‘We hebben méér chaos nodig in de politiek’

In zijn essay Alles kapot! houdt jurist en mensenrechtenlobbyist Anton Van Dyck een vurig pleidooi voor meer natiebouw. Maar eerst moeten we volgens hem na de coronacrisis collectief afrekenen met onze demonen uit het verleden. ‘Het is tijd voor een Waarheids- en Verzoeningscommissie.’

‘Jarenlang worstelde ik met mijn eigen identiteit’, zegt Anton Van Dyck. ‘Net als veel mensen vroeg ik me af: “Wie ben ik?”’

Dus begon hij een individuele zoektocht naar wat identiteit precies is. ‘Ik stootte daarbij vooral op boeken die zich aan de rechterzijde van het politieke spectrum bevinden. Zo las ik Generatie identiteit, een oorlogsverklaring aan de ‘68’ers van de jonge Oostenrijker Markus Willinger. Met dat manifest uit 2013 geldt hij als de kernideoloog van de extreemrechtse indentitaire beweging. Ik vond het zowel angstaanjagend als fascinerend. Volgens Willinger installeerden de babyboomers in West-Europa een cultuur van zelfhaat. De Soixant-Huitards zouden opzettelijk de eigen cultuur afschilderen als conservatief en barbaars en de multiculterele samenleving propageren met als ultieme doel: een grijze identiteitsloze monocultuur. Als tegenwicht pleit Willinger voor een nationale identiteit, die hij zeer expliciet linkt aan etniciteit. Met die inhoud kon ik me totaal niet vereenzelvigen.’

Ook in Over identiteit van Bart De Wever vond Van Dyck zijn gading niet. ‘Het boekje van de N-VA-voorzitter is best interessant, alleen heeft hij het eigenlijk niet over identiteit, maar over modaliteit, over de manier waarop we onze identiteit beleven.’

Anton Van Dyck besloot dan maar zelf de hand aan de ploeg te slaan en schreef Alles kapot!, een prikkelend essay over de rol van identiteit in een superdiverse samenleving. ‘In de eerste plaats wil ik een verandering op gang brengen in hoe we naar identiteit kijken’, zegt hij. ‘Maar ook hoe we met die nieuwe visie op identiteit onze samenleving en democratie kunnen versterken.’

Van Dyck werkt als mensenrechtenlobbyist in de Wetstraat voor Demens.nu, de koepelorganisatie van de Belgische vrijzinnige verenigingen. Zo brengt hij momenteel het lot van de in Iran terdoodveroordeelde VUB-gastprofessor Ahmadreza Djalali bij politici onder de aandacht.

‘Lobbyist’ is geen scheldwoord?

Anton Van Dyck: Integendeel. Elke individuele burger kan zich niet bezighouden met alle aspecten van het dagelijkse politieke beleid van een land. Het is dan ook heel normaal dat mensen zich verenigen en professionals zoals ik afvaardigen om hun belangen in de Wetstraat te verdedigen. Op voorwaarde natuurlijk dat dat in volle openheid gebeurt.

Wat vaak niet zo is?

Van Dyck: Nee, en dat is een groot probleem. Mijn organisatie was de allereerste om zich in de Kamer van Volksvertegenwoordigers te registreren als lobbygroep. Na ons volgde er geen stormloop van andere lobbyisten. Ik vermoed dat de meesten bang zijn dat hun vrijheid aan banden gelegd zal worden. Maar die registratie en bijhorende transparantie is broodnodig. Want dan komt er meteen zicht op welke politici later lobbyisten worden. Die overstap gaat nu soms snel en geruisloos en dat is niet gezond.

Zal u uw essay nu meenemen naar het parlement als u daar gaat lobbyen?

Van Dyck: Zeker. Het kan interessante discussies opleveren, zeker in de senaat. (lacht)

Want u pleit ervoor om alle senatoren te vervangen door gelote burgers?

Van Dyck: Ik ben een grote fan van David Van Reybrouck en zijn boek Tegen verkiezingen waarin hij een lans breekt voor de deliberatieve democratie. Hij wil dat het onderscheid tussen bestuurders en bestuurden vervaagt. Dat kan door willekeurig gelote burgers rechtstreeks aan het bestuur te laten deelnemen. Zo raken ze opnieuw betrokken bij wat in de eerste plaats hen aangaat. Waarom vervangen we de verkozen senatoren niet integraal door gelote burgers? Het ene deel van het parlement is dan samengesteld door willekeur en het andere door verkiezingen. Dat zou ook de chaos in de politiek ten goede komen, want we hebben net méér chaos nodig.

Hebben we in deze hectische tijd niet in de eerste plaats meer rust in de politiek nodig?

Van Dyck: Toch niet. We proberen voortdurend alles te bedaren en vast te metselen in robuuste systemen. Maar die zijn bestand tegen slechts één vorm van stress, waardoor op termijn het hele kaartenhuis dreigt ineen te storten.

In zijn boek Antifragiel stelt de Libanees-Amerikaanse wetenschapper Nassim Nicholas Taleb dat we altijd best systemen bouwen die niet fragiel zijn, die niet ineenzakken bij het eerste gebruik. Maar ‘antifragiel’ is niet hetzelfde als ‘robuust’. Een robuust systeem blijft na een klap overeind, ook al is het beschadigd, denk maar aan een aardbevingsbestendig gebouw. Onze westerse parlementaire democratie is zo’n robuust systeem. Het grote probleem van robuuste systemen is dat ze rigide zijn en zich moeilijk aanpassen aan opeenvolgende bedreigingen. Als het gedurende lange tijd te veel klappen moet incasseren, riskeert het op een bepaald moment toch in te storten. Een antifragiel systeem wordt door de constante druk net sterker. In een antifragiele democratie is er veel ruimte voor kleine crisissen in plaats van voor heel grote. Het systeem wordt zo wendbaarder en kan sneller reageren op onverwachte gebeurtenissen.

Donald Trumps ex-strateeg Steve Bannon is een groot voorstander van het creëren van maximale chaos. Hij zette de bakens uit voor Trumps verstorende, onvoorspelbare beleid. Is dat wat u voor ogen heeft?

Van Dyck: Bannon dreef de chaos en onrust heel ver, maar in essentie heeft hij gelijk. Zijn stelling is: als je een systeem wilt veranderen, moet je het eerst kapot maken. Zelf ben ik ondanks de titel van mijn essay niet zo’n fan van kapotmaken, maar ik ben er wel voorstander van om eerst alle componenten uiteen te halen, om die vervolgens weer ineen te steken.

Het robuuste Amerikaanse democratische systeem staat al jaren onder druk. Door de passage van Trump lijken we het presidentschap van Bush al te zijn vergeten, met die sinistere figuur Dick Cheney. Ook de opkomst van de Tea Party lijkt een vage herinnering. Heel die grote crisis van het systeem culmineerde de voorbije vier jaar in Donald Trump. Het uit de weg gaan van kleine crisissen leidde tot die gigantische politieke crisis.

Toen bij ons de centrumpartijen nog sterk stonden en de lakens uitdeelden, regeerde het compromis en niet de chaos.

Van Dyck: Met compromissen sluiten is niets mis. Dat lukte vroeger inderdaad beter. Maar er werd toen ook veel met de mantel der liefde bedekt. Denk maar aan de sale-and-leaseback-constructies met overheidsvastgoed om de begroting op te poetsen, of aan het Lernout & Hauspie-débacle. Politici lieten de storm overwaaien in de veronderstelling dat hij zo vanzelf voorgoed zou verdwijnen. In werkelijkheid bleef alles onderhuids gisten.

Vandaag krimpt het centrum en groeien de extremen. Dat komt ook omdat veel gematigde mensen niet meer met politiek bezig zijn. Door schandalen zoals Arco en Lernout & Hauspie hebben ze er alle interesse in verloren en haken ze af. Bij de laatste verkiezingen ging een miljoen mensen niet meer stemmen. Anderen kozen op 26 mei 2019 dan weer voor een extreme partij en staken zo hun electorale middelvinger op. Zo raakt onze representatieve democratie steeds meer in het slop. De overwinning van het Vlaams Belang legt bloot dat we veel crisissen helemaal niet achter ons hebben gelaten. Integendeel, het is de som van alle nooit verwerkte problemen uit het verleden.

U bent niet alleen voorstander van een ‘antifragiele democratie’, maar ook van een ‘antifragiele identiteit’?

Van Dyck: Identiteit is voor mij de lens waardoor ik naar de wereld kijk. Die lens wordt bepaald door de waarden die ik belangrijk acht. Mijn persoonlijke levensdoelen zijn: een goed mens zijn en gelukkig worden. Soms is het moeilijk om het evenwicht tussen die twee te vinden. Maar ze bepalen wel hoe ik als vrijzinnig humanist in het leven sta en met anderen omga.

Ik ben geboren en getogen in Dilbeek en in mijn jeugd fietste ik jaarlijks met mijn ouders de gordel rond Brussel. Dat evenement zit in mijn herinnering als een warm feest van verbondenheid, terwijl het voor anderen met een andere lens opgeslagen zit als een bijeenkomst van radicale flaminganten waar andersdenkenden niet welkom zijn.

De waarden die de lens vormen waarmee je naar de werkelijkheid kijkt, zijn dus ontzettend belangrijk. Toen ik Antifragiel van Taleb aan het lezen was, kreeg ik een soort van aha-erlebnis. Ik dacht: waarom passen we Talebs principe van antifragiliteit ook niet toe op het begrip identiteit? Want dan wordt onze lens in het vervolg misschien bepaald door antifragiele waarden, door waarden die alleen maar sterker worden als ze onder druk staan. Ik kwam dan vanzelf uit bij waarden als vrijheid, gelijkheid en solidariteit.

Misschien leidt absolute vrijheid tot een extreem individualistische samenleving, gebaseerd op de principes van het neoliberalisme?

Van Dyck: Ja, en daarom is het belangrijk dat er een wisselwerking is tussen die drie antifragiele waarden. Want als er slechts één primeert, dreigt er een vorm van radicalisering.

Wij zien identiteit nu te veel als een systeem dat robuust moet gemaakt worden om alle dreigingen het hoofd te kunnen bieden. Terwijl zo’n robuust identiteitssysteem allesbehalve opgewassen is tegen onvoorspelbare fenomenen, zoals bijvoorbeeld de exponentieel toenemende diversiteit in onze samenleving. Een antifragiele identiteit van een land wordt dan gevormd door de interactie tussen de miljoenen burgers, met elk hun eigen beleving van hun identiteit. Maar de lens waardoor ze naar de wereld kijken, wordt bepaald door die antifragiele waarden van gelijkheid, vrijheid en solidariteit.

