“Allochtone jongens zijn de grootste slachtoffers”

Terwijl het aandeel autochtonen in het totale aantal Vlaamse werklozen de voorbije vijf jaar daalde van 80% tot 74,5%, steeg het aandeel allochtonen van 20% tot 25,5%. Binnen de allochtone werkzoekenden raken de vrouwen de laatste tijd iets makkelijker aan de bak dan de mannen: in 2011 bedroeg het aandeel werkloze vrouwen 44,5%, in 2012 daalde het tot 43,4%. Wijst die evolutie op de emancipatie van allochtone vrouwen op de arbeidsmarkt? Of maakt één zwaluw de Arabische lente niet? Psychologe Sultan Balli maakt de balans.

 

Volgens de Vlaamse psychologe van Turkse origine Sultan Balli zijn mannelijke allochtone schoolverlaters de grootste slachtoffers van de huidige economische malaise. “De werkloosheid onder allochtone meisjes lag lang hoger; de crisis heeft de verhoudingen doen kantelen. Maar ook de samenstelling in de diversiteit is de laatste jaren veranderd. Allochtone vrouwen op de arbeidsmarkt zijn niet langer alleen de dochters en de kleindochters van de Turkse en Marokkaanse gastarbeiders van zestig jaar geleden, maar ook nieuwkomers zoals de Tsjetsjenen. Die zijn vaak hoger geschoold, maar ondervinden serieuze problemen met de gelijkschakeling van hun diploma’s. Immigranten die dertig jaar arts in een ver buitenland geweest zijn, moeten bewijzen wat voor vakken ze tijdens hun opleiding gehad hebben om hier aan de slag te kunnen. Dat is toch bizar? Misschien is de geneeskunde overal ter wereld niet even ver gevorderd, maar dat moet aan de hand van een simpele proef toch te checken zijn?”

 

Jij bent geboren in 1964 en ging na je humaniora studeren aan de universiteit. Hoe uitzonderlijk was dat begin jaren tachtig voor een meisje met Turkse roots?

Sultan Balli: Zeer uitzonderlijk. Negentig procent van mijn leeftijdsgenoten volgde beroepsonderwijs. Mijn broer studeerde af als de allereerste huisarts van Turkse origine in Vlaanderen. Mijn vader had vrij snel de beslissing genomen om te blijven en niet naar Turkije terug te keren. Hij vond studeren vooral voor de jongens belangrijk. Als andere jongens van mijn generatie van hun ouders dezelfde studiekansen gekregen hadden, zaten we nu in een andere situatie.

Zestig jaar geleden kwamen de eerste migranten in België werken. De eerste decennia van de migratie leefden de allochtone en autochtone gemeenschappen compleet naast elkaar. De meeste immigranten gingen er lang van uit dat ze ooit zouden terugkeren naar hun land van herkomst. Ze voelden zich echt ‘gast’-arbeider en investeerden veel en lang in hun geboorteland en te weinig in het land waar ze woonden en werkten. Het besef dat ze niet meer terug konden, dateert van amper dertig jaar geleden.

 

Hun plan om ooit terug te keren, vertaalde zich ook in de studiekeuzes die hun kinderen maakten?

Ja, onze ouders zagen ‘de vakschool’ als de ideale basis om in Turkije of Marokko een echt ambacht te kunnen gaan uitoefenen. In mijn tijd presteerden de allochtone meisjes al beter op school dan hun broers. Dat is nog steeds zo en is niet zo uitzonderlijk: álle meisjes, ook autochtone, studeren sowieso beter. Maar allochtone meisjes hebben nog een extra motivatie: studeren is voor hen een vorm van emancipatie. In de meer traditionele gezinnen vertoeven jongens vooral op straat en verblijven meisjes vooral binnenshuis, waardoor ze extra tijd hebben om te studeren. Allochtone meisjes zijn ook hoopvoller over de toekomst dan de jongens. De jongens voelen zich sneller gediscrimineerd en komen ook daadwerkelijk met meer vormen van discriminatie in aanraking.

De werkloosheid bij jonge allochtone mannen ligt onheilspellend hoog: 18,5% is jonger dan 25. Bij de 55-plussers is het extreem moeilijk om mensen die hun werk verloren hebben, terug aan de slag te krijgen. Ze zijn jong beginnen werken, waren laaggeschoold en kwamen in zware jobs terecht. In mijn praktijk als psycholoog merk ik dat die mensen uitgeput zijn. Nu zoveel grote fabrieken hun deuren sluiten, belanden zij op straat. Het is quasi onmogelijk om hen nog te heroriënteren. De veertigers maken zich dan weer zorgen over hun kinderen en zijn bang dat die het slechter zullen hebben. Ik ben er vrij zeker van dat dat op dit moment ook geldt voor veel ouders uit autochtone middenklassegezinnen. Alleen zien allochtone ouders ook hoe hun kinderen op de arbeidsmarkt gediscrimineerd worden. Vooral de jongens zijn de grootste slachtoffers, want er wordt van hen verwacht dat ze een inkomen verwerven in een omgeving die hen bijzonder weinig kansen geeft. Ze worden gezien als ‘probleemjongeren’, terwijl ze beter gedefinieerd zouden worden als ‘jongeren met problemen’. Om die discriminatie te doorbreken, is anoniem solliciteren een goed idee. Er is heel wat onderzoek voorhanden waaruit blijkt dat werkgevers op basis van de naam van een sollicitant, zijn of haar brief gewoon opzij leggen.

 

Ik hoorde iemand daarop zeggen: “Als een werkgever mij omwille van mijn naam niet wil aannemen, wil ik niet voor hem gaan werken.”

Ik begrijp dat, ik denk zelfs dat ik ook zo zou reageren als het mij zou overkomen. Maar dat neemt niet weg dat heel wat werkgevers met vooroordelen zitten, zonder dat ze echt verkeerde bedoelingen hebben of racistisch zijn. Anoniem solliciteren kan werkgevers over die psychologische drempel heen helpen.

 

Net als op school doen allochtone meisjes het op de arbeidsmarkt ook beter dan de jongens.

Als we abstractie maken van het hoofddoekendebat wel, want een voorname reden waarom sommige meisjes geen job vinden, is dat ze hun hoofddoek ook op het werk willen dragen. Misschien denken sommigen dat allochtone meisjes die verder studeren de hoofddoek afzweren, maar dat is een misvatting. Studerende meisjes kiezen er vaak heel zelfbewust voor om de hoofddoek te dragen.

 

Het clichébeeld dat een hoofddoek een teken van onderdrukking is, klopt niet?

Alle clichés hebben een grond van waarheid, maar stellen tezelfdertijd de werkelijkheid vertekend voor. Ik ken veel meisjes die op hogescholen en universiteiten zitten en bewust voor een hoofddoek kiezen. In onze postmoderne samenleving gaan we er van uit dat mensen die zich ontwikkelen, afstand van religie nemen en de Verlichting zullen omarmen. In werkelijkheid blijkt een groot deel van de migrantenpopulatie zowel voor religie als voor moderniteit te kiezen. Die moderniteit is niet dezelfde als de Westerse Verlichting. Daar hebben wij Westerlingen het moeilijk mee. (lacht) Ik zeg nu ‘wij Westerlingen’, omdat ik mezelf als ‘bi-cultureel’ zie: het ene moment beschouw ik de werkelijkheid als Vlaming, het andere als Turkse.

Onze Vlaamse samenleving is lang passief tolerant geweest vanuit de verwachting dat de migranten hun tradities na verloop van tijd overboord zouden gooien. Vaak heb ik autochtonen horen zeggen: “Bij ons was dat vijftig jaar geleden ook zo. Binnen een paar generaties lossen alle problemen zichzelf op.” Maar dat gebeurde niet, waarna de Vlamingen teleurgesteld uitriepen: “We begrijpen niet dat mensen die hier geboren en getogen zijn, op straat komen voor het recht op het dragen van een hoofddoek.”

Tolerantie is een mooie christelijke deugd, maar is geen goede langetermijnstrategie voor een samenleving. ‘Verdraagzaamheid’ impliceert afwijzing: je verdraagt iemand omdat je bepaalde aspecten van die persoon afwijst. Het zou veel beter zijn als we over ‘erkenning’ zouden gaan spreken.

We begrijpen niet goed waarom allochtone vrouwen niet emanciperen, maar dat gebeurt juist wel, alleen past het niet in het verwachtingspatroon van de autochtone Vlaming. Ik kan je garanderen dat er ontzettend veel emancipatiebewegingen groeien in de allochtone gemeenschap. Alleen nemen ze een andere route dan die van het westerse feminisme: soms kiezen ze voor emancipatie met de koran in de hand.

