‘Zijn lot kan de Belgische regeringen niets schelen’

‘Mijn man kan elk moment sterven’, zegt Vida Mehrannia, de vrouw van de ter dood veroordeelde VUB-professor Ahmadreza Djalali. ‘De Zweedse, Belgische en Vlaamse regeringen zullen dan medeverantwoordelijk zijn.’

Vida Mehrannia (46) is de wanhoop nabij. Bijna vijf jaar geleden, op 25 april 2016 werd haar man Ahmadreza Djalali in Iran gearresteerd. Anderhalf jaar later werd de aan de VUB verbonden Zweeds-Iraanse professor rampengeneeskunde in een showproces ter dood veroordeeld voor spionage.

‘Ik vrees dat Ahmad 25 april van dit jaar niet meer haalt’, zegt Mehrannia aan de telefoon vanuit Stockholm. ‘Ik weet zelfs niet of hij nog het einde van deze of volgende week haalt. Ahmadreza is op sterven na dood. De Zweedse, Belgische én Vlaamse regeringen laten intussen betijen. Als mijn man sterft, beschouw ik hen als medeverantwoordelijk.’

Wanneer sprak u Ahmadreza Djalali voor het laatst?

Vida Mehrannia: De laatste keer dat ik zijn stem hoorde, was op 24 november vorig jaar. Hij belde me toen om afscheid te nemen. Hij was in de Evin-gevangenis in Teheran verplaatst naar een dodencel, waar hij sindsdien in isolatie zit. Zondag gingen zijn moeder en zus bij hem op bezoek. Dat was verschrikkelijk. Ze zijn in paniek en wenen continu aan de telefoon. Ahmads gezondheidstoestand gaat razendsnel achteruit. Hij is graatmager, vel over been en wordt psychisch gefolterd. In zijn cel staat er dag en nacht een felle lamp op hem gericht. Hij heeft geen enkel contact met medegevangenen. Vier maanden lang al zit hij in totale isolatie in dat witte licht. Niemand van zijn bewakers wil hem zeggen wat ze met hem van plan zijn. Hij mag niet met mij of onze kinderen bellen, of met zijn advocaat. We leven in totale onzekerheid. Ik ben zo vreselijk bang dat mijn man een van deze dagen gewoon zal bezwijken. Hij zit in een diepe depressie en krijgt amper nog voedsel binnen. Hij zei zondag tegen zijn moeder en zus dat hij gek aan het worden is. Hij slaapt niet meer en eet niet meer.

Hoort u iets van de Zweedse en Belgische overheden?

Mehrannia: Altijd hetzelfde riedeltje: dat ze zijn zaak op de voet volgen. (stilte) Intussen gebeurt er helemaal niets. Ze laten gewoon toe dat Ahmadreza gefolterd wordt. Het kan hun niets schelen.

‘Zijn zaak volgen’ is niet genoeg. In juni 2018 ontmoette ik de toenmalige Vlaamse minister-president Geert Bourgeois (N-VA). Hij beloofde dat hij diplomatieke druk zou uitoefenen op het Iraanse regime. Begin februari 2019 verzekerde de toenmalige Belgische minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders (MR) me dat hij het bij elk overleg met zijn Iraanse collega over Ahmad zou hebben. Daarna werd het stil. Ook de Zweedse regering liet mijn man vallen als een baksteen. Op papier zijn we Zweedse staatsburgers; in de praktijk merken we daar niets van. Intussen tikt de klok en houdt de angst me in een wurggreep.

Zocht Bourgeois’ opvolger Jan Jambon contact met u?

Mehrannia: Ja, maar ook hij draaide datzelfde afgezaagde liedje af. ‘We volgen de zaak van uw man nauwgezet.’ De voorbije vier maanden veranderde er niets in de zaak van mijn man. Hij zit nog steeds in isolatie en wordt dag en nacht gefolterd.

Maar wat verwacht u dan van onze Vlaamse en federale regeringen?

Mehrannia: Ze moeten de druk op Iran zonder treuzelen opvoeren en eisen dat mijn man meteen wordt vrijgelaten. Op dit moment is hij een vogel voor de kat. Voor mij is het duidelijk: het interesseert hen niet.

Zou het niet kunnen dat er achter de schermen gewerkt wordt aan een ruil tussen uw man en de onlangs in België tot twintig jaar veroordeelde diplomaat/spion Assadollah Assadi?

Mehrannia: Ik weet daar niets over. Misschien is dat zo, maar ik heb daar tot hiertoe geen enkele aanwijzing voor. Het is best mogelijk dat het Iraanse regime mijn man als een interessante gijzelaar beschouwt. Alleen rest er voor Ahmad nog maar weinig tijd. Hij zit er compleet onderdoor, is totaal uitgeput en in acuut levensgevaar.

Misschien komt het Iran goed uit dat uw man in gevangenschap een ‘natuurlijke dood’ sterft of zelf een einde aan zijn leven maakt?

Mehrannia: Dat heb ik ook al gedacht, ja. Ik ben heel bang dat het de doelbewuste strategie van het Iraanse regime is om hem in totale isolatie te laten creperen. Dan hoeven ze zijn executie niet meer te voltrekken en vermijden ze dat ze door de internationale gemeenschap met de vinger gewezen worden. Als dat gebeurt, beschouw ik de Vlaamse, Belgische en Zweedse regeringen als medeschuldig. Want zij weten perfect hoe slecht Ahmad eraan toe is, maar behalve zijn zaak ‘op de voet volgen’, doen ze niets. Alsof ze braaf op de dood van Ahmad zitten te wachten en daarna op de excuses van het Iraanse regime. Ik aanvaard dat niet. Ik ben zo ontzettend teleurgesteld.

Ook in de hulp van Europa?

Mehrannia: Zeker. Álle politici laten ons in de steek. Ze sluiten hun ogen. Waar ze ‘achter de schermen’ ook mee bezig zijn: het is duidelijk niet voldoende. Ook de EU zal verantwoordelijk zijn voor de dood van mijn man. Waarom lukt het hun niet om net als de Amerikaanse regering een gevangenenruil met Iran te organiseren? De Amerikanen durven wél hun stem verheffen en maatregelen nemen. Zij sussen niet met: ‘We volgen uw zaak op de voet.’

De voorbije vier maanden hadden ik en de kinderen geen enkel contact met Ahmad. Geen foto, geen telefoongesprek, geen nieuwjaarswens, geen teken van leven. Alleen af en toe een gruwelijk verslag van zijn familie in Iran. Zaterdag 20 maart is Perzisch Nieuwjaar. ‘Zal papa dan bellen?’, vraagt ons negenjarig zoontje Amitis. Hij gelooft al vijf jaar dat Ahmad in Iran op zakenreis is en door omstandigheden niet terug kan. Ik durf hem de waarheid niet te zeggen. Hij is nog zo jong, maar ik zie hoe hij er emotioneel onder lijdt. Onze dochter Aryio is tien jaar ouder. Zij weet wél hoe de vork in de steel zit. Ze maakt zich zoveel zorgen over haar papa.

Hoe gaat het met u?

Mehrannia: Ik ben wanhopig en de druk is immens, maar ik kan het me niet permitteren om compleet te crashen. Ik ben de enige kostwinner nu in dit gezin en ik moet er zijn voor de kinderen. Maar weten dat mijn man dag en nacht gefolterd wordt, is ondraaglijk. Net als het besef dat de politici die ons zouden moeten helpen, daar hun slaap niet voor laten.

© Jan Stevens

‘Corona is de chaperonne van de 21e eeuw’

Filosoof Jan Drost zoekt doordachte antwoorden op prangende vragen over liefde. ‘Onze huidige smetvrees kan ontsporen waarbij aanraken iets weerzinwekkends wordt.

Drie jaar geleden begon relatiefilosoof Jan Drost in de Nederlandse krant Algemeen Dagblad (AD) vragen van lezers over liefde te beantwoorden. ‘Het format van mijn rubriek dwong me tot het schrijven van teksten van slechts 200 woorden’, zegt hij. ‘In het begin werd ik daar moedeloos van. Maar na een tijd leerde ik die vastomlijnde korte vorm te waarderen. Want doordat ik me geen overgewicht aan woorden kon permitteren, kwam ik veel sneller tot de kern van de zaak.’

De meest prikkelende vragen en antwoorden bundelde hij in hét boekje voor Valentijn Waarom is het dat de liefde zo is.

Is een relatiefilosoof ook een therapeut?

Jan Drost: Meestal wordt voor dit soort van rubrieken beroep gedaan op psychologen of seksuologen. Zij geven dan vaak praktische tips en leggen minder nadruk op nadenken waarover het precies gaat. Het AD wou óók een filosoof en dat charmeerde me. Ik had altijd al veel aandacht voor het relationele mensbeeld. ‘Relatiefilosoof’ dekt dus de lading, al hadden ze me ook ‘wij-geer’ kunnen noemen. (lacht)

De vragen worden gesteld door de AD-lezers?

Drost: De meeste wel. Sommige vragen werden me via mail verzonden, of ik pikte ze op een van mijn lezingen op. Bij zowat elke vraag die me gesteld wordt, schiet spontaan door mijn hoofd: waar gaat dit in wezen over? Je zou dat de ‘beroepsmisvorming’ van de filosoof kunnen noemen. Op dezelfde manier benaderde ik al die vragen over relaties en liefde.

Mensen hanteren zelden dezelfde betekenissen voor op het eerste gezicht eenvoudige begrippen. Zo was er die vrouw die haar nakende huwelijk niet wou laten doorgaan. Ze vertelde dat ze ontdekt had dat haar verloofde ontrouw was en al lang vreemdging. Hij stelde dan weer dat hij wél trouw was gebleven, al definieerde hij die als ‘emotioneel trouw’. Hij geloofde dus echt dat hij nooit ontrouw was, ook al had hij seks met vele andere vrouwen.

Welke filosofen zijn uw leidmeesters bij het beantwoorden van die vragen over liefde?

Drost: Vroeger stond ik erg onder de invloed van Sartre en Nietzsche. Ik geloofde toen al snel dat anderen me beperken in mijn vrijheid. Vandaag weet ik dat ik niemand ben zonder andere mensen in mijn leven. Dat inzicht heb ik te danken aan Emmanuel Levinas en Aristoteles. Zij zetten de bakens uit. In deze tijden van corona komen daar ook nog de stoïcijnen bij. Zij leren me dat ik op sommige gebeurtenissen totaal geen vat heb, maar dat ik wel mijn gedachten daarover enigszins onder controle kan houden.