Is het niet veel eenvoudiger om op zoek te gaan naar een grote gemene deler, een leidcultuur waar iedereen die deel van onze gemeenschap wil uitmaken zich aan kan spiegelen?

Van Dyck: Bart De Wever noemt dat in Over identiteit de ‘broncode van de samenleving’. Ik kan dat pleidooi voor een leidcultuur aan de hand van een culturele canon omwille van pragmatische overwegingen goed begrijpen. Zeker als het over taal gaat; we kunnen niet van elke loketbediende verwachten dat hij of zij een talenwonder is. Alleen is de superdiversiteit in onze samenleving inmiddels zover gevorderd dat één culturele canon niet langer volstaat. Ontzettend veel mensen hebben een verschillende culturele identiteit of combineren die zonder complexen. Sommigen voelen zich zowel Belg als Vlaming en vinden noch het ene, noch het andere slecht. Denk aan al die sportliefhebbers die met de driekleur voor de Rode Duivels supporteren en met de Vlaamse Leeuw voor een koersende flandrien. Als er dan toch met culturele canons gewerkt moet worden, kan dat best in samenspraak met de grootste culturele gemeenschappen in ons land, met vooral oog voor jonge creatievelingen.

Om eens en voorgoed komaf te maken met wat er in ons politieke bestel in het verleden misging, pleit u voor een Waarheids- en Verzoeningscommissie naar Zuid-Afrikaans model.

Van Dyck: We kunnen ontzettend veel leren van het Zuid-Afrikaanse concept van natiebouw. Negen jaar geleden verbleef ik in het kader van een uitwisselingsproject in Zuid-Afrika en die reis veranderde mijn leven. Daarvoor stelde ik me al vragen over zoiets als een nationale identiteit, maar hier in België vond ik daar geen antwoorden op. In Zuid-Afrika werd ik meteen opgenomen in een grote Zulu-familie. Ik kreeg een nieuwe naam en werd voorgesteld aan tientallen oma’s en opa’s, vaders en moeders, broers en zussen. Ze namen mij, witte jongen uit een warm Dilbeeks gezin, meteen op in hun gemeenschap. Vrij snel merkte ik hoe belangrijk het voor hen was om in hun dagelijkse leven het verleden een plaats te geven.

In de jaren negentig woedde er in Zuid-Afrika een burgeroorlog. Het is er vandaag nog steeds geen rozengeur en maneschijn, maar van een burgeroorlog is geen sprake meer. Wat toch heel opmerkelijk is, want het is alsof het land met zijn raciale spanningen in een soort van voortdurende manische depressie zit. Het ene moment gaat het heel goed en het andere heel slecht.

Ik was onder de indruk van de manier waarop de Zuid-Afrikanen in hun Waarheids- en Verzoeningscommissie met hun verleden omgingen. Na het einde van het apartheidsregime waren ze er zich erg goed van bewust dat de erfenis van dat racistische systeem de nieuwe staat kon ondermijnen. De commissie onderzocht zowel mensenrechtenschendingen van vrijheidsstrijders als van leden van het apartheidsregime. Wie bereid was om de waarheid over dat bezwaarde verleden te vertellen, kon rekenen op amnestie. Al werden niet alle misdaden met de mantel der liefde bedekt. De hoorzittingen zetten een schijnwerper op dat duistere verleden. De slachtoffers kregen eerherstel en voelden genoegdoening; de daders kregen schuldinzicht en een kans om zich in de nieuwe samenleving te integreren. De toekomst werd zo vrijer.

Onze eigen Waarheids- en Verzoeningscommissie moet ook ons land ‘bevrijden’ en resetten?

Van Dyck: Ja. De bedoeling is om daarna met een propere lei te beginnen, al is het naïef om te verwachten dat die lei brandschoon zal zijn. Dat hoeft ook niet, maar de laatste jaren liep er zoveel fout dat we ons toch moeten afvragen wat de maatschappelijke impact daarvan is. Ik denk dan aan de huidige coronacrisis, maar ook aan de financiële crisis van 2007. We verloren toen ook mensen. Nu heb ik het gevoel dat er na elke crisis opgelucht wordt ademgehaald: ‘Oef, het is voorbij. Laten we dit maar zo snel mogelijk vergeten.’

Die verzoeningscommissie wordt een vorm van collectieve therapie?

Van Dyck: Precies. Het einde van de coronacrisis is misschien het ideale moment om ze in gang te zetten. Het is niet aan mij om te bepalen hoe ver we in het verleden moeten teruggaan. Maar bijvoorbeeld de kolonisatie en de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog zouden thema’s kunnen zijn. In de nasleep van WO II maakte Europa de grootste vluchtelingencrisis uit haar geschiedenis mee. Miljoenen mensen waren toen op de dool. Ook daar is misschien nog niet de onderste steen van bovengehaald. En ook over het verloop van de repressie zijn er wellicht nog belangrijke feiten te achterhalen.

Misschien moeten we mensen ook spontaan onderwerpen laten aanleveren. Wellicht leven er onverwerkte problemen waar we geen weet van hebben.

U pleit er ook voor om in het kader van een betere natiebouw het eerste artikel van de Belgische grondwet te herschrijven.

Van Dyck: Artikel 1 stelt: ‘België is een federale staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten.’ Erg sexy is dat niet. Er staat geen woord over onze gemeenschappelijke maatschappelijke doelstellingen, het gaat enkel over de structuur van de staat. Pas vanaf artikel 7 sluipen er begrippen als ‘duurzaamheid’ en ‘sociale vooruitgang’ in. Waarom vallen we niet meteen met de deur in huis door in artikel 1 te schrijven wat voor soort samenleving we samen willen bouwen? Dat zou dan kunnen luiden als: ‘België streeft in zijn organisatie de maximale uitbouw na van de individuele vrijheid, de maatschappelijke verantwoordelijkheid en de fundamentele gelijkheid van de mens.’ Dat klinkt toch veel meer begeesterd?

Hoe hoog schat u de haalbaarheid van uw voorstellen in?

Van Dyck: Het leuke aan het schrijven van een essay is dat ik me niet hoef af te vragen of mijn voorstellen ook haalbaar zijn. Ik zal al heel blij zijn als ik er een maatschappelijk debat mee op gang kan helpen trekken. Wie weet, krijgen een paar van mijn voorstellen dan later een kans.

Bio

Anton Van Dyck

  • Geboren in 1993
  • Studeerde rechten aan de VUB
  • Directeur juridische zaken en overheidsrelaties bij Demens.nu, koepelorganisatie van de Belgische vrijzinnige verenigingen

Anton Van Dyck, Alles kapot! Pleidooi voor natiebou, VUBPress, 144 blzn., 17,50 euro

(c) Jan Stevens

‘Geef de zoektocht naar rust op, en je komt vanzelf tot rust’

Filosoof John Sellars wenst autoritaire politieke leiders een snelcursus hellenistische filosofie toe. ‘Seneca waarschuwde al voor het gevaar van woede. Zeker als ze wordt aangevuurd door machtige figuren. De hellenistische filosofen wisten: alleen kalmte kan ons redden.’

323 v.C. tot 31 v.C. staat in de geschiedenisboeken gemarkeerd als de ‘hellenistische periode’ of het hellenisme. Ze loopt vanaf de dood van de Macedonische wereldveroveraar Alexander de Grote tot de nederlaag van de Romeinse generaal Marcus Antonius in de slag bij Actium.

‘Na de dood van Alexander werd diens imperium door zijn generaals in verschillende koninkrijken opgedeeld’, zegt John Sellars, professor antieke filosofie aan de universiteit van Londen. ‘Niet lang na Marcus Antonius’ nederlaag stierf zijn geliefde Cleopatra. Haar dood markeerde het begin van de Romeinse dominantie in de klassieke oudheid. Het hellenisme was een tijd van transitie, waarin de eigenzinnige Griekse stadstaten met hun bloeiende antieke cultuur deel werden van dat centraal geleide grote Romeinse Rijk. Parallel met die overgang groeide en bloeide de hellenistische filosofie. Bij de dood van Alexander was Athene nog het filosofisch centrum, bij de dood van Cleopatra had Rome die rol overgenomen.’

In de klassieke oudheid was filosoferen in de straten en op de pleinen van Athene en Rome dagelijkse kost?

John Sellars: Het was toen zeker geen puur academische discipline. Filosofen spraken op openbare plekken voorbijgangers aan en stelden hen lastige levensvragen. Tijdens de hellenistische periode zagen drie nieuwe stromingen het licht: het epicurisme, het stoïcisme en het pyrronistisch scepticisme. Ik leerde die scholen van de hellenistische filosofie dertig jaar geleden kennen als filosofiestudent. Ik moest toen twee klassiekers lezen: Overpeinzingen van de Romeinse keizer Marcus Aurelius en De natuur van de dingen van de Romeinse filosoof en dichter Lucretius. Die werken bliezen me van mijn sokken.

Wat was er zo speciaal aan?

Sellars: Het filosofische Overpeinzingen is een heel persoonlijk boek; het was waarschijnlijk nooit Marcus Aurelius’ bedoeling dat het gepubliceerd werd. Hij leefde van 121 n.C. tot 180 n.C. en regeerde de laatste twintig jaar van zijn leven over het Romeinse Rijk. Hij schreef Overpeinzingen tussen 170 en 180, tijdens het voorbereiden van zijn militaire veldtochten. Het boek geldt als een van de grootste stoïcijnse werken. Marcus Aurelius beschrijft erin hoe je te midden van onrust, gewoel en gevaar je gemoedsrust moet proberen te vinden en bewaren. Hij raakte me als jonge student diep.

Daarna las ik het lijvige leerdicht De natuur van de dingen van Lucretius, die vermoedelijk van 99 v.C. tot 55 v.C. leefde. De tekst borduurt verder op de lessen van de Griekse filosoof Epicurus, de grondlegger van het epicurisme. Hij zag het persoonlijke geluk als het hoogste na te streven goed. De studie van de filosofie kon ons volgens hem daarbij helpen.

Het stoïcisme en epicurisme waren een ware verademing na de Griekse wijsgeer Plato (ca. 427 v.C. tot 347 v.C.). Ik vond dat de buitensporige aandacht voor die man de hellenistische filosofen groot onrecht aandeed. Oké, Aristoteles mocht ook af en toe opdraven, maar daarmee hield het op.

Wat is er dan mis met Plato?

Sellars: Zijn metafysica is vreselijk complex, met het onderscheid dat hij maakt tussen de echte wereld en de afspiegeling daarvan in een schaduwwereld. De stoïcijnen en epicuristen hadden lak aan dat soort van zweverige constructies: zij waren materialisten. Net dat sprak mij als jonge filosofiestudent erg aan. Ze waren empirici: ze baseerden hun kennis op waarneming. Ze stonden ook zeer sceptisch tegenover religieuze kwesties.