 

© Jan Stevens

Advertenties

De groene revolutie van Ontario

Met haar ambitieuze Green Energy Act uit 2009 hoopte de regering van Ontario op een heuse groene energierevolutie. Door massaal over te schakelen naar wind- en zonne-energie wou de Canadese provincie in drie jaar tijd 50.000 nieuwe arbeidsplaatsen creëren om zo uit te groeien tot de sterkste groene economie van Noord-Amerika. Eind 2012 klokte ze af op ruim 30.000 jobs. “Zonder financiële crisis hadden we onze doelstellingen gehaald.”

zonne-energiepark in Ontario“Onze Green Energy Act inspireerde Al Gore er toe om Ontario uit te roepen tot dé Noord-Amerikaanse leider in hernieuwbare energie.” De in milieu gespecialiseerde advocaat David Donelly leunt zichtbaar fier achterover in zijn stoel in zijn ruime kantoor in de provinciehoofdstad Toronto, want hij hield de pen vast bij het schrijven van de wet. “Onze energieminister was lichtjes wanhopig toen hij me om hulp kwam vragen”, lacht hij. “Talloze pogingen om hernieuwbare energiebronnen zoals wind en zon in de provincie te introduceren, waren grandioos mislukt. De regering had in 2006 een aantal maatregelen genomen die de installatie van duurzame energiebronnen aantrekkelijker moest maken, maar ze haalden niets uit. De tarieven die producenten voor de productie van hun hernieuwbare energie mochten aanrekenen, waren veel te laag. Het sop was de kool niet waard om met een groen energieproject van start te gaan. Investeerders moeten de garantie hebben dat hun inkomsten min of meer stabiel zullen zijn, anders kunnen ze beter op de loterij spelen. Een aantal Europese landen hebben ervaring opgedaan met een ‘teruglevertarief’: bedrijven of burgers die zonnepanelen installeren of windmolens plaatsen, krijgen een jarenlange gegarandeerde tariefprijs van de overheid die hoger ligt dan de marktprijs voor elektriciteit opgewekt door fossiele of nucleaire brandstof. De enige bedoeling van het teruglevertarief is om mensen en ondernemingen ertoe aan te zetten te investeren in duurzame energie. Denemarken is de echte pionier van het vaste teruglevertarief: 20% van de totale energiebehoefte wordt er nu door groene stroom gedekt.”

Ontario was de allereerste regio die in 2009 met zijn Green Energy Act het teruglevertarief in Noord-Amerika introduceerde. David Donelly: “De terugleververgoeding garandeert de investeerder in duurzame energie dat hij 20 jaar lang zijn elektriciteit uit groene elektriciteit aan de overheid kwijt kan tegen een vast tarief. Het tarief wordt gefinancierd door een kleine bijdrage op de elektriciteitsfacturen van alle elektriciteitsconsumenten. Elke inwoner van Ontario die zonnepanelen op zijn dak legt, heeft de garantie dat zijn systeem aangesloten moét worden op het elektriciteitsnet. De gemeente is ook verplicht om elke burger of elk bedrijf de toestemming te geven om zonnepanelen of windmolens te installeren. Alles wat hernieuwbare energie in de weg kan staan, is door de Green Energy Act met één pennentrek van tafel geveegd. De meeste Europeanen geloven dat Noord-Amerikanen niet wakker liggen van duurzame energie of van de klimaatverandering. Ze vergissen zich schromelijk: zelfs de Verenigde Staten zijn geen monolithisch blok van klimaatontkenners. Arnold Schwarzenegger, de voormalige republikeinse gouverneur van Californië, is zelfs een van de wegbereiders voor groene energie. Onze premier is eerst met hem gaan overleggen over onze Green Energy Act. De keuze van Schwarzenegger voor groene energie was indertijd min of meer gedwongen: de staat was veel te lang afhankelijk geweest van zwaar vervuilende en slecht werkende koolcentrales en kampte daardoor met energieschaarste. De overheid van Ontario wou Californische ellende vermijden en koos met de Green Energy Act voor de vlucht vooruit.”

 

MERE

Vrijdag, 15 juni 2012. De aboriginals van het reservaat M’Chigeeng First Nation op Manitoulin Island, Ontario hebben zich piekfijn uitgedost voor de inhuldigingsceremonie van de eerste twee windturbines van het Mother Earth Renewable Wind Energy Project (MERE). Chief Joseph Hare en dorpsoudste Jean Migwans leiden de ceremonie en dragen de traditionele klederdracht van hun voorvaderen, de Ojibweg-indianen. Tijdens zijn speech richt Chief Hare zich rechtstreeks tot de minister van Energie van Ontario, Chris Bentley. “Tien jaar geleden leefden er 1000 mensen in M’Chigeeng”, zegt hij. “Nu zijn het er meer dan 2.300. Niet alleen de vraag naar energie, maar ook naar extra arbeidsplaatsen is daardoor het voorbije decennium gestegen. MERE zorgt voor beide. Het project was alleen maar mogelijk dankzij de Green Energy Act, de wet die groene energie en duurzame jobs een boost geeft. Met de 100 nieuwe jobs die de windturbines van MERE opleveren, is dat in M’Chigeeng alvast gelukt.”

 

32 jaar geleden startte Grant Taibossigai zijn carrière als verantwoordelijke economische ontwikkeling voor M’Chigeeng. “Al die jaren was tewerkstelling mijn grootste bekommernis”, zegt hij. “De First Nations, de oorspronkelijke bewoners van Canada, hebben het in hun reservaten economisch altijd moeilijk gehad.”

Vlak voor de Green Energy Act door het provinciale parlement gestemd werd, kreeg Grant Taibossigai van chief Joseph Hare opdracht om te zoeken naar een duurzaam economisch project dat extra arbeidsplaatsen opleverde. “Duurzaamheid staat traditioneel hoog in het vaandel van de First Nations”, zegt Taibossigai. “Het plan rijpte om een heus windmolenpark te bouwen. De Green Energy Act gaf dat plan wind in de zeilen, want naast de algemene regels zoals het teruglevertarief, stonden er ook maatregelen in die de indianenreservaten in Ontario de mogelijkheid wou geven om op de kar van de groene energie te springen. Zo konden ze aan zeer interessante tarieven investeringsleningen aangaan.”

Taibossigai richtte de coöperatieve MERE op en alle inwoners van M’Chigeeng werden aandeelhouder. MERE leende 8,5 miljoen dollar, sloot een voordelig twintigjarig contract met de Ontario Power Authority voor een vast terugleveringstarief van 15 dollarcent per kilowattuur en begon in maart 2011 met de bouw van de eerste twee windmolens. Grant Taibossigai: “Die voorzien nu 1000 huizen van groene stroom en verschaffen honderd mensen werk. De onderdelen van de molens zijn geleverd door aannemers van M’Chigeeng. Ook de aanleg en het onderhoud van de nieuwe wegen naar de MERE-site gebeuren door bedrijven die in het reservaat gevestigd zijn. De windmolens en alle leidingen worden door gespecialiseerde firma’s onderhouden. Die ondernemingen zijn verplicht om al hun technici voor MERE in M’Chigeeng te rekruteren.”

 

Wereldleider in wording

De Canadese milieu-organisatie Environmental Defence was een van de drijvende krachten achter Ontario’s Green Energy Act. Vanuit hun kantoor aan Spadina Avenue in het hart van Ontario lobbyen de 25 medewerkers voor een milieuvriendelijker Ontario. Adam Scott voerde als Green Energy Program Manager de onderhandelingen met de regering. “Environmental Defence heeft programma’s lopen rond hernieuwbare energie, klimaatverandering en waterzuivering”, zegt hij. “Als relatief kleine organisatie kiezen we concrete thema’s waar we impact op kunnen hebben, waardoor onze kans op slagen altijd groot is.”

Zoals de Green Energy Act? Adam Scott: “Ja. Het was in het begin niet gemakkelijk om gehoor bij de regering te vinden, maar van zodra ze overtuigd was, nam ze het voortouw waardoor er in Ontario geen groene energie-evolutie plaatsvond, maar een ware revolutie.”

Environmental Defence overtuigde de regering vooral met economische argumenten. “De tewerkstellingsvooruitzichten trokken onze politici over de streep. Volgens onze berekeningen zou een groene energiewet in een paar jaar tijd tienduizenden nieuwe jobs opleveren. Ontario is altijd sterk geweest in het vervaardigen van machines voor de landbouw en de industrie. Door de globalisering heeft die arbeidsintensieve industrietak de voorbije decennia veel te lijden gehad. Wij suggereerden dat de groeiende vraag naar zonnepanelen en windmolens misschien ook de redding zou kunnen betekenen voor onze machinebouwers, als ze de overstap van transportbanden of tractors zouden maken naar de productie van materialen voor duurzame energie-installaties.”

In de Act stond zwart op wit het aantal nieuwe jobs dat die duurzame energie moest opleveren: 50.000 in drie jaar tijd. Is dat gelukt? “Eind 2011 waren er 25.000 nieuwe jobs bijgekomen”, zegt Scott. “Ik vermoed dat het er nu ruim 30.000 zullen zijn. De economische crisis heeft roet in het eten gegooid, anders hadden we die 50.000 gehaald. De nieuwe banen zijn rechtstreeks gelinkt aan de sector van de hernieuwbare energie. Veel grote nationale en internationale groene energiebedrijven hebben ofwel hun hoofdkwartier naar Ontario verhuist, ofwel hier nieuwe productielijnen gebouwd.”

Maakten ze die overstap spontaan? “Niet echt. In vergelijking met andere Noord-Amerikaanse regio’s is onze elektriciteitssector bijna integraal eigendom van de overheid: het verzet tegen hernieuwbare energie van de traditionele energiesector is hier dan ook bijzonder klein. We hoeven niet in het verweer te gaan tegen grote multinationals, maar kunnen zelf onze strategie bepalen. Het bijzondere aan de Green Energy Act is dat ze dwingende maatregelen voor bedrijven bevat: 60% van alle zonne-energie-installaties en 50% van de windenergie-installaties moéten hier geproduceerd zijn. Fabrikanten zijn dus verplicht om in Ontario productie-units te bouwen, of ze dat leuk vinden of niet. Daardoor is Ontario nu resoluut op weg om de volgende jaren een wereldleider in duurzame energie te worden.”