Sommige vragen zijn zeer rechttoe-rechtaan, zoals: ‘Mijn vriend wil niet dat ik een vibrator gebruik. Dat maakt hem onzeker.’ Hoe geeft u daar een filosofisch antwoord op?

Drost: Mijn eerste gedachte was om die vraag door te schuiven naar de seksuoloog. Maar intussen weet ik dat dat soort vragen best interessante antwoorden kan opleveren. Zo zou die afkeer van de man voor haar vibrator best wel eens een uiting kunnen zijn van zijn vrees dat hij op seksueel gebied overbodig is. Mijn advies aan haar was om de vibrator een tijdje in zijn bijzijn achterwege te laten. Tot het voor allebei duidelijk is dat er een verschil is tussen masturbatie, of tijd voor jezelf, en vrijen, of tijd voor elkaar. Dan groeit wellicht ook het besef dat het ene geen bedreiging hoeft te vormen voor het andere. Na een tijd kunnen vriend en vibrator dan misschien samengaan.

De eerste vraag die u behandelt in Waarom is het dat de liefde zo is, is misschien wel de belangrijkste: wat is liefde?

Drost: Eigenlijk wel. Veel andere vragen over iets heel specifieks als ontrouw, liefdesverdriet of jaloezie zijn in werkelijkheid terug te voeren tot die ene vraag: is het liefde wat ik hier en nu beleef? Het subjectieve antwoord zou dan kunnen zijn: dat bepaal je zelf. Maar zo eenvoudig is het meestal niet.

Voor de meeste mensen moet liefde meer zijn dan vriendschap?

Drost: Ze delen hun vriendschapsrelaties in volgens een hiërarchie, met de geliefde aan de top van de piramide. De brede basis wordt dan gevormd door veel kennissen, met daarboven een kleiner aantal vrienden, daarboven beste vrienden en naaste familie, met als kroon op het werk: die ene geliefde. Meestal toch is dat er één.

Door de geliefde helemaal bovenaan de piramide te plaatsen, wordt de verwachting van exclusiviteit gekoesterd. Ook het idee van trouw volgt daaruit, net als wederkerigheid: ‘Jij bent de enige voor mij en ik de enige voor jou.’ We vinden het niet fijn als we ontdekken dat wij niet de top van de piramide voor de ander blijken te zijn. Of als die ander ontrouw is geweest. ‘Ik moet je iets bekennen: ik heb iets met iemand gedaan wat ik alleen maar met jou zou doen.’ Dat komt keihard aan.

Volgens de filosoof Arthur Schopenhauer is vriendschap de hoogste vorm van liefde.

Drost: Mensen met een romantisch beeld van de liefde doen vriendschap inderdaad oneer aan door haar lager in de piramide te plaatsen. Met zijn prikkelende uitspraak daagt Schopenhauer ons uit meer waarde toe te kennen aan onze vriendschapsrelaties. Is het wel zo wijs om liefde en vriendschap in onze hiërarchie zo ver uit elkaar te zetten? Misschien maken we onze liefdesrelaties net duurzamer door vriendschap hoger in te schatten.

Als je wilt trouwen, moet je je volgens Schopenhauer eerst afvragen waaraan je samen de meeste tijd zal besteden. Dat zal waarschijnlijk niet vrijen zijn, maar het voeren van gesprekken. ‘Daarom trouw je best met een man of vrouw met wie je goed bevriend bent’, concludeert de filosoof.

U hebt geen hoge pet op van ons romantisch beeld van de liefde?

Drost: Neem de romantische gedachte dat de een bij wijze van spreken al van voor de geboorte toegewezen is aan de ander. Zo scheppen we voor onszelf onrealistische, torenhoge verwachtingen. Toch hou ik er ook van dat we in staat zijn om iemand als een uniek, onvervangbaar persoon te beschouwen. Niet dat we dan heiligen voor elkaar worden, maar we beginnen elkaar wel te ‘heiligen’. Die ander wordt een ‘uitverkorene’.

Dat klinkt heel bijbels.

Drost: Ja, en dat komt natuurlijk ook omdat een liefdesrelatie sowieso iets zeer bijzonders is. De liefde intensifieert je blik en je gevoelens.

Ik krijg vaak de vraag: ‘Is monogamie gedoemd te verdwijnen?’ Ik geloof dat niet, net omdat liefde zo een bijzondere vorm is van naar elkaar kijken en met elkaar omgaan.

We horen toch heel vaak dat de mens van nature niet monogaam is?

Drost: Wat wordt er bedoeld met ‘van nature’? Dat we genetisch geprogrammeerd zijn om seks met veel verschillende mensen te hebben? Ik heb het daar eerlijk gezegd moeilijk mee. Want dat zou betekenen dat alle gedrag dat in de natuur voorkomt, gerechtvaardigd is. Iets is goed omdat het zo is. ‘Ik heb een lief, toch vrij ik met elke mogelijke andere partner en dat gaat vanzelf. Daarom mag ik dat gerust blijven doen.’ Ik heb de indruk dat het zoeken naar een fundament in onze natuur vaak niet meer is dan zoeken naar een vrijbrief. Wordt stelen dan ook aanvaard zodra wetenschappelijk is aangetoond dat mensen van nature hebzuchtig zijn? Mag ik jou slaan omdat ik gewelddadig van aard ben? Mag je geliefde met iedereen de koffer induiken omdat hij of zij geile genen heeft? Het is niet omdat iemand iets doet, dat het vanzelf goed is. Het is ook niet omdat monogamie niet in onze genen zou zitten dat gevoeligheden zoals jaloezie als sneeuw voor de zon verdwijnen. We hebben altijd een keuze.

Steeds meer geliefden vinden elkaar via datingapps. Ook daar krijgt u vragen over?

Drost: Mensen willen weten hoe verstandig zo’n datingapp is als ze op zoek zijn naar een serieuze liefdesrelatie. We hebben dan allemaal de neiging om in ons datingprofiel het fraaist mogelijke beeld van onszelf te borstelen. Ook tijdens chatsessies doen we vervolgens ons uiterste best om de grappigste, slimste en knapste versie van onszelf te zijn. Dat vergroot de romantiek, maar zorgt tegelijkertijd voor een vertekend beeld. Het beste is om zo snel mogelijk in levenden lijve af te spreken als je allebei denkt dat er een match is.

Ik heb meerdere vrijgezellenavonden meegemaakt van bruiden die hun bruidegom via een datingapp leerden kennen. Ze stopten allemaal met de app zodra hun liefde begon. Een datingapp kan dus de start zijn van iets moois. Maar zo’n app kan er natuurlijk nooit voor zorgen dat je liefdesrelatie uitgroeit tot een groot succes. Het is ook geen goed idee om na de start van een nieuwe relatie in het geniep te blijven shoppen op Tinder. Samen op hetzelfde moment die app van de telefoon verwijderen, zou wel eens kunnen uitgroeien tot hét liefdesritueel van de 21e eeuw.

Werkt een datingapp ook niet erg drempelverlagend om op zoek te gaan naar iemand anders als de relatie aan het slabakken is?

Drost: Zonder twijfel. Na een lezing vertelde een vrouw me hoe ze na de zoveelste ruzie met haar man ’s avonds mokkend in bed met de rug naar elkaar toelagen. ‘Ik had mijn telefoon bij me’, zei ze. ‘Ik hield die onder het kussen en opende de datingapp Happn.’

Veel daters lijken te verwachten dat er op hun eerste afspraak meteen een vonk overslaat. Dat valt mij toch op als ik naar het datingprogramma First Dates kijk. Terwijl liefde misschien beter langzaam groeit?

Drost: Natuurlijk moet liefde groeien, maar die overslaande vonk blijft vaak onze romantische eis nummer één. Zo wordt de druk tijdens een eerste ontmoeting stevig opgevoerd.

Een goede vriend werd lang geleden van zijn sokken geblazen door een meisje. Hun eerste afspraak was voor hem als een donderslag bij heldere hemel. Het draaide op niets uit, maar hij raakte niet meer van haar hersteld en heeft sindsdien geen ander lief gehad. Hij blijft die ervaring vergeefs zoeken en maakt zichzelf zo diepongelukkig. Die ene vonk van weleer bepaalt zijn hele werkelijkheid. Hij spreekt met niemand meer dan één keer af. Het moét meteen raak zijn.

Krijgt u nu veel door de lockdown beïnvloede vragen over de liefde?

Drost: Zeker. Een van die vragen is: ‘hoe voorkom ik dat ik mijn geliefde achter het behang plak?’ (lacht) Een andere: ‘Hoe vind ik iemand in deze tijd van afstand houden en smetvrees?’ Mijn raad is: ga naar buiten, al wandelend ontmoet je misschien nieuwe mensen. Dat is exact wat er nu aan het gebeuren is. Ik woon in Amsterdam en in de straten en parken is het drukker dan ooit. Een paar vrouwen lieten me weten dat ze zich minder onveilig voelen dan vroeger. Als onbekende mannen hen nu aanspreken, is er altijd die anderhalve meter sociale afstand. De angst voor het virus zorgt ervoor dat die heren hun handen thuishouden en zich beleefd gedragen. De dames vinden dat zeer fijn. Corona wordt zo de chaperonne van de 21e eeuw.

Maar ik wil deze tijd niet romantiseren, want voor jonge mensen is het afschuwelijk. Ik doceer filosofie aan de Hogeschool van Amsterdam. Tot half december vorig jaar had ik nog het geluk dat ik om de twee weken een paar uur in een lokaal kon lesgeven aan acht studenten. Het was hun enige uitstap in de week. Toen ik die ene keer ziek was, kreeg ik het ene teleurgestelde berichtje na het andere. Heel deze toestand waarin we aanbeland zijn, zal nog zware gevolgen hebben. In onze strijd tegen dat virus laten we alle wapens los. Tezelfdertijd vergeten we dat ons lichaam niet alleen besmet kan raken, maar ook aanraking nodig heeft. Lichamelijke affectie is óók goed voor onze gezondheid.

Zal corona onze samenleving fundamenteel veranderen?

Drost: Als het van onze politici afhangt niet, want van zodra het virus bedwongen is, willen zij liefst zo snel mogelijk terug naar business as usual. Ik ben bang dat de goedkope vliegtickets ons snel opnieuw om de oren zullen vliegen. Het verwoesten van de planeet wordt gewoon hervat.