Ze klonken erg modern?

Sellars: Precies. Het stoïcisme en epicurisme waren niet voor niets zeer populair tijdens de 18e-eeuwse Verlichting. De stoïcijnen en epicuristen voelden ook voor mij aan als heel natuurlijk en down to earth. Ze sloten aan bij mijn eigen ervaring van de wereld. Alleen het fysiek tastbare bestaat, kennis verkrijgen we via onze zintuigen en we hoeven geen verantwoording af te leggen aan bovennatuurlijke krachten.

De hellenistische filosofen hielden niet van de uitgebreide Griekse en Romeinse godenwereld?

Sellars: Nee, in tegenstelling tot Plato. Hij stond allesbehalve met beide voeten op de grond, maar zweefde in zijn ideale bovenwereld. Hij verlangde naar absolute, onwrikbare kennis, gebeiteld in steen. De fysieke wereld vond hij maar niets, want die verandert voortdurend. Hij zocht heil in de ideeënwereld buiten tijd en ruimte. Daar bevonden zich de ideale, wiskundige oerconcepten van goedheid, waarheid en schoonheid. Onze wereld was daar in zijn ogen een onvolmaakt, flauw afkooksel van.

In tegenstelling tot de hellenistische filosofen werd Plato met zijn ideeënleer heel populair bij de katholieke kerk?

Sellars: Plato’s invloed op het vroege christendom kan niet onderschat worden. Zijn leerling Aristoteles (384 v. C. – 322 v.C.) temperde dat platonisme een beetje. Hij was meer een wetenschapper, maar bleef toch vasthouden aan het idee dat er onveranderlijke essenties van verschijnselen zijn. Het was vooral de filosofie van Aristoteles die weerklank vond bij de middeleeuwse katholieke kerk. De invloedrijke katholieke theoloog Thomas van Aquino (1225-1274) haalde zijn mosterd bij hem.

De hellenistische filosofen werden eeuwenlang door Plato en Aristoteles overschaduwd?

Sellars: Ja, en dat is toch merkwaardig, want het stoïcisme en epicurisme waren rechtstreekse reacties op Plato en Aristoteles. Ze namen afstand van de ideeënwereld en stelden dat alles wat bestaat materieel is. De mens is een wezen van vlees en bloed dat verdwijnt als het lichaam sterft. Er is géén hiernamaals en aan goden en mythologie hadden de stoïcijnen, epicuristen en pyrronistische sceptici lak. Wat primeerde was leven in het nu.

Is dat niet zeer boeddhistisch?

Sellars: Het boeddhisme ontstond in Nepal, één à twee eeuwen voor het stoïcisme. De verwantschappen tussen die twee filosofieën zijn inderdaad groot. Ik vind dat een heel interessante kwestie, want ze hebben elkaar in die tijd nooit beïnvloed.

Pyrrho van Elis (ca. 360 v.C – 270 v.C.), de stichter van het pyrronistisch scepticisme, zou wel in India geweest zijn. We vermoeden dat hij samen met Alexander de Grote reisde. Oude teksten vertellen hoe Pyrrho in de leer ging bij een groep Indiase ascetische filosofen. Misschien werd hij toen boeddhist, al is daar geen zekerheid over.

Pyrronistische sceptici geloven in niets. Alle angsten en geestelijk lijden, en alle conflicten worden volgens hen veroorzaakt door mensen met een rotsvast geloof. Alle ellende in deze wereld is een gevolg van dogmatisme. De huidige Amerikaanse politiek met zijn extreme polarisering illustreert de vaststellingen van Pyrrho. De enige manier om van ellende bespaard te blijven, is volgens Pyrrho: geloof in niets. Aanvaard de oppervlakkige verschijnselen van dingen en laat jezelf niet verleiden tot uitspraken als: ‘Alleen zo is het en niet anders!’

Dat is geen vorm van apathie?

Sellars: Zo zou ik het niet omschrijven, nee. In moderne zelfhulpboeken lees je vaak dat onze jacht naar geluk alleen maar ongeluk oplevert. Er staat dan: ‘Jaag geluk niet langer na, maar zoek een zinvolle bezigheid. Een van de gevolgen zal zijn dat je gelukkiger wordt.’ Misschien is dat de essentie van het scepticisme van Pyrrho van Elis. Als je voortdurend kalmte en rust nastreeft, eindig je als een dolgedraaide neuroot. Geef die zoektocht naar kalmte en rust op, en je komt vanzelf tot rust.

De voorbije jaren verschenen er nogal wat populair-filosofische boeken over ‘levenskunst’, over hoe we vandaag met de hulp van de oude Grieken en Romeinen een goed leven kunnen leiden. De auteurs doen daarbij beroep op de hellenistische filosofie?

Sellars: Ja, en dan vooral op het stoïcisme. Een ouder boek van mij heet toevallig ook The art of living. Alleen is dat geen filosofisch zelfhulpboek, maar een academische uiteenzetting over wat filosofie voor de stoïcijnen betekende. Dat blijkt dan inderdaad ‘levenskunst’ te zijn. Ze omschrijven filosofie in het oud-Grieks als ‘technē peri ton bion’, als kunst of ambacht van het leven. Ze trekken parallellen met andere ambachten zoals de geneeskunde. Om dokter te zijn, moet je over veel theoretische kennis en heel wat praktische vaardigheden beschikken. Dat geldt volgens de Griekse en Romeinse stoïcijnen uit de Oudheid ook voor filosofen.

Wat onderscheidt het stoïcisme, epicurisme en pyrronistisch scepticisme van elkaar?

Sellars: De drie scholen van de hellenistisch filosofie volgen verschillende strategieën voor het bereiken van dat ene doel: het goede leven. Voor de stoïcijnen is dé sleutel dan het nastreven van waarden en deugden als moed, gematigdheid en rechtvaardigheid. Voor de epicuristen draait alles in het bestaan rond genot en pijn. Wie een goed leven wil leiden, streeft plezier na en vermijd pijn. Maar niet op een hedonistische wijze: het epicurisme zoekt vooral mentaal genot. Geestelijk lijden en overbodige stress moeten zoveel mogelijk uit de weg worden gegaan. Pyrronistische sceptici zweren geloof en dogmatiek af.

Hoe populair waren de hellenistische filosofen in hun tijd?

Sellars: Het stoïcisme was honderden jaren lang zeer populair. De eerste twee eeuwen had het het in Athene veel invloed. Nadat de Romeinen de macht in Griekenland overnamen, waren ze meteen gecharmeerd door die stoïcijnse filosofie. In de eerste eeuwen na Christus floreerde het stoïcisme ook in Rome, getuige daarvan de stoïcijnse Romeinse keizer Marcus Aurelius met zijn Overpeinzingen. Het epicurisme trad minder voor het voetlicht, maar oefende toch ook vierhonderd jaar lang flink wat invloed uit. Een van de epicuristische doctrines is dat je een stil leven moet leiden. Daarom bleven epicuristen meestal onder de radar. De Romeinse dichter Vergillius (70 v.C. – 19 v.C.) was een epicurist, net als zijn collega Horatius (65 v.C. – 8 v.C.).

Wie is uw favoriete hellenistische filosoof?

Sellars: Marcus Aurelius is zeker een van mijn favorieten. Ik publiceerde net een boek over hem, bestudeerde zijn geschriften intens en heb het gevoel dat ik hem intussen heel goed ken. Hij denkt in zijn werk na over zijn eigen bestaan. Hij wil een beter mens worden door negatieve emoties en frustraties te vermijden en positieve waarden na te streven, zoals samenwerking en rechtvaardigheid. Met de hulp van de stoïcijnse filosofie navigeert hij door zijn dagelijkse leven.

Klinkt ‘negativiteit vermijden’ niet makkelijker dan het is? Ieder mens wordt in zijn leven toch geconfronteerd met momenten van diepe ellende?

Sellars: U hebt gelijk: die momenten zijn overmijdelijk. Je kan ziekte niet ontlopen, net als de dood van geliefden. Dé vraag is dan: hoe ga je met die onvermijdelijke negativiteit om? Die ultieme vraag stelde de Romeinse stoïcijnse filosoof Epictitus (50 n.C. – 130 n.C.) zich ook. Hij kwam tot de conclusie: ‘We raken niet van streek door gebeurtenissen, maar door de manier waarop we tegen die gebeurtenissen aankijken.’ De manier waarop we nadenken over dingen die ons overkomen, bepaalt hoe we erop reageren. Gebeurtenissen kunnen we niet controleren, want inderdaad: shit happens. Maar we kunnen onze gedachten daarover wél onder controle houden. De ellende verdwijnt daardoor natuurlijk niet, maar wordt draaglijker.

Slaagt u erin om uw eigen leven met uw kennis van de hellenistische filosofie te verbeteren?

Sellars: Dat is toch altijd wat ik hoop. Ik geloof graag dat ik er met al die kennis beter aan toe ben dan zonder. (lacht)

In 2012 stond ik samen met een aantal andere filosofen en psychotherapeuten aan de wieg van de organisatie Stoicism Today. We beschouwen onszelf als moderne stoïcijnen en organiseren in Groot-Brittannië jaarlijks verschillende evenementen rond de stoïcijnse filosofie. Zo houden we traditiegetrouw rond deze tijd van het jaar onze stoïcijnse week. Op de website modernstoicism.com vullen deelnemers dan in het begin van die week een vragenlijst in. Daarin peilen we naar hoe ze in het leven staan en welke moeilijkheden ze ervaren. Vervolgens geven we ze elke dag raad aan de hand van het werk van hellenestische filosofen. Op het einde van de stoïcijnse week vullen de deelnemers dezelfde vragenlijst opnieuw in. Elk jaar stellen we vast dat negatieve emoties zoals kwaadheid of frustratie dan sterk verminderd zijn. Mensen voelen zich opgewekter en gelukkiger, na amper één week leven als een stoïcijn.

Hellenistische filosofie is ook therapeutisch?

Sellars: Zowel de stoïcijnen, epicuristen als pyrronistische sceptici beschouwden filosofie als therapie. Verschillende psychotherapeuten doen vandaag een beroep op hun inzichten. Ze leren hun cliënten dingen of gebeurtenissen in een ander perspectief te zien, waardoor ze minder angstaanjagend lijken, of beter te begrijpen zijn.

Is hellenistische filosofie een soort van surrogaatreligie voor de naar zin zoekende moderne seculiere mens?

Sellars: Totaal niet. Hellenistische filosofie heeft niets met religie te maken omdat alle stellingen en uitspraken gebaseerd zijn op argumenten. Het is geen raamwerk van slaafs op te volgen regels, stammend uit een dogmatisch geloof. Als je van oordeel bent dat de argumenten deugen, zal je misschien ook geneigd zijn om de bijhorende raad op te volgen. Als je de argumenten onzin vindt, kan je dat advies gewoon naast je neerleggen.