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto: © Veerle Van Hoey

“Achter elke Chinese investeerder gaat de Communistische Partij schuil”

De Spaanse journalist Juan Pablo Cardenal bracht samen met zijn collega Heriberto Araúgo de uitdeinende economische macht van China in ontwikkelingslanden in kaart. Volgens Cardenal grijpen Chinese ondernemers de crisis aan om ook Europa in te lijven. “We ontvangen hen met open armen en beseffen niet dat we zaken doen met communistische hardliners voor wie mensenrechten, milieubescherming en duurzaamheid loze begrippen zijn.”

Juan Pablo Cardenal woont en werkt sinds 2003 als correspondent in China voor de Spaanse kranten El Mundo en El Economista. Samen met freelancejournalist Heriberto Araúgo reisde hij naar 25 landen verspreid over Azië, Latijns-Amerika en Afrika om de ongebreidelde groei van China in ontwikkelingslanden in kaart te brengen. “Tussen begin 2005 en einde 2011 investeerden Chinese bedrijven wereldwijd 443.230 miljoen dollar”, zegt hij. “Meer dan 67 % van dat bedrag werd uitgegeven in ontwikkelingslanden.” Cardenal en Araúgo schreven hun bevindingen neer in het uitstekend gedocumenteerde boek China’s stille expansie.

Nu het westen door de financiële crisis in zak en as zit, sluit China volgens Cardenal in de derde wereld de ene lucratieve deal na de andere. Zo tekende het land met Congo een contract ter waarde van 6 miljard dollar met als baseline ‘koper en kobalt in ruil voor infrastructuur’. In Lubumbashi ontmoette Cardenal de Chinese manager van dat mijnproject. “Na jaren van oorlog tiert de corruptie welig in Congo en is er amper infrastructuur: tussen de hoofdstad Kinshasa en de tweede stad Lubumbashi is er zelfs geen berijdbare weg. Bijna niemand is zo gek om daar te investeren, behalve dan de Chinezen. De manager vertelde me waarom. ‘Ik heb een politiek mandaat’, zei hij zonder verpinken. ‘In de mate van het mogelijke moet ons mijnbouwbedrijf winstgevend zijn, maar het belangrijkste is dat we het nationaal belang helpen veilig stellen en dat we kobalt en koper aan ons land leveren.’ Een westerse onderneming zal zelden of nooit in een land als Congo investeren omdat het risico te groot is en het de aandeelhouders op korte of middellange termijn niets oplevert. De Chinezen trekken zich niets van al die economische wetmatigheden aan. Het maakt hen niet uit of ze winst of verlies maken, zolang ze maar de grondstoffen kunnen delven die ze nodig hebben.”

Ze doen toch niets verkeerd door op plaatsen te investeren waar anderen liever geen risico nemen?

Cardenal: “Nee, maar je kunt hen wel kwalijk nemen dat ze zich bij die investeringen niets aantrekken van mensenrechten, fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden of het milieu. Het belangrijkste mantra van de Chinese machthebbers van de laatste jaren was: ‘economische ontwikkeling’. De kwalijke effecten op het milieu konden hen gestolen worden. Het resultaat is dat je in China de meest vervuilde steden ter wereld vindt. Ze kopiëren hetzelfde perfide systeem naar ontwikkelingslanden, roven er de grondstoffen, maar geven bijna niets in ruil. Veel landen met ‘interessante’ grondstoffen zijn corrupte dictaturen. Vaak zijn de ngo’s die er actief zijn niet onafhankelijk, waardoor China er vrij spel heeft. Vanuit Lubumbashi transporteren de Chinezen dagelijks 5000 ton mineralen naar hun verwerkingsbedrijven in de buurrepubliek Zambia. Van daaruit worden ze naar havens in Tanzania en Zuid-Afrika vervoerd, waar ze op schepen worden geladen richting China. Zambia en Congo delen samen de Copperbelt, de ‘koperstrook’ waar een tiende van alle koperreserves ter wereld te vinden zijn en een derde van alle kobalt. Ik heb de mijnwerkersstad Chambishi in Zambia bezocht. Die plaats is berucht: regelmatig komen de Afrikaanse mijnwerkers er met geweld in opstand tegen de omstandigheden waarin de Chinezen hen laten werken. Wie als arbeider in een Chinese mijnbouwfirma werkt, verdient 85 euro per maand. Wie in dezelfde stad voor een Indiaas, Canadees of Australisch bedrijf werkt, verdient voor exact dezelfde job 215 euro. Chinese ondernemers sluiten hun deals altijd op regeringsniveau van het land waar ze actief willen worden. In de speeches die Afrikaanse politici en Chinese bedrijfsleiders naar aanleiding van het afsluiten van zo’n nieuw contract houden, hebben ze het steevast over een ‘win-winsituatie’. Maar als je met de mensen op de vloer praat, is het kommer en kwel. Voor veel derde wereldlanden is China de grootste economische steun geworden. Ze kopen grondstoffen, investeren in projecten om die grondstoffen te ontginnen, geven leningen, bouwen snel en goedkoop en financieren de infrastructuur. In landen zoals Iran of Soedan stellen ze nooit lastige vragen over mensenrechten of deugdelijk bestuur. Ik begrijp heel goed dat zo’n landen liever met China in zee gaan dan met Europese rechtstaten.”

Veel Europese rechtsstaten ontvangen Chinese ondernemers toch ook met alle egards?

Cardenal: “Dat klopt. Ik werk nu aan een tweede boek over de expansie van China in het westen. Een paar maanden geleden was ik in Brussel voor voorbereidende gesprekken. De Europese politici die ik ontmoette, leken geen flauw idee te hebben wie of wat er achter die Chinese expansie werkelijk zit. Het grote Chinese technologiebedrijf Huawei spreidt momenteel zijn tentakels over heel Europa uit. Er wordt verteld dat het bedrijf in privéhanden is, terwijl het in werkelijkheid innig verstrengeld is met de Chinese overheid. In de Verenigde Staten is er een comité dat buitenlandse investeerders nauwgezet doorlicht, begeleidt en in de gaten houdt. Soms blokkeren ze potentiële investeringen en bij Huawei hebben ze dat al een paar keer gedaan. In Europa bestaat zo geen waakhond. Van mij mag China een wereldmacht worden, als land met een grote bevolking verdient het dat zelfs, allen heb ik een probleem met de manier waarop het nu gebeurt. Ik leef en werk negen jaar in China waardoor ik goed weet hoe er in dat land aan politiek gedaan wordt. Ik maak me veel zorgen over de selectieve blindheid van Europese overheden. China koestert grote ambities in de Arctische gebieden. Door de klimaatverandering smelt het ijs er en de Chinezen popelen van ongeduld om er grondstoffen te gaan ontginnen. In Denemarken woedt een heftig debat tussen vakbonden en politici die de arbeidsvoorwaarden naar beneden willen bijstellen opdat de Chinezen in Groenland naar olie zouden kunnen beginnen boren. De Deense vakbonden staan op hun achterste poten, maar behalve China beschikt niemand in deze tijden van crisis over de middelen om te investeren in ruig, risicovol gebied. Alleen Chinese investeerders willen Groenland binnentrekken, op voorwaarde dat ze hun eigen werkvolk mogen meebrengen. Natuurlijk is het niet de bedoeling dat die mensen Deense salarissen zullen ontvangen. Daarom zullen de Chinezen alleen investeren als de Denen hun arbeidswetten aanpassen.”

“Westerse politici maken zichzelf graag wijs dat China langzaam evolueert naar een open samenleving. Toen ik er in de herfst van 2003 arriveerde, verspreidde de Chinese overheid de boodschap dat het land zich meer en meer zou openstellen dankzij de voortschrijdende ontwikkeling. Maar tot op de dag van vandaag is er niets veranderd omdat de Chinese overheid niet bereid is haar machtsmonopolie af te staan. Ik zeg niet dat de regering geen goeie dingen gedaan heeft: China was een straatarm land toen Mao stierf en de machthebbers na hem hebben miljoenen mensen uit de armoede getrokken. Maar openheid is er niet. Te veel westerse politici en journalisten geloven de manipulatie van de Chinese overheid dat ze ‘aan openheid werkt’. Het duidelijkste bewijs dat de Chinese Communistische Partij (CCP) aan democratie een broertje dood heeft, leverde ze tijdens de Arabische lente. De Chinese regering lanceerde toen plots een campagne tegen binnenlandse dissidenten, de grootste sinds Tiananmen in 1989. In maart van dit jaar keurde het nationaal parlement een wet goed die de politie toestemming geeft mensen zonder enige vorm van proces zes maanden in geheime gevangenissen op te sluiten. Dat soort van wetten wordt niet gemaakt door parlementsleden: het Chinese parlement keurt alleen maar goed wat de partij beslist heeft. Binnen de partij is er één jaar over die wet gediscussieerd; over een wet op privé-eigendom heeft ze dan weer 17 jaar gepalaverd. Binnen de CCP zijn het altijd de hardliners die winnen. ‘Zwakke’ politici hebben geen toekomst, daarom ook zal een plaatselijke bestuurder in Tibet zonder aarzelen de tanks laten buitenrollen als burgers op straat komen protesteren.”

Als onze politici met Chinese investeerders praten, moeten ze altijd in hun achterhoofd houden dat ze eigenlijk aan het onderhandelen zijn met hardliners uit de communistische partij?