Hoopgevend is dan weer dat veel mensen goede voornemens maken. Sommigen zijn blij met de lockdown, omdat ze zo verlost zijn van de druk en rust herontdekken. Een aantal onder hen zal na de pandemie zeker een nieuw, duurzamer leven trachten op te bouwen.

Volgens de Amerikaanse viroloog Anthony Fauci schudden we best nooit nog de handen. Onze viroloog Marc Van Ranst is het daarmee eens. Zijn we nu een permanente smetvrees voor elkaar aan het ontwikkelen?

Drost: In het verleden kreeg ik af en toe wel eens een handdruk die ik liever had vermeden. (lacht) Er zijn ook heel leuke, andere manieren om elkaar te begroeten, zoals bijvoorbeeld een boeddhistische buiging. Maar het klopt inderdaad dat onze huidige smetvrees kan ontsporen waarbij aanraken iets weerzinwekkends wordt. Wij zijn ons lichaam. We moeten dat goed verzorgen, of we gaan ten onder. Het coronavirus bedreigt ons lichaam, we moeten ons dus daartegen beschermen. Alleen dreigen we nu in de val van de complete isolatie te trappen. Dat zou zeer tragisch zijn.

Mensen die elkaar in deze tijd ontmoeten en verliefd worden, staan al meteen voor een barrière als ze voor het eerst willen kussen. Die eerste zoen is niet onbelangrijk en krijgt door het virus extra waarde en betekenis. Want hij houdt nóg meer dan vroeger de belofte van exclusiviteit in. Als je ook anderen gaat zoenen, vergroot het risico dat je je pas veroverde geliefde besmet.

Die eerste zoen kan een kus des doods zijn?

Drost: Net uit angst daarvoor wordt die eerste kus vaak uitgesteld. Of de kersverse geliefden spreken af om zich eerst te laten testen. Van zodra ze allebei een negatieve uitslag hebben, mogen alle remmen los.

Wat is de meest intrigerende vraag van de voorbije drie jaar?

Drost: Vorig jaar vroeg iemand: ‘Is het gezien de klimaatcrisis nog verantwoord om kinderen te krijgen?’ Drie maanden geleden bleek dat mijn vriendin zwanger was. Ik ben daar heel blij mee, maar merk ook bij mezelf dat ik door die vraag in de war ben. Ze drukt me met de neus op de werkelijkheid, ook al wil ik dolgraag vader worden. Als iemand die vraag uitspreekt, volgen er reacties als: ‘Dat vroegen ze zich tijdens de Tweede Wereldoorlog ook af. Het kwam toen toch goed?’ Terwijl deze crisis van een totaal andere orde is. Een oorlog gaat voorbij, maar de gevolgen van de klimaatverandering bedreigen de grondvesten van ons bestaan.

Liefde voor je kinderen staat niet los van liefde voor de aarde. Daarom moet je in elk geval proberen een leven te leiden dat zowel goed is voor je kind als voor de aarde. Alleen dan zal je later je kind in de ogen kunnen kijken als het vraagt: ‘Wat heb jij gedaan om ervoor te zorgen dat er een toekomst voor ons is?’

Jan Drost

– 1975: geboren in Vroomshoop, Nederland

– 2002: studeert af in filosofie en Nederlands aan de universiteit van Amsterdam

– 2005: werkt als docent filosofie aan de Hogeschool van Amsterdam, publiceert essays en geeft lezingen over de liefde

– 2011: debuteert met Het romantisch misverstand, in 2015 gevolgd door Denken helpt en in 2017 door Als de liefde voorbij is.

– Is verbonden aan The School of Life en schrijft voor verschillende media, waaronder Algemeen DagbladNRC Handelsblad, Trouwde Volkskrant en Filosofie Magazine.

Jan Drost, Waarom is het dat de liefde zo is, Querido, 88 blzn., 10 euro

(c) Jan Stevens

‘We hebben méér chaos nodig in de politiek’

In zijn essay Alles kapot! houdt jurist en mensenrechtenlobbyist Anton Van Dyck een vurig pleidooi voor meer natiebouw. Maar eerst moeten we volgens hem na de coronacrisis collectief afrekenen met onze demonen uit het verleden. ‘Het is tijd voor een Waarheids- en Verzoeningscommissie.’

‘Jarenlang worstelde ik met mijn eigen identiteit’, zegt Anton Van Dyck. ‘Net als veel mensen vroeg ik me af: “Wie ben ik?”’

Dus begon hij een individuele zoektocht naar wat identiteit precies is. ‘Ik stootte daarbij vooral op boeken die zich aan de rechterzijde van het politieke spectrum bevinden. Zo las ik Generatie identiteit, een oorlogsverklaring aan de ‘68’ers van de jonge Oostenrijker Markus Willinger. Met dat manifest uit 2013 geldt hij als de kernideoloog van de extreemrechtse indentitaire beweging. Ik vond het zowel angstaanjagend als fascinerend. Volgens Willinger installeerden de babyboomers in West-Europa een cultuur van zelfhaat. De Soixant-Huitards zouden opzettelijk de eigen cultuur afschilderen als conservatief en barbaars en de multiculterele samenleving propageren met als ultieme doel: een grijze identiteitsloze monocultuur. Als tegenwicht pleit Willinger voor een nationale identiteit, die hij zeer expliciet linkt aan etniciteit. Met die inhoud kon ik me totaal niet vereenzelvigen.’

Ook in Over identiteit van Bart De Wever vond Van Dyck zijn gading niet. ‘Het boekje van de N-VA-voorzitter is best interessant, alleen heeft hij het eigenlijk niet over identiteit, maar over modaliteit, over de manier waarop we onze identiteit beleven.’

Anton Van Dyck besloot dan maar zelf de hand aan de ploeg te slaan en schreef Alles kapot!, een prikkelend essay over de rol van identiteit in een superdiverse samenleving. ‘In de eerste plaats wil ik een verandering op gang brengen in hoe we naar identiteit kijken’, zegt hij. ‘Maar ook hoe we met die nieuwe visie op identiteit onze samenleving en democratie kunnen versterken.’

Van Dyck werkt als mensenrechtenlobbyist in de Wetstraat voor Demens.nu, de koepelorganisatie van de Belgische vrijzinnige verenigingen. Zo brengt hij momenteel het lot van de in Iran terdoodveroordeelde VUB-gastprofessor Ahmadreza Djalali bij politici onder de aandacht.

‘Lobbyist’ is geen scheldwoord?

Anton Van Dyck: Integendeel. Elke individuele burger kan zich niet bezighouden met alle aspecten van het dagelijkse politieke beleid van een land. Het is dan ook heel normaal dat mensen zich verenigen en professionals zoals ik afvaardigen om hun belangen in de Wetstraat te verdedigen. Op voorwaarde natuurlijk dat dat in volle openheid gebeurt.

Wat vaak niet zo is?

Van Dyck: Nee, en dat is een groot probleem. Mijn organisatie was de allereerste om zich in de Kamer van Volksvertegenwoordigers te registreren als lobbygroep. Na ons volgde er geen stormloop van andere lobbyisten. Ik vermoed dat de meesten bang zijn dat hun vrijheid aan banden gelegd zal worden. Maar die registratie en bijhorende transparantie is broodnodig. Want dan komt er meteen zicht op welke politici later lobbyisten worden. Die overstap gaat nu soms snel en geruisloos en dat is niet gezond.

Zal u uw essay nu meenemen naar het parlement als u daar gaat lobbyen?

Van Dyck: Zeker. Het kan interessante discussies opleveren, zeker in de senaat. (lacht)

Want u pleit ervoor om alle senatoren te vervangen door gelote burgers?

Van Dyck: Ik ben een grote fan van David Van Reybrouck en zijn boek Tegen verkiezingen waarin hij een lans breekt voor de deliberatieve democratie. Hij wil dat het onderscheid tussen bestuurders en bestuurden vervaagt. Dat kan door willekeurig gelote burgers rechtstreeks aan het bestuur te laten deelnemen. Zo raken ze opnieuw betrokken bij wat in de eerste plaats hen aangaat. Waarom vervangen we de verkozen senatoren niet integraal door gelote burgers? Het ene deel van het parlement is dan samengesteld door willekeur en het andere door verkiezingen. Dat zou ook de chaos in de politiek ten goede komen, want we hebben net méér chaos nodig.

Hebben we in deze hectische tijd niet in de eerste plaats meer rust in de politiek nodig?

Van Dyck: Toch niet. We proberen voortdurend alles te bedaren en vast te metselen in robuuste systemen. Maar die zijn bestand tegen slechts één vorm van stress, waardoor op termijn het hele kaartenhuis dreigt ineen te storten.

In zijn boek Antifragiel stelt de Libanees-Amerikaanse wetenschapper Nassim Nicholas Taleb dat we altijd best systemen bouwen die niet fragiel zijn, die niet ineenzakken bij het eerste gebruik. Maar ‘antifragiel’ is niet hetzelfde als ‘robuust’. Een robuust systeem blijft na een klap overeind, ook al is het beschadigd, denk maar aan een aardbevingsbestendig gebouw. Onze westerse parlementaire democratie is zo’n robuust systeem. Het grote probleem van robuuste systemen is dat ze rigide zijn en zich moeilijk aanpassen aan opeenvolgende bedreigingen. Als het gedurende lange tijd te veel klappen moet incasseren, riskeert het op een bepaald moment toch in te storten. Een antifragiel systeem wordt door de constante druk net sterker. In een antifragiele democratie is er veel ruimte voor kleine crisissen in plaats van voor heel grote. Het systeem wordt zo wendbaarder en kan sneller reageren op onverwachte gebeurtenissen.

Donald Trumps ex-strateeg Steve Bannon is een groot voorstander van het creëren van maximale chaos. Hij zette de bakens uit voor Trumps verstorende, onvoorspelbare beleid. Is dat wat u voor ogen heeft?

Van Dyck: Bannon dreef de chaos en onrust heel ver, maar in essentie heeft hij gelijk. Zijn stelling is: als je een systeem wilt veranderen, moet je het eerst kapot maken. Zelf ben ik ondanks de titel van mijn essay niet zo’n fan van kapotmaken, maar ik ben er wel voorstander van om eerst alle componenten uiteen te halen, om die vervolgens weer ineen te steken.