Helpt de hellenistische filosofie u tijdens deze coronacrisis?

Sellars: Ik vind nu soelaas bij het stoïcisme, en dan vooral bij de Romeinse stoïcijnen. Zij adviseren om wat er in het hier en nu gebeurt in een veel ruimer perspectief te plaatsen. Overschouw de menselijke geschiedenis en kijk naar wat deze pandemie daarin voorstelt. Wat ons nu overkomt is niet uniek; er waarden vroeger nog gevaarlijke virussen rond. In de toekomst volgen er ongetwijfeld nog. Wij, westerlingen, maakten dit de voorbije decennia niet mee, vandaar dat velen zo in shock zijn. Terwijl deze epidemie helemaal niet uitzonderlijk is. Onze voorouders moesten veel gevaarlijkere virussen doorstaan, op verschillende tijdstippen in de geschiedenis. Waarom kunnen wij dit dan niet overleven?

De wereld wordt een betere plek als we meer zouden luisteren naar de hellenistische filosofen?

Sellars: Zonder twijfel. De beroemde Romeinse schrijver en stoïcijnse filosoof Seneca (4 v.C. – 65 n.C.) dacht veel na over het gevaar van woede in de politiek. ‘Waar het verstand ophoudt, begint de woede’, stelt hij. ‘Woede is gevaarlijk. Zeker als ze wordt aangevuurd door machtige, invloedrijke figuren.’ De stoïcijnen raden ons daarom aan dat we onze woede altijd moeten proberen beheersen. De epicuristen wijzen ons erop dat we niet veel geld of bezit nodig hebben om een gelukkig leven te leiden. En de pyrronistische sceptici vinden dat we ons dogmatisme beter inruilen voor openheid van geest. Dat is toch een perfecte handleiding voor een betere wereld?

John Sellars

  • Geboren in 1971
  • Studeerde en promoveerde in de filosofie aan de universiteit van Warwick
  • Doceert antieke filosofie aan de universiteit van Londen en is verbonden aan het Wolfson College in Oxford
  • Auteur van The art of living (2003), Stoicism (2006), Hellenistic philosophy (2018), Lessons in stoicism (2019) en Marcus Aurelius (2020)

© Jan Stevens

‘We moeten oppassen voor het gezondheidsfascisme’

Luc Bonneux pleit voor de ‘losse’ Zweedse aanpak; Maarten Boudry waarschuwt voor de mogelijke gevolgen als we de lockdown te vroeg vaarwel zeggen. ‘Maar de essentie is en blijft: hou afstand.’

Op woensdag 20 mei zong epidemioloog Luc Bonneux in De Standaard de lof van de Zweedse aanpak van de coronacrisis. Hij veegde de vloer aan met critici die de architecten van dat ‘losse beleid’, staatsviroloog Anders Tegnell en diens voorganger Johan Giesecke, beschuldigden van het spelen van ‘Russische roulette’. ‘Wie graag schandalen aanklaagt, kan zich bezinnen over wat België de kinderen heeft aangedaan’, schreef hij. ‘Kinderen lopen nauwelijks risico en dragen het virus slecht over. Kleuterscholen en lagere scholen gingen dicht en raken nauwelijks nog open. Alle speeltuinen werden afgesloten omdat de ouders niet zouden samenscholen. In Zweden riskeer je daarvoor een veroordeling voor kindermishandeling.’

Bonneux’ striemende woorden verleidden wetenschapsfilosoof Maarten Boudry tot een draadje op Twitter: ‘Al sinds het prille begin van deze epidemie vraag ik me af: waar blijft @LBonneux, de scepticus, epidemioloog en vooruitgangsdenker die al jaren onvermoeid strijdt tegen paniekvirussen? Daar is hij dan eindelijk!’ Waarna Boudry zich afvroeg of die relaxte Zweedse aanpak zonder echte lockdown wel zo heilzaam is. ‘Kennelijk gelooft @LBonneux dat onze lockdown nauwelijks verschil uitmaakt’, schreef hij. Maar: ‘zelfs de Zweedse viroloog Anders Tegnell erkent dat je met een lockdown wel degelijk de curve afvlakt.’ Het begin van een korte, opvallend hoffelijke twitterdiscussie tussen een jongere en een oudere vooruitgangsdenker.

We vroegen Maarten Boudry en Luc Bonneux dat debat in Knack verder te zetten. Bonneux was daar meteen toe bereid; Boudry twijfelde. ‘Ik ben geen viroloog of epidemioloog en vertegenwoordig niet het Belgische beleid.’ Na enig aandringen, gaat hij toch overstag. Het corona-proof gesprek vindt plaats via Skype.

Jullie kennen elkaar?

Maarten Boudry: We ontmoetten elkaar jaren geleden een paar keer op redactievergaderingen van SKEPP, de Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale.

Luc Bonneux: Bij mij groeide langzaamaan het besef dat ik de gepensioneerde leeftijd aan het bereiken ben, en ik begon me uit de debatten terug te trekken. Ik had het wat gehad met dat irritante gedoe.

Nu katapulteert u zichzelf daar weer middenin.

Bonneux: Omdat ik het niet meer kan aanzien. Het huidige Belgische coronabeleid komt erop neer dat de belangen van onder anderen mijn kinderen en kleinkinderen, van de mensen onder de 50 dus, heel erg ondergesneeuwd zijn geraakt. Kijk, je zal me nooit horen zeggen dat we niks moesten doen. Ik surfte trouwens mee op de golven, daarom ook dat ik zo lang bleef zwijgen.

Tot half april was er brede steun voor het Belgische beleid. Ik had waarschijnlijk net dezelfde maatregelen genomen. Maar toen werd duidelijk dat België geen flauw idee heeft hoe die lockdown afgebouwd moet worden. Terwijl er vanuit het buitenland wel degelijk evidence-based ervaringen en empirische gegevens voorhanden zijn. Buurland Nederland deed het met een veel soepeler beleid veel beter dan België. Mijn eerste advies zou dus geweest zijn: kopieer het Nederlandse beleid, want zij hebben erover nagedacht en boeken goede resultaten. Ga vervolgens bij de Zweden te rade en voer daar dan een maatschappelijk debat over.

Wat is er mis met het huidige Belgische beleid?

Bonneux: Het verdrinkt in een eindeloze stroom aan regeltjes waarvan iedereen zich afvraagt: waarvoor dienen ze? Van in het begin had ik het moeilijk met het sluiten van de kleuter- en basisscholen. In maart wisten we al dat kinderen nauwelijks last van dat virus hebben. Welke epidemiologische meerwaarde levert de scholensluiting dan op? De sociale en pedagogische kosten zijn enorm. De kinderen van de gemiddelde burger zullen het wel overleven, maar bij kinderen uit gezinnen onderaan de maatschappelijke ladder brengen wij nu onherroepelijk en onherstelbaar schade toe.

Boudry: Nu het stof wat is neergedwarreld, hebben we een duidelijker zicht op hoe gevaarlijk het virus is. Er is meer kennis over bijvoorbeeld mogelijke complicaties en mortaliteit, maar ook over de risico’s bij kinderen en hun rol in besmettingen. Luc schreef trouwens al in februari en april een paar opiniestukken over corona, ontdekte ik pas gisteren. Hij ging toen inderdaad met de stroom mee. In februari omschreef Marc Van Ranst het coronavirus nog als: ‘Niet veel gevaarlijker dan een griepje.’ Dat was toen ook het standpunt van Luc: de remedie was erger dan de kwaal en de Chinese overheid nam ‘knettergekke’ maatregelen. Tot we allemaal steil achterovervielen van wat er in Italië gaande was.

Begin maart begon ik als een gek over dat virus te lezen. Ik zag de beelden van Italië én de exponentiële curve; het besef groeide bij me dat dit gigantisch gevaarlijk was en dat alles op slot moest om Italiaanse toestanden te vermijden.

De Zweden namen van in het begin een enorm risico?

Boudry: De epidemie is nog lang niet afgelopen. Het kan dus best dat we achteraf zullen concluderen dat Zweden er minder bekaaid vanaf komt dan België of Nederland. Maar dat wil nog niet zeggen dat de Zweden in het begin van de crisis de juiste beslissingen namen. De ene beslissing droeg potentieel veel grotere risico’s dan de andere. Door niet in lockdown te gaan, hadden ze in Italiaanse toestanden kunnen belanden, met de overrompeling van ziekenhuizen en een tekort aan bedden voor intensieve zorg (IC). Ze hebben inderdaad Russische roulette gespeeld en het pistool tegen hun slaap gezet. Voorlopig hebben ze geluk; dat wil niet zeggen dat ze ook gelijk hebben.

Bonneux: Dat was geen kwestie van geluk. Staatsviroloog Anders Tegnell en zijn ideoloog Johan Giesecke wisten heel goed waar ze mee bezig waren. Zij hebben ‘boots on the ground-ervaring’ in het bestrijden van epidemieën. Al voeg ik er eerlijkheidshalve aan toe dat ik hun beleid niet had aangedurfd.

Boudry: De Belgische overheid nam, met de gegevens die ze in het begin had, de juiste beslissing. Ik zou zelfs durven zeggen dat ze iets te traag was en sneller had moeten overgaan tot de lockdown.

U bent het niet eens met Luc Bonneux dat het sluiten van de scholen een vorm van kindermishandeling was?

Boudry: Kindermishandeling zou ik het niet noemen, maar toch volg ik Luc daarin voor een groot deel wel. Kinderen het recht op onderwijs ontnemen, is zeer schadelijk. Ze zullen daar de gevolgen van dragen, zelfs in hun levensverwachting.

Bonneux: Tijdens Italië dacht ik ook: ‘Mijn god, wat gebeurt daar allemaal?’ Ik besloot om te zwijgen en af te wachten hoe de epidemie zou evolueren. Voor zover ik weet, was er nergens die exponentiële toename. Gedeeltelijk was dat een gevolg van de maatregelen, maar ook door de angst. Als iedereen binnen blijft, valt alles stil. Eén of andere vorm van lockdown, of van beleid gericht op het dalen van overdracht, was logisch, rationeel én belangrijk. Na Italië heeft niemand mij horen zeggen dat we niets moesten ondernemen. Maar wij Belgen hebben geen ervaring met epidemieën. We richten onze blik dan naar de Wereldgezondheidsorganisatie WHO. Daar liep het grondig mis. Pas op 11 maart bestempelde de WHO de uitbraak van het SARS-CoV-2-virus als een pandemie. Dat is een probleem. Het very stable genius Donald Trump is een idioot, maar heel af en toe heeft hij gelijk: we moeten misschien toch eens goed kijken naar wat daar in de schoot van die organisatie precies gebeurd is. In hun eerste artikelen die in januari en februari over Wuhan verschenen, stonden behoorlijk bescheiden schattingen. Ik vermoed dat China toen erg zuinig met de waarheid was. In het begin waren vergissingen niet verwonderlijk omdat de aangeboden informatie gewoon fout was. Daarom trokken ook alle virologen dezelfde foute conclusies. Bij de vorige ‘pandemieën van paniek’, de vogelgriep en de Mexicaanse griep, werd duidelijk dat de WHO zwaar geïnfiltreerd was door de farmaceutische industrie. Zo zwaar dat ze slechte adviezen gaf.

