‘We moeten oppassen voor het gezondheidsfascisme’

Luc Bonneux pleit voor de ‘losse’ Zweedse aanpak; Maarten Boudry waarschuwt voor de mogelijke gevolgen als we de lockdown te vroeg vaarwel zeggen. ‘Maar de essentie is en blijft: hou afstand.’

Op woensdag 20 mei zong epidemioloog Luc Bonneux in De Standaard de lof van de Zweedse aanpak van de coronacrisis. Hij veegde de vloer aan met critici die de architecten van dat ‘losse beleid’, staatsviroloog Anders Tegnell en diens voorganger Johan Giesecke, beschuldigden van het spelen van ‘Russische roulette’. ‘Wie graag schandalen aanklaagt, kan zich bezinnen over wat België de kinderen heeft aangedaan’, schreef hij. ‘Kinderen lopen nauwelijks risico en dragen het virus slecht over. Kleuterscholen en lagere scholen gingen dicht en raken nauwelijks nog open. Alle speeltuinen werden afgesloten omdat de ouders niet zouden samenscholen. In Zweden riskeer je daarvoor een veroordeling voor kindermishandeling.’

Bonneux’ striemende woorden verleidden wetenschapsfilosoof Maarten Boudry tot een draadje op Twitter: ‘Al sinds het prille begin van deze epidemie vraag ik me af: waar blijft @LBonneux, de scepticus, epidemioloog en vooruitgangsdenker die al jaren onvermoeid strijdt tegen paniekvirussen? Daar is hij dan eindelijk!’ Waarna Boudry zich afvroeg of die relaxte Zweedse aanpak zonder echte lockdown wel zo heilzaam is. ‘Kennelijk gelooft @LBonneux dat onze lockdown nauwelijks verschil uitmaakt’, schreef hij. Maar: ‘zelfs de Zweedse viroloog Anders Tegnell erkent dat je met een lockdown wel degelijk de curve afvlakt.’ Het begin van een korte, opvallend hoffelijke twitterdiscussie tussen een jongere en een oudere vooruitgangsdenker.

We vroegen Maarten Boudry en Luc Bonneux dat debat in Knack verder te zetten. Bonneux was daar meteen toe bereid; Boudry twijfelde. ‘Ik ben geen viroloog of epidemioloog en vertegenwoordig niet het Belgische beleid.’ Na enig aandringen, gaat hij toch overstag. Het corona-proof gesprek vindt plaats via Skype.

Jullie kennen elkaar?

Maarten Boudry: We ontmoetten elkaar jaren geleden een paar keer op redactievergaderingen van SKEPP, de Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale.

Luc Bonneux: Bij mij groeide langzaamaan het besef dat ik de gepensioneerde leeftijd aan het bereiken ben, en ik begon me uit de debatten terug te trekken. Ik had het wat gehad met dat irritante gedoe.

Nu katapulteert u zichzelf daar weer middenin.

Bonneux: Omdat ik het niet meer kan aanzien. Het huidige Belgische coronabeleid komt erop neer dat de belangen van onder anderen mijn kinderen en kleinkinderen, van de mensen onder de 50 dus, heel erg ondergesneeuwd zijn geraakt. Kijk, je zal me nooit horen zeggen dat we niks moesten doen. Ik surfte trouwens mee op de golven, daarom ook dat ik zo lang bleef zwijgen.

Tot half april was er brede steun voor het Belgische beleid. Ik had waarschijnlijk net dezelfde maatregelen genomen. Maar toen werd duidelijk dat België geen flauw idee heeft hoe die lockdown afgebouwd moet worden. Terwijl er vanuit het buitenland wel degelijk evidence-based ervaringen en empirische gegevens voorhanden zijn. Buurland Nederland deed het met een veel soepeler beleid veel beter dan België. Mijn eerste advies zou dus geweest zijn: kopieer het Nederlandse beleid, want zij hebben erover nagedacht en boeken goede resultaten. Ga vervolgens bij de Zweden te rade en voer daar dan een maatschappelijk debat over.

Wat is er mis met het huidige Belgische beleid?

Bonneux: Het verdrinkt in een eindeloze stroom aan regeltjes waarvan iedereen zich afvraagt: waarvoor dienen ze? Van in het begin had ik het moeilijk met het sluiten van de kleuter- en basisscholen. In maart wisten we al dat kinderen nauwelijks last van dat virus hebben. Welke epidemiologische meerwaarde levert de scholensluiting dan op? De sociale en pedagogische kosten zijn enorm. De kinderen van de gemiddelde burger zullen het wel overleven, maar bij kinderen uit gezinnen onderaan de maatschappelijke ladder brengen wij nu onherroepelijk en onherstelbaar schade toe.

Boudry: Nu het stof wat is neergedwarreld, hebben we een duidelijker zicht op hoe gevaarlijk het virus is. Er is meer kennis over bijvoorbeeld mogelijke complicaties en mortaliteit, maar ook over de risico’s bij kinderen en hun rol in besmettingen. Luc schreef trouwens al in februari en april een paar opiniestukken over corona, ontdekte ik pas gisteren. Hij ging toen inderdaad met de stroom mee. In februari omschreef Marc Van Ranst het coronavirus nog als: ‘Niet veel gevaarlijker dan een griepje.’ Dat was toen ook het standpunt van Luc: de remedie was erger dan de kwaal en de Chinese overheid nam ‘knettergekke’ maatregelen. Tot we allemaal steil achterovervielen van wat er in Italië gaande was.

Begin maart begon ik als een gek over dat virus te lezen. Ik zag de beelden van Italië én de exponentiële curve; het besef groeide bij me dat dit gigantisch gevaarlijk was en dat alles op slot moest om Italiaanse toestanden te vermijden.

De Zweden namen van in het begin een enorm risico?

Boudry: De epidemie is nog lang niet afgelopen. Het kan dus best dat we achteraf zullen concluderen dat Zweden er minder bekaaid vanaf komt dan België of Nederland. Maar dat wil nog niet zeggen dat de Zweden in het begin van de crisis de juiste beslissingen namen. De ene beslissing droeg potentieel veel grotere risico’s dan de andere. Door niet in lockdown te gaan, hadden ze in Italiaanse toestanden kunnen belanden, met de overrompeling van ziekenhuizen en een tekort aan bedden voor intensieve zorg (IC). Ze hebben inderdaad Russische roulette gespeeld en het pistool tegen hun slaap gezet. Voorlopig hebben ze geluk; dat wil niet zeggen dat ze ook gelijk hebben.

Bonneux: Dat was geen kwestie van geluk. Staatsviroloog Anders Tegnell en zijn ideoloog Johan Giesecke wisten heel goed waar ze mee bezig waren. Zij hebben ‘boots on the ground-ervaring’ in het bestrijden van epidemieën. Al voeg ik er eerlijkheidshalve aan toe dat ik hun beleid niet had aangedurfd.

Boudry: De Belgische overheid nam, met de gegevens die ze in het begin had, de juiste beslissing. Ik zou zelfs durven zeggen dat ze iets te traag was en sneller had moeten overgaan tot de lockdown.

U bent het niet eens met Luc Bonneux dat het sluiten van de scholen een vorm van kindermishandeling was?

Boudry: Kindermishandeling zou ik het niet noemen, maar toch volg ik Luc daarin voor een groot deel wel. Kinderen het recht op onderwijs ontnemen, is zeer schadelijk. Ze zullen daar de gevolgen van dragen, zelfs in hun levensverwachting.

Bonneux: Tijdens Italië dacht ik ook: ‘Mijn god, wat gebeurt daar allemaal?’ Ik besloot om te zwijgen en af te wachten hoe de epidemie zou evolueren. Voor zover ik weet, was er nergens die exponentiële toename. Gedeeltelijk was dat een gevolg van de maatregelen, maar ook door de angst. Als iedereen binnen blijft, valt alles stil. Eén of andere vorm van lockdown, of van beleid gericht op het dalen van overdracht, was logisch, rationeel én belangrijk. Na Italië heeft niemand mij horen zeggen dat we niets moesten ondernemen. Maar wij Belgen hebben geen ervaring met epidemieën. We richten onze blik dan naar de Wereldgezondheidsorganisatie WHO. Daar liep het grondig mis. Pas op 11 maart bestempelde de WHO de uitbraak van het SARS-CoV-2-virus als een pandemie. Dat is een probleem. Het very stable genius Donald Trump is een idioot, maar heel af en toe heeft hij gelijk: we moeten misschien toch eens goed kijken naar wat daar in de schoot van die organisatie precies gebeurd is. In hun eerste artikelen die in januari en februari over Wuhan verschenen, stonden behoorlijk bescheiden schattingen. Ik vermoed dat China toen erg zuinig met de waarheid was. In het begin waren vergissingen niet verwonderlijk omdat de aangeboden informatie gewoon fout was. Daarom trokken ook alle virologen dezelfde foute conclusies. Bij de vorige ‘pandemieën van paniek’, de vogelgriep en de Mexicaanse griep, werd duidelijk dat de WHO zwaar geïnfiltreerd was door de farmaceutische industrie. Zo zwaar dat ze slechte adviezen gaf.

De WHO is een corrupte club?

Bonneux: Ze is ondergefinancierd en gaat daarom het geld zoeken waar het is. Ik ben pleitbezorger van een krachtige Wereldgezondheidsorganisatie die onafhankelijk kan opereren, alleen lukt dat niet met een halve euro. Daar is gewoon geld voor nodig. Ze heeft nu andermaal gefaald. De ernst werd pas duidelijk toen het virus als een storm over Italië raasde. Toen sloeg bij iedereen de schrik om het hart, ook bij mij. Ik deed ook mee aan de lockdown, al vond ik van in het begin dat er rare maatregelen tussenzaten.

Er bestaat dus ondanks alles geen enkele twijfel over: de Belgische lockdown was een uitstekende beslissing?

Bonneux: Ik zou toch meer naar de intelligente lockdown van Nederland gekeken hebben. Ik werk als arts in woonzorginstellingen in Zeeuws-Vlaanderen. Tijdens de lockdown gaven we ons huis een opfrisbeurt. Ik haalde al het materiaal in de doe-het-zelfwinkel in Nederland. Die heeft nooit zijn deuren gesloten. Ik voelde me daar geen seconde bedreigd, terwijl de schrik me wel om het hart sloeg in de Belgische supermarkt met al zijn desinfecterende maatregelen.

De Nederlandse scholen gingen halfweg maart ook dicht.

Bonneux: Dat ging in tegen het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Minister-president Mark Rutte zwichtte onder druk van de angstige middenklasse. Alles in beschouwing genomen, was het Belgische beleid een stuk beter dan het Franse. Want mensen zoals in Frankrijk huisarrest opleggen, is niet meer of minder dan gezondheidsfascisme. President Emmanuel Macron ontmaskerde zichzelf als fascist en dictator.

Vermoedelijk dankzij Mark Van Ranst kreeg België een vrij redelijke lockdown. Maar van zodra die lockdown gelost moest worden, werd duidelijk dat wij geen plan op lange termijn hebben. Dát is het grote verschil met Zweden. Volgens Tegnell zal pas in 2025 duidelijk worden wie gelijk had. We moeten niet doen alsof de Zweden helemaal geen maatregelen namen, integendeel. De essentie is ook daar terecht: hou anderhalve meter afstand.

Boudry: België, Zweden en Nederland namen hun beslissingen in het begin in totaal verschillende contexten. Italië werd als allereerste Europese land overrompeld, terwijl Zweden zich een paar weken langer kon voorbereiden, net als België. Het is dan nogal misleidend om te stellen: achteraf zullen we wel zien welke aanpak de beste was. Want dat wekt de indruk dat alle landen met exact hetzelfde probleem te kampen hadden. Dat is niet zo. Vanuit ons land vertrokken veel mensen op skiverlof naar Italië; vanuit Zweden véél minder. De import van virus lag bij ons dus ook veel hoger. België is door zijn centrale ligging een internationale draaischijf, met een groot verloop van buitenlandse reizigers. Wij hebben een grote bevolkingsdichtheid, terwijl Zweden afgezien van de dichtbevolkte regio Stockholm vooral platteland is met mensen die ver van elkaar leven. Je mag ook de dagelijkse omgangsvormen niet onderschatten: de Zweden knuffelen en kussen minder dan bijvoorbeeld de Italianen. Blijkbaar zijn ze ook gehoorzamer: wanneer de overheid iets vraagt, doen ze dat gedwee.

Nederland is België niet, meneer Bonneux. Laat staan dat we Zweden zouden zijn.

Bonneux: Maarten heeft gelijk: het zijn allemaal verschillende landen, maar ook ín die landen zijn er enorme verschillen. De epidemie verspreidt lokaal, zoals in mijn Zeeuws-Vlaamse werkgebied. Ik werk met kwetsbare bejaarden, de kans dat ik dat virus op kon doen was zeker in het begin niet klein. Dat maakte me bezorgd. In het Franse departement Ariège wonen vier inwoners per vierkante kilometer. Het is dan toch ietwat belachelijk om daar even strenge maatregelen af te kondigen als in een dichtbevolkte stad als Parijs? Een belangrijke les die we nu al kunnen trekken, is dus dat het beleid om een epidemie in te dijken, lokaal zou moeten zijn. Waarom werd Zuid-Nederland zo zwaar getroffen? De verklaring is simpel: op de carnavalsfeesten werd het virus duchtig verspreid. Die feesten hadden dus níet mogen plaatsvinden. Ik ben het met Maarten ook eens dat er op tijd moet ingegrepen worden. Maar met oog voor nuance. Dit virus veroorzaakt een opgetrokken natuurlijke sterfte. Dat wil zeggen dat er niets gebeurt bij kinderen en jongvolwassenen, en nauwelijks iets bij volwassenen. De sterfte bij volwassenen in Nederland is 1 op 10.000 infecties. Dat is een verantwoord risico, anders moet je gewoon van de straat wegblijven, want dat is véél riskanter.

Sommige mensen worden er toch heel erg ziek van?

Boudry: En houden er permanente letsels aan longen, nieren of hart aan over. In de Verenigde Staten worden nu al bestellingen geplaatst voor nierdialysemachines omdat de nieren van misschien wel tienduizenden patiënten het zullen laten afweten. Die schade vind je niet terug in de mortaliteitsstatistieken.

Bonneux: Ik twijfel er niet aan dat dit virus schade berokkent, maar bij volwassenen is die beperkt. Mijn kinderen zijn jonge ouders. Ik ben een babyboomer die in zijn leven van alles heeft kunnen profiteren. Weegt het risico dat ik nu door dat virus loop op tegen de schade die we aandoen aan al die jonge mensen die net een huis gekocht hebben, een bedrijfje opstartten of een restaurant uitbaten? In Zweden bleven de restaurants open.

Boudry: In vergelijking met epidemieën als SARS en de Spaanse griep is de mortaliteit van dit virus inderdaad relatief laag. Driekwart van de mensen op intensieve zorgen herstelt, geneest en sterft niet. Maar velen werden wekenlang beademd en moeten maandenlang revalideren. Het klopt dat SARS-CoV-2 niet het ergst denkbare virus is, maar het is ook geen stevig griepje. We moeten dus een evenwicht proberen vinden, al vrees ik dat Luc de gezondheidsrisico’s onderschat. Er zijn trouwens ook bij kinderen aanwijzingen van Kawasaki-achtige complicaties, ontstekingen van de bloedvaten.

Bonneux: Kawasaki komt evengoed bij griep voor hoor. (lacht) De berichtgeving daarover toont net aan dat bij dit virus de zin voor relativering verloren gaat. In Nederland sterft driekwart van de 75-plussers op intensieve zorgen. In België is een enorme capaciteit gecreëerd, waardoor mensen op IC belanden die er niet thuishoren. Zo las ik dat ook Walter Grootaers er met een vervelende hoest terechtkwam, zoals zowat iedereen met covid-19.

Een studie van de universiteit van Glasgow concludeert dat mensen door covid-19 gemiddeld tien jaar te vroeg sterven.

Bonneux: Dat is gemiddeld, natuurlijk. Aan de ene kant zijn er heel veel ouderen die weinig jaren verliezen, aan de andere kant zijn er ook jongere mensen die meteen heel wat jaren aan de statistiek toevoegen als ze sterven. Covid-19 blijft vooral een probleem voor ouderen. De lessen die we nu tot onze scha en schande geleerd hebben, zijn: begin op tijd en bescherm de ouderen. Daar heeft de hele wereld in gefaald. Zweden ook, maar België nog veel meer. Wij zijn de wereldrecordhouder sterfte in woonzorgcentra.

Dan moeten we nu hard nadenken over de herinrichting van die woonzorgcentra?

Bonneux: Ik heb daar slapeloze nachten van. Het virus kwam niet binnen met de bezoekers, maar met de verzorgenden. Jonge, kerngezonde meiden met het hart op de juiste plaats. Ze wisten niet eens dat ze ziek waren of trokken het zich niet aan, want ze moesten voor hun mensen zorgen. Op een van de afdelingen waar ik werk, was van de ene op de andere dag iedereen positief. Ik was daar niet goed van. Ze gingen op zoek naar de patiënt die het virus had kunnen binnenbrengen. Maar ik ben er zeker van: het was een verzorgende. Het zorgpersoneel moét dus zeer frequent getest worden.

We zijn nog lang niet van dit virus verlost. Ik heb in februari voorspeld dat het in mei zou verdwijnen. Al is dat niet zeker, want het is een nieuw virus. Waar ik wel vrij zeker van ben, is dat het in de herfst en de winter terug zal verschijnen.

Een andere dokter zei me dat hij niet gelooft in een tweede golf.

Bonneux: Dat kan best. Dit is het vijfde verkoudheidsvirus dat zich aan het aanpassen is. Vanuit virologisch perspectief wordt dit even goedaardig als de andere vier, als we maar lang genoeg wachten. Maar dat kan nog wel even duren. Het zal niet in rook opgaan. Daarom hamert Anders Tegnell ook zo op die langetermijnstrategie.

Boudry: Ik ben het ermee eens dat we nood hebben aan een langetermijnstrategie. Wat Luc wil, is geleidelijk, of misschien zelfs versneld, alle scholen heropenen en de economie aanzwengelen, in het volle besef dat het reproductiecijfer van het virus zo terug een beetje zal stijgen. We beschermen de kwetsbare mensen en bouwen intussen wat groepsimmuniteit op. Dat is een waardevolle strategie, ook al vallen er dan extra doden. Maar er is ook iets te zeggen voor een andere strategie: de curve platslaan. In plaats van te versoepelen, bijten we nog eventjes door. Als we nog een paar weken wachten en de lockdown aanhouden, komen we terecht in de groep van Oostenrijk, Taiwan, of Zuid-Korea. Daar hebben ze het virus zo goed onder controle, dat hun menselijke track & tracers snel nieuwe besmettingshaarden kunnen opsporen en blussen. Ik weet ook wel dat er nu veel druk vanuit de bevolking is op onze beleidsmakers. De kinderen moéten gewoon terug naar school, mensen willen opnieuw buiten en snakken naar sociaal contact. Alles wijst erop dat de teugels gevierd zullen worden, maar ik hou mijn hart vast, want een nieuwe opflakkering is mogelijk, met een tweede lockdown als gevolg. Dit nog eens moeten meemaken, is het allerergste scenario. Nu éven doorbijten, is misschien verstandiger.

Bonneux: Je strategie snijdt hout, alleen is de schade die dan wordt toegebracht wel erg groot.

U hebt het over de economische schade?

Bonneux: Ja, maar ook de maatschappelijke en pedagogische. Ik kan echt niet om met wat we onze kinderen hebben aangedaan. Speeltuintjes afsluiten omdat anders de ouders gingen samenscholen. Ik zeg niet wat ik daar echt van denk, want dan gebruik ik heel brutale, lelijke woorden.

Anders Tegnell en Jean-Luc Dehaene delen dezelfde filosofie: los de problemen op wanneer ze zich stellen. We moeten oppassen dat we met onze preventieve aanpak niet compleet doorslaan. Bij preventie is de zot nooit zot genoeg en kan het altijd nóg zotter. Als die tweede golf er komt, zullen we wel zien wat we moeten doen. De Zweden leren ons nu dat we een heel eind komen door beroep te doen op het gezond verstand van de burger. Als er dan op een bepaald moment meer en strengere maatregelen moeten genomen worden, is dat maar zo. Ik heb erg veel angst voor het rondwarende gezondheidsfascisme, waarbij iedereen te horen krijgt: ‘Doe dit niet en dat niet, anders besmet je anderen.’ We weten perfect wat we moeten doen: afstand houden. We weten ook dat de kans op grote schade erg klein is bij kinderen en jongvolwassen. De grote uitdaging is: hoe beschermen we ouderen? Nogal wat jonge mensen met een goed draaiend bedrijfje zeggen me: ‘Mei overleven we nog, juni niet. Dan is het einde verhaal.’ Ik vind dat we ook aan hen moeten denken. Bij het maken van keuzes, brachten we te weinig de Tegnell-Dehaene-aanpak in de praktijk: identificeer eerst het probleem en zoek vervolgens hoe je het kan behandelen.

Boudry: Ik stoor me aan het woord ‘gezondheidsfascisme’, omdat dat het echte fascisme trivialiseert. Het klopt inderdaad dat de kans zeer klein is dat twee gezonde twintigers of dertigers na een ontmoeting aan covid-19 zullen sterven. Ik doe af en toe de boodschappen voor oudere buren. Zo lopen zij minder risico. Maar als elke Belg één willekeurige persoon ontmoet, staat 70 procent van de bevolking weer met elkaar in contact. Dat vergroot het gevaar dat ik op een of andere manier het virus naar mijn buren overdraag. Het is zoals wanneer iemand je een geheim verklapt: ‘Vertel het alsjeblieft niet verder.’ Aan je beste vriend kan je dat dan wel doorvertellen, denk je, want je vertrouwt hem. Als iedereen zo redeneert, kent binnen de kortste keren de hele stad het geheim. Als de besmettingsketen blijft doorlopen, komen onvermijdelijk ook kwetsbare en oudere mensen in het vizier van het virus. Misschien is de kans zeer klein dat ik door het dragen van een mondmasker in de supermarkt iemands leven red; toch vind ik het verstandig het te dragen. Net om het besmettingsrisico te minimaliseren.

Bonneux: Ik ben het met Maarten eens hoor, we mogen die kleine kans om anderen te besmetten niet zomaar van tafel vegen, al zal ik op straat nooit een mondmasker dragen.

Boudry: Dat is waar. In de buitenlucht is het risico sowieso bijna onbestaande. Tenzij je in iemands oor gilt. (lacht)

Luc Bonneux

  • Geboren in 1955
  • Studie geneeskunde en tropische geneeskunde (Universiteit Antwerpen) en epidemiologie (London School for Hygiene and Tropical Medicine)
  • Doctoraat ouderdomsziekten (Erasmus Universiteit, Rotterdam)
  • Arts in Congo
  • Academische loopbaan in Rotterdam, Utrecht, Brussel en Den Haag
  • Sinds 2012 verpleeghuisarts in Nederland
  • Auteur van tal van boeken en studies over geneeskunde, gezondheid, epidemiologie en veroudering, zoals En ze leefden nog lang en gezond. Hoe gezondheid een industrie werd. (2011)

Maarten Boudry

  • Geboren in 1984
  • Wetenschapsfilosoof, promoveerde tot doctor in de wijsbegeerte aan de UGent
  • Houder van de Leerstoel Etienne Vermeersch aan diezelfde universiteit
  • Schrijft regelmatig voor Nederlandse en Vlaamse kranten en tijdschriften over religie, pseudowetenschap, psychologie en racisme
  • Schreef verschillende boeken, met als meest recente Waarom de wereld niet naar de knoppen gaat (2019) en Alles wat in dit boek staat is waar (en andere denkfouten) (2019)

© Jan Stevens

‘Een lockdown versterkt vooral de angst’

TegnellDe Amerikaanse NGO International Center for Journalists (ICFJ) organiseerde een online-vragenuur met de Zweedse staatsviroloog Anders Tegnell. Geregistreerde journalisten konden hem vragen voorleggen over zijn controversiële aanpak van de coronacrisis. ‘Een kwart van de Zweden is immuun.’

 

Anders Tegnell staat ons te woord vanuit zijn auto op een parkeerplaats ergens in Stockholm. We vragen hem wat hij vindt van de striemende kritiek van Nele Brusselaers, Belgische epidemiologe aan het Karolinska Institutet. Volgens haar stevent Zweden door de ‘non-aanpak’ van staatsviroloog Tegnell full speed af op een catastrofe. ‘Zij behoort tot een kleine groep wetenschappers die al van in maart hardnekkig beweert dat door mij het Zweedse gezondheidssysteem zal imploderen’, antwoordt hij. ‘In een paar weken tijd zouden er tienduizenden doden vallen. Geen enkele van hun voorspellingen kwam uit. Integendeel, we evolueren steeds meer in de juiste richting. In de VS en Groot-Brittannië werden ook modellen voor Zweden uitgetekend met honderden keren meer besmettingen en doden dan in de werkelijkheid. Allemaal sloegen ze de bal mis.’

 

Waarom ging Zweden niet in lockdown?

Anders Tegnell: Zoals altijd in zaken van volksgezondheid gingen wij van in het begin van de epidemie het gesprek met de Zweedse bevolking aan. Dat is precies ook wat de wet ons voorschrijft. We hebben er veel vertrouwen in dat onze landgenoten hun verantwoordelijkheid nemen. Dankzij onze aanpak hielden we de besmettingen onder controle en bleven de gezondheidsdiensten overeind. We stonden nooit onder druk om iets anders uit te testen. We namen veel kleine maatregelen: zo verboden we eerst bijeenkomsten van meer dan 500 mensen en stelden dat later bij tot 50. Italië en Oostenrijk hadden ons geleerd dat restaurants grote besmettingshaarden zijn, dus probeerden we de kans op besmetting in de horeca zo klein mogelijk te houden. We wilden geen lockdown, maar kozen ervoor het besmettingsrisico te minimaliseren. Dat heeft als consequentie dat besmetting niet stopt, maar wel beheersbaar wordt. Ons gezondheidssysteem stond tijdens deze pandemie op geen enkel moment onder druk. Minstens 20 procent van alle ziekenhuisbedden bleef onbezet.

We hadden het trage begin van de epidemie snel in de gaten. Veel landen misten de start en schrokken pas wakker op het moment dat er te veel zieken waren om de epidemie nog onder controle te krijgen. Wij zagen de epidemie op ons afkomen tijdens onze verspreid georganiseerde lentevakantie, samen met de terugkerende reizigers. Stockholm is het zwaarst getroffen; dat komt omdat de lentevakantie van de hoofdstad toevallig samenviel met de grote uitbraken in Centraal-Europa. We hebben toen meteen zeer veel teruggekeerde vakantiegangers getest.

 

Toch telt Zweden inmiddels meer dan 3000 doden. In uw buurlanden met strikte lockdowns ligt de dodentol flink lager: in Denemarken vielen zes keer minder doden en in Noorwegen en Finland zijn het er een paar honderd.

Tegnell: De belangrijkste verklaring voor onze vele doden is de grote sterfte in de woonzorgcentra. De Zweedse rusthuizen worden zo goed als uitsluitend bevolkt door stokoude, zwaar zieke mensen. Ongeveer 70.000 hoogbejaarden leven er samen. Als het virus in zo’n rusthuis binnendringt, is de dodentol immens. In Stockholm raakten jammer genoeg nogal wat woonzorgcentra besmet. Meer dan 50 % van onze doden komt uit die centra.

 

De rusthuizen waren slecht op een epidemie voorbereid?

Tegnell: Het was inderdaad al lang geweten dat ze niet voorbereid waren op de uitbraak van een besmettelijke ziekte. De kwaliteit van de zorg in veel woonzorgcentra laat te wensen over, zeker in de regio Stockholm. Het aantal besmettingen is er nu langzaam aan het afnemen, net als het aantal doden. Niet alleen in de hoofdstad, maar over het hele land. Dat valt nog niet in de officiële cijfers op, omdat er vertraging zit in de rapportering.

 

Zullen landen die snel in totale lockdown gingen de volle rekening van de dodentol pas gepresenteerd krijgen tijdens hun exitstrategie?

Tegnell: Dat weet niemand. Wat ik wél weet, is dat in onze scandinavische buurlanden en in bijvoorbeeld Oostenrijk nu slechts 1 à 2 procent van de bevolking immuun is, terwijl de groepsimmuniteit in Zweden 25 procent bedraagt. Dat wil zeggen dat wij meer van de weg hebben afgelegd. Als 99 procent van je bevolking door een lockdown tijdelijk aan corona ontsnapt, wordt het in de toekomst heel moeilijk om nieuwe grote golven de baas te kunnen. Want met welke maatregelen moet je dan ingrijpen?

Elke dag opnieuw houden wij de besmettingen onder controle, terwijl onze samenleving open blijft. We leggen de nadruk op social distancing en, zeker voor onze bejaarden, op het limiteren van sociale contacten. We raden hen aan toch voldoende buiten te komen, maar drukke omgevingen te vermijden. De buitenlucht is gezond en als je voldoende afstand houdt, kun je zo ook anderen ontmoeten.

 

U blijft vasthouden aan het principe: zolang er geen vaccin is, moet groepsimmuniteit ons beschermen?

Tegnell: We moeten er ons goed van bewust zijn dat we later zullen vaccineren voor een niet al te gevaarlijke ziekte. 99,9 procent van de jonge gezonde bevolking sterft niet aan covid-19. Dit is geen ziekte met een mortaliteit van 15 procent. Wat meteen ook wil zeggen dat een vaccin zeer veilig zal moeten zijn. Zolang dat er niet is, blijft groepsimmuniteit inderdaad de enige weg.

 

Er is toch veel onzekerheid over hoe immuun iemand na covid-19 werkelijk is?

Tegnell: Het klopt dat er veel onduidelijkheid is over immuniteit, zeker als je test op antilichamen bij elk individu afzonderlijk. Maar immuniteit voor deze ziekte bestaat wel degelijk. In Zweden heeft geen enkele covid-19-patiënt de ziekte een tweede keer moeten doorstaan. Ons registratiesysteem is zeer strikt, waardoor vergissingen uitgesloten zijn. Ik heb tot hiertoe ook uit geen enkel ander land een verslag gezien dat melding maakt van patiënten die twee keer door het virus getroffen worden. Daar worden vooral veel geruchten over verspreid. We weten nog niet vanaf welk niveau antilichamen bescherming bieden en voor hoelang. Maar misschien zorgen andere delen van ons immuunsysteem ook voor bescherming.

Wij nemen aan dat de trage afname van besmettingen in Stockholm een gevolg is van onze groepsimmuniteit. De curve begint te zakken, terwijl we de voorbije vijf weken geen enkele nieuwe maatregel genomen hebben. Daar komt bij dat de social distancing in onze samenleving iets minder strikt wordt opgevolgd. Er is dus eigenlijk geen andere verklaring mogelijk dan die groepsimmuniteit.

 

In tegenstelling tot de meeste andere landen raadt u de Zweden af stoffen mondmaskers te dragen. Waarom?

Tegnell: Het zogenaamde wetenschappelijk bewijs voor het dragen van mondmaskers is flinterdun. Er wordt meestal verwezen naar één kleine theoretische studie uit Hongkong over hoeveel virus er ontsnapt via een stoffen mondmasker. Die studie ging niet eens over covid-19, maar over andere virussen. Het is een theoretische oefening die nooit op grotere schaal in de praktijk gebracht is. Het blijft dus zeer onduidelijk of stoffen mondmaskers er daadwerkelijk voor zorgen dat je niemand besmet.

In Zweden is er één gouden regel: blijf thuis als je je ’s morgens niet lekker voelt. Wie ziek is, ontvangt vanaf dag één een ziektevergoeding die het salaris integraal vervangt. Wij zijn bang dat de introductie van mondmaskers enkel een vals gevoel van veiligheid zal geven.

 

De lagere scholen bleven open?

Tegnell: Er is geen enkele reden om kleuter- of basisscholen te sluiten, want intussen weten we dat kinderen níet de motor van dit virus zijn, in tegenstelling tot het griepvirus. Tot hiertoe raakten slechts 200 Zweden jonger dan 20 met covid-19 besmet. Soms dragen ze het virus zonder er zelf ziek van te worden; zelden geven ze het aan volwassenen door. Dat is in IJsland proefondervindelijk vastgesteld.

 

U hebt daar stevig wetenschappelijk bewijs voor?

Tegnell: We moeten goed beseffen dat covid-19 compleet nieuw is en dat wetenschappelijk onderzoek naar dat virus in zijn kinderschoenen staat. Zowat alle maatregelen van alle landen overal ter wereld, zijn niet met solide kennis onderbouwd. Er is geen wetenschappelijk bewijs voor lockdowns of het sluiten van grenzen. We streven wel allemaal datzelfde doel na: de besmetting vertragen en spreiden in de tijd. In sommige landen greep de besmetting zo snel om zich heen, dat ze geen andere uitweg meer zagen dan de totale lockdown. Maar een lockdown versterkt vooral de angst. De economische kost is gigantisch, met faillissementen en veel werklozen die daar mentaal onder lijden. Wij geloven in onze strategie omdat mensen het nog heel lang zullen moeten blijven volhouden.

 

© Jan Stevens

‘Het was een pure horroshow’

In De Russische klus reconstrueert Douglas Smith hoe Amerika begin twintigste eeuw tijdens de hongersnood in de Sovjet-Unie ingreep. ‘Zo behoedden we de communistische dictatuur van de ondergang.’

 

De Amerikaanse historicus Douglas Smith blaast in zijn fascinerende boek De Russische klus het stof van een compleet vergeten geschiedenis. Na jaren van revolutie en oorlog was rond 1920 de hongersnood in de prille Sovjet-Unie zo extreem, dat sommigen wanhopig hun toevlucht namen tot kannibalisme. Vladimir Lenin, de leider van de bolsjewistische partij, zag geen andere uitweg dan de aangeboden hulp van kapitalistische aartsvijand Amerika te aanvaarden. In het vroege najaar van 1921 trok een kleine groep Amerikaanse hulpverleners de op instorten staande communistische heilstaat in. De reddingsactie van de American Relief Administration (ARA) onder leiding van de latere Amerikaanse president Herbert Hoover redde miljoenen Russen van de hongerdood. Voor miljoenen anderen kwam alle hulp te laat. Twee jaar lang voedde ARA dagelijks 11 miljoen Russische burgers. Na het stopzetten van de operatie op 15 juni 1923 veegden zowel de Sovjets als de Amerikanen de succesvolle Russische klus zo snel mogelijk onder het tapijt.

 

Het ligt voor de hand dat Lenin de ‘vernederende’ Amerikaanse hulp wou vergeten, maar waarom verdween die geschiedenis ook uit het Amerikaanse collectieve geheugen?

Douglas Smith: ARA-baas Herbert Hoover profiteerde eerst van de populariteit die hij in Rusland als Master of Emergencies had opgebouwd. Daarom won hij 1928 met een overgrote meerderheid de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Maar een jaar later crashte de beurs en brak de Grote Depressie uit. De ‘Meester van Noodgevallen’ slaagde er niet in zijn eigen verpauperde bevolking uit de armoede te tillen en donderde van zijn sokkel. De sloppenwijken in de steden werden ‘Hoovervilles’ genoemd, de oude kranten waaronder de daklozen sliepen ‘Hooverdekens’, en karton om gaten in afgedragen schoenen dicht te stoppen, heette ‘Hooverleer’. Een tweede ambtsermijn zat er voor Herbert Hoover niet meer in. In die donkere jaren voor WO II verdween ‘de Russische klus’ dan ook razendsnel uit de Amerikaanse herinnering.

De ARA-reddingsactie werd in de Sovjet-Unie door Lenin meteen na afloop al op de zwarte lijst gezet. Russische ARA-medewerkers werden gebrandmerkt als spionnen en de operatie werd integraal uit de Sovjetgeschiedenisboeken gegomd. Later verschenen er een paar wetenschappelijke werken over, maar voor het grote publiek bleef de Amerikaanse reddingsoperatie in Rusland tot nu een groot mysterie.

 

De Russische revolutie was nog heel pril toen de Amerikanen de Sovjets te hulp snelden.

Smith: De bolsjewieken grepen in november 1917 de macht. Daarna volgde een burgeroorlog die duurde tot halverwege 1920 en die de Russische bevolking decimeerde. In de jaren 1919 en 1920 waren de Verenigde Staten in de ban van de ‘Rode Schrik’. Na WO I was er heel wat onrust onder arbeiders, met stakingen en oproer. Onder Amerikaanse politici was de angst groot dat de bolsjewisten hun revolutie naar het Westen zouden exporteren. Achter elke straathoek bespeurden ze een bolsjewist die de regering omver wou werpen. De Amerikaanse Senaat stelde zelfs een commissie aan die de dreiging van het ‘Rode Gevaar’ in kaart moest brengen. De ‘Rode Schrik’ van toen is het equivalent van islamofobie vandaag, en van onze niet altijd even rationele angst voor jihadistische terreur.

 

Waren er in die tijd bolsjewistische terroristen actief in Amerika?

Smith: In de lente van 1919 pleegden anarchisten een reeks bomaanslagen op belangrijke politici, topambtenaren en ondernemers. Op 16 september ontplofte op Wall Street zelfs een bom die 38 mensen het leven kostte. De terreurdreiging zat dus niet helemaal tussen de oren van de burgers, maar ze mondde wel uit in een vorm van massahysterie. Die paranoia was wijdverspreid.

 

De grote hongersnood in de Sovjet-Unie was in de eerste plaats een gevolg van jaren burgeroorlog?

Smith: Jawel, zeven jaar van ononderbroken oorlog tussen het Rode leger van de bolsjewieken en het Witte Leger van de grootgrondbezitters en de adel eiste een loodzware tol. Niet enkel de Roden verspreidden terreur, ook de Witten lieten zich niet onbetuigd. Ze stalen het graan van de boeren die op hun beurt de productie drastisch terugschroefden en enkel nog graan voor eigen gebruik teelden. De wanhopige boeren verstopten het onder de vloer, in putten, tussen de rieten daken of achter schijnmuren. De extreme droogte van 1920 en ’21 was de spreekwoordelijke druppel. Twee jaar lang viel er zo goed als geen regen in zowat de hele vallei rond de rivier de Wolga. De oogsten mislukten, er was geen voedseloverschot en tegen de lente van 1921 was de ramp compleet.

 

Was het Westen zich bewust van de omvang van de Russische hongersnood?

Smith: De Amerikanen wisten dat er ernstige bevoorradingsproblemen waren, maar de ware omvang van de hongersnood drong door nadat de ARA-reddingsoperatie van start ging. Pas dan begonnen kranten en tijdschriften er aandacht aan te besteden. Zelfs de Amerikaanse hulpverleners hadden bij hun vertrek nog niet in de gaten hoe erg het was. De meesten hadden gevochten in de Eerste Wereldoorlog en vreselijke dingen gezien. Maar de toestand in de Sovjet-Unie overtrof alles. Het was een pure horrorshow. De hulpverleners waren daar niet op voorbereid. Na de revolutie was Rusland jarenlang afgesneden van de rest van de wereld. Slechts weinig westerlingen waren er zich van bewust hoe hard de oorlog het land had verwoest. De infrastructuur was vernietigd, net als de landbouw, en de steden lagen in puin. Het was alsof de Apocalyps had plaatsgevonden, met overal stapels uitgemergelde lijken.

 

In uw boek lees ik dat Vladimir Lenin minstens even meedogenloos was als zijn opvolger Jozef Stalin. Zo gaf hij in augustus 1918 het bevel om boeren die te weinig graan produceerden te ontvoeren en terecht te stellen: ‘Knoop minstens 100 rijke klootzakken op. Publiceer hun namen. Neem ze hun graan af. (…) Doe dat allemaal zodat mensen kilometers verderop het zien, het begrijpen, beven.’

Smith: Veel mensen zien Lenin nog steeds als een progressieve humanist, terwijl hij in werkelijkheid uitermate wreed was. De laatste twintig jaar werden steeds meer archieven in Rusland toegankelijk en dat leverde nieuw materiaal over de eerste leider van de Sovjet-Unie op. Recente biografieën tonen aan dat ‘vadertje Stalin’ geen verdorven tegenpool van Lenin was, maar een logische voortzetting. Vladimir Lenin was bereid tot alles om de macht te behouden. Om zijn bolsjewistische experiment te redden, liet hij Amerika, de duivel zelf, binnen. Tegen de lente van 1921 was hij doodsbang dat hij de controle over het land ging verliezen. In februari en maart kwam de marine in de militaire vestingstad Kronstadt tegen de communistische regering in opstand. Ze noemden Lenin de nieuwe tsaar Nikolaas. Dat was heel pijnlijk, want de matrozen hadden de bolsjewieken van in het begin gesteund. Arbeiders staakten massaal in Sint-Petersburg, Moskou en andere grote steden, en boeren kwamen in opstand tegen de inbeslagnames van hun graan. De problemen van de boeren konden Lenin niet veel schelen, maar hij maakte zich wel grote zorgen over de bevoorrading van de steden. Hij was doodsbang dat hij de controle helemaal zou verliezen als de marine en de soldaten van het Rode Leger honger zouden lijden. Hij vertrouwde Herbert Hoover en zijn ARA voor geen haar, maar hij had geen andere keuze dan hun hulp te aanvaarden. Hij zorgde er wel voor dat de organisatie op de voet gevolgd werd door agenten van de geheime dienst Tsjeka.

 

Wat voor iemand was Herbert Hoover?

Smith: Hij was een Republikein, maar als hij vandaag zou leven denk ik niet dat hij lid zou zijn van de Republikeinse Partij. Hij zou zich diep schamen voor wat Donald Trump met de Grand Old Party heeft aangericht. Herbert Hoover was een briljante ingenieur en zakenman die rijk werd in de wereld van de internationale mijnbouw.

 

Ook in Rusland?

Smith: Ja, al verkocht hij zijn Russische mijnconcessies vlak voor de start van de Eerste Wereldoorlog. Hij had het Rusland van de tsaren een paar keer bezocht en was geschokt door de repressie, de stuitende ongelijkheid en het gebrek aan democratie. Hij was ervan overtuigd dat die cocktail ooit zou ontploffen. Hoover groeide op als Quaker, The Religious Society of Friends. Die kerkgemeenschap voert het helpen van de medemens hoog in het vaandel. De Amerikaanse Quakers vochten van in het begin tegen de slavernij. Herbert Hoover had als veertiger fortuin vergaard en wou voortaan als een echte Quaker verder met zijn leven. Tijdens WO I stortte hij zich in de liefdadigheid.

 

Met zijn ‘Comittee for Relief of Belgium’ (CRB) kocht Herbert Hoover vanaf 1914 wereldwijd voedsel aan dat hij vervolgens naar het bezette België en Noord-Frankrijk liet brengen. Hoovers CRB verdeelde twee miljoen ton voedsel onder zeven miljoen Belgen en twee miljoen Fransen. Vóór Rusland redde Hoover België van de hongerdood?

Smith: U hebt gelijk, daar had ik zelf niet eens aan gedacht. (lacht) Hoover staat inderdaad ook bekend als de redder van België. Zijn uw landgenoten zich daar nog van bewust?

 

Ik denk het niet, ook al hebben we dan in verschillende gemeenten Herbert Hooverstraten en -pleinen.

Smith: Na WO I hielp Hoover bij de opstart van de American Relief Administration, of ARA. Hij nam eerst als Amerikaans adviseur deel aan de vredesonderhandelingen in Versailles en was geschokt en triest door de miserie en verwoesting die hij overal in Europa zag. Hij kreeg geld van het Amerikaanse Congres om ARA op te richten en zo de grootste noden van de Europeanen te helpen lenigen. Hij vond dat een flink deel van het geld naar Duitsland en Oostenrijk moest vloeien omdat ook zij geleden hadden. Maar de Amerikaanse overheid zinde in de eerste plaats op wraak en stak daar een stokje voor.

 

Boden de Amerikanen in 1921 hulp aan de Sovjets aan, of werden ze gevraagd?

Smith: In de zomer van 1921 schreef de beroemde Russische schrijver Maxim Gorki een brief om hulp aan de wereld. Het Europese Rode Kruis en de Noorse ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen organiseerden de eerste hulpacties. Maar Europa had in die tijd niet de middelen omdat het continent nog moest herstellen van de gruwel van de wereldoorlog. De Amerikanen hadden wel geld in overvloed, waardoor zij snel verantwoordelijk waren voor 90 procent van alle hulp aan Rusland.

In het begin stond Lenin erg sceptisch tegenover ARA. Hij sprak zeer cynisch over Hoover, maar dat veranderde toen hij zag hoe efficiënt de Amerikanen te werk gingen. Het duurde niet lang of Lenin vond Herbert Hoover een geweldige kerel. ‘We hebben Hoover en zijn manschappen broodnodig’, verkondigde hij aan al wie het horen wou. Jozef Stalin heeft de Amerikanen nooit vertrouwd. Sommigen binnen de Tsjeka probeerden de operatie te dwarsbomen. Het bizarre is dat Feliks Dzerzjinski, het toenmalige nietsontziende hoofd van de Tsjeka, de Amerikanen wél gunstig gezind was.

 

Dzerzjinski alias ‘IJzeren Felix’, had toch een zeer slechte reputatie?

Smith: De Amerikanen hadden de Russische spoorwegen nodig om voedsel over het land te transporteren. Als hoofd van het Volkscommissariaat van het Vervoer had de machtige Dzerzjinski alles te zeggen over de treinen. William Haskell leidde de ARA-operatie en ontmoette Dzerjinski meermaals. Bij problemen liet IJzeren Felix spoorwegbeambten koudweg executeren. Haskell zei daarover: ‘Ik weet dat Dzerjinski’s handen druipen van het bloed, maar dat is oké want hij zorgt ervoor dat onze goederentreinen rijden.’

 

Een van de sleutelfiguren in de ARA-reddingsoperatie is de Amerikaanse diplomaat en gesjeesde schrijver James Rives Childs. Hij was in de eerste plaats een avonturier?

Smith: Childs was een merkwaardig man. Zijn schrijverschap kwam nooit van de grond, maar hij gold wel als een van ’s werelds grootste kenners van Giacomo Casanova. Dat zegt misschien veel over hemzelf. (lacht) Childs was inderdaad een avonturier, maar ook een idealist. Amerika vond hij te saai en te normaal. Hij had gevochten in WO I en was geheim agent geweest. Als student op Harvard ging hij naar een lezing van John Reed, een radicale Amerikaanse journalist die de Russische revolutie had meegemaakt. De jonge Childs werd op slag socialist en wou het arbeidersparadijs in de Sovjet-Unie met eigen ogen aanschouwen. Hij geloofde in de waarden van de revolutie en had het hart op de juiste plaats. Hij wou zijn Russische broeders helpen. Maar hij schrok van wat hij in Rusland aantrof.

 

Een andere schilderachtige figuur is Henry Wolfe. U volgt hem op zijn kannibalenjacht.

Smith: Wolfe was leraar geschiedenis in de staat Ohio en verveelde zich te pletter. Dus sloot hij zich aan bij ARA en vertrok op avontuur naar Russisch hongergebied. Hij zocht actie en opwinding. Veel Russen konden niet begrijpen waarom jongemannen zoals Wolfe uit een rustig, stabiel land aan de andere kant van de wereld, de chaos en de gruwel opzochten. Henry Wolfe ving geruchten op dat wanhopige Russen hun gestorven medeburgers opaten. Zo was er het verhaal van twaalf uitgehongerde mannen en vrouwen die het lijk van een recent overleden man op een kerkhof hadden opgegraven en er zijn rauwe vlees meteen hadden verslonden. Er was ook het sensationele verhaal van een dode man die door een restaurantuitbater versneden was tot koteletten en gehakt. Henry Wolfe wou die kannibalen ontmoeten en dat lukte hem uiteindelijk ook. Er is een foto bewaard gebleven waarop hij poseert met de resten van een kannibalenmaal: twee opengekliefde vrouwenhoofden, een deel van een ribbenkast, een hand en de schedel van een kind. De Sovjetautoriteiten wisten niet goed hoe ze met hun kannibalen moesten omgaan. Want meestal waren het wanhopige mensen en geen criminelen.

 

ARA heeft de Russen daadwerkelijk helpen overleven?

Smith: Zonder twijfel. In het begin van de operatie dachten de Amerikanen dat ze grofweg een miljoen mensen per dag zouden moeten voeden. Op het toppunt een jaar later gaven ze elf miljoen mensen te eten. Daarnaast verscheepten ze tonnen medisch materiaal, knapten ze ziekenhuizen op en herstelden ze vernielde wegen in dorpen en steden. Ze brachten kleding en schoenen mee en zetten zelfs een speciaal programma op om de hoogopgeleide Russische wetenschappers, dokters en academici terug aan de bak te helpen.

 

De Amerikanen hebben de Russische revolutie gered?

Smith: Een Amerikaans recensent merkte op dat zonder ARA de Sovjet-Unie in elkaar gezakt zou zijn en we de terreur van Stalin nooit hadden moeten meemaken. Misschien heeft hij gelijk, toch vind ik het onze morele plicht om mensen die in de shit zitten altijd te helpen. In 1921 kon niemand de latere capriolen van dictator Stalin voorspellen. Veel Amerikaanse hulpverleners geloofden dat door ARA de Russen wel zouden inzien dat communisme een vergissing was. Dat bleek een illusie te zijn.

 

Is in het huidige Amerika een reddingsactie zoals ‘de Russische klus’ nog mogelijk?

Smith: De ARA-redding van Rusland staat haaks op wat er nu in mijn land plaatsvindt. De VS isoleren zich in sneltreinvaart van de rest van de wereld. Ik begon dit boek te schrijven vóór Trump president werd en ‘America First’ de kop opstak. Ik hoop dat De Russische klus sommige landgenoten laat inzien dat het als welvarende samenleving onze verdomde plicht is mensen in nood te helpen. Voor een échte Republikein zou niet Donald Trump de gids mogen zijn, maar Herbert Hoover uit 1921.

 

Douglas Smith, De Russische klus, Spectrum, 328 blz., 27,99 euro

 

Douglas Smith

  • 1962 geboren in Minnesota
  • Studie Russisch aan de universiteit van Vermont en geschiedenis aan de universiteit van Californië
  • Schrijft verschillende historische werken over Rusland
  • 2012 debuteert als schrijver van populair-wetenschappellijke boeken over Rusland met Verloren adel, de laatste dagen van de Russische aristocratie

 

 

© Jan Stevens

‘De nonnen namen hun geheimen mee in het graf’

In het najaar van 1966 beviel Jeanine Ogiers anoniem in een rijhuis in Rijsel en stond haar kind af voor adoptie. Sindsdien is ze wanhopig op zoek naar haar verdwenen dochter. ‘De mensen zien me nog altijd als een paria omdat ik mijn kind afstond.’

 

Bijna haar leven lang is de inmiddels tachtigjarige Jeanine Ogiers uit Wetteren op zoek naar haar ‘verdwenen dochter’. In oktober 1966 beviel ze anoniem in Frankrijk. ‘Dat was zo geregeld door de blauwe zusters van Gent.’ Haar baby moest ze meteen na de geboorte afgeven. ‘Ik mocht haar niet vastpakken, maar diezelfde nacht nog sloop ik uit mijn bed om haar te knuffelen. Ik noemde haar Regina; ik vond dat een heel mooie naam. Ik heb haar nooit meer gezien.’

Jeanine’s zoon John Verstraeten maakte in oktober 2017 de Facebook-pagina ‘Op zoek naar mijn verloren zus’ aan. ‘Ik zette er foto’s op van ons, haar broers en zussen, en van moeder toen ze nog jong was. Die pagina werd meer dan duizend keer gedeeld en ik hoopte dat mijn verdwenen zus ons zo misschien op het spoor zou komen. Tot hiertoe is dat niet gebeurd. Ik heb intussen bij de Franse overheid een verzoek ingediend om de anonimiteit van moeder op te heffen. Zo komt mijn zus tenminste de naam van haar biologische moeder te weten, als ze op zoek zou zijn. Mijn moeder werd er indertijd door haar moeder van beschuldigd haar kind verkocht te hebben aan de Zusters Kindsheid Jesu, de blauwe zusters in de volksmond. Grootmoeder legde toen ook klacht neer bij de rijkswacht, zonder gevolg.’

 

In de jaren zestig gingen vooral ongehuwde meisjes anoniem in een kliniek in Frankrijk bevallen. Mevrouw Ogiers, u was 27 en had al drie kinderen.

Jeanine Ogiers: Ik kwam bij die nonnen terecht omdat ik materieel en emotioneel volledig aan de grond zat. Mijn toenmalige man had een zwaar drankprobleem en mishandelde ons. Op een nacht gooide hij de bedjes om waarin John en zijn oudere broer en zus lagen te slapen. Toen was de maat vol. Ik vluchtte met de kinderen naar mijn ouders, maar daar waren we niet welkom. Ik stond op straat met drie kleine kinderen, zonder inkomen. Mijn man betaalde het onderhoudsgeld niet en ik kreeg geen kindergeld. Ik wist van geen hout pijlen maken en moest dringend werk vinden. De kinderen werden in een home in Heusden geplaatst en ik vond een job bij de pas geopende Volvo-fabriek in Gent, aan de lopende band.

John Verstraeten: Op mijn 56e heb ik nog steeds vreselijke beelden van die paar maanden in dat tehuis. Ze stopten ons in de kelder omdat onze ouders de rekeningen niet betaalden. Toen ik drie jaar oud was, werden we geplaatst bij onze grootouders.

Ogiers: Mijn vader en moeder aasden eerst en vooral op het geld dat ze daarvoor kregen.

Verstraeten: Dat is jammer genoeg waar. Met die centen kochten ze een nieuwe salon en tv. Wij krikten hun materiële welstand op en in ruil gaven ze ons slaag. Ik hoor mijn grootmoeder nog schreeuwen: ‘Je moeder is een hoer. Ze liet je in de steek. Trap het maar af als het je niet aanstaat.’

 

Dat klinkt alsof u opgroeide aan de zelfkant van de samenleving.

Verstraeten: Toch niet. Mijn grootvader was buschauffeur en verdiende goed zijn boterham. Maar mijn grootouders waren allebei zeer gewelddadig tegenover hun kinderen en kleinkinderen. Ik zie nog hoe opa mijn zus met een stok afranselde. Als de woede uit zijn ogen verdwenen was, zei hij tegen haar: ‘Hier heb je 500 frank.’ De huisdokter speelde een smerige rol in heel ons verhaal. Elke maand kwam hij controleren of mijn veertienjarige zus nog maagd was. Toen ik veertien was, ging hij ook bij mij over tot seksueel grensoverschrijdend gedrag. ‘Dan kan ik je beter onderzoeken’, beweerde hij. Onlangs zat ik in het vliegtuig naast een vriendelijk oud heertje. ‘Waar komt u vandaan?’, vroeg hij. ‘Wetteren’, antwoordde ik. Hij zei: ‘Dat is toevallig, ik woon in de buurt, in Oordegem. Ik ben dokter D.W., aangename kennismaking.’ Ik voelde me misselijk worden; het was onze huisdokter van toen. Ik kon geen woord meer uitbrengen.

 

Mevrouw Ogiers, in 1966 raakte u ongewenst zwanger.

Ogiers: Mijn zes jaar oudere ploegbaas bij Volvo toonde zich erg bezorgd over mijn situatie. Hij troostte me en van het een kwam het ander. Hij was getrouwd en had kinderen. Er wordt vaak gezegd: ‘Een getrouwde kerel verleiden, deugt niet.’ Terwijl ik geen seks zocht, maar warmte, genegenheid en vriendschap. Maar dat beseffen al die mensen niet die met het vingertje staan te zwaaien. Zijn vrouw heeft nooit iets van onze relatie geweten. Toen ik zwanger was, vroeg hij niet of hij kon helpen. Hij heeft later ook nooit naar ons kind gevraagd.

Verstraeten: Ik kan begrijpen dat je in die man zijn armen belandde, want jij zat in de miserie. Maar hij maakte misbruik van je, want jij was de zwakkere partij. Hij was je baas, getrouwd, met kinderen. Als hij je echt graag had gezien, zou hij zijn verantwoordelijkheid genomen hebben en had hij een fatsoenlijke regeling uitgewerkt.

Ogiers: Toen ik wist dat ik zwanger was, raakte ik in paniek. Ik zat er compleet onderdoor, kon geen nieuwe baby aan en zocht hulp in het Bijlokehospitaal in Gent. Zij verwezen me door naar het klooster van de blauwe nonnen in de Nederpolder. Ik tekende een contract dat ik mijn kind afstond. Toen de weeën begonnen, voerden de zusters me met een auto naar Rijsel om te gaan bevallen.

 

Naar een ziekenhuis?

Ogiers: Nee, naar een huis in de rij, bij een vroedvrouw. Ik was niet de enige die daar kwam bevallen; er was nog een hoogzwanger meisje. Zij kwam uit Schellebelle. Ook haar kind, een jongen, werd zonder boe of ba meegenomen, net als mijn dochter. Ik mocht haar zelfs niet even vasthouden. Die nonnen waren keihard. ’s Anderendaags voerden ze me terug naar huis. Op het moment van ons vertrek zag ik een non een andere auto instappen, met mijn pasgeboren baby in haar armen. Ik was murw en alles gebeurde buiten mij om. Ik weet zelfs niet meer waar ze me toen in Gent hebben afgezet. Vannacht lag ik daar urenlang over te piekeren, maar heel die tocht van Rijsel naar Gent is een zwart gat. Die reis is al jaren uit mijn geheugen gewist.

 

Werd u door de zusters onder druk gezet om uw kind af te staan?

Ogiers: Nee. Ik zat diep in de shit en zag geen andere uitweg. Maar zowat meteen na de geboorte stak een overweldigend schuldgevoel op. Een paar maanden later klopte ik opnieuw bij de blauwe zusters aan. Ik wou weten waar mijn kind was. Hun reactie was ijskoud: ‘Daar heb je geen zaken mee.’ Ik had mijn kind definitief afgestaan, was dus geen moeder meer en kon maar beter opkrassen. Ze werden boos omdat ik het lef had naar mijn dochter te vragen. Jaren later hoorde ik dat de non die zich met de ongewenste zwangerschappen bezighield, bijna al haar dossiers verbrand had. ‘Ik neem mijn geheimen mee in het graf’, zei ze. Ook het dossier van mijn dochter ging in vlammen op.

 

Toch wist u dat u uw kind voor adoptie had afgestaan?

Ogiers: Natuurlijk, maar ik kreeg daar zeer snel spijt van. De kinderen werden alleen verkocht aan adoptieouders die er warmpjes inzaten. Dat zeiden de zusters me toen ik dat contract tekende. De handel in baby’s van ‘gevallen vrouwen’ bracht in die tijd een aardige stuiver op.

Verstraeten: In werkelijkheid was het mensenhandel, die dan nog eens netjes geregeld was tussen kerk en staat. Want anoniem bevallen in Frankrijk was volkomen normaal. Ik begrijp de hardheid van die nonnen niet die mijn moeder een paar maanden na de bevalling wegstuurden.

Ogiers: Op school leerde ik dat we respect moesten hebben voor dokters, advocaten, pastoors en nonnen. Sorry, maar vandaag heb ik voor geen enkele geestelijke nog respect. Ik geloof in iets dat ons overstijgt, maar het instituut de kerk kan me gestolen worden. Weet u dat ik het er zeer moeilijk mee heb om mijn verhaal aan u te vertellen? Want ook al is de maatschappij veranderd en is de kerk haar greep kwijt, toch blijft er veel schaamte. Ik word nog altijd als een paria bekeken omdat ik mijn kind heb afgestaan.

 

Mijnheer Verstraeten, wanneer zag u uw moeder voor het eerst terug?

Verstraeten: Op de begrafenis van mijn grootmoeder. Ik was toen veertien. Ik was boos op moeder, want ze had ons in de steek gelaten. Het heeft dertig jaar geduurd voor ik hier over de vloer kwam. Ik kon het woord ‘moeder’ niet uitspreken. Toch raapte ik op een dag al mijn moed bijeen en belde aan. Grootmoeder had bij leven en welzijn de wildste verhalen over mijn moeders handel en wandel verteld. Ik wou haar versie van de feiten horen en heb haar intussen ook vergeven. Ik kan niet oordelen over wat zij indertijd meemaakte.

Ogiers: Mijn moeder zei dikwijls dat ze me liever kwijt dan rijk was. Tegen mijn vader riep ze: ‘Sla Jeanine dood, dan zijn we tenminste van haar verlost.’ Ik was een ongewenst kind en dat heeft me voor de rest van mijn leven getekend. Net als mijn zoektocht naar mijn verdwenen dochter.

 

Zoekt u niet naar een naald in een hooiberg?

Ogiers: Daar lijkt het op, ja. Want weet zij dat ze in Frankrijk geboren is? Niemand heeft zicht op wat die nonnen indertijd aan de adoptieouders wijsmaakten. Wat wisten die mensen over haar afkomst?

Verstraeten: We hopen dat ze ooit onze Facebook-pagina ‘Op zoek naar mijn verloren zus’ bezoekt, al die foto’s van haar broers, zussen, moeder en grootouders ziet en zichzelf daarin herkent.

Ogiers: Ik heb via een website een DNA-staal laten nemen in de hoop dat er ergens een match is met haar. Waarschijnlijk heeft zij intussen kinderen en heb ik zo ook nog kleinkinderen die ik niet ken. Veel jaren resten me niet meer om haar te vinden.

 

Het zou ook kunnen dat ze heel kwaad is op u.

Ogiers: Daar hou ik rekening mee. Ik wil haar heel graag vinden, maar tezelfdertijd ben ik bang voor die eerste ontmoeting. Het kan best dat ze me nooit meer wil zien.

 

U hebt vijf kinderen. Hebben zij allemaal evenveel begrip voor uw zoektocht naar uw verdwenen dochter?

Ogiers: Ik heb zes kinderen, want ik tel mijn verdwenen dochter altijd mee. Drie zonen en drie dochters. Mijn verdwenen dochter was lang een geheim. Veertig jaar lang verzweeg ik haar, nu weten ze het allemaal. Op een bepaald moment was ik niet meer aanspreekbaar. Bij het minste schoot ik uit mijn krammen. Tot mijn dochter Tanja zei: ‘Moeder, het is hoog tijd dat je er iets aan doet, want zo kan het niet verder.’ Ik ging in therapie en dat hielp. Mijn leven was een aaneenschakeling van ellende. De gelukkigste jaren maak ik nu mee, maar elke dag denk ik aan mijn verdwenen kind.

 

 

Anoniem bevallen, het laatste mysterie

 

Met haar vzw Mater Matuta verdedigt Marleen Adriaens onder andere de belangen van slachtoffers van anonieme bevallingen. Zij voerde lang onderzoek naar adopties van de Kindsheid Jesu en weet wel wat er met de dossiers gebeurde. ‘Eind jaren tachtig zijn ze allemaal verbrand. De kloosterordes die zich met anoniem bevallen bezighielden, wisten dat er rond adoptie een strengere wetgeving in de lucht hing en hielden preventief grote kuis. Van begin jaren zestig tot eind jaren tachtig was anoniem bevallen in Frankrijk courante praktijk. Dat stopte pas definitief met die nieuwe adoptiewet van 1989. Vooral de congregatie van de Kindsheid Jesu, met kloosters in Gent en Lommel, was erin gespecialiseerd. Maar ook het seculiere adoptiebureau ‘Thérèse Wante’ uit Schoten hielp vrouwen anoniem bevallen. Wante is inmiddels dood, maar haar adoptiedienst bestaat nog en is nu gevestigd in het Waalse Ottignies. Ook Thérèse Wante stak alle dossiers in de fik.

De meeste anonieme bevallingen waren tienermeisjes in nood. De familie bracht hen naar het klooster, want de nonnen zorgden ervoor dat ze konden bevallen zonder dat iemand het wist. De baby’s werden vervolgens doorverkocht aan adoptieouders.’

 

Was het onvervalste kinderhandel?

Marleen Adriaens: Zonder twijfel, al wordt dat nog steeds ontkend. Adoptieouders moesten zogezegd niet betalen voor hun kind, maar ‘giften’ aan de kloosterorde waren wel verplicht. De nonnen stelden zich ook altijd keihard op tegen vrouwen die later wilden weten wat er met hun kind gebeurd was. Omdat alle papieren sporen gewist zijn, weet nu niemand hoeveel vrouwen er anoniem in Frankrijk gingen bevallen en hoeveel kinderen er ter adoptie werden aangeboden.

 

Is er dan niets terug te vinden in bevolkingsregisters en archieven van gemeenten?

Adriaens: Zelden. Onlangs werd ik gebeld door een vrouw van 58. Zij had nog maar pas ontdekt dat ze geadopteerd was. Niemand had begin jaren zestig haar moeder zwanger gezien en tóch was zij bevallen van een dochter. De vrouw stond geregistreerd als het biologische kind van mensen die in feite haar adoptieouders waren. Die volstrekt illegale praktijk van ‘onderschuivingen’ van kinderen kwam bij anoniem bevallen regelmatig voor. Ziekenhuizen, dokters en verpleegkundigen waren medeplichtig. Sommige veertigers en vijftigers weten vandaag dus nog altijd niet dat ze ooit geadopteerd zijn.

 

© Jan Stevens

‘Om te kunnen liegen zoals Hitler, moét je wel een doortrapte charmeur zijn’

Vlak voor de oorlog lieten belangrijke Amerikaanse, Britse en Franse journalisten zich bedwelmen door Adolf Hitler. In zijn boek De vergeten gesprekken met Hitler delft Eric Branca hun interviews op. ‘Ze waren allemaal bang voor oorlog en geloofden de Führers pleidooien voor vrede.’

_DSC0005

 

Jarenlang was Parijzenaar Eric Branca journalist en redactiedirecteur bij het Franse actualiteitenmagazine Valeurs Actuelles. Tot hij in 2015 bij een grote reorganisatie samen met elf collega’s aan de deur gezet werd. ‘Toen was dat een grote schok’, zegt hij. ‘Achteraf gezien was het een bevrijding. Want ik ergerde me steeds meer aan de populistische koers die onder druk van de dalende oplagecijfers was ingezet.’ Hij trok zich terug in zijn appartement vlakbij de Arc de Triomphe en verdiepte zich in een vergeten stuk recente geschiedenis: de vooroorlogse vrijages van Adolf Hitler met belangrijke Amerikaanse, Britse en Franse journalisten. In zijn verbluffende boek De vergeten gesprekken met Hitler reconstrueert Branca zestien interviews waarin de dictator ‘met de zachtblauwe ogen’ via zijn gewillige gesprekspartners probeerde de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk in slaap te wiegen.

U bent de eerste die het stof blaast van de vooroorlogse Hitler-interviews.

Eric Branca: Het was nochtans niet moeilijk om ze terug te vinden. Die interviews worden allemaal netjes bewaard in voor iedereen toegankelijke archieven. Af en toe werden er wel eens enkele zinnen uit geciteerd, maar nooit publiceerde iemand ze opnieuw. Van 1923 tot 1940 gaf Hitler precies dertig interviews aan buitenlandse journalisten. Uiteindelijk blijven er zestien over die het verdienen een écht interview genoemd te worden. De rest zijn eerder uitvoerige verslagen van ontmoetingen met de Führer, opgefleurd met een paar quotes. Uit alle gesprekken komt de dictator naar voor als een volbloed leugenaar.

 

Hij deed mij soms aan de Amerikaanse president Donald Trump denken.

Branca: Misschien wel, alleen was Hitler subtieler. Trump doet de waarheid op een directe, simpele manier geweld aan. Hitler was doortrapter én strategischer. Hij zei tegen zijn gesprekspartners: ‘Ook ik verlang naar vrede’, terwijl hij in werkelijkheid volop de oorlog aan het voorbereiden was. Hij vertelde zijn toehoorders wat ze dolgraag wilden horen. Dat zal Donald Trump nooit doen. Die beledigt iedereen voluit. Adolf Hitler werd tegenover buitenlandse journalisten nooit een brulboei, behalve in het allereerste interview dat in oktober 1923 in The American Monthly verscheen. Daarin werd hij zeer agressief tegenover de Joden, met gepeperde uitspraken in de trant van: ‘Zoals syfilislijders en alcoholisten moeten worden geïsoleerd en zich niet mogen voortplanten, zo mogen ook Joden zich niet met Duitsers vermengen.’ Hij verkondigde toen onomwonden de nazistische ideologie, zoals hij die een paar maanden later in Mein Kampf zou neerschrijven.

 

Interviewer van dienst van dat allereerste interview was de Amerikaanse schrijver George Viereck.

Branca: Viereck was zelf een volbloed-nazi en ontpopte zich later tot propagandist voor Hitler in de VS. Halverwege de jaren dertig begon de FBI hem in de gaten te houden. Na Pearl Harbor namen de Amerikanen de wapens op tegen Duitsland en Japan. Viereck belandde in de cel omdat hij ervan verdacht werd een Duitse spion te zijn. Hij kwam pas terug vrij in ’47.

 

Van alle buitenlandse journalisten die met Hitler spraken, was Viereck de enige echte nazi?

Branca: Hitler koos er heel bewust voor om buitenlandse nazi-reporters links te laten liggen. Hij wou in de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk eerst en vooral de pacifisten en de mensen aan de linkerzijde bereiken. Want extreem-rechts was al overtuigd. Voor alle anderen trok hij een rookgordijn op. Hij maakte hen wijs dat hij niet uit was op oorlog. Hij wou ook de aandacht in het buitenland weg van Mein Kampf, vol rauw antisemitisme en virulente haat tegen alles wat Frans is. Hij koos doelbewust voor gerenommeerde journalisten en degelijke kranten en tijdschriften. Hij vermeed bladen die flirtten met het fascisme of nazisme. In Frankrijk praatte hij met de fatsoenlijke, pacifistische krant Le Matin of met het ‘onafhankelijke’ Paris-Soir, maar niet met extreem-rechtse bladen als L’Ami du Peuple of Je suis partout. Met de Britten communiceerde hij via grote populaire kranten als The Daily Mail en The Daily Mirror, maar niet met de fascistische krant van zijn Engelse evenknie Oswald Mosley. Hitler was een bewonderaar en een vriend van de Amerikaanse autobouwer Henry Ford. Die gaf het openlijk antisemitische weekblad Dearborn Independent uit. Hitler hoefde maar met zijn vingers te knippen voor een paginagroot interview, maar hij deed dat niet. Want waarom zou hij tijd verspillen aan buitenlandse lezers die toch al overtuigd waren?

 

Had hij die strategie zelf bedacht?

Branca: Die kwam uit de koker van zijn allereerste perschef Ernst ‘Putzi’ Hanfstaengl. Putzi was een leeftijdsgenoot van Hitler en had een Duitse vader en een Amerikaanse moeder. Hij stamde uit een rijke familie, studeerde aan Harvard, werd gerekruteerd als geheim agent en kreeg de opdracht om die jonge onruststoker Adolf Hitler in de gaten te gaan houden. Hij was geen Hitler-sympathisant, maar in München hoorde hij de man in het openbaar spreken en hij was meteen in de ban. Het gangbare beeld van een speechende Hitler is dat van een continu schreeuwende en razende fanaat. Maar in beperkte kring was dat helemaal niet zo. Hij begon dan pas op het einde te schreeuwen. (lacht) Het eerste uur van een redevoering kwam hij vaak zelfs heel charmant uit de hoek. Zo zorgde hij ervoor dat zijn toehoorders zeer ontvankelijk waren voor zijn boodschap.

In 1922 werden Hitler en Hanfstaengl goede vrienden; niet veel later werd Putzi zijn persattaché. Tot 1934 werkten ze nauw samen. Hanfstaengl had uitstekende relaties in de VS en kende er iedereen die ook maar iets te zeggen had. Hij regelde interviews met belangrijke Amerikaanse journalisten zoals Harold Calender van The New York Times en Hubert Knickerbocker van de New York Evening Post, winnaar van een Pulitzerprijs in 1931. Hij introduceerde zijn baas ook bij de kopstukken van de zeer invloedrijke Hearst Press Group en adviseerde hem om Engels te leren. Maar dat was een brug te ver voor de Führer. Eind jaren dertig keerde Hanfstaengl nog eens zijn kar: hij werd opnieuw Amerikaans agent. In 1942 trad hij zelfs in dienst bij de Amerikaanse president Franklin Roosevelt als diens naaste adviseur voor Duitse aangelegenheden.

 

In de jaren twintig gaf Hitler interviews aan Britse en Amerikaanse journalisten; de eerste Franse journalist sprak hij pas in 1930. Had dat te maken met zijn niet aflatende woede over het Verdrag van Versailles na WO I?

_DSC0060Branca: Versailles beschouwde hij inderdaad als de ultieme vernedering. Maar zijn haat tegenover Frankrijk ging nóg veel dieper. De hele Franse geschiedenis zag hij als één grote brok tegenstand tegen een verenigd sterk Duitsland. Eerlijk gezegd had hij een punt: alle Franse koningen hadden er een erezaak van gemaakt om Duitsland te verdelen. In Mein Kampf stond zwart op wit dat hij definitief met Frankrijk wou afrekenen. Alle ‘verloren gebieden’ wou hij heroveren. Hij schreef: ‘Dat lukt niet door plechtige aanroepingen van Onze-Lieve-Heer of door vroom op een Volkerenbond te hopen, maar alleen door wapengeweld.’ Vanaf 1930 zette hij zijn haat tegenover Franse journalisten even in de diepvries. Via interviews met hen probeerde hij ook de Fransen zand in de ogen te strooien. Die journalisten tuinden er met open ogen in, omdat ze allemaal bang waren voor oorlog. Daarom geloofden ze de Führers pleidooien voor vrede.

 

Sommige journalisten bekeerden zich na hun interview met Hitler zelfs tot het nazisme. Was dat door zijn charisma?

Branca: De kiem was bij de meesten al aanwezig. Maar op het moment waarop hun interview gepubliceerd werd, golden ze in hun eigen land nog als gerespecteerde reporters, zoals de Franse schrijver Alphonse de Châteaubriant. In 1911 won hij de Prix Goncourt voor zijn nog steeds lezenswaardige roman Monsieur des Lourdines. Hij stond bekend als een vrome katholiek, tot hij Hitler in 1938 ontmoette in diens buitenverblijf in Berchtesgaden. Aan het begin van de twintigste eeuw was Châteaubriant een groot verdediger van Alfred Dreyfus, de Joodse kapitein die er valselijk van beschuldigd werd een Duitse spion te zijn en die wereldberoemd werd door het pamflet J’accuse van schrijver Emile Zola. Na zijn interview met Hitler voor Le Journal beschouwde hij de Führer als de reïncarnatie van Jezus. In 1948 werd Alphonse de Châteaubriant als collaborateur bij verstek ter dood veroordeeld. Drie jaar later stierf hij in ballingschap in een klooster in het Oostenrijkse Kitzbühel.

Niet alleen oudere, conservatieve journalisten lieten zich door Hitler in de doeken doen, ook jonge progressievere collega’s zoals Elisabeth Sauvy alias Titaÿna raakten door hem betoverd. Zij mocht Hitler in januari 1936 uitgebreid interviewen in zijn werkkamer in de kanselarij in Berlijn. Ze was toen nog maar 38, en had van in de jaren twintig in Frankrijk een ijzersterke reputatie opgebouwd.

 

Zij was het prototype van de onverschrokken vrouwelijke sterreporter?

Branca: Ze had haar eigen vliegtuig waarmee ze op reportage trok naar verre oorlogsgebieden. In 1924 interviewde ze Kemal Atatürk en in ’35 Benito Mussolini. De hele Franse pers van die tijd vocht om haar artikels, interviews en reportages, van Le Matin, Lectures pour tous, Paris Match tot Paris-Soir. Zij wou per se Hitler interviewen omdat ze dacht dat hij een hartsgrondige hekel had aan Franse vrouwelijke journalisten. Tot haar grote verbazing wou hij haar toch ontvangen. Ook zij werd een bekeerlinge.

 

Door dat welbewuste interview?

Branca: Jawel. Haar interview een jaar eerder met Mussolini, die andere ‘grote dictator’ van die tijd, was uitgedraaid op een mislukking. Hij ontving haar zeer afstandelijk vanachter zijn bureau, met meters parketvloer tussen hen in. Hitler kwam haar met uitgestoken hand tegemoet. Hij kwam naast haar zitten, was één en al charme en dat werkte. In haar inleiding beschreef Titaÿna hem als ‘intelligent’ en ‘energiek’, als een ‘volksleider’ met ‘verleidingskracht’. In het echt was hij volgens haar helemaal niet die agressieve manipulator. Ze schreef ook over zijn opvallend blauwe ogen. Hitler loog er op los en zei dat geen haar op zijn hoofd eraan dacht een oorlog te beginnen. ‘Welke staatsman zou vandaag nog gewapenderhand zijn grondgebied willen uitbreiden?’, vroeg hij retorisch aan Titaÿna. ‘De menselijke logica verzet zich tegen territoriale oorlogvoering.’ Hij stelde zichzelf voor als de grote verzoener. Hij zei: ‘Het is mij er vooral om te doen dat de wereld gaat beseffen dat het idee van goede wil onder de volken moet leiden tot een samenwerking zonder verborgen agenda’s ten gunste van het welzijn van elk mens.’ Vijf weken later viel hij Frankrijk binnen. Om te kunnen liegen zoals Adolf Hitler, moét je wel een doortrapte charmeur zijn. Titaÿna ging volledig overstag. Tijdens de oorlog schreef ze antisemitische artikels in collaboratiekranten. Na de oorlog werd ze veroordeeld voor spionage.

_DSC0009

Slechts weinig journalisten stelden vragen over het lot van de Joden in Duitsland.

Branca: Ik vond het vreselijk om dat te moeten vaststellen. Alle vragen werden op voorhand door de persdienst van de nazi’s beoordeeld, waardoor lastige vragen in de prullenmand belandden. Maar blijkbaar had niemand de guts om tijdens het interview tóch zijn kritische geest te laten werken. Naderhand redigeerde Hitler de tekst persoonlijk. Dat ging heel ver. Titaÿna beschreef in november 1933 in Dimanche Illustré hoe haar interview ‘verbeterd’ werd. Ze zat in het vliegtuig van Berlijn naar Parijs en hoorde de boordtelex ‘continu ratelen’. Het was de Führer himself die correcties aan het sturen was: ‘Pagina zoveel, woord x vervangen door woord y. Regel zoveel schrappen.’

 

In uw boek blaast u ook het stof van de zeer lucratieve deal die het Amerikaanse persbureau Associated Press (AP) begin jaren dertig met de nazi’s sloot.

Branca: Op 4 oktober 1933 werd in Duitsland de Schriftleitergesetz van kracht, een nazi-wet die de pers zwaar aan banden legde. Voortaan was het correspondenten verboden teksten te publiceren die ‘de kracht van het Derde Rijk verzwakten’ en mochten media niet langer Joden in dienst hebben. Journalisten moesten van ‘Arische afkomst’ zijn en mochten niet getrouwd zijn met een Jood. Alle buitenlandse persagentschappen weigerden die wet te onderschrijven, behalve Associated Press. Het agentschap riep al zijn Joodse medewerkers in Duitsland zonder morren naar huis. Met als gevolg dat vanaf 1934 AP nog als enige buitenlandse persagentschap in Duitsland mocht werken. AP kreeg zo het monopolie in handen van verslaggeving over het Derde Rijk. Dat sterk gefilterde en gekleurde nieuws sluisde het vervolgens door naar krantenredacties over de rest van de wereld.

 

In feite was dat nazi-propaganda?

Branca: Zonder twijfel. Die werd vervolgens gepubliceerd in grote kranten en tijdschriften in de democratische landen. In de VS alleen al leverde AP aan 1400 nieuwskanalen. Tot de belangrijkste klanten van Associated Press behoorden het weekblad Life, maar ook The Washington Post en de Chicago Tribune. De man achter die deal was Louis Lochner, de directeur van de Duitse vestiging van AP. Hij was de voormalige secretaris van de notoire antisemiet Henry Ford. Bij het begin van WO II was Lochner de enige buitenlandse journalist die met het Duitse leger mocht meereizen. In 1939 kreeg hij een Pulitzer voor zijn verslaggeving vanuit Berlijn. Als de Duitsers in 1941 Rusland binnenvielen en massaal Joden afslachtten, was de correspondent van AP daar rechtstreeks getuige van, maar hij repte er met geen woord over. Hij berichtte wel uitvoerig over de Duitse slachtoffers van de Russen. Lochner volgde slaafs de richtlijnen van Joseph Goebbels en diens ministerie van Propaganda. Na de Amerikaanse deelname aan de oorlog, keerde hij in 1942 terug naar de VS. Maar de deal met de nazi’s bleef overeind. Lochner bezorgde de Duitsers interessant fotomateriaal van de geallieerden, in ruil voor interessant fotomateriaal uit het Derde Rijk. Zo kreeg AP na de aanslag op Hitler op 20 juli 1944 exclusief toegang tot de beelden van de ongedeerde Führer. In ruil leverde AP een maand later aan de Duitse pers foto’s van de schade die in Londen veroorzaakt werd door de V1-raketten. Na de oorlog was Lochner een gevierd oorlogscorrespondent. Hij gaf voordrachten, nam deel aan congressen en teerde op zijn succes tot zijn dood in 1975.

 

Decennialang wist niemand van zijn geheime deal?

Branca: Die kwam pas aan het licht in 2016 door onderzoek van de Duitse historica Harriet Scharnberg. De afspraken die Lochner met de nazi’s maakte, waren gewoon degoutant. Scharnberg publiceerde de contracten tussen AP en het ministerie van Propaganda van Goebbels op de website Zeithistorische-forschungen.de. Wat mij zo tegen de borst stoot, is dat het nieuws van die deal amper een rimpeling veroorzaakte. Binnenkort verschijnt de neerslag van het volledige onderzoek van Scharnberg, misschien dat er dan meer ophef volgt. Er komen gelukkig hier in Frankrijk meer reacties op mijn boek. Veel collega’s wisten niet dat illustere voorgangers zoals Bertrand de Jouvenel het nazisme omarmden. In februari 1936 publiceerde Jouvenel een uiterst kritiekloos interview met Hitler in Paris-Midi. Het lijkt eerder een hagiografie. In zijn inleiding beschrijft hij hoe de Führer blaakt van gezondheid: ‘Met zijn roze huid oogt hij sportief, iemand die veel frisse lucht krijgt. Zijn gezicht vertoont geen rimpels en ook geen spoor van fysieke of mentale vermoeidheid.’ Ook Jouvenel liet zich inpakken door Hitler en werd na publicatie van het interview hoofdredacteur van het weekblad van de fascistische partij PPF. Hij moet echt geloofd hebben dat Hitler een pacifist was, want toen de oorlog uitbrak, stapte hij gedesillusioneerd uit de PPF. Na de oorlog werd hij een alom gewaardeerd essayist, gespecialiseerd in economie en geschiedenis. Veel journalisten van mijn generatie dweepten met hem. Door mijn boek leren ze Jouvenels aangebrande verleden kennen en dat is een grote schok.

 

In uw boek vallen ook verschillende Angelsaksische journalisten van hun sokkel. Wordt het in het Engels vertaald?

Branca: Voorlopig niet. Blijkbaar is geen enkele Britse of Amerikaanse uitgever geïnteresseerd. Ik vind dat zeer merkwaardig. Naast de Nederlandse, komt er een Tsjechische, Roemeense, Duitse en misschien zelfs Chinese vertaling, maar geen Engelse.

 

Stel dat u in de jaren dertig journalist in Parijs was geweest. Had u de Führer geïnterviewd als de kans zich voordeed?

Branca: Ik denk het niet, want het was niet de bedoeling dat je als journalist ook nog eens vragen ging stellen. Een interview met Adolf Hitler was dus bij voorbaat zinloos. Een paar journalisten moet dat toch beseft hebben. Ik vermoed dat ze tóch naar Berlijn afreisden omdat ze nieuwsgierig waren. Ze wilden die man in levende lijve ontmoeten. Dat begrijp ik, want de leider van Duitsland was niet de eerste de beste. Maar als de voorwaarde is dat je kritische geest moet thuisblijven, ben je geen journalist meer, maar een propagandist.

 

Eric Branca, De vergeten gesprekken met Hitler, Polis, 320 blz., 25 euro

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey