‘Gebruik de dreigende klimaatramp om de economie te hervormen’

‘We hebben niets geleerd uit de kredietcrisis’, zegt topeconome Mariana Mazzucato. ‘Integendeel. In 2018 werd het bedje nog wat meer gespreid voor de volgende crisis.’

 

Na een korte promotour door Australië voor haar nieuwe boek ‘De waarde van alles’, is de Italiaans-Amerikaanse econome Mariana Mazzucato terug thuis in Londen. ‘Tijd om te crashen op de bank was er niet, want onze tweeling werd de dag na mijn aankomst veertien’, zegt ze. ‘Dat moest gevierd worden.’

Sinds de publicatie in 2013 van haar bestseller ‘De ondernemende staat’ reist Mazzucato de wereld rond. Ze adviseert regeringen, politici en ceo’s over economische innovatie en duurzaam ondernemen, geeft lezingen en doceert tussendoor economie aan de universiteit van Londen.

Melania Mazzucato: ‘Mijn ‘ondernemende staat’ is: een investerende en innoverende overheid. Die is onontbeerlijk voor slimme, duurzame groei. Zonder de jarenlange investeringen van de Amerikaanse overheid in fundamenteel onderzoek konden Apple, Google en Microsoft nooit zo’n belangrijke ondernemingen worden. Dankzij overheidsinvesteringen is er nu het internet en de smartphone.’

 

In ‘De waarde van alles’ wil u het begrip ‘waarde’ terug ‘de invulling geven die het echt verdient’. Wat is ‘waarde’ dan precies?

Mazzucato: De essentie van ‘waarde’ is dat het moet gaan om het voortbrengen van nieuwe goederen en diensten. De kernvragen zijn: hoe worden die goederen en diensten geproduceerd, hoe worden ze verdeeld en wat gebeurt er met de winsten die ze opbrengen? Een product wordt pas écht waardevol als het ook nuttig is. Voegt het iets toe aan de mensheid of schaadt het ons? Zorgt het met andere woorden voor waardecreatie of is het volstrekt waardeloos? Een nieuwe fabriek bijvoorbeeld kan vanuit economisch standpunt zeer waardevol zijn, maar verliest aan waarde wanneer ze tijdens de productie de omgeving te veel vervuilt.

 

Volgens u bezondigen bankiers, durfkapitalisten en vermogensbeheerders zich eerder aan waardeonttrekking dan aan waardecreatie?

Mazzucato: Vaak behoren zij tot de ‘pakkers’ of ‘graaiers’. Ze produceren zo goed als niets en toch belonen ze zichzelf met riante commissies, zelfs als de adviezen aan hun cliënten compleet de mist ingaan. Ze komen daar ook probleemloos mee weg.

In 2009 verklaarde Lloyd Blankfein, de ceo van Goldman Sachs: ‘Onze mensen zijn de productiefste ter wereld.’ Terwijl Goldman Sachs amper een jaar eerder de hoofdrol gespeeld had in de zwaarste financiële crisis in tachtig jaar. De Amerikaanse belastingbetalers moesten 700 miljard dollar ophoesten om de bank van de ondergang te redden. Toch gingen Goldman Sachs en andere zakenbanken later lustig door met speculeren tegen de door henzelf uitgevonden derivaten die tot zoveel ellende hadden geleid. Tussen 2009 en 2016 boekte Goldman Sachs een nettowinst van 63 miljard dollar op een netto-omzet van 250 miljard. In 2009 haalde het bedrijf zelfs een recordwinst van 13,4 miljard. En hoewel de bank een jaar eerder door de Amerikaanse overheid met geld van belastingbetalers gered was, durfde de regering het niet aan om daar later een faire vergoeding voor te vragen. Ze was al lang blij dat het geld werd terugbetaald.

 

Hebben we dan niets uit de kredietcrisis geleerd?

Mazzucato: Nee, totaal niets. In 2018 werd het bedje nog wat meer gespreid voor de volgende crisis. In veel landen dreigt een economische kladderadatsch. Nogal wat economische statistieken tonen verontrustende cijfers. De verhouding tussen particuliere schulden en beschikbare inkomens ligt terug op het niveau van voor de financiële crisis van tien jaar geleden. In de VS worden weer volop leningen aan huishoudens en bedrijven verstrekt die ze niet kunnen dragen. Banken verstrekken opnieuw hoge hypotheken aan mensen met een te laag inkomen om ze kunnen afbetalen.

Er kwam ook geen belasting op financiële transacties, waardoor financiering op korte termijn beloond wordt, in plaats van financiering op lange termijn. Veel winsten van industriële ondernemingen worden niet in de bedrijven geherinvesteerd, maar in het terugkopen van aandelen om zo aandelenprijzen en -opties kunstmatig een boost te geven. De huishoudens zagen de voorbije jaren geen andere keuze dan steeds meer leningen aan te gaan om hun levensstandaard op peil te houden. Al die dingen samen vormen een bijzonder explosieve cocktail.

 

En dat op het moment dat de gevolgen van de klimaatverandering steeds tastbaarder worden.

Mazzucato: Precies. Als je alle immense problemen die met de klimaatverandering gepaard gaan daarbij telt, begint het pas echt te duizelen. Ik heb het meest recente IPCC-rapport gelezen en dat windt er geen doekjes om: we hebben nog twaalf jaar om ons voor een regelrechte globale catastrofe te behoeden. Misschien is nu hét moment aangebroken om de dreiging van de klimaatverandering als breekijzer te gebruiken voor noodzakelijke economische hervormingen. Laat de klimaatramp die boven ons hoofd hangt de stok achter de deur zijn om al die slecht aangewende winsten nieuwe, werkelijk zinvolle bestemmingen te geven.

Het klimaat is trouwens niet onze enige uitdaging: in veel landen deugen de zorgsystemen niet of staat de sociale zekerheid zwaar onder druk. Een nieuw economisch raamwerk is daarom ook nodig als we de welvaartstaat niet compleet ten onder willen zien gaan. Het hele systeem moet dringend doelbewuster aangestuurd worden, in het belang van ons allemaal.

 

Hoe moet dat dan concreet gebeuren?

Mazzucato: Ik roep onze bewindvoerders op om eerst en vooral gebruik te maken van het hele scala aan middelen waarmee zij de maatschappij kunnen sturen. De prijzen-, loon- en belastingpolitiek moeten zo georganiseerd worden dat die organisaties en ondernemingen beloond worden die de grote uitdagingen durven tackelen die op ons afkomen. Het uiteindelijke doel is: meer duurzame groei stimuleren.

De Europese Commissie heeft mij ingehuurd om te onderzoeken hoe grote collectieve problemen zoals klimaatverandering, ziektes, armoede en vergrijzing op een innovatie manier aangepakt kunnen worden. Ik vind dat de EU zichzelf best meer doelen stelt en ‘missies’ uittekent. Ze kan zich daarbij richten op de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN. Een van mijn adviezen luidt: creëer honderd CO2-neutrale steden in de EU. Overheden moeten dat soort van doelen dúrven stellen en zelf helpen verwezenlijken door in duurzame projecten te investeren. Ik pleit dus niet meer of minder dan voor een groene New Deal.

 

Is de nieuwe generatie populistische politici die wereldwijd aan een opmars bezig is, ook geïnteresseerd in wat u te vertellen heeft?

Mazzucato: Kent u Alexandria Ocasio-Cortez? Ze is een Democratische politica uit New York en kersvers lid van het Huis van Afgevaardigden. Met haar 29 jaar is ze de jongste Amerikaanse volksvertegenwoordiger ooit. Zij is erg geïnteresseerd in een groene New Deal en ik begeleid haar daarbij. Ik werkte ook nauw samen met de Oostenrijkse sociaaldemocraat Christian Kern, tot hij in 2017 de verkiezingen in zijn land verloor. Ik adviseer ook vooraanstaande Britse politici, ook al is het vandaag niet vanzelfsprekend om in het Verenigd Koninkrijk over goed beleid na te denken, met die obsessie voor de brexit. En in de VS is er natuurlijk die grote schaduw van president Donald Trump. Maar toch zijn er lichtpunten: zo rebelleren de staat Californië en de stad New York openlijk tegen Trump. En waarom praten we niet meer over een land als Denemarken dat al behoorlijk ver staat in de groene transitie? De Denen zijn intussen de belangrijkste leveranciers geworden van duurzame high tech-diensten aan China. Onderschat die Chinezen trouwens niet: zij spenderen 1,7 triljoen dollar in het duurzaam maken van hun economie. Er vinden dus best wel positieve dingen plaats.

 

China is niet langer de grote vervuiler?

Mazzucato: Het milieu wordt er nog steeds op grote schaal vervuild, maar de overheid beseft intussen heel goed dat het zo niet verder kan. Ze maken van de immense vervuilingsproblematiek de motor voor innovatie. De Chinese overheid wil de complete economie vergroenen. Ik vind dat zeer interessant.

 

In China bepaalt de autoritaire staat de richting van de economie. Onze overheden moeten ook meer ingrijpen?

Mazzucato: Onze overheden moeten meer geld in duurzame projecten investeren, en tezelfdertijd ophouden met het verkwisten van belastinggeld. Ontzettend veel geld wordt vermorst met subsidiëringen of zogezegd gerichte belastingverlagingen die op het einde van de rit geen verschil maken. Bedrijven maken dankbaar gebruik van al die overheidssubsidies om hun winsten nóg te vergroten, terwijl die vaak al de pan uit swingen.

 

Zo vergroten overheden al dan niet ongewild de kloof tussen rijk en arm?

Mazzucato: Ja, maar ik hou niet van die formulering. Ik vind ze nogal onvolwassen. Wat wil dat zeggen: ‘De kloof vergroten tussen rijk en arm’? Niets. Want over wie hebt u het dan? Wie zijn ‘degenen die alles hebben’ en ‘degenen die niets hebben’? De échte kern van de zaak is: hoe kan een overheid duurzame investeringen stimuleren?

 

U hebt geen boodschap aan de Occupy-slogan: ‘de 99 procent tegen de 1 procent’?

Mazzucato: Studenten mogen die slogans hanteren, maar niet adviseurs zoals ik die regeringen assisteren in hun transitie naar meer duurzaamheid. Ik ben het eens met de ideologie die erachter schuilgaat, maar niet met het sloganeske simplisme. Ik ben heel specifiek in wat ik tegen regeringsleiders zeg: ‘Als die bepaalde subsidie of belastingverlaging niet het gewenste effect heeft, is het een verkwisting van belastinggeld.’ Want het grote probleem met niet-functionerende belastingvoordelen is dat ze elders gecompenseerd moeten worden. Als bedrijven zo’n belastingverlaging niét gebruiken om een vervuilende activiteit af te bouwen, verliezen we twee keer. De kwaliteit van onze leefomgeving zal even belabberd blijven én iemand anders moet de rekening van die belastingverlaging oprapen. Misschien wordt er dan beknibbeld op het budget voor onderwijs of cultuur. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?

 

De Europese Commissie en de Britse, Oostenrijkse of Duitse bewindvoerders nemen uw adviezen misschien wel ter harte, maar hoe zit dat met de vele regimes die gebukt gaan onder corruptie?

Mazzucato: Maak u geen illusies: bijna elke regering heeft te maken met corruptie. Groot-Brittannië, het land waar ik leef, kent zelfs ontzettend veel corruptie. Zo overtuigden de grote farmaceutisch bedrijven de Britse regering ervan om een ontzettend domme taxcut te introduceren: de Patent Box. De bedoeling was zogezegd om R&D-afdelingen van farmabedrijven naar het VK te lokken, terwijl die belastingverlaging in werkelijkheid voor geen enkele innovatie zorgt. De Patent Box kwam er na intensief gelobby van de farma-industrie; voor mij is dat corruptie. In een democratie nemen de mensen die door het volk verkozen zijn de beslissingen, niet de grote ondernemingen of belangengroepen.

 

Dat is toch nog iets anders dan de corruptie in landen als pakweg Rusland of Congo?

Mazzucato: In bijvoorbeeld mijn geboorteland Italië of sommige Afrikaanse landen is de corruptie inderdaad zo hard doorgeslagen dat fatsoenlijk regeren er quasi onmogelijk is. Als antwoord op die corruptie werd in Italië de openbare sector drastisch hervormd. Die hervorming kwam eigenlijk neer in kortwieken, waardoor de overheid nóg zwakker werd. Italiaanse ambtenaren belandden van de regen in de drop, waardoor ze nu meer dan ooit gevoelig zijn voor corruptie.

 

U maakt zich grote zorgen over de brexit?

Mazzucato: Ja, dat wordt een regelrechte ramp. Alleen niet voor de usual suspects als Price Waterhouse Coopers (PWC), Ernst & Young, Deloitte… Zij werden door de regering ingehuurd en zijn vandaag de feitelijke Brexit-planners. De chaos groeide de regering boven het hoofd en daarom ging ze te rade bij PWC en co. De uitkomst van het brexit-avontuur is zeer onzeker, maar dat maakt voor de consultants geen verschil, want zij verdienen er sowieso handenvol geld aan. De brexit werd voorgesteld als dé manier voor het VK om geld te besparen; de ironie wil dat de Britse overheid nog nooit zoveel consultancyhonoraria uitbetaald heeft als nu. (lacht)

 

De brexit wordt een ramp voor zowel Groot-Brittannië als Europa?

Mazzucato: Het wordt in de eerste plaats een ramp voor Groot-Brittannië. Voor de EU zal het wel meevallen. Kwetsbare Britse burgers die zich door de campagne van de brexiteers hebben laten misleiden, worden nóg kwetsbaarder. Hun lonen zullen nog meer de dieperik in duiken. En dat in een tijd waarin zelfs een land als China volledig afscheid genomen heeft van een lagelonenpolitiek. De Chinese machthebbers bouwen vandaag aan wat ik een ondernemende staat noem, terwijl een president als Trump de Amerikaanse ondernemende staat volledig aan het uitkleden is.

 

Trump presenteert zichzelf net als dé president-ondernemer.

Mazzucato: Hij verkoopt zichzelf graag als het prototype van de ondernemer, maar dat is hij niet. Het enige wat hij doet, is de boel uitverkopen aan zijn collega-superrijken. Met zijn kruistocht voor steenkool, keert hij zelfs terug naar de jaren vijftig. Zijn beleid staat haaks op innovatie en duurzaamheid. Zijn voorganger Barack Obama had wel oren naar een groene New Deal. Het besef dat de staat een rol moet spelen in een duurzame transitie is in de VS nu helemaal weg.

Het klimaatakkoord van Parijs was voor mij een teken van hoop omdat eindelijk een grote groep landen gezamenlijke doelen vooropstelde. Intussen smelt die hoop als sneeuw voor de zon. Gelukkig zijn er steeds meer grote bedrijven die tonen hoe het wel moet. Het Sustainable Living Plan van Paul Polman, ceo van Unilever, is daar een uitstekend voorbeeld van. In dat plan legt Polman de onderneming een aantal duurzame doelstellingen op. De omzet moet omhoog, maar tegelijkertijd moet de belasting voor het milieu drastisch omlaag. Ik put ook hoop uit het duurzame beleid van gouverneur Jerry Brown in Californië. En uit wat landen als Denemarken, Duitsland en China de voorbije jaren hebben proberen verwezenlijken. We mogen ook Brazilië niet vergeten: de sociaaldemocratische president Lula zette de economische koers van zijn land zonder overdrijven op het pad van de duurzaamheid. Hij trok miljoenen mensen uit de armoede.

 

Lula zit nu in de gevangenis voor corruptie en de nieuwe radicaal-rechtse president Jair Bolsonaro werd door Donald Trump enthousiast onthaald.

Mazzucato: Wat alleen maar aantoont hoe fragiel onze democratie is. Er vinden vandaag inderdaad zeer veel deprimerende gebeurtenissen plaats, maar wil dat zeggen dat we collectief depressief moeten worden? Nee, want zo raken we van de regen in de drop.

 

 

Mariana Mazzucato

  • 1968 geboren in Rome
  • 2013 boek The Entrepreneurial State (in 2015 vertaald als De ondernemende staat)
  • 2015 wordt adviseur van Labour-leider Jeremy Corbyn
  • Sinds 2017 Professor economie aan de Universiteit van Londen en directeur van het Institute for Innovation and Public Purpose

 

Mariana Mazzucato, De waarde van alles, Nieuw Amsterdam, 384 blz., 27,99 euro

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

De onderpastoor

In De onderpastoor reconstrueert Louis Van Dievel de strijd eind jaren zestig tussen de oerconservatieve bisschop Van Peteghem en de jonge vooruitstrevende dorpspriester Gilbert Verhaeghen en zijn aanhangers. ‘Tot vandaag ligt de “kwestie-Verhaeghen” nog heel gevoelig in de parochie Sint-Gillis-Dendermonde.’

 

In de prille lente van 1969 brak in de Sint-Egidiusparochie van Sint-Gillis-Dendermonde een volksopstand uit. De parochianen pikten het niet dat het bisdom Gent hun favoriete onderpastoor Gilbert Verhaeghen wou overplaatsen. Aanleiding was de nieuwe marmeren vloer in de Sint-Gilliskerk. Die had bijna 1 miljoen frank gekost, terwijl er volgens Verhaeghen en de actievoerders geen geld was voor fatsoenlijke lokalen voor de jeugdverenigingen. Dieperliggend woedde de strijd om inspraak voor leken tussen de aartsconservatieve bisschop Leonce-Albert Van Peteghem en de jonge vooruitstrevende priester Verhaeghen. De ene vond de kerk geen democratie, terwijl de andere in de geest van het Tweede Vaticaans Concilie de ramen en deuren wou opengooien. Drie maanden duurde die strijd, met pamfletten, spandoeken, misverstoringen, oproerpolitie en zelfs bijna een lynchpartij. Tot Gilbert Verhaeghen in mei ’69 zijn overplaatsing naar Nieuwkerken-Waas aanvaardde.

In zijn uitstekende roman De onderpastoor brengt voormalig VRT-journalist en schrijver Louis Van Dievel de in 2014 overleden Gilbert Verhaeghen opnieuw tot leven. ‘Eind jaren negentig was er heel wat heisa rond priester Rudy Borremans’, zegt Van Dievel. ‘Hij leefde openlijk samen met zijn vriend en dat was niet naar de zin van de toenmalige kardinaal Godfried Danneels. Pastoor Borremans mocht wel homoseksueel zijn, alleen mocht hij dat niet praktiseren. Hij werd voortdurend overgeplaatst. In 2008 was hij pastoor van de twee Vlaams-Brabantse parochies Everberg en Meerbeek. Daar raakte hij in conflict met de federatiepastoor en werd hij opnieuw de laan uitgestuurd. De parochianen vonden dat ontslag niet terecht en in maart 2008 kwamen ze massaal op straat. ’s Avonds was die betoging een hoofdpunt in het VRT-journaal. Er werd toen in de intro gezegd: “Het is de eerste keer in Vlaanderen dat parochianen demonstreren voor het behoud van hun pastoor.” De volgende dag kreeg ik een mail van een wildvreemd iemand uit Sint-Gillis-Dendermonde. Hij schreef: “De demonstratie voor Borremans is geen unicum. In 1969 hebben wij maandenlang voor onze priester betoogd. Bent u geïnteresseerd?” Zoiets moet je mij geen twee keer vragen.’

 

Dus sprak u met die man af?

Louis Van Dievel: Hij stuurde me eerst een exemplaar van ‘Zwartboek Verhaeghen’, een bundeling persartikelen en communiqués van het ‘aksiekomitee’ uit die tijd over de ‘kwestie-Verhaeghen’. Die ligt vandaag trouwens nog steeds heel gevoelig in Sint-Gillis-Dendermonde. Zo wou de man die me in 2008 contacteerde, niet vernoemd worden in het dankwoord van mijn roman. Hij is een van de enigen van de betrokkenen die al die jaren met me is blijven spreken. Zo goed als alle anderen wilden mijn pen vasthouden. Zowel de leden van de conservatieve club die een hekel aan Verhaeghen had, als de oud-strijders uit dat steuncomité. Ingrid Michem, de dochter van een van de actievoerders, en haar vorig jaar overleden man Rik Geerinckx bleven ook met me praten. Daarom heb ik De onderpastoor aan Rik opgedragen.

 

Waarom koos u voor de romanvorm en niet voor de biografie?

Van Dievel: Ik heb lang getwijfeld. Maar toen duidelijk werd dat sommigen mijn pen wilden vasthouden en nog anderen niet meer wilden meewerken, besloot ik om het verhaal van Gilbert Verhaeghen tot roman te bewerken. Ik heb hetzelfde procedé toegepast bij mijn roman De Pruimelaarstraat over seriemoordenaar Staf Van Eyken alias de Vampier van Muizen. Eerst zoek ik alle mogelijke informatie die er ook maar over mijn onderwerp te vinden is, vervolgens maak ik er mijn eigen verhaal van. Ik schrijf dan een roman zoals ik denk dat het gegaan is. Dat geeft me meer vrijheid: al degenen die als twintigers of dertigers eind jaren zestig voor Verhaeghen demonstreerden, moet ik nu niet meer vernoemen. Zij leven nog allemaal, terwijl de pastoors van toen allemaal dood zijn.

 

Ik heb Gilbert Verhaeghen goed gekend. Ik woon in het gehucht De Hellestraat in Stekene waar hij van 1987 tot aan zijn pensioen in 2009 pastoor was. Het eerste groot interview dat ik ooit van iemand afnam, was van hem, voor het inmiddels ter ziele gegane lokale weekblad Het Vrije Waasland.

Louis Van Dievel: Echt? Overal kom ik nu mensen tegen die Verhaeghen goed gekend hebben. (lacht) Mieke Van Hecke, de voormalige topvrouw van het katholiek onderwijs, was chiroleidster in Gent toen hij daar een jonge onderpastoor was. Ze bleef contact met hem houden, want haar moeder wou elk jaar bij hem te biechten gaan. Tot in De Hellestraat.

 

Hebt u hem ooit ontmoet?

Van Dievel: Nee. Op 12 juli 2014 is hij gestorven. Ik wist dat hij na zijn afscheid van De Hellestraat naar een bejaardenhome verhuisde in de naburige gemeente Sint-Pauwels. Ik was van plan om contact met hem te zoeken, maar toen zag ik zijn overlijdensbericht in de krant.

 

U citeert veelvuldig uit zijn dagboek. Hield hij dat echt bij?

Van Dievel: Nee, dat is de vrijheid van de romanschrijver. Maar al de rest, àlle citaten komen uit officiële documenten. Na lectuur van De onderpastoor heb je een portret van Verhaeghen in een bepalende periode van zijn leven. Ik schets geen ‘hiep-hiep-hoera-beeld’. Ook Mieke Van Hecke sprak zeer genuanceerd over hem.

 

Wat voor een mens was hij?

Van Dievel: Een goed mens, maar ook een koppigaard. Ik ben dat zelf ook; dat schept een band. (lacht) Van 11 oktober 1962 tot 8 december 1965 vond op initiatief van paus Johannes XXIII het tweede Vaticaans Concilie plaats. De kerk nam op papier afscheid van het verleden en wou de moderne tijd omarmen. De ramen en deuren moesten opengezet worden om frisse lucht binnen te laten. Er werden besluiten goedgekeurd die voor meer inspraak en betrokkenheid van de gelovigen moesten zorgen. Gilbert Verhaeghen was een groot voorstander en voorvechter van dat concilie, maar de conservatieven in de kerk vonden al die progressieve nieuwlichterij maar niets. Verhaeghen had eerst niet in de gaten dat vooral in het bisdom Gent de besluiten van Vaticanum II dode letter zouden blijven. Bisschop Leonce-Albert Van Peteghem was een aartsreactionair en trok zich daar niets van aan.

 

Terwijl hij nog meegewerkt heeft aan dat Tweede Vaticaans Concilie.

Van Dievel: Ja, dat is heel bizar. Het lijkt alsof Van Peteghem veranderd was door bisschop te worden. Daarvoor was hij een geliefde professor moraaltheologie aan het seminarie van Gent. In 1964 werd hij tot bisschop gewijd en vanaf dan werd die man bang voor zijn eigen schaduw. Hij omringde zich met hondstrouwe volgelingen en donkere wolken pakten samen boven zijn bisdom. De andere Belgische bisschoppen waren wèl min of meer mee met de veranderende tijd. Van Peteghem niet. Hij hield alles en iedereen in de gaten. Hij weigerde de hand te schudden van priesters die geen Romeinse boord droegen. Hij kwam in de kerk controleren of de stoelen wel goed stonden. Snel vond hij aansluiting bij de beweging van ultraconservatieven tegen het Vaticaans Concilie. Gilbert Verhaeghen had pech dat hij in het bisdom Gent terechtgekomen was. Op een bepaald moment raadde vicaris-generaal Leo De Kesel, de rechterhand van Van Peteghem en de oom van de huidige kardinaal Jozef De Kesel, Verhaeghen zelfs aan om naar het bisdom Brugge te verhuizen. Maar de koppige onderpastoor bleef.

 

Was Verhaeghen een linkse priester?

Van Dievel: Hij was sociaal, de perfecte ACW’er of KWB’er. Hij werd ‘progressief’ genoemd, terwijl hij dat eigenlijk niet was en hij zei dat zelf ook. Hij vond dat de leken én de vrouwen in de kerk meer in de pap te brokken moesten krijgen. Échte hervorming hield veel meer in dan de mis in de volkstaal. Eind jaren zestig zag hij al het aantal priesterroepingen teruglopen. Hij voelde heel goed aan dat dat een teken van de tijd was. De kerk moest volgens hem hedendaags worden. In Sint-Gillis-Dendermonde bracht hij bij zijn parochianen de vonk over. Maar tijdens alle verdere acties, hield hij zich zo goed mogelijk op de achtergrond. Hij zat tussen hamer en aambeeld, want hij wilde niet de verdenking op zich laden dat hij de grote organisator van het protest was. De parochianen van Sint-Gillis-Dendermonde organiseerden hun verzet zélf en dat vind ik zo geweldig. Stel je voor: een doodbrave Vlaamse parochie die tegen de hoge heren van het bisdom zegt: ‘Niet met ons, Verhaeghen moet blijven!’ Iedereen dacht dat hun protest na een paar weken zou doodbloeden, maar ze bléven volhouden. Toen hij dan uiteindelijk toch naar Nieuwkerken overgeplaatst werd, zeiden ze: ‘Nu bouwen we ons eigen jeugdlokaal.’ Ze creëerden hun eigen parochietje en Verhaeghens geest is er blijven hangen.

 

Hoe kwam Gilbert Verhaeghen in Sint-Gillis-Dendermonde terecht?

Van Dievel: Vanuit Gent hadden ze hem in 1965 naar daar overgeplaatst. Tussen 1962 en ’65 was hij onderpastoor in de Gentse Sint-Vincentiusparochie. Hij was er dikke maatjes met priester-arbeider Frans Wuytack. Wuytack zou later de bevrijdingstheologie en het revolutionaire verzet omarmen en door de kerk uit zijn priesterambt gezet worden. Nog later werd Wuytack beeldhouwer. Begin jaren zestig maakten de jonge onderpastoors Verhaeghen en Wuytack de straten van de Gentse Bloemekenswijk onveilig op een oude BMW-motorfiets. Het bisdom vond dat maar niets, en Verhaeghen werd tot onderpastoor benoemd in Sint-Gillis-Dendermonde.

Hij bracht schwung in die parochie. Hij installeerde inspraak via een parochieraad en onderhield uitstekende relaties met de verenigingen en de jeugdbewegingen. Er gebeurde ontzettend veel en pastoor Jozef De Brouwer stak alle pluimen op zijn hoed. Zolang het goed ging, liet hij Gilbert Verhaeghen begaan. Maar van zodra het bisdom in Gent zich begon te moeien, keerde hij zijn kar.

 

Het bisdom wou Verhaeghen onder druk van de conservatieven in zijn parochie overplaatsen?

Van Dievel: Er werden anonieme brieven naar bisschop Van Peteghem geschreven. Mijn roman begint met zo’n authentieke brief. ‘Hooggeachte Heer Monseigneur’, schreef de ‘verontruste parochiaan’, ‘ik voel het als mijn katholieke plicht u in te lichten over de handelwijze van E.H. Verhaeghen. In de drie jaren sinds zijn benoeming in onze parochie is deze Verhaeghen erin geslaagd de gelovigen tegen elkaar op te zetten met preken en uitlatingen die nog weinig met de katholieke geloofsleer te maken hebben, ja er zelfs gans strijdig mee zijn. Vanop de kansel heeft hij het bestaan om tot een revolutie op te roepen. Hij maakt het stille werk van E.H. pastoor De Brouwer en van zijn collega-onderpastoor, de zeer ervaren E.H. Van Coppenolle, belachelijk. Hij doet bij de katholieke verenigingen waarvan hij de proost is aan zogenoemde voorlichting op een gebied waar hij zich als priester verre vandaan heeft te houden. Hij is allesbehalve terughoudend in zijn omgang met het vrouwelijke deel van onze parochie. Meer durf ik hierover niet te zeggen. Maar er zijn getuigen! Verhaeghen bezoekt socialistische dranklokalen waar hij zich blijkbaar meer op zijn plaats voelt dan in onze parochiekerk. Het huis dat de kerkfabriek hem ter beschikking stelt, is verworden tot een verzamelplaats van allen die het niet nauw nemen met de Tien Geboden. Met dit alles, zo beweert Verhaeghen, brengt hij de besluiten van het Vaticaanse Concilie in de praktijk. Maar niets is minder waar! Hij leidt de gelovigen van Sint-Gillis- Dendermonde integendeel op een dwaalspoor.’

 

U weet wie achter die brieven zat?

Van Dievel: Ja, de conservatieve kliek, maar ik ga geen namen noemen. Want het leeft nog steeds. Jan Pauwels, woordvoerder van de ongelukkige ex-minister Joke Schauvliege, is van Dendermonde en bracht me in contact met zeer veel getuigen. Jan vertelde me dat de oudjes in het plaatselijke rusthuis nog altijd ruzie maken over Verhaeghen. ‘Wat voor een vrouwenzot was dat toch!’ (lacht) Mieke Van Hecke vertrouwde me toe dat veel vrouwen hadden willen ingaan op zijn avances, maar ik weet niet of hij ook ooit verder ging.

 

Op het einde van zijn leven laat u hem in zijn dagboek schrijven: ‘Er zijn verleidingen geweest. Ik heb mij enkele keren in de schemerzone gewaagd. Zelfs met gehuwde vrouwen. Maar ik ben nooit over de drempel gegaan.’ Eén van die vrouwen vertelde mij dat hij verschillende keren de drempel overging en zo soms emotionele ravages aanrichtte.

Van Dievel: Dat wist ik niet. Hij was alleszins een opmerkelijk figuur. Kijk, wat mij zo intrigeert, is de opstand in die parochie. Mensen namen het voor hem op en wilden hem niet kwijt. Dat spleet Sint-Gillis-Dendermonde, trok families uiteen en is nooit helemaal verdwenen. Het conflict kwam in april ’69 tot een kookpunt toen Leo De Kesel bijna gelyncht werd. Hij kwam aan de plechtige communicanten het heilig vormsel toedienen, maar werd opgewacht door een woedende menigte met zwarte vlaggen. ‘Verhaeghen! Verhaeghen!’, scandeerden ze. De Kesel overleefde ternauwernood zijn bezoek aan de parochie; zo boos waren die mensen. Ze vonden dat er met hun voeten werd gespeeld. Er werd voortdurend warm en koud geblazen en er werden beloftes gedaan die meteen weer verbroken werden. De tactiek van het bisdom en de pastoor was: iets toegeven om daar niet veel later op terug te komen. Wit zeggen tegen de ene, en zwart tegen de andere. Dwaalsporen leggen, tijd winnen en hopen dat het verzet een stille dood zou sterven. Het bijna molesteren van De Kesel was een cadeau voor het bisdom: dat konden ze in Verhaeghen zijn schoenen schuiven. Een kleine maand later werd hij overgeplaatst naar Nieuwkerken-Waas.

 

Waarom is hij nooit uit de kerk gestapt? In de jaren dat ik hem kende, fulmineerde hij continu tegen de ‘kliek in Rome’.

Van Dievel: Hij noemde zichzelf katholiek en niet rooms-katholiek. Hij vond dat hij als priester niet mocht opgeven. Het is nooit bij hem opgekomen om zijn kap over de haag te smijten. Bevriende pastoors met hetzelfde gedachtengoed stapten er één na één uit. Tientallen namen afscheid van hun priesterschap. Verhaeghen liep altijd voorop en ik denk dat hij af en toe vergat om te kijken of de troepen nog volgden. In Sint-Gillis liepen ze allemaal mee.

 

Daar gedroeg hij zich toch ook als een goeroe voor de jeugd?

Van Dievel: Jawel. Het zou me niet verwonderen dat Mieke Van Hecke als 18-jarig chiromeisje een beetje verliefd op hem was. (lacht)

 

Toch was hij nogal een morsig type.

Van Dievel: Dat is hij altijd geweest. Hij rookte pijp, dronk flink wat wijn en waste zich zelden. Poetsen was niet aan hem besteed. Zijn parochianen hadden medelijden met hem en kwamen zijn huis schoonmaken en de afwas doen. Hij ging kuisen bij bejaarden die krom liepen van de reuma, maar in zijn eigen huis was het een stort.

 

Hij had een uitstekende wijnkelder en trakteerde gul.

Van Dievel: Dat was het liefste wat hij deed: samen drinken en filosoferen. Hij heeft zich nooit iets aangetrokken van zijn gezondheid, tot hij op het laatste bijna dood was. Vijf maanden lang lag hij in het ziekenhuis. Eind 2009 besloot hij om niet terug te keren naar de pastorij in De Hellestraat. Hij nam zijn intrek in een rust- en verzorgingstehuis, bij de dementen terwijl hij zelf niet aan het dementeren was.

 

Als ‘verklaring’ gaf hij toen: ‘In het land der blinden is eenoog koning.’

Van Dievel: Volgens mij beschouwde hij de dementen als zijn gelijken. Tegen andere bezoekers zei hij: ‘De dementen zullen denken dat ik hun overleden kind ben, een buur of een kameraad uit de legertijd. Ze zullen kwaad op me zijn en af en toe vloeken. Maar misschien hebben ze tussendoor ook een helder moment waarop ik iets voor hen kan betekenen.’

 

 

Louis Van Dievel

  • 1953 geboren in Mechelen
  • Studeerde vertaler Italiaans, Engels
  • Werkte een carrière lang als journalist voor de VRT, op een paar kleine overstappen naar VTM na
  • 2002 debuteerde met de roman Happy Days en schreef sindsdien meer dan een dozijn andere boeken
  • 2006 brak door met De Pruimelaarstraat
  • 2011 kreeg de Hercule Poirotprijs voor zijn misdaadroman Hof van Assisen

 

Louis Van Dievel, De onderpastoor, Uitgeverij Vrijdag, 352 blz., 22,50 euro

(c) Jan Stevens

1942

De kroon op het werk, zo beschouwt Herman Van Goethem, historicus en rector van de Universiteit Antwerpen, zijn boek 1942. Daarin beschrijft hij hoe in 1942 de Antwerpse burgemeester Leo Delwaide welwillend meewerkte met de Duitse bezetter. ‘Hij “stak over”, maar enkel binnenskamers, in de dossiers en binnen de veilige muren van zijn kantoor.’

 

In 1942 richt Herman Van Goethem zijn focus op Antwerpen in dat oorlogsjaar. ‘Veertien jaar onderzoek naar collaboratie en verzet komen erin samen.’ Met oog voor detail en nuance schetst hij het leven in de Antwerpse ‘Jodenwijken’ van dag tot dag. 1942 was het jaar van de razzia’s: massaal veel Joden werden uit Antwerpen gedeporteerd, met hulp van het stadsbestuur en de politie. Maar het was ook het jaar waarin vanaf november de oorlogskansen én de geesten van de ‘gewillige gezagsdragers’ kantelden.

In 1942 sluipt ook de familiegeschiedenis van Herman Van Goethem binnen, met de zoektocht naar een collaborerende grootvader die daar nooit spijt over betuigde.

 

1942 is een heel persoonlijk boek geworden.

Herman Van Goethem: Dat heeft ook te maken met de vorm; die is ongewoon. Ik koos ervoor om in de tegenwoordige tijd over een jaar uit het verleden te schrijven. Gaandeweg merkte ik dat dat werkte. Al is het een vreemde ervaring om als historicus in de tegenwoordige tijd over 1 februari 1942 te schrijven: ‘Vandaag sneeuwt het opnieuw, de straten liggen er spekglad bij.’

 

U levert daar op een bepaald moment commentaar op. Zo schrijft u: ‘Is dit een roman? Gevangen in mijn boek, zo voel ik me.’

Van Goethem: Door die tegenwoordige tijd werd ik ‘medeplichtig’. Soms lastte ik een fast forward in, over de afloop na de oorlog. Dat is meteen ook het verhaal van mijn zoektocht en zo werd ik ‘medespeler’.

In 1942 was Sonia Blumenstein een meisje van tien; in 2008 was ze eind zeventig wanneer ik haar opzocht in haar huis in Berchem. Als ik over de arrestatie op 27 januari 1942 van de achttienjarige verzetsjongen Wilfried Depret schrijf, zie ik de tranen van de hoogbejaarde Wilfried in de Pothoekstraat in Antwerpen, zoveel jaren later. ‘Empathische geschiedschrijving’ heeft natuurlijk grenzen. Een hedendaags historicus kan zich nog in de denkwereld van een mens uit de 20e eeuw onderdompelen; voor de zestiende eeuw wordt dat veel moeilijker.

 

Mij lijkt het zelfs voor een iets oudere historicus niet vanzelfsprekend om in de hoofden van de mensen uit dat jaar 1942 te duiken.

Van Goethem: Ik bestudeer al heel lang wat er toen plaatsvond. Ik heb me heel goed in dat jaar 1942 ingewerkt, via kranten, brieven en dagboeken. Zeer belangrijk waren de rijk gestoffeerde politiearchieven uit Antwerpen, vooral die van de zogenaamde ‘zesde’ en ‘zevende wijk’, waar veel Joodse mensen woonden en werkten. Die bronnen klinken als echo’s van de dagen van toen.

 

Waarom Antwerpen?

Van Goethem: In de jaren negentig voerde historicus Lieven Saerens onderzoek naar de Joden in Antwerpen. Dat resulteerde in zijn in 2000 gepubliceerde boek Vreemdelingen in een wereldstad. Een geschiedenis van de Joodse bevolking in Antwerpen tussen 1880 en 1944. Hij baarde toen heel wat opzien met zijn bevinding dat onder leiding van hoofdcommissaris Jozef De Potter de Antwerpse politie in augustus en september 1942 op vraag van de Duitse bezetter duizenden Joden oppakte. Dat gebeurde volgens Lieven Saerens ‘onder het toeziende oog’ van de toenmalige burgemeester Leo Delwaide.

 

Volgens u was dat meer dan ‘een toeziend oog’ en speelde Delwaide een actieve rol in de razzia’s, zowel bij de organisatie als de uitvoering.

Van Goethem: Dat wist Lieven Saerens in 2000 nog niet. In Antwerpen werden meer Joden opgepakt dan in Brussel en andere grote steden. Saerens verklaarde dat vanuit de ‘Antwerpse specificiteit’. Die was er zeker, maar de instelling van de Antwerpse politie tijdens de Jodenrazzia’s verschilde toch niet zoveel van die van hun collega’s in Parijs of Amsterdam. Volgens Saerens was de politiemedewerking aan de Antwerpse Jodenrazzia’s te verklaren vanuit het antisemitisme. Dat speelde een belangrijke rol, maar waren alle agenten dan antisemieten? Waarom werkte het lokale bestuur mee? Ik wou die vragen beantwoord zien. In 2005 ging ik met mijn onderzoek van start. Eerst in het FelixArchief, het Antwerpse stadsarchief. Daar dook ik in die politiearchieven met in het achterhoofd de vraag: waarom werkten politieagenten zo actief mee aan die razzia’s in de late zomer van 1942? Dus moest ik daar ook de voorgeschiedenis van kennen en besloot ik om als vertrekpunt 1 januari van dat jaar te nemen. Ik richtte mijn aandacht op de daders, de politieagenten, en kwam automatisch de slachtoffers, de Joden, tegen.

 

Waardoor uw onderzoek begon uit te dijen?

Van Goethem: Precies. In 2008 werd ik gevraagd om curator te worden van de Dossinkazerne in Mechelen. Mijn opdracht was om het bestaande Joodse museum uit te bouwen tot memoriaal, museum en documentatiecentrum over holocaust en mensenrechten. Ik was 50, de leeftijd waarop andere mannen een motorfiets kopen. Ik begon een museum te bouwen. (lacht) Maar zo leerde ik de slachtoffers van de naziterreur in bezet België nóg beter kennen. Vanuit de Dossinkazerne werden tussen augustus 1942 en juli 1944 ongeveer 25.500 Joden en 354 zigeuners met de trein gedeporteerd naar Auschwitz-Birkenau. Meer dan 10.000 Joden kwamen uit Antwerpen.

In de Kazerne Dossin had ik ook aandacht voor het perspectief van de daders. Dat was op dat moment vrij uniek in de wereld. Er kwamen zelfs collega’s uit Australië kijken hoe wij dat aanpakten. Onze aandacht voor de daders kwam niet uit de lucht vallen; in dezelfde periode verscheen bijvoorbeeld de roman De welwillenden van Jonathan Littell. Mijn passage als curator in de Dossinkazerne van 2008 tot 2012 maakt deel uit van het hele parcours dat tot mijn boek 1942 heeft geleid.

 

1942 is opgebouwd als een dagboek.

Van Goethem: Dat is een bewuste keuze, omdat de mensen toen niet beseften wat er hen boven het hoofd hing. In december 1941 verwachtten velen dat in het nieuwe jaar het einde van de oorlog onderhandeld zou worden. In België en Frankrijk werd dat de ‘compromisvrede’ genoemd. Koning Leopold III was daar een groot voorstander van. Maar de koning was niet de enige die zich klaar hield voor een onderhandelde vrede tussen de Duitsers en de geallieerden. Ook de Belgische regering in ballingschap hield rekening met de mogelijkheid van een ‘vlugge vrede’. Die sluimerende gedachte verklaart ook waarom sommige Antwerpse Joden soms zeer merkwaardige beslissingen namen. Zo is er de diamanthandelaar Isaac Lichtenbaum die net als zijn Joodse collega’s verplicht diamanten moest inleveren bij de Duitsers. Die inbeslagnames waren onvervalste rooftochten, maar de Duitsers maskeerden ze door ‘bonnen voor ontvangst’ uit te schrijven. Zo leek het alsof de inbeslagname tijdelijk was. In juni 1942 raakte Isaac Lichtenbaum in paniek toen hij merkte dat hij het ontvangstbewijs voor 648 karaat ruwe diamant kwijt was. Het verlies van dat bewijs ging hij aangeven bij de politie.

 

Hij geloofde de Duitsers?

Van Goethem: Veel Joden geloofden dat verhaal over tijdelijke confiscatie, net omdat ze hoopten op die nakende compromisvrede. Want dan zouden de Duitsers zich uit België terugtrekken en werden de in beslag genomen goederen wellicht teruggegeven. Wij kennen de evolutie van de geschiedenis, maar Isaac Lichtenbaum wist van niets. Hij wou alle officiële papieren goed bijhouden, voor als er een internationale vredesconferentie kwam. Er waren ook redenen om dat te geloven. Eind ’41 en begin ’42 kwamen 26 landen bijeen in Washington DC. Op 1 januari 1942 ondertekenden ze de ‘Verklaring voor Verenigde Naties’. Daarin werd niet ‘Duitsland’, maar het ‘hitlerisme’ de vijand genoemd. De ondertekenaars riepen de Duitse generaals op om orde op zaken te stellen, Hitler aan de kant te schuiven en vervolgens aan de onderhandelingstafel plaats te nemen. Het is alsof er nu een oproep gelanceerd zou worden om niet tegen de Amerikanen te strijden, maar tegen het trumpisme. Als de Duitse generaals de macht hadden gegrepen en de nazi’s opzij hadden gezet, was een onderhandelde vrede ook een échte optie geweest. De ‘Verenigde Naties’ zetten dus begin ‘42 de geopolitieke contouren uit voor onderhandelingen.

 

U ziet een verband tussen het ‘hitlerisme’ en het ‘trumpisme’?

Van Goethem: Onze tijd doet me sterk denken aan de jaren dertig. Vroeger kende ik die periode als boekenwijsheid; nu begrijp ik ze beter met wat ik rond me zie gebeuren. Eén dag Donald Trump leert veel meer dan jarenlange studie over het populisme en de dictatuur. Liegen, schelden, roepen en mensen en de media afdreigen, zijn weer toegestaan. Het maakt niet uit wat de leider uitkraamt; de hem toegewijde massa vertrouwt hem blindelings. Daardoor raakt de democratie uitgehold, want de essentie van democratie is het open en vrije debat onder burgers. In Hongarije en Polen verzetten leiders de bakens in de richting van autocratie. De illusie van een democratisch systeem wordt er hooggehouden, terwijl intussen de pers wordt gemuilkorfd, onderzoek en hoger onderwijs worden bemoeilijkt en de onafhankelijkheid van de rechters wordt teruggeschroefd. Dat speelt zich nu voor onze ogen af.

In de jaren dertig kwamen er ook nieuwe media op: de radio en de journaals in de bioscopen. Mensen zagen voor het eerst lijken van oorlogsgeweld op pellicule. Op de radio sprak de koning en dat zorgde voor grote opwinding. Net als nu met onze sociale media, waren die nieuwe media plots overal; burgers wisten niet goed hoe ze daarmee moesten omgaan. Beelden van de Spaanse Burgeroorlog zorgden er bijvoorbeeld voor dat Belgen naar Spanje vertrokken. Ze kozen verschillende kampen en vochten er dus tegen elkaar. Zij waren de jihadi’s in stereo.

 

Na de inval van de Duitsers in België vluchtte de socialistische Antwerpse burgemeester Camille Huysmans naar Frankrijk. De katholiek Leo Delwaide volgde hem op 10 mei 1940 op. Delwaide stemde zijn beleid af op een Duitse overwinning?

Van Goethem: Burgemeester Leo Delwaide ging alleszins héél ver, veel verder dan de meeste van zijn collega-burgemeesters. Hij ging er blijkbaar van uit dat er een deal zou komen waardoor de Duitsers in Vlaanderen aan zet bleven. Hij had na 1933 Duitsland bezocht en was onder de indruk van de omwentelingen. In 1936 engageerde hij zich voor een samenwerkingsakkoord tussen de Vlaamse vleugel van de Katholieke Partij en het fascistoïde Vlaams Nationaal Verbond (VNV). Dat akkoord bleef dode letter, maar de sympathie van Delwaide voor het VNV en de Nieuwe Orde bleef. Hij aanvaardde de Duitse overwinning en handelde daarnaar. Hij stak dus inderdaad over, maar enkel binnenskamers, in de dossiers en binnen de veilige muren van zijn kantoor. Aan de buitenwereld liet hij dat niet zien.

 

Samen met VNV’er Gérard Romsée, secretaris-generaal Binnenlandse Zaken, richtte Delwaide in Deurne een nieuwe politieschool op.

Van Goethem: Die ging op 1 april 1942 van start en mag je gerust het Antwerpse voorspel van de nazificatie van de hele Belgische politie noemen. Romsée belastte de Antwerpse adjunct-commissaris Walter Burssens, broer van dichter Gaston Burssens, met de hervorming van de Belgische politiediensten. Delwaide stemde ermee in dat Burssens drie dagen per week op het kabinet van Romsée in Brussel doorbracht. De nieuwe agenten werden klaargestoomd voor een autoritaire organisatie. Wel werd op de politieschool een soort evenwicht nagestreefd tussen voor- en tegenstanders van de Nieuwe Orde. Zo doceerde Burssens de cursus strafrecht, terwijl de anglofiel René Pauwels strafvordering gaf.

 

Intussen bereidde diezelfde politie in samenspraak met burgemeester Delwaide en de Duitse bezetter de razzia’s op de Joden voor?

Van Goethem: Het stadsbestuur timmerde naarstig mee aan het kader voor die razzia’s. De ‘zesde wijk’ was toen de Jodenbuurt aan De Keyserlei. Daar werden in de weken voor de razzia’s van augustus 1942 de zwarte agenten samengebracht onder leiding van nazigezinde adjunct-commissarissen zoals de ‘Jodenjagers’ Clemens Verbert en Remi De Ridder. Eind 1940 eisten de Duitsers een beddenmagazijn in de Van Diepenbeeckstraat op. Ze verbouwden dat tot verzamelplaats voor het deporteren van Joden. De Antwerpse politie werd belast met de bewaking. Tussen december 1940 en februari 1941 werden er duizenden Joden opgesloten die van daaruit naar Limburg werden gedeporteerd. Eind juli 1942 stond het gebouw leeg, maar de politie moest de ‘verzamelplaats’ blijven bewaken. Het stadsbestuur had kort daarvoor arbeiders opdracht gegeven om het leegstaande beddenmagazijn terug in orde te brengen voor ‘gebruik’. Toen de Duitsers bij de razzia’s in augustus ’42 het gebouw toch niet gebruikten, vroeg Leo Delwaide of het niet kon worden vrijgegeven. Op het Schoon Verdiep wisten ze duidelijk dat de razzia’s er zaten aan te komen en daar werd naar gehandeld.

Op 28 augustus weigerde de Berchemse agent René Vermuyten mee te werken aan een Jodenrazzia. Op 10 september moest Vermuyten voor burgemeester Delwaide verschijnen. Die gaf hem een tuchtstraf. Daarmee is de cirkel rond.

 

In november 1942, na de slag bij El Alamein, begon alles te kantelen. U schrijft: ‘Vanaf december was het evident dat Duitsland het onderspit zou moeten delven in de Slag om Stalingrad. Voor het eerst werd voor iedereen zichtbaar dat het Derde Rijk diep in de nesten zat.’ Mensen die op een Duitse overwinning gegokt hadden, keerden hun kar?

Van Goethem: Die ‘kanteling’ ging soms ver: vanaf november 1942 traden Antwerpse politieagenten en zelfs hoofdcommissaris Jozef De Potter ‘officieel’ tot het clandestiene verzet toe. Procureur des Konings Edouard Baers prees Jozef De Potter omwille van zijn ‘kranige houding’. De hoofdcommissaris antwoordde op 24 november met een brief. ‘Ik beschouw mijn houding niet als kranig’, schreef hij, ‘vermits ik me slechts aan uw gezag heb onderworpen.’ Eigenlijk erkende hij op dat moment: ‘Ik was niet dapper.’

Die ‘kanteling’ zorgde ook voor scènes gekopieerd uit de sitcom ‘Allo! ‘Allo! (lacht) In december ’42 opende Madame de Bie in de zesde wijk Café Cocktail. Ze vertelde openlijk dat ze in een inlichtingennetwerk zat en geallieerde piloten uit neergehaalde vliegtuigen hielp onderduiken. Remi De Ridder kwam bij haar over de vloer. In augustus jaagde hij nog op joden; nu was de toestand drastisch veranderd. Hij verklikte haar niet bij zijn Duitse vrienden, maar raadde haar aan een beetje voorzichtiger te zijn. De ondergedoken Britse piloten kwamen ook af en toe in Café Cocktail een biertje drinken. Daar werden ze dan door Vlaamse SS’ers getrakteerd. Het leek een gewapende vrede, maar was eerder stilte voor de storm. Niet veel later was die kortstondige ‘verbroedering’ voltooid verleden tijd.

 

Volgens u kantelde in november 1942 ook de Belgische regering in ballingschap in Londen. Zat zij dan niet sinds de start van de oorlog in het kamp van de geallieerden?

Van Goethem: Dat wordt algemeen zo aanvaard omdat tot hiertoe blijkbaar niemand zich afvroeg of er een verschil was in het beleid voor en na november ’42. Maar wat zich op kleinere schaal bij de Antwerpse overheden voltrok, speelde zich ook in Londen af. De regering-Pierlot hield tot dan wel terdege rekening met de compromisvrede. In november ’42 schrapte ze dat scenario en sloot zich aan bij de nieuwe officiële oorlogsdoelstelling van de Britse premier Winston Churchill en de Amerikaanse president Franklin Roosevelt: ‘unconditional surrender’. Pas op dat moment nam de Belgische regering duidelijk stelling in over de collaboratie. Over wat er daarvoor gebeurd was: spons erover.

Op 28 december 1942 schreef Emile de Cartier de Marchienne, de Belgische ambassadeur in Londen, aan minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak: ‘Nous devons frapper le fer tant qu’il est chaud et donner l’impression à nos amis anglais que nous avons fait ce qui dépendait de nous pour contribuer à la victoire finale.’ Vrij vertaald: ‘Het is aan het keren. We moeten de Engelsen snel de indruk geven dat we altijd aan hun kant hebben gestaan.’ Die ommekeer was spectaculair: in januari 1943 werd in sneltreinvaart de ‘Brigade Piron’ opgericht, een Belgische militaire eenheid die voortaan nauw zou samenwerken met de Britten. De diplomatieke banden met de Sovjet-Unie werden genormaliseerd en uitgebouwd, er kwamen repressiewetten.

 

U wees eerder in dit gesprek op de griezelige gelijkenissen tussen onze tijd en de jaren dertig. Maakt dat u ongerust?

Van Goethem: Ja, maar het is niet omdat er nu een jaren-dertigsfeer hangt, dat het in een wereldbrand zal eindigen. Als het verhaal over 1942 ons iets kan leren, is het misschien dat we nooit de basiswaarden van onze vreedzame samenleving uit het oog mogen verliezen: scheiding der machten, respect en verdraagzaamheid, vrije meningsuiting en persvrijheid, vrije verkiezingen en een onafhankelijke rechterlijke macht.

 

Herman Van Goethem

  • 1958 geboren in Mortsel
  • Studeert rechten en geschiedenis
  • 1990 begint geschiedenis te doceren aan de Universiteit Antwerpen
  • 1994 publiceerde samen met Jan Velaers Leopold III, de koning, het land, de oorlog,
  • 1998 bezorgde de oorlogsdagboeken van de katholieke minister August De Schryver
  • 2008 publiceerde De monarchie en het ‘einde van België”: een communautaire geschiedenis van Leopold I tot Albert II
  • 2008-2012 lag aan de basis van Kazerne Dossin, memoriaal, museum en documentatiecentrum over holocaust en mensenrechten in Mechelen
  • 2016 werd verkozen tot rector van de Universiteit Antwerpen

 

 

Herman Van Goethem, 1942 – Het jaar van de stilte, Polis, 360 blz., 29,95 euro

 

(c) Jan Stevens

Eén eeuw herfsttij

Exact honderd jaar geleden verscheen Herfsttij der Middeleeuwen van de Nederlandse hoogleraar geschiedenis Johan Huizinga (1872-1945). Ter gelegenheid van dat eeuwfeest bezorgde Huizinga-kenner Anton van der Lem een nieuwe uitgave. ‘Het boek kreeg in 1919 cultstatus en wordt nog steeds gelezen.’ Al is dat niet meer door iedereen. ‘Mijn studenten gingen op hun achterste poten staan.’

 

Bij de voorstelling van de nieuwe editie van Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen, kreeg de Nederlandse minister-president Mark Rutte het eerste exemplaar overhandigd. ‘Dat illustreert meteen ook de status van dat boek in Nederland’, zegt Wim Blockmans, Belg en emeritus professor Middeleeuwse Geschiedenis aan de universiteit Leiden. ‘Herfsttij der Middeleeuwen is bij onze noorderburen een heus cultboek en auteur Johan Huizinga is er een beroemdheid. Verschillende instituten zijn naar hem genoemd. In de Verenigde Staten staat Herfsttij op de verplichte lectuurlijst voor historici in spe. Daar prijken maar twee geschiedenisauteurs uit de Lage Landen op: Huizinga en zijn Gentse tijdgenoot Henri Pirenne. Zij zijn de enigen van vier generaties Nederlandstalige historici. In de universiteitsbibliotheek van Leiden wordt tot vandaag elke snipper over of van Johan Huizinga verzameld.’

Verzamelaar van die snippers en bezorger van de nieuwe editie van Herfsttij der Middeleeuwen is Anton van der Lem, conservator oude drukken en bibliofiele uitgaven. ‘In alle boeken van Johan Huizinga voel je zijn betrokkenheid’, zegt hij. ‘Zeer veel historici schrijven zeer plichtsmatig over hun studieobject. Bij Huizinga is dat niet zo. Als lezer voel je meteen: deze man leeft zich in zijn onderwerp in. Natuurlijk blijft hij een academicus: hij heeft Herfsttij der Middeleeuwen dan ook tot in de puntjes gedocumenteerd. Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag heb ik driehonderd illustraties aan het boek toegevoegd. Johan Huizinga ging ervan uit dat iedereen al die schilderijen die aan bod kwamen ook kende. Ik schreef er ook nog de na- en voorgeschiedenis van Herfsttij bij. Woord voor woord vergeleek ik meerdere edities. Tussen 1945 en eind jaren negentig werd het boek telkens opnieuw bij de drukker gezet. Zo slopen er steeds meer kleine fouten in. Die heb ik er uitgefilterd. Het resultaat is de originele Herfsttij der Middeleeuwen in moderne spelling.’

 

Vlaamse Primitieven

In Herfsttij der Middeleeuwen beschrijft Johan Huizinga het rijke culturele leven aan het Bourgondische hof in de veertiende en vijftiende eeuw. Precies ook het hof dat Bart Van Loo onder de loep neemt in zijn gloednieuwe De Bourgondiërs, waar Knack vorige week aandacht aan schonk. ‘Het belang van de Nederlander Johan Huizinga en de Belg Henri Pirenne voor de Bourgondische studies kan moeilijk onderschat worden’, stelt Van Loo. ‘Vóór het begin van de twintigste eeuw was dat braakliggend terrein. Huizinga en Pirenne bliezen de Bourgondiërs nieuw leven in. Lang kregen de hertogen van Bourgondië het label van “slechteriken” opgeplakt. Ze werden afgeschilderd als vermaledijde kerels die de eigenheid van Holland, Brabant of Vlaanderen om zeep wilden helpen. In de 19e eeuw ontstonden de staten zoals wij ze nu kennen en de behoefte aan mythische basisverhalen was groot. De Gentse historicus Henri Pirenne las vervolgens de geschiedenis van de Bourgondiërs door een Belgische bril. Zijn werk is echt heel interessant, maar vooringenomen omdat hij via de Bourgondiërs het nog jonge België wou verantwoorden. Ook Herfsttij der Middeleeuwen van Johan Huizinga is indrukwekkend, en net zo vooringenomen, maar dan op een positieve, vernieuwende manier. Hij bekeek de late middeleeuwen in de Lage Landen en Frankrijk vooral door de bril van de culturele elite. De creatieve kiem voor zijn boek werd gelegd in 1902, toen hij in Brugge Les primitifs flamands bezocht, de grote overzichtstentoonstelling van de laatmiddeleeuwse schilders uit onze contreien. Hij raakte onder de indruk van het werk van onder anderen Rogier van der Weyden, Jan van Eyck, Hans Memling en Dirk Bouts. Al had hij soms bizarre voorkeuren. Dat hij nogal neerbuigend over Van Eyck schreef, heb ik nooit begrepen, alsof hij nooit echt de tijd genomen heeft om zijn oeuvre van dichtbij te bestuderen.’

 

Klassieker

Anton van der Lem noemt Herfsttij der Middeleeuwen zondermeer een klassieker. ‘Het boek bezit enorme zeggingskracht. Het is naast pure geschiedenis ook kunst- en mentaliteitsgeschiedenis, antropologie, etnologie… Al die verschillende stromingen verbindt Huizinga voortreffelijk. Daarom vind je er ook steeds nieuwe dingen in terug wanneer je het herleest. Later zijn er nog veel uitstekende boeken over de Bourgondische Nederlanden verschenen, maar in geen enkel werk worden de cultuurhistorische aspecten zo indringend beschreven als in Huizinga’s Herfsttij. Ze beschrijven vooral de politieke geschiedenis; die kennen we intussen voldoende. Een cultuurhistorische of mentaliteitsgeschiedenis zoals in de traditie van Huizinga, blijft uniek. Hij was de eerste. We kennen allemaal de schilderijen van de Vlaamse Primitieven. Maar we kennen niet de mentaliteit van de mensen die erop geportretteerd zijn of erachter schuilgaan. Net dat probeerde Johan Huizinga te traceren, aan de hand van de literatuur, godsdienstige geschriften en kronieken uit die tijd.’

Al die kroniekschrijvers werkten toch in opdracht van de hoge adel? Van der Lem: ‘Het klopt dat zij enkel oog hadden voor de elite en niet voor de dorpers. Ze schreven in opdracht of om in het gevlei te komen. Toen chroniqueur Martin le Franc ietwat negatief over een hertog berichtte, moest hij zijn werk overdoen. Huizinga beschreef dus inderdaad een elitecultuur. Meteen na de publicatie van zijn boek werd hem dat al kwalijk genomen. Hij kreeg het verwijt dat hij geen aandacht had voor de opkomende burgerij en de groeiende financiële centra. De kritiek luidde: “Die Huizinga las enkel wat kroniekjes.” Maar dat is onzin. Ik heb in mijn editie een literatuuropgave bijgevoegd van alles wat Johan Huizinga gebruikt heeft. Er stonden noten en referenties in Herfsttij der Middeleeuwen, maar hij heeft nooit zelf een literatuurlijst gemaakt. Huizinga’s archief is in ons bezit. Hij was als hoogleraar algemene geschiedenis verbonden aan de universiteit van Leiden en was hier in 1932-1933 zelfs even rector. Tijdens het schrijven van Herfsttij ontleende hij een heleboel boeken uit de universiteitsbibliotheek. In zijn archief vond ik daar twee lijsten van terug. Daar stonden niet alleen kronieken op. Zo raadpleegde hij nogal wat godsdienstige boeken, denk maar aan de werken van de 15e-eeuwse Vlaamse mysticus Dionysius de Karthuizer. Hij wou niet alleen in het hoofd van de elite van de late middeleeuwen kruipen, maar ook weten hoe de massa tot tranen toe beroerd kon worden door de opzwepende preken van monniken en priesters.’