De WHO is een corrupte club?

Bonneux: Ze is ondergefinancierd en gaat daarom het geld zoeken waar het is. Ik ben pleitbezorger van een krachtige Wereldgezondheidsorganisatie die onafhankelijk kan opereren, alleen lukt dat niet met een halve euro. Daar is gewoon geld voor nodig. Ze heeft nu andermaal gefaald. De ernst werd pas duidelijk toen het virus als een storm over Italië raasde. Toen sloeg bij iedereen de schrik om het hart, ook bij mij. Ik deed ook mee aan de lockdown, al vond ik van in het begin dat er rare maatregelen tussenzaten.

Er bestaat dus ondanks alles geen enkele twijfel over: de Belgische lockdown was een uitstekende beslissing?

Bonneux: Ik zou toch meer naar de intelligente lockdown van Nederland gekeken hebben. Ik werk als arts in woonzorginstellingen in Zeeuws-Vlaanderen. Tijdens de lockdown gaven we ons huis een opfrisbeurt. Ik haalde al het materiaal in de doe-het-zelfwinkel in Nederland. Die heeft nooit zijn deuren gesloten. Ik voelde me daar geen seconde bedreigd, terwijl de schrik me wel om het hart sloeg in de Belgische supermarkt met al zijn desinfecterende maatregelen.

De Nederlandse scholen gingen halfweg maart ook dicht.

Bonneux: Dat ging in tegen het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Minister-president Mark Rutte zwichtte onder druk van de angstige middenklasse. Alles in beschouwing genomen, was het Belgische beleid een stuk beter dan het Franse. Want mensen zoals in Frankrijk huisarrest opleggen, is niet meer of minder dan gezondheidsfascisme. President Emmanuel Macron ontmaskerde zichzelf als fascist en dictator.

Vermoedelijk dankzij Mark Van Ranst kreeg België een vrij redelijke lockdown. Maar van zodra die lockdown gelost moest worden, werd duidelijk dat wij geen plan op lange termijn hebben. Dát is het grote verschil met Zweden. Volgens Tegnell zal pas in 2025 duidelijk worden wie gelijk had. We moeten niet doen alsof de Zweden helemaal geen maatregelen namen, integendeel. De essentie is ook daar terecht: hou anderhalve meter afstand.

Boudry: België, Zweden en Nederland namen hun beslissingen in het begin in totaal verschillende contexten. Italië werd als allereerste Europese land overrompeld, terwijl Zweden zich een paar weken langer kon voorbereiden, net als België. Het is dan nogal misleidend om te stellen: achteraf zullen we wel zien welke aanpak de beste was. Want dat wekt de indruk dat alle landen met exact hetzelfde probleem te kampen hadden. Dat is niet zo. Vanuit ons land vertrokken veel mensen op skiverlof naar Italië; vanuit Zweden véél minder. De import van virus lag bij ons dus ook veel hoger. België is door zijn centrale ligging een internationale draaischijf, met een groot verloop van buitenlandse reizigers. Wij hebben een grote bevolkingsdichtheid, terwijl Zweden afgezien van de dichtbevolkte regio Stockholm vooral platteland is met mensen die ver van elkaar leven. Je mag ook de dagelijkse omgangsvormen niet onderschatten: de Zweden knuffelen en kussen minder dan bijvoorbeeld de Italianen. Blijkbaar zijn ze ook gehoorzamer: wanneer de overheid iets vraagt, doen ze dat gedwee.

Nederland is België niet, meneer Bonneux. Laat staan dat we Zweden zouden zijn.

Bonneux: Maarten heeft gelijk: het zijn allemaal verschillende landen, maar ook ín die landen zijn er enorme verschillen. De epidemie verspreidt lokaal, zoals in mijn Zeeuws-Vlaamse werkgebied. Ik werk met kwetsbare bejaarden, de kans dat ik dat virus op kon doen was zeker in het begin niet klein. Dat maakte me bezorgd. In het Franse departement Ariège wonen vier inwoners per vierkante kilometer. Het is dan toch ietwat belachelijk om daar even strenge maatregelen af te kondigen als in een dichtbevolkte stad als Parijs? Een belangrijke les die we nu al kunnen trekken, is dus dat het beleid om een epidemie in te dijken, lokaal zou moeten zijn. Waarom werd Zuid-Nederland zo zwaar getroffen? De verklaring is simpel: op de carnavalsfeesten werd het virus duchtig verspreid. Die feesten hadden dus níet mogen plaatsvinden. Ik ben het met Maarten ook eens dat er op tijd moet ingegrepen worden. Maar met oog voor nuance. Dit virus veroorzaakt een opgetrokken natuurlijke sterfte. Dat wil zeggen dat er niets gebeurt bij kinderen en jongvolwassenen, en nauwelijks iets bij volwassenen. De sterfte bij volwassenen in Nederland is 1 op 10.000 infecties. Dat is een verantwoord risico, anders moet je gewoon van de straat wegblijven, want dat is véél riskanter.

Sommige mensen worden er toch heel erg ziek van?

Boudry: En houden er permanente letsels aan longen, nieren of hart aan over. In de Verenigde Staten worden nu al bestellingen geplaatst voor nierdialysemachines omdat de nieren van misschien wel tienduizenden patiënten het zullen laten afweten. Die schade vind je niet terug in de mortaliteitsstatistieken.

Bonneux: Ik twijfel er niet aan dat dit virus schade berokkent, maar bij volwassenen is die beperkt. Mijn kinderen zijn jonge ouders. Ik ben een babyboomer die in zijn leven van alles heeft kunnen profiteren. Weegt het risico dat ik nu door dat virus loop op tegen de schade die we aandoen aan al die jonge mensen die net een huis gekocht hebben, een bedrijfje opstartten of een restaurant uitbaten? In Zweden bleven de restaurants open.

Boudry: In vergelijking met epidemieën als SARS en de Spaanse griep is de mortaliteit van dit virus inderdaad relatief laag. Driekwart van de mensen op intensieve zorgen herstelt, geneest en sterft niet. Maar velen werden wekenlang beademd en moeten maandenlang revalideren. Het klopt dat SARS-CoV-2 niet het ergst denkbare virus is, maar het is ook geen stevig griepje. We moeten dus een evenwicht proberen vinden, al vrees ik dat Luc de gezondheidsrisico’s onderschat. Er zijn trouwens ook bij kinderen aanwijzingen van Kawasaki-achtige complicaties, ontstekingen van de bloedvaten.

Bonneux: Kawasaki komt evengoed bij griep voor hoor. (lacht) De berichtgeving daarover toont net aan dat bij dit virus de zin voor relativering verloren gaat. In Nederland sterft driekwart van de 75-plussers op intensieve zorgen. In België is een enorme capaciteit gecreëerd, waardoor mensen op IC belanden die er niet thuishoren. Zo las ik dat ook Walter Grootaers er met een vervelende hoest terechtkwam, zoals zowat iedereen met covid-19.

Een studie van de universiteit van Glasgow concludeert dat mensen door covid-19 gemiddeld tien jaar te vroeg sterven.

Bonneux: Dat is gemiddeld, natuurlijk. Aan de ene kant zijn er heel veel ouderen die weinig jaren verliezen, aan de andere kant zijn er ook jongere mensen die meteen heel wat jaren aan de statistiek toevoegen als ze sterven. Covid-19 blijft vooral een probleem voor ouderen. De lessen die we nu tot onze scha en schande geleerd hebben, zijn: begin op tijd en bescherm de ouderen. Daar heeft de hele wereld in gefaald. Zweden ook, maar België nog veel meer. Wij zijn de wereldrecordhouder sterfte in woonzorgcentra.

Dan moeten we nu hard nadenken over de herinrichting van die woonzorgcentra?

Bonneux: Ik heb daar slapeloze nachten van. Het virus kwam niet binnen met de bezoekers, maar met de verzorgenden. Jonge, kerngezonde meiden met het hart op de juiste plaats. Ze wisten niet eens dat ze ziek waren of trokken het zich niet aan, want ze moesten voor hun mensen zorgen. Op een van de afdelingen waar ik werk, was van de ene op de andere dag iedereen positief. Ik was daar niet goed van. Ze gingen op zoek naar de patiënt die het virus had kunnen binnenbrengen. Maar ik ben er zeker van: het was een verzorgende. Het zorgpersoneel moét dus zeer frequent getest worden.

We zijn nog lang niet van dit virus verlost. Ik heb in februari voorspeld dat het in mei zou verdwijnen. Al is dat niet zeker, want het is een nieuw virus. Waar ik wel vrij zeker van ben, is dat het in de herfst en de winter terug zal verschijnen.

Een andere dokter zei me dat hij niet gelooft in een tweede golf.

Bonneux: Dat kan best. Dit is het vijfde verkoudheidsvirus dat zich aan het aanpassen is. Vanuit virologisch perspectief wordt dit even goedaardig als de andere vier, als we maar lang genoeg wachten. Maar dat kan nog wel even duren. Het zal niet in rook opgaan. Daarom hamert Anders Tegnell ook zo op die langetermijnstrategie.

Boudry: Ik ben het ermee eens dat we nood hebben aan een langetermijnstrategie. Wat Luc wil, is geleidelijk, of misschien zelfs versneld, alle scholen heropenen en de economie aanzwengelen, in het volle besef dat het reproductiecijfer van het virus zo terug een beetje zal stijgen. We beschermen de kwetsbare mensen en bouwen intussen wat groepsimmuniteit op. Dat is een waardevolle strategie, ook al vallen er dan extra doden. Maar er is ook iets te zeggen voor een andere strategie: de curve platslaan. In plaats van te versoepelen, bijten we nog eventjes door. Als we nog een paar weken wachten en de lockdown aanhouden, komen we terecht in de groep van Oostenrijk, Taiwan, of Zuid-Korea. Daar hebben ze het virus zo goed onder controle, dat hun menselijke track & tracers snel nieuwe besmettingshaarden kunnen opsporen en blussen. Ik weet ook wel dat er nu veel druk vanuit de bevolking is op onze beleidsmakers. De kinderen moéten gewoon terug naar school, mensen willen opnieuw buiten en snakken naar sociaal contact. Alles wijst erop dat de teugels gevierd zullen worden, maar ik hou mijn hart vast, want een nieuwe opflakkering is mogelijk, met een tweede lockdown als gevolg. Dit nog eens moeten meemaken, is het allerergste scenario. Nu éven doorbijten, is misschien verstandiger.