Het robuuste Amerikaanse democratische systeem staat al jaren onder druk. Door de passage van Trump lijken we het presidentschap van Bush al te zijn vergeten, met die sinistere figuur Dick Cheney. Ook de opkomst van de Tea Party lijkt een vage herinnering. Heel die grote crisis van het systeem culmineerde de voorbije vier jaar in Donald Trump. Het uit de weg gaan van kleine crisissen leidde tot die gigantische politieke crisis.

Toen bij ons de centrumpartijen nog sterk stonden en de lakens uitdeelden, regeerde het compromis en niet de chaos.

Van Dyck: Met compromissen sluiten is niets mis. Dat lukte vroeger inderdaad beter. Maar er werd toen ook veel met de mantel der liefde bedekt. Denk maar aan de sale-and-leaseback-constructies met overheidsvastgoed om de begroting op te poetsen, of aan het Lernout & Hauspie-débacle. Politici lieten de storm overwaaien in de veronderstelling dat hij zo vanzelf voorgoed zou verdwijnen. In werkelijkheid bleef alles onderhuids gisten.

Vandaag krimpt het centrum en groeien de extremen. Dat komt ook omdat veel gematigde mensen niet meer met politiek bezig zijn. Door schandalen zoals Arco en Lernout & Hauspie hebben ze er alle interesse in verloren en haken ze af. Bij de laatste verkiezingen ging een miljoen mensen niet meer stemmen. Anderen kozen op 26 mei 2019 dan weer voor een extreme partij en staken zo hun electorale middelvinger op. Zo raakt onze representatieve democratie steeds meer in het slop. De overwinning van het Vlaams Belang legt bloot dat we veel crisissen helemaal niet achter ons hebben gelaten. Integendeel, het is de som van alle nooit verwerkte problemen uit het verleden.

U bent niet alleen voorstander van een ‘antifragiele democratie’, maar ook van een ‘antifragiele identiteit’?

Van Dyck: Identiteit is voor mij de lens waardoor ik naar de wereld kijk. Die lens wordt bepaald door de waarden die ik belangrijk acht. Mijn persoonlijke levensdoelen zijn: een goed mens zijn en gelukkig worden. Soms is het moeilijk om het evenwicht tussen die twee te vinden. Maar ze bepalen wel hoe ik als vrijzinnig humanist in het leven sta en met anderen omga.

Ik ben geboren en getogen in Dilbeek en in mijn jeugd fietste ik jaarlijks met mijn ouders de gordel rond Brussel. Dat evenement zit in mijn herinnering als een warm feest van verbondenheid, terwijl het voor anderen met een andere lens opgeslagen zit als een bijeenkomst van radicale flaminganten waar andersdenkenden niet welkom zijn.

De waarden die de lens vormen waarmee je naar de werkelijkheid kijkt, zijn dus ontzettend belangrijk. Toen ik Antifragiel van Taleb aan het lezen was, kreeg ik een soort van aha-erlebnis. Ik dacht: waarom passen we Talebs principe van antifragiliteit ook niet toe op het begrip identiteit? Want dan wordt onze lens in het vervolg misschien bepaald door antifragiele waarden, door waarden die alleen maar sterker worden als ze onder druk staan. Ik kwam dan vanzelf uit bij waarden als vrijheid, gelijkheid en solidariteit.

Misschien leidt absolute vrijheid tot een extreem individualistische samenleving, gebaseerd op de principes van het neoliberalisme?

Van Dyck: Ja, en daarom is het belangrijk dat er een wisselwerking is tussen die drie antifragiele waarden. Want als er slechts één primeert, dreigt er een vorm van radicalisering.

Wij zien identiteit nu te veel als een systeem dat robuust moet gemaakt worden om alle dreigingen het hoofd te kunnen bieden. Terwijl zo’n robuust identiteitssysteem allesbehalve opgewassen is tegen onvoorspelbare fenomenen, zoals bijvoorbeeld de exponentieel toenemende diversiteit in onze samenleving. Een antifragiele identiteit van een land wordt dan gevormd door de interactie tussen de miljoenen burgers, met elk hun eigen beleving van hun identiteit. Maar de lens waardoor ze naar de wereld kijken, wordt bepaald door die antifragiele waarden van gelijkheid, vrijheid en solidariteit.

Is het niet veel eenvoudiger om op zoek te gaan naar een grote gemene deler, een leidcultuur waar iedereen die deel van onze gemeenschap wil uitmaken zich aan kan spiegelen?

Van Dyck: Bart De Wever noemt dat in Over identiteit de ‘broncode van de samenleving’. Ik kan dat pleidooi voor een leidcultuur aan de hand van een culturele canon omwille van pragmatische overwegingen goed begrijpen. Zeker als het over taal gaat; we kunnen niet van elke loketbediende verwachten dat hij of zij een talenwonder is. Alleen is de superdiversiteit in onze samenleving inmiddels zover gevorderd dat één culturele canon niet langer volstaat. Ontzettend veel mensen hebben een verschillende culturele identiteit of combineren die zonder complexen. Sommigen voelen zich zowel Belg als Vlaming en vinden noch het ene, noch het andere slecht. Denk aan al die sportliefhebbers die met de driekleur voor de Rode Duivels supporteren en met de Vlaamse Leeuw voor een koersende flandrien. Als er dan toch met culturele canons gewerkt moet worden, kan dat best in samenspraak met de grootste culturele gemeenschappen in ons land, met vooral oog voor jonge creatievelingen.

Om eens en voorgoed komaf te maken met wat er in ons politieke bestel in het verleden misging, pleit u voor een Waarheids- en Verzoeningscommissie naar Zuid-Afrikaans model.

Van Dyck: We kunnen ontzettend veel leren van het Zuid-Afrikaanse concept van natiebouw. Negen jaar geleden verbleef ik in het kader van een uitwisselingsproject in Zuid-Afrika en die reis veranderde mijn leven. Daarvoor stelde ik me al vragen over zoiets als een nationale identiteit, maar hier in België vond ik daar geen antwoorden op. In Zuid-Afrika werd ik meteen opgenomen in een grote Zulu-familie. Ik kreeg een nieuwe naam en werd voorgesteld aan tientallen oma’s en opa’s, vaders en moeders, broers en zussen. Ze namen mij, witte jongen uit een warm Dilbeeks gezin, meteen op in hun gemeenschap. Vrij snel merkte ik hoe belangrijk het voor hen was om in hun dagelijkse leven het verleden een plaats te geven.

In de jaren negentig woedde er in Zuid-Afrika een burgeroorlog. Het is er vandaag nog steeds geen rozengeur en maneschijn, maar van een burgeroorlog is geen sprake meer. Wat toch heel opmerkelijk is, want het is alsof het land met zijn raciale spanningen in een soort van voortdurende manische depressie zit. Het ene moment gaat het heel goed en het andere heel slecht.

Ik was onder de indruk van de manier waarop de Zuid-Afrikanen in hun Waarheids- en Verzoeningscommissie met hun verleden omgingen. Na het einde van het apartheidsregime waren ze er zich erg goed van bewust dat de erfenis van dat racistische systeem de nieuwe staat kon ondermijnen. De commissie onderzocht zowel mensenrechtenschendingen van vrijheidsstrijders als van leden van het apartheidsregime. Wie bereid was om de waarheid over dat bezwaarde verleden te vertellen, kon rekenen op amnestie. Al werden niet alle misdaden met de mantel der liefde bedekt. De hoorzittingen zetten een schijnwerper op dat duistere verleden. De slachtoffers kregen eerherstel en voelden genoegdoening; de daders kregen schuldinzicht en een kans om zich in de nieuwe samenleving te integreren. De toekomst werd zo vrijer.

Onze eigen Waarheids- en Verzoeningscommissie moet ook ons land ‘bevrijden’ en resetten?

Van Dyck: Ja. De bedoeling is om daarna met een propere lei te beginnen, al is het naïef om te verwachten dat die lei brandschoon zal zijn. Dat hoeft ook niet, maar de laatste jaren liep er zoveel fout dat we ons toch moeten afvragen wat de maatschappelijke impact daarvan is. Ik denk dan aan de huidige coronacrisis, maar ook aan de financiële crisis van 2007. We verloren toen ook mensen. Nu heb ik het gevoel dat er na elke crisis opgelucht wordt ademgehaald: ‘Oef, het is voorbij. Laten we dit maar zo snel mogelijk vergeten.’

Die verzoeningscommissie wordt een vorm van collectieve therapie?

Van Dyck: Precies. Het einde van de coronacrisis is misschien het ideale moment om ze in gang te zetten. Het is niet aan mij om te bepalen hoe ver we in het verleden moeten teruggaan. Maar bijvoorbeeld de kolonisatie en de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog zouden thema’s kunnen zijn. In de nasleep van WO II maakte Europa de grootste vluchtelingencrisis uit haar geschiedenis mee. Miljoenen mensen waren toen op de dool. Ook daar is misschien nog niet de onderste steen van bovengehaald. En ook over het verloop van de repressie zijn er wellicht nog belangrijke feiten te achterhalen.

Misschien moeten we mensen ook spontaan onderwerpen laten aanleveren. Wellicht leven er onverwerkte problemen waar we geen weet van hebben.

U pleit er ook voor om in het kader van een betere natiebouw het eerste artikel van de Belgische grondwet te herschrijven.

Van Dyck: Artikel 1 stelt: ‘België is een federale staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten.’ Erg sexy is dat niet. Er staat geen woord over onze gemeenschappelijke maatschappelijke doelstellingen, het gaat enkel over de structuur van de staat. Pas vanaf artikel 7 sluipen er begrippen als ‘duurzaamheid’ en ‘sociale vooruitgang’ in. Waarom vallen we niet meteen met de deur in huis door in artikel 1 te schrijven wat voor soort samenleving we samen willen bouwen? Dat zou dan kunnen luiden als: ‘België streeft in zijn organisatie de maximale uitbouw na van de individuele vrijheid, de maatschappelijke verantwoordelijkheid en de fundamentele gelijkheid van de mens.’ Dat klinkt toch veel meer begeesterd?

Hoe hoog schat u de haalbaarheid van uw voorstellen in?

Van Dyck: Het leuke aan het schrijven van een essay is dat ik me niet hoef af te vragen of mijn voorstellen ook haalbaar zijn. Ik zal al heel blij zijn als ik er een maatschappelijk debat mee op gang kan helpen trekken. Wie weet, krijgen een paar van mijn voorstellen dan later een kans.