 

Mooi & meeslepend

Marc Boone is professor Middeleeuwse Geschiedenis aan de universiteit Gent. ‘Herfsttij der Middeleeuwen blijft een belangrijk monument uit de Nederlandse geschiedschrijving’, vindt ook hij. ‘In 1919 was het vernieuwend en zeer ongewoon. De manier waarop Huizinga naar de geschiedenis keek, week af van wat gangbaar was. Tot dan werd geschiedenis feitelijk beschreven, positivistisch bijna. Er was vooral aandacht voor de grote gebeurtenissen, terwijl Huizinga zocht naar de mentaliteit van de mensen. Hij ging min of meer intuïtief te werk en probeerde in hun hoofden te kijken. Het zou nog meer dan een generatie duren voor ook andere geschiedschrijvers in zijn voetsporen traden. Volgens Huizinga moest een historicus gegrepen worden door “de historische sensatie”. Hij moest een persoonlijke band ontwikkelen met de periode die hij bestudeerde én met de mensen die erin leefden.’

Professor Wim Blockmans noemt Huizinga een ‘historische antropoloog’. ‘In 1919 was dat uniek en dat verklaarde mee zijn onmiddellijke succes. Daarenboven had hij ook een uitstekende pen. Herfsttij der Middeleeuwen is mooi en meeslepend geschreven. Na de eerste paragraaf wil je blijven lezen.’

Marc Boone: ‘Toch is het geen eenvoudige tekst. De taal is soms gezocht. Neem “herfsttij” uit de titel: dat is al iets heel bijzonder. Niemand gebruikt dat woord nu nog, maar ook vóór Huizinga had niemand het over “herfsttij”. Het is een neologisme dat hem in het oor gefluisterd werd door de dichteres Henriette Roland Holst-van der Schalk. “Herfsttij” zorgde voor vertalingsproblemen, al stonden die het internationale succes niet in de weg. In het Frans werd “herfsttij” eerst “le déclin”, later “l’automne”, wat niet precies hetzelfde is. We weten hoe lang hij aan dat boek gewerkt heeft, want er is veel briefwisseling uit die periode bewaard gebleven. Zo correspondeerde hij met Henri Pirenne. Hij begon al aan Herfsttij der Middeleeuwen te werken in de jaren 1913-1914. Hij zag de late middeleeuwen als een periode van verval, van geleidelijk afsterven van de samenleving. Die visie werd beïnvloed door de manier waarop hij zijn eigen tijd beleefde. De Eerste Wereldoorlog brak uit en ook al bleef Nederland neutraal, de oorlog zorgde voor een enorme schok. In Herfsttij der Middeleeuwen ligt de klemtoon heel sterk op dat afsterven, waardoor het boek een zeer pessimistische ondertoon krijgt.’

Wim Blockmans: ‘De leidende gedachte in het boek is: al die uiterlijke vormen van de Bourgondiërs, de pracht en praal, waren de laatste stuiptrekkingen van een ridderwereld in verval. Huizinga verloor jammer genoeg uit het oog dat de dynamiek in die samenleving niet enkel vanuit dat hof vertrok. Later zou hij toegeven dat hij zich te veel op de neergang gericht had, en te weinig oog had voor de opwaartse krachten in de laatmiddeleeuwse maatschappij.’

 

Beunhaas

Volgens professor Blockmans zijn kunsthistorici geen fan van Herfsttij der Middeleeuwen. ‘Toen Huizinga nog leefde, was dat al zo. Hij wordt door geen enkel groot kunsthistoricus van zijn generatie geciteerd. Dan heb ik het over internationaal toonaangevende specialisten van de laatmiddeleeuwse schilderkunst zoals Max Jakob Friedländer. Ik ken ook geen enkele belangrijke kunsthistoricus uit de Lage Landen die Huizinga citeert. Als het op kunstgeschiedenis aankwam, was Huizinga een beunhaas. Daar kwam bij dat hij heel beperkt beeldmateriaal gebruikte. Natuurlijk bezocht hij in 1902 die bewuste tentoonstelling in Brugge, maar daarna kreeg hij nog maar bitter weinig schilderijen onder ogen. Hij werkte met zwart-witfoto’s en reisde nauwelijks. Als verzachtende omstandigheid geldt dat reizen in die tijd heel moeilijk was; WO I woedde volop. Het gevolg was dat hij niet goed in de kunstgeschiedenis onderlegd was. Bovendien merk je dat hij de religie uit de late middeleeuwen beoordeelde als kleinzoon van een protestantse dominee uit het begin van de twintigste eeuw. Hij catalogeert het katholicisme uit de vijftiende eeuw als uiterlijke glorie. Hij zet de religieuze praktijken aan het hof op dezelfde lijn als die van de kerk en velt een zeer negatief oordeel over de liturgie. Hij beschrijft religie naar de vorm, maar niet naar de inhoud.’

 

Stille waters

Johan Huizinga werd op 7 december 1872 geboren in Groningen. ‘Een uithoek in het noorden van Nederland’, omschrijft Anton van der Lem die stad. ‘Eind 19e eeuw was je van daaruit een halve dag onderweg naar het centrum van het land. Huizinga stamde uit een familie van doopsgezinde predikanten. Maar zijn vader raakte het geloof kwijt, raakte verslingerd aan een “actrice” en kreeg syfilis. Johan Huizinga liet zich op zijn achttiende tóch dopen. Zijn leven lang bleef hij lid van de doopsgezinde kerk. Als scholier was hij al geïnteresseerd in Arabisch. Hij wou oosterse letteren studeren. Dat kon enkel in Leiden, maar dat zag zijn vader niet zitten. Te duur, oordeelde hij, en zonder toekomst. Waarna de jonge Huizinga Nederlandse letteren ging studeren, met bijzondere aandacht voor het Sanskriet. Daar promoveerde hij mee. Hij had veel belangstelling voor andere culturen, vooral voor het boeddhisme, hindoeïsme en de islam. Maar ook al was hij gefascineerd door oosterse godsdiensten, zijn leven lang beschouwde hij de christelijke zedenleer als het fundament van onze beschaving. Zeven jaar lang werkte hij als leraar geschiedenis in het atheneum in Haarlem. Die stad ligt dicht bij Leiden en stiekem hoopte hij om met zijn Sanskriet aan de universiteit een academische carrière te kunnen uitbouwen. In 1902 was er enkel in Utrecht een hoogleraarszetel Sanskriet beschikbaar; die ging aan zijn neus voorbij. Als ze hem daar wél hadden benoemd, was Herfsttij der Middeleeuwen er nooit gekomen. De historicus Petrus Johannes Blok was zijn mentor en adviseerde hem om zich te concentreren op de middeleeuwse geschiedenis. Waarna Huizinga een studie maakte over het stadsrecht van Haarlem. Met de hulp van Blok werd hij in 1905 de eerste hoogleraar “vaderlandse en algemene geschiedenis” in Groningen. Om in 1915 over te stappen naar Leiden.’

Wat voor een man was Johan Huizinga? Anton van der Lem: ‘Introvert. Maar u kent het gezegde: stille waters, diepe gronden. Hij kon zeer emotioneel zijn, alleen toonde hij dat nooit aan de buitenwereld.’

Verraadt Johan Huizinga’s werk dat geschiedenis eigenlijk zijn tweede keuze was? ‘Misschien wel’, knikt Marc Boone. ‘Op het einde van zijn leven schreef hij de autobiografische tekst Mijn weg tot de historie, waarin hij uitlegde hoe hij bij geschiedenis terechtkwam. Na Herfsttij der Middeleeuwen sloeg hij totaal andere richtingen in. In 1926 verscheen een bundel van hem vol essays over de Amerikaanse samenleving, Amerika levend en denkend. Veel later, in 1941, volgde nog een boek over de Nederlandse republiek, Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw. Het werk dat vandaag het meest geciteerd wordt, stamt uit 1938: Homo Ludens, een essay over “de spelende mens”. Vandaag zijn games ontzettend populair en Homo Ludens kun je daar een voorloper van noemen. In 1935 verscheen In de schaduwen van morgen. Daarin probeerde hij het onheil te voorspellen dat op de wereld aan het afkomen was. Het totalitarisme, met het fascisme, stalinisme en nazisme waren in opmars. De ondertitel van dat boek luidde: “Een diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd”, en geeft perfect de toon weer. Moest hij nu leven, zou hij misschien iets gelijkaardigs schrijven. In de schaduwen van morgen werd door zijn tijdgenoten met veel aandacht gelezen en werd in verschillende talen vertaald. Er heerste op dat moment een ware cultus rond Johan Huizinga.’

 

Interne verbanning

In het academiejaar 1932-1933 was Johan Huizinga rector van de Leidense universiteit. Op dinsdag 11 april 1933 verbood hij de Duitse professor Johann von Leers de toegang tot zijn universiteit. Von Leers was een overtuigd nazi, biograaf van Adolf Hitler en schrijver van antisemitische pamfletten. Hij was op de universiteit te gast als leider van de Duitse delegatie op een conferentie van de International Student Service. De internationale beroering die ontstond na de beslissing van rector Huizinga zorgde ervoor dat het congres vervroegd uiteenging. Johann von Leers reisde woedend terug naar Duitsland en zinde op wraak. Marc Boone: ‘Toen de nazi’s in Nederland binnenvielen, werd Johan Huizinga meteen op non-actief geplaatst. Hij mocht geen les meer geven en werd intern verbannen, naar het oosten van Nederland. In 1945 stierf hij. Hij maakte net niet de bevrijding mee. Na zijn dood verscheen Geschonden wereld, een beschouwing over de kansen op herstel van onze beschaving. Dat had hij twee jaar eerder in zijn ballingsoord geschreven. Merkwaardig genoeg was de toon in Geschonden wereld toch iets optimistischer dan in Herfsttij der Middeleeuwen.’

Raden Marc Boone en Wim Blockmans Herfsttij der Middeleeuwen aan studenten geschiedenis aan?

Marc Boone: ‘Natuurlijk, want het is wel degelijk een klassieker. Ook in de Verenigde Staten wordt dat boek nog steeds terecht zo beschouwd.’

Wim Blockmans: ‘Aan Amerikaanse universiteiten is het boek zeker een bestseller. Toen ik professor in Leiden was, heb ik het één keer met mijn studenten van het tweede jaar helemaal doorgenomen. Maar ze stonden snel op hun achterste poten, wezen op de methodologische zwakheden én op Huizinga’s vooroordelen. Dat was niet voor herhaling vatbaar.’

 

Johan Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen, Samengesteld en van bibliografie voorzien door Anton van der Lem, Leiden University Press, 592 blz., 59,50 euro

 

(c) Jan Stevens

De Bourgondiërs

Eind 2014 scoorde Bart Van Loo een bestseller met zijn vuistdikke biografie over Napoleon. Vandaag legt hij daar een minstens even dikke kroniek van de Bourgondiërs naast. ‘Ze stonden op de eerste rij bij alle belangrijke Europese revoluties.’

 

Vier jaar lang werkte Bart Van Loo aan De Bourgondiërs. Duizend jaar Europese geschiedenis balde hij tot ruim 600 vaardig geschreven bladzijden. Met veel oog voor detail schildert hij het ontstaan van de Nederlanden in de vijftiende eeuw. ‘De Lage Landen zijn een Bourgondische uitvinding’, zegt hij. ‘Om dat verhaal goed uitgelegd te krijgen, moest ik ver teruggaan in de tijd.’

 

U begon in 406.

Bart Van Loo: De reconstructie van de eerste 990 jaar in 66 bladzijden kostte me maanden. Ik begin bij de inval van de barbaren uit het noorden. In december 406 vroor de Rijn in de buurt van Mainz dicht. De schijnbaar onoverbrugbare rivier veranderde in één grote uitnodigende brug. De barbaren uit het ruige Germanië kregen toegang tot het door de Romeinen bestuurde Gallië, het latere Frankrijk. Vandalen, Sueben en Alanen stroomden Gallië binnen. Wij hebben dat allemaal geleerd op de middelbare school. Maar wat niet in onze geschiedenislessen verteld werd, is dat er ook Bourgondiërs mee de Rijn overstaken.

 

Kwamen de Bourgondiërs dan niet oorspronkelijk uit het zuiden?

Van Loo: Helemaal niet. Zij hadden heel Oost-Europa doorkruist, van rivier naar rivier en stamden eigenlijk van het eiland Bornholm. Dat ligt in de Oostzee, tussen Denemarken en Polen. Vóór onze jaartelling heette het Burgundarholm. Die naam smokkelden ze via Oost-Europa mee naar de plek waar ze zich uiteindelijk vestigden: Bourgondië. Aan de hand van dat vergeten Germaanse volk, de Bourgondiërs, schets ik de middeleeuwen in het eerste deel van mijn boek. Clovis, de eerste koning der Franken, bekeerde zich tot het christendom onder grote invloed van zijn vrouw Clothilde, een Bourgondische katholieke prinses. In 911 werden de Noormannen bij Chartres tegengehouden door een leger onder leiding van Richard de Rechtsbrenger, de eerste hertog van Bourgondië.

 

De Bourgondiërs hielden de Vikingen tegen?

Van Loo: Jawel. De verslagen Vikingenleider Rollo kon zijn vege lijf redden door zich te laten dopen en werd verbannen. Het eerste stuk land dat hem als ballingsoord werd aangeboden, was Vlaanderen. Toen was dat nog moerasland. Rollo had geen zin om de rest van zijn dagen te zitten verpieteren in een zompig moeras. Hij weigerde en kreeg een ander gebied toegewezen dat we nu kennen als Normandië. Stel je voor dat hij akkoord was gegaan met Vlaanderen, dan leefden wij nu in Normandië. (lacht)

Het was niet vanzelfsprekend om dat eerste millennium opnieuw te vertellen aan de hand van de vergeten Bourgondiërs. Ik weet ook niet of iemand ooit de middeleeuwen ontsloten heeft op de manier waarop ik het heb aangepakt. Maar ik moést dat doen, want zij stonden telkens weer op de eerste rij bij alle belangrijke Europese revoluties.

 

Na dat millennium in 66 bladzijden, vertelt u de Bourgondische eeuw die liep van 1369 tot 1467 in 292 bladzijden. De verhoudingen lijken een beetje zoek.

Van Loo: Toch niet. Want na dat millennium in sneltreinvaart, staan de middeleeuwen in stelling en is de lezer helemaal klaar om te begrijpen wat zal volgen. Dan komt de eigenlijke start van de eenmaking van de Lage Landen, met op 19 juni 1369 het huwelijk in Gent van Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië met Margaretha van Male, de dochter van de graaf van Vlaanderen. Filips de Stoute legde de basis, zijn nazaten Jan zonder Vrees, Filips de Goede en Karel de Stoute bouwden de erfenis uit. Kleinzoon Filips de Goede gaf de onder zijn gezag verenigde landen aan de benedenloop van Rijn, Maas en Schelde voor het eerst een staatkundige dimensie. Hij zorgde voor een echt gevoel van eenheid met ‘de vierlander’, een munteenheid voor de hele Nederlanden. Vervolgens maakte hij werk van een representatieve vertegenwoordiging: op 9 januari 1464 riep hij de eerste Staten-Generaal van de Nederlanden in de gotische zaal van het stadhuis van Brugge samen. Vertegenwoordigers uit Artesië (vandaag het oostelijke en noordelijke deel van het huidige Franse departement Pas-de-Calais – JS), Vlaanderen, Frans-Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Holland, Zeeland, Namen, Boulogne en Mechelen tekenden present. Die bijeenkomst markeert de officiële geboorteakte van de Lage Landen. Dat is nu exact 555 jaar geleden.

 

En daarom siert een portret van Filips de Goede de cover?

Van Loo: Ik vind dat een beeldschoon portret, naar een verloren origineel van Rogier van der Weyden. Het hangt in het Musée des Beaux-Arts van Dijon, meteen ook het vroegere paleis van de hertogen van Bourgondië. Filips de Goede is de man die de eenmaking écht geregeld heeft. Hij regeerde ook het langst, van 1419 tot 1467. Veel mensen kennen vandaag zijn naam, maar weten niet meer wie hij was of waar hij voor stond. Als ze mijn boek gelezen hebben, zullen ze voor eens en voor altijd weten dat hij onze aartsvader is. En dan zullen ze hem net als mijn vierjarige dochter Clémence overal meteen herkennen. Zij zat in mijn nek toen we door het Musée des Beaux-Arts kuierden. We passeerden dat schilderij en Clémence riep verrukt: ‘Filips de Goede!’ (lacht)

 

Wat voor een man was hij?

Van Loo: Zowel ascetisch als wellustig. Soms vaste hij als brave katholiek en soms was hij onwijs geil. Hij organiseerde uitzinnige feesten en had 26 bastaardkinderen bij 25 minnaressen. Aan de ene kant was hij een stoere ridder die op kruistocht wou, en aan de andere kant gaf hij bijvoorbeeld justitie een boost door rechtbanken te installeren. Hij creëerde financiële rekenkamers, waar ze behoefte hadden aan mensen met een goed ontwikkeld verstand. Dus moesten er opleidingen komen. Filips werd zo een van de drijvende krachten achter de universiteit van Leuven. Hij is ridder maar ook burger. Met de ene voet staat hij nog in de klassieke middeleeuwen en met de andere in de renaissance. De door hem opgerichte ridderorde van het Gulden Vlies illustreert die dubbelzinnigheid. Het was een religieuze broederschap van heldhaftige ridders die paraat stonden om op kruistocht te vertrekken. Tegelijkertijd was het ook een netwerk, een soort van businessclub. Filips kanselier Rolin was een slimme kerel die gestudeerd had, net als zijn allereerste minister van Financiën Bladelin. Lang voor de Franse revolutie kon wie van goede komaf was voor het eerst dankzij studie carrière maken. De rest van de adel miste de trein van het burgerschap. Zij bleven ronddwalen in hun Don Quichote-achtige ridderverhalen. Het hof van Filips de Goede was altijd onderweg. Een hoofdstad zoals wij die vandaag hebben, bestond nog niet.

 

De hofhouding van de hertog was voortdurend on the road?

Van Loo: Ze legden lange afstanden te paard af, door weer en wind. Wij kunnen ons dat niet voorstellen. Filips de Goede logeerde vaak op verschillende plekken. Hij had de Prinsenhoven in Gent en Brugge en zijn paleizen in Dijon en Rijsel. In Brussel bezat hij het paleis op de Koudenberg. Daar verbleef hij het meest, zeker in de laatste jaren van zijn leven. Je mag gerust stellen dat Brussel de feitelijke hoofdstad van het Bourgondische rijk werd. Zijn paleis op de Koudenberg stond op exact dezelfde plaats waar ons huidige koninklijk paleis staat. Je kan er zijn kelders nog bezoeken en dromen van de vaten Beaune die er lagen.

 

U beschrijft feesten georganiseerd door de hertogen van Bourgondië. Het lijken scènes uit een film van Fellini, of La Grande Bouffe in overtreffende trap. Vooral de zogeheten ‘entremets’ spreken tot de verbeelding.

Van Loo: De koks deden hun uiterste best om met die tussengerechten de gasten te verrassen. Ze decoreerden trapganzen met diamanten, hulden hazelhoenen in een gouden habijt of plaatsten een kippenkop op een konijnenlijf. De poten van een gegrilde pauw werden verguld, zijn staart en pluimen werden weer op zijn lijf geplakt en ze propten een in brandewijn gedrenkte lap stof in zijn bek. Ze staken de prop in brand en onder begeleiding van hoorngeschal werd de vuurspuwende pauw opgediend. De Bourgondiërs waren daar gek op. Jan Fabre zou dat vandaag feilloos georchestreerde performances noemen. Het vette en vrome leven van de hertogen van Bourgondië ging later via het werk van Bruegel en figuren als Lamme Goedzak tot de volksaard behoren. Als de hertogen van hun feestjes geen propagandistische kunstwerken hadden gemaakt, zouden we nu iemand die van lekkere gastronomie houdt, geen ‘bourgondiër’ noemen.

 

U citeert af en toe kroniekschrijvers. Maar kunnen we die zogenaamde ooggetuigenverslagen blindelings vertrouwen? Zij werkten toch vaak in opdracht van de machthebbers van die tijd?

Van Loo: Nee, ze zijn niet te vertrouwen, al ben ik als schrijver toch heel blij met hun verhalen. De gerenommeerde historicus Wim Blockmans was tijdens het schrijven van dit boek mijn klankbord. Academici zoals hij verrichten pionierswerk met het uitpluizen van het waarheidsgehalte van al die kronieken. Met de facturen in de hand gaan ze na wat juist is en wat verzinsel.

 

Want de Bourgondiërs waren uitstekende boekhouders?

Van Loo: Ze schreven graag facturen en hielden nauwgezet hun boekhouding bij. Die boekhoudingen zijn onmisbare bronnen vol hard cijfermateriaal. De kroniekschrijvers lieten zalige teksten vol anekdotiek na, maar met hun getuigenverslagen moet je goed oppassen. Als zij schrijven dat honderduizend mensen een veldslag uitvochten, neem je dat aantal best met een korrel zout.

 

Dat klinkt Trumpiaans. Na zijn inauguratie had de Amerikaanse president Donald Trump het over ‘de grootste menigte toeschouwers ooit’.

Van Loo: Dat is inderdaad een kopie van toen. Bij het huwelijk van Filips de Goede in 1430 telde een enthousiaste chroniqueur 5000 deelnemers aan de stoet. Een stoet van 5000 deelnemers? Komaan zeg. Een andere schreef over 150.000 toeschouwers. Natuurlijk vond Filips de Goede die aantallen in zijn kronieken fantastisch. Net zoals Trump jubelt over de opkomst op zijn politieke rally’s.

 

De hoge heren leefden zich op hun banketten uit als echte bourgondiërs, terwijl het voor het gewone volk verschrikkelijke tijden waren?

Van Loo: De vijftiende-eeuwse Franse kroniekschrijver Philippe de Commynes beschreef Bourgondië en de Lage Landen onder Filips de Goede als ‘de landen van belofte’. Met eten, drinken, feesten en rijkdom. Natuurlijk had De Commynes vooral oog voor de elite. Maar die lag hier wel dikker gezaaid dan elders. De levensstandaard in de zuidelijke Nederlanden bereikte op dat moment het hoogste peil ooit. Het zou daarna nog tot in de 19e eeuw duren vooraleer we daar terug bij aanknoopten. Wat niet wil zeggen dat er geen kommer en kwel was, integendeel. Maar binnen de buitengrenzen van het Bourgondische rijk heerste er vrede. Dat was al heel wat.

 

Behalve dan in de steden.

Van Loo: Dat klopt, de steden gingen met de regelmaat van de klok in het verweer. Gent speelde telkens weer de hoogste viool. Daar heerste een redelijk onwaarschijnlijke rebelse geest.

 

In de Bourgondische eeuw kreeg ‘de ontwakende individualisering van de westerse mens een kleine groeischeut’, schrijft u. Dat gebeurde op het moment dat ze het geloof in hun privésfeer toelieten. Zweefde het geloof daarvoor dan altijd boven hun hoofden?

Van Loo: Geloof was eerst elitair, met de kloosterorden in een glansrol. Vanuit het klooster van het Bourgondische Cluny oefende de Benedictijnerorde veel macht uit over de hele katholieke gemeenschap. In Cluny werd gebeden voor het zielenheil van de hele mensheid. De Benedictijnen groeiden uit tot een succesvolle religieuze multinational, met kloosters tot in Santiago De Compostella. Maar vanaf de 14e eeuw kwam daar verandering in door rondtrekkende predikers die met hun verhalen steeds meer volk lokten. Hun openbare preken groeiden uit tot heuse spektakels, inclusief stuntachtige verschijningen. Geloof werd iets heel zintuiglijk. Tegelijk veranderde ook de kunst: die verliet de kerk en het klooster. Gewone mensen wilden graag iets tastbaars van hun geloof. Als ze het zich konden veroorloven, kochten ze een gebedenboek of een brevier. Arme dompelaars hadden een paternoster of bouwden in een hoekje van hun huis een privékapelletje met een kruis of een primitieve afbeelding van Christus met een kaars ervoor. Uit die volksdevotie groeide een heuse industrie van niet al te beste kunst. Mozes en de andere heiligenbeelden verlieten de kerk en doken plots overal op. Het geloof werd ‘draagbaar’. Filips de Stoute, de grootvader van Filips de Goede, zat tijdens die evolutie op de eerste rij. Zijn kaarsen waren enorm, net als zijn brevieren. Zijn privékapelletje werd meteen een heel klooster. (lacht) Hij gaf opdracht tot de bouw van het tot de verbeelding sprekende kartuizerklooster van Champmol in Dijon. De kartuizers waren het strengst in het navolgen van de gelofte van armoede, terwijl Filips de Stoute de best geklede man was van zijn tijd.

 

Met Champmol wou hij zijn toekomst in het hiernamaals veilig stellen?

Van Loo: Natuurlijk. Zijn graf moest in dat klooster komen, waar vervolgens een hele orde dag en nacht voor zijn zielenheil kon bidden. In de Lage Landen rekruteerde hij kunstenaars. De belangrijkste was Klaas Sluter uit Haarlem. Niemand kent die man nu nog, maar ik vind hem de Michelangelo van de Lage Landen. Zijn werk is prachtig, je moet echt eens naar Dijon naar het praalgraf van Filips de Stoute gaan kijken. Sluter beeldhouwde de rouwstoet in albast en marmer. Je ziet iemand een traan wegpinken, iemand anders snuit zijn neus. De huidplooien en rimpels van die gebeeldhouwde mensen zijn levensecht. Die meesterwerken zijn gemaakt door iemand van bij ons. Of toch ongeveer: Klaas Sluter was een Haarlemmer die waarschijnlijk rond de markt van Brussel de stiel geleerd heeft. Jan van Eyck moet zeker het werk van Sluter in Dijon gezien hebben, want je vindt Sluters invloed terug in het Lam Gods in de Gentse Sint-Baafskathedraal.

Sluter wil zeggen: ‘sleuteldrager’. Klaas Sluter gaf Van Eyck de sleutels waarmee hij de deur van een nieuwe kunsteeuw kon ontsluiten. Daarom noem ik hem onze Michelangelo en geef ik hem met dit boek eindelijk de honneurs die hij verdient.

 

Had Sluter dan niet op de cover moeten staan?

Van Loo: We hebben geen beeld van hem. Toen hij in Dijon aan het werk was, draaide alles nog rond Filips de Stoute en niet rond de kunstenaar. De naam ‘Klaas Sluter’ kennen we eigenlijk alleen uit de Bourgondische boekhouding. Als de betalingen aan hem daar niet netjes in waren bijgehouden, hadden we zelfs nooit geweten wie die prachtige beelden gemaakt heeft.

 

Bart Van Loo

  • Geboren in Herentals in 1973.
  • Studeerde Romaanse filologie.
  • Gaf een aantal jaren Frans in het middelbaar onderwijs.
  • Werd in 2006 voltijds schrijver en conferencier. Debuteerde in dat jaar met de literaire reisgids voor Frankrijk Parijs retour.
  • Schreef o.a. Frankrijktrilogie (2011), Chanson(2011) en Napoleon (2014).
  • Is getrouwd met een Française uit Bourgondië.

 

Bart Van Loo, De Bourgondiërs. Aartsvaders van de Lage Landen, De Bezige Bij; 607 blz., 34,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘De Wehrmacht was net zo schuldig als de SS’

In Ondankbaar België reconstrueert historicus Dimitri Roden de Duitse repressie van verzetslui in België tijdens WO II. ‘De Duitse militaire gouverneur Alexander von Falkenhausen beweerde na de oorlog dat hij de levens van veel Belgen gered had. Dat klopt, alleen was dat niet uit medelijden, maar om zijn eigen hachje te redden.’

 

73 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog presenteert historicus en Breendonk-conservator Dimitri Roden in zijn boek Ondankbaar België nieuwe inzichten over de veroordelingen van politieke gevangenen. ‘Dat “nieuwe” lijkt verrassend’, zegt hij, ‘maar is het niet als je weet dat onderzoek naar het gedrag van Duitse militairen tijdens WO II lange tijd vooral een Duitse aangelegenheid was. Daardoor bleven veel feiten onderbelicht. Want in het naoorlogse Duitsland leefde de overtuiging dat vooral de nazi’s van de SS zich misdragen hadden. “Onze militairen van de Wehrmacht daarentegen hielden zich aan het internationaal recht.” De Duitsers raakten daarmee weg omdat net op dat moment de koude oorlog uitbrak. De geallieerden konden de expertise van figuren zoals een Wernher von Braun goed gebruiken. Daarom waren ze zeer tegemoetkomend in het bepalen van wie een oorlogsmisdadiger was en wie nog ‘bruikbaar’ was. Als ze veel strenger waren geweest, had zo goed als geen Duitser aan hun kant kunnen gaan staan. Natuurlijk ontsprongen de echt grote oorlogsmisdadigers de dans niet. Maar tot de jaren tachtig bleef het adagium overeind dat de militairen van het Duitse leger niet waren zoals die wreedaards van de SS. De van stad naar stad reizende tentoonstelling “Vernietigingsoorlog: misdaden van de Wehrmacht 1941-1945” maakte daar voorgoed een eind aan. Ze toonde foto’s van soldaten van de “saubere” Wehrmacht die zich aan het Oostfront te buiten gingen aan oorlogsmisdaden. Er ging toen een schokgolf door de Duitse samenleving en sindsdien brengen historici aan het licht dat Hitlers Wehrmacht net zo schuldig was als de rest.’

 

Zo ook in bezet België.

Dimitri Roden: Precies. Tijdens de oorlogsjaren was de situatie in bezet Frankrijk vergelijkbaar met de Belgische. Ook daar werd het grondgebied 4 jaar lang bestuurd door militairen, al moesten de Fransen in 1942 wel een SS-generaal dulden die de ordehandhaving naar zich toetrok. Maar het veiligheidsbeleid was zowel in Noord-Frankrijk als in België in handen van militairen van de Wehrmacht die hun eigen verordeningen en wetten uitvaardigden. Belgische overtreders werden door de politiediensten van de bezetter opgespoord. Een aantal gearresteerden werden zonder vonnis naar een concentratiekamp gestuurd; anderen stonden in bezet gebied terecht voor een Duitse militaire rechtbank. Tijdens de bezetting kwamen naar schatting enkele tienduizenden burgers in aanraking met het Duitse krijgsgerecht. Minstens 900 van hen werden ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.

Na de oorlog beschreven vooral advocaten de geschiedenis van het Duitse krijgsgerecht in bezet België. Zij hadden zelf landgenoten voor een krijgsraad verdedigd. Zo brachten de Luikse strafpleiters Cassian Lohest en Gaston Kreit in 1945 een boek uit over de strafzaken die zij hadden gepleit. Een paar jaar later zette ook de Brusselse advocaat Frédéric Eickhoff zijn ervaringen op papier. Maar getuigenissen van veroordeelden waren veel zeldzamer. Vermoedelijk is dat ook de reden waarom collega-historici er jarenlang bijzonder weinig oog voor hadden. Sommigen onderzochten wel aspecten van de Duitse veiligheidspolitiek in ons land, maar nooit vanuit de invalshoek van het Duitse krijgsgerecht. De eerste studie over de vervolging van verzetsfeiten die gebruik maakt van primaire bronnen, dateert pas van 2004. Historica Tamara Altman voerde toen haar onderzoek aan de hand van vonnissen die bewaard zijn gebleven in de Duitse opsluitingsdossiers van de gevangenis van Sint-Gillis. Maar een overzichtswerk over het Duitse krijgsgerecht in heel bezet België was er niet.

 

Met Ondankbaar België wil u dat hiaat wegwerken?

Roden: Zeker. België is eigenlijk een heel interessant onderwerp omdat wij het enige bezette West-Europese land waren waar de militairen écht vier jaar lang de ordehandhaving in handen hadden. Hier kwam geen SS-generaal langs die de ordehandhaving naar zich toe trok. Adolf Hitler wist niet goed wat hij met ons moest aanvangen. Hij beschouwde ons als een Germaans broedervolk en dubde over onze toekomst: België annexeren of ‘germaniseren’? Hij kon geen beslissing nemen, met als gevolg dat het militaire bestuur gewoon op post bleef. Daardoor is België het land bij uitstek om te onderzoeken of de Wehrmacht in West-Europa altijd wel zo correct handelde als de Duitsers zelf beweerden. Ook Alexander von Falkenhausen, de militaire gouverneur die hier verantwoordelijk was voor de ordehandhaving, hield die mythe tot aan zijn dood in 1966 hoog. Zo huwde hij na de oorlog met de Belgische verzetsvrouw Cécile Vent, hoofd van de sector Verviers van het inlichtingennetwerk Tégal. In zijn memoires schreef Von Falkenhausen dat hij de Belgen altijd goed behandeld had.

 

Maar wordt het stilaan geen onmogelijk opgave om meer dan 70 jaar na datum nog te onderzoeken hoe de Duitse militairen zich tegenover gearresteerde verzetslui gedroegen? De laatste getuigen zijn aan het verdwijnen.

Roden: Het is heel spijtig dat die laatste getuigen verdwijnen; binnenkort zullen we hen geen rechtstreekse vragen meer kunnen stellen. Al hebben de voorbije jaren een aantal mensen wel veel moeite gedaan om zoveel mogelijk materiaal te verzamelen. Mijn collega’s van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (CEGESOMA) namen ontzettend veel getuigenissen af en je mag ook de interviews van de legendarische onderzoeksjournalist Maurice De Wilde niet vergeten. Maar voor een historicus die zoals ik in kaart wil brengen hoe de Duitse veiligheidspolitiek in bezet België écht functioneerde, is het grote probleem inderdaad de schaarsheid aan bronnenmateriaal. Veel archieven werden vlak voor de bevrijding vernietigd, of gingen tijdens de geallieerde bombardementen in vlammen op. Gelukkig kon ik de hand leggen op ongeveer 10.000 originele Duitse opsluitingsdossiers die kort na de oorlog door verbindingsofficieren van het Belgisch Commissariaat der Repatriëring uit verschillende strafinrichtingen in Duitsland werden meegebracht. Die zogenaamde Personalakten hebben heel lang stof liggen vergaren, terwijl ze een schat aan informatie bevatten, zoals gegevens over de aanhouding en opsluiting van veroordeelden, gemotiveerde vonnissen, aktes van beschuldiging of correspondentie tussen gerechtelijke instanties en de gevangenisdirecties. Die opsluitingsdossiers vormen echt wel een solide basis om de gerechtelijke vervolging in bezet België te bestuderen. Ik kon zo ook het soms ingewikkelde strafuitvoeringssysteem reconstrueren. Dat is in die tijd nooit op papier gezet en evolueerde mee met hoe de oorlog verliep. Tot de zomer van ’41 besliste Alexander von Falkenhausen dat alle veroordeelde politieke gevangenen hun straf in een Belgische gevangenis moesten uitzitten. De Duitse militaire overheid eiste daar een paar vleugels in de gevangenissen van Sint-Gillis, Gent en Brugge voor op. De ‘zware gevallen’ werden uitzonderlijk naar Duitsland gedeporteerd. In oktober 1941 voerde de bezetter de maatregel in dat alle mannelijke en vrouwelijke politieke gevangenen die tot drie jaar of meer veroordeeld waren, hun straf moesten gaan uitzitten in Duitse gevangenissen. Voor straffen onder drie jaar werden de mannen naar Leuven of Merksplas gestuurd en de vrouwen naar Vorst. Hoe slechter het met de oorlog ging en hoe actiever het verzet werd, hoe sneller het Duitse bewind onder leiding van Von Falkenhausen veroordeelden naar Duitsland stuurde.

 

Aan de basis van de titel van uw boek, ‘ondankbaar België’, ligt een uitspraak van Alexander von Falkenhausen.

Roden: Toen Von Falkenhausen in maart 1951 door de Belgische overheid het land werd uitgezet, waren zijn laatste woorden: ‘Ingrata Belgia, non possidebis ossa mea. Ondankbaar België, gij zult mijn beenderen niet bezitten.’ Of vrij vertaald: ‘Ondankbare Belgen, jullie veroordelen mij terwijl net ik jullie uit handen van de SS heb gehouden.’ Daar zit een kern van waarheid in.

 

Omdat de SS qua wreedheid onovertroffen was?

Roden: De SS werkte buitengerechtelijk. Als je als verzetslid door SS’ers gearresteerd werd, betekende dat deportatie naar de concentratiekampen zonder enige vorm van proces. Onder Von Falkenhausen werd van in 1940 de nadruk gelegd op juridische vervolging, wat wil zeggen dat verzetslui voor krijgsraden verschenen. De redenering was dat die processen op termijn het verzet tot bezinning zou brengen. Wat niet wil zeggen dat Von Falkenhausen nooit maatregelen nam die vanuit juridisch standpunt onaanvaardbaar waren, of ver over de schreef gingen. Door in te zetten op juridische bestraffing, kon hij wel claimen dat hij binnen het kader van het internationaal recht bleef. Maar de druk vanuit Berlijn om dat pad te verlaten en keihard tegen het verzet op te treden, werd steeds groter. Heel bezet West-Europa kreeg draconische maatregelen opgelegd, zoals het deporteren van verdachten zonder hun familie op de hoogte te stellen. Von Falkenhausen ging daar tegenin: ‘Als wij doen wat jullie in Berlijn vragen, maken we het verzet in België veel groter dan het is.’ Om weerstand aan de druk vanuit Berlijn te kunnen blijven bieden, ging hij steeds verder in het zoeken naar manieren om zijn krijgsraden in stand te houden. In de praktijk kwam het erop neer dat de strafrechtspraak zienderogen verstrengde.

 

Alexander von Falkenhausen installeerde in België zijn eigen rechtssysteem?

Roden: Binnen de mate van het mogelijke koos hij inderdaad voor een gerechtelijke aanpak van het verzet, maar natuurlijk kon hij de bevelen vanuit Berlijn niet blijven negeren.Op 7 december 1941 vaardigde Adolf Hitler het beruchte Nacht und Nebel-decreet uit. Dat schreef voor dat de Duitse krijgsraden in bezet gebied nog enkel verzetslui voor zware feiten mochten vervolgen wanneer hun veroordeling en executie binnen de week na hun aanhouding kon plaatsvinden. In alle andere gevallen moesten de gearresteerden in het grootste geheim naar Duitsland overgebracht worden. Daar kwamen ze dan meestal in tuchthuizen of strafkampen terecht waar ze soms in vreselijke omstandigheden ingeschakeld werden in de oorlogsindustrie. De familie mocht daar niet over ingelicht worden, zodat het leek alsof de verdachte ‘in nacht en nevel’ verdwenen was. Met die maatregel wou Hitler zowel de bevolking in de bezette gebieden als het verzet de stuipen op het lijf jagen. De uiteindelijke beslissing over de heimelijke deportatie of ‘Abgabe ins Reich’ van een verdachte lag bij de hoogste Gerichtsherr in het ambtsgebied. In België was dat dus generaal von Falkenhausen. Na de oorlog beweerde hij dat hij zich tegen dat vreselijke decreet verzet had. Dat klopt, maar niet omdat hij inzat met het lijden van de gearresteerden. Eerst en vooral wou hij zijn eigen militaire bestuur handhaven. Want hij vreesde dat er hier net als in Nederland een burgerlijk bestuur geïnstalleerd zou worden, met de SS als ordehandhaver. Hij stuurde ondergeschikten naar Berlijn om daar voorzichtig bezwaren te gaan uiten. Zo liet hij via-via weten dat de executieplaats in Beverlo niet geschikt was om er mensen binnen de week te executeren.

 

Von Falkenhausen wou geen Belgische mensenlevens redden, maar zijn eigen positie veilig stellen?

Roden: Ja. Na de oorlog beweerde hij dat hij gehandeld had in het belang van de Belgen, terwijl hij eerst en vooral zijn eigen militaire bestuur wou handhaven. Hij was een real-politiker. Aan de ene kant moest hij het verzet in toom houden en aan de andere kant moest hij Berlijn laten zien dat hij de zaak meester was en op bepaalde momenten keihard kon optreden. Wat hij trouwens ook deed. Zo aarzelde hij niet om tussen december 1942 en januari 1943 zestig gijzelaars te laten executeren, om op die manier een aanslagengolf van het verzet halt toe te roepen. Met succes: als gevolg van de harde represailles staakte het verzet zijn aanslagen tegen Duitsers en richtte het zijn pijlen voortaan op Belgische collaborateurs. Volledigheidshalve moet ik eraan toevoegen dat Von Falkenhausen meteen stopte met het executeren van gijzelaars van zodra het geweld tegen Duitse militairen ophield.

 

Probeerde hij het Nacht und Nebel-decreet te ondermijnen door zo weing mogelijk gearresteerde verzetslui bij nacht en ontij naar Duitsland te deporteren?

Roden: Hij deed exact het tegendeel en stuurde zowat iedereen naar Duitsland. Het gevolg was dat hij een vlammende brief uit Berlijn kreeg waarin stond dat dat niet geapprecieerd werd en dat hij dringend werk moest maken van een correcte toepassing van het decreet. Toch bleef hij massaal mensen naar Duitsland sturen. Na de oorlog verklaarde hij dan weer dat hij het aantal Nacht und Nebel-deportaties teruggeschroefd had omdat hij wist dat het lot van de gevangenen in de kampen afschuwelijk was en hij ze zo wou beschermen. Maar de cijfers vertellen een ander verhaal: van de 4500 zaken tegen vermeende verzetslui die hem tijdens de oorlog werden voorgelegd, stuurde hij bijna 3000 personen naar Duitsland. Dat is meer dan 85 procent. Het merkwaardige is dat hij zo levens gered heeft, want Duitsland kon die instroom niet aan. Gearresteerden die hier in principe binnen de week terechtgesteld hadden moeten worden, kwamen door Von Falkenhausens beleid in een Duits kamp terecht waar het maanden en zelfs jaren duurde eer ze voor een rechter verschenen.

 

Misschien is er begrip mogelijk voor dat beleid van Alexander von Falkenhausen?

Roden: ‘Begrip’ is in deze kwestie heel moeilijk. Al kan niet ontkend worden dat hij dingen gedaan heeft die een deel van de Belgische bevolking ten goede kwamen. In de periode’40-‘42 stond hij inderdaad op de rem, maar daarna verloor zijn bewind steeds meer controle. Vanaf 1943 is er nog maar weinig goeds over Von Falkenhausen en consorten te vertellen. Willekeurige arrestaties, deporteren zonder proces en executies werden de standaard. We moeten ook oppassen dat we het lijden niet minimaliseren van de families van alle mensen die tussen ’40 en ’42 terechtgesteld zijn. In 1943 besefte Alexander von Falkenhausen dat de Duitsers de oorlog gingen verliezen, waarna hij zich concentreerde op de redding van zijn eigen hachje.

 

Hij was geen volbloednazi?

Roden: Nee, hij is echt een intrigerende man. Op indirecte wijze was Von Falkenhausen betrokken bij het verzet tegen Hitler. Niet actief, maar hij had wel contacten met de plegers van de mislukte aanslag van 20 juli 1944 op de Führer. Zijn jongere broer Hans-Joachim werd in 1934 om het leven gebracht door de SS tijdens de fameuze Röhm-Putsch, de Nacht van de Lange Messen. Meteen daarna vluchtte Alexander weg uit Duitsland, naar China. Daar werkte hij als militair adviseur van Tsjang Kai-Sjek. Nadat in 1937 de Chinees-Japanse oorlog uitbrak, kwam Von Falkenhausen in een lastig parket te zitten. Het naziregime eiste dat hij meteen ophield met het trainen van de Chinese troepen, want zij trokken ten strijde tegen een mogelijke Duitse bondgenoot, het Japanse keizerrijk. Een jaar later keerde hij terug naar Duitsland en door een speling van het lot werd hij in mei 1940 aangesteld tot Militärbefehlshaber van bezet België. Hij trad zo in de voetsporen van zijn oom Ludwig Freiherr von Falkenhausen, die hier tijdens de Eerste Wereldoorlog gouverneur-generaal was. Alexander von Falkenhausen was dus geen diehard nazi, maar eerder een vertegenwoordiger van de Pruisische conservatieve militaire klasse. Hij was een aanhanger van de Pruisische ‘Kriegsnotwendigkeit’. Volgens dat principe had een natie in tijden van oorlog het recht om met alle middelen, zowel wettige als onwettige, haar voortbestaan te verzekeren. Die mentaliteit sijpelde door in alle beslissingen die hij als militaire gouverneur nam.

 

Dimitri Roden

  • Geboren in 1982.
  • Studeerde geschiedenis aan de KULeuven.
  • Werkt sinds 2005 als historicus in het Breendonk Memoriaal.
  • Promoveerde in 2015 In 2015 tot doctor in de geschiedenis (UGent) en doctor in de sociale en militaire wetenschappen (KMS).
  • Werd in 2018 conservator van het Fort van Breendonk.

 

Dimitri Roden, Ondankbaar België, De Duitse repressie in de Tweede Wereldoorlog, AUP, 356 blz., 29,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Net als in de hoogdagen van het communisme, houden de Hongaren elkaar terug in de gaten’

Meer dan een kwart eeuw na de val van het communisme ontdekte de Hongaarse schrijver András Forgách dat zijn moeder Bruria van 1975 tot haar dood in 1985 informant voor de geheime dienst was. Ze hield niet alleen buren en vrienden in de gaten, maar ook haar eigen kinderen. In De akte van mijn moeder doet Forgách een boekje open over zijn moeder-spion. ‘Omdat ik haar zoon ben, vind ik niet dat ze me verraden heeft.’

 

In de herfst van 2013 kreeg András Forgách telefoon van een oude kennis uit zijn jeugd. Die had tijdens opzoekingswerk in het archief van de geheime dienst in Boedapest ontdekt dat een van Forgáchs familieleden jarenlang tijdens het communisme als informant voor de geheime dienst had gewerkt. ‘Hij noemde geen namen tijdens dat gesprek’, zegt András Forgach. ‘Maar ik voelde instinctief over wie het ging. We spraken af in een koffiehuis waar mijn vermoeden bevestigd werd: mijn in 1985 overleden moeder Bruria had decennialang een dubbelleven als informant geleid.’

 

Was dat een schok?

András Forgách: Zeker, maar toch ook niet helemaal. Toen ik die kerel in dat café sprak, viel het laatste stuk van de puzzel op zijn plaats. Plots begreep ik waarom ze zich op bepaalde momenten tijdens haar leven zo bizar had gedragen. Haar foute keuzes kregen betekenis, en veel vragen een antwoord.

 

Na de val van de muur in 1989 werd in Duitsland de Gauck-Behörde opgericht, een soort Waarheidscommissie belast met het beheer, onderzoek en openbaar maken van de Oost-Duitse Stasi-archieven. U hoorde pas in 2013 over het informantenverleden van uw moeder. Was er in Hongarije dan nooit een gelijkaardig initiatief?

Forgách: Nee, en voor Hongarije is dat een tragedie. Na bijna dertig jaar zal er ook niets meer veranderen. Jonge Hongaren zijn niet geïnteresseerd in dat verleden en historici hebben weinig aandacht voor die archieven. Al moet ik dat misschien toch nuanceren: de jaren veertig, vijftig en zestig worden wel goed onderzocht. Maar zeventig en tachtig zijn zo goed als onontgonnen terrein.

 

Hoe komt dat?

Forgách: Omdat veel van onze huidige politici in die periode als informant voor die geheime dienst actief waren. Zij hebben liever niet dat hun namen aan de oppervlakte komen en houden die doos van Pandora dus liever dicht. Ook veel artiesten waren informant en willen niet met hun verleden geconfronteerd worden. Politieke partijen zijn het eens met dat grote stilzwijgen, uit schrik dat ze anders leden zouden kunnen verliezen. Maar doen alsof er niets gebeurd is, is zeer ongezond voor een samenleving. Een van de redenen waarom ik dit boek geschreven heb, is om die samenzwering van de stilte te doorbreken. In De akte van mijn moeder schrijf ik zonder censuur over haar informantenwerk en leg haar dossier open en bloot op tafel. Ook al is het dan een ‘roman’, de inhoud is authentiek, met de echte namen van agenten, contactpersonen, figuranten. Ik wil dat er in Hongarije over die periode tenminste gepraat wordt.

 

Bent u boos op uw moeder?

Forgách: Nee. Onlangs hoorde ik op de radio een interview met Rebekka Hermán Mostert, zij vertaalde mijn boek naar het Nederlands. Ze zei dat mijn moeder me verraden heeft. Ik schrok daarvan, want ik heb dat nooit zo aangevoeld. Ik twijfel er geen moment aan dat Rebekka een uitstekende vertaalster is, maar haar interpretatie dat mijn moeder een verraadster zou zijn, vind ik zeer eenzijdig. In De akte van mijn moeder probeer ik net te analyseren waarom iemand informant wordt. Mijn moeder was lid van de partij en een overtuigde communist.

 

Meer nog: ze was stalinist.

Forgách: Dat klopt, maar tezelfdertijd was ze écht een trouwe goede communist, met uitstekende kwaliteiten. De agenten van de geheime dienst maakten overal aantekeningen van en hielden tot in de puntjes uitgeschreven verslagen van ontmoetingen met informanten bij. Mijn moeder komt uit haar dossier naar voor als een kameraad onder de kameraden. Als ze met haar contactpersonen overleg pleegde, was dat onder geestesgenoten. In haar dossier wordt ze omschreven als patriot.

 

Ze was geen informant omwille van het geld?

Forgách: Helemaal niet. Niet voor het geld en niet voor de macht. Enkel uit idealisme. Maar misschien toch ook weer niet helemaal, want als informant mocht ze regelmatig naar haar familie in Israël reizen. Dat kan je als een vergoeding beschouwen. Maar het is niet zo dat ze een vorm van verraad pleegde door informant te zijn. Nee, ze werd informant door haar overtuiging. ‘Bruria verraadde haar zoon András’, hoorde ik vertaalster Rebekka zeggen. Dat klopt ook niet. Rebekka’s uitspraken verrasten me, nadat ik de voorbije maanden urenlang met haar over mijn boek gepraat heb.

 

U bent Bruria’s zoon, en daarom misschien ook loyaal aan haar?

Forgách: Natuurlijk, maar dat wil nog niet zeggen dat mijn blik daardoor vertroebeld is. Ik heb in mijn boek geprobeerd om de context waarin zij leefde te reconstrueren.

 

Begin jaren tachtig biedt u in uw appartement in Boedapest onderdak aan de dissidente dichter György Petri. Wanneer de geheime dienst aan uw moeder vraagt om hen zonder uw medeweten toegang tot uw appartement te verschaffen, gaat ze daarop in. Is dat geen vorm van verraad?

Forgách: Verraad is niet het juiste woord. Ook niet als ze bij wijze van spreken later mijn hoofd aan de geheime dienst zal offreren. Want dat deed ze: ze droeg mij zonder dat ik het wist bij de Hongaarse Veiligheidsdienst voor als haar opvolger. Daar is gelukkig nooit iets van in huis gekomen, maar zelfs dat feit past in haar geloof dat ze een dienares van de communistische zaak is. Ze is er heilig van overtuigd dat ze zo meehelpt aan een betere wereld. Ik vermoed dat ze wel wist dat ze door mij ‘over te leveren’ een grens overschreed, alleen moest die kennis maar wijken voor de ‘goede zaak’. En natuurlijk heeft ze net als elke andere informant van de geheime dienst informatie over buren verzameld die die mensen soms in een lastig parket bracht. Maar doordat er in Hongarije een gebrek aan historisch onderzoek naar de communistische Veiligheidsdienst is, worden alle informanten over dezelfde kam gescheerd. ‘Ze deden het allemaal voor het geld of uit jaloezie.’ Er is geen enkel eerbaar motief mogelijk en er rest enkel zwart-wit.

 

Wat voor reacties kreeg u in uw thuisland op uw boek?

Forgách: Meestal positief, al probeerden sommigen mijn geloofwaardigheid in twijfel te trekken. Ze vonden dat ik de nagedachtenis van mijn moeder besmeurde. Alsof ik een andere keuze had.

Volgens de Hongaarse letter van de wet is het archief open en toegankelijk en mag er vrijelijk uit geciteerd worden. Het Stasi-archief is gedigitaliseerd en elke inwoner van de voormalige DDR kan online op zoek naar zijn eigen naam. Slechts een klein deel van het archief van de Hongaarse Veiligheidsdienst is digitaal raadpleegbaar. Als je als Hongaar iets wil opzoeken, moet je beroep doen op een researcher die voor jou in dozen en dossiermappen zal wroeten. In de praktijk is dat archief dus log en moeilijk toegankelijk. Niet lang na de publicatie in Hongarije van De akte van mijn moeder, vond ik in dat archief een dossier van een bladzijde of tien over mijn vader. Dat is nu opgenomen in de Nederlandse versie en de kans is groot dat ik in de toekomst nóg documenten vind.

 

Uw vader begon als eerste te werken voor de geheime dienst?

Forgách: Hij was journalist en werd gerekruteerd toen hij eind jaren vijftig correspondent in Londen werd. Ook hij geloofde heel sterk in de communistische zaak. Maar het spionnenwerk ondermijnde zijn persoonlijkheid, waardoor hij ten onder ging aan paranoia. Elke Hongaarse journalist die in de jaren zeventig en tachtig naar het Westen reisde, moest een document tekenen dat hem tot informant van de geheime dienst maakte.

 

Álle Hongaarse journalisten die tijdens het communisme als verslaggever naar het Westen kwamen, waren spionnen?

Forgách: Alle journalisten die voor de staat werkten. Mijn vader was in dienst van het officiële Hongaarse persbureau. Een correspondent raakte nooit aan een reispas als hij of zij niet eerst ook informant werd. De man die mijn vader in Londen opvolgde, was ook een agent, net als degene die erna kwam. Dat sloot naadloos aan bij de journalistiek zoals die door de grote kameraden van de Sovjet-Unie beleden werd.

Mijn vader leed onder aanvallen van paranoia en stortte begin jaren zestig helemaal in. Hij had wat men toen een zenuwinzinking noemde. Zijn laatste werk als Londense agent waren verslagen over Italiaanse en Joodse kranten. Hip spionnenwerk kan je dat niet noemen. Mijn ouders waren Joods, spraken Hebreeuws en waren gekant tegen de staat Israël. Niet veel Hongaarse Joden waren antizionisten, waardoor vader en moeder interessante agenten waren voor de geheime dienst. Toen vader te ziek werd om te kunnen functioneren, rekruteerden ze mijn moeder. Zij wist dat haar man een agent was en stond daar volledig achter.

 

Ze nam ook de codenaam van haar man over: ‘Papái’, Hongaars voor paus.

Forgách: Die naam was een vondst van vaders overste bij de veiligheidsdienst. Mijn vader was een ongelovige Jood. ‘Een Jood verberg je het best door er een katholiek sausje over te gieten’, vond luitenant Takács, de officier in kwestie. ‘Vanaf nu wordt kameraad Forgách: Papái, de paus’. De luitenant was daar naar het schijnt erg over in zijn nopjes. Toen moeder haar man als informant opvolgde, werd zij ‘mevrouw Papái’. Ze rekruteerden haar trouwens op een slinkse manier. Op geen enkel moment is haar meegedeeld: ‘Vanaf nu bent u geheim agent.’ Nee, op een bepaald moment vroegen ze: ‘Mevrouw, kunt u deze week eens een paar kranten voor ons bekijken?’ Later vroegen ze: ‘Wat zou u denken van een bezoek aan het Zionistisch Wereldcongres in Jeruzalem?’

 

Ze werd er langzaam ingesleurd?

Forgách: Ja, langzaam maar zeker maakten ze haar tot deel van het systeem. Ze hanteerden een goed uitgekiende, gedisciplineerde methode om mensen tot informant te kneden. In haar dossier vond ik een bijzonder intrigerend stukje tekst: ‘Aangezien het slechts een formaliteit is om mevrouw Papái tot officiële geheim medewerker te verklaren, zullen we haar hiervan niet speciaal op de hoogte brengen.’ Ze hebben haar dus nooit expliciet gezegd dat ze agent van de veiligheidsdienst was. De expert die samen met mij het dossier van moeder onderzocht, vertelde me dat dat heel typisch was. Blijkbaar wilden ze mensen die om ideologische redenen informatie doorgaven, niet het vieze gevoel geven dat ze verklikkers waren. Mama voerde ook vaak discussies met de officieren waarmee ze rechtsreeks in contact stond. Ze verdedigde mij en mijn dissidente vriend, de dichter Petri, ook al had ze eerder agenten in mijn appartement binnengelaten om afluisterapparatuur te installeren. ‘György Petri is een uitstekende dichter’, zei ze. Ze vond het fout dat hij geen reispas van het regime kreeg. ‘Als het systeem geen kritiek verdraagt, radicaliseren getalenteerde mensen’, zei ze tegen haar officier van de geheime dienst. Oké, ze was communist, maar uit de gesprekken met haar kameraden komt ze naar voor als een vrouw met een open geest. Tenminste, voor een stalinist was ze erg open, al moet u zich daar ook niet té veel van voorstellen. Het stalinisme is nu eenmaal zeer rigide.

 

Was ze op de hoogte van de ‘zuiveringen’ en de Goelag-kampen in de Sovjet-Unie onder Stalin?

Forgách: Jawel. Mijn ouders wisten dat, maar ze wilden de gruwel gewoon niet geloven. Moeder was een intelligente, belezen vrouw. Het stalinistische denkkader had haar geest vervormd. Haar leven lang klampte ze zich krampachtig vast aan die starre ideologie. Lang na de dood van Stalin bleef zij stalinist, net als haar man. Hun huwelijk was grote chaos. Ik herinner me mijn jeugd als een vreselijk chaotische periode, met wildvreemden die ons appartement binnen en buiten liepen. Mijn ouders spraken continu Hebreeuws met elkaar, zodat wij niet konden meevolgen. Net als mijn broer en zus wist ik van jongs af aan dat ze geheimen met zich meedroegen. Ik denk dat het rigide stalinisme hun manier was om de chaos te bedwingen. Informant zijn, zorgde voor zin in hun door partij en staat gedomineerde bestaan.

 

Uw moeder ging als informant toch heel ver, daar ook haar kinderen te bespioneren?

Forgách: Nee, echt niet. Integendeel, ze verdedigde en beschermde ons. Als jonge twintigers waren wij zeer actief tegen de communistische partij. Zij zette ons soms uit de wind. Akkoord, er waren een paar momenten waarop ze dicht bij dat ‘verraad’ van mijn vertaalster stond. Maar ik ben haar zoon en u moet begrijpen dat ik daarom vind dat zij mij niet verraden heeft. (stilte) Mijn zus Susan zat tot over haar oren in de oppositie en verhuisde vroeg naar New York. Toen mijn moeder haar daar wou gaan bezoeken, roken de officieren bij de geheime dienst hun kans om via mevrouw Papái de Hongaarse dissidenten in de VS in kaart te brengen. Ze is toen niet vertrokken, want mijn zus wou niet dat ze kwam. Dat was ook een van die momenten waarop ‘verraad’ in de lucht hing. God zij dank is mama toen in Boedapest gebleven. En god zij dank werd ik niet haar opvolger bij de geheime dienst. De zaden van verraad zijn gelukkig nooit beginnen kiemen.

 

Uw zus is niet erg blij met uw boek.

Forgách: ‘Niet erg blij’ is een eufemistische omschrijving. Volgens haar is het informantendossier van mijn moeder fake. ‘Het zijn nepdocumenten’, zegt ze. ‘Iemand heeft ze gefabriceerd om onze familie te chanteren.’

 

Wie is ‘iemand’?

Forgách: Het huidige regime: Viktor Orbán en zijn vrienden. Ik verafschuw Orbán en zijn ‘illiberale democratie’ die in werkelijkheid een zachte dictatuur is, maar de theorie van mijn zus is grotesk. Mijn moeders dossier is authentiek. Ik herken alle omstandigheden en details die erin beschreven staan. Ik begrijp dat mijn zus het er moeilijk mee heeft; het gaat tenslotte ook over haar moeder. Ik heb het er tot vandaag ook lastig mee. Ik voel me er fysiek niet goed door en ik vrees dat ik me nog lang slecht zal voelen. Vrienden jubelen: ‘András, je boek is een groot succes. Fantastisch!’ Nee, niet fantastisch, dit is een dagelijkse strijd voor de waarheid. Ik begrijp de woede van mijn zus, alleen gaf zij het verkeerde antwoord en ik het juiste. Ik moést hier wel over schrijven. Als ik dat niet had gedaan, waren al mijn andere boeken halve leugens. Mijn eerder verschenen roman Zehuse heeft als grondstof de briefwisseling tussen mijn moeder en haar geëmigreerde dochter. Toen ik dat boek schreef, wist ik niets over Bruria’s carrière als geheim agent. Dat moést rechtgezet worden.

 

U noemt de regering van Viktor Orbán een ‘zachte dictatuur’. Inclusief geheime dienst die de eigen bevolking in de gaten houdt?

Forgách: Ja, daar ben ik honderd procent zeker van. Net als in de hoogdagen van de communistische dictator Janos Kádár houden mensen elkaar nu in scholen, overheidsinstellingen en bedrijven in de gaten. Ze moeten aan de overheid over zowat àlles rapporteren. Het op verklikking gebaseerde informatiesysteem van de communisten is opnieuw uitgerold. Wie zoals ik in de jaren zeventig met dissidenten optrok, werd standaard afgeluisterd. We hadden toen de gewoonte om middenin een telefoongesprek te zeggen: ‘Hé, kameraad-sergeant, hoe gaat het met u? Bent u nog niet ingedommeld? Luistert u nog mee?’ Vrienden die nu in de oppositie actief zijn, vertellen me dat ze een echo van zichzelf horen als ze met hun smartphone aan het bellen zijn. Voortdurend. Een teken dat er iemand meeluistert. Ze maken dan soms dat grapje van toen: ‘Hé luistervink, luister je nog mee?’ (lacht) Eigenlijk is dat niet grappig, maar intriest.

 

 

András Forgách

  • Geboren in 1952 in Boedapest.
  • Schrijver, vertaler, acteur en dramaturg.
  • Was in de jaren zeventig en tachtig actief in het Hongaarse verzet tegen de Sovjet-Unie.

 

 

András Forgách, De akte van mijn moeder, Cossee, 320 blz., 24,99 euro

 

(c) Jan Stevens