Bonneux: Je strategie snijdt hout, alleen is de schade die dan wordt toegebracht wel erg groot.

U hebt het over de economische schade?

Bonneux: Ja, maar ook de maatschappelijke en pedagogische. Ik kan echt niet om met wat we onze kinderen hebben aangedaan. Speeltuintjes afsluiten omdat anders de ouders gingen samenscholen. Ik zeg niet wat ik daar echt van denk, want dan gebruik ik heel brutale, lelijke woorden.

Anders Tegnell en Jean-Luc Dehaene delen dezelfde filosofie: los de problemen op wanneer ze zich stellen. We moeten oppassen dat we met onze preventieve aanpak niet compleet doorslaan. Bij preventie is de zot nooit zot genoeg en kan het altijd nóg zotter. Als die tweede golf er komt, zullen we wel zien wat we moeten doen. De Zweden leren ons nu dat we een heel eind komen door beroep te doen op het gezond verstand van de burger. Als er dan op een bepaald moment meer en strengere maatregelen moeten genomen worden, is dat maar zo. Ik heb erg veel angst voor het rondwarende gezondheidsfascisme, waarbij iedereen te horen krijgt: ‘Doe dit niet en dat niet, anders besmet je anderen.’ We weten perfect wat we moeten doen: afstand houden. We weten ook dat de kans op grote schade erg klein is bij kinderen en jongvolwassen. De grote uitdaging is: hoe beschermen we ouderen? Nogal wat jonge mensen met een goed draaiend bedrijfje zeggen me: ‘Mei overleven we nog, juni niet. Dan is het einde verhaal.’ Ik vind dat we ook aan hen moeten denken. Bij het maken van keuzes, brachten we te weinig de Tegnell-Dehaene-aanpak in de praktijk: identificeer eerst het probleem en zoek vervolgens hoe je het kan behandelen.

Boudry: Ik stoor me aan het woord ‘gezondheidsfascisme’, omdat dat het echte fascisme trivialiseert. Het klopt inderdaad dat de kans zeer klein is dat twee gezonde twintigers of dertigers na een ontmoeting aan covid-19 zullen sterven. Ik doe af en toe de boodschappen voor oudere buren. Zo lopen zij minder risico. Maar als elke Belg één willekeurige persoon ontmoet, staat 70 procent van de bevolking weer met elkaar in contact. Dat vergroot het gevaar dat ik op een of andere manier het virus naar mijn buren overdraag. Het is zoals wanneer iemand je een geheim verklapt: ‘Vertel het alsjeblieft niet verder.’ Aan je beste vriend kan je dat dan wel doorvertellen, denk je, want je vertrouwt hem. Als iedereen zo redeneert, kent binnen de kortste keren de hele stad het geheim. Als de besmettingsketen blijft doorlopen, komen onvermijdelijk ook kwetsbare en oudere mensen in het vizier van het virus. Misschien is de kans zeer klein dat ik door het dragen van een mondmasker in de supermarkt iemands leven red; toch vind ik het verstandig het te dragen. Net om het besmettingsrisico te minimaliseren.

Bonneux: Ik ben het met Maarten eens hoor, we mogen die kleine kans om anderen te besmetten niet zomaar van tafel vegen, al zal ik op straat nooit een mondmasker dragen.

Boudry: Dat is waar. In de buitenlucht is het risico sowieso bijna onbestaande. Tenzij je in iemands oor gilt. (lacht)

Luc Bonneux

  • Geboren in 1955
  • Studie geneeskunde en tropische geneeskunde (Universiteit Antwerpen) en epidemiologie (London School for Hygiene and Tropical Medicine)
  • Doctoraat ouderdomsziekten (Erasmus Universiteit, Rotterdam)
  • Arts in Congo
  • Academische loopbaan in Rotterdam, Utrecht, Brussel en Den Haag
  • Sinds 2012 verpleeghuisarts in Nederland
  • Auteur van tal van boeken en studies over geneeskunde, gezondheid, epidemiologie en veroudering, zoals En ze leefden nog lang en gezond. Hoe gezondheid een industrie werd. (2011)

Maarten Boudry

  • Geboren in 1984
  • Wetenschapsfilosoof, promoveerde tot doctor in de wijsbegeerte aan de UGent
  • Houder van de Leerstoel Etienne Vermeersch aan diezelfde universiteit
  • Schrijft regelmatig voor Nederlandse en Vlaamse kranten en tijdschriften over religie, pseudowetenschap, psychologie en racisme
  • Schreef verschillende boeken, met als meest recente Waarom de wereld niet naar de knoppen gaat (2019) en Alles wat in dit boek staat is waar (en andere denkfouten) (2019)

© Jan Stevens

‘Een lockdown versterkt vooral de angst’

TegnellDe Amerikaanse NGO International Center for Journalists (ICFJ) organiseerde een online-vragenuur met de Zweedse staatsviroloog Anders Tegnell. Geregistreerde journalisten konden hem vragen voorleggen over zijn controversiële aanpak van de coronacrisis. ‘Een kwart van de Zweden is immuun.’

 

Anders Tegnell staat ons te woord vanuit zijn auto op een parkeerplaats ergens in Stockholm. We vragen hem wat hij vindt van de striemende kritiek van Nele Brusselaers, Belgische epidemiologe aan het Karolinska Institutet. Volgens haar stevent Zweden door de ‘non-aanpak’ van staatsviroloog Tegnell full speed af op een catastrofe. ‘Zij behoort tot een kleine groep wetenschappers die al van in maart hardnekkig beweert dat door mij het Zweedse gezondheidssysteem zal imploderen’, antwoordt hij. ‘In een paar weken tijd zouden er tienduizenden doden vallen. Geen enkele van hun voorspellingen kwam uit. Integendeel, we evolueren steeds meer in de juiste richting. In de VS en Groot-Brittannië werden ook modellen voor Zweden uitgetekend met honderden keren meer besmettingen en doden dan in de werkelijkheid. Allemaal sloegen ze de bal mis.’

 

Waarom ging Zweden niet in lockdown?

Anders Tegnell: Zoals altijd in zaken van volksgezondheid gingen wij van in het begin van de epidemie het gesprek met de Zweedse bevolking aan. Dat is precies ook wat de wet ons voorschrijft. We hebben er veel vertrouwen in dat onze landgenoten hun verantwoordelijkheid nemen. Dankzij onze aanpak hielden we de besmettingen onder controle en bleven de gezondheidsdiensten overeind. We stonden nooit onder druk om iets anders uit te testen. We namen veel kleine maatregelen: zo verboden we eerst bijeenkomsten van meer dan 500 mensen en stelden dat later bij tot 50. Italië en Oostenrijk hadden ons geleerd dat restaurants grote besmettingshaarden zijn, dus probeerden we de kans op besmetting in de horeca zo klein mogelijk te houden. We wilden geen lockdown, maar kozen ervoor het besmettingsrisico te minimaliseren. Dat heeft als consequentie dat besmetting niet stopt, maar wel beheersbaar wordt. Ons gezondheidssysteem stond tijdens deze pandemie op geen enkel moment onder druk. Minstens 20 procent van alle ziekenhuisbedden bleef onbezet.

We hadden het trage begin van de epidemie snel in de gaten. Veel landen misten de start en schrokken pas wakker op het moment dat er te veel zieken waren om de epidemie nog onder controle te krijgen. Wij zagen de epidemie op ons afkomen tijdens onze verspreid georganiseerde lentevakantie, samen met de terugkerende reizigers. Stockholm is het zwaarst getroffen; dat komt omdat de lentevakantie van de hoofdstad toevallig samenviel met de grote uitbraken in Centraal-Europa. We hebben toen meteen zeer veel teruggekeerde vakantiegangers getest.

 

Toch telt Zweden inmiddels meer dan 3000 doden. In uw buurlanden met strikte lockdowns ligt de dodentol flink lager: in Denemarken vielen zes keer minder doden en in Noorwegen en Finland zijn het er een paar honderd.

Tegnell: De belangrijkste verklaring voor onze vele doden is de grote sterfte in de woonzorgcentra. De Zweedse rusthuizen worden zo goed als uitsluitend bevolkt door stokoude, zwaar zieke mensen. Ongeveer 70.000 hoogbejaarden leven er samen. Als het virus in zo’n rusthuis binnendringt, is de dodentol immens. In Stockholm raakten jammer genoeg nogal wat woonzorgcentra besmet. Meer dan 50 % van onze doden komt uit die centra.

 

De rusthuizen waren slecht op een epidemie voorbereid?

Tegnell: Het was inderdaad al lang geweten dat ze niet voorbereid waren op de uitbraak van een besmettelijke ziekte. De kwaliteit van de zorg in veel woonzorgcentra laat te wensen over, zeker in de regio Stockholm. Het aantal besmettingen is er nu langzaam aan het afnemen, net als het aantal doden. Niet alleen in de hoofdstad, maar over het hele land. Dat valt nog niet in de officiële cijfers op, omdat er vertraging zit in de rapportering.

 

Zullen landen die snel in totale lockdown gingen de volle rekening van de dodentol pas gepresenteerd krijgen tijdens hun exitstrategie?

Tegnell: Dat weet niemand. Wat ik wél weet, is dat in onze scandinavische buurlanden en in bijvoorbeeld Oostenrijk nu slechts 1 à 2 procent van de bevolking immuun is, terwijl de groepsimmuniteit in Zweden 25 procent bedraagt. Dat wil zeggen dat wij meer van de weg hebben afgelegd. Als 99 procent van je bevolking door een lockdown tijdelijk aan corona ontsnapt, wordt het in de toekomst heel moeilijk om nieuwe grote golven de baas te kunnen. Want met welke maatregelen moet je dan ingrijpen?

Elke dag opnieuw houden wij de besmettingen onder controle, terwijl onze samenleving open blijft. We leggen de nadruk op social distancing en, zeker voor onze bejaarden, op het limiteren van sociale contacten. We raden hen aan toch voldoende buiten te komen, maar drukke omgevingen te vermijden. De buitenlucht is gezond en als je voldoende afstand houdt, kun je zo ook anderen ontmoeten.

 

U blijft vasthouden aan het principe: zolang er geen vaccin is, moet groepsimmuniteit ons beschermen?

Tegnell: We moeten er ons goed van bewust zijn dat we later zullen vaccineren voor een niet al te gevaarlijke ziekte. 99,9 procent van de jonge gezonde bevolking sterft niet aan covid-19. Dit is geen ziekte met een mortaliteit van 15 procent. Wat meteen ook wil zeggen dat een vaccin zeer veilig zal moeten zijn. Zolang dat er niet is, blijft groepsimmuniteit inderdaad de enige weg.