Bio

Anton Van Dyck

  • Geboren in 1993
  • Studeerde rechten aan de VUB
  • Directeur juridische zaken en overheidsrelaties bij Demens.nu, koepelorganisatie van de Belgische vrijzinnige verenigingen

Anton Van Dyck, Alles kapot! Pleidooi voor natiebou, VUBPress, 144 blzn., 17,50 euro

(c) Jan Stevens

‘Geef de zoektocht naar rust op, en je komt vanzelf tot rust’

Filosoof John Sellars wenst autoritaire politieke leiders een snelcursus hellenistische filosofie toe. ‘Seneca waarschuwde al voor het gevaar van woede. Zeker als ze wordt aangevuurd door machtige figuren. De hellenistische filosofen wisten: alleen kalmte kan ons redden.’

323 v.C. tot 31 v.C. staat in de geschiedenisboeken gemarkeerd als de ‘hellenistische periode’ of het hellenisme. Ze loopt vanaf de dood van de Macedonische wereldveroveraar Alexander de Grote tot de nederlaag van de Romeinse generaal Marcus Antonius in de slag bij Actium.

‘Na de dood van Alexander werd diens imperium door zijn generaals in verschillende koninkrijken opgedeeld’, zegt John Sellars, professor antieke filosofie aan de universiteit van Londen. ‘Niet lang na Marcus Antonius’ nederlaag stierf zijn geliefde Cleopatra. Haar dood markeerde het begin van de Romeinse dominantie in de klassieke oudheid. Het hellenisme was een tijd van transitie, waarin de eigenzinnige Griekse stadstaten met hun bloeiende antieke cultuur deel werden van dat centraal geleide grote Romeinse Rijk. Parallel met die overgang groeide en bloeide de hellenistische filosofie. Bij de dood van Alexander was Athene nog het filosofisch centrum, bij de dood van Cleopatra had Rome die rol overgenomen.’

In de klassieke oudheid was filosoferen in de straten en op de pleinen van Athene en Rome dagelijkse kost?

John Sellars: Het was toen zeker geen puur academische discipline. Filosofen spraken op openbare plekken voorbijgangers aan en stelden hen lastige levensvragen. Tijdens de hellenistische periode zagen drie nieuwe stromingen het licht: het epicurisme, het stoïcisme en het pyrronistisch scepticisme. Ik leerde die scholen van de hellenistische filosofie dertig jaar geleden kennen als filosofiestudent. Ik moest toen twee klassiekers lezen: Overpeinzingen van de Romeinse keizer Marcus Aurelius en De natuur van de dingen van de Romeinse filosoof en dichter Lucretius. Die werken bliezen me van mijn sokken.

Wat was er zo speciaal aan?

Sellars: Het filosofische Overpeinzingen is een heel persoonlijk boek; het was waarschijnlijk nooit Marcus Aurelius’ bedoeling dat het gepubliceerd werd. Hij leefde van 121 n.C. tot 180 n.C. en regeerde de laatste twintig jaar van zijn leven over het Romeinse Rijk. Hij schreef Overpeinzingen tussen 170 en 180, tijdens het voorbereiden van zijn militaire veldtochten. Het boek geldt als een van de grootste stoïcijnse werken. Marcus Aurelius beschrijft erin hoe je te midden van onrust, gewoel en gevaar je gemoedsrust moet proberen te vinden en bewaren. Hij raakte me als jonge student diep.

Daarna las ik het lijvige leerdicht De natuur van de dingen van Lucretius, die vermoedelijk van 99 v.C. tot 55 v.C. leefde. De tekst borduurt verder op de lessen van de Griekse filosoof Epicurus, de grondlegger van het epicurisme. Hij zag het persoonlijke geluk als het hoogste na te streven goed. De studie van de filosofie kon ons volgens hem daarbij helpen.

Het stoïcisme en epicurisme waren een ware verademing na de Griekse wijsgeer Plato (ca. 427 v.C. tot 347 v.C.). Ik vond dat de buitensporige aandacht voor die man de hellenistische filosofen groot onrecht aandeed. Oké, Aristoteles mocht ook af en toe opdraven, maar daarmee hield het op.

Wat is er dan mis met Plato?

Sellars: Zijn metafysica is vreselijk complex, met het onderscheid dat hij maakt tussen de echte wereld en de afspiegeling daarvan in een schaduwwereld. De stoïcijnen en epicuristen hadden lak aan dat soort van zweverige constructies: zij waren materialisten. Net dat sprak mij als jonge filosofiestudent erg aan. Ze waren empirici: ze baseerden hun kennis op waarneming. Ze stonden ook zeer sceptisch tegenover religieuze kwesties.

Ze klonken erg modern?

Sellars: Precies. Het stoïcisme en epicurisme waren niet voor niets zeer populair tijdens de 18e-eeuwse Verlichting. De stoïcijnen en epicuristen voelden ook voor mij aan als heel natuurlijk en down to earth. Ze sloten aan bij mijn eigen ervaring van de wereld. Alleen het fysiek tastbare bestaat, kennis verkrijgen we via onze zintuigen en we hoeven geen verantwoording af te leggen aan bovennatuurlijke krachten.

De hellenistische filosofen hielden niet van de uitgebreide Griekse en Romeinse godenwereld?

Sellars: Nee, in tegenstelling tot Plato. Hij stond allesbehalve met beide voeten op de grond, maar zweefde in zijn ideale bovenwereld. Hij verlangde naar absolute, onwrikbare kennis, gebeiteld in steen. De fysieke wereld vond hij maar niets, want die verandert voortdurend. Hij zocht heil in de ideeënwereld buiten tijd en ruimte. Daar bevonden zich de ideale, wiskundige oerconcepten van goedheid, waarheid en schoonheid. Onze wereld was daar in zijn ogen een onvolmaakt, flauw afkooksel van.

In tegenstelling tot de hellenistische filosofen werd Plato met zijn ideeënleer heel populair bij de katholieke kerk?

Sellars: Plato’s invloed op het vroege christendom kan niet onderschat worden. Zijn leerling Aristoteles (384 v. C. – 322 v.C.) temperde dat platonisme een beetje. Hij was meer een wetenschapper, maar bleef toch vasthouden aan het idee dat er onveranderlijke essenties van verschijnselen zijn. Het was vooral de filosofie van Aristoteles die weerklank vond bij de middeleeuwse katholieke kerk. De invloedrijke katholieke theoloog Thomas van Aquino (1225-1274) haalde zijn mosterd bij hem.

De hellenistische filosofen werden eeuwenlang door Plato en Aristoteles overschaduwd?

Sellars: Ja, en dat is toch merkwaardig, want het stoïcisme en epicurisme waren rechtstreekse reacties op Plato en Aristoteles. Ze namen afstand van de ideeënwereld en stelden dat alles wat bestaat materieel is. De mens is een wezen van vlees en bloed dat verdwijnt als het lichaam sterft. Er is géén hiernamaals en aan goden en mythologie hadden de stoïcijnen, epicuristen en pyrronistische sceptici lak. Wat primeerde was leven in het nu.

Is dat niet zeer boeddhistisch?

Sellars: Het boeddhisme ontstond in Nepal, één à twee eeuwen voor het stoïcisme. De verwantschappen tussen die twee filosofieën zijn inderdaad groot. Ik vind dat een heel interessante kwestie, want ze hebben elkaar in die tijd nooit beïnvloed.

Pyrrho van Elis (ca. 360 v.C – 270 v.C.), de stichter van het pyrronistisch scepticisme, zou wel in India geweest zijn. We vermoeden dat hij samen met Alexander de Grote reisde. Oude teksten vertellen hoe Pyrrho in de leer ging bij een groep Indiase ascetische filosofen. Misschien werd hij toen boeddhist, al is daar geen zekerheid over.

Pyrronistische sceptici geloven in niets. Alle angsten en geestelijk lijden, en alle conflicten worden volgens hen veroorzaakt door mensen met een rotsvast geloof. Alle ellende in deze wereld is een gevolg van dogmatisme. De huidige Amerikaanse politiek met zijn extreme polarisering illustreert de vaststellingen van Pyrrho. De enige manier om van ellende bespaard te blijven, is volgens Pyrrho: geloof in niets. Aanvaard de oppervlakkige verschijnselen van dingen en laat jezelf niet verleiden tot uitspraken als: ‘Alleen zo is het en niet anders!’

Dat is geen vorm van apathie?

Sellars: Zo zou ik het niet omschrijven, nee. In moderne zelfhulpboeken lees je vaak dat onze jacht naar geluk alleen maar ongeluk oplevert. Er staat dan: ‘Jaag geluk niet langer na, maar zoek een zinvolle bezigheid. Een van de gevolgen zal zijn dat je gelukkiger wordt.’ Misschien is dat de essentie van het scepticisme van Pyrrho van Elis. Als je voortdurend kalmte en rust nastreeft, eindig je als een dolgedraaide neuroot. Geef die zoektocht naar kalmte en rust op, en je komt vanzelf tot rust.

De voorbije jaren verschenen er nogal wat populair-filosofische boeken over ‘levenskunst’, over hoe we vandaag met de hulp van de oude Grieken en Romeinen een goed leven kunnen leiden. De auteurs doen daarbij beroep op de hellenistische filosofie?

Sellars: Ja, en dan vooral op het stoïcisme. Een ouder boek van mij heet toevallig ook The art of living. Alleen is dat geen filosofisch zelfhulpboek, maar een academische uiteenzetting over wat filosofie voor de stoïcijnen betekende. Dat blijkt dan inderdaad ‘levenskunst’ te zijn. Ze omschrijven filosofie in het oud-Grieks als ‘technē peri ton bion’, als kunst of ambacht van het leven. Ze trekken parallellen met andere ambachten zoals de geneeskunde. Om dokter te zijn, moet je over veel theoretische kennis en heel wat praktische vaardigheden beschikken. Dat geldt volgens de Griekse en Romeinse stoïcijnen uit de Oudheid ook voor filosofen.

Wat onderscheidt het stoïcisme, epicurisme en pyrronistisch scepticisme van elkaar?

Sellars: De drie scholen van de hellenistisch filosofie volgen verschillende strategieën voor het bereiken van dat ene doel: het goede leven. Voor de stoïcijnen is dé sleutel dan het nastreven van waarden en deugden als moed, gematigdheid en rechtvaardigheid. Voor de epicuristen draait alles in het bestaan rond genot en pijn. Wie een goed leven wil leiden, streeft plezier na en vermijd pijn. Maar niet op een hedonistische wijze: het epicurisme zoekt vooral mentaal genot. Geestelijk lijden en overbodige stress moeten zoveel mogelijk uit de weg worden gegaan. Pyrronistische sceptici zweren geloof en dogmatiek af.

