gegeten. Stel: je hebt pas een nieuwe computer gekocht en het keyboard is kapot. Je stapt ermee naar de winkel en je vraagt een nieuw. Waarop de man achter de toonbank zegt: ‘U moet eerst een afspraak maken met mijn collega die bevoegd is om vast te stellen of uw keyboard kapot is.’ Klinkt dat herkenbaar? Hoe vaak komen mensen niet in een kafkaiaans spektakel terecht wanneer ze met een klein probleem naar hun bank bellen? Ik hing laatst meer dan een uur met acht verschillende personeelsleden van mijn bank aan de lijn over een onnozele internationale overschrijving. Ze konden die zogezegd niet uitvoeren omdat er een probleem was met een of ander overheidsvoorschrift. De private en overheidsbureaucratie gingen op dat moment feilloos in elkaar over. Want al die zogenaamde overheidsregels voor de financiële sector zijn geschreven door de banken zelf. Terwijl ze omkoopgeld aan politici geven, fluisteren ze hen in het oor: ‘Op dat A4-tje staat de regelgeving die wij willen.’ Twee derde van de winst van de grootste Amerikaanse bank JP Morgan Chase is afkomstig van ‘bijdragen en boetes’. Ze hebben er dus alle belang bij om die regelgeving zo ingewikkeld mogelijk te maken zodat ze hun klanten centen kunnen aftroggelen.

 

Private ondernemingen willen winst maken. Zowel aandeelhouders als ceo’s en raden van bestuur hebben er toch geen enkel belang bij om mensen te betalen voor het verrichten van zinloos werk?

Graeber: Dat zou je veronderstellen, maar het kapitalisme heeft intussen een andere logica ontwikkeld. Als je auto’s of lampen fabriceert, wil je inderdaad normaal gezien liefst geen mensen in dienst waar je niets mee kunt aanvangen. Zeker niet als er concurrenten in je sector actief zijn. De uitbater van een restaurant wil ook geen ober die een hele avond rondlummelt. Maar als je JP Morgan Chase bent, geldt een andere werkelijkheid. Want dan heb je alle belang bij een regelgeving die zo dubbelzinnig is dat je klanten voortdurend fouten maken. De boetes die dat oplevert, doen de kassa extra rinkelen. De meeste bullshit jobs vinden we niet voor niets bij banken, verzekeringen en vastgoed. Zij maken momenteel grote winsten die niet gebaseerd zijn op kapitalisme, maar op feodalisme. Het gaat niet over winst door de verkoop van geproduceerde producten, maar over de ene die de andere uitzuigt. Zelfs oude grote industriële bedrijven zoals ‘ons’ General Motors (GM) hebben bijna hun volledige winst te danken aan hun financiële afdelingen. GM verdient zijn geld niet meer door de verkoop van auto’s, maar door de rente op autoleningen.

Productiegerichte beroepen zijn weg geautomatiseerd. Tussen 1910 tot 2000 kalfde het aantal mensen dat in de VS in de industrie- en landbouwsector werkzaam was zienderogen af. In plaats daarvan verdrievoudigde de dienstensector, die eigenlijk vooral een administratieve sector is, met totaal nieuwe bedrijfstakken zoals financiële dienstverlening en telemarketing. Tezelfdertijd groeiden sectoren zoals ondernemingsrecht, onderwijs- en zorgadministratie, human resources en public relations als kool. Driekwart van de Amerikaanse beroepsbevolking werkt vandaag in die zogenaamde dienstensector vol onzinbanen. Daarin zijn dan nog niet eens alle schoonmakers, veiligheidsmensen, pizzabezorgers en hondenuitlaters meegerekend die met hun zinvolle jobs die hele onzinsector aan de praat houden. Maar ook het zinvolle werk raakt steeds meer gebullshitiseerd, denk maar aan de verplegers en leraars die kostbare tijd verloren zien gaan aan het invullen van zinloze documenten. Als docent ben ik een ervaringsdeskundige.

Er is een vorm van ‘manageriaal feodalisme’ geïnstalleerd vol bullshit jobs waarin de ene duurbetaalde consultant de andere goed verdienende middelmanager onzin probeert aan te smeren. Ze troggelen hun klanten losgeld af en herverdelen dat onder elkaar. Net als in de middeleeuwen creëert dat hedendaagse feodalisme eindeloze hiërarchieën van heren, vazallen en bedienden. Al die mensen die luidkeels beweren dat bullshit jobs onbestaande zijn omdat het kapitalisme omwille van de winst komaf maakt met alle onzin, hebben een politieke of ideologische agenda. Het zijn ofwel vrije markt-libertairen ofwel gestaalde marxisten die in de 19e eeuw zijn blijven hangen.

 

Maar veel van de jobs die u als onzinjobs bestempelt, worden toch niet door iedereen zo ervaren? Voor veel mensen geeft hun job net zin aan hun leven.

Graeber: Arbeidssociologen stellen altijd dat de meeste mensen zin halen uit hun beroep. Het paradoxale is dat diezelfde arbeidssociologen ook altijd vaststellen dat de meeste mensen hun job haten. Dat kan toch niet allebei waar zijn? (lacht) Tenzij de meeste mensen hun job zinvol vinden omdat ze ze haten. ‘Ik lijd, dus daarom verdien ik het om er genoeg voor betaald te worden om een huis en een auto te kopen.’

 

U pleit ervoor om alle onzinjobs op te doeken en het zinvolle werk te herverdelen. U pleit ook voor de vijftienurige werkweek en de invoering van het basisinkomen. U bent niet bang dat nogal wat mensen het lastig zullen hebben met al die vrije tijd?

Graeber: Die vijftienurige werkweek is geen fetisj. We kunnen ook veertig uur per week blijven werken en vier maanden vakantie nemen. Sinds Wereldoorlog II zijn we beginnen geloven dat arbeiders met te veel vrije tijd aan de drank raken en door de ledigheid van hun bestaan een depressie ontwikkelen. Ik vind het erg neerbuigend om er zo maar vanuit te gaan dat werkende mensen niet in staat zijn om hun tijd met andere bezigheden zinvol te vullen. Acht uur op een dag werken, is trouwens een vrij recente uitvinding. Zelfs een middeleeuwse knecht werkte maar vier uur per dag.

 

De rest van zijn tijd ging op aan de strijd om te overleven.

Graeber: Dat is waar. Toch had hij meer vrije tijd dan wij en daarom kennen we nog al die folklore van toen. Als morgen de vijftienurige werkweek wordt ingevoerd, zullen heel wat mensen een muziekinstrument leren bespelen, of een nieuw ambacht aanleren. Als antropoloog weet ik best wel hoe het er in samenlevingen vroeger aan toeging. Ik verbleef jarenlang op Madagaskar en schreef een cultuurgeschiedenis over dat eiland. De Madagasken brengen mijn ideale samenleving al eeuwenlang in de praktijk: het zijn boeren die niet meer dan vier uur per dag werken. Monogamie bestaat er niet en iedereen slaapt er met iedereen. (lacht) Weet u wat het echte drama is? Dat de huidige economische leer ontwikkeld is voor problemen uit de 19e eeuw en niet voor de problemen die op ons afkomen. In het verleden draaide het om maximale groei en winst, nu zou het moeten gaan over hoe we de boel aan de praat houden zonder onze planeet te vernietigen. De economische wetenschap zoals ze nu bestaat, is niet ontwikkeld om de klimaatverandering, vervuiling of overproductie aan te pakken. We moeten ons hele systeem herdenken.

 

Naar aanleiding van de financiële crisis voorspelde u opstanden in verschillende Europese landen en een grote economische ineenstorting. ‘Binnenkort zullen onze politici een valse snor moeten opplakken als ze een hapje willen gaan eten’, zei u in 2012 in een interview met Knack. Vandaag lopen onze politici nog niet met valse snorren rond. Hebt u zich vergist?

David Graeber: Helemaal niet. Ik denk dat we er gewoon gewend aan geraakt zijn. Begin juni was ik in San Francisco. Ik was gechoqueerd over wat ik daar zag. In Londen slapen mensen in kartonnen dozen in portieken, maar daar liggen de daklozen gewoon midden op straat. Het is niet voor niets dat er vandaag zoveel zombiefilms in de Amerikaanse bioscopen draaien; ze leven er namelijk in een apocalyptische zombiewereld. Iemand zei me dat de daklozen op straat maar het topje van de ijsberg zijn. Minstens evenveel mensen slapen in hun auto of leven in een camper. Steeds meer zestigers en zeventigers kunnen niet op pensioen en moeten werken tot aan hun dood. Er is zich dus wel degelijk een sociale ineenstorting aan het voltrekken die dertig jaar geleden als catastrofaal beschouwd zou worden. Nu lijken mensen dat heel normaal te vinden.

 

U stond mee aan de basis van Occupy Wall Street in New York en was een van de initiatiefnemers van de bezetting van Zuccotti Park in september 2011. Hoe is het vandaag gesteld met Occupy?

Graeber: De beweging is nog actief, maar dan vooral als fundament voor de Democratic Socialists of America (DSA). Er wordt nu gezegd: ‘Occupy was een mislukking’; ik durf dat sterk te betwijfelen. Want waar zou Occupy gefaald hebben?

 

De VS worden nu geleid door Donald Trump, bijvoorbeeld.

Graeber: Right. Occupy ging niet over het verkiezen van mensen, maar over het niet blijven nastreven van het verkiezen van mensen. Natuurlijk is Trump verkozen, maar dat zegt toch niets over het succes van Occupy? Wij verwierpen net de verkiezingsaanpak.

 

U verwierp de democratie?

Graeber: Nee, wij stelden dat het systeem niet democratisch is. Echte democratie is dat mensen zelf beslissen hoe ze over zichzelf wensen te regeren. Dat is iets helemaal anders dan een systeem waarbij degene die het meeste omkoopgeld kan verzamelen zichzelf kan laten verkiezen. Met Occupy probeerden we een culturele transformatie te bewerkstelligen: we probeerden het gedachtengoed van mensen over democratie en kapitalisme te veranderen. Een paar jaar geleden werd een bevraging georganiseerd bij Amerikanen van 18 tot 30. De meerderheid zei dat ze antikapitalistisch en pro-socialistisch was. Ik stond daarvan te kijken, want het was uniek dat zoveel jonge Amerikanen zich uitspraken voor het socialisme. Occupy mislukt? Komaan, zeg.

 

De Amerikaanse president is Donald Trump en niet Bernie Sanders.

Graeber: Dat komt omdat mainstream links in Amerika niet begrijpt wat mainstream rechts wel doorhad: je moet je gekke radicalen goed soigneren als je de macht wil grijpen. De rechts-radicalen van de Tea Party zijn veel angstaanjagender dan wij van Occupy, maar dat was voor rechtse Republikeinen geen bezwaar om hen tegen de borst te drukken. De Democraten raakten geobsedeerd door het feit dat vijf kerels van Occupy tijdens de bezetting een raam hadden durven inslaan. ‘O nee, met dat uitschot willen we niets te maken hebben.’ Ook al waren de duizenden andere bezetters vreedzaam. Rechtse Republikeinen hadden er ondertussen niet echt een probleem mee dat neonazi’s hun geweren leegschoten. ‘We zijn het niet eens met de shooting, so what?’ Vervolgens gingen ze verder met het knuffelen van hun radicalen. Wij werden door mainstream links onderdrukt. Ik was erbij toen Zuccotti Park op 15 november 2011 hardhandig ontruimd werd. De Democraten hadden eerst gehoopt dat wij ons naar het corrupte systeem zouden schikken. Maar wij bleven erop hameren dat we dat radicaal verwierpen. Voor rechts was het natuurlijk makkelijker, want zij vinden corruptie best oké.