 

Er is toch veel onzekerheid over hoe immuun iemand na covid-19 werkelijk is?

Tegnell: Het klopt dat er veel onduidelijkheid is over immuniteit, zeker als je test op antilichamen bij elk individu afzonderlijk. Maar immuniteit voor deze ziekte bestaat wel degelijk. In Zweden heeft geen enkele covid-19-patiënt de ziekte een tweede keer moeten doorstaan. Ons registratiesysteem is zeer strikt, waardoor vergissingen uitgesloten zijn. Ik heb tot hiertoe ook uit geen enkel ander land een verslag gezien dat melding maakt van patiënten die twee keer door het virus getroffen worden. Daar worden vooral veel geruchten over verspreid. We weten nog niet vanaf welk niveau antilichamen bescherming bieden en voor hoelang. Maar misschien zorgen andere delen van ons immuunsysteem ook voor bescherming.

Wij nemen aan dat de trage afname van besmettingen in Stockholm een gevolg is van onze groepsimmuniteit. De curve begint te zakken, terwijl we de voorbije vijf weken geen enkele nieuwe maatregel genomen hebben. Daar komt bij dat de social distancing in onze samenleving iets minder strikt wordt opgevolgd. Er is dus eigenlijk geen andere verklaring mogelijk dan die groepsimmuniteit.

 

In tegenstelling tot de meeste andere landen raadt u de Zweden af stoffen mondmaskers te dragen. Waarom?

Tegnell: Het zogenaamde wetenschappelijk bewijs voor het dragen van mondmaskers is flinterdun. Er wordt meestal verwezen naar één kleine theoretische studie uit Hongkong over hoeveel virus er ontsnapt via een stoffen mondmasker. Die studie ging niet eens over covid-19, maar over andere virussen. Het is een theoretische oefening die nooit op grotere schaal in de praktijk gebracht is. Het blijft dus zeer onduidelijk of stoffen mondmaskers er daadwerkelijk voor zorgen dat je niemand besmet.

In Zweden is er één gouden regel: blijf thuis als je je ’s morgens niet lekker voelt. Wie ziek is, ontvangt vanaf dag één een ziektevergoeding die het salaris integraal vervangt. Wij zijn bang dat de introductie van mondmaskers enkel een vals gevoel van veiligheid zal geven.

 

De lagere scholen bleven open?

Tegnell: Er is geen enkele reden om kleuter- of basisscholen te sluiten, want intussen weten we dat kinderen níet de motor van dit virus zijn, in tegenstelling tot het griepvirus. Tot hiertoe raakten slechts 200 Zweden jonger dan 20 met covid-19 besmet. Soms dragen ze het virus zonder er zelf ziek van te worden; zelden geven ze het aan volwassenen door. Dat is in IJsland proefondervindelijk vastgesteld.

 

U hebt daar stevig wetenschappelijk bewijs voor?

Tegnell: We moeten goed beseffen dat covid-19 compleet nieuw is en dat wetenschappelijk onderzoek naar dat virus in zijn kinderschoenen staat. Zowat alle maatregelen van alle landen overal ter wereld, zijn niet met solide kennis onderbouwd. Er is geen wetenschappelijk bewijs voor lockdowns of het sluiten van grenzen. We streven wel allemaal datzelfde doel na: de besmetting vertragen en spreiden in de tijd. In sommige landen greep de besmetting zo snel om zich heen, dat ze geen andere uitweg meer zagen dan de totale lockdown. Maar een lockdown versterkt vooral de angst. De economische kost is gigantisch, met faillissementen en veel werklozen die daar mentaal onder lijden. Wij geloven in onze strategie omdat mensen het nog heel lang zullen moeten blijven volhouden.

 

© Jan Stevens

‘Het was een pure horroshow’

In De Russische klus reconstrueert Douglas Smith hoe Amerika begin twintigste eeuw tijdens de hongersnood in de Sovjet-Unie ingreep. ‘Zo behoedden we de communistische dictatuur van de ondergang.’

 

De Amerikaanse historicus Douglas Smith blaast in zijn fascinerende boek De Russische klus het stof van een compleet vergeten geschiedenis. Na jaren van revolutie en oorlog was rond 1920 de hongersnood in de prille Sovjet-Unie zo extreem, dat sommigen wanhopig hun toevlucht namen tot kannibalisme. Vladimir Lenin, de leider van de bolsjewistische partij, zag geen andere uitweg dan de aangeboden hulp van kapitalistische aartsvijand Amerika te aanvaarden. In het vroege najaar van 1921 trok een kleine groep Amerikaanse hulpverleners de op instorten staande communistische heilstaat in. De reddingsactie van de American Relief Administration (ARA) onder leiding van de latere Amerikaanse president Herbert Hoover redde miljoenen Russen van de hongerdood. Voor miljoenen anderen kwam alle hulp te laat. Twee jaar lang voedde ARA dagelijks 11 miljoen Russische burgers. Na het stopzetten van de operatie op 15 juni 1923 veegden zowel de Sovjets als de Amerikanen de succesvolle Russische klus zo snel mogelijk onder het tapijt.

 

Het ligt voor de hand dat Lenin de ‘vernederende’ Amerikaanse hulp wou vergeten, maar waarom verdween die geschiedenis ook uit het Amerikaanse collectieve geheugen?

Douglas Smith: ARA-baas Herbert Hoover profiteerde eerst van de populariteit die hij in Rusland als Master of Emergencies had opgebouwd. Daarom won hij 1928 met een overgrote meerderheid de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Maar een jaar later crashte de beurs en brak de Grote Depressie uit. De ‘Meester van Noodgevallen’ slaagde er niet in zijn eigen verpauperde bevolking uit de armoede te tillen en donderde van zijn sokkel. De sloppenwijken in de steden werden ‘Hoovervilles’ genoemd, de oude kranten waaronder de daklozen sliepen ‘Hooverdekens’, en karton om gaten in afgedragen schoenen dicht te stoppen, heette ‘Hooverleer’. Een tweede ambtsermijn zat er voor Herbert Hoover niet meer in. In die donkere jaren voor WO II verdween ‘de Russische klus’ dan ook razendsnel uit de Amerikaanse herinnering.

De ARA-reddingsactie werd in de Sovjet-Unie door Lenin meteen na afloop al op de zwarte lijst gezet. Russische ARA-medewerkers werden gebrandmerkt als spionnen en de operatie werd integraal uit de Sovjetgeschiedenisboeken gegomd. Later verschenen er een paar wetenschappelijke werken over, maar voor het grote publiek bleef de Amerikaanse reddingsoperatie in Rusland tot nu een groot mysterie.

 

De Russische revolutie was nog heel pril toen de Amerikanen de Sovjets te hulp snelden.

Smith: De bolsjewieken grepen in november 1917 de macht. Daarna volgde een burgeroorlog die duurde tot halverwege 1920 en die de Russische bevolking decimeerde. In de jaren 1919 en 1920 waren de Verenigde Staten in de ban van de ‘Rode Schrik’. Na WO I was er heel wat onrust onder arbeiders, met stakingen en oproer. Onder Amerikaanse politici was de angst groot dat de bolsjewisten hun revolutie naar het Westen zouden exporteren. Achter elke straathoek bespeurden ze een bolsjewist die de regering omver wou werpen. De Amerikaanse Senaat stelde zelfs een commissie aan die de dreiging van het ‘Rode Gevaar’ in kaart moest brengen. De ‘Rode Schrik’ van toen is het equivalent van islamofobie vandaag, en van onze niet altijd even rationele angst voor jihadistische terreur.

 

Waren er in die tijd bolsjewistische terroristen actief in Amerika?

Smith: In de lente van 1919 pleegden anarchisten een reeks bomaanslagen op belangrijke politici, topambtenaren en ondernemers. Op 16 september ontplofte op Wall Street zelfs een bom die 38 mensen het leven kostte. De terreurdreiging zat dus niet helemaal tussen de oren van de burgers, maar ze mondde wel uit in een vorm van massahysterie. Die paranoia was wijdverspreid.

 

De grote hongersnood in de Sovjet-Unie was in de eerste plaats een gevolg van jaren burgeroorlog?

Smith: Jawel, zeven jaar van ononderbroken oorlog tussen het Rode leger van de bolsjewieken en het Witte Leger van de grootgrondbezitters en de adel eiste een loodzware tol. Niet enkel de Roden verspreidden terreur, ook de Witten lieten zich niet onbetuigd. Ze stalen het graan van de boeren die op hun beurt de productie drastisch terugschroefden en enkel nog graan voor eigen gebruik teelden. De wanhopige boeren verstopten het onder de vloer, in putten, tussen de rieten daken of achter schijnmuren. De extreme droogte van 1920 en ’21 was de spreekwoordelijke druppel. Twee jaar lang viel er zo goed als geen regen in zowat de hele vallei rond de rivier de Wolga. De oogsten mislukten, er was geen voedseloverschot en tegen de lente van 1921 was de ramp compleet.

 

Was het Westen zich bewust van de omvang van de Russische hongersnood?

Smith: De Amerikanen wisten dat er ernstige bevoorradingsproblemen waren, maar de ware omvang van de hongersnood drong door nadat de ARA-reddingsoperatie van start ging. Pas dan begonnen kranten en tijdschriften er aandacht aan te besteden. Zelfs de Amerikaanse hulpverleners hadden bij hun vertrek nog niet in de gaten hoe erg het was. De meesten hadden gevochten in de Eerste Wereldoorlog en vreselijke dingen gezien. Maar de toestand in de Sovjet-Unie overtrof alles. Het was een pure horrorshow. De hulpverleners waren daar niet op voorbereid. Na de revolutie was Rusland jarenlang afgesneden van de rest van de wereld. Slechts weinig westerlingen waren er zich van bewust hoe hard de oorlog het land had verwoest. De infrastructuur was vernietigd, net als de landbouw, en de steden lagen in puin. Het was alsof de Apocalyps had plaatsgevonden, met overal stapels uitgemergelde lijken.

 

In uw boek lees ik dat Vladimir Lenin minstens even meedogenloos was als zijn opvolger Jozef Stalin. Zo gaf hij in augustus 1918 het bevel om boeren die te weinig graan produceerden te ontvoeren en terecht te stellen: ‘Knoop minstens 100 rijke klootzakken op. Publiceer hun namen. Neem ze hun graan af. (…) Doe dat allemaal zodat mensen kilometers verderop het zien, het begrijpen, beven.’