Hoe populair waren de hellenistische filosofen in hun tijd?

Sellars: Het stoïcisme was honderden jaren lang zeer populair. De eerste twee eeuwen had het het in Athene veel invloed. Nadat de Romeinen de macht in Griekenland overnamen, waren ze meteen gecharmeerd door die stoïcijnse filosofie. In de eerste eeuwen na Christus floreerde het stoïcisme ook in Rome, getuige daarvan de stoïcijnse Romeinse keizer Marcus Aurelius met zijn Overpeinzingen. Het epicurisme trad minder voor het voetlicht, maar oefende toch ook vierhonderd jaar lang flink wat invloed uit. Een van de epicuristische doctrines is dat je een stil leven moet leiden. Daarom bleven epicuristen meestal onder de radar. De Romeinse dichter Vergillius (70 v.C. – 19 v.C.) was een epicurist, net als zijn collega Horatius (65 v.C. – 8 v.C.).

Wie is uw favoriete hellenistische filosoof?

Sellars: Marcus Aurelius is zeker een van mijn favorieten. Ik publiceerde net een boek over hem, bestudeerde zijn geschriften intens en heb het gevoel dat ik hem intussen heel goed ken. Hij denkt in zijn werk na over zijn eigen bestaan. Hij wil een beter mens worden door negatieve emoties en frustraties te vermijden en positieve waarden na te streven, zoals samenwerking en rechtvaardigheid. Met de hulp van de stoïcijnse filosofie navigeert hij door zijn dagelijkse leven.

Klinkt ‘negativiteit vermijden’ niet makkelijker dan het is? Ieder mens wordt in zijn leven toch geconfronteerd met momenten van diepe ellende?

Sellars: U hebt gelijk: die momenten zijn overmijdelijk. Je kan ziekte niet ontlopen, net als de dood van geliefden. Dé vraag is dan: hoe ga je met die onvermijdelijke negativiteit om? Die ultieme vraag stelde de Romeinse stoïcijnse filosoof Epictitus (50 n.C. – 130 n.C.) zich ook. Hij kwam tot de conclusie: ‘We raken niet van streek door gebeurtenissen, maar door de manier waarop we tegen die gebeurtenissen aankijken.’ De manier waarop we nadenken over dingen die ons overkomen, bepaalt hoe we erop reageren. Gebeurtenissen kunnen we niet controleren, want inderdaad: shit happens. Maar we kunnen onze gedachten daarover wél onder controle houden. De ellende verdwijnt daardoor natuurlijk niet, maar wordt draaglijker.

Slaagt u erin om uw eigen leven met uw kennis van de hellenistische filosofie te verbeteren?

Sellars: Dat is toch altijd wat ik hoop. Ik geloof graag dat ik er met al die kennis beter aan toe ben dan zonder. (lacht)

In 2012 stond ik samen met een aantal andere filosofen en psychotherapeuten aan de wieg van de organisatie Stoicism Today. We beschouwen onszelf als moderne stoïcijnen en organiseren in Groot-Brittannië jaarlijks verschillende evenementen rond de stoïcijnse filosofie. Zo houden we traditiegetrouw rond deze tijd van het jaar onze stoïcijnse week. Op de website modernstoicism.com vullen deelnemers dan in het begin van die week een vragenlijst in. Daarin peilen we naar hoe ze in het leven staan en welke moeilijkheden ze ervaren. Vervolgens geven we ze elke dag raad aan de hand van het werk van hellenestische filosofen. Op het einde van de stoïcijnse week vullen de deelnemers dezelfde vragenlijst opnieuw in. Elk jaar stellen we vast dat negatieve emoties zoals kwaadheid of frustratie dan sterk verminderd zijn. Mensen voelen zich opgewekter en gelukkiger, na amper één week leven als een stoïcijn.

Hellenistische filosofie is ook therapeutisch?

Sellars: Zowel de stoïcijnen, epicuristen als pyrronistische sceptici beschouwden filosofie als therapie. Verschillende psychotherapeuten doen vandaag een beroep op hun inzichten. Ze leren hun cliënten dingen of gebeurtenissen in een ander perspectief te zien, waardoor ze minder angstaanjagend lijken, of beter te begrijpen zijn.

Is hellenistische filosofie een soort van surrogaatreligie voor de naar zin zoekende moderne seculiere mens?

Sellars: Totaal niet. Hellenistische filosofie heeft niets met religie te maken omdat alle stellingen en uitspraken gebaseerd zijn op argumenten. Het is geen raamwerk van slaafs op te volgen regels, stammend uit een dogmatisch geloof. Als je van oordeel bent dat de argumenten deugen, zal je misschien ook geneigd zijn om de bijhorende raad op te volgen. Als je de argumenten onzin vindt, kan je dat advies gewoon naast je neerleggen.

Helpt de hellenistische filosofie u tijdens deze coronacrisis?

Sellars: Ik vind nu soelaas bij het stoïcisme, en dan vooral bij de Romeinse stoïcijnen. Zij adviseren om wat er in het hier en nu gebeurt in een veel ruimer perspectief te plaatsen. Overschouw de menselijke geschiedenis en kijk naar wat deze pandemie daarin voorstelt. Wat ons nu overkomt is niet uniek; er waarden vroeger nog gevaarlijke virussen rond. In de toekomst volgen er ongetwijfeld nog. Wij, westerlingen, maakten dit de voorbije decennia niet mee, vandaar dat velen zo in shock zijn. Terwijl deze epidemie helemaal niet uitzonderlijk is. Onze voorouders moesten veel gevaarlijkere virussen doorstaan, op verschillende tijdstippen in de geschiedenis. Waarom kunnen wij dit dan niet overleven?

De wereld wordt een betere plek als we meer zouden luisteren naar de hellenistische filosofen?

Sellars: Zonder twijfel. De beroemde Romeinse schrijver en stoïcijnse filosoof Seneca (4 v.C. – 65 n.C.) dacht veel na over het gevaar van woede in de politiek. ‘Waar het verstand ophoudt, begint de woede’, stelt hij. ‘Woede is gevaarlijk. Zeker als ze wordt aangevuurd door machtige, invloedrijke figuren.’ De stoïcijnen raden ons daarom aan dat we onze woede altijd moeten proberen beheersen. De epicuristen wijzen ons erop dat we niet veel geld of bezit nodig hebben om een gelukkig leven te leiden. En de pyrronistische sceptici vinden dat we ons dogmatisme beter inruilen voor openheid van geest. Dat is toch een perfecte handleiding voor een betere wereld?

John Sellars

  • Geboren in 1971
  • Studeerde en promoveerde in de filosofie aan de universiteit van Warwick
  • Doceert antieke filosofie aan de universiteit van Londen en is verbonden aan het Wolfson College in Oxford
  • Auteur van The art of living (2003), Stoicism (2006), Hellenistic philosophy (2018), Lessons in stoicism (2019) en Marcus Aurelius (2020)

© Jan Stevens

‘We moeten oppassen voor het gezondheidsfascisme’

Luc Bonneux pleit voor de ‘losse’ Zweedse aanpak; Maarten Boudry waarschuwt voor de mogelijke gevolgen als we de lockdown te vroeg vaarwel zeggen. ‘Maar de essentie is en blijft: hou afstand.’

Op woensdag 20 mei zong epidemioloog Luc Bonneux in De Standaard de lof van de Zweedse aanpak van de coronacrisis. Hij veegde de vloer aan met critici die de architecten van dat ‘losse beleid’, staatsviroloog Anders Tegnell en diens voorganger Johan Giesecke, beschuldigden van het spelen van ‘Russische roulette’. ‘Wie graag schandalen aanklaagt, kan zich bezinnen over wat België de kinderen heeft aangedaan’, schreef hij. ‘Kinderen lopen nauwelijks risico en dragen het virus slecht over. Kleuterscholen en lagere scholen gingen dicht en raken nauwelijks nog open. Alle speeltuinen werden afgesloten omdat de ouders niet zouden samenscholen. In Zweden riskeer je daarvoor een veroordeling voor kindermishandeling.’

Bonneux’ striemende woorden verleidden wetenschapsfilosoof Maarten Boudry tot een draadje op Twitter: ‘Al sinds het prille begin van deze epidemie vraag ik me af: waar blijft @LBonneux, de scepticus, epidemioloog en vooruitgangsdenker die al jaren onvermoeid strijdt tegen paniekvirussen? Daar is hij dan eindelijk!’ Waarna Boudry zich afvroeg of die relaxte Zweedse aanpak zonder echte lockdown wel zo heilzaam is. ‘Kennelijk gelooft @LBonneux dat onze lockdown nauwelijks verschil uitmaakt’, schreef hij. Maar: ‘zelfs de Zweedse viroloog Anders Tegnell erkent dat je met een lockdown wel degelijk de curve afvlakt.’ Het begin van een korte, opvallend hoffelijke twitterdiscussie tussen een jongere en een oudere vooruitgangsdenker.

We vroegen Maarten Boudry en Luc Bonneux dat debat in Knack verder te zetten. Bonneux was daar meteen toe bereid; Boudry twijfelde. ‘Ik ben geen viroloog of epidemioloog en vertegenwoordig niet het Belgische beleid.’ Na enig aandringen, gaat hij toch overstag. Het corona-proof gesprek vindt plaats via Skype.

Jullie kennen elkaar?

Maarten Boudry: We ontmoetten elkaar jaren geleden een paar keer op redactievergaderingen van SKEPP, de Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale.

Luc Bonneux: Bij mij groeide langzaamaan het besef dat ik de gepensioneerde leeftijd aan het bereiken ben, en ik begon me uit de debatten terug te trekken. Ik had het wat gehad met dat irritante gedoe.

Nu katapulteert u zichzelf daar weer middenin.

Bonneux: Omdat ik het niet meer kan aanzien. Het huidige Belgische coronabeleid komt erop neer dat de belangen van onder anderen mijn kinderen en kleinkinderen, van de mensen onder de 50 dus, heel erg ondergesneeuwd zijn geraakt. Kijk, je zal me nooit horen zeggen dat we niks moesten doen. Ik surfte trouwens mee op de golven, daarom ook dat ik zo lang bleef zwijgen.