 

U geeft nu les aan de London School of Economics (LSE), een elite-universiteit waar de meeste studenten van rijke komaf zijn.

Graeber: Kent u de stichters van de LSE, Sidney en Beatrice Webb, Graham Wallas en George Bernard Shaw? Aan het eind van de 19e eeuw waren zij vooraanstaande leden van de socialistische Fabian Society. In oorsprong is de LSE dus een links project. Nu al lang niet meer, dat is waar. Enkel het antropologiedepartement houdt nog stand als klein radicaal links bastion. (lacht)

 

David Graeber, Bullshit jobs, Over zinloos werk, waarom het toeneemt en hoe we het kunnen bestrijden, Business Contact, 416 blz., 24,99 euro

 

David Graeber

  • Geboren in 1961 in New York
  • Groeide op als zoon van een communistische vakbondsactiviste en een veteraan van de Spaanse Burgeroorlog
  • Werkte vanaf 1998 als antropologieprofessor aan de prestigieuze Yale University, waar hij zijn anarchistische sympathieën niet onder stoelen of banken stak
  • Zijn contract werd in 2005 niet verlengd, waarna zijn studenten in opstand kwamen
  • Verhuisde een jaar later naar Londen waar hij eerst antropologie doceerde aan Goldsmiths
  • Stond in 2011 aan de wieg van Occupy Wall Street
  • Scheef in datzelfde jaar zijn magnum opus Schuld, de eerste 5000 jaar
  • Ruilde in 2013 Goldsmiths in voor de London School of Economics

 

(c) Jan Stevens

‘Erectieproblemen? Ga naar de cardioloog’

In Amerika is Aaron Spitz voor de popularisering van de kennis over de penis wat Jeroen Meus bij ons is voor de popularisering van de kennis over (groot)moeders keuken. ‘Lengte lijkt voor veel mannen van levensbelang.’

 

In het Amerikaanse tv-programma The Doctors laat uroloog Aaron Spitz geregeld zijn licht schijnen over typisch mannelijke gezondheidskwesties. ‘Tijdens mijn studentenjaren probeerde ik furore te maken als stand-upcomedian’, zegt hij. ‘Die optredens waren een keiharde leerschool, maar ik heb toen wel geleerd om mensen te entertainen en begeesteren. Dat komt me nu in mijn talkshow goed van pas.’ Naast zijn tv-werk runt dokter Spitz een bloeiende urologenpraktijk in Los Angeles, met als specialisatie mannelijke vruchtbaarheid.

Aaron Spitz: ‘Al jaren moet ik vaststellen dat de kennis van veel patiënten over hun eigen geslachtsorgaan niet altijd even accuraat is. Velen schamen zich voor hun jongeheer of geloven dat hij niet aan de gangbare norm voldoet. Daarom besloot ik om Het Penisboek te schrijven, waarin ik geen enkel heet hangijzer uit de weg wou gaan. Ik heb dat met veel humor proberen doen om zo de pil voor de ietwat preutsere man te vergulden. Want de penis is en blijft een gevoelig onderwerp. Het was ook hoog tijd voor een nieuw penisboek omdat er de voorbije jaren veel kennis bijgekomen is over de mannelijke seksualiteit.’

 

Nieuwe kennis?

Spitz: Niet spiksplinternieuw, maar wel van de laatste dertig jaar. Toen ik als dokter in de jaren negentig in urologie aan het specialiseren was, zat Viagra nog in de klinische testfase. Ze hadden pas ontdekt hoe de werkzame stof sildenafil precies werkt. Op dat moment waren er maar weinig middelen voorhanden voor de behandeling van erectieproblemen. Die waren ook niet altijd even sexy of gebruiksvriendelijk, met pompjes, injecties in de penis of een operatieve ingreep. Toen Viagra alle tests doorstaan had en op de markt kwam, konden mannen écht geholpen worden. Want eindelijk hadden we een makkelijke, effectieve behandelingsmethode voor erectiestoornissen. Je slikt een pil en vervolgens krijg je een erectie om u tegen te zeggen. Viagra zorgde ook in het dokterskabinet voor een kleine revolutie, want voortaan voelden artsen zich minder geremd om het onderwerp ‘erectiestoornis’ met hun mannelijke patiënten aan te snijden. Ze hadden nu immers een behandeling aan te bieden die comfortabel was én hielp.

 

Zijn erectiestoornissen dan zo’n groot en wijdverspreid probleem?

Spitz: Zeker. Vanaf hun vijftigste krijgt de helft van de mannen er in min of meerdere mate last van. Sommigen ondervinden af en toe dat hun erectie te wensen over laat, bij anderen wordt het snel een ernstig probleem. Zelfs een gezonde vijftiger ziet zijn erectie soms op cruciale ogenblikken verslappen. Erecties zijn nauw verbonden met de algemene conditie van hart en bloedvaten. De erectie van de penis is een weerspiegeling van de bloedcirculatie doorheen het hele lichaam. Mannen met erectieproblemen lopen risico op verminderde of haperende bloedtoevoer naar hun hart en hersenen. Ze riskeren dus een hartaanval of beroerte. De bloedvaten naar de penis zijn veel kleiner dan die naar het hart of de hersenen. De penisslagaders zijn de kleinste in een mannenlichaam, met een diameter van amper een millimeter. De kransslagaders naar ons hart zijn vijf keer zo dik.

 

De penis is dus de kanarie in de koolmijn?

Spitz: Precies. Als je hem niet meer omhoog krijgt, is het niet onverstandig om naast de uroloog ook even bij de cardioloog langs te gaan. Want vaak zijn erectieproblemen de voorbode van een hartaandoening. Vrouwen hebben de gewoonte om jaarlijks minstens een keer bij hun gynaecoloog langs te gaan, maar de meeste mannen bezoeken na hun tienerjaren amper nog een dokter. In Amerika stappen volwassen mannen pas op hun vijftigste terug bij de arts binnen. Er wordt hen dan verteld dat het hoog tijd is dat ze hun prostaat en hun darmen laten onderzoeken. Al die mannen zouden op dat moment best ook hun cholesterolwaarden laten opmeten en hun hart laten testen.

 

Pleit u ervoor dat alle mannen één keer per jaar bij de uroloog langsgaan, zoals vrouwen bij de gynaecoloog?

Spitz: Toch niet, het zou al fantastisch zijn als ze af en toe eens hun huisarts bezoeken. Die kan hen dan informeren wanneer ze best bij de specialist een afspraak maken. Soms krijg ik mannen met erectieproblemen over de vloer die al een tijd in behandeling zijn voor hart- of bloeddrukproblemen en daar de juiste medicatie voor slikken. ‘Mijn bloeddruk is onder controle dokter, en toch krijg ik hem niet meer omhoog. Ik begrijp er niets van. Mijn vrouw zegt dat ik haar niet meer aantrekkelijk vind. Help!’ Dat is het moment waarop ik Viagra bovenhaal.

 

Is dat middel dan niet gevaarlijk voor mannen met een hartziekte?

Spitz: Dat is wat de legende wil. Toen Viagra pas uitkwam, stierven er een paar mannen aan een hartaanval. Het is een werk van lange adem om die onterechte slechte reputatie van de blauwe pillen de wereld uit te krijgen. Viagra is honderd procent veilig voor je hart. Er is maar één uitzondering: nitroglycerine en Viagra samen kunnen een gevaarlijke cocktail vormen. Nitroglycerine wordt genomen door mensen die angina pectoris of hartkramp hebben. In alle andere gevallen is Viagra veilig, net als Cialis. Die middelen zijn niet verslavend en ondermijnen het gestel niet.

 

In uw boek raadt u de pijnstiller Tramadol aan voor mannen die last hebben van voortijdige zaadlozing. U schrijft: ‘Het middel is niet zo verslavend als de meeste pijnstillers.’ Tramadol is een synthetisch opioïde en familie van het opiaat morfine. Erg onschuldig is dat toch niet? De VS worden geteisterd door een heuse opioïde-epidemie en ook in België ontwikkelen steeds meer mensen een ernstige verslaving aan opioïdes zoals Tramadol.

Spitz: U hebt gelijk: de opioïde-epidemie woedt wereldwijd en Tramadol is inderdaad een opioïde. Maar je kan het enkel op voorschrift krijgen en bij voortijdige ejaculatie wordt het eenmalig ingenomen. Je neemt niet elke zes uur een pil om de pijn te bestrijden, enkel wanneer je wil vrijen. Ik begrijp uw bezorgdheid over Tramadol, want mensen die er verslaafd aan zijn, zoeken continu manieren om aan voorschriften te geraken. Ik schrijf het daarom enkel voor wanneer ik zekerheid heb over de motieven van de man die voor me zit. Ik vraag mijn patiënten altijd of ze gevoelig zijn aan verslaving. Want er is een alternatief: paroxetine, alleen moet je dat dan elke dag in een lage dosis innemen. Paroxetine is een niet-verslavend antidepressivum dat het serotonineniveau in de hersenen opkrikt. In België wordt het verkocht onder de merknaam Seroxat. Als bijwerking onderdrukt het het spinale ejaculatiecentrum. Dat is ideaal voor mannen die te snel klaarkomen. Als je van jezelf vindt dat je veel te snel klaarkomt, hoef je trouwens niet meteen je toevlucht tot pillen te nemen. Er zijn sprays op de markt die de gevoeligheid van de zenuwen in de penis verminderen, waardoor je de ejaculatie kunt uitstellen. Meestal zit daar een verdovende stof zoals lidocaïne in. Hoe meer je ervan op je penis spuit, hoe groter het effect. Er zijn ook condooms in de handel met een glijmiddel met dezelfde werking.

 

Is voortijdige ejaculatie net zo’n groot probleem als erectiestoornissen? Of schatten mannen verkeerd in hoe lang ze het moeten volhouden?

Spitz: Veel mannen worstelen daarmee. Gedeeltelijk is dat omdat seks een recreatieve sport lijkt te zijn geworden. (lacht) Vroeger diende seks vooral om onze genetische code te laten voortbestaan. De man die het snelste kon ejaculeren, was het best uitgerust om de soort te laten overleven. Tijdens het copuleren in de wilde natuur was de man kwetsbaar: hoe sneller dat achter de rug was, hoe sneller hij weer paraat was om zijn vijanden het hoofd te bieden. De mens ontwikkelde verder en kreeg meer controle over zijn seksuele activiteit. Vandaag controleren we zelfs of onze vrijpartijen nageslacht zullen opleveren. De menselijke verwachtingen over de kwaliteit van seks liggen veel hoger dan ooit tevoren. Bij sommige mensen misschien té. Een man die vindt dat hij te snel klaarkomt, drukt dat altijd uit in tijd. Zelden of nooit vraagt hij zich af of zijn partner dat misschien wel prettig vindt. Voortijdige ejaculatie is geen ziekte, toch wordt algemeen aangenomen dat het een probleem kan zijn als je het niet langer dan twee minuten volhoudt en daar gestresseerd door raakt. Maar als zowel jij als je partner het fijn vinden dat je snel kan ejaculeren, is er toch geen enkel probleem?

 

Speelt lengte een rol?

Spitz: Lengte lijkt voor veel mannen van levensbelang. Toen ik me als uroloog aan het specialiseren was, vroegen zowat al mijn mannelijke vrienden: ‘Bestaat er een pil die de penis kan verlengen?’ En ze vroegen dat niet uit puur wetenschappelijke interesse. (lacht) U kunt zich niet voorstellen hoeveel patiënten met advertenties voor penisverlenging voor de dag komen. ‘Dokter, wat denkt u hiervan? Deugt dit middel?’ Sommige middeleeuws uitziende folterapparaten kunnen de penis na urenlange reksessies een klein beetje verlengen, maar het sop is de kool niet waard. De meeste mannen hebben trouwens een fout beeld van de ideale penislengte. De kerels die ze in pornofilms aan de slag zien, hebben allemaal een buitengewoon groot geschapen lid. Dat is ook net een van de redenen waarom die heren het tot pornoacteur geschopt hebben. De meeste gewone mannen zien in hun dagelijkse leven weinig realistisch vergelijkingsmateriaal. Sommigen douchen een keer per week na het sporten samen, en daar houdt het op. Hun foute informatie over penislengte halen ze op pornosites. Door het internet en de smartphone is porno altijd en overal beschikbaar. Dat was vroeger toch anders; ik ging bij een vriend langs die wist waar de blootblaadjes van zijn vader lagen. Wie alle dagen porno kijkt, raakt er snel verslaafd aan en wil steeds extremere beelden zien. Hardcore porno is ook à volonté voor kinderen beschikbaar. Dat kan onmogelijk gezond zijn; het zorgt voor een compleet vertekend beeld van wat seks is. De explosie van internetporno gaat niet voor niets gepaard met een opvallende verhoging van het aantal erectiestoornissen.

Als uroloog heb ik ondertussen duizenden piemels gezien. Ik weet dat de overgrote meerderheid van de stijve penissen geen twintig centimeter lang is, maar gemiddeld iets meer dan dertien centimeter, met een marge van 2 centimeter. De lengte van een slappe penis is gemiddeld negen centimeter. Uit gedegen onderzoek blijkt dat grotere mannen vaak een grotere piemel hebben, maar dat is niet altijd zo. Er zijn ook zwakke correlaties gevonden met de schoenmaat en met de relatieve grootte van de wijsvinger ten opzichte van de ringvinger. De grootste verschillen tussen penissen zie je wanneer ze slap zijn.

 

U gebruikt daar de plastische begrippen ‘bloedlul’ en ‘vleeslul’ voor.

Spitz: Die heb ik niet verzonnen, maar worden frequent gebruikt. De vleeslul ziet er in slappe conditie vrij groot uit, maar groeit niet zoveel als hij stijf wordt. Een bloedlul lijkt eerder aan de kleine kant, maar groeit stevig als hij in actie treedt. In erectie verschillen ze niet zoveel van elkaar. Ongeveer vijftig procent van de mannen gelooft dat hun partner vindt dat ze te klein geschapen zijn. Maar tachtig procent van de partners blijkt dan weer tevreden te zijn over de lengte van meneers jongeheer. Mannen hebben dus niet alleen een vertekend beeld van hoe een normale penis eruitziet, maar schatten ook de verwachting van hun partners verkeerd in. De vagina is gemiddeld 9,6 centimeter diep, met een marge van anderhalve centimeter. Het maakt dus eigenlijk niet zoveel uit of je als man een paal van 20 of 10 centimeter hebt. Mannen moeten dringend meer met hun partners praten over hoe ze het liefdesspel ervaren.

 

U schrijft dat er een rechtstreekse link is tussen ‘het grote en het kleine koppie’.

Spitz: Veel complexe neurologische en neuro-chemische processen moeten gecoördineerd samenwerken om de erectie en ejaculatie mogelijk te maken. Als die processen verstoord raken, blijft er enkel slapte over. Er zijn triggers in je hersenen die seksueel verlangen in gang zetten en triggers die het blokkeren. Maar ook je testosteronspiegel speelt een rol. De belangrijkste chemische stof in je hersenen die invloed op je erecties heeft, is adrenaline. Je maakt adrenaline aan op stressmomenten. Het helpt je een aanval te doorstaan. Adrenaline opent de bloedvaten naar je longen, hart, lever en spieren, zodat je klaar bent om te vechten of te vluchten. De stof trekt je bloed vanuit je uiteinden van je lichaam naar het centrum. Op momenten van stress zit er dus minder bloed in je armen en benen. Bij een aanval met een mes of een bijl, of na een beet van een dier, zal je zo niet te veel bloed via je uiteinden verliezen. Adrenaline houdt bij stress het bloed bij de vitale organen. Vervelend bijverschijnsel is dat ook de bloedtoevoer naar je penis wordt afgesloten.

 

Stress is nefast voor de seksuele feestvreugde?

Spitz: Ja. Stress en adrenaline helpen ons moeilijke omstandigheden te overleven. Alleen krijgen we in deze moderne wereld stress van zaken die niet levensbedreigend zijn. Ons lichaam reageert dan alsof een grizzly ons in de pan wil hakken. Als journalist hebt u waarschijnlijk last van stress omdat u deadlines moet halen. Op die momenten zorgt de adrenaline ervoor dat het bloed uit uw penis gezogen wordt, recht naar uw vitale organen. U zal dan geen erectie kunnen krijgen of uw erectie zal er snel de brui aan geven.

Een man is aan het vrijen, maar wordt afgeleid door iets banaals waardoor hij zijn erectie verliest. De kans is reëel dat hij vanaf dat moment erectiestoornissen ontwikkelt. Want de eerstvolgende keer dat hij van bil wil gaan, zoemt in zijn achterhoofd de gedachte: ‘Wat als het me weer overkomt?’ Die gedachte alleen al zorgt voor stress en zet de aanmaak van adrenaline in werking. De rest kan u wel raden. Na een paar mislukte vrijages raakt onze arme man gevangen in een vicieuze cirkel.

 

En moet hij in therapie?

Spitz: Voor veel mannen met een erectieprobleem als gevolg van stress, is therapie bij een in seks gespecialiseerde psycholoog de beste oplossing. Maar vaak moet ik vaststellen dat die drempel voor veel patiënten te hoog ligt. Ik vind dat jammer, want eens die gedachte ‘dat het zal misgaan’ diep in je brein ingeplant is, krijg je ze er moeilijk weer uit. Integendeel, ze wordt alleen maar krachtiger.

 

Hoe houden mannen hun penis gezond?

Spitz: De basis van alles is de manier waarop de penis werkt: de bloedtoevoer zorgt ervoor dat hij gaat zwellen en dat wij een stevige erectie krijgen. Een gezonde bloedsomloop zorgt voor een gezonde penis. Vanuit de wetenschap weten we dat de sleutel tot een goede bloedsomloop stikstofmonoxide is, in de scheikunde NO gedoopt, of stikstof en zuurstof. Die moleculen zetten de slagaders naar de penis wijd open en voeden en versterken de bloedvaten. NO wordt aangemaakt uit gezonde voeding en afgebroken door ongezonde voeding. Als je een gezonde penis wil, let je op je voeding en eet je best plantaardig of veganistisch. Voedsel op basis van planten dat niet geraffineerd is: groenten, fruit, noten, bonen en volkorenproducten. Vermijd alles wat in blik of plastic verpakt is.

 

Hipsters hebben dus de gezondste penissen?

Spitz: Vermoedelijk. (lacht) Ik hoor sommige lezers van uw blad nu roepen: ‘Ik ken een viriele negentiger die alle dagen whisky drinkt, sigaren rookt en biefstuk eet.’ Beste lezers, die man is een uitzondering. Twintigers of dertigers die graag hun stevige erecties willen behouden, schakelen zo snel mogelijk over op het veganisme. Net als een zeventiger die nog lang van zijn erecties wil blijven genieten. Dit advies heeft niets te maken met ideologie, maar alles met wetenschappelijk onderzoek. Als het je niet lukt om honderd procent veganistisch te eten, is negentig procent ook goed.

 

Bent u full blown veganist?

Spitz: Nee, ik zit aan negentig procent. Ik ben veganist omdat ik gezond wil blijven, maar het veganisme heeft als groot bijkomend voordeel dat het ook ecologisch verantwoord is. Nog belangrijk voor een gezonde penis is voldoende sporten. Want ook bewegen is essentieel voor een goede bloedcirculatie. Net als voldoende slaap, iets wat te veel moderne mensen verwaarlozen.

 

In uw boek vond ik een paar recepten die de smaak van sperma zouden beïnvloeden. Zo is er het recept voor ‘ananasverrassing’: ‘Meng 200 gram blokjes ananas, 1 in stukjes gesneden kiwi en 100 gram bosbessen. Consumeer 1 uur voor de verhoopte fellatio.’ Hebt u dat zelf uitgetest?

Spitz: Mijn vrouw had geen zin in veldonderzoek. (lacht) Het zal u misschien verbazen, maar als uroloog krijg ik regelmatig de vraag: ‘Dokter, hebt u tips om mijn sperma lekker te maken?’ In de wetenschappelijke literatuur vind je daar helaas niet veel over terug. Sommige sperma-ingrediënten smaken of ruiken zelfs smerig, zoals de amines, ammoniakachtige moleculen. Ze luisteren naar namen als ‘cadaverine’, van kadaver, en ‘putrescine’, van putrefactie of ontbinding. Ik hoop dat ik toch een paar recepten gevonden heb die sperma een beetje kunnen pimpen.

 

Aaron Spitz

  • Geboren in 1966 in Miami Beach, Florida
  • Studeert in 1988 af als politicoloog en begint daarna een opleiding geneeskunde
  • Studeert in 1998 af als uroloog
  • Heeft sinds 1999 zijn eigen praktijk in de buurt van Los Angeles
  • Is sinds 2006 onderzoeksprofessor aan de Universiteit van Californië, gespecialiseerd in mannelijke vruchtbaarheid
  • Groeide vanaf 2008 uit tot ‘Amerika’s favoriete penisdokter’ dankzij het tv-programma The Doctors

 

Aaron Spitz, Het Penisboek, Thomas Rap, 336 blz., 19,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Veel kinderen zijn doodsbang van de vrijheid’

Psychiater en tachtiger Boris Cyrulnik verrichtte pionierswerk naar de verwerking van trauma’s uit de kindertijd en muntte het begrip ‘veerkracht’. ‘Mijn leven lang onderschatte ik de rol van één psychotherapeut: God.’ Om dat goed te maken, schreef hij God als therapeut.

 

Neuropsychiater Boris Cyrulnik is wereldberoemd in Frankrijk én ver daarbuiten voor zijn baanbrekend onderzoek naar traumaverwerking. In 2001 publiceerde hij zijn ultieme bestseller Les vilains petits canards, vertaald als Veerkracht. Daarin bouwde hij verder op de hechtingstheorie van de tien jaar eerder overleden Britse psychiater John Bowlby. Volgens Bowlby zijn kinderen geprogrammeerd om zich te hechten aan hun ouders of opvoeders. Als die hechting fout loopt, betalen de kinderen daar soms een levenslange prijs voor met relatieproblemen, depressie, verslaving of angst. Boris Cyrulnik introduceerde het begrip résilience of ‘veerkracht’. Op de bodem van de put ligt volgens hem de sleutel voor heling en misschien zelfs voor herstel van mislukte of onveilige hechting. Onze natuurlijke veerkracht is onze beste bondgenoot in de strijd tegen de gevolgen van vreselijke trauma’s als oorlog, incest, terreur, mishandeling of misbruik. Gespecialiseerde therapie kan daarbij helpen.

Cyrulnik putte voor zijn theorie over ‘veerkracht’ uit ervaringen die hij als psychiater had opgedaan met jeugdige delinquenten, maar ook uit wat hij zelf als kind had meegemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog. ‘Toen ik in 2010 in Congo in een opvangcentrum van Unicef kindsoldaten ontmoette, werd ik verrast door de kracht die de zwaar getraumatiseerde jongens uit hun geloof putten’, zegt hij. ‘Een jongen van een jaar of tien met ogen vol angst zei me: “Ik voel me alleen goed in de kerk.” Het instituut kerk en God leken hem veerkracht te geven. Op dat moment voelde ik de noodzaak om dat fenomeen dieper te gaan onderzoeken, met behulp van de moderne psychologie, de neurowetenschappen en de hechtingstheorie. Want ik kon niet anders dan vaststellen dat God soms een uitstekende therapeut is.’

 

Gelooft u zelf in God?

Boris Cyrulnik: Nee. Dat verrast u na lezing van mijn boek God als therapeut? (lacht) Ik heb heel lang een praktijk gehad als psychiater en kreeg soms patiënten over de vloer die gebukt gingen onder immens verdriet. Sommigen hadden een kind verloren; anderen hadden hun partner zien sterven. Zij vertelden me hoe ze zich in hun lijden gesteund voelden door hun geloof in God. Ik stond dan altijd met mijn mond vol tanden, want als neuroloog en psychiater wist ik niet wat ik daarmee moest aanvangen. Ik hoorde hen vertellen dat God hen hielp, maar ik had daar geen verklaring voor. Tijdens mijn onderzoek naar veerkracht hoorde ik soms ook van collega’s hoe zij op moeilijke momenten in hun leven houvast vonden in hun geloof in God. Dat fascineerde me, want zelf had ik als kind al geen God. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verdween mijn hele familie. Ik ben geboren in 1937 in Bordeaux. In 1944 werden mijn ouders gearresteerd en naar Auschwitz gebracht. Ze waren joods en ‘verdwenen’. De avond voor mijn moeder op transport gezet werd, had ze me bij een pleeggezin ondergebracht. Die mensen gingen me bijna meteen aangeven bij de met de nazi’s collaborerende politie. Zuid-Frankrijk werd toen gecontroleerd door het Vichy-regime. Ik was zes en een half jaar toen ikzelf door de beruchte Maurice Papon en zijn agenten gearresteerd werd. Ze vielen ’s nachts binnen en ze droegen zonnebrillen. Ik herinner me nog dat ik dacht: ‘Waarom dragen die mannen donkere brillen? Het is toch pikdonker buiten?’ Ze namen me mee en veroordeelden me bijna meteen tot de doodstraf. Ze sloten me op in een tot gevangenis vertimmerde synagoge in Bordeaux. Op een onbewaakt ogenblik kon ik me verbergen in een vals plafond en zo ook ontsnappen. Daarna leefde ik ondergedoken als ‘Jean Laborde’ bij een christelijk gezin dat joden hielp. In Frankrijk worden die mensen nu ‘Les Justes’ genoemd. Ik kon toen onmogelijk in God geloven omdat niemand me kon vertellen wie God echt is of hoe ik tot God moest bidden. Geen jood of christen kon me uitleggen waar God gebleven was op het moment dat mijn ouders vermoord werden. Na de oorlog was ik overtuigd atheïst. Wat niet wil zeggen dat ik nergens meer in geloofde. Ik geloofde in kunst, literatuur, humanisme, geneeskunde, filosofie.’

 

Een oom van mijn vrouw zat tijdens WO II in het verzet. Hij werd gearresteerd en overgebracht naar het concentratiekamp Mittelbau-Dora in Oost-Duitsland. Op het einde van de oorlog overleefde hij een dodenmars. Hij beschouwde zijn redding als een persoonlijke interventie van God. Hij is nu 94 en nog steeds diepgelovig.

Cyrulnik: Hij is geen uitzondering. Meer mensen die de kampen overleefden, kwamen zo dichter bij God. Maar het tegengestelde is ook waar: velen namen toen afscheid van God. Na Auschwitz zeiden sommigen: ‘Het is voortaan onmogelijk om nog in God te geloven. Als hij echt zou bestaan, had hij die verschrikking verhinderd.’ Er zijn ook verhalen van mensen die Auschwitz niet overleefd hebben, maar die er toch God vonden als troost. Voor hen was het een manier om te verwerken wat hen werd aangedaan. De overlevenden van de kampen die God als beschermer zagen, zoals de oom van uw vrouw, zijn blijven geloven.

 

U schrijft dat het godsbeeld van mensen bepaald wordt door hoe ze als baby hun ouders over God hoorden praten.

Cyrulnik: Ons geheugen zit vol herinneringen. De aard van die herinneringen wordt bepaald door onze allereerste interacties met andere mensen en door wat voor jeugd we gehad hebben. Kent u de verhalen van Gargantua en Pantagruel van de 16e-eeuwse grootmeester François Rabelais? Hij was naast schrijver net als ik ook arts in het zuiden van Frankrijk. Zijn geesteskind Gargantua begon meteen na zijn geboorte te spreken. Zijn eerste woorden waren: ‘Wijn, wijn! Ik wil wijn drinken!’ (lacht) Gargantua is een literair verzinsel en er is geen enkel kind dat voor zijn twintigste levensmaand een zinnig woord zal zeggen. Maar een baby hoort zijn moeder in die allereerste levensmaanden wel praten over haar God. Zij presenteert haar godsbeeld aan haar pasgeborene. Later zal dat kind in de God van zijn moeder geloven. In God geloven, is dus eigenlijk ook een manier van affectie delen met elkaar.

Als ik het over ‘God’ heb, gaat het niet over de christelijke, joodse of islamitische religie. Want de voorbije decennia hebben veel mensen in het westen de religie de deur gewezen, maar niet de spiritualiteit of het transcendente. Religie en spiritualiteit zijn niet hetzelfde. Spiritualiteit is universeel, terwijl religie cultureel bepaald is.

 

Wie niet in God gelooft, kan spiritueel zijn?

Cyrulnik: Zonder twijfel. Een mens heeft geen nood aan een instituut om toegang te hebben tot een vorm van spiritualiteit. Maar als je een religieus gelovig mens bent, heb je wel een kerk, synagoge of moskee nodig om anderen te ontmoeten en te bidden tot jouw God. Religies zijn producten van culturen en spiritualiteit zit in elke mens, ongeacht tot welke cultuur hij behoort. Spiritualiteit is het overstijgen van de werkelijkheid, in de richting van het ‘goddelijke’.

 

Er zit dus ook spiritualiteit in atheïsten?

Cyrulnik: Maar natuurlijk. Atheïsten die ervan overtuigd zijn dat er geen greintje spiritualiteit in hen zit, vergissen zich. Volgens mij is het trouwens onmogelijk om in niets te geloven. Ook atheïsten hebben een geloof: het geloof dat God niet bestaat. Dus ook atheïstische moeders en vaders delen met hun kind hun spiritualiteit. Alleen is God dan vervangen door muziek, kunst, literatuur of grote humanistische waarden. Voor transcendentie of het overstijgen van het aardse heb je de figuur van God niet per se nodig.

 

Dat is dan een vorm van religieus atheïsme: God bestaat niet, maar toch overstijgt de werkelijkheid ons en is niet alles zinloos?

Cyrulnik: Precies. Het belangrijkste is dat door die spirituele link met de ouders de interne wereld van het kind gevoed wordt, lang voor het zijn eerste woordjes brabbelt. Een kind ontwikkelt altijd in een context, in een structuur en neemt gebeurtenissen waar. Dankzij moeders verhalen over God of het spirituele zal het kind zodra het begint te spreken, ook in staat zijn om een wereld te voelen die niet waarneembaar is. Baby’s ontwikkelen zich in de gevoelsomgeving die hun ouders voor hen creëren. Geen enkele pasgeborene gelooft in God. Maar de manier waarop een kind van God zal houden, hangt af van de hechting die hij van huis uit meekreeg. Als zijn ouders op een vriendelijke, beschermende manier over God praten, zal het kind God zien als iemand die veiligheid en zekerheid biedt. Maar als vader en moeder enkel over een streng en straffend opperwezen vertellen, wordt het kind bang van God.

 

Veel mensen hebben geen boodschap aan God of spiritualiteit. Zij zijn vooral geïnteresseerd in het materiële en vertellen hun pasgeborenen geen spirituele verhalen.

Cyrulnik: Dat is heel jammer, want het materiële, geld of consumptie hebben geen moraliteit of ethiek. God wel: Hij schrijft voor hoe we moeten samenleven. Die goddelijke moraliteit of ethos hangt af van de cultuur waaruit de figuur van God stamt. De regels van God geven meteen ook structuur aan de samenleving. In sommige culturen kan je de maatschappelijke ethos samenvatten als leven voor God en niet voor het goud.

 

Voor de gezonde evolutie van een kind in de samenleving is de hechting aan God of spiritualiteit even belangrijk als de hechting aan de ouders?

Cyrulnik: De hechting aan God is net als de hechting aan een vader. U kent de katholieke gebedsregel misschien nog: ‘Onze Vader die in de hemelen zijt.’ God wordt vaak geportretteerd als een oude man met een lange grijze baard. Religies leren aan kinderen dat ze God even graag moeten zien als hun ouders. Soms wordt hij voorgesteld als streng en bestraffend en soms als vredevol en vergevingsgezind, als een echte vaderfiguur.

 

Sommige kinderen worden door hun ouders mishandeld of misbruikt. God als vader is daar ook toe in staat?

Cyrulnik: Als je als kind door je ouders mishandeld of misbruikt werd, draag je daar soms de rest van je leven de gevolgen van. Wanneer ouders dan op een bepaald moment tegenover jou erkennen dat ze fouten gemaakt hebben, kan dat de start zijn van een verbeterde relatie. Iets gelijkaardigs geldt inderdaad ook in onze verhouding met God. Als je als kind geconfronteerd werd met een bestraffende, strenge, harteloze God, is de kans groot dat je op een dag met slaande deuren afscheid van hem neemt. Je zweert God af en wordt bijvoorbeeld strijdend atheïst. Maar van zodra je in je leven met pijn, lijden en angst geconfronteerd wordt, is de kans niet gering dat je je toch tot God zal richten.

De Frans-Belgische schrijver Éric-Emmanuel Schmitt verdwaalde eind jaren tachtig tijdens een wandeltocht in de Sahara. Hij moest er in zijn eentje overnachten, zonder voedsel of water. Hij dacht dat hij ging sterven, en kreeg die nacht een religieuze ervaring. Hij voelde extatisch geluk en noemde dat ‘God’. ‘s Anderendaags werd hij gered, en hij ging voortaan als een gelovig mens door het leven. Een vriend van mij is een verwoed zeiler. Hij geloofde niet, maar betrapte zich erop dat hij tijdens een zeer zware storm op zee tot God begon te bidden. Hij was ervan overtuigd dat hij de storm niet zou overleven. Hij voelde zich enorm schuldig, want hij had iemand overtuigd om samen met hem te gaan zeilen, terwijl er slecht weer in de lucht hing. Tijdens die storm ging hij door de knieën en bad tot God. Vandaag gelooft hij nog steeds.

Momenten van gevaar en grote ongerustheid triggeren onze nood aan God. Maar op momenten van vrede, welvaart en welzijn zetten we God makkelijk aan de kant. In Canada waren God en de kerk generaties lang ontzettend belangrijk. Het geloof bepaalde er de ordening van de samenleving. In amper één generatie is dat zo goed als verdwenen. De verklaring daarvoor is volgens mij dat de staat er de rol van God heeft overgenomen. De Canadese overheid voorziet nu in alles wat een kind nodig heeft: school, bescherming en veiligheid. God heeft er steeds minder in de pap te brokkelen. Wij trekken allemaal een beetje op Canada. Hoe minder miserie we in ons leven hebben en hoe beter het ons vergaat, hoe minder behoefte we hebben aan God. Maar de dag dat we een geliefde verliezen of ons leven aan een zijden draadje hangt, richten we ons, al dan niet ver van de schijnwerpers, met onze smeekbeden naar boven. Veel ongelovigen laten zich nog steeds begraven in een kerk. Dat is omdat we als mens nood hebben aan de troost van dat soort van rituelen. Op zo’n momenten wordt God onze therapeut.

 

God en rituelen zijn belangrijk voor onze psychische gezondheid?

Cyrulnik: Jazeker. Rituelen geven structuur aan ons bestaan en op het moment dat de staat God vervangt, verliezen we een flink pak van die rituelen die onze bakens waren. Dat verlies van God impliceert ook een verlies aan waarden, ethiek en moraliteit. Dat is problematisch, want hoe meer we ons hechten aan het materiële, hoe egoïstischer we worden. Wanneer God uit onze samenleving verdwijnt, vergeten we hoe we moeten samenleven met andere mensen. Een kind leert dan niet langer om rekening te houden met anderen en empathie wordt selectiever.

 

Maar een opvoeding met God kan toch ook tot onvoorstelbare gruwel leiden? Denk maar aan de kinderen van de Islamitische Staat.

Cyrulnik: Van zodra een geloofsgemeenschap zich afsluit van de rest van de wereld, wordt het extreem gevaarlijk. In een sekte is er enkel nog empathie voor de andere sekteleden. De buitenwereld is de vijand en moét bestreden worden, of op zijn minst genegeerd. Enkel de eigen God telt en alle andere goden zijn des duivels. Kijk, de essentie is: we hebben allemaal behoefte aan onze God, maar we moeten ons er altijd goed bewust van zijn dat er nog andere goden bestaan die minstens evenveel recht van spreken hebben. Vandaag zijn er op aarde 35.000 verschillende goden. Ze zijn stuk voor stuk nuttig voor alle mensen die erin geloven, net zoals onze God nuttig en noodzakelijk is voor ons.

 

Veel jonge mensen nemen op een bepaald moment afscheid van de God van hun ouders.

Cyrulnik: Dat gold misschien voor uw generatie, maar ik merk dat kinderen vandaag naar de schaapsstal terugkeren. Net nu God door de staat compleet verdrongen lijkt te zijn, keren heel wat jonge mensen terug naar de God van hun voorouders. Ik zie die evolutie iets minder bij christenen, maar vooral bij moslims en joden. Steeds meer jonge moslims hullen zich in kledij die de eerste volgelingen van de profeet Mohammed gedragen zouden hebben. Er worden zelfs bizarre zwempakken ontworpen én gedragen die in Arabische landen verboden zijn omdat ze in strijd zouden zijn met de islam. Tot voor een paar jaar kwam je op straat nauwelijks joden met een keppeltje tegen, nu zie ik overal jonge mannen met een keppeltje op. Piepjonge joden keren terug naar de godsdienst van oma en opa. Ze gaan langs bij de rabbijn en vragen hoe ze moeten bidden en geloven. Hun geseculariseerde ouders staan daar met open monden naar te kijken. Mama en papa gingen indertijd samenwonen of trouwden enkel op het gemeentehuis, maar zoon- en dochterlief vragen aan de rabbijn advies over hoe ze best moeten huwen. De ouders moesten zichzelf vrijvechten, weg van onder wat zij ervaarden als het juk van het geloof en de geestelijkheid. Vol verbazing kijken ze nu naar hun kinderen die afstand nemen van die vrijheid, zich onderwerpen aan de rabbijn en terugkeren naar wat zij ooit als verstikkende regels ervoeren. Het gaat heel ver, hoor. Veel jonge joden zien het huwelijk niet langer als een bezegeling van de liefde tussen twee mensen, maar als een manier om onder toezicht van de rabbijn de samenleving in te richten.

 

Die jonge generatie bouwt vol overgave aan de restauratie van een door God gedomineerde conservatieve samenleving?

Cyrulnik: Ja, zonder twijfel. Dat vindt nu toch onder onze ogen plaats? Westerse samenlevingen beleven een terugkeer naar conservatieve waarden. Daar is ook een verklaring voor: veel kinderen zijn doodsbang van de vrijheid waarin ze geboren zijn. Ze hebben nood aan houvast en structuur en vluchten daarom in de armen van een autoritaire God. Te veel vrijheid voor kinderen levert alleen maar angst en onzekerheid op. Ze hebben nood aan een duidelijk opvoedkundig pad. Praat met leerkrachten op lagere en secundaire scholen en zij zullen u vertellen dat steeds meer jongens en meisjes worstelen met problemen die het gevolg zijn van een gebrek aan structuur in gezin en samenleving. Ze hunkeren naar autoriteit, want dat kalmeert hen en biedt zekerheid.

 

 

Boris Cyrulnik, God als therapeut, Lannoo, 272 blz., 24,99 euro

 

 

 

Boris Cyrulnik

  • Geboren in 1937 in Bordeaux
  • Studeerde in de jaren zestig geneeskunde en psychiatrie aan de Faculté de médecine de Paris
  • Is als neuropsychiater verbonden aan de universiteit van Toulon
  • Schreef verschillende populair-wetenschappelijke boeken over psychologie
  • Introduceerde in 2001 voor het grote publiek de theorie over résilience of veerkracht
  • Richtte in 2013 L’Institut Petite Enfance op voor opleiding van hulpverleners en onderzoek naar de vroege kinderjaren

 

(c) Jan Stevens

‘Elon Musk moet van Mars afblijven’

Onder leiding van professor Veronique Dehant vliegt België samen met de NASA en de ESA op verkenning naar Mars. ‘We willen weten waarom die ooit levende planeet nu zo dood als een pier is. Zo leren we misschien ook iets bij over de evolutie van de aarde.’

 

In 1993 stapte de briljante jonge astro- en geofysicus Veronique Dehant voor het eerst de imposante gebouwen van de Koninklijke Belgische Sterrenwacht (KBS) in Ukkel binnen. Vandaag leidt ze er de dienst ‘Referentiesystemen en planetologie’ en geldt ze wereldwijd onder vakbroeders als een autoriteit in de studie van de rotatie van de aarde. Aan de UCL doceert ze astronomie en geofysica en leidt ze het Center for Space Radiations. Op zaterdag 5 mei woonde ze op de luchtmachtbasis Vandenberg in Californië de vlekkeloze lancering bij van de NASA-ruimtesonde InSight. Als alles goed gaat, zal de InSight in november op Mars landen, om daarna twee jaar lang het inwendige van de rode planeet te onderzoeken.

‘Wij helpen op de KBS met de verwerking en de interpretatie van de gegevens’, zegt professor Dehant. ‘De kernvraag van deze missie is: waarom is er niet langer leven op Mars? Want ooit was dat wél het geval. Leven wordt pas mogelijk als er energie, voedingsstoffen en vloeibaar water beschikbaar zijn. Ooit waren die drie voorwaarden op Mars vervuld. Tussen 4,6 miljard en 3,5 miljard jaar geleden, na het ontstaan van het zonnestelsel, bulkte de planeet zelfs van het water. Op foto’s die vanuit andere ruimtetuigen gemaakt zijn, kun je heel duidelijk de sporen zien die het stromende water er achterliet, met uitgedroogde rivierbeddingen en -delta’s. Door het inwendige van de planeet te onderzoeken, hopen we inzicht te krijgen in de evolutie van terrestrische of aardachtige planeten zoals Mars, Venus, Mercurius én de aarde.’

 

Nu is de planeet Mars dood, maar miljarden jaren geleden was ze springlevend?

Veronique Dehant: Precies. En wij willen begrijpen waarom ze van levend naar dood geëvolueerd is. We zoeken antwoorden op vragen als: hoe kan een atmosfeer rond een planeet ontstaan, maar ook weer verdwijnen? Alles wat aan de oppervlakte van de planeet gebeurt, is verbonden met wat er zich binnenin afspeelt. Vandaar onze missie InSight, wat staat voor ‘Interior Exploration using Seismic Investigations, Geodesy and Heat Transport’.

 

Kan u die link tussen het inwendige en uitwendige van Mars eens heel concreet maken?

Dehant: Elke planeet die een vloeibare, stromende kern heeft, heeft ook een magnetisch veld. Onze aarde is daar een mooi voorbeeld van. Dat magnetisch veld beschermt ons tegen zonnewinden die onze atmosfeer oplossen. Zonder dat veld zou onze atmosfeer zelfs totaal kunnen verdwijnen. Onder andere dankzij de innerlijke vloeibare toestand van de kern van de aarde zitten wij hier nu dus met elkaar te praten. Onze studie van het innerlijk van Mars kan ons meer inzicht geven in de werking van de atmosfeer en het magnetische veld.

De aardkorst bestaat uit grote tektonische platen. Vlak onder de korst ligt de aardmantel. De platen en het oceaanwater bewegen in en over de mantel, oefenen zo rechtstreeks invloed uit op de werking van vulkanen en veroorzaken ook aardbevingen. Op Mars is geen platentektoniek, want de korst bestaat uit een gigantische ‘monoplaat’. Doordat er op Mars geen tektoniek is, kun je bij wijze van spreken de hele geschiedenis van ons zonnestelsel van die planeet aflezen. Op het oppervlak liggen kraters die 4,5 miljard jaar oud zijn. Door dit onderzoek zullen we dus meer te weten komen over de evolutie van aardachtige planeten en over ons zonnestelsel. Maar ook al is Mars een buurplaneet, ze verschilt toch grondig van de aarde. We kunnen dus niet zomaar aan de hand van onze bevindingen op Mars de toekomst van onze eigen planeet voorspellen.

 

De InSight wil onder andere Mars-bevingen registreren, maar zijn die eigenlijk wel mogelijk als er geen platentektoniek is?

Dehant: Dat vormt precies ook onderdeel van ons onderzoek. Waar we zeker van zijn, is dat sommige bevingen veroorzaakt worden door meteorietinslagen. De InSight heeft een seismometer die àlle mogelijke bevingen zal vastleggen. De resultaten zullen ons meer leren over de verhouding tussen de mantel en de korst. De InSight heeft nog twee andere meetinstrumenten aan boord: een boor en een radiozender en -ontvanger. Met de boringen in het Marsoppervlak meten we de temperaturen tot vijf meter diep. Zo kunnen we de warmteoverdracht van de kern naar de oppervlakte in kaart brengen. Vanop de aarde zullen we radiosignalen naar Mars sturen. De twee antennes op de InSight zullen die capteren en meteen naar ons terugsturen. Wij meten dan het dopplereffect. Dat kan ons iets leren over de beweging van Mars, net zoals het de politie bij radarcontroles iets leert over de snelheid van voorbijrijdende auto’s. (lacht)

 

Hoelang zal de Insight-missie duren?

Dehant: Minstens één Marsjaar of twee aardjaren. De aarde draait in 1 jaar tijd rond de zon en Mars doet daar twee jaar over. Wie een ruimtetuig naar Mars wil sturen, moet daar het juiste moment voor afwachten. Dat zogenaamde ideale lanceervenster is er om de twee jaar en duurt ongeveer één maand. Dit jaar hadden we de hele maand mei tijd om de InSight te lanceren. Dit is trouwens niet het eerste tuig dat naar Mars gestuurd wordt. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw vlogen verschillende sondes richting Mars. De meesten namen foto’s of onderzochten het oppervlak van de planeet. In het begin van deze eeuw zette de NASA twee zogenaamde rovers of onbemande robotwagens op Mars. De Spirit en de Opportunity stuurden beelden van de gesteenten door die ze onderweg tegenkwamen.

 

Hoe raakte u bij het Mars-onderzoek betrokken?

Dehant: Door mijn specialisatie: ik hou me bezig met het bestuderen van de rotatie van de aarde. Hebt u ooit al eens een rauw en een gekookt ei op tafel rondjes laten draaien? U zal zien dat ze verschillend roteren. De rotatie vertelt ons iets over de kern van het ei: of die vast is of vloeibaar. Hetzelfde geldt voor planeten: hun rotatie geeft veel informatie over de toestand van hun diepste kern. Is hij vast of vloeibaar?

Ikzelf droomde al lang van een missie zoals InSight. Samen met de European Space Agency (ESA) hadden we daar een tijd geleden ook plannen voor gemaakt. Maar het binnenste van Mars was toen nog niet sexy genoeg, eerst wilden ze het oppervlak bestuderen. We raakten niet aan fondsen en daarom zochten we contact met de collega’s van de NASA. Zij kregen het hele InSight- project wel rond.

 

Wetenschappelijk ruimteonderzoek moet dus sexy zijn of het raakt moeilijk gefinancierd?

Dehant: Het helpt als er ruimere belangstelling is. Een paar jaar geleden was het wereldnieuws toen de NASA sporen van vloeibaar water op Mars gevonden meende te hebben. Later viel die vondst lelijk tegen, toen het zogenaamde stromende water droog zand bleek te zijn. Het grote publiek wou ook zo graag dát er water op Mars gevonden werd. ‘Waar is het water?’ Het motto van het Mars Exploration Program van NASA begin deze eeuw was: ‘Follow the water’. Want water op het oppervlak betekende bijna automatisch: leven. Tot hiertoe is dat leven nog niet gevonden. Integendeel: het besef groeit dat Mars zo dood als een pier is. Wat niet wil zeggen dat er helemaal geen vloeibaar water te vinden zou zijn. Dat blijft nog steeds mogelijk.

 

En microscopisch kleine levende organismen?

Dehant: Ik denk het niet. De ExoMars-missie van de ESA zal in 2020 een rover op Mars brengen die met boringen in het oppervlak op zoek zal gaan naar fossielen, overblijfselen van vroeger leven. Ooit was er veel water; de kans is reëel dat er dan leven was. Wij werken ook mee aan die ExoMars-missie. Samen met het ruimtebedrijf AntwerpSpace bouwen we nu het instrument LaRa, Lander Radioscience, een zender en ontvanger waarmee we vanaf 2020 hier op de Koninklijke Sterrenwacht de rotatie van Mars zullen kunnen bestuderen. We hebben daar pas alle officiële documenten voor in orde gemaakt, samen met onze partners van het Russische ruimtevaartagentschap Roscosmos.

 

In het heelal is de koude oorlog dus definitief voorbij en gelden er geen sancties tegen het beleid van Vladimir Poetin?

Dehant: De Russische wetenschappers met wie ik rechtstreeks contact heb, zijn heel aardige mensen. We praten niet over politiek: ze willen alleen maar met hun wetenschap bezig zijn. Maar het is niet altijd even makkelijk om met hen samen te werken. De ESA is voorzichtig en test op voorhand alles goed uit. Maar de Russische wetenschappers hebben een andere mentaliteit: they just go for it. Vaak halen ze hun deadlines niet en dat is soms frustrerend. De laatste Russische missie naar Mars, de lancering van het ruimtetuig Fobos-Grunt in 2011, draaide uit op een mislukking. Ik hoop dat de ESA een positieve invloed op de Russen heeft, maar zeker ben ik daar niet van. LaRa zal geïnstalleerd worden op een Russisch platform en ik pendel nu heen en weer tussen Brussel en Moskou. Er worden soms lastige discussies gevoerd. Mijn Russische collega’s van Roscosmos moeten maanden wachten op beslissingen van hogerhand. Waarom dat zo moeizaam verloopt, weet ik niet. Ze praten daar niet graag over, maar zitten er wel erg mee verveeld. Ze staan te popelen om in actie te schieten, maar kunnen niet voluit gaan omdat ze er de middelen niet voor hebben.

 

Verloopt de samenwerking met de Amerikanen van NASA ook zo moeizaam?

Dehant: Nee, dat gaat even vlot als samenwerken met de ESA. Zij hebben solide procedures en werken grondig en secuur. België is klein en kan financieel geen complete missie aan. Daarom werken wij graag onder de vleugels van de NASA of de ESA.

 

Het is belangrijk dat u ook een goede lobbyist bent?

Dehant: Niet echt, maar het helpt wel als je een goede wetenschappelijke naam hebt. Je moet een uitstekende reputatie hebben, anders kan je het schudden. ESA besliste wie welk onderdeel van ExoMars mocht leiden. De selectie verliep zeer streng. Ze hebben mijn cv grondig onder de loep genomen, net als onze plannen voor LaRa. Vervolgens moest de Belgische overheid haar zegen geven, want zij staat in voor de financiering van ons project.

 

InSight is goedgekeurd toen in Amerika Barack Obama nog aan de macht was. Het lijkt alsof de huidige president Donald Trump de erfenis van zijn voorganger zoveel mogelijk wil uitwissen. Merkt u iets van die nieuwe politieke toestand?

Dehant: Helemaal niet. Ik hoor daar ook geen verontrustende berichten over van NASA-wetenschappers. Het ruimteonderzoek zal meer dooreen geschud worden door de komst van private ondernemers.

 

Omdat privé-investeerders andere bedoelingen hebben dan overheidsinstellingen: zij willen dat hun investeringen renderen?

Dehant: Ja, maar er speelt ook nog iets anders: zij dromen van koloniseringsreizen door het heelal. Ik hou daar niet van. Kerels zoals Elon Musk moeten van mijn planeet afblijven. (lacht) Ik hou niet van al die plannen om planeten te koloniseren, inclusief de maan. Ik weet ook wel dat we ons in het verleden op onze eigen planeet als kolonisatoren gedroegen. Maar in plaats van nu op identieke wijze de ruimte te koloniseren, moeten we ze exploreren. Dat wil niet zeggen dat er in de verre toekomst nooit basissen gebouwd mogen worden waar wetenschappers onderzoek kunnen voeren. Maar Mars of de maan koloniseren en er onze vlag planten, gaat regelrecht in tegen mijn wetenschappelijke inborst. Ik wil onderzoeken en begrijpen, niet veroveren. Wij zijn altijd heel voorzichtig als we de ruimte ingaan en letten er op dat we nooit afval achterlaten. Wij willen Mars echt niet vervuilen.

 

We worstelen hier op aarde al decennialang met het probleem van het nucleaire afval. Het zou me niet verwonderen dat er ergens plannen liggen te rijpen om dat ooit naar Mars te verschepen.

Dehant: Dat afval is inderdaad een heel groot probleem waar we ooit een oplossing voor zullen moeten vinden. Maar ik hoop uit de grond van mijn hart dat het nooit gedumpt wordt op Mars. Ze moeten écht met hun fikken van mijn planeet afblijven. (lacht)

 

De Nederlandse stichting Mars One wil in 2026 vier mensen naar Mars sturen. Is dat een waanzinnig plan?

Dehant: Weet u wat ik er waanzinnig aan vind? Dat het een enkele reis is. Die mensen zullen nooit terugkeren en ik vind dat ethisch onverantwoord. Je kan toch geen mensen naar een planeet sturen, goed wetende dat ze er na een paar jaar zullen sterven?

 

Dat is toch hun eigen keuze?

Dehant: Dan nog kunnen we dat niet zomaar laten gebeuren. Kijk, het is nu al perfect mogelijk om op Mars een basis te bouwen waar mensen kunnen overleven. Alleen hebben we niet de technologie om ze te laten terugkeren. Ik heb geen bezwaar tegen een bemande ruimtereis naar Mars, op voorwaarde dat we de middelen en mogelijkheden hebben om terugvluchten te organiseren. Ik begrijp niet waarom die mensen nu willen vertrekken, in het volle besef dat ze gedoemd zijn om daar dood te gaan.

 

Als ze u als wetenschapper een reis naar Mars aanbieden, wijst u die vriendelijk af?

Dehant: Zonder twijfel, er is op dit moment geen enkele reden te verzinnen waarom ik zou gaan. We kunnen ons Mars-onderzoek door robots laten uitvoeren. Wat niet wil zeggen dat ik iets tegen ontdekkingsreizigers heb. Mijn goede vriendin Vinciane Debaille voert aan de ULB wetenschappelijk onderzoek naar het ontstaan van ons zonnestelsel. Zij is zo’n échte ontdekkingsreiziger en wil plekken verkennen waar nooit iemand eerder was. Zij wil graag de ruimte in, op voorwaarde dat ze kan terugkeren. Voor reizen naar Mars zal dat nog wel even duren. De eerste stap zal zijn dat we bodemmonsters van daar naar hier brengen. NASA en ESA hebben onlangs een akkoord gesloten om daar hun krachten rond te bundelen. De volgende stap zal dan transport van mensen zijn.

 

Is er ergens in ons zonnestelsel nog leven mogelijk?

Dehant: Ja, al zal dat leven cellulair zijn: bacteriën die de kosmische straling kunnen doorstaan. Ik denk dan aan wezentjes zoals onze beerdiertjes. Ze zijn amper 0,1 tot 0,5 mm groot en zijn bestand tegen langdurige koude, droogte en warmte. Het zijn de meest veerkrachtige levende wezens op aarde. Het enige wat ze nodig hebben, is energie, vloeibaar water en voedingsstoffen. De maan Europa van de planeet Jupiter is een interessante kandidaat voor leven in de vorm van beerdiertjes. Europa heeft een ijle atmosfeer met zuurstof en onder de korst bevindt zich vermoedelijk een oceaan die misschien in contact staat met rotsgesteente. Als die hypothese klopt, zijn er automatisch voedingsstoffen voorhanden.

 

Is het mogelijk dat er ergens in het heelal wezens leven die minstens evenveel verstand hebben als wij?

Dehant: Dat kan. Zij bevinden zich dan vermoedelijk veel te ver van ons vandaan om hen te kunnen observeren. Sinds de jaren negentig ontdekken we met de hulp van sterke telescopen steeds meer exoplaneten. Dat zijn planeten die niet rond onze zon, maar rond andere sterren draaien. Een aantal van die exoplaneten bevinden zich ten opzichte van hun ster op levensvastbare plekken. Dus ja, de kans bestaat dat er nog ergens een planeet zoals de aarde is. Maar ik focus me liever op ons zonnestelsel, want we raken toch nooit tot in die andere sterrenstelsels.

 

Zouden we het vele belastinggeld dat naar ruimtereizen zoals de InSight en ExoMars gaat niet beter investeren in wetenschappelijk onderzoek op aarde?

Dehant: Laat er geen misverstand over bestaan: we moéten investeren in onderzoek naar onze eigen planeet. Maar we moeten ook blijven investeren in ruimteonderzoek, want dat levert ons op technologisch vlak heel wat op. Wij ontwikkelen ruimtetechnologie die later misschien de basis is voor aardse toepassingen. Teflon is zo’n succesvolle spin-off van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma.

 

Is ruimtewetenschap een mannenwereld?

Dehant: De ingenieurs zijn vooral mannen. Maar onder de wetenschappers is de verhouding tussen mannen en vrouwen in evenwicht. Er zitten heel wat vrouwen in mijn team.

 

Reizen naar Mars neemt veel tijd in beslag. U bent als wetenschapper gericht op de lange termijn?

Dehant: Zeker, deze twee missies kunnen me zelfs nog overleven. (lacht) Ik heb nog zeven jaar te gaan voor ik op pensioen moet. Gelukkig heb ik jonge collega’s die uitstekend werk leveren. Die lange termijn is soms lastig. Toen ik LaRa voor het eerst voorstelde, was dat nog een heel abstract idee. Ik moest op dat moment een instrument verdedigen waar niets concreets van voorhanden was.

 

De theorie kan in de praktijk niet blijken te werken.

Dehant: Dat risico is niet zo groot omdat de theorie zowel bij NASA als bij ESA op voorhand sterk wordt doorgelicht en uitgetest. Maar op het moment dat InSight de lucht inging, hadden wij er als wetenschappers al veel tijd én stress in geïnvesteerd. Als we in 2020 ExoMars de ruimte insturen, zal de stress opnieuw door mijn lijf gieren. Eigenlijk is mislukken geen optie, want dan is alles wat we ontwikkeld hebben voor niets. Of dan moeten we van nul herbeginnen, en dat zie ik eerlijk gezegd niet meteen zitten.

 

Maar de kans op mislukking is reëel? De InSight kan bij de landing in november crashen en de ExoMars kan bij de lancering in 2020 exploderen.

Dehant: Daar moet ik rekening mee houden. De vorige ExoMars-missie dateert van mei 2016. De toen volledig nieuw ontwikkelde landingsmodule Schiaparelli crashte in oktober van datzelfde jaar bij de landing op Mars. InSight kost 450.000 dollar en is goedkoper dan de Schiaparelli. Niet omdat InSight uit minderwaardige materialen gebouwd is, maar omdat het een perfecte kopie is van de ‘oude’ sonde Phoenix. Die landde in 2008 probleemloos op Mars. Ik heb er dus goede hoop op dat de landing straks ook zal lukken en dat we champagne zullen kunnen drinken. En als het toch misgaat, drinken we champagne als troost. (lacht)

 

Veronique Dehant

  • 1959 geboren in Brussel
  • 1977-1982 studeert wiskunde en fysica aan de UCL
  • 1982-1986 doctoreert in de geofysica aan de UCL
  • Sinds 1993 wetenschappelijk onderzoeker en hoofd van de dienst ‘Referentiesystemen en planetologie’ aan de Koninklijke Belgische Sterrenwacht in Ukkel
  • Sinds 1998 professor astronomie en geofysica aan de UCL

 

(c) Jan Stevens 

Reder Willy Versluys verloor zeven bemanningsleden

De Oostendse reder Willy Versluys leerde de voorbije veertig jaar de dood in al zijn gedaanten kennen. ‘Zeven mensen stierven op mijn vissersboten.’ De dood van zijn machinist Bouba raakte hem midscheeps. ‘Negen maanden lang wisten we niet wat hem was overkomen. Dat stuitende gebrek aan informatie neem ik de dood erg kwalijk.’

 

Op de openingsdag van Theater aan Zee (TAZ) op 25 juli wordt door kunstenaars Eva Knibbe en Bart van de Woestijne de dood op de beklaagdenbank gezet. Om 2 uur stipt zal de voorzitter van de gelegenheidsassisenrechtbank in het vroegere Vredegerecht van Oostende de ‘Rechtszaak tegen de Dood’ voor geopend verklaren. Ex-voorzitter van de Hoge Raad voor Justitie Jean-Luc Cottyn zal er als openbare aanklager persoonlijke getuigenissen vertalen in een juridische aanklacht en Els Leenknecht treedt op als advocate van de burgerlijke partijen. Strafpleiter Walter van Steenbrugge zal als advocaat van de beklaagde zijn lugubere cliënt proberen zuiveren van alle schuld. Het lot van de dood ligt in handen van een twaalfkoppige jury van willekeurig gekozen mensen. Op 4 augustus om 11 uur vellen zij samen met de assisenvoorzitter hun arrest.

De Oostendse reder Willy Versluys zal op het proces met hart en ziel tegen de dood getuigen. Sinds begin jaren tachtig is hij actief in de zeevisserij. ‘Ik maakte verschillende ongevallen aan boord mee’, zegt hij. ‘In het prille begin van mijn carrière verloor ik een schip. Gelukkig werden toen alle bemanningsleden door de beroemde Sea King-helikopter gered. Maar in de jaren erna stierven er wel mensen op mijn schepen. De ene door een hartaanval, de andere door een ongeval in de machinekamer, nog iemand anders door een stom ongeluk op het dek. Zeevisserij is een van de zwaarste en gevaarlijkste beroepen. Maar als reder stond ik daar niet altijd bij stil. Zeker niet als het noodlot bij een andere rederij toesloeg. De voorbije decennia lieten zeven mensen het leven op het moment dat ze voor mij aan het werk waren. Zoiets kruipt niet in je kouwe kleren.’

 

De dood is een buur geworden?

Willy Versluys: Ja, en ik ben me er ook heel goed van bewust dat hij onvermijdelijk is. Er is geen leven mogelijk zonder dood. Ik ben daarmee verzoend. Maar wat ik onverdraaglijk vind, is een geliefde die sterft zonder dat de nabestaanden weten wat hem of haar overkomen is. Daarom ook getuig ik op 25 juli vol overtuiging tegen de dood.

In de nacht van 27 op 28 december 2016 kapseisde voor de kust van Engeland mijn schip Zeebrugge 582 Asannat, Oostends voor ‘altijd nat’. Van de drie opvarenden kon enkel bemanningslid Johny Ronsijn zich redden door op de romp te klauteren. De twee anderen, kapitein Eric Maeckelbergh en machinist Omar Fall Diaw Babacar, verdronken. Vooral de dood van Bouba, want zo noemden we Omar, heeft me vreselijk dooreen geschud. Hij was van Mauritiaanse afkomst maar had de Spaanse nationaliteit en was al een paar jaar bij mij in dienst. Op een dag stond hij in mijn kantoor, hij wilde dolgraag werken en ik zag wel iets in hem. Hij had voor ‘machinist alle vermogens’ gestudeerd in Spanje. Voortaan zou er een pikzwarte Afrikaan meevaren aan boord van een van mijn schepen. Voor de Vlaamse visserij was dat revolutionair. (lacht) Ik heb Bouba leren fietsen en hem getoond waar hij naar de moskee kon. Hij was een moslim met een open geest. Iedereen op de kaai zag hem graag. Hij was veertig en had mijn zoon kunnen zijn. We werden vrienden en vertelden elkaar alles. Zijn vader had drie vrouwen en hij was de zoon van de tweede vrouw. Hij stuurde geld naar zijn moeder. Zijn grote droom was om genoeg geld te kunnen sparen om later thuis in Mauritanië een eigen bedrijfje op te starten. Vlak na kerst 2016 vroeg ik Bouba of hij een nachtje wou invallen voor de vaste machinist van de Asannat die geveld was door rugpijn. ‘Eén nacht? Geen probleem.’ Hij had plannen om na nieuwjaar een maand lang bij zijn familie op bezoek te gaan.

Die dinsdag, 27 december 2016, vertrok het schip in de namiddag. Normaal zou het ‘s anderendaags in de voormiddag terugkeren, ze bleven maar twaalf uur weg. ’s Woensdagsmorgens kreeg ik om negen uur telefoon van een schipper. Hij vroeg: ‘Is er iets aan de hand met de Asannat? Er ligt een politieboot in zijn buurt.’ Mijn eerste reactie was: ‘Verdorie, ze zullen in overtreding zijn. Hun netten zijn niet in orde of ze hebben zich niet aan de limieten gehouden.’ Ik belde naar Maurice, een vriend van kapitein Eric. Hij zei: ‘We hadden vannacht nog contact. De vangst was goed en hij zou vandaag om elf uur binnen moeten zijn.’ Maar ik had een slecht gevoel en belde de kustreddingsdienst. Toen hoorde ik dat de Asannat gekapseisd was en dat er reddingsboten en een helikopter onderweg waren.

 

Wat was er gebeurd?