Smith: Veel mensen zien Lenin nog steeds als een progressieve humanist, terwijl hij in werkelijkheid uitermate wreed was. De laatste twintig jaar werden steeds meer archieven in Rusland toegankelijk en dat leverde nieuw materiaal over de eerste leider van de Sovjet-Unie op. Recente biografieën tonen aan dat ‘vadertje Stalin’ geen verdorven tegenpool van Lenin was, maar een logische voortzetting. Vladimir Lenin was bereid tot alles om de macht te behouden. Om zijn bolsjewistische experiment te redden, liet hij Amerika, de duivel zelf, binnen. Tegen de lente van 1921 was hij doodsbang dat hij de controle over het land ging verliezen. In februari en maart kwam de marine in de militaire vestingstad Kronstadt tegen de communistische regering in opstand. Ze noemden Lenin de nieuwe tsaar Nikolaas. Dat was heel pijnlijk, want de matrozen hadden de bolsjewieken van in het begin gesteund. Arbeiders staakten massaal in Sint-Petersburg, Moskou en andere grote steden, en boeren kwamen in opstand tegen de inbeslagnames van hun graan. De problemen van de boeren konden Lenin niet veel schelen, maar hij maakte zich wel grote zorgen over de bevoorrading van de steden. Hij was doodsbang dat hij de controle helemaal zou verliezen als de marine en de soldaten van het Rode Leger honger zouden lijden. Hij vertrouwde Herbert Hoover en zijn ARA voor geen haar, maar hij had geen andere keuze dan hun hulp te aanvaarden. Hij zorgde er wel voor dat de organisatie op de voet gevolgd werd door agenten van de geheime dienst Tsjeka.

 

Wat voor iemand was Herbert Hoover?

Smith: Hij was een Republikein, maar als hij vandaag zou leven denk ik niet dat hij lid zou zijn van de Republikeinse Partij. Hij zou zich diep schamen voor wat Donald Trump met de Grand Old Party heeft aangericht. Herbert Hoover was een briljante ingenieur en zakenman die rijk werd in de wereld van de internationale mijnbouw.

 

Ook in Rusland?

Smith: Ja, al verkocht hij zijn Russische mijnconcessies vlak voor de start van de Eerste Wereldoorlog. Hij had het Rusland van de tsaren een paar keer bezocht en was geschokt door de repressie, de stuitende ongelijkheid en het gebrek aan democratie. Hij was ervan overtuigd dat die cocktail ooit zou ontploffen. Hoover groeide op als Quaker, The Religious Society of Friends. Die kerkgemeenschap voert het helpen van de medemens hoog in het vaandel. De Amerikaanse Quakers vochten van in het begin tegen de slavernij. Herbert Hoover had als veertiger fortuin vergaard en wou voortaan als een echte Quaker verder met zijn leven. Tijdens WO I stortte hij zich in de liefdadigheid.

 

Met zijn ‘Comittee for Relief of Belgium’ (CRB) kocht Herbert Hoover vanaf 1914 wereldwijd voedsel aan dat hij vervolgens naar het bezette België en Noord-Frankrijk liet brengen. Hoovers CRB verdeelde twee miljoen ton voedsel onder zeven miljoen Belgen en twee miljoen Fransen. Vóór Rusland redde Hoover België van de hongerdood?

Smith: U hebt gelijk, daar had ik zelf niet eens aan gedacht. (lacht) Hoover staat inderdaad ook bekend als de redder van België. Zijn uw landgenoten zich daar nog van bewust?

 

Ik denk het niet, ook al hebben we dan in verschillende gemeenten Herbert Hooverstraten en -pleinen.

Smith: Na WO I hielp Hoover bij de opstart van de American Relief Administration, of ARA. Hij nam eerst als Amerikaans adviseur deel aan de vredesonderhandelingen in Versailles en was geschokt en triest door de miserie en verwoesting die hij overal in Europa zag. Hij kreeg geld van het Amerikaanse Congres om ARA op te richten en zo de grootste noden van de Europeanen te helpen lenigen. Hij vond dat een flink deel van het geld naar Duitsland en Oostenrijk moest vloeien omdat ook zij geleden hadden. Maar de Amerikaanse overheid zinde in de eerste plaats op wraak en stak daar een stokje voor.

 

Boden de Amerikanen in 1921 hulp aan de Sovjets aan, of werden ze gevraagd?

Smith: In de zomer van 1921 schreef de beroemde Russische schrijver Maxim Gorki een brief om hulp aan de wereld. Het Europese Rode Kruis en de Noorse ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen organiseerden de eerste hulpacties. Maar Europa had in die tijd niet de middelen omdat het continent nog moest herstellen van de gruwel van de wereldoorlog. De Amerikanen hadden wel geld in overvloed, waardoor zij snel verantwoordelijk waren voor 90 procent van alle hulp aan Rusland.

In het begin stond Lenin erg sceptisch tegenover ARA. Hij sprak zeer cynisch over Hoover, maar dat veranderde toen hij zag hoe efficiënt de Amerikanen te werk gingen. Het duurde niet lang of Lenin vond Herbert Hoover een geweldige kerel. ‘We hebben Hoover en zijn manschappen broodnodig’, verkondigde hij aan al wie het horen wou. Jozef Stalin heeft de Amerikanen nooit vertrouwd. Sommigen binnen de Tsjeka probeerden de operatie te dwarsbomen. Het bizarre is dat Feliks Dzerzjinski, het toenmalige nietsontziende hoofd van de Tsjeka, de Amerikanen wél gunstig gezind was.

 

Dzerzjinski alias ‘IJzeren Felix’, had toch een zeer slechte reputatie?

Smith: De Amerikanen hadden de Russische spoorwegen nodig om voedsel over het land te transporteren. Als hoofd van het Volkscommissariaat van het Vervoer had de machtige Dzerzjinski alles te zeggen over de treinen. William Haskell leidde de ARA-operatie en ontmoette Dzerjinski meermaals. Bij problemen liet IJzeren Felix spoorwegbeambten koudweg executeren. Haskell zei daarover: ‘Ik weet dat Dzerjinski’s handen druipen van het bloed, maar dat is oké want hij zorgt ervoor dat onze goederentreinen rijden.’

 

Een van de sleutelfiguren in de ARA-reddingsoperatie is de Amerikaanse diplomaat en gesjeesde schrijver James Rives Childs. Hij was in de eerste plaats een avonturier?

Smith: Childs was een merkwaardig man. Zijn schrijverschap kwam nooit van de grond, maar hij gold wel als een van ’s werelds grootste kenners van Giacomo Casanova. Dat zegt misschien veel over hemzelf. (lacht) Childs was inderdaad een avonturier, maar ook een idealist. Amerika vond hij te saai en te normaal. Hij had gevochten in WO I en was geheim agent geweest. Als student op Harvard ging hij naar een lezing van John Reed, een radicale Amerikaanse journalist die de Russische revolutie had meegemaakt. De jonge Childs werd op slag socialist en wou het arbeidersparadijs in de Sovjet-Unie met eigen ogen aanschouwen. Hij geloofde in de waarden van de revolutie en had het hart op de juiste plaats. Hij wou zijn Russische broeders helpen. Maar hij schrok van wat hij in Rusland aantrof.

 

Een andere schilderachtige figuur is Henry Wolfe. U volgt hem op zijn kannibalenjacht.

Smith: Wolfe was leraar geschiedenis in de staat Ohio en verveelde zich te pletter. Dus sloot hij zich aan bij ARA en vertrok op avontuur naar Russisch hongergebied. Hij zocht actie en opwinding. Veel Russen konden niet begrijpen waarom jongemannen zoals Wolfe uit een rustig, stabiel land aan de andere kant van de wereld, de chaos en de gruwel opzochten. Henry Wolfe ving geruchten op dat wanhopige Russen hun gestorven medeburgers opaten. Zo was er het verhaal van twaalf uitgehongerde mannen en vrouwen die het lijk van een recent overleden man op een kerkhof hadden opgegraven en er zijn rauwe vlees meteen hadden verslonden. Er was ook het sensationele verhaal van een dode man die door een restaurantuitbater versneden was tot koteletten en gehakt. Henry Wolfe wou die kannibalen ontmoeten en dat lukte hem uiteindelijk ook. Er is een foto bewaard gebleven waarop hij poseert met de resten van een kannibalenmaal: twee opengekliefde vrouwenhoofden, een deel van een ribbenkast, een hand en de schedel van een kind. De Sovjetautoriteiten wisten niet goed hoe ze met hun kannibalen moesten omgaan. Want meestal waren het wanhopige mensen en geen criminelen.

 

ARA heeft de Russen daadwerkelijk helpen overleven?

Smith: Zonder twijfel. In het begin van de operatie dachten de Amerikanen dat ze grofweg een miljoen mensen per dag zouden moeten voeden. Op het toppunt een jaar later gaven ze elf miljoen mensen te eten. Daarnaast verscheepten ze tonnen medisch materiaal, knapten ze ziekenhuizen op en herstelden ze vernielde wegen in dorpen en steden. Ze brachten kleding en schoenen mee en zetten zelfs een speciaal programma op om de hoogopgeleide Russische wetenschappers, dokters en academici terug aan de bak te helpen.

 

De Amerikanen hebben de Russische revolutie gered?

Smith: Een Amerikaans recensent merkte op dat zonder ARA de Sovjet-Unie in elkaar gezakt zou zijn en we de terreur van Stalin nooit hadden moeten meemaken. Misschien heeft hij gelijk, toch vind ik het onze morele plicht om mensen die in de shit zitten altijd te helpen. In 1921 kon niemand de latere capriolen van dictator Stalin voorspellen. Veel Amerikaanse hulpverleners geloofden dat door ARA de Russen wel zouden inzien dat communisme een vergissing was. Dat bleek een illusie te zijn.

 

Is in het huidige Amerika een reddingsactie zoals ‘de Russische klus’ nog mogelijk?

Smith: De ARA-redding van Rusland staat haaks op wat er nu in mijn land plaatsvindt. De VS isoleren zich in sneltreinvaart van de rest van de wereld. Ik begon dit boek te schrijven vóór Trump president werd en ‘America First’ de kop opstak. Ik hoop dat De Russische klus sommige landgenoten laat inzien dat het als welvarende samenleving onze verdomde plicht is mensen in nood te helpen. Voor een échte Republikein zou niet Donald Trump de gids mogen zijn, maar Herbert Hoover uit 1921.

 

Douglas Smith, De Russische klus, Spectrum, 328 blz., 27,99 euro

 

Douglas Smith

  • 1962 geboren in Minnesota
  • Studie Russisch aan de universiteit van Vermont en geschiedenis aan de universiteit van Californië
  • Schrijft verschillende historische werken over Rusland
  • 2012 debuteert als schrijver van populair-wetenschappellijke boeken over Rusland met Verloren adel, de laatste dagen van de Russische aristocratie

 

 

© Jan Stevens

%d bloggers liken dit: