Het jongetje met het mooiste handschrift

Tijdens zijn studie kunstgeschiedenis was Brody Neuenschwander er heilig van overtuigd dat hij later de kost zou verdienen als academicus in een stoffige universiteitsbibliotheek. Vandaag vult hij als wereldvermaard kalligraaf zijn dagen met het kunstig schrijven van letters. “Het leven volgt soms rare kronkels.”

 

Kalligraaf en tekstkunstenaar Brody Neuenschwander (57) woont en werkt in het statige herenhuis ‘De Patience’ in het historische hart van Brugge. Bij verbouwingswerken begin jaren negentig legde hij tijdens het afkappen van een laag pleister eigenhandig middeleeuwse kalligrafie uit 1381 bloot. Hij liet de muurschilderingen restaureren en werd zo bij toeval eigenaar van uniek kalligrafisch erfgoed. “Mijn fascinatie voor middeleeuwse handschriften ligt ook aan de basis van mijn ‘obsessie’ met kalligrafie”, zegt hij. “Ik ben geboren in Texas en studeerde kunstgeschiedenis aan de universiteit van Princeton. Daar bewaren ze een bijzonder grote verzameling middeleeuwse handschriften. Die boeken zijn fantastisch: elke bladzijde is uniek. In de universiteitsbibliotheek beleefde ik gouden tijden.”

Vandaag geldt Neuenschwander wereldwijd als een van de meest vooraanstaande kalligrafen. Hij schreef teksten voor alle grote musea, ontwierp letters voor uitgevers en softwareontwikkelaars, werkte mee aan films en verzorgde de belettering voor cd’s van beroemde artiesten zoals de Ierse Enya. “Tijdens mijn studie kunstgeschiedenis was ik er rotsvast van overtuigd dat ik academicus zou worden, intussen leef ik al dertig jaar van mijn kalligrafiepen. Het leven volgt soms rare kronkels.”

 

Dansende doordrukletters

Op zijn achtste kwam Brody Neuenschwander voor het eerst met kalligrafie in aanraking. “We verhuisden voor een jaar van Texas naar Duitsland. Daar zag ik hoe de kinderen op school met een kroontjespen elke dag hun schoonschrift oefenden. De kinderen in Texas waren op dat moment nog aan het knoeien met potlood en blokletters. Ik moest me dus snel aanpassen, maar ik vond dat niet erg. Terug in Texas hadden mijn medeleerlingen hun potlood ingeruild voor een balpen. Hun schoonschrift verschilde dag en nacht van wat ik in Duitsland geleerd had. Ik moest me dus opnieuw aanpassen en niet alleen van taal veranderen, maar ook van schrijfcultuur. Ik vond dat prima en ik was er zeer bedreven in. Ik was altijd dat jongetje met het mooiste handschrift.”

Brody lacht aanstekelijk, nipt van zijn koffie, denkt diep na en zegt: “Jonge mensen experimenteren met het schrijven van hun eigen naam. Eigenlijk is dat een veruitwendiging van hun zoektocht naar hun identiteit. Ik was daar als adolescent ook mee bezig: ik schreef graag en veel en kreeg daar lof voor van de leerkrachten. Toen ik eind jaren zeventig kunstgeschiedenis studeerde, wisten studentenverenigingen me direct te vinden. Ze vroegen of ik affiches wou maken voor hun activiteiten. Veel technische hulpmiddelen waren er toen nog niet. Zelfs een kopieerapparaat was exotisch.”

Het was de tijd van de ‘dansende doordrukletters’? “Precies. Mensen knutselden zelf hun affiches en foldertjes ineen met die legendarische Letraset-doordrukletters. Ik viel op omdat ik met de pen mooie letters fabriceerde. Tijdens mijn studentenjaren verdiende ik dankzij de kalligrafie veel drinkgeld. Na Princeton trok ik naar Londen om er te gaan doctoreren. Ik schreef me meteen ook in aan het Roehampton Institute waar in die tijd uitsluitend kalligrafie gedoceerd werd. Uren was ik er zoet met het inoefenen van geschriften. We analyseerden basisalfabetten en leerden die daarna met akelig typografische nauwkeurigheid zelf schrijven. We leken wel machines. Onze leermeesters waren pas tevreden als onze handschriften eruitzagen alsof ze gecreëerd waren door een robot. Nu weet ik dat de docenten van dat instituut kalligrafie fout benaderden. Toen had ik dat niet door.”

Ze vermoordden de ziel in de teksten die Brody en zijn medeleerlingen schreven? “Technisch klopten onze teksten als een bus, alleen waren ze zielloos en griezelig in hun perfectie. Het is niet omdat je zonder fouten toonladders op een piano kunt spelen, dat je ook doorleefde muziek maakt. Na mijn opleiding aan dat instituut was ik een echte vakman, alleen had ik geen flauw idee hoe ik emotie in mijn werk moest stoppen. Dat heb ik in de loop der jaren met vallen en opstaan zelf moeten ontdekken. Mijn grote troef als kalligraaf is nu dat ik enorm veel emotie zet in mijn schrijflijn. Als ik anderen mag geloven, is dat mijn grootste talent.”

 

Gotische letters

Na zijn studies ging Brody Neuenschwander aan de slag bij de Britse ‘Koninklijke Kalligraaf’ Donald Jackson. “Hij maakt de oorkondes voor de adel. Bij hem zag ik hoe ik van kalligrafie mijn beroep kon maken. Ik ben er een jaar gebleven en vervolgens zelfstandige geworden. Ik had ondertussen in Londen mijn Vlaamse vrouw leren kennen: ook zij studeerde er kalligrafie. In 1993 zijn we naar Brugge verhuisd.”

De eerste jaren als zelfstandig kalligraaf zag Brody zwarte sneeuw. “Het was niet eenvoudig om werk te versieren. Toen ik nog in Engeland werkte, werd ik uitgenodigd om deel te nemen aan een groepstentoonstelling van verschillende kalligrafen. Ik zag het werk van de anderen en vond het slaapverwekkend saai. Ik voelde de ambitie opborrelen om hen allemaal van de kaart te vegen. Een half jaar lang heb ik toen aan één kalligrafisch werk geschreven waarvan ik wist dat het vernieuwend zou zijn. Op de tentoonstelling kreeg ik alleen lovende kritieken. De Engelse kalligrafieliefhebbers vonden mijn werk een stap vooruit. Voor hen leek het revolutionair, maar artiesten en recensenten die in de moderne beeldende kunst actief waren, vonden het heel gewoon.”

De kunst van het kalligraferen liep eind jaren tachtig, begin jaren negentig een beetje achter op de tijdsgeest? “Een beetje veel”, lacht Brody. “De Britse kalligrafen staarden naar hun eigen navel en vergaten om over het muurtje naar andere kunstvormen te kijken. Ze hadden geen oog voor de evolutie die kunst in de twintigste eeuw doormaakte.”

Ze waren in de middeleeuwen blijven steken? “Zelfs dat niet, want toen was kalligrafie tenminste nog sappig. In de 19e eeuw hielden veel mensen niet van de industriële revolutie met zijn nieuwerwetse machines en ze wilden die liefst vernietigen. Engelse kalligrafen leden aan dezelfde vernieuwingsangst en waren gigantisch conservatief. Kalligrafen op het vasteland waren dan weer veel vooruitstrevender. Vooral de Duitse kalligrafen volgden begin 20e eeuw aandachtig de evoluties in zowat alle kunstuitingen. Ze lieten zich inspireren door moderne kunst en waren sterk geïnteresseerd in hedendaagse typografie. Zij hebben de kalligrafie gemoderniseerd.”

Bizar, want bij Duitse kalligrafie denkt een leek toch meteen aan agressieve gotische letters? Brody knikt. “Terecht. Tot in de jaren veertig werden boeken in Duitsland in het gotisch gedrukt, waardoor Duitse kalligrafen met hun gotisch schrift automatisch actueel bleven. Kalligraaf, letterontwerper en graficus Rudolf Koch was in die tijd zeer bekend voor zijn emotionele gotische schrift. Hij heeft prachtige zetletters ontworpen voor de drukindustrie. Hij zat met één voet in de traditie en met een andere in de technologische vernieuwing. Een andere Duitse kalligraaf, Hermann Zapf, vertrok vanuit de kalligrafie om nieuwe lettertypes te ontwerpen die nu standaard in tekstverwerkers op onze computer zitten.”