Cardenal: “Zeker. De Chinese verovering van de wereld zal niet verlopen zoals die van de Amerikaanse multinationals in de jaren zestig en zeventig. Er zijn veel opmerkingen over de werking van multinationals te maken, maar je kunt niet stellen dat ze in hun expansie geen rekening hielden met de wetten van het land waarin ze neerstreken. Achter elke Chinese investeerder gaat de CCP schuil. Ik kan er niet mee akkoord gaan dat mijn land wordt overgenomen door communistische hardliners. Andersglobalistische actievoerders die hun pijlen richten op multinationals, zouden misschien beter Chinese investeerders in het vizier nemen.”

 

 

Help, de Chinezen komen!

 

In oktober 2010 kondigde de Chinese premier Wen Jiabao miljardeninvesteringen in de noodlijdende Griekse scheepvaart aan. Die aankondiging zorgde voor nervositeit: het leek alsof de Chinese overheid de eurocrisis ‘gebruikte’ om zijn economische macht in Europa uit te breiden. In maart van dit jaar kreeg ons land het bezoek van een Chinese delegatie van 63 investeerders onder leiding van zakenman Feng Jun van het elektrobedrijf Aigo. Samen met de Vlaamse minister-president Kris Peeters bezocht hij de site van de European Market City aan de A12 in Willebroek, om na te gaan of dat de ideale uitvalsbasis kan worden voor de verspreiding van Chinese producten in Europa. “Over twee of drie jaar zullen we met ons netwerk in elk land dat we uitkiezen 5000 jobs creëren, minstens”, sprak Feng toen overmoedig in een interview met De Morgen. “Al kunnen het er ook 50.000 zijn.” In afwachting van de definitieve keuze voor Willebroek, opende Aigo alvast een kantoor in Brussel waarvoor het concern een jaar lang geen huur hoeft te betalen.

“Ik vrees dat Belgische politici niet goed beseffen wie ze eigenlijk in huis halen”, zegt Juan Pablo Cardenal. “Toen we aan dit boek begonnen te werken, was China volop bezig met investeren in ontwikkelingslanden. Dat was de eerste fase; de tweede fase is nu begonnen met de ‘verovering’ van het westen. We wisten dat die veroveringstocht ooit zou komen, maar we hadden nooit gedacht dat het zo snel zou gaan. De crisis heeft alles in een stroomversnelling gebracht.”

Juan Pablo Cardenal & Heriberto Araújo, China’s stille expansie, Het Spectrum, 376 blz., 24,99 euro

 

© Jan Stevens

“Alleen vrouwen houden rekening met de toekomst”

Eerder dit jaar werd de Indiase vakbondsleidster Ela Bhatt door de ULB gelauwerd met een eredoctoraat voor haar strijd voor de rechten van zelfstandig werkende vrouwen. “Onze grote leraar Mahatma Gandhi heeft me geleerd dat staken het allerlaatste wapen is.”

 

Ela Bhatt zag het levenslicht in 1933 in Ahmadejabad, de toenmalige hoofdstad van de Indiase deelstaat Gujarat. Ze groeide op in een welgestelde advocatenfamilie. “Mijn ouders waren actief in de Indiase onafhankelijkheidsstrijd en mijn moeder was een voorvechtster voor vrouwenrechten”, zegt ze. “Ze volgden het pad van Mahatma Gandhi. Het stond in de sterren geschreven dat ook ik zijn voetsporen zou volgen. Alle mensen van mijn generatie waren doordrongen van idealisme en van de opdracht van Gandhi: ‘Ga naar het platteland en werk met de armen.’”

Bhatt studeerde net als haar vader rechten en begon in 1955 als advocaat te werken voor de Textile Labour Association (TLA). Ela Bhatt: “De TLA was in 1920 opgericht door Gandhi en is de oudste vakbond in India. Ik verdedigde de rechten van de aangesloten arbeiders die in de formele sector actief zijn. Maar in de loop der jaren zag ik hoe de arbeiders uit de informele sector uitgebuit werden. Met de informele sector bedoel ik de arbeiders die geen arbeidscontract hebben en als zelfstandig straatventer, groentenverkoper of landbewerker actief zijn. Langzaam groeide het besef dat er ook voor hen een vakbond moest komen. In 1972 richtte ik daarom in de schoot van de TLA de Self-Employed Women’s Association (SEWA) op die de zelfstandig werkende vrouwen een stem moest geven.”

 

Waarom alleen vrouwen?

Ela Bhatt: In alle sectoren in India verdienen vrouwen het minste: ze zijn de armste onder de armen en moeten om te kunnen overleven veel harder werken dan alle anderen. De zelfstandig werkende vrouwen uit de onofficiële sector genoten geen enkele sociale bescherming. Meer dan 90% van de totale beroepsbevolking bestond toen uit zelfstandig werkende armen, mannen en vrouwen samen. Hun aantal is vandaag toegenomen tot 95%. Steeds meer mensen worden werkloos en moeten om te kunnen overleven hun toevlucht tot een job op straat nemen. Ruim de helft van al het werk in de informele sector wordt door vrouwen verricht. Van hun extreem lage inkomen moeten ze een deel afstaan aan de geldleners. De voorbije decennia is er in onze steden een ‘bloeiende’ markt van geldwoekeraars ontstaan. ’s Morgens leent een vrouw van zo’n geldlener – een buur of een familielid – pakweg 50 roepies. ’s Avonds moet ze 55 roepies terugbetalen. Elke dag opnieuw.

 

Als ze een dag niets verkocht heeft, zit ze met een huizenhoog probleem?

Meestal raken de vrouwen hun goederen wel kwijt. Maar als er in de straat waar ze werken rellen uitbreken of als de politie hun straat ‘schoonveegt’ omdat er limousines met VIP’s moeten passeren, hebben ze natuurlijk geen inkomen en betalen ze extra intresten aan de geldleners.

 

Was de grote vakbond TLA enthousiast toen u in ’72 met SEWA van start ging?

In het begin hadden ze er geen probleem mee, maar in 1981 gooiden ze ons er uit en moesten we op eigen benen verder. De Indiase maatschappij is opgebouwd uit een gecompliceerd en rigide kastenstelsel. Om de maatschappelijke ongelijkheid weg te werken, is ruim 30% van de plaatsen in het parlement, het onderwijs en de formele arbeidssector voorbehouden aan de dalit, de kastelozen of paria’s. In Gujarat waren de dalit erg mondig en eisten ze hun plaatsen op. Dat verliep vrij probleemloos tot ze ook toegang wilden tot hun gereserveerde plaatsen voor de studies geneeskunde. Blijkbaar was dat een brug te ver, want er kwam luid protest vanuit de kasten die vonden dat het nu maar eens gedaan moest zijn met de ‘voorkeursbehandeling’ van de paria’s. Maar de kastelozen hielden voet bij stuk: “De grondwet staat ons toe dat we geneeskunde studeren. Wij mogen op alle niveaus deelnemen aan het sociale leven.” Een derde van de leden van mijn vakbond zijn paria’s en ik bepleitte hun zaak in het openbaar. De TLA kantte zich niet tegen de dalit, maar was in de eerste plaats vooral bezorgd over het behoud van de sociale vrede. Ze wilden geen betogingen of stakingen en waren er als de dood voor dat arbeiders uit de textielfabrieken uit solidariteit de boel zouden platleggen. De TLA verweet me dat ik de discipline doorbroken had en ik werd ontslagen. Het was een moeilijke tijd, maar toch ging ik verder met SEWA. Vandaag zijn we groter en sterker dan ooit.

 

Achteraf bekeken was het een goede zaak dat ze u uit de TLA gooiden?

Op het moment van mijn ontslag weende ik bittere tranen. Toen ik thuis kwam, zei mijn man: “Maak je geen zorgen. Dit is een ‘blessing in disguise’.” Hij heeft gelijk gekregen. Later ontdekte ik dat de TLA gezwicht was onder de druk van de almachtige Indiase farmasector.

Net als elke andere vakbond is SEWA georganiseerd volgens sectoren. De sector van de sigarettenmaaksters is heel groot en de zelfstandig werkende vrouwen die daarin actief zijn, hebben hard gestreden voor een minimumloon. Ze worden per stuk betaald en dankzij onze acties krijgen ze nu voor 1000 handgerolde sigaretten een vastgesteld minimum. Gandhi heeft ons geleerd dat staken het allerlaatste middel is, dus verkiezen wij altijd om eerst met de werkgevers te praten.

De straatverkoopsters vormen een aparte groep in onze vakbond. Ze worden door iedereen met de nek aangekeken. Ze houden zogezegd het verkeer op, terwijl de automobilisten het tezelfdertijd wel fijn vinden dat ze vanuit hun auto goedkope verse groenten of gekoeld water kunnen kopen. De politie en de gemeenteambtenaren willen de verkoopsters ook van straat, maar beschouwen hen tegelijkertijd als een goede bron voor steekpenningen. Voor de straatventers moeten we wel vaak stakingen organiseren. Als ze drie dagen lang de straat niet meer opgaan om hun goederen aan te bieden, beginnen de mensen op de lokale markten te klagen, want dan komt geen enkele straatverkoopster nog haar voorraden bij hen inslaan.

 

U richtte ook een bank op voor de arbeidsters uit de informele sector. Konden zij niet bij een reguliere bank terecht?

Onze bank is een coöperatieve: wie lid wil worden, koopt een aandeel en opent een rekening. De meeste zelfstandig werkende vrouwen hebben in hun hele leven nog nooit een rekening gehad en hebben geen kaas gegeten van bankieren. Al onze toekomstige aandeelhouders worden dan ook eerst getest of ze gedisciplineerd met geld omkunnen. Als ze het daar moeilijk mee hebben, helpen we hen die discipline aankweken. Vrouwen hebben een natuurlijk instinct om te sparen, waarmee ik niet wil zeggen dat mannen het geld over de balk gooien. Het grote probleem in een landbouwstaat als Gujarat is dat de voortschrijdende automatisering ervoor zorgt dat mannen sneller dan vroeger hun werk verliezen en depressief worden. Een vrouw is van nature overbezorgd over haar familie. Er spookt maar een vraag door haar hoofd: “Wat zal ik mijn kinderen morgen te eten geven?” Ze zal er alles aan doen om ervoor te zorgen dat het eten toch op tafel komt, terwijl een man bij de pakken blijft neerzitten. Vroeger werkten man en vrouw samen op het veld. Nu brengt de landbouw te weinig op: veel mannen proberen andere jobs te vinden of migreren naar andere staten en laten de landbouw over aan de vrouwen. Zij hebben een hypotheek moeten aangaan om hun land te kunnen kopen. Als er niet genoeg geld binnenkomt, verliezen ze hun land aan de woekeraar. Onze bank leent hen het geld om hun hypotheek af te lossen zodat het terug in hun handen komt. We stellen als voorwaarde dat elk stuk land eigendom wordt van de vrouw omdat het in haar handen veilig is, want zij houdt rekening met de toekomst.

 

Zit India net als Europa nu in crisis?

Wij hebben geen last van de financiële crisis. Onze banken zijn sterk en de economische groei bedraagt nog steeds 8%. Onze crisis situeert zich in de snel groeiende kloof tussen arm en rijk, met mensen die hun streek verlaten en hun geluk en werk zoeken in gebieden waar industrie is en naar grondstoffen gedolven wordt. Zo is er een nieuwe grote groep van economische vluchtelingen binnen de Indiase grenzen ontstaan. De kritiek op het slechte bestuur klinkt ook steeds luider. De corruptie tiert welig in de overheidsinstellingen. Het is zelfs zo erg dat onze kinderen corruptie als iets heel gewoon zijn gaan zien. Voor alles heb je het juiste papier nodig, en voor het juiste papier moet je altijd extra roepies neertellen. Zeker voor de armen is de bureaucratische corruptie een gesel.

In de naam van de moderniteit wordt alles ingewikkelder, maar moderniteit is niet hetzelfde als complexiteit. We hebben nood aan eenvoudige procedures die niet tijdrovend zijn en geen geld kosten. Teveel centralisatie van macht is geen oplossing voor de problemen van alledag en helpt ons niet aan voedsel, huisvesting of onderwijs. Al die dingen moeten lokaal georganiseerd worden en niet in een grote stad ver weg.

 

In 2007 werd u lid van The Elders, een denktank van ‘wijzen’ die gesticht werd door Nelson Mandela. Wat is het doel van die organisatie?

We zijn veel meer dan een denktank: we zijn net als de wijze ouderen van het dorp waar mensen met hun verzuchtingen en klachten naartoe kunnen komen. Mandela belde me en vroeg me drie dagen voor de start van The Elders om lid te worden. Hij is een aanhanger van de oude Afrikaanse Ubuntufilosofie: ‘I am what I am because of who we all are.’ Als wijze ouderen moeten we naar de mensen luisteren en hun stem versterken. We bestuderen conflictsituaties en kiezen dan altijd voor de zwakkeren. Alle Elders hebben ooit politieke ‘macht’ gehad, maar kunnen alleen maar lid worden als ze die niet meer hebben. Door het moreel gezag dat mensen zoals Desmond Tutu of Jimmy Carter in de loop der jaren opgebouwd hebben, wil iedereen met hen praten.

 

Mag George Bush lid worden?

(lacht) Het klopt dat Bush geen politieke macht meer heeft, maar ik vermoed dat hij niet meteen in aanmerking komt. Aung San Suu Kyi was ook gekozen. Nu ze in het parlement van Myanmar zit, heeft ze haar lidmaatschap moeten opgeven. Hetzelfde geldt voor Kofi Annan die nu voor de VN tracht te bemiddelen in Syrië.

 

Luistert de wereld naar wat The Elders te vertellen hebben?

We werken heel stil en leggen alleen verklaringen af als het echt nodig is. Geloof me: achter de schermen werken, is veel vruchtbaarder.

 

© Jan Stevens

“De deur van de godfather stond dag en nacht open”

Als boefje van twaalf kraakte Louis Ferrante de parkeermeters van New York; op zijn 21e schopte hij het tot ‘kaderlid’ bij de maffia. Tot hij gearresteerd werd en jarenlang achter de tralies verdween. Vandaag coacht hij reguliere managers bij bonafide bedrijven. “Zowel in de boven- als in de onderwereld telt maar één principe: zoveel mogelijk winst maken.”

 

Louis Ferrante (43) was pas 17 toen hij in zijn buurt in Queens, New York, eigenhandig zijn eerste bestelwagen stal. “Ik had geluk”, zegt hij. “De laadbak lag vol gereedschap, waardoor de diefstal me veel meer opbracht dan enkel de verkoop van de onderdelen van de truck.” Een paar jaar later werd hij gerekruteerd door de Gambinofamilie, een van de vijf maffiafamilies die de georganiseerde misdaad in New York in handen hebben. Ferrante schopte het razendsnel tot capo, ‘teamleader’. In 1994 werd hij gearresteerd en afgevoerd naar de superbeveiligde gevangenis van Lewisburg in Pennsylvania. “Die plek was de hel”, herinnert hij zich. “De eerste maanden dacht ik alleen maar aan ontsnappen. Tot ik na een incident met een cipier tot het inzicht kwam dat ik het roer drastisch moest omgooien. Nadat ik de man tijdens een woedeaanval bijna met zijn das gewurgd had, schold hij me uit voor beest. ‘Ik een beest?’ dacht ik. Maar hij had gelijk. Ik had tijdens mijn maffiacarrière mensen geslagen met honkbalknuppels en pistoollopen in hun mond geduwd. Ik had me als een beest gedragen: in Lewisburg zat ik op mijn plaats.”

In 2003 kwam Louis Ferrante vrij: vandaag verdient hij zijn eerlijke kost met het schrijven van boeken en het coachen van managers, waarbij hij overvloedig put uit zijn rijke ervaring als notoir maffiakaderlid. Zo pas verscheen Straatwijs, een handleiding voor managers die hun organisatie willen enten op die van een maffiafamilie. “Denk het geweld weg, en de maffia is niet meer dan een gewone onderneming, bevolkt met doordeweekse zakenlui waar alleen de winst primeert.”

 

Van bajesklant tot liefhebber van Proust

Toen Louis Ferrante gearresteerd werd, hing er 150 jaar cel boven zijn hoofd. “Ik was dan ook geen doetje”, geeft hij toe. “Ik leidde bij Gambino het team van truckkapers en racketeers, de lui die geld afpersten in ruil voor bescherming. Mijn actieterrein lag in de Italiaanse buurt in Queens. Tot op de dag van vandaag is de maffia daar alomtegenwoordig. De Gambinofamilie had snel in de gaten dat de kleine Ferrante een bijzonder talentvol gangstertje was. Natuurlijk wou ik dolgraag bij hun club horen, want als maffialid steeg mijn straatwaarde en kon ik nog meer verdienen.”

 

De universiteit of de hogeschool interesseerden u niet?

Louis Ferrante: Nee, totaal niet. (lacht) Ik vond het leuk om crimineel te zijn. Al mijn vrienden waren gangsters en ik amuseerde me kostelijk. De mensen in mijn buurt keken niet op me neer omdat ik bij de ‘borgata’, de familie, zat. Ik werd daar juist voor gerespecteerd. De ‘bad guys’ waren de criminelen die oude dametjes overvielen of huizen van gewone burgers leegroofden. Maffiosi beschermden de buurt, hielden rivaliserende bendes weg en droegen zorg voor hun eigen familie en bekenden.

 

U was een persoonlijke vriend van John Gotti, de beruchte godfather van de Gambinofamilie.

Ik spreek daar niet graag over. Laten we het er op houden dat het FBI beweerde dat ik heel goed bevriend was met alle Gotti’s. Of ik bang ben dat ze me te grazen zullen nemen als ik uit de biecht klap? Ik ben geen verklikker; ik noem alleen namen van maffialeden die ofwel dood zijn, ofwel in de gevangenis zitten. John Gotti is dood, dus vind ik het geen probleem om zijn naam uit te spreken of neer te schrijven, maar daarmee houdt het ook op. Na mijn arrestatie wilden de politiediensten dat ik met hen ging samenwerken tegen de Gambinofamilie, ze viseerden daarbij vooral de Gotti’s en oefenden druk op me uit door met levenslang te dreigen. Ik had toen geluk dat de stool pigeon, de voornaamste politie-informant tegen mij en mijn bende, de voorwaarden van zijn getuigenbeschermingsprogramma schond. Het FBI gooide hem eruit en bood mij een overeenkomst aan: als ik schuldig pleitte, kreeg ik strafvermindering in ruil. De oorspronkelijke eis tot 150 jaar werd omgezet in 13 jaar cel.

 

In de gevangenis hebt u de literatuur ontdekt?

Als maffioso was ik er rotsvast van overtuigd dat ik volgens een verheven code leefde. In de gevangenis kam ik erachter dat die zogenaamde morele code meer met hebzucht dan met eer te maken had. Ik ontmoette er maffiosi die levenslang zaten voor moord. Tijdens mijn Gambinojaren hadden oudere maffiabazen me verteld dat eremoorden zinvol waren. In de cel vertrouwden de killers me toe dat hun moordopdrachten alleen maar te maken hadden met geld, met miljoenen dollars. Toen ik zelf maffialid was, kon ik ermee leven dat andere leden vermoord werden omdat ze iets ondernomen hadden wat tegen de belangen van de familie inging. Maar nu hoorde ik van de daders zelf hoe ze omwille van puur hebzuchtige motieven kennissen van mij uit de weg hadden moeten ruimen.

In de cel begon ik diep na te denken over wat ik zelf allemaal uitgespookt had en kreeg ik zin om te lezen. Boeken hadden daarvoor nooit deel van mijn leven uitgemaakt. De enige figuur die ik met ‘literatuur’ associeerde, was mijn vroegere makker George DiBello: ‘Fat George’ stond vol getatoeëerd met verzen uit de bijbel. Toen hij me in de gevangenis bezocht, vroeg ik of hij me een paar boeken wou opsturen. Een tijd later zaten er drie boeken bij de post: ‘Over de Gallische oorlog’ van Julius Caesar, een biografie van Napoleon en Mein Kampf van Hitler. Later wou ik van George weten waarom hij die boeken had gekozen; hij antwoordde: “Ik zei aan de boekhandelaarster dat ik leesvoer zocht voor een klein, bazig ventje dat in de gevangenis zit.” Anderhalf jaar lang heb ik gelezen alsof mijn leven ervan afhing: ik las 20 uur per dag en werd een fan van 19e-eeuwse en vroeg-20e-eeuwse auteurs. Marcel Proust groeide uit tot mijn grote voorbeeld: tijdens mijn gevangenschap werd hij via zijn romans een persoonlijke vriend. Ik droomde ervan net zo goed te kunnen schrijven als hij. Ik bestudeerde de manier waarop hij verhalen construeerde en probeerde dat na te bootsen. In het begin waren mijn teksten schabouwelijk; met veel vallen en opstaan ben ik de schrijver geworden die ik nu ben.

 

Uw gevangenisjaren waren uw studentenjaren?

Zo kun je het stellen. Mijn celmaat was erg bedreven in het interpreteren van juridische teksten. Met zijn hulp ben ik mijn eigen zaak beginnen bestuderen. Ik doorploegde wetboeken en schoolde mezelf om tot mijn eigen advocaat. Op basis van een procedurefout slaagde ik erin om mijn 13 jaar cel te laten verminderen tot 8,5.

Ik heb me vaak afgevraagd hoe mijn leven er zou uitgezien hebben als ik wel had kunnen studeren; misschien was ik dan beursmakelaar of investeringsbankier in Wall Street geworden. In mijn kleine buurt in Queens was ik me niet bewust van die mogelijkheden. Ik zag alleen de kansen die de maffia me op de hoek van de straat bood. Dat gold ook voor mijn leeftijdsgenoten. Veel jeugdvrienden zitten nu in de gevangenis, terwijl ze de capaciteiten hebben om aan het hoofd van een grote onderneming te staan. Het is jammer dat niemand hen vroeger naar een fatsoenlijke school gestuurd heeft. Er zitten veel intelligente mensen bij de maffia. Ik heb maffiosi gekend die op een uitmuntende wijze grote ondernemingen runden: vuilnisophaalfirma ’s, afvalbedrijven die 300 miljoen dollar waard waren, bouwondernemingen die wolkenkrabbers bouwden in Manhattan… Doordat hun vaders, grootvaders, overgrootvaders in de maffiabusiness zaten, eindigden ze zelf ook als maffiaondernemer.

 

Managementlessen van de maffia

Wat kan een nette manager van de maffia leren?

Een van de belangrijkste positieve eigenschappen van de maffia is haar extreme betrouwbaarheid. Maffiosi houden zich altijd aan hun woord en vinden daardoor vrij probleemloos nieuwe mensen die zaken met hen willen doen. In ideale omstandigheden is maffiageweld niet gratuit, maar volgt het alleen als beloftes niet worden nagekomen, waarmee ik niet wil zeggen dat reguliere bedrijven bij een laattijdige betaling hun toevlucht moeten nemen tot het doorslaggevende argument van de honkbalknuppel.

De ceo van een gerespecteerd bedrijf of de godfather van een maffiafamilie denken op net dezelfde manier: ze willen het onderste uit de kan voor hun eigen bedrijf. Bij politici zie je hetzelfde: ook zij zijn machiavellistisch, ook voor hen heiligt het doel vaak alle middelen. Een politicus gaat zelfs nog verder dan een maffioso: hij zal niet aarzelen om de familie van een concurrerende politicus verdacht te maken, terwijl een maffiabaas zoiets nooit zal doen. Voor de maffia is de familie heilig: geen enkel maffialid haalt het in zijn hoofd om een concurrent via kinderen, ouders, ooms of tantes te raken.

Een maffioso zal tijdens de onderhandelingen over een deal niet noodzakelijk iemand bedreigen of intimideren. Natuurlijk gebeurt dat af en toe, maar de meest succesvolle maffiosi zijn de rasverkopers: zij die hun cliënteel op een charismatische manier weten te overtuigen. “Hey man, komaan, je weet dat dit de beste deal ooit is. Don’t bullshit me, dit gaat ons miljoenen dollars opleveren. Kom, laten we het doen!” Voor je er erg in hebt, stap je mee in het verhaal, ontkurk je een paar biertjes en is de deal geregeld. Die manier van zakendoen is bij de maffia meer ingeburgerd dan het omwringen van armen of het breken van knieschijven.

 

Wat kunnen HR-managers leren van de maffia?

Wij rekruteerden alleen ‘verdieners’. Een ‘verdiener’ weet van aanpakken en is altijd onderweg, hij is ook voortdurend bezig met het opzetten van plannetjes en schema’s om geld te verdienen. Als je als personeelsdirecteur wil dat je bedrijf groeit, moet je bij sollicitaties de ‘verdieners’, de doordouwers, eruit halen. Als je nietsnutten en klaplopers aanneemt, zullen je klanten je onderneming catalogeren bij de losers. Dus: neem hustlers aan die erop uit trekken en iets bouwen uit niets. Bij de maffia word je pas gerekruteerd als je bewezen hebt dat je een straatverdiener bent. In de legitieme wereld geldt net hetzelfde: neem iemand aan die bewezen heeft dat hij iets opbrengt, en niet zomaar iemand die elke maand zijn salaris incasseert en ondertussen op zijn luie reet blijft zitten.

 

Volgens u is het een goed idee om de organisatie van een groot regulier bedrijf op de leest te schoeien van een maffiafamilie?

Door je onderneming te organiseren op de manier waarop een maffiafamilie functioneert, creëer je nieuwe kansen en mogelijkheden. In de borgata wordt de hiërarchie altijd gerespecteerd: als een meerdere je een bevel geeft, reageer je daar niet op met een idiote opmerking maar voer je de opdracht gewoon uit. Ik vind dat in onze huidige maatschappij mensen steeds respectlozer worden. Vaak vertikken ze het om de job uit te voeren waarvoor ze aangenomen zijn of trekken ze constant hun taken in twijfel: “Waarom geef je die kloteklusjes altijd aan mij?” Een maffialid zet geen grote bek op en voert het bevel precies uit zoals het hem opgedragen is. Punt. Wat niet wil zeggen dat er bij de maffia niet naar opbouwende kritiek geluisterd wordt. Integendeel. Ik kom bij veel bedrijven over de vloer waar zoiets eenvoudig als een ideeënbus in geen velden of wegen te bespeuren is. Luisteren ze dan niet naar de ideeën van hun eigen personeel?

 

Bij de Gambinofamilie hing er wel een ideeënbus?

Er hing geen bus aan de muur, maar als je een goede inval had, stapte je gewoon bij de godfather binnen. De deur van zijn kantoor stond dag en nacht voor elk familielid open.

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto: © Jerry Bauer

Holding Dexia: werken op een zinkend schip

Een jaar geleden vormde de Dexiatoren ’s nachts een fraai verlicht landmark op het Rogierplein in Brussel. Nu flikkert er nauwelijks nog een lamp. Steeds meer werknemers van Dexia NV vinden elders onderdak en de kantoren lopen leeg. De achterblijvers vragen zich af wie als allerlaatste het licht zal doven.

 

2006 was een heuglijk jaar in de geschiedenis van Dexia. Want toen nam de florerende financiële groep het gloednieuwe 136 meter hoge hoofdkwartier aan het Brusselse Rogierplein feestelijk in gebruik. Achter de 4200 ramen van de 34 verdiepingen tellende Dexiatoren flikkerden duizenden kleurrijke Ledlampjes. The sky leek voor Dexia voorgoed the limit. Tot een jaar later door de financiële crisis Dexia’s Amerikaanse dochter FSA met haar rommelkredieten zwaar in de problemen kwam. Vandaag is het alsof er van de ooit zo fiere Dexiagroep niets meer dan een smeulende puinhoop overblijft. De belangrijkste onderdelen, de Belgische, Franse en Luxemburgse banken, werden eind vorig jaar genationaliseerd of verkocht. Het restant, de holding Dexia NV, bestaat uit 75 miljard euro aan rommelkredieten, een fikse schuldenberg en een aantal gezonde onderdelen dat op verdere afhandeling of verkoop wacht. Het voortbestaan van de holding wordt voorlopig gegarandeerd door de Belgische en Franse overheden, waarbij België garant staat voor 60,5%. Als Dexia vooralsnog failliet gaat, zal dat elke Belg een schamele 5000 euro kosten.

Sinds de nationalisatie in oktober vorig jaar van de voormalige Dexia Bank Belgium en haar recente naamsverandering in Belfius, gloort er voor de 6000 medewerkers van die bank een straaltje licht aan het eind van de tunnel. Voor de 350 overblijvers in de restbank Dexia NV bleef er alleen onzekerheid en vertwijfeling. In theorie kunnen 323 van hen de overstap maken naar Belfius. Of ze werkelijk een schitterende toekomst tegemoet gaan, zal de geschiedenis leren.

 

Job voor het leven

Woensdagochtend. Er hangt verslagenheid in de kantoren van Dexia NV in de recent tot Rogiertoren herdoopte Dexiatoren. Het nieuws dat een collega gisterenavond uit het leven gestapt is, is ingeslagen als een bom. “Die collega had serieuze privéproblemen”, zegt Frank. “Misschien was de onzekere, stresserende toestand op het werk de druppel die de emmer heeft doen overlopen.”

Diezelfde ochtend staat Dexia in de kranten weer op de voorpagina met het bericht dat ex-voorzitter Pierre Richard voor zichzelf een extra pensioen van jaarlijks 583.000 euro voor 20 jaar lang onderhandeld had. “Ik verslikte me niet in mijn ochtendkoffie toen ik dat las”, zegt Franks collega Johan. “Bijna iedereen op de werkvloer wist dat Richard voor een appeltje voor de dorst gezorgd had. Ik ben niet de enige hier die het er moeilijk mee heeft dat degenen die de boel om zeep geholpen hebben, geen rekenschap moeten afleggen en met veel geld zijn vertrokken. In het verleden hebben ook ‘gewone’ personeelsleden zware fouten gemaakt. Zij werden, terecht, op staande voet ontslagen met een slechte C4 en zonder een cent ontslagvergoeding.”

Frank startte zijn carrière begin jaren tachtig als bediende bij het Gemeentekrediet; Johan volgde een decennium later. De ene wacht op wat komen zal; de andere heeft een job gevonden bij een andere bank en vertrekt binnenkort. “Toen ik pas van school kwam waren de examens van het Gemeentekrediet legendarisch”, herinnert Frank zich. “Mensen deden er massaal aan mee omdat ze droomden van een stabiele job voor het leven. Na de versmelting in 1996 van Het Gemeentekrediet en Crédit Local de France tot Dexia bleef die droom intact. Tot vorig jaar geloofde ik zelfs nog dat Dexia de orkaan wel zou doorstaan. Nu kun je bij de collega’s de believers op de vingers van een hand tellen. Het geloof in dit bedrijf is weg. Bij Belfius komt dat geloof na verloop van tijd wel weer terug, maar bij de restbank is het voltooid verleden tijd.”

 

Werknemers met een ‘vervaldatum’

Volgens vakbondsverantwoordelijke Elke Maes van LBC-VBK zit Dexia NV vandaag middenin een ‘grote transformatie’. “Veel personeelsleden zijn bezig met het maken van de overstap naar Belfius, anderen hebben dan weer elders een nieuwe job gevonden. Voor de achterblijvers is dat moeilijk. Maar ook niet iedereen die naar Belfius vertrekt, is even blij. Sommigen zijn ooit bij het Gemeentekrediet begonnen en hebben indertijd bewust hun overplaatsing naar de holding gevraagd. Ze staan niet te springen om terug te keren naar een bank waar ze ooit van ‘weggevlucht’ zijn.”

Johan bevestigt dat niet alle ‘overlopers’ naar Belfius even enthousiast zijn. “Zeker collega’s die vroeger van de bank naar de holding overgestapt zijn omdat ze ruzie hadden met hun leidinggevenden, hebben schrik om terug te keren naar hun oude bank met de nieuwe naam. Anderen vinden het dan weer niet leuk om over te schakelen van een relatief kleine entiteit naar een mastodont met duizenden personeelsleden.”

Nadat beslist was dat Dexia NV alleen nog de ‘lopende zaken’ zou afhandelen, kregen alle werknemers een ‘vervaldatum’ opgekleefd. Johan: “Voor elke functie ligt vast hoelang ze nog moet blijven bestaan om de afbouw van Dexia te kunnen realiseren. Sommige mensen zijn nu al vertrokken, aan anderen is gevraagd om te blijven tot juni, september of tot eind dit jaar. Voor wie naar Belfius kan, heeft de holding een overeenkomst gemaakt met de bank over de timing van die overstap. Een aantal diensten van Dexia zijn integraal overgenomen door Belfius, maar voor een groot deel van de openstaande jobs moeten mijn collega’s gaan solliciteren.”

 

Apathie in plaats van paniek

Hoeveel mensen zijn er nu al bij de holding vertrokken? Frank: “Ruim 100. Er wordt gezegd dat ongeveer 60 mensen bij Dexia NV zullen blijven werken. Maar daar bestaat geen zekerheid over, want niemand weet hoe de restbank gestructureerd zal zijn. We weten alleen dat de laatste overblijvers zich zullen bezighouden met de afbouw van de portefeuille. Dat is een ingewikkelde materie die gerust nog 15 jaar kan duren. Het is een misvatting dat alles wat in de portefeuille zit rommel is. Natuurlijk bevat hij kredieten en aandelen die flink onder druk staan, maar er zitten ook prima onderdelen in. Het grote probleem is dat zij op lange termijn lopen en dat ze alleen iets opbrengen als we tot de einddatum kunnen wachten om ze te verzilveren. Als we ze nu moeten verkopen, is het verlies gigantisch.”

Bestaat de kans dat de rommel Dexia voortijdig de das zal omdoen, voor de waardevolle onderdelen geïncasseerd kunnen worden? Johan: “Volgens onze collega’s van Risk and Finance blijft de integrale portefeuille beheerbaar en lossen de problemen op termijn zichzelf op. Wat nu als een zwaard van Damocles boven ons hoofd hangt, is de beslissing van de Europese Commissie over de staatswaarborg. Voorlopig worden we ingedekt door die overheidsgarantie, maar als de Commissie daar een stokje voor steekt, zit Dexia NV echt diep in de shit, want dan dreigt het faillissement.”

Zorgt die onzekerheid voor paniek op de werkvloer? Frank: “De paniek is aan het wegebben; bij veel mensen is er apathie in de plaats gekomen. Ze hebben voor zichzelf uitgemaakt dat ze zullen vertrekken. Slechts een heel kleine groep ziet het hier nog zitten. Dat zijn dan vooral mensen van Risk and Finance die kicken op het beheer van ingewikkelde financiële producten.”

Johan: “Het is niet bevorderlijk voor de groepsgeest als je voortdurend afscheid moet nemen van collega’s die naar elders verkassen. Sommige verdiepingen staan voor de helft leeg. Af en toe vertrekken mensen die beter even gebleven waren om ingewikkelde dossiers af te handelen. Je kan het hen natuurlijk niet kwalijk nemen dat ze in deze moeilijke omstandigheden eieren voor hun geld kiezen. Het is niet ondenkbaar dat er teveel specialisten vertrekken waardoor Dexia nieuwe mensen zal moeten zoeken. Nu is dat nog niet zo en wordt er ook niemand extra aangeworven. Ik zou gechoqueerd zijn als dat toch zou gebeuren. Maar ik kan me wel voorstellen dat binnenkort uitzendkrachten aangeworven worden. Door de leegloop raken sommige secretariaten onbemand, waardoor het gewone dagelijkse werk in het gedrang komt.”

Frank: “De voorbije maanden gingen de gesprekken in de koffiekamer uitsluitend over de hopeloze toestand; nu wordt er terug over koetjes en kalfjes gesproken. De situatie is zoals hij is: we moeten hier weg en we hebben ons daarbij neergelegd.”

 

Dexiawerknemers Johan en Frank hebben op eigen verzoek schuilnamen.

 

© Jan Stevens

P2P

Zowel paus Benedictus XVI als de Occupy-beweging zijn fan van de Belgische cyberfilosoof Michel Bauwens en zijn ideeën voor een open source-economie zonder auteursrecht en patenten. “Ofwel kiezen we er nu zelf bewust voor, ofwel wachten we tot we geen andere keuze meer hebben en het water ons aan de lippen staat.”

In mei 2008 werd de in Thailand wonende Belg Michel Bauwens door het Vaticaan uitgenodigd om voor de paus en zijn confraters een uiteenzetting te geven over Bauwens’ stokpaardje: ‘peer-to-peer’. Eind vorig jaar gaf Bauwens bij de Occupy-beweging in New York en Londen fel bejubelde lezingen over hetzelfde onderwerp. Zowel het Vaticaan als Occupy zien brood in zijn gloedvolle pleidooi voor een open source-economie, waarin ons kapitalistische systeem gecorrigeerd wordt door peer-to-peernetwerken, gedecentraliseerde netwerken waarin gelijkgezinde individuen aan collectieve projecten werken. De mosterd voor zijn open source-gemeenschapsmodel haalt Bauwens bij het internet. Dat is niet zo verwonderlijk, want in de vroege jaren negentig werkte hij bij British Petroleum als ‘cybrarian’ aan een van de eerste virtuele informatiecentra op het wereldwijde web. Later was hij als internetondernemer actief en stampte hij twee dotcombedrijven uit de grond die hij met succes doorverkocht. Hij was hoofdredacteur van het allereerste Europese cybertijdschrift Wave en strategisch manager e-business voor Belgacom. Vandaag leidt hij vanuit zijn Thaise thuisstad Chiang Mai de Foundation for Peer-to-Peer Alternatives en de Commons Strategies Group. Een van zijn grote voorbeelden is de Amerikaanse politicologe Elinor Ostrom die in 2009 de Nobelprijs economie won met haar onderzoek naar het beheer van duurzame, collectieve goederen. Zij bestudeerde hoe gemeenschappen samenwerken om collectieve goederen als bossen of visgronden te beheren en toonde aan dat mensen niet vanuit hebzucht handelen, maar meestal voor het collectief belang kiezen.