Tot half april was er brede steun voor het Belgische beleid. Ik had waarschijnlijk net dezelfde maatregelen genomen. Maar toen werd duidelijk dat België geen flauw idee heeft hoe die lockdown afgebouwd moet worden. Terwijl er vanuit het buitenland wel degelijk evidence-based ervaringen en empirische gegevens voorhanden zijn. Buurland Nederland deed het met een veel soepeler beleid veel beter dan België. Mijn eerste advies zou dus geweest zijn: kopieer het Nederlandse beleid, want zij hebben erover nagedacht en boeken goede resultaten. Ga vervolgens bij de Zweden te rade en voer daar dan een maatschappelijk debat over.

Wat is er mis met het huidige Belgische beleid?

Bonneux: Het verdrinkt in een eindeloze stroom aan regeltjes waarvan iedereen zich afvraagt: waarvoor dienen ze? Van in het begin had ik het moeilijk met het sluiten van de kleuter- en basisscholen. In maart wisten we al dat kinderen nauwelijks last van dat virus hebben. Welke epidemiologische meerwaarde levert de scholensluiting dan op? De sociale en pedagogische kosten zijn enorm. De kinderen van de gemiddelde burger zullen het wel overleven, maar bij kinderen uit gezinnen onderaan de maatschappelijke ladder brengen wij nu onherroepelijk en onherstelbaar schade toe.

Boudry: Nu het stof wat is neergedwarreld, hebben we een duidelijker zicht op hoe gevaarlijk het virus is. Er is meer kennis over bijvoorbeeld mogelijke complicaties en mortaliteit, maar ook over de risico’s bij kinderen en hun rol in besmettingen. Luc schreef trouwens al in februari en april een paar opiniestukken over corona, ontdekte ik pas gisteren. Hij ging toen inderdaad met de stroom mee. In februari omschreef Marc Van Ranst het coronavirus nog als: ‘Niet veel gevaarlijker dan een griepje.’ Dat was toen ook het standpunt van Luc: de remedie was erger dan de kwaal en de Chinese overheid nam ‘knettergekke’ maatregelen. Tot we allemaal steil achterovervielen van wat er in Italië gaande was.

Begin maart begon ik als een gek over dat virus te lezen. Ik zag de beelden van Italië én de exponentiële curve; het besef groeide bij me dat dit gigantisch gevaarlijk was en dat alles op slot moest om Italiaanse toestanden te vermijden.

De Zweden namen van in het begin een enorm risico?

Boudry: De epidemie is nog lang niet afgelopen. Het kan dus best dat we achteraf zullen concluderen dat Zweden er minder bekaaid vanaf komt dan België of Nederland. Maar dat wil nog niet zeggen dat de Zweden in het begin van de crisis de juiste beslissingen namen. De ene beslissing droeg potentieel veel grotere risico’s dan de andere. Door niet in lockdown te gaan, hadden ze in Italiaanse toestanden kunnen belanden, met de overrompeling van ziekenhuizen en een tekort aan bedden voor intensieve zorg (IC). Ze hebben inderdaad Russische roulette gespeeld en het pistool tegen hun slaap gezet. Voorlopig hebben ze geluk; dat wil niet zeggen dat ze ook gelijk hebben.

Bonneux: Dat was geen kwestie van geluk. Staatsviroloog Anders Tegnell en zijn ideoloog Johan Giesecke wisten heel goed waar ze mee bezig waren. Zij hebben ‘boots on the ground-ervaring’ in het bestrijden van epidemieën. Al voeg ik er eerlijkheidshalve aan toe dat ik hun beleid niet had aangedurfd.

Boudry: De Belgische overheid nam, met de gegevens die ze in het begin had, de juiste beslissing. Ik zou zelfs durven zeggen dat ze iets te traag was en sneller had moeten overgaan tot de lockdown.

U bent het niet eens met Luc Bonneux dat het sluiten van de scholen een vorm van kindermishandeling was?

Boudry: Kindermishandeling zou ik het niet noemen, maar toch volg ik Luc daarin voor een groot deel wel. Kinderen het recht op onderwijs ontnemen, is zeer schadelijk. Ze zullen daar de gevolgen van dragen, zelfs in hun levensverwachting.

Bonneux: Tijdens Italië dacht ik ook: ‘Mijn god, wat gebeurt daar allemaal?’ Ik besloot om te zwijgen en af te wachten hoe de epidemie zou evolueren. Voor zover ik weet, was er nergens die exponentiële toename. Gedeeltelijk was dat een gevolg van de maatregelen, maar ook door de angst. Als iedereen binnen blijft, valt alles stil. Eén of andere vorm van lockdown, of van beleid gericht op het dalen van overdracht, was logisch, rationeel én belangrijk. Na Italië heeft niemand mij horen zeggen dat we niets moesten ondernemen. Maar wij Belgen hebben geen ervaring met epidemieën. We richten onze blik dan naar de Wereldgezondheidsorganisatie WHO. Daar liep het grondig mis. Pas op 11 maart bestempelde de WHO de uitbraak van het SARS-CoV-2-virus als een pandemie. Dat is een probleem. Het very stable genius Donald Trump is een idioot, maar heel af en toe heeft hij gelijk: we moeten misschien toch eens goed kijken naar wat daar in de schoot van die organisatie precies gebeurd is. In hun eerste artikelen die in januari en februari over Wuhan verschenen, stonden behoorlijk bescheiden schattingen. Ik vermoed dat China toen erg zuinig met de waarheid was. In het begin waren vergissingen niet verwonderlijk omdat de aangeboden informatie gewoon fout was. Daarom trokken ook alle virologen dezelfde foute conclusies. Bij de vorige ‘pandemieën van paniek’, de vogelgriep en de Mexicaanse griep, werd duidelijk dat de WHO zwaar geïnfiltreerd was door de farmaceutische industrie. Zo zwaar dat ze slechte adviezen gaf.

De WHO is een corrupte club?

Bonneux: Ze is ondergefinancierd en gaat daarom het geld zoeken waar het is. Ik ben pleitbezorger van een krachtige Wereldgezondheidsorganisatie die onafhankelijk kan opereren, alleen lukt dat niet met een halve euro. Daar is gewoon geld voor nodig. Ze heeft nu andermaal gefaald. De ernst werd pas duidelijk toen het virus als een storm over Italië raasde. Toen sloeg bij iedereen de schrik om het hart, ook bij mij. Ik deed ook mee aan de lockdown, al vond ik van in het begin dat er rare maatregelen tussenzaten.

Er bestaat dus ondanks alles geen enkele twijfel over: de Belgische lockdown was een uitstekende beslissing?

Bonneux: Ik zou toch meer naar de intelligente lockdown van Nederland gekeken hebben. Ik werk als arts in woonzorginstellingen in Zeeuws-Vlaanderen. Tijdens de lockdown gaven we ons huis een opfrisbeurt. Ik haalde al het materiaal in de doe-het-zelfwinkel in Nederland. Die heeft nooit zijn deuren gesloten. Ik voelde me daar geen seconde bedreigd, terwijl de schrik me wel om het hart sloeg in de Belgische supermarkt met al zijn desinfecterende maatregelen.

De Nederlandse scholen gingen halfweg maart ook dicht.

Bonneux: Dat ging in tegen het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Minister-president Mark Rutte zwichtte onder druk van de angstige middenklasse. Alles in beschouwing genomen, was het Belgische beleid een stuk beter dan het Franse. Want mensen zoals in Frankrijk huisarrest opleggen, is niet meer of minder dan gezondheidsfascisme. President Emmanuel Macron ontmaskerde zichzelf als fascist en dictator.

Vermoedelijk dankzij Mark Van Ranst kreeg België een vrij redelijke lockdown. Maar van zodra die lockdown gelost moest worden, werd duidelijk dat wij geen plan op lange termijn hebben. Dát is het grote verschil met Zweden. Volgens Tegnell zal pas in 2025 duidelijk worden wie gelijk had. We moeten niet doen alsof de Zweden helemaal geen maatregelen namen, integendeel. De essentie is ook daar terecht: hou anderhalve meter afstand.

Boudry: België, Zweden en Nederland namen hun beslissingen in het begin in totaal verschillende contexten. Italië werd als allereerste Europese land overrompeld, terwijl Zweden zich een paar weken langer kon voorbereiden, net als België. Het is dan nogal misleidend om te stellen: achteraf zullen we wel zien welke aanpak de beste was. Want dat wekt de indruk dat alle landen met exact hetzelfde probleem te kampen hadden. Dat is niet zo. Vanuit ons land vertrokken veel mensen op skiverlof naar Italië; vanuit Zweden véél minder. De import van virus lag bij ons dus ook veel hoger. België is door zijn centrale ligging een internationale draaischijf, met een groot verloop van buitenlandse reizigers. Wij hebben een grote bevolkingsdichtheid, terwijl Zweden afgezien van de dichtbevolkte regio Stockholm vooral platteland is met mensen die ver van elkaar leven. Je mag ook de dagelijkse omgangsvormen niet onderschatten: de Zweden knuffelen en kussen minder dan bijvoorbeeld de Italianen. Blijkbaar zijn ze ook gehoorzamer: wanneer de overheid iets vraagt, doen ze dat gedwee.

Nederland is België niet, meneer Bonneux. Laat staan dat we Zweden zouden zijn.

Bonneux: Maarten heeft gelijk: het zijn allemaal verschillende landen, maar ook ín die landen zijn er enorme verschillen. De epidemie verspreidt lokaal, zoals in mijn Zeeuws-Vlaamse werkgebied. Ik werk met kwetsbare bejaarden, de kans dat ik dat virus op kon doen was zeker in het begin niet klein. Dat maakte me bezorgd. In het Franse departement Ariège wonen vier inwoners per vierkante kilometer. Het is dan toch ietwat belachelijk om daar even strenge maatregelen af te kondigen als in een dichtbevolkte stad als Parijs? Een belangrijke les die we nu al kunnen trekken, is dus dat het beleid om een epidemie in te dijken, lokaal zou moeten zijn. Waarom werd Zuid-Nederland zo zwaar getroffen? De verklaring is simpel: op de carnavalsfeesten werd het virus duchtig verspreid. Die feesten hadden dus níet mogen plaatsvinden. Ik ben het met Maarten ook eens dat er op tijd moet ingegrepen worden. Maar met oog voor nuance. Dit virus veroorzaakt een opgetrokken natuurlijke sterfte. Dat wil zeggen dat er niets gebeurt bij kinderen en jongvolwassenen, en nauwelijks iets bij volwassenen. De sterfte bij volwassenen in Nederland is 1 op 10.000 infecties. Dat is een verantwoord risico, anders moet je gewoon van de straat wegblijven, want dat is véél riskanter.

Sommige mensen worden er toch heel erg ziek van?

Boudry: En houden er permanente letsels aan longen, nieren of hart aan over. In de Verenigde Staten worden nu al bestellingen geplaatst voor nierdialysemachines omdat de nieren van misschien wel tienduizenden patiënten het zullen laten afweten. Die schade vind je niet terug in de mortaliteitsstatistieken.

Bonneux: Ik twijfel er niet aan dat dit virus schade berokkent, maar bij volwassenen is die beperkt. Mijn kinderen zijn jonge ouders. Ik ben een babyboomer die in zijn leven van alles heeft kunnen profiteren. Weegt het risico dat ik nu door dat virus loop op tegen de schade die we aandoen aan al die jonge mensen die net een huis gekocht hebben, een bedrijfje opstartten of een restaurant uitbaten? In Zweden bleven de restaurants open.

Boudry: In vergelijking met epidemieën als SARS en de Spaanse griep is de mortaliteit van dit virus inderdaad relatief laag. Driekwart van de mensen op intensieve zorgen herstelt, geneest en sterft niet. Maar velen werden wekenlang beademd en moeten maandenlang revalideren. Het klopt dat SARS-CoV-2 niet het ergst denkbare virus is, maar het is ook geen stevig griepje. We moeten dus een evenwicht proberen vinden, al vrees ik dat Luc de gezondheidsrisico’s onderschat. Er zijn trouwens ook bij kinderen aanwijzingen van Kawasaki-achtige complicaties, ontstekingen van de bloedvaten.

Bonneux: Kawasaki komt evengoed bij griep voor hoor. (lacht) De berichtgeving daarover toont net aan dat bij dit virus de zin voor relativering verloren gaat. In Nederland sterft driekwart van de 75-plussers op intensieve zorgen. In België is een enorme capaciteit gecreëerd, waardoor mensen op IC belanden die er niet thuishoren. Zo las ik dat ook Walter Grootaers er met een vervelende hoest terechtkwam, zoals zowat iedereen met covid-19.

Een studie van de universiteit van Glasgow concludeert dat mensen door covid-19 gemiddeld tien jaar te vroeg sterven.

Bonneux: Dat is gemiddeld, natuurlijk. Aan de ene kant zijn er heel veel ouderen die weinig jaren verliezen, aan de andere kant zijn er ook jongere mensen die meteen heel wat jaren aan de statistiek toevoegen als ze sterven. Covid-19 blijft vooral een probleem voor ouderen. De lessen die we nu tot onze scha en schande geleerd hebben, zijn: begin op tijd en bescherm de ouderen. Daar heeft de hele wereld in gefaald. Zweden ook, maar België nog veel meer. Wij zijn de wereldrecordhouder sterfte in woonzorgcentra.

Dan moeten we nu hard nadenken over de herinrichting van die woonzorgcentra?

Bonneux: Ik heb daar slapeloze nachten van. Het virus kwam niet binnen met de bezoekers, maar met de verzorgenden. Jonge, kerngezonde meiden met het hart op de juiste plaats. Ze wisten niet eens dat ze ziek waren of trokken het zich niet aan, want ze moesten voor hun mensen zorgen. Op een van de afdelingen waar ik werk, was van de ene op de andere dag iedereen positief. Ik was daar niet goed van. Ze gingen op zoek naar de patiënt die het virus had kunnen binnenbrengen. Maar ik ben er zeker van: het was een verzorgende. Het zorgpersoneel moét dus zeer frequent getest worden.

We zijn nog lang niet van dit virus verlost. Ik heb in februari voorspeld dat het in mei zou verdwijnen. Al is dat niet zeker, want het is een nieuw virus. Waar ik wel vrij zeker van ben, is dat het in de herfst en de winter terug zal verschijnen.

Een andere dokter zei me dat hij niet gelooft in een tweede golf.

Bonneux: Dat kan best. Dit is het vijfde verkoudheidsvirus dat zich aan het aanpassen is. Vanuit virologisch perspectief wordt dit even goedaardig als de andere vier, als we maar lang genoeg wachten. Maar dat kan nog wel even duren. Het zal niet in rook opgaan. Daarom hamert Anders Tegnell ook zo op die langetermijnstrategie.

Boudry: Ik ben het ermee eens dat we nood hebben aan een langetermijnstrategie. Wat Luc wil, is geleidelijk, of misschien zelfs versneld, alle scholen heropenen en de economie aanzwengelen, in het volle besef dat het reproductiecijfer van het virus zo terug een beetje zal stijgen. We beschermen de kwetsbare mensen en bouwen intussen wat groepsimmuniteit op. Dat is een waardevolle strategie, ook al vallen er dan extra doden. Maar er is ook iets te zeggen voor een andere strategie: de curve platslaan. In plaats van te versoepelen, bijten we nog eventjes door. Als we nog een paar weken wachten en de lockdown aanhouden, komen we terecht in de groep van Oostenrijk, Taiwan, of Zuid-Korea. Daar hebben ze het virus zo goed onder controle, dat hun menselijke track & tracers snel nieuwe besmettingshaarden kunnen opsporen en blussen. Ik weet ook wel dat er nu veel druk vanuit de bevolking is op onze beleidsmakers. De kinderen moéten gewoon terug naar school, mensen willen opnieuw buiten en snakken naar sociaal contact. Alles wijst erop dat de teugels gevierd zullen worden, maar ik hou mijn hart vast, want een nieuwe opflakkering is mogelijk, met een tweede lockdown als gevolg. Dit nog eens moeten meemaken, is het allerergste scenario. Nu éven doorbijten, is misschien verstandiger.

Bonneux: Je strategie snijdt hout, alleen is de schade die dan wordt toegebracht wel erg groot.

U hebt het over de economische schade?

Bonneux: Ja, maar ook de maatschappelijke en pedagogische. Ik kan echt niet om met wat we onze kinderen hebben aangedaan. Speeltuintjes afsluiten omdat anders de ouders gingen samenscholen. Ik zeg niet wat ik daar echt van denk, want dan gebruik ik heel brutale, lelijke woorden.

Anders Tegnell en Jean-Luc Dehaene delen dezelfde filosofie: los de problemen op wanneer ze zich stellen. We moeten oppassen dat we met onze preventieve aanpak niet compleet doorslaan. Bij preventie is de zot nooit zot genoeg en kan het altijd nóg zotter. Als die tweede golf er komt, zullen we wel zien wat we moeten doen. De Zweden leren ons nu dat we een heel eind komen door beroep te doen op het gezond verstand van de burger. Als er dan op een bepaald moment meer en strengere maatregelen moeten genomen worden, is dat maar zo. Ik heb erg veel angst voor het rondwarende gezondheidsfascisme, waarbij iedereen te horen krijgt: ‘Doe dit niet en dat niet, anders besmet je anderen.’ We weten perfect wat we moeten doen: afstand houden. We weten ook dat de kans op grote schade erg klein is bij kinderen en jongvolwassen. De grote uitdaging is: hoe beschermen we ouderen? Nogal wat jonge mensen met een goed draaiend bedrijfje zeggen me: ‘Mei overleven we nog, juni niet. Dan is het einde verhaal.’ Ik vind dat we ook aan hen moeten denken. Bij het maken van keuzes, brachten we te weinig de Tegnell-Dehaene-aanpak in de praktijk: identificeer eerst het probleem en zoek vervolgens hoe je het kan behandelen.

Boudry: Ik stoor me aan het woord ‘gezondheidsfascisme’, omdat dat het echte fascisme trivialiseert. Het klopt inderdaad dat de kans zeer klein is dat twee gezonde twintigers of dertigers na een ontmoeting aan covid-19 zullen sterven. Ik doe af en toe de boodschappen voor oudere buren. Zo lopen zij minder risico. Maar als elke Belg één willekeurige persoon ontmoet, staat 70 procent van de bevolking weer met elkaar in contact. Dat vergroot het gevaar dat ik op een of andere manier het virus naar mijn buren overdraag. Het is zoals wanneer iemand je een geheim verklapt: ‘Vertel het alsjeblieft niet verder.’ Aan je beste vriend kan je dat dan wel doorvertellen, denk je, want je vertrouwt hem. Als iedereen zo redeneert, kent binnen de kortste keren de hele stad het geheim. Als de besmettingsketen blijft doorlopen, komen onvermijdelijk ook kwetsbare en oudere mensen in het vizier van het virus. Misschien is de kans zeer klein dat ik door het dragen van een mondmasker in de supermarkt iemands leven red; toch vind ik het verstandig het te dragen. Net om het besmettingsrisico te minimaliseren.

Bonneux: Ik ben het met Maarten eens hoor, we mogen die kleine kans om anderen te besmetten niet zomaar van tafel vegen, al zal ik op straat nooit een mondmasker dragen.

Boudry: Dat is waar. In de buitenlucht is het risico sowieso bijna onbestaande. Tenzij je in iemands oor gilt. (lacht)

Luc Bonneux

  • Geboren in 1955
  • Studie geneeskunde en tropische geneeskunde (Universiteit Antwerpen) en epidemiologie (London School for Hygiene and Tropical Medicine)
  • Doctoraat ouderdomsziekten (Erasmus Universiteit, Rotterdam)
  • Arts in Congo
  • Academische loopbaan in Rotterdam, Utrecht, Brussel en Den Haag
  • Sinds 2012 verpleeghuisarts in Nederland
  • Auteur van tal van boeken en studies over geneeskunde, gezondheid, epidemiologie en veroudering, zoals En ze leefden nog lang en gezond. Hoe gezondheid een industrie werd. (2011)

Maarten Boudry

  • Geboren in 1984
  • Wetenschapsfilosoof, promoveerde tot doctor in de wijsbegeerte aan de UGent
  • Houder van de Leerstoel Etienne Vermeersch aan diezelfde universiteit
  • Schrijft regelmatig voor Nederlandse en Vlaamse kranten en tijdschriften over religie, pseudowetenschap, psychologie en racisme
  • Schreef verschillende boeken, met als meest recente Waarom de wereld niet naar de knoppen gaat (2019) en Alles wat in dit boek staat is waar (en andere denkfouten) (2019)

© Jan Stevens