Kalligrafie blijft dus ook in onze digitale tijden belangrijk? “Zeker. Ik ontwerp fonts voor tekstverwerkers. Ik digitaliseer ze niet, dat is een werkje voor echte nerds. Ik schrijf de letters in inkt op papier, in het volle bewustzijn dat ze dienst zullen doen als digitaal lettertype. Ik vind de nieuwe digitale middelen trouwens fantastisch. De basis van mijn werk blijft inkt op papier, waarna ik mijn scanner aanzet en zo mijn ‘analoge’ geschriften naar het scherm van mijn computer overbreng. Die scanner is een van mijn belangrijkste werkinstrumenten geworden: hij verbindt mijn kalligrafie met het digitale. Alles wat ik geschreven heb, passeert via de scanner, komt zo in de virtuele wereld terecht en wordt daar verder bewerkt. We beleven nu een schitterende tijd, want ik heb als kalligraaf zoveel meer middelen en mogelijkheden dan vijftig jaar geleden. Ik kan sneller werken en wat ik creëer, is grafisch interessanter dan het werk dat ik maakte vóór de digitale revolutie.”

 

3000 karakters

Vandaag zijn de mogelijkheden dankzij de digitalisering bijna onbegrensd, vindt Brody. “Neem de digitale Montblanc-pen en de Samsung-tablet. Je schrijft in handschrift met de pen op de tablet, waarna jouw boodschap automatisch omgezet wordt in zetletters die je kunt mailen of opslaan als document. Voor Chinezen en Japanners is dat een onwaarschijnlijk belangrijke uitvinding. Wie een Chinese krant wil lezen, moet een basiskennis van 3000 karakters hebben. Wij westerlingen trekken ons uit de slag met 26 letters, waardoor het toetsenbord van onze computer compact blijft. Tijdens het begin van de digitaliseringsgolf zaten de Chinezen met de handen in het haar, want een toetsenbord met 3000 karakters is waanzin. Ze moesten allerlei trucs verzinnen om met een westers toetsenbord 3000 karakters te kunnen tikken. Een gewone tekst intikken, was bijna een nachtmerrie en bezorgde China een achterstand. De nieuwe digitale technologie werkt die achterstand voorgoed weg: nu kunnen ze met de pen op het scherm hun karakters schrijven die meteen door de computer herkend worden.”

Is Brody niet bang dat de digitalisering de ziel uit zijn werk zal halen? “Dat is een reëel gevaar”, knikt hij. “Door een geschreven tekst te digitaliseren kan hij zijn warm bloed verliezen. Vorige week heb ik een film opgenomen voor een installatie in het Joods Museum in Berlijn. Ik schreef in het Arabisch, Hebreeuws en Latijn en mijn pen in beweging werd gefilmd. Mijn live writing zal op de muren van het museum geprojecteerd worden. Ik kan je verzekeren: die installatie zal de bezoekers koude rillingen bezorgen. Ze zien de inkt vloeien en horen het papier kraken. Dat is een veel intensere ervaring dan een starre droge tekst.”

 

Zeldzame diersoort

Brody Neuenschwander maakte voor het eerst kennis met het digitale in 1990, toen de Britse regisseur Peter Greenaway hem vroeg of hij wou meewerken aan diens film Prospero’s Books. “Dat was meteen ook mijn eerste grote project. Prospero’s Books is de allereerste film ooit die digitaal gemonteerd werd. In de film zie je mijn hand teksten kalligraferen. In die tijd maakte ik me nog zorgen over de digitale transformatie, want kalligrafie is pure handenarbeid. Ondertussen weet ik dat digitalisering een zegen is. Want met elk nieuw jaar dat erbij komt, word ik een nog zeldzamere diersoort. Hoe minder kalligrafen er zijn die het vak tot in de puntjes beheersen, hoe interessanter het wordt voor de ‘overblijvers’ zoals ik.”

Er zijn in de kalligrafie geen ambachtslui meer? “Het was een tijd echt huilen met de pet op, nu is er gelukkig verbetering in zicht. Kalligrafie is zelfs erg in trek bij grafische vormgevers in spe. Ze beginnen in te zien dat een beroepsleven met alleen een muis in de aanslag en een scherm voor de neus niet bevorderlijk is voor de creativiteit. Ze verlangen terug naar het ambachtelijke van de kalligrafie. Twintigers die nu aan de academie grafische vormgeving studeren, zijn volbloed digital natives: zij hebben geen wereld zonder computers gekend. Daardoor hebben ze ook een belangrijke fase in hun ontwikkeling gemist: ze hebben nooit geleerd om eigenhandig een tekst te schikken, want de computer doet dat volautomatisch voor hen. Sommigen kloppen daarom nu bij mij aan: ze willen dat ik hen leer letters te kalligraferen, zodat ze zelf vorm kunnen geven aan a, b en c.”

Brody helpt hen de roots van de kalligrafie herontdekken? “Ja. Door terug letters met de pen te leren schrijven, ontwikkelen die jonge vormgevers meer flexibiliteit in hun denken en handelen. Wie zijn ambacht tot in de puntjes beheerst, kan het zich permitteren om buiten de lijntjes te kleuren. Weet je wat zo paradoxaal is? Steeds meer gewone mensen beoefenen kalligrafie als hobby, terwijl steeds minder professionele vormgevers zich in kalligrafie specialiseren. Slechts een handvol onder hen hebben daarenboven ook ambitie om kunstenaar te zijn.”

Zoals Brody? “Ja, en dat is niet altijd even eenvoudig. Het westen heeft geen kalligrafiecultuur, die is 500 jaar geleden met de start van de boekdrukkunst gestorven. Bij ons primeren schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur. De grootste kalligrafische cultuur ter wereld vind je in China. Het hele bestaan is daar op schrift gebaseerd en de belangrijkste vorm van kunst is kalligrafie. Dat geldt ook voor de Arabische wereld. Een moderne Arabische of Chinese kunstenaar kan meteen inspelen op die lange kalligrafische traditie. Als Westerse kalligraaf kan ik me niet op zo’n eeuwenoude traditie baseren, dus put ik dankbaar uit de Arabische en Chinese kalligrafie en werk ik samen met kalligrafen uit China, Japan, India en Korea. Dankzij de sociale media is dat gelukkig makkelijker dan ooit tevoren.”

 

© Jan Stevens

Advertenties

“Wij bouwen aan de toekomst van de journalistiek”

xavier dammanIn 2009 trok Xavier Damman naar San Francisco om er zijn droom te verwezenlijken: een succesvol internetondernemer worden. Vier jaar en 3,5 miljoen dollar later krijgt zijn internetplatform Storify maandelijks 20 miljoen bezoekers over de vloer. “Nu wordt het tijd dat we er ook geld mee gaan verdienen.” Dus verkocht hij het een paar weken na dit interview voor een onbekend bedrag aan sectorgenoot Livefyre.

 

San Francisco, de Soma-wijk. Op de hoek van Mission Street en 9th Street zit een groep junkies wezenloos voor zich uit te staren. Een paar huizen verder duwt een dakloze een winkelkar voort met zijn schaarse bezittingen in. Aan een kruispunt zit een druk gesticulerende man te spuwen naar de voorbijgangers. Hier huurt Xavier Damman, de jonge CEO van dotcombedrijf Storify, een tot ruim kantoor omgebouwde loft. “Niet zo heel lang geleden was deze buurt écht verloederd”, zegt Xavier bijna verontschuldigend. “Maar sinds Twitter hier zijn hoofdkantoor heeft, vinden steeds meer hippe internetbedrijfjes de weg naar dit gedeelte van de stad waardoor het hier ook begint op te leven.”