Bij peer-to-peer denk ik spontaan aan Napster, het softwareprogramma dat eind jaren negentig aan de basis lag van het illegaal downloaden en de muziekindustrie voorgoed veranderde.

Michel Bauwens: “Napster heeft met zijn file sharing programma het begrip ‘peer-to-peer’ bekend gemaakt bij het grote publiek. De basisidee van peer-to-peer is dat het internet een netwerk is van computers die met elkaar kunnen communiceren zonder dat ze daarvoor toestemming moeten vragen aan een centrale server. Napster paste dat principe toe op muziek; ik geef er een sociale invulling aan. Alle computers overal ter wereld zijn met elkaar verbonden, waardoor mensen direct met elkaar in contact kunnen komen om samen dingen te ondernemen. Vóór het internet was dat alleen maar mogelijk op kleine schaal met mensen die je fysiek kende. Nu kun je vanuit je huiskamer wereldwijd met wildvreemden projecten opzetten. Heb je al gehoord van de Wikispeed? Dat is een energiezuinige auto die via virtuele samenwerking op het internet op drie maanden tijd ontwikkeld werd. Je kan hem nu online bestellen; hij is getest op veiligheid en kreeg vijf sterren. De productie van de Wikispeed is het resultaat van peer-to-peer. Zoiets kan alleen maar lukken als mensen op een totaal andere manier over eigendom gaan nadenken. Want waarom zou jij gratis meewerken aan de ontwikkeling van de Wikispeed als achteraf iemand het eigendomsrecht claimt en de auto privatiseert? De belangrijkste voorwaarde bij peer-to-peer is dat het object of het project waaraan verschillende mensen samen werken, in de gemeenschappelijke pot blijft. Zo kan iedereen bijdragen aan de ontwikkeling van het project en kunnen de deelnemers er met hun eigen bedrijfjes zelf ook nog eens geld aan verdienen. Een van de mooiste voorbeelden is de open source besturingssoftware Linux. Computergigant IBM gebruikt Linux voor zijn interne infrastructuur maar draagt ook zelf bij tot de verdere ontwikkeling van de software. IBM zal Linux nooit privatiseren, omdat ze zelf geld blijven verdienen door hun afgeleide producten en consulting- en trainingprogramma’s.”

Bij peer-to-peer werken bedrijven of mensen gratis samen aan één groot project en verdienen ze geld door de innovatieve producten die ze van dat project afleiden?

“Ja, al hoeft niet alle werk aan het basisproject gratis te zijn. Zo kan een informaticus wel betaald worden om een stukje software voor Linux te schrijven, alleen zal dat stukje software later voor iedereen beschikbaar blijven. Bedrijven werken in co-opetetion, cooperative competition, omdat ze zo dubbel werk vermijden. Ondernemingen die participeren aan een gemeenschappelijke doel, genieten automatisch van alle vooruitgang die hun partners ook maken.”

Apple voert een nietsontziende patentenoorlog met de open sourcesoftware Android van Google. In een open source-economie is zo’n patentenstrijd ondenkbaar?

“Intellectuele eigendom houdt innovatie tegen: hoe meer patenten er zijn, hoe trager de vernieuwing verloopt. Mastodontondernemingen gebruiken ze als wapen om kleine bedrijven buitenspel te zetten. Wat niet wil zeggen dat patenten totaal overbodig zijn, maar de laatste jaren is de hele politiek rond auteursrecht ontspoord. In het Verenigd Koninkrijk wou men het copyright opvoeren tot 99 jaar na de publicatie van een geschreven werk. Dat is natuurlijk absurd, want zo krijgt een bedrijf als Walt Disney voor 99 jaar een monopolie op verhalen die het van de gebroeders Grimm gestolen heeft.”

“Een traditioneel bedrijf als Microsoft bezit een intellectueel monopolie, maakt daardoor superwinsten en weert andere spelers uit de sector. Het gevolg is dat alle innovatie verdwijnt. Dat merk je nu ook heel goed in de farmaceutische wereld: het klein beetje innovatie dat daar nog rest, gaat naar de bestrijding van ziektes voor de superrijken. Bij peer-to-peer en open source draait alles rond gemeenschappelijke innovatie die voor iedereen beschikbaar is en waar talloos veel bedrijven uit kunnen putten en groeien. In Europa is alle geografische informatie in handen van een paar geselecteerde grote ondernemingen die krampachtig hun intellectuele eigendom bewaken; in Amerika is er een open geografische informatiedatabank waar onder andere Google gebruik van maakt. Uit die vrij toegankelijke geografische dienst is een enorme industrie gegroeid die uitsluitend toegevoegde waarde creëert.”

Hoe schakel je in een open source-economie de menselijke karaktertrek hebzucht uit?

“Dat hoeft niet, want bij peer-to-peer en open source ontwikkel je een sociaal systeem waarin de individuele motivatie afgestemd wordt op het collectieve belang. Er zijn 101 redenen te verzinnen waarom jij onbezoldigd gaat meeschrijven aan Wikipedia. Misschien wil je je eigen kennis verruimen, je eigen reputatie of die van anderen opbouwen of beschermen of wie weet, misschien zijn je motieven zelfs hebzuchtig van aard en wil je er op een of andere manier later ooit munt uit slaan. De ware reden waarom IBM meewerkt aan Linux is dat ze geld willen besparen en verdienen. In een open source economie wordt hebzucht dus niet uitgeschakeld, maar wel ingekapseld.”

“Het grote verschil tussen peer-to-peer en open source en de traditionele economie, is dat in de nieuwe systemen de controle altijd achteraf gebeurt. In een traditioneel mediabedrijf moet je als journalist eerst de toestemming van de hoofdredacteur krijgen om mee te werken. Bij Wikipedia of bij open software controleren de door de gemeenschap aanvaarde admins, editors of maintainers het werk achteraf. Iedereen heeft het het recht om mee te doen; de kwaliteitscontrole komt later. Het gevolg is dat veel meer mensen bijdragen kunnen leveren, waardoor de kans toeneemt dat er iets waardevols overblijft.”

Zal de open source-economie vanzelf verder groeien of heeft ze een revolutie nodig?

“In de VS vertegenwoordigt de open source-economie nu al een zesde van het BNP. Het grootste deel van de Chinese economie is open source: westerse bedrijven die in China willen investeren, zijn verplicht om hun industriële informatie te delen met de Chinezen. China hanteert voor buitenlandse investeerders een onversneden open sourcestrategie die het land geen windeieren legt. De open source-economie is geen vervanger van het kapitalisme, maar een duurzame variant die gemeenschappen meer autonomie geeft.”

“In een open source-economie wordt er niet alleen op een andere manier geproduceerd, maar ook geconsumeerd. De Amerikaanse auteur Rachel Botsman introduceerde in 2010 met haar boek What’s mine is yours het principe van ‘collaborative consumption’. Volgens haar zitten we middenin een revolutie waarin bewuste mensen de ik-cultuur van overconsumptie omkeren naar een wij-cultuur waar persoonlijk bezit in dienst staat van het collectief. Na de crisis van 2008 zijn gemeenschappen in sommige wijken spontaan huishoudelijke apparaten gaan delen met elkaar. Heb jij thuis een elektrische boormachine? Volgens een studie zal je dat ding in je hele leven niet meer dan dertien minuten gebruiken. Dat is dus een enorme verspilling, tenzij je die machine ook met anderen gaat delen. Collaborative consumption is geniaal in zijn eenvoud: mensen uit een wijk bouwen samen een website waarop ze invullen wat voor toestellen ze allemaal bezitten. Jij hebt een boormachine, ik heb een grasmaaier en de overbuur heeft een hakselaar. Jij hoeft geen grasmaaier meer te kopen, want je gebruikt gewoon de mijne. Hoe groter de crisis wordt, hoe meer dit soort van collectieve systemen zal ontstaan.”

Dankzij de crisis ziet de toekomst er rooskleurig uit?

“Er zijn twee toekomstscenario’s mogelijk: in het bestcasescenario zien progressieve politici het nut van peer-to-peer en open source in en gaan ze die ook stimuleren. In het worstcasescenario gebeurt er in eerste instantie niets en nemen de energie-, klimaat-, water- en voedselproblemen alleen maar toe. Maar hoe groter die economische en sociale problemen worden, hoe meer nood er zal zijn aan een verschuiving naar peer-to-peer. Mensen die minder verdienen, zullen zelf op zoek gaan naar manieren om hun levensstandaard te beschermen. Bijna automatisch komen ze dan uit bij samenwerken, bij samen dingen ondernemen, want dat is goedkoper en efficiënter. We zullen gewoon niet anders kunnen dan ons kapitalistisch systeem navigeren in de richting van een open source-economie. Ofwel nemen we nu zelf het heft in handen, ofwel wachten we tot het water ons aan de lippen staat.”

© Jan Stevens