Versluys: Tot vandaag weten we dat niet. Het was goed weer, de netten waren omhoog, de schroeven lagen stil en toch is het schip in een fractie van een seconde gekapseisd. Er is geen kabel gebroken en er was geen ander vaartuig in de buurt. Er is ook geen signaal voor hulp uitgezonden. Er volgden onderzoeken van het parket, van verzekeringsfirma’s, van alle mogelijke instanties. De conclusie luidt: we weten niet wat deze scheepsramp veroorzaakt heeft. In het rapport van de nautische commissie stond wel dat de Asannat stabiliteit verloren had. Net daarom is de boot gekapseisd. Ze hebben zelfs onderzocht of hij een duw van een onderzeeër gekregen zou kunnen hebben. Johny, de overlevende visser, getuigde dat hij een klap hoorde en net op tijd overboord kon springen. Hij moest eerst een tijdje zwemmen voor hij via de schroef op de romp kon klauteren. Zes uur zat hij daar, kletsnat in de winterse vrieskou. De bemanning van een voorbijvarend schip merkte hem op. Ze haalden kapitein Eric Maeckelbergh uit het water en probeerden hem te reanimeren. Maar na zes uur in de ijskoude zee kwam alle hulp te laat. Van Bouba vonden ze geen spoor. Diezelfde week nog werd de Asannat geborgen en teruggebracht naar Oostende. Toen begonnen de vragen pas goed te spoken in mijn hoofd. Wat zou er gebeurd zijn met onze Bouba, die sterke kerel? Heeft hij een slag van iets moeten incasseren, zodat hij bewusteloos was en niet kon zwemmen? Een maand later werd ik gebeld door een journalist van een lokale omroep uit het Nederlandse Zeeland. Een vrouw had daar op het strand een plank gevonden met ‘Asannat’ op. Ze had die naam gegoogeld en las zo over de schipbreuk. Ik heb dat plankje bij haar opgehaald. Maar zo hadden we Bouba nog niet terug. De vraag wat er met hem gebeurd was, bleef maandenlang knagen. Ook voor zijn familie in Mauritanië was dat moeilijk om dragen. Tot we in september van vorig jaar bericht kregen dat hij aangespoeld was aan de kust van Engeland. Ze konden hem identificeren aan de hand van een halskettinkje. Waarschijnlijk is hij negen maanden lang tussen de zeeoppervlakte en de -bodem blijven dobberen.

Ik weet dat Bouba’s dood het gevolg is van een kapseizend schip. Maar het is als bij een dodelijk verkeersongeluk waarbij een auto van rijstrook verandert en een tegenligger ramt. Iedereen blijft zich dan afvragen: ‘Waarom week hij van de weg af?’ Enkel wanneer je weet wat er precies gebeurd is, kun je het beginnen verwerken. Anders blijft het knagen.

 

Hebt u toen Bouba nog leefde ooit met hem over de dood gesproken?

Versluys: Ja. Hij vond dat iets beangstigends. Ik begrijp dat wel, want hij was nog jong. Als het een troost kan zijn: hoe ouder je wordt, hoe minder angstwekkend het vooruitzicht te sterven, wordt. Als ik hier nu een hartaanval krijg, zit u met de miserie maar ben ik er vanaf. (lacht) Mij zou dat niet veel kunnen schelen, want ik ben toch niet gelovig. De dood is het definitieve einde voor mij en ik aanvaard dat. Maar wat ik de dood kwalijk neem, is dat ik negen maanden lang moest wachten op nieuws over Bouba. Hij geloofde wel in het hiernamaals. Hij lag overdag niet op een matje te bidden, maar deed wel mee met de ramadan. Af en toe bezocht hij de moskee, hij dronk geen druppel alcohol en at geen varkensvlees. Hij wist dat ik vrijzinnig ben en kende mijn ideeën over God en het leven na de dood. Ik ben het eens met Marx’ uitspraak dat godsdienst opium is van het volk. Bouba geloofde in God en deed geen vlieg kwaad. Waarom moest zijn familie dan negen maanden lang in die vreselijke onzekerheid blijven leven? Waarom?

 

Wie gaat varen en beroepsvisser wordt, weet natuurlijk dat hij meer risico loopt op een zeemansgraf dan wie aan wal blijft.

Versluys: Dat is zo. Maar tegenwoordig kun je je aan boord vrij goed tegen zowat alle risico’s beschermen. Ongevallen op zee zijn vaak een gevolg van de routine. Door altijd hetzelfde te doen, word je te nonchalant. Je ziet het gevaar niet meer, terwijl het om elke hoek loert. Een rondslingerende katrol, netten waar je in kan blijven haken… Er gaan genoeg verhalen rond van vissers die overboord sloegen en gelukkig weer aan boord gehesen konden worden. Of van mensen die overboord sprongen. Dat heb ik ook meegemaakt.

 

Een bemanningslid dat zelfmoord pleegt?

Versluys: Ja. Twee jaar geleden kreeg een jonge kerel op een van mijn boten een berichtje van zijn lief dat ze het uitmaakte. Die jongen stak dat in zijn hoofd en sprong overboord. Aan land hadden ze hem misschien op tijd kunnen helpen, of was hij een robbertje gaan vechten om zijn frustraties kwijt te raken. Maar neen, hij was op zee en sprong overboord op een onbewaakt moment, met zijn laarzen aan. Hij was een vogel voor de kat.

 

Voor zijn collega’s moet dat afschuwelijk geweest zijn?

Versluys: Zeker. Aan boord leef je dag en nacht samen met vier tot zes andere mensen. Je bent op elkaar ingesteld en plotseling verdwijnt die ene. Soms gaan jongens overboord zonder dat iemand iets in de gaten heeft. Op een keer zagen mijn vissers pas dat een van hun makkers verdwenen was toen ze de haven van Oostende binnenvoeren. Die jongen spoelde een paar weken later aan op het strand van Wenduine. Een van mijn werknemers is ooit geëlektrocuteerd in de machinekamer. Hij moest de spanning controleren. Hij was dat zodanig gewend dat hij ervan overtuigd was dat hem niets kon overkomen. Hij stond met zijn voeten in het water, kwam in aanraking met de elektrische stroom en: boem! De mannen boven aan dek hadden niets in de gaten. Een paar uur later vonden ze zijn lichaam.

Nu hebben alle schepen een defibrillator aan boord, maar een paar jaar geleden was dat een uitzondering. Een van mijn matrozen kreeg een hartaanval, zijn collega’s probeerden hem te reanimeren en de helikopter werd opgeroepen, maar alle hulp kwam te laat.

Een van onze schepen lag aan wal in Engeland. Een jonge matroos ging van boord. Er lag een treinspoor zoals in vele havens. Maar een Engels spoor is verraderlijk: de elektriciteit wordt er geleid via de sporen. Er stond een groot waarschuwingsbord: ‘Verboden het spoor over te steken.’ Die jongen trok er zich niets van aan, struikelde, viel, strekte zijn armen uit, raakte zo de twee sporen en het was gedaan. Ik mocht dat aan zijn ouders gaan vertellen.

Al die vreselijke ongelukken kon ik nog plaatsen, omdat ik telkens wist wat er gebeurd was. Maar de dood van Bouba, een echte vriend die zolang onvindbaar was, destabiliseerde me en zette me aan het piekeren.

 

Over de oneerlijkheid van het leven?

Versluys: Precies. Een mens moet geluk hebben in welk bed hij geboren wordt. Sommigen kunnen dat geluk later een handje helpen, maar velen hebben er niets over te zeggen. Je wieg moet maar in Syrië staan. Tegenwoordig verkondigt zowat iedereen: ‘carpe diem’, pluk de dag. Maar straks rinkelt mijn telefoon misschien opnieuw: ‘Patron, we hebben een probleempje.’ Moet ik dan zeggen: ‘Jongens, laat me even met rust, ik zit in mijn carpe diem-periode, profiteer ook een beetje van het leven.’ Dat kan toch niet?

 

U bent zeventig, u kan toch stoppen met de rederij?

Versluys: Als ik alles verkoop kan ik rustig gaan leven. Maar de rederij is een van mijn passies. Ik kan wel eens één dag plukken, maar alle dagen? Krantje lezen, kop koffie drinken op het terras, een reisje naar hier, een reisje naar daar. Dat vult mijn leven niet. De rederij wel, net als de aquacultuur: mosselen, zeewier en oesters kweken. Ik ben ook bezig met het opzetten van een nieuwe fish and food market in Oostende. Dàn voel ik pas dat ik leef.

De Asannat was totaal verloren. De nabestaanden van de slachtoffers zijn via de arbeidsongevallenverzekering netjes vergoed. Ik had toen de handdoek in de ring kunnen gooien, maar ik kon dat niet over mijn hart krijgen. Want alle andere bemanningsleden die ook met dat schip voeren, zaten thuis. Ik heb toen besloten om de Asannat te vervangen door een nieuwe vissersboot. We behielden het nummer, maar Zeebrugge werd Oostende: de Oostende 582. Bouba begroette iedereen op de kaai altijd met: ‘Hombre!’ Daarom doopte ik het nieuwe schip: ‘Hombre’. Telkens wanneer iemand op de kaai de Hombre ziet, denkt hij spontaan aan Bouba. Iedereen had hem graag. Hij was superhandig en een vat vol kennis. Als er ergens een probleem met een schip was, vroeg ik: ‘Bouba, wil je daar eens naar kijken?’ Eind 2016 viel hij weg en ik betrapte mezelf erop dat ik me zorgen maakte over wie zijn plaats als technicus moest innemen. Ik schrok van mijn zelfmedelijden en heb dat van me afgeschud.

Tijdens de inrichting van de Hombre stapte ik naar de beveiligingsspecialisten. Ik zei: ‘Ik wil alles dubbel. Ik wil niet meer dat er iets niet werkt. Neem alle mogelijke veiligheidsmaatregelen, ook de niet verplichte. Voortaan ben ik niet langer tevreden met het hoogstnodige. Er wordt niet meer op veiligheid beknibbeld. Werkt iets niet goed? Weg ermee en vervang het. Het moet gedaan zijn met: het zal waarschijnlijk nog wel even meegaan. Dat wil ik nooit meer.’ Zo krijgt Bouba’s dood misschien toch een beetje zin. Ik was er vroeger al van overtuigd dat er best niet op veiligheid beknibbeld werd; nu overweeg ik het zelfs niet meer.

 

Vroeger dus wel?

Versluys: Ja. ‘Het zal nog wel een reisje mee gaan. Wat denk jij? Lukt het nog? Kom, we proberen het nog een keer.’ Dat is voltooid verleden tijd, want een mensenleven is onbetaalbaar. Als de dood zou zeggen: ‘Leg 500.000 euro op tafel en je krijgt Bouba terug’, lég ik ze op tafel. Dan verkoop ik mijn bezittingen tot ik dat bedrag bijeen gescharreld heb. Geld verdwijnt in het niets als je iemand kwijt bent die je graag ziet. Vriendschap is het allerhoogste goed. Weet u wat ik het meeste zou missen als ik lange tijd weg zou zijn? De vriendschap. En mijn vrouw, kinderen en naaste familieleden. Al de rest niet.

 

 

Willy Versluys

  • 1948 geboren in Oostende
  • 1971 studeert af als ingenieur bouwkunde
  • 1971-1982 manager in het bouwbedrijf van zijn vader ‘Kamiel Versluys & zonen’
  • 1982 tot nu reder en ondernemer in de visserijsector

 

(c) Jan Stevens