Vier jaar eerder, in de zomer van 2009, nam de toen 25-jarige veelbelovende informatica-ingenieur in Zaventem afscheid van vrienden en verwanten om zijn geluk te gaan beproeven in San Francisco, de bakermat van de digitale technologie. Xaviers plan: van Storify een groot internetplatform maken waar individuen, organisaties en bedrijven hun verhalen zouden kunnen delen met de rest van de wereld. “Ik wou mijn platform bovenop de bestaande sociale netwerken bouwen, wat in die tijd een gloednieuw idee was”, zegt hij. “Ik had geprobeerd om voor mijn onderneming investeerders in Brussel en Parijs te vinden, maar dat bleek een onmogelijke opdracht. Als jonge internetondernemer krijg je bij de banken geen cent los en Europese durfkapitalisten investeren liefst in businessmodellen die bewezen hebben wat ze waard zijn. Als je bij hen op de koffie komt, willen ze dat je zwart op wit aantoont dat je dankzij je activiteit op korte termijn elke euro zal verdubbelen. Ze zijn bang om risico’s te nemen.”

 

U was nog erg jong. Misschien vonden ze u iets te groen achter de oren?

Xavier Damman: Dat kan, al denk ik dat ze me vooral afwezen omdat mijn plannen innovatief waren. Ik begrijp wel dat potentiële investeerders daar huiverachtig tegenover stonden, want ik wist zelf ook niet of Storify ooit rendabel zou kunnen worden. Velen hadden ook slechte herinneringen aan mislukkingen zoals Lernout & Hauspie waardoor er zowel in België als Frankrijk geen geld te vinden was. “Het zei zo”, dacht ik, ik vulde mijn rugzak en vertrok samen met mijn vriendin naar San Francisco. Indertijd trokken onze ouders van het platteland naar Brussel om daar te gaan werken of een bedrijf uit de grond te stampen; mijn generatie doet net hetzelfde maar dan internationaal. Als je wereldwijd een onderneming wilt uitbouwen, moet je naar de hoofdstad van jouw industrie trekken. In mijn geval was dat toevallig San Francisco.

 

Stonden ze u met open armen op te wachten toen u hier met uw rugzak arriveerde?

Damman: Nee, niemand stond ons op te wachten. (lacht) Ik kende hier niemand en moest van nul beginnen. Ik liep zielsverwant en landgenoot Jeremy Le Van tegen het lijf; hij studeerde design en is nu in New York ceo van zijn eigen softwarebedrijf Sunrise. De eerste weken mochten we op Jeremy’s sofa slapen. Na tien dagen had ik een kamer gevonden: de maandelijkse huur bedroeg 1100 dollar voor één slaapkamer in een driekamerappartement. We deelden de badkamer met vijf anderen. In 2007 en 2008 werkte ik als expat in Londen en dat had me gelukkig een beetje spaargeld opgeleverd.

Als je in San Francisco gelijkgestemde ondernemende mensen wilt ontmoeten, moet je in de koffiehuizen zijn. Je vindt er software-ontwikkelaars, marketeers en journalisten die op zoek zijn naar vernieuwende dingen. Het fantastische aan San Francisco is dat je hier probleemloos gepassioneerde mensen ontmoet die écht willen ondernemen. Bezoek om het even welk café en je treft er groepjes mensen achter laptops aan die samen aan hun projecten aan het werken zijn.

 

Is het café ook de plek waar je de investeerders vindt?

xav dammanDamman: Nee, je vindt er de mensen die hun eigen start-up uit de grond aan het stampen zijn. Als je in België vertelt dat je plannen hebt om je eigen internetbedrijfje op te starten, krijg je gegarandeerd als reactie: “Je bent gek. Zoek toch een fatsoenlijke job.” Hier is het compleet tegengesteld. Als je hier zegt: “Ik heb een stabiele job in een groot gerenommeerd bedrijf”, kijken ze je verwonderd aan. “Waarom ga je niet bij een start-up werken? Waarom begin je zelf niet met iets nieuws? Zoek toch een fatsoenlijke job.” (lacht) Het is hier ook geen schande om failliet te gaan. Als het misgaat, is dat spijtig en heb je hopelijk iets bijgeleerd.

Een beginneling die op een meeting in een café geholpen wordt door anderen, kan hen niet bedanken, want hij heeft er de middelen niet voor. Vaak kan hij zelfs niet eens met de lunch trakteren of zijn helpers in contact brengen met talenten in zijn netwerk, want hij heeft amper een netwerk. Dat is ook niet nodig. De mensen die je helpen, zeggen dan: “Geen dank. Van zodra jouw onderneming begint te groeien en succes heeft, moet ook jij de nieuwkomers helpen.” Die ongeschreven ‘code’ maakt het voor beginnelingen makkelijk om mensen te leren kennen die succesvol geworden zijn. Ik heb zo vrij snel een Franse ondernemer ontmoet die drie jaar eerder naar Silicon Valley verhuisd was. Hij werd de eerste adviseur voor Storify. Een paar weken na mijn aankomst ontmoette ik mijn eerste business angel, mijn eerste potentiële investeerder. Hij keek me meewarig aan en zei: “Je zou beter terugkeren naar België. Hier is geen markt voor jou.”

 

Dat was een koude douche?

Damman: Helemaal niet: een betere motivatie kon ik me niet dromen. Als iemand zegt dat iets niet zal lukken, schakel ik een versnelling hoger om het tegendeel te bewijzen. Al duurde het nog even eer ik eindelijk een investeerder vond: in december 2010 haalde ik twee miljoen dollar op bij één man: Vinod Khosla, de medeoprichter van Sun Microsystems.

 

Was twee miljoen dollar veel geld om een bedrijf zoals het uwe op te starten?

Damman: Voor een beginnend bedrijf was twee miljoen misschien te vroeg en te veel. Als we minder startgeld hadden gehad, hadden we ook minder beginnersfouten gemaakt, daar ben ik nu zeker van. We waren beter van start gegaan met de helft van dat bedrag en hadden in het dagelijkse beleid hulp moeten krijgen van geslaagde ondernemers. Vinod Khosla is een volbloed durfkapitalist die in veel jonge bedrijven investeert en niet de tijd heeft om starters bij te staan. Van de ene op de andere dag zaten we op een berg geld die snel moest uitgegeven worden, want het was niet de bedoeling dat we er een spaarpotje mee aanlegden. Investeringsgeld moet razendsnel gespendeerd worden, in de hoop dat het ook razendsnel zal renderen. Dat was niet simpel. Op dat moment werd mijn verleden als Belg een handicap: ik had hier niet gestudeerd en wist niet wie ik best kon aannemen. Ik heb toen nogal wat ‘verkeerde’ mensen aangeworven. Sommigen waren gewoon ongeschikt, anderen hadden het dan weer lastig met de bedrijfscultuur van een start-up. We moesten alles voor het eerst definiëren en uitproberen. Werkelijk alles: van het product, over de technologie tot het design. Om onnodige extra stress te vermijden, kun je dan best je vrienden aanwerven: mensen die je goed kent en vertrouwt.

 

Hoe hebt u Khosla ervan kunnen overtuigen om twee miljoen dollar in Storify te investeren?

Damman: Hij heeft nooit een businessplan gevraagd. Zo’n durfkapitalist investeert per definitie in innovatie: hij beseft dus heel goed dat het product waarin hij zijn geld stopt ultranieuw is en dat de ontwikkelaars bij de start nog geen flauw idee hebben of ze er iets mee zullen gaan verdienen. Wij hadden wel een poging ondernomen om een businessplan in PowerPoint te presenteren, maar de medewerkers van Khosla blokten dat meteen af. “Bullshit”, zeiden ze. Het enige wat ze wilden weten, was of er een markt voor het product is. Dus heb ik mijn verhaal meteen bijgestuurd. “Mensen zullen op sociale netwerken zoals Facebook en Twitter blijven delen wat er op de planeet gebeurt”, zei ik. “Storify wordt hét informatienetwerk voor de 21e eeuw. Journalisten verslaan het nieuws nu al via sociale media op een ‘andere manier’, met Storify wordt dat nog eenvoudiger. Wij willen het grootste platform bouwen dat zin zal geven aan wat mensen op verschillende netwerken posten. Storify wordt big.” En dat verhaal sloeg aan.

 

99% van wat mensen op sociale netwerken posten, is toch gewoon flauwekul?

Damman: Ja, maar dat ene overblijvende procent is heel interessant, denk maar aan de verhalen van mensen uit Syrië of Egypte. Elk nieuwsagentschap kan niet op elke hoek van elke straat in Palestina of Syrië een journalist zetten. Op dit moment registreren veel gewone mensen in conflictgebieden de gebeurtenissen via sociale media. Ze nemen een foto met hun smartphone en delen die met de rest van de wereld. Vandaag vertellen niet langer een paar duizend journalisten ons wat er gebeurt, maar krijgen we de verhalen uit eerste hand, van de mensen die op die plaatsen leven en alles live meemaken. Storify is een soort van Wikipedia over de wereldwijde actualiteit. Dankzij de technologie is iedereen nu een potentiële verslaggever, maar niet iedereen is een journalist. Meer dan ooit hebben we journalisten nodig om al die verslagen zinnig te maken. Het zal hun taak zijn om op sociale netwerken te zoeken naar interessante posts en om context toe te voegen zodat lezers ze kunnen begrijpen. Al Jazeera maakt niet voor niets gebruik van Storify om de Arabische Lente te verslaan. Ik spreek geen Arabisch, begrijp niets van wat de mensen ter plaatse verzameld hebben, maar de journalisten van Al Jazeera kunnen die informatie wel interpreteren. Ze gebruiken Storify om de verslagen te filteren en er verhalen in het Engels van te brouwen zodat wij allemaal kunnen begrijpen wat er aan de hand is. Wij bouwen hier en nu aan de toekomst van de journalistiek.

Drie maanden geleden zijn we begonnen met een deel van het platform betalend te maken. Tot dan was alles gratis. Nu hebben we een aantal betalende circuits ingevoerd die het mogelijk maken dat organisaties upgrades kunnen doorvoeren waardoor hun journalisten makkelijker het platform kunnen gebruiken.

 

Tot drie maanden geleden had Storify helemaal geen inkomsten maar teerde u op die twee miljoen dollar?

Damman: Ja, en eigenlijk hebben we ondertussen 3,5 miljoen dollar opgesoupeerd. (lacht) Een jaar geleden hebben we nog eens anderhalf miljoen dollar opgehaald.

 

Dat geld is allemaal op?

Damman: Ja. Daarom zijn we nu gestart met betalende diensten. Of het moment van de waarheid voor Storify aangebroken is? Misschien, ja. Maar ondertussen hebben we wel dat hele platform gebouwd en maken de belangrijkste nieuwssites gebruik van ons: CNN, The New York Times, The Washington Post, BBC, The Guardian, Bild, De Tijd, Le Soir, Le Monde… Alle grote nieuwsorganisaties wereldwijd gebruiken Storify, net als organisaties zoals de Verenigde Naties en het Witte Huis.

 

Tot hiertoe was dat gratis. Zullen ze bereid zijn om er geld voor neer te tellen?

Damman: Ze hoeven niet te betalen, maar als ze de toegang en het gebruik makkelijker voor hun journalisten willen maken, nemen ze best een abonnement. Als ze het gratis blijven gebruiken, zullen er advertenties in hun verhalen opduiken. Wie geen advertenties wil, zal zijn portefeuille moeten boven halen.

 

De media zitten in een grote crisis. Een krant als The Guardian stapelt de verliezen op. Zullen ze bereid zijn extra te betalen voor Storify?

Damman: 90% van onze klanten komt niet uit de mediasector: het zijn organisaties en merken waarvan ik zeker ben dat ze bereid zijn voor Storify te betalen. Ons doel is om de toekomst van de journalistiek te bouwen, niet om geld uit een armlastige industrie te zuigen. Het ideale scenario is dat we in een situatie terechtkomen waarbij wij geld kunnen geven aan de uitgevers. Hoe we dat zullen verwezenlijken? Steeds meer merken willen aan content marketing doen, op voorwaarde dat ze daarvoor de tools van journalisten kunnen gebruiken. Grote merken als Microsoft, Dell en HBO gebruiken Storify nu al om verhalen te creëren. Merken hebben wél geld maar kunnen hun boodschap niet distribueren. Uitgevers hebben die distributiekanalen wel, maar geen geld. Wij brengen die twee samen. De merken betalen ons en zo onrechtstreeks ook de uitgevers.

 

Bij ouderwetse kranten en tijdschriften is er een Chinese muur tussen redactie en reclame. Bij Storify wordt alles gemixt?

Damman: Ja. Die evolutie kun je niet tegenhouden. Zolang onze lezers duidelijk weten wat redactioneel is en wat reclame, is er toch geen vuiltje aan de lucht? Bij Storify zal het bijvoorbeeld mogelijk worden dat een automerk betaalt om een Instagramfoto van een van zijn modellen in een reportage over het autosalon in Brussel te integreren. Natuurlijk mix je zo reclame en journalistiek, maar het zal altijd duidelijk zijn waar die reclame vandaan komt.

Ik vind transparantie in de journalistiek trouwens belangrijker dan objectiviteit. Die veelgeroemde objectiviteit bestaat gewoon niet: iedereen bekijkt de realiteit door zijn eigen bril. Het is veel belangrijker om te weten wie wat geschreven heeft. Wat mij in de ouderwetse journalistiek stoort, is dat journalisten citaten van mensen uit hun verband rukken of inkorten zodat er vitale informatie verloren gaat. Als je op Storify iemand citeert, kun je dat als lezer meteen checken door te klikken en rechtstreeks in contact te komen met de geciteerde. Dat kan niet in een gedrukte krant.

 

Hoeveel betalende klanten heeft Storify?

Damman: We hebben nu 150 betalende klanten en meer dan 800.000 geregistreerde gebruikers die verhalen creëren. Elke maand krijgen we 20 miljoen unieke lezers over de vloer. Die 20 miljoen zijn belangrijk voor adverteerders, al moeten we die poot nog helemaal beginnen uitbouwen. We zijn een piepjong bedrijf: ons product is amper twee en een half jaar geleden opgestart. Vanaf nu concentreren we ons op het verder betalend maken van diensten en op het onderhandelen met merken over publiciteit.

 

Hebt u in tussentijd extra investeringsgeld nodig?

Damman: Dat is op dit moment niet noodzakelijk, maar het zou best kunnen dat we binnenkort toch geld proberen op te halen. Alles hangt af van hoe snel we kunnen gaan met de uitbouw van betaaldiensten en het aantrekken van publiciteit.

 

Het geld dat u tot hiertoe gebruikt hebt, zal toch ooit moeten renderen.

Damman: De voornaamste reden waarom we misschien extra geld zullen aantrekken, is om meer mensen te kunnen aanwerven, om zo de evolutie naar rendabiliteit te versnellen. Op dit moment werken hier acht mensen, maar als we een team van zes verkopers in dienst nemen, kunnen we ons betalend klantenbestand hopelijk optrekken van 150 tot 1500.

 

Slaapt u goed ’s nachts?

Damman: De laatste tijd niet, want we hebben een baby van zes maanden. (lacht) Deze job is niet altijd even makkelijk. Het bedrijf dat we hier aan het opbouwen zijn, is zo uniek dat we ook weinig vergelijkingsmateriaal hebben. Elke dag is er wel een probleem waar we zelf een oplossing voor moeten verzinnen. Het is moeilijk in te schatten of we echt goed bezig zijn. We moeten dus snel bijleren en corrigeren. Het ene moment voel ik me de koning te rijk als Barack Obama Storify omarmt, het andere moment zit ik in het diepste dal omdat diezelfde Obama ermee dreigt de draad met Storify weer door te knippen omdat er een virus op de site zit. De voorbije jaren was mijn leven net een rollercoaster met grote hoogtes en diepe dalen.

xavier damman bis

 

© Tekst: Jan Stevens

© Foto’s: Veerle Van Hoey

 

“Geld is geen virus dat ons doodt”

Volgens Felix Martin, econoom en fondsmanager in Londen, heeft niemand in de financiële sector nog enig benul wat geld precies is. “Dat stuitende gebrek aan kennis veroorzaakte mee de financiële crisis.” Dus ging hij in zijn originele biografie Geld op zoek naar de roots van het slijk der aarde.

 

In 1903 zette de Amerikaanse dokter, avonturier, etnograaf en ontdekkingsreiziger William Henry Furness III voet aan wal op het ogenschijnlijk paradijselijke eiland Yap in de Stille Zuidzee. Hij had er net een paar langere expedities naar de primitieve koppensnellers van Borneo opzitten en was gewend geraakt aan hun leven in armoede. Maar toen hij kennis maakte met de levensomstandigheden van het Wa’ab-volk op Yap, leek Borneo meteen een welvarende tuin van Eden. De hele economie van Yap draaide rond de handel in drie producten: vis, kokosnoten en zeekomkommers. Meer viel er niet te verhandelen, en toch maakten de duizend eilandbewoners tot stomme verbazing van Furness gebruik van een soort geld. Hun munteenheid heette de ‘fei’: één fei was een gigantische ronde steen van 3,5 meter doorsnee. Daarnaast hadden de Wa’ab ook een gesofisticeerd systeem van kredietmanagement ontwikkeld. In 1910 verscheen The Island of Stone Money, Furness’ verslag van zijn maandenlange verblijf op Yap. Naar verluidt haalde John Maynard Keynes daarin inspiratie voor zijn eigen ideeën over geld en vond hij dat de zogenaamde moderne Amerikanen en Europeanen nog iets konden leren van het monetaire inzicht van het Wa’ab-volk. Ook de Britse economist en fondsmanager Felix Martin zocht inspiratie bij de Wa’ab voor zijn boek Geld. De ongeautoriseerde biografie. Hij gebruikt de ontdekking van de fei op Yab om brandhout te maken van de algemeen verspreide theorie dat geld geëvolueerd is uit samenlevingen waar mensen gefrustreerd zouden geraakt zijn door de beperkingen van ruilhandel. Want als er nu één samenleving was waar ruilen geen enkele frustratie op had kunnen leveren, was het wel Yab met zijn duizend bewoners en drie producten. “Steeds meer antropologen raken het erover eens dat de piste van het ontstaan van geld uit ruilhandel geen steek houdt”, zegt Martin. “Niet alle economisten zijn overtuigd en voor velen onder hen geldt mijn theorie, die overigens ook door een gigant als Keynes onderschreven werd, als rebels. De conventionele consensus over het ontstaan van geld gaat ervan uit dat samenlevingen ooit in een soort van ruileconomie zaten, waarbij het ene goed ingeruild werd voor het andere. Volgens die theorie zorgde die ruilhandel na verloop van tijd voor ruzie en frustratie, omdat de ene ruiler niet altijd op het juiste moment exact dat product in voorraad had wat de andere wou. Dus zou op een bepaald moment iemand het lumineuze idee gekregen hebben een ‘ding’ te benoemen tot ruilmiddel. Dat ‘ding’ werd dan volgens de klassieke theorie meestal gefabriceerd uit goud of zilver omdat dat duurzame materialen zijn. En een tijd nadat geld uitgevonden was, zouden mensen ook overgegaan zijn tot het uitlenen van dat geld: op dat moment werd volgens de brave theoretici het krediet ‘uitgevonden’. In de middeleeuwen zou dan iemand met een mercantiele geest de inval gekregen hebben om een bedrijf op te richten dat zich specialiseerde in het uitbouwen van kredietstructuren rond geld: de bank was geboren. Die theorie is complete nonsens.”

 

Toch klinkt ze heel logisch.

Felix Martin: Zeker, terwijl het in werkelijkheid is als door de verkeerde kant van de telescoop naar het heelal staren. Geld is niet gestart bij zilveren of gouden muntstukken, waar vervolgens de theorie van krediet op werd gebouwd. De waarheid is dat geld van bij de start een verzameling van drie ideeën was. Het gaat dus niet over nikkelgeld maar over filosofie. Het eerste idee draait rond het economische concept van universele waarde. Het is niet zo dat doorheen de geschiedenis alle samenlevingen hetzelfde dachten over wat het begrip waarde precies inhoudt. Er waren wel verschillende vormen van waarde die in verschillende omstandigheden toepasbaar waren. Het tweede idee is dat tegelijkertijd een systeem gecreëerd wordt dat het gangbare waardebegrip kan meten, waardoor krediet kan aangerekend worden. Daaruit volgt automatisch de mogelijkheid tot lenen en schuld. Het derde idee is dan dat ik mijn schuld die ik bij jou heb, kan doorgeven aan iemand anders.

 

Wat dan met het papier en met de muntstukken die wij geld noemen?

Martin: Die zijn niets meer dan een teken. Munten en biljetten zijn symbolen van de onderliggende kredietrelaties. Het is belangrijk om langs de juiste kant door de telescoop te kijken, want alleen zo kun je begrijpen hoe het monetair systeem écht werkt. In wezen is geld niets meer dan ‘een relatie’, een systeem van overdraagbaar krediet. De waarde van geld hangt dus niet af van de hoeveelheid tekens, muntstukken of briefjes.

 

Waar hangt de waarde dan wel van af?

Martin: Ken je het verschijnsel bitcoin? Dat is elektronisch geld dat je kan opslaan op je computer in een walletbestand, of dat je kan laten beheren door een externe partij. Bitcoinadepten betalen elkaar in bitcoins op het net. De aanhangers zijn er lyrisch over. ‘Dit is een heel unieke vorm van geld’, zeggen ze. ‘Bij ons gaat het niet over munten of bankbiljetten, maar over virtueel geld!’ Terwijl dat helemaal niet uniek is, want alle geld is virtueel, ook als het van papier is of van koper. ‘De bitcoin is ook nog op een andere manier uniek’, zeggen de fans. ‘Het is een privaat initiatief en is in tegenstelling tot ponden of euro’s niet in handen van de staat.’ Het klopt dat de meest succesvolle soorten geld doorheen de geschiedenis uitgegeven zijn door de staat, maar er zijn ook altijd vormen van privaat geld geweest. Ze bestaan nu ook nog: het private geld dat gebruikt wordt door ruilcirkels of de lets-systemen waarbij ruilers elkaar belonen met ruilpunten. Dat soort van geld werkt alleen maar onder gelijkgestemden, met mensen die dezelfde ‘ideologie’ delen. Bitcoinaanhangers laten zich daar niet door van de wijs brengen. ‘Oké’, zullen ze dan zeggen, ‘misschien heb je gelijk, maar staten die geld uitgeven, kunnen vaak niet aan de verleiding weerstaan om hun gelddrukkerijen op volle toeren te laten draaien: ze drukken miljarden dollars of ponden en lopen zo altijd het risico om hyperinflatie te veroorzaken. Iedereen weet toch dat iets waardeloos wordt als je er teveel van produceert en het voor iedereen te grabbel gooit? Bitcoins daarentegen hebben een strikte limiet: er zal nooit meer dan 21 miljoen bitcoin beschikbaar zijn. Daarom zal ons geld altijd zijn waarde behouden.’ Het geloof van bitcoinfanaten illustreert waarom het fout is geld niet als een set van ideeën te beschouwen, maar puur als een ding. Geld is geen ding: het is niets meer dan de belofte dat je zal betalen. De waarde van elke belofte wordt bepaald door de betrouwbaarheid van degene die belooft. Bij een belofte hangt alles dus af van vertrouwen.

 

Zijn we dat vertrouwen nu door de financiële crisis verloren?

Martin: Ja. Mensen zijn bang, hebben geen vertrouwen in ondernemen en klampen zich vast aan hun geld als aan hun moeder. De staat drukte geld bij, toch kwam er geen hyperinflatie, waardoor de mensen steeds meer wilden. Tezelfdertijd zijn ze niet gelukkig met de manier waarop geld hun levens bepaalt. Als je geld bekijkt op de ‘alternatieve’, ‘rebelse’ manier zoals ik, en het niet langer ziet als een ding, wind je je er automatisch minder in op. Want ‘dingen’ zoals deze tafel, deze stoel en dit biljet van tien pond zijn neutraal: je kan er geen eigenschappen zoals goed of kwaad aan toedichten en kan ze dus eigenlijk ook niets kwalijk nemen. Alleen als je geld als een set van ideeën ziet, kan je het bekritiseren, want ideeën kunnen wel degelijk goed of slecht zijn. Maar geld is geen virus dat ons doodt.

 

Wakkert het dan niet de hebzucht in de mens aan?

Martin: De Oude Grieken beseften al dat geld een ongelooflijke bron van bevrijding kan zijn: ze zagen het als een middel dat het individu kon helpen zelfstandig te worden waardoor het zich op een goede manier kon losmaken van familiebanden. Tezelfdertijd maakten ze er zich ook zorgen over, omdat ze merkten dat geld hebzucht in de mens aanwakkert. De neiging vandaag is groot om geld als iets vies te beschouwen. De uitvinder van Wikipedia, Jimmy Wales, heeft een nieuw plan: hij wil op het internet een giften-economie creëren. Dat is een economie die niet gebaseerd is op betalingen, maar op giften. De economie van de Oude Grieken in de Bronstijd was gelijkaardig. ‘Als jij mijn dak herstelt, zal ik je gras maaien.’ Volgens Wales zal het internet zo’n giften-economie op grote schaal mogelijk maken. Ik vind dat hij zich vergist door geld af te wijzen. Er is niets mis met geld en bankieren, op voorwaarde dat ze op een juiste manier begrepen worden en op een correcte manier werken. We zijn van de juiste weg afgedwaald en daarom zijn we geëindigd in de shit waarin we nu zitten. Pas als we ervoor zorgen dat heel de financiële sector back to basics gaat, zullen we uit de crisis geraken. Maar doen alsof we in de Griekse Bronstijd leven, is belachelijk en zinloos.

Ik heb economie in Oxford gestudeerd, aan een van de meest orthodoxe economierichtingen ter wereld. Toen ik aan die studie begon, was ik er, net als de meeste mensen, heilig van overtuigd dat we vooral het fenomeen ‘geld’ zouden bestuderen. Tot mijn verbazing moest ik ontdekken dat geld bijna nooit opdook in economische analyses. Echt waar: de meeste macro-economische modellen lijken volledig voorbij te gaan aan geld. Ik begreep dat niet. Ook de studie van banken was herleid tot het absolute minimum. Nadat ik in 2005 afstudeerde, hebben ze de cursus ‘Geld en banken’ zelfs volledig afgeschaft, want er was niemand in geïnteresseerd. In de plaats daarvan doceren business schools nu ‘Academic Finance’. Typisch voor de theorieën van de ‘Academic Finance’ is dat ze geld en banken totaal negeren.

Een jaar na de start van de crisis in 2008 werd de koningin uitgenodigd naar de London School of Economics voor de opening van een nieuw gebouw. De belangrijkste economisten van Groot-Brittannië waren daar ook. Zij vroeg hen: ‘Waarom heeft niemand van jullie deze crisis zien aankomen?’ De geleerde heren stonden met hun mond vol tanden. Natuurlijk stelde de koningin de juiste vraag. Tot op de dag van vandaag is er trouwens nog geen eenduidig antwoord. Volgens mij is dat een gevolg van die grote lacune in onze economische theorieën: we zijn het afgeleerd om na te denken over geld, of over de essentie van bankieren.

 

Ook uw collega’s uit de financiële sector weten eigenlijk niet wat geld is en hoe ze verstandig moeten bankieren?

Martin: De zogenaamde experts begrijpen zelf niet meer hoe geld werkt, en dat stuitende gebrek aan kennis heeft ervoor gezorgd dat ze rampzalige producten verzonnen die ze zelf niet meer begrepen en dat ze totaal onverantwoorde beslissingen namen. Je hoort vaak beweren dat het zo fout is kunnen lopen omdat de meeste belangrijke economische adviseurs gelinkt zijn aan grote financiële instellingen en er zo alles aan proberen doen om regelgeving tot een minimum te beperken. Dat is ook de stelling van de documentaire Inside Job uit 2010 van de Amerikaan Charles Ferguson. Volgens hem waren economen zelfs na 2008 nog tegen hervormingen van de financiële sector gekant, omdat ze werkten voor bedrijven zoals KPMG die de crisis analyseerden, en tezelfdertijd banken adviseerden die de crisis veroorzaakten. Ferguson heeft gelijk, en Inside Job is een film die iedereen moet zien, maar belangenvermenging is niet de enige verklaring. Het grootste probleem is dat de meeste bankiers en financiële whizzkids in de Londense City eigenlijk amper weten waarmee ze bezig zijn.

 

Felix Martin, Geld. De ongeautoriseerde biografie, business contact, 400 blzn. 34,95 euro

 

© Jan Stevens

“Niet iedereen kan in een paleis wonen”

De grote economist John Maynard Keynes voorspelde in 1930 dat we 100 jaar later allemaal rijk zouden zijn, nog maar een paar uur per dag zouden werken en ons zo volop zouden kunnen concentreren op ‘het goede leven’. In hun boek Hoeveel is genoeg? vragen Robert en Edward Skidelsky zich af waarom we nu ondanks onze rijkdom ons te pletter blijven werken en zo het goede leven aan onze neus voorbij zien gaan. “Mensen van rijke komaf hebben altijd vrijheid van keuze gehad om ofwel te werken, ofwel hun tijd te vullen met wat ze graag doen. Waarom is dat goed voor de happy few en slecht voor de rest?”

 

Een jaar voor de beurscrash op Wall Street gaf John Maynard Keynes in 1928 een voordracht aan studenten van de universiteit van Cambridge. Zij keken vol bewondering naar wat de communisten aan het bekokstoven waren in de jonge Sovjet-Unie en zagen het kapitalisme als bron van alle kwaad. Keynes wou de studenten een alternatief bieden voor het in zijn ogen barbaarse communisme dat volgens hem dreigde uit te groeien tot een nieuwe religie. Dus schetste hij in zijn lezing de nieuwe utopische maatschappij die er dankzij het kapitalisme zou komen. Hij vertelde dat alle belangrijke economische problemen opgelost zouden zijn tegen de tijd dat zijn toehoorders grootouders zouden zijn. Door de technologische vooruitgang zou de productie geautomatiseerd worden, het inkomen van de arbeiders toenemen en hun werktijd drastisch inkorten waardoor er zeeën van tijd zouden overblijven om te genieten van de goede dingen des levens. In 1930, middenin de Grote Depressie, zette Keynes zijn voordracht op papier in het essay Economic Possibilities for Our Grandchildren. Hij voorspelde dat tegen 2030 geen mens nog meer dan drie uur per dag zou moeten werken om in zijn levensbehoeften te voorzien, omdat machines al het vuile werk zouden opknappen. ‘De levensstandaard zal tegen dan tussen vier en acht keer hoger liggen dan nu’, schreef hij. De mens zal de tuin van Eden binnentreden en zo ‘de oude Adam in hem gelukkig maken.’

Na publicatie van Keynes’ idealistische essay was er in de rampzalige jaren dertig amper aandacht voor. Zes jaar later verscheen zijn magnum opus, The General Theory of Employment, Interest and Money, waarmee hij zijn ‘Keynesiaanse revolutie’ in gang zette die tot de jaren zeventig zou duren, en heel wat beleidsmakers overtuigde van het belang van investeringen in tijden van recessie, om zo de economie te laten groeien en de werkloosheid terug te dringen. Economic Possibilities for Our Grandchildren verdween in de annalen van de geschiedenis tot Keynes’ biograaf en professor emeritus politieke economie Robert Skidelsky het een paar jaar geleden vanonder het stof haalde en het aan zijn zoon Edward, filosofieprofessor, liet lezen. Het werd de basis voor hun heldere en inspirerende boek Hoeveel is genoeg? Geld en het verlangen naar een goed leven, waarin ze op zoek gaan naar waar het mis ging met Keynes’ voorspelling van het luilekkere goede leven en tezelfdertijd een pleidooi houden voor de (her)ontdekking van het échte goede leven.

 

Ik ontmoet lord Robert Skidelsky (1939) in zijn benepen kantoortje in Fielding House, vlakbij de Londense Houses of Parliament. Naast economieprofessor en Keynesbiograaf is baron Skidelsky ook sinds jaar en dag actief in de Britse politiek. Hij startte als lid van het socialistische Labour, stond in 1981 aan de wieg van de Social Democratic Party die later zou evolueren tot de Liberal Democrats, stapte in 1992 over naar de Conservatives en zetelt sinds 2001 als onafhankelijke in de House of Lords, het hogerhuis. Zoon Edward laat zich op het laatste nippertje verontschuldigen. “Hij raakt niet weg op de universiteit van Exeter waar hij filosofie doceert”, zegt vader Skidelsky begripvol. “Jonge mensen hebben het altijd druk, nietwaar.”

 

U schreef een driedelige biografie over Keynes. Waar komt uw interesse in hem vandaan?

Skidelsky: Toen ik in Oxford studeerde, raakte ik gefascineerd door de Grote Depressie en ik wou er mijn doctoraal over schrijven. Zo leerde ik John Maynard Keynes kennen en hij is in mijn gedachten blijven hangen. Tien jaar later ben ik dan zijn biografie beginnen schrijven. Ik was vooral gefascineerd door zijn denken. In de jaren twintig was hij lid van de Londense Bloomsburygroep die uit kunstenaars, intellectuelen en schrijvers als Virginia Woolf bestond, en dat maakte hem als economist extra fascinerend. Hij was veel meer dan een economist; hij was een échte intellectueel. Wie alleen met economie bezig is, eindigt in de middelmatigheid. De ‘grote meester’ Keynes torende hoog boven alles uit.

 

Hoe was het om samen met uw zoon een boek te schrijven?

Robert Skidelsky: We hebben altijd een innige intellectuele relatie gehad, en al van toen Edward nog een kleine jongen was, praatten we over hoe het goede leven er eigenlijk zou moeten uitzien. Edward doceert nu vooral over de Griekse wijsgeer Aristoteles en ik heb veel over Keynes geschreven. Ik liet Edward Economic Possibilities for Our Grandchildren lezen als een voorbeeld van hoe economie en filosofie elkaar op een interessante manier kunnen beïnvloeden. Want in zijn essay gaat Keynes te rade bij Aristoteles om te definiëren wat het goede leven precies inhoudt. Langzaamaan groeide het idee om samen Hoeveel is genoeg? te schrijven.

 

‘Het goede leven’ is een zeer abstract en vaag begrip.

Skidelsky: We hebben geprobeerd om het goede leven zo concreet mogelijk te maken door het te definiëren aan de hand van zeven eigenschappen: gezondheid, veiligheid, vriendschap, respect, harmonie met de natuur, vrije tijd en persoonlijkheid. Alleen als al die eigenschappen in je leven vertegenwoordigd zijn, leid je een goed leven. Die zeven begrippen zijn essentieel omdat zowat alle filosofen van alle tijden en alle plaatsen het erover eens zijn dat ze dé basis vormen voor een waarachtig goed leven.

 

Als John Maynard Keynes gelijk gekregen had, waren we hard op weg naar de 3-urige werkweek. Geloofde hij echt in dat utopia?

Skidelsky: Ik denk het wel. Keynes’ essay was utopisch, maar hij bouwde het wel al economisch redenerend op. Hij veronderstelde dat de samenleving er met rasse schreden technologisch op vooruit zou gaan. Het was heel logisch dat hij daaruit concludeerde dat er steeds minder nood zou zijn aan menselijke arbeid, want de automaten en de machines namen het over. De maatschappij zou rijker en rijker worden dankzij die machines. De hamvraag was dan hoe werk en vrije tijd verdeeld moest worden tussen sociale klassen en generaties. Als dat op een verstandige manier gebeurde, zouden de meeste mensen veel minder moeten gaan werken, waardoor ze automatisch meer vrije tijd zouden overhouden.

 

In werkelijkheid is het niet helemaal verlopen zoals Keynes het voorzien had?

Skidelsky: Het is niet zo snel en ingrijpend verlopen als hij gehoopt had. Er wordt nu wel degelijk minder hard gewerkt, maar we zitten nog lang niet aan het niveau dat hij voorspeld had. In de jaren zeventig is de afname beginnen stagneren, waardoor de meerderheid van de actieve bevolking nog steeds veertig uur per week werkt. Sommigen werken zelfs nóg veel meer, terwijl anderen geen klap uitvoeren. De automatisering had Keynes juist voorzien, maar de overgang van werk naar vrije tijd had hij fout.

 

Waar heeft hij zich vergist?

Skidelsky: Hij had niet door dat de rijkdom in onze samenleving steeds ongelijker verdeeld zou worden. Onze gehele rijkdom is wel degelijk gegroeid, maar de verdeling is niet gelijkmatig over alle mensen gebeurd zoals Keynes hoopte. Sommigen zijn ultrarijk geworden, terwijl anderen niet genoeg hebben om in hun basisbehoeften te voorzien.

 

De rijken zijn rijker en de armen armer geworden?

Skidelsky: De rijken zijn zeker rijker geworden, maar de armen zijn niet verarmd maar even arm gebleven. Wie nu onder de armoedegrens leeft, is er vermoedelijk beter aan toe dan zijn soortgenoten in Keynes’ tijd, de jaren dertig en veertig. Keynes ging er vanuit dat de basisbehoeften van mensen heel snel voldaan zouden zijn waardoor ze automatisch minder zouden gaan werken. Hij zag niet dat mensen wiens basisbehoeften voldaan zijn, zich vergelijken met anderen die het nog beter hebben, afgunstig worden en zo steeds meer statusgoederen willen vergaren. Het gevolg is dat ze in plaats van minder te werken, nog een tandje bijsteken.

 

Misschien is voor veel mensen werk nu ook gewoon iets wat ze heel graag doen en waar ze voldoening uit halen?

Skidelsky: Dat is juist, nogal wat mensen hebben nu een boeiende job, maar je mag die evolutie ook niet overdrijven. Ik vrees dat de meerderheid liever vandaag dan morgen een paar uur minder op het werk wil doorbrengen.

 

Keynes zag in de jaren dertig het communisme als een gevaarlijke ideologie, die voor jonge mensen zou kunnen uitgroeien tot een nieuwe religie. Is uiteindelijk het kapitalisme niet die religie geworden?

Skidelsky: Je kan alles natuurlijk religie noemen. In de jaren vijftig en zestig geloofden we alleszins dat het kapitalisme ons leven beter zou maken, als een machine die rijkdom produceert. Vóór het kapitalisme was rijkdom iets statisch: ze groeide niet en behoorde toe aan een kleine groep aristocraten die de vruchten plukte van oorlog en verovering en zo grote fortuinen kon opbouwen. De levensstandaard van het overgrote deel van de mensheid bleef eeuwenlang even armoedig. Het kapitalisme heeft groei mogelijk gemaakt waardoor onze gemeenschappelijke rijkdom is toegenomen. Toen de ideeën van Keynes toegepast werden, was alles stabiel en werd het elk jaar beter. De productie groeide, net als het inkomen van de mensen. Het leven werd aangenamer door allerlei arbeidsbesparende toepassingen. De mensen waren vrij zeker van hun werk en langzaam maar zeker verminderde de arbeidstijd. Eind jaren vijftig, begin jaren zestig focusten economen en filosofen zich op de staat van overvloed die de Westerse samenlevingen hadden bereikt. Een klassiek boek van toen is The Affluent Society van John Kenneth Galbraith. Net als veel andere werken uit die tijd stelde het de vraag: wat moeten we doen met onze overvloed? Hoe zullen we onze levens organiseren en hoe zal de maatschappij eruit zien nu de machines onze basisproblemen opgelost hebben?

 

Dat was een bijzonder optimistische visie.

Skidelsky: Ja, maar het was geen luchtkasteel. Die visie was gebaseerd op de grote verbetering van de levensstandaard. De redenering was: het gaat steeds beter, we consumeren steeds meer, misschien wordt het tijd dat we die overvloed op een verstandiger manier aanpakken. Het was eigenlijk een oproep om de consumptiemaatschappij aan banden te leggen en te zoeken naar alternatieve manieren van leven die niet gebaseerd waren op de vermenigvuldiging van luxegoederen. Het was de tijd van de seksuele revolutie, van de roep om minder repressie. Milieu en ecologie werden belangrijk, net als vrije tijd. Er hing veel hoop in de lucht. En dat was allemaal in de geest van dat essay van John Maynard Keynes. Tot daar in de jaren zeventig brutaal een einde aan gemaakt werd.

 

Door politici zoals de toenmalige Amerikaanse president Ronald Reagan en de Britse premier Margaret Thatcher?

Skidelsky: Ja. Tot dan zag je Keynes’ stellingen uit zijn essay werkelijkheid worden: het inkomen groeide en mensen gingen minder werken. Van zodra Thatcher en Reagan de lakens uitdeelden kwam er een stagnatie in de daling van de werktijd.

 

Waarom kwam er op dat moment een einde aan?

Skidelsky: Op die vraag hebben we het volledige antwoord eigenlijk nog niet: de echte geschiedenis van de triomf van het neoliberalisme is nog steeds niet geschreven. De neoliberalen zullen waarschijnlijk beweren dat dat kwam omdat we in het oude Keynsesiaanse systeem allemaal lui geworden waren en dat de werkdiscipline terug hersteld moest worden. Het is alleszins een combinatie van verschillende factoren. Er was angst voor inflatie, de vakbonden waren supermachtig geworden en er ontstonden nieuw fenomenen zoals de globalisatie. In veel Westerse landen werd er massaal van de sociale zekerheid geprofiteerd waardoor neoliberale politici een mandaat van hun kiezers kregen om die augiasstallen uit te mesten. Ik herinner me dat in de jaren zeventig en tachtig in Nederland twintig procent van de bevolking zogezegd ‘invalide’ was. Dat was een schande. Daar moest echt iets aan gebeuren. De sociale zekerheidssystemen waren verworven rechten geworden. Dat zegt iets over de menselijke natuur.

 

Dat is exact wat Margaret Thatcher ook zei.

Skidelsky: Ja, u hebt gelijk. Maar zij sloeg helemaal door naar het andere uiterste, wou de solidariteit weg en installeerde individuele systemen waarbij iedereen zijn plan moest trekken. Als je echt een fatsoenlijke samenleving op poten wil zetten, heb je zowel het Nieuwe als het Oude Testament nodig. Thatcher en Reagan vertegenwoordigden alleen het Oude Testament; Keynes kwam uit het Nieuwe Testament. Onder Thatcher en Reagan kregen de rijken toestemming om steeds rijker en machtiger te worden en begon de financiële sector alles te domineren. Ze propageerden ongegeneerd de trickle-down theorie: laat de rijken ongeremd rijker worden, er zal wel iets doorsijpelen naar de armen. IJdele hoop.

 

Daar betalen we nu de prijs voor?

Skidelsky: Zonder twijfel. De gelijkenis met wat we nu meemaken en de Grote Depressie uit de jaren dertig is groot. Bijna altijd ligt het financiële aan de basis van dit soort van instortingen. De geschiedenis leert ons dat vrij regelmatig gigantische speculatieve zeepbellen opgeblazen worden die na een paar jaar met een knal uiteen barsten. Maar als zo’n zeepbel opgebouwd wordt in het financiële hart, stort het hele systeem in. Als dat gebeurt, volgt er onvermijdelijk een economische ineenstorting, want het financiële smeert elke activiteit. Het verschil met de jaren dertig is dat we nu ingegrepen hebben door banken te redden en zo de depressie een halt hebben toegeroepen. Het probleem is dat er veel te weinig stimuli zijn om weer aan de slag te gaan, waardoor we in een periode blijven zitten van zeer lage groei. Keynes werd in de kast gestopt waardoor de crisis nog wel een paar jaar zal blijven aanslepen.

 

U zegt dat we in de problemen zullen blijven zitten als onze economieën niet terug gaan groeien. Uit uw boek lijkt u nochtans niet echt een voorstander van grote groei.

Skidelsky: We zijn tegen groei omwille van de groei. Rijkdom is het middel en niet het doel. Als je alleen als doel hebt om je rijkdom te vergroten, zullen mensen daar vroeg of laat tegen revolteren. Met de klimaatverandering merk je dat zelfs de natuur daartegen in opstand komt.

Stinkend rijk worden is niet voor alle mensen weggelegd. Niet iedereen kan in een paleis wonen: er zijn teveel mensen en te weinig paleizen. Het concept dat we allemaal het recht hebben om steenrijk te worden, eindigt in waanzin, dus moet het stoppen.

 

Volgens u kan de leer van de katholieke kerk ons daarbij helpen.

Skidelsky: We gebruiken de katholieke kerk in ons boek als illustratie van het verzet tegen materialistische groei. Het protestantisme is min of meer bezweken aan de kapitalistische verlokkingen; het katholicisme daarentegen is onafhankelijk van het kapitalisme en van andere economische systemen blijven denken. Het belangrijkste is dat we als samenleving samen beslissen dat we voortaan een goed leven willen leiden. Eens we die beslissing genomen hebben, moeten we ons ook afvragen welke politieke veranderingen het makkelijker zullen maken voor mensen om dat goede leven te omarmen. Natuurlijk kunnen we als individu goed beginnen leven, of in kleine gemeenschappen, maar zo zullen we nooit de algemene trend wijzigen, want die moét socialer worden. Landen die een zekere mate van overvloed en welvaart bereikt hebben, moeten hun arbeidsmarkt herbekijken, net zoals de inkomensverdeling en de rol van de reclame die mensen wil aanzetten tot consumeren. Ook het basisinkomen voor iedereen, moet terug op de agenda. Zo kan de politiek mensen een duwtje in de rug geven om betere keuzes in hun leven te maken.

 

Het idee van een basisinkomen is zoals het monster van Loch Ness: regelmatig duikt het op, maar het wordt nooit concreet.

Skidelsky: Als we een basisinkomen hadden, hadden we meteen meer keuzevrijheid over de indeling van onze tijd. Iedereen zegt altijd: ‘Dat kun je toch niet doen, mensen zomaar geld toestoppen zonder iets in de plaats te vragen?’ Waarom niet? Mensen van zeer rijke komaf hebben dankzij het fortuin dat ze geërfd hebben, altijd vrijheid van keuze gehad om ofwel te werken, ofwel hun tijd te vullen met wat ze graag doen. Waarom zou dat goed zijn voor een kleine minderheid en slecht voor al de rest? Je hoort vaak: ‘Met een basisinkomen zullen heel wat mensen hun dagen dronken en in ledigheid doorbrengen.’ Waarom lopen die happy few dan niet alle dagen lallend rond? Natuurlijk zal aan mensen geleerd moeten worden hoe ze hun vrije tijd zinvol kunnen doorbrengen. Het onderwijs zal daar een grote rol in spelen. Op dit moment wordt de school alleen gezien als een trainingscentrum voor latere jobs. Zelfs universiteiten zijn verworden tot beroepsopleidingen. We moeten studenten opnieuw leren leven.

 

Dat klinkt toch heel paternalistisch?

Skidelsky: Is daar dan iets mis mee? Er zal altijd ongelijkheid zijn en het is goed dat er dan ‘paternalisten’ zijn die anderen helpen. Sommige dingen mag je in naam van de politieke correctheid niet meer zeggen. ‘Oei, nu ben je wel heel paternalistisch.’ Oké, dan is dat maar zo. Kijk, tijdens het schrijven van dit boek heb ik dankzij mijn zoon de eerlijkheid ontdekt. Hij zij: ‘Noem een koe nu toch eens een koe, pa, en probeer er geen andere woorden voor te verzinnen.’ Edward is dan ook geen politicus.

 

Wat zegt dat over politici zoals u?

Skidelsky: Ja, u hebt gelijk. Een samenleving kan natuurlijk niet zonder politici, anders valt ze in duigen. Maar die politici kunnen niet anders dan liegen. Ze kunnen niet eerlijk zijn. Ze vertellen niet altijd leugens, maar kleden de werkelijkheid vaak in en verbloemen haar. Ze moeten nog verkiezingen kunnen winnen, en ook burgers samenhouden. Dus verkondig je voor verschillende mensen soms verschillende ‘waarheden’. Eigenlijk is politiek een bezigheid voor wie psychologisch beschadigd is. (lacht)

 

Robert & Edward Skidelsky, Hoeveel is genoeg? Geld en het verlangen naar een goed leven, vertaald door Pon ruiter, 304 blz., 15,90 euro.

 

© Jan Stevens