Het vonnis

BR-#14086743-v1-VONNIS_REA_Brussel_dd_09_02_2018_-_AR_15_4254_A

Advertenties

Jean-Luc Dehaene (1940-2014) –  ‘Zonder een hiernamaals is mijn leven zinloos’

(Vilvoorde – winter, 2002) Ooit was Minister van Staat Jean-Luc Dehaene (CD&V) de ‘machtigste man’ van het land, later werd hij de ‘machtigste man’ van Vilvoorde. Hij vindt het laatste minstens even belangrijk als het eerste, want volgens hem hebben nationale politici in het verleden de plaatselijke politiek te veel veronachtzaamd. “Het samenleven tussen mensen begint in de gemeente- en in de stadspolitiek”, stelt hij. “Als we die verwaarlozen, blijft de Vlaamse, Belgische, Europese of werelddimensie inhoudsloos.”

 

DRUGS

Is het verkeerd om drugs te gebruiken?

“Drugsgebruik is van alle tijden en culturen, maar de weg naar verslaving is vaak heel kort. Een maatschappelijke ordening dringt zich bijgevolg op. Ik ben voorstander van een nultolerantie. Het is niet omdat het gebruik van cannabis wijdverspreid is, dat je het moet toelaten. Want dan kom je op een hellend vlak. Geen enkele wettelijk uitgezette lijn kan problematisch drugsgebruik onder controle houden. Wie de smaak te pakken heeft, verlangt naar meer.

Ik heb nog nooit met geestesverruimende middelen geëxperimenteerd. Af en toe drink ik iets alcoholisch, en ik heb sigaretten gerookt tot mijn achttiende. Maar ik ben ermee gestopt omdat ik het toen al te duur vond.”

 

ECOLOGIE

Is het juist om bossen te kappen als dit de welvaart van zowel de armen als de rijken vergroot?

“Wij, westerlingen, moeten durven erkennen dat we het belang van een goed ecologisch beleid pas erg laat ingezien hebben. We hebben in het verleden teveel waardevolle bossen gekapt en kaalslag gepleegd. We zijn er ons bewust van geworden dat dat een vergissing was. Nu bekritiseren we ontwikkelingslanden die dezelfde fout maken om het materiële niveau van hun arme bevolking op te krikken. Maar we vergeten hen de middelen aan te reiken om het anders te doen. Zolang we niet bereid zijn tot echte solidariteit en tot de creatie van een duurzame wereldeconomie, kan ik begrip opbrengen voor de korte-termijn-redenering van de landen van de derde wereld. Want uiteindelijk handelen ze zoals wij dat in de achttiende, negentiende en twintigste eeuw deden.

Naarmate de ontwikkelingslanden evolueren, zullen ze wellicht de duurzaamheidsfactor meer en meer gaan inbouwen. Industriële ontwikkeling vormt de beste garantie om kinderarbeid en sociale uitbuiting de wereld uit te helpen. Want na verloop van tijd zullen de mensen terecht herverdeling van de opbrengst eisen.

Wij hier in het rijke westen zijn vooralsnog niet bereid om ook onze bijdrage te leveren aan de globale duurzame ontwikkeling. We weten heel goed dat onze manier van ongebreideld autorijden nefast is voor het leefmilieu. Soms lijken we op een dokter die met een sigaret tussen de lippen zijn patiënt wijst op de gevaren van het roken.”

 

GENETICA

Is het juist om de genen van een ongeboren kind te manipuleren?

“Als een wetenschapper vóór de geboorte van een kind dankzij een genetische behandeling bepaalde ziektes kan helpen voorkomen, ben je spontaan geneigd om te zeggen: ‘Why not?’ Maar als diezelfde wetenschapper door middel van genetische manipulatie het geslacht van het kind kan bepalen, vraag je je af: ‘Waar zijn we in godsnaam mee bezig?’ De grens vastleggen van wat kan en niet kan, wordt in de toekomst een enorm moeilijk ethisch probleem. De mogelijkheden van de informaticatechnologie zal die kwestie nog ingewikkelder maken. In zijn boek Het tijdperk van de levende computers beschrijft informaticawetenschapper Ray Kurzweil hoe computerprothesen blinden kunnen helpen om te zien en doven om te horen. Zelfs bepaalde onderdelen van de hersenen kunnen vervangen worden door chips. Hij voorspelt dat het ooit mogelijk zal zijn om het menselijke brein te downloaden. In heel die evolutie kun je je terecht afvragen waar de mens eindigt en waar de machine begint.

Of we ons in het debat rond genetische manipulatie moeten laten leiden door ‘het gezond verstand’? ‘Gezond verstand’ is een rekbaar begrip. Wat wij nu ‘gezond verstand’ noemen, was vroeger ketters. Denk maar aan de discussie die een paar eeuwen geleden gevoerd werd rond de vraag of de aarde rond de zon draaide of omgekeerd. En als ik zie hoe in mijn jeugd over contraceptie gesproken werd en hoe er nu mee omgesprongen wordt, kan ik niet anders dan concluderen dat ‘gezond verstand’ iets is dat met de jaren mee evolueert.”

 

HIERNAMAALS

Zou het wenselijk zijn om eeuwig te leven?

“Het leven hier is voor mij onleefbaar zonder uitzicht op een bestaan na de dood. Dat ‘eeuwig leven’ zal niet hetzelfde zijn als het leven dat ik nu leid. De gemeenschapsdimensie zal daar nog belangrijker zijn dan hier op aarde. Eén van de grote kwalen van deze tijd is dat we het samenleven ondermijnen door een radicaal individualisme. Dat is gedoemd om te eindigen in een atomisering van de maatschappij. Die evolutie is compleet tegengesteld aan mijn visie. We moeten streven naar wat de kerk ‘de gemeenschap van heiligen’ noemt: een samenleving waar het gemeenschappelijke de dominerende factor is.

Zonder een hiernamaals is mijn bestaan zinloos. De kerk wou per se een voorstelling geven van dat leven na de dood. Misschien had ze goede pedagogische redenen om dat te doen, maar als we in het paradijs inderdaad rijstpap met gouden lepels voorgeschoteld krijgen, mogen ze het houden. Ik lust geen rijstpap. Voor mij lijkt het hiernamaals meer op een abstract schilderij dat harmonie en rust uitstraalt.

Vroeger beweerde de kerk vanuit ideologische overwegingen dat wie op aarde arm was, beloond zou worden in het hiernamaals. Wie materiële welstand nastreefde, bereidde zich voor op hel en verdoemenis. Ondertussen leefden de clerus en de prelaten duidelijk vanuit een ander perspectief. Calvijn propageerde het tegengestelde: een mens kon zijn hemel verdienen door in zijn aardse leven zoveel mogelijk rijkdom te vergaren. Op een bepaald ogenblik in de geschiedenis hebben we al onze calvinisten naar Nederland gestuurd. Dat verklaart voor een groot stuk het verschil in economische motivering tussen Nederland en Vlaanderen. Wij zijn blijven steken in een bourgondisch katholicisme.”

 

OMGEVING

Zijn wij het product van onze omgeving?

“Je kunt jezelf emanciperen en voor een deel afstand nemen van je omgeving, maar je kan nooit ontkennen dat je omgeving je mee heeft helpen boetseren. Ook je genetisch materiaal kun je niet wegcijferen, wat niet wil zeggen dat al je handelingen door je genen gedicteerd worden. Kinderen uit een arm arbeidersgezin krijgen sowieso minder kansen dan kinderen uit een welgesteld gezin. Dat heeft niets met genen te maken, maar alles met de sociale en maatschappelijke context waarin ze opgroeien. Het beleid moet die ongelijkheid helpen wegwerken.

De migranten ervaren die sociale ongelijkheid in het kwadraat. Omdat ze de taal niet kennen, lopen ze van in het begin een achterstand op. Daarbij komt dat ze uit een andere culturele omgeving komen en op een bijna schizofrene wijze in twee culturen moeten leven. Door de opeenvolging van generaties zal die handicap ooit weggewerkt worden. Kijk maar naar de afstammelingen van de Italiaanse of Spaanse immigranten van na de oorlog: zij zijn quasi volledig geïntegreerd. Als alle Vlamingen hun roots zouden nagaan, zouden ze waarschijnlijk tot de conclusie moeten komen dat ze allemaal migranten zijn. Het tegendeel zou me verbazen, want dit land heeft de ene na de andere bezetting meegemaakt.

Ik denk dat er een aantal democratische argumenten voorhanden zijn om migranten die hier een aantal jaren verblijven, gemeentelijk stemrecht toe te kennen. Hen daarvan uitsluiten is niet meer van deze tijd. Maar ik geloof niet dat het een mirakeloplossing is die hun integratie kan helpen realiseren. Net zomin als dat je door de burgemeester rechtstreeks te verkiezen de burger dichter bij de politiek zal brengen. Laat me niet lachen. Dat zijn mechanistische benaderingen van de besluitvorming, terwijl de echte problematiek veel dieper zit.”

 

RELIGIE

Hoe weten wij of er een God bestaat?

“Geloof is altijd een sprong in het onbekende, het is een risico, een avontuur. Leven met absolute zekerheden bestaat niet. Het hoofdstuk van de godsdienstles waarin de leraar trachtte te bewijzen dat God bestaat, was aan mij niet besteed.

Je kunt God op het spoor komen in de harmonie die je in de natuur of de kunst ervaart. Maar ook daar is schoonheid een relatief begrip. Een fotograaf kan de prachtigste foto maken van het lelijkste ding.

Ik geloof niet in een God die ingrijpt in het leven van mensen. Vroeger zagen theologen de relatie tussen de mens en God als een verticale, rechtstreekse lijn waarbij God aan al de draadjes trok. Mijn godsbeleving gaat daar lijnrecht tegenin. Ik geloof in de godsgemeenschap.

Iedereen beleeft zijn eigen levensbeschouwing. We leren het samenleven met anderen af. Individualisme, egoïsme en racisme voeren de boventoon. Mensen leven naast elkaar in plaats van met elkaar. Samenleven is essentieel aan het mens-zijn; het overstijgt de fysieke mens. We hebben nood aan gemeenschapsvormende initiatieven, aan een religieuze dimensie die vanuit het geloof in God het belang van de andere benadrukt en daardoor een stuwende factor is in het samenleven met anderen. De christelijke waarden kunnen een belangrijke bijdrage leveren om het evenwicht in de maatschappij te herstellen. Een politieke partij is slechts zinvol als ze dat evenwicht in de samenleving helpt opbouwen. Heel wat mensen beschouwen de politiek als ‘een derde’ die de problemen voor hen zal oplossen. Politiek speelt een belangrijke rol in de samenlevingsopbouw, maar politici moeten het afleren om te doen alsof ze in een vacuüm werken dat volledig buiten het terrein van de burgers ligt.

Sommige politici beschouwen het referendum als summum van democratie. Zij gaan ervan uit dat er individuele lijnen lopen tussen de burger en de politicus als medeverantwoordelijke in de organisatie van de maatschappij. Ik ben geneigd om te zeggen dat dan de volgende stap die is van de dictatuur, want niets is zo manipuleerbaar als de massa. De illusie creëren dat de massa individuele banden heeft met het beleid, is de negatie van het begrip ‘gemeenschap’.”

 

WERK

Ben je per definitie deugdzaam als je druk bezig bent?

“Toen ik jong was, werd me voorgehouden dat ledigheid het oorkussen des duivels was. Als ik vandaag de theorieën over onthaasting hoor en als ik zie hoe jongeren met tijd en werk omgaan, kan ik niet anders dan concluderen dat ze meer evenwicht in hun leven proberen in te bouwen dan wij ooit gedaan hebben. De mensen van mijn generatie hebben werken en presteren eendimensionaal verheerlijkt en de kwaliteit van het leven uit het oog verloren.

Ik heb er geen enkel probleem mee om af en toe in ‘lethargie’ te verzinken. Leegheid in jezelf is vaak de bron van heel wat creativiteit.”

 

 

©Jan Stevens (Uit: Het filosofisch woordenboek)

Jan Hoet (1936-2014)

Gent, februari 2012 – Jan Hoet is halverwege de zeventig en moet drie keer per week aan de nierdialyse. Toch is zijn agenda volgeboekt en zit hij volop in de voorbereiding van twee grote tentoonstellingen: Sint-Jan in de Gentse Sint-Baafskathedraal en de biënnale van het Chinese Yinchuan. “Pensioen staat niet in mijn woordenboek. Er is nog veel te veel goesting.”

 

“Ik ben hondsmoe”, zucht Jan Hoet, terwijl hij zich voorzichtig in zijn oude bureaustoel laat zakken. 76 is hij nu, maar hij werkt nog steeds te hard. “Ik zou al tien jaar op pensioen kunnen zijn, maar daar heb ik geen zin in. Mijn werk is mijn hobby; dat is altijd zo geweest.”

Dus zitten de dagen van de stichter en voormalige conservator van het Gentse Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (SMAK) zoals vanouds van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat dicht geplamuurd met kunst. “Ik zetel in jury’s, word gevraagd voor debatten en vernissages en krijg ook heel wat aanbiedingen om zelf tentoonstellingen te maken. Ik kreeg pas nog de vraag of ik volgend jaar curator van een expositie in Singapore wil worden, maar dat kan er echt niet meer bij. Ik heb me nu al geëngageerd voor dertien tentoonstellingen en ik wil niet dat de ene opdracht de andere overschaduwt.”

Vandaag werkt Jan Hoet tegelijkertijd aan drie tentoonstellingen. “Ik ben volop bezig met een expositie van de Gentse kunstenaar Jan Van Imschoot in een galerie in München, met de grote tentoonstelling rond spiritualiteit Sint-Jan die in de lente en de zomer in de Sint-Baafskathedraal te zien zal zijn en met de biënnale in oktober in het Chinese Yinchuan. Zo’n kleinere expositie in een galerie kost minder inspanningen dan een grote museumtentoonstelling; die kan ik er dus altijd wel bijnemen. Sint-Jan is een iets grotere opdracht. (lacht) Daar komt bij dat de expositie eigenlijk niets mag kosten. Dat is niet vanzelfsprekend, maar het is wel een bewuste keuze én een reactie op het feit dat subsidies de dag van vandaag in de kunstwereld schering en inslag zijn.”

 

Het evangelie van Sint-Jan

Toeval of niet, op 12 mei, de dag dat Sint-Jan zijn deuren opent, start ook de grote gesubsidieerde stadstentoonstelling TRACK van Hoets geesteskind SMAK. “Voor Sint-Jan vraag ik geen eurocent subsidie aan”, zegt hij. “Twintig jaar lang, van 1975 tot 1995, kreeg ik geen frank van de staat; ik werkte uitsluitend met het budget van de stad Gent. Tegenwoordig komt geen enkel stedelijk museum toe met zijn stadsbudget. Ze laten zich allemaal subsidiëren door de staat.”

Is het toch niet frustrerend om met een klein budget zo’n grote tentoonstelling op poten te zetten? Jan Hoet: “Helemaal niet. Ik ben heel benieuwd welke kunstenaars bereid zullen zijn hun werk gratis naar Sint-Baafs te laten transporteren en of we een verzekeringsmaatschappij zullen vinden die de polissen wil sponsoren en een uitgever die de drukkosten voor de catalogus wil dragen. We hebben voor Sint-Jan geen subsidieaanvraag ingediend omdat het budget toch al opgesoupeerd is door al die musea met hun grote tentoonstellingen. Sint-Jan moest er gewoon komen, als tegenwicht tegen het functionele dat het spirituele in de wereld langzaam maar zeker verdringt. Wie nood heeft aan het spirituele kan altijd terugvallen op de basiswaarden van de Kerk, of op het evangelie van Sint-Jan. (lacht) Mijn tentoonstelling in Sint-Baafs mag je gerust beschouwen als een spiritueel manifest.”

Zullen gelovige kerkgangers niet gechoqueerd zijn als ze oog in oog staan met sommige provocerende werken van hedendaagse kunstenaars? “De bisschop en de rector van Sint-Baafs hebben me carte blanche gegeven. Ze weten dat de 45 deelnemende kunstenaars geen blasfemische kunst zullen tentoonstellen, al blijft het natuurlijk mogelijk dat sommige bezoekers het met sommige werken lastig zullen hebben. Dat risico bestaat bij hedendaagse kunst altijd. Toen de kathedraal in 2009 nieuwe designstoelen van Maarten Van Severen aankocht, klonk er oorverdovend protest. Het zijn nochtans mooie, eenvoudige stoelen die er perfect passen. Nu pas beginnen de mensen er aan te wennen.”

 

Passionele pioniers

Het lijkt wel alsof Jan Hoet in de nadagen van zijn carrière terugkeert naar het prille begin, naar 1975, toen hij met een beperkt budget en zonder overheidssubsidies een heus Museum voor Hedendaagse Kunst uit de grond probeerde te stampen. “Ik had als conservator één assistent, één secretaresse en een suppoost in dienst. Met zo’n kleine bezetting was het niet vanzelfsprekend om grote tentoonstellingen te bouwen, maar dankzij de hulp van heel wat enthousiaste vrijwilligers lukte ons dat wel. Je kunt je niet voorstellen wat ik toen allemaal bij het stadsbestuur heb moeten ondernemen om een extra werkkracht in een nepstatuut te mogen aanwerven. We zaten gehuisvest in de achterste zaal van het Museum voor Schone Kunsten waar de verwarming het putje winter liet afweten. Drie graden wees de thermometer aan. We hulden ons in extra sjaals en dikke truien, maar bleven bibberen van de kou. Ik heb toen hemel en aarde moeten bewegen om de stad ervan te overtuigen dat we recht hadden op een klein beetje comfort. Op een bepaald moment heb ik zelfs gedreigd: ‘Als de verwarming nu niet hersteld wordt, zet ik alle kunstwerken op straat. Het maakt toch geen verschil of ze binnen of buiten staan.’ De museumwereld werd toen niet erkend door de politiek. Wij voerden een echt gevecht tegen de overheid. Dat heeft veel te lang geduurd en ik heb nooit goed begrepen waarom onze bewindslui in die tijd niet op een pragmatische wijze met cultuur konden omgaan. Nu zitten we in een tegengestelde situatie: cultuur wordt door politici teveel gepamperd en is bijna een overheidsinstelling geworden.”

Is het culturele klimaat in Vlaanderen er dan niet op vooruit gegaan? Musea floreren toch als nooit tevoren? Jan Hoet: “Moderne kunst boomt, dat merk je aan de ongelooflijk hoge prijzen die werken halen in grote veilinghuizen zoals Sotheby’s of Christie’s. Maar wil dat zeggen dat het algemene klimaat nu verbeterd is? In mijn tijd bevond ik me in het gezelschap van andere passionele pioniers die vanuit hun gedrevenheid de hedendaagse kunst op de kaart wilden zetten. We hadden weinig geld, trokken onze plan, maar er werd wel in ons geloofd. We maakten deel uit van een klein wereldje, dat gestaag begon te groeien. Vandaag volgen aan de universiteit van Gent alleen al tweehonderd studenten hedendaagse kunst. Vroeger was ik zo goed als alleen.”

Die overvloed aan kunstprofessionals levert nu volgens Hoet louter verdraagzaamheid en braafheid op. “De overvloed aan ‘kunstkenners’ zorgt voor een niet zo gezonde vorm van tolerantie. In de tijd van Picasso verschenen er bijzonder kritische artikels over zijn werk. Een man als Roger Marijnissen schreef in de krant zeer ironische columns over kunst; Frans Boenders was dan weer een meester in de polemiek. Nu verschijnen in de media bijna alleen promo-artikelen. Niemand durft nog te zeggen dat de keizer geen kleren draagt. Kunst is de voorbije jaren te veel mainstream geworden, waardoor het wereldje in slaap gesukkeld is.”

Is het ook teveel big business geworden? “Zeker. Al blijft het voor veel kunstenaars ontzettend moeilijk om van hun kunst te leven.”

Alleen grote namen zoals Wim Delvoye en Jan Fabre verdienen met hun werk een goedbelegde boterham. “Ik heb er geen bezwaar tegen dat ze businessmen geworden zijn”, zegt Hoet. “Hun ondernemerschap gaat niet ten koste van de kwaliteit van hun werk. Rubens was in zijn tijd ook een ondernemer. Fabre heeft een atelier, runt een theater, stelt mensen tewerk die allemaal betaald moeten worden. Hoe meer hij verdient, hoe meer hij kan investeren. Veel mensen zien de kunstenaar nog steeds als een getormenteerde ziel, als een Vincent van Gogh, die op een zolderkamertje honger en kou zit te lijden. Jan Fabre past niet in ons clichébeeld en daar hebben we het moeilijk mee.”

 

Yinchuan

Naast de spirituele tentoonstelling in Sint-Baafs, is Jan Hoet ook druk bezig met de organisatie van de tweede biënnale van de Chinese miljoenenstad Yinchuan die in oktober van dit jaar zal plaatsvinden. “Eind vorig jaar was ik er twee weken”, zegt hij. “De sfeer in het huidige China is even explosief en fris als die in Europa in de jaren zestig. De hele reis was voortreffelijk geregeld: met een tolk, een uitstekend hotel en een volledig uitgewerkt nierdialyseprogramma. Ze hebben me als een koning ontvangen.”

Krijgt hij als curator de totale vrijheid? “Ja. Maar ik zal in Yinchuan geen politieke statements geven; ik wil er kunst brengen. Het is een internationale biënnale, dus naast een dertigtal Chinese kunstenaars zullen er ongeveer evenveel niet-Chinezen tentoonstellen: artiesten uit Korea, Noorwegen, België, de Verenigde Staten… De interesse van de Chinese autoriteiten in hedendaagse kunst dateert van begin jaren negentig, van vlak na de studentenopstand in 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede. De overheid zal natuurlijk nooit toegeven dat hun tolerantie voor moderne kunst een compensatie is voor de onderdrukking van die opstand, maar ik heb de indruk dat het wel een van hun motieven is.”

Kan kunst de wereld redden? “Daar geloof ik niet meer in. Ondanks alle schoonheid stroomt er evenveel bloed en blijven er evenveel smeerlappen rondlopen. Ik geloof wel dat kunst elke individuele kijker kan redden, zolang hij maar bereid is zich helemaal in het scheppingsverhaal van de kunstenaar te laten onderdompelen.”

 

 

De kunstenaars die het leven van Jan Hoet bepaalden

 

“Mijn leven is mee vorm gegeven door Marcel Broodthaers, Panamarenko, Joseph Beuys en kunstbewegingen uit de jaren zestig zoals het conceptualisme, het minimalisme en Arte Povera dat in ‘67 door mijn Italiaanse collega Germano Celant boven de doopvont gehouden werd. Ik was zelf al iets ouder in die tijd, maar ik voelde me ongelooflijk hard aangesproken door al die grootste vernieuwingen. Alles wat we nu in de hedendaagse kunst kennen, is daar een gevolg van. In de zestiger jaren waren er in Rome vijf kunstgalerieën; nu zijn er 300. En het aantal kunstenaars is evenredig geëxplodeerd. Ik vraag me af wie vandaag de autoriteit heeft om te bepalen wie of wat zal overleven.”

“Vroeger had ik die autoriteit, dat klopt. Maar ik was niet de enige en ik zat in een netwerk van gelijkgezinde curatoren zoals de Duitsers Kasper König en Johannes Cladder en de Nederlander Rudi Fuchs. Toen waren er nog stromingen, vandaag draait alles rond het individu. Ach, de geschiedenis zal alles uitklaren.”

 

© Jan Stevens

“Reclame lijkt te vaak op journalistiek zonder verhaal”

Robert Senior, grote baas van Saatchi & Saatchi, windt er geen doekjes om: bij het bekendste reclamebureau ter wereld gaat het eerst en vooral over de verkoop van een product. “Wij doen niet aan ‘art for art’s sake’. Alles is hier strictly business. De ideeën die wij onze klanten verkopen, moeten hun merken opbouwen.”

 

Nergens is het zo gezellig wachten als in de als koffiehuis ingerichte lobby van het hoofdkwartier van Saatchi & Saatchi in het centrum van Londen. Er hangt een heerlijke ochtendlijke geur van espresso en ovenverse croissants, en op de grote stamtafel liggen de kranten van de dag uitnodigend te wachten. Helaas, er is geen tijd om uitgebreid te ontbijten in de inkomhal van ‘s werelds beroemdste reclamebureau, want Robert Senior, ceo voor Saatchi & Saatchi Europe Middle East and Africa en voorzitter van Saatchi & Saatchi Worldwide Creative Board, zit ons een paar verdiepingen hoger in zijn lichte en ruime kantoor op te wachten. Brede glimlach, stevige handdruk. “Take a seat”, meteen gevolgd door: “First question, please.” In de Lovemarks Company wordt geen onnodige tijd verspild.

 

Door de economische crisis en de oprukkende digitalisering staat de reclamewereld zwaar onder druk. Is er paniek?

Robert Senior: De advertentiewereld is niet in crisis; het zijn de mensen die er werken die in crisis zijn. Elke vijf jaar organiseert die advertentiewereld haar eigen crisis om er vervolgens vitaler uit tevoorschijn te komen. De mensen die in de reclame werken, zijn verward omdat hun cliënten dat ook zijn. Er heerst nu paniek in de vergaderzaal. De oudste en meest gerenommeerde Amerikaanse militaire academie West Point informeert het Witte Huis over de toestand in de wereld. Ze hebben een acroniem bedacht om de staat van de wereld te definiëren: VUCE, wat staat voor Volatile, Uncertain, Complex en Ambiguous.

 

Is dat niet altijd zo geweest?

Senior: Nog nooit zo erg als nu. Vroeger konden onderzoekers zoals die van West Point min of meer voorspellen waar en wanneer er ernstige onrust zou zijn. Maar sociale media hebben alles op losse schroeven gezet. Een fenomeen zoals de Arabische Lente zag niemand aankomen. De kaderleden en bestuurders in de vergaderzaal van een onderneming zijn bang voor de impact van wat er in de wereld gebeurt op hun toevoerlijnen, op de kostprijs van hun grondstoffen, op de kracht van hun verkooppunten. Ze maken zich zorgen over de politieke stabiliteit in die landen waar ze grondstoffen aankopen. Maar ze zijn ook onzeker over hun consumenten: ze vragen zich af hoe ze met hen nu op een zinnige, consistente manier moeten consumeren. Reclamejongens hebben dan weer een knieval gemaakt voor alles wat digitaal is, voor alles wat ‘sociaal’ is, maar ze zijn vergeten waar het écht om draait.

 

En dat is?

Senior: Vroeger hadden we een idee, en om dat idee uit te dragen, gingen we op zoek naar de meest geschikte mediaplatforms. Nu zijn de platforms het allerbelangrijkste geworden en zijn de ideeën bijzaak. Reclame lijkt tegenwoordig iets te vaak op journalistiek zonder verhaal. Het is alsof we een paar nieuwe woorden gevonden hebben die heel goed klinken, zonder dat we weten wat ze betekenen. Collega’s van ouder dan 38, hebben geen flauw idee waar die digitale wereld eigenlijk voor staat, want ze zijn er niet in opgegroeid. Maar zij runnen wel de show. Terwijl ze geen flauw benul hebben van wat ze ermee moeten aanvangen. Ik hoor marketeers zeggen: “De advertentiewereld is dood. Het is allemaal dood.” De jonge gasten kijken naar dat wereldje van ons, en denken: “Fuck, ik wil niet in de publiciteit gaan werken, wat een saaie bedoening.” Ik praat vaak voor universiteitsstudenten: ik doceer change management aan de London Business School en af en toe ben ik gastdocent aan de London School of Economics. Tijdens mijn lessen of lezingen verkondig ik altijd: “Er is nooit een betere tijd geweest om in de advertentiewereld te werken dan nu.” Want de platformen om ideeën te communiceren zijn minder duur, minder beperkend en meer gevarieerd dan ooit tevoren. En de bazen weten niet meer hoe het verder moet. Wie nu vers van school bij een reclamebedrijf begint, beleeft er de tijd van zijn leven.

 

Is het grote probleem niet dat er gewoon geen geld meer is?

Senior: Fuck, er is geld in overvloed. (grijnst) Hoeveel is er vandaag nodig om een merk om zeep te helpen? Een paar tweets, meer niet. Dat wil zeggen dat je met heel weinig geld ook een merk kan opbouwen. Het geld dat er vroeger was, werd niet altijd even verstandig gebruikt. “Ik ben een klein kereltje met een klein merk en ik zou zo graag op tv komen.” “Oké, betalen aan de kassa.” Zo werd een nichementaliteit gecreëerd. Als je als reclamemaker nu een film wil maken, heb je niet langer een megabudget nodig. Je kunt fantastische clips draaien met bijzonder weinig geld, en die vervolgens op het internet gooien.

 

Het klopt dus niet dat door de crisis bedrijven minder geld aan adverteren spenderen?

Senior: Okay, er is minder geld dan vroeger, dat zal ik niet ontkennen. Maar door de dalende rente is geld wel spotgoedkoop geworden. De budgetten zijn dan misschien wel verlaagd; voor reclamemakers zou dat juist een stimulans moeten zijn om hun verbeelding te gebruiken in hun zoektocht naar nieuwe ideeën. Het beste zou natuurlijk zijn als er terug meer geïnvesteerd zou worden, want onze winstmarges zijn herleid tot het naakte minimum. Het gaat er veel harder aan toe dan ooit tevoren en er is ook minder ruimte voor experiment. Iedereen moet voor alles wat hij onderneemt ook verantwoording afleggen, en als er iets misgaat, wordt dat je zwaar in rekening gebracht. Zo zit de business nu in elkaar. Ik kan dat ook begrijpen. Maar onze job is en blijft om de business van onze cliënten aan te drijven met de kracht van creativiteit.

 

Het Belgische reclamebureau Duval Guillaume doekte een paar jaar geleden haar publishingafdeling van de ene dag op de andere op. Is dat soort van drastische beslissingen in tijden van crisis verstandig?

Senior: Ja. Want ze plooiden zich zo terug op hun core business. In moeilijke economische omstandigheden moet je teruggrijpen naar waar je goed in bent. Je moet je dan afvragen: “Waarom ben ik ooit met dit bedrijf gestart? Waarin waren en zijn we het sterkste?” Tijdschriften voor bedrijven maken lijkt misschien op reclamemaken, maar in werkelijkheid is het een totaal andere activiteit. In tijden van hoogconjunctuur hebben reclamebureaus de neiging er de ene na de andere bezigheid bij te nemen. “Laten we muziekevenementen organiseren”, of: “Waarom zouden we geen zonnebrillen ontwerpen?” Dat kan allemaal heel tof zijn, en misschien werkt het ook wel een tijd. Maar als het water je aan de lippen staat, gooi je al die ballast weer overboord en plooi je je terug op je kernvaardigheden. Dat is pure Darwin. (lacht)

 

U hebt dat ook bij Saatchi & Saatchi gedaan?

Senior: Ja. Toen ik in 2007 ceo van Saatchi & Saatchi London werd, waren er ongeveer zes business units: de merkenafdeling, een consultancy-afdeling met een domme naam die ik me niet eens meer herinner, een afdeling die zich met muziek bezig hield en die Gum heette, design, digitaal en dan nog het agentschap. Ik wou dat allemaal terugvoeren tot de kernbezigheid: adverteren. Hoe je het ook draait of keert: Saatchi & Saatchi is het bekendste reclamebureau ter wereld. Zelfs mijn moeder kent het. Ze had nooit gehoord van Fallon, het reclamebedrijf dat ik ooit zelf uit de grond gestampt heb, maar Saatchi & Saatchi klonk haar wel bekend in de oren. Het bekendste reclamebureau ter wereld is het aan zichzelf verplicht om extreem goed te zijn in reclame. In 2007 waren we dat dus niet. Ik vroeg me af: “What the fuck zitten wij onze tijd te verknoeien aan al die andere bijkomstigheden? Zo versnipperen we onze aandacht, terwijl er maar één ding is waar we uitzonderlijk goed in zijn: ideeën.” Wij smokkelen een idee in de hoofden en harten van mensen waardoor ze anders over een merk gaan denken. Ik heb schoon schip gehouden waardoor we nu weer aan de top staan.

 

Die sanering moet geen pretje geweest zijn.

Senior: Het was afschuwelijk. Mijn eerste 18 maanden hier leken op een militair trainingskamp.

 

Is het sowieso geen verschrikking om voortdurend creatief te moeten zijn?

Senior: Ik ben niet creatief, kijk naar me. (lacht) Ik werk in een creatieve industrie en het is mijn job om ideeën commercieel waardevol te maken. Net als een huwelijksmakelaar probeer ik de ideeën van een creatieveling in dit huis te matchen aan de behoefte van een klant. Wij staan ten dienste van ondernemingen en wij doen niet aan ‘art for art’s sake’. Alles is hier strictly business. De ideeën die wij onze klanten verkopen, moeten hun merken helpen opbouwen. Onze voorstellen zijn zakelijk en draaien niet om beroemdheid of onderscheidingen. Het fijne is dat ideeën die echt merken helpen opbouwen, beroemdheid en onderscheidingen met zich meebrengen. Dat heb ik toch ondervonden. Ons doel is om het meest gedeelde advertentiewerk ter wereld af te leveren. Als mensen filmpjes delen, wil dat zeggen dat je ze met elkaar verbindt en dat je ze op een of andere manier raakt. Ze delen dingen die ze slim of fantastisch vinden. We gebruiken de ‘software van emoties’ om de ‘hardware van resultaten’ aan te drijven. Zo simpel is het. Grote beslissingen worden aangedreven door emotie en niet door logica. Het is ons doel om de merken en reputaties van onze klanten te bouwen door werk dat vanuit het hart komt. Daarom moeten onze mensen zich ook altijd met een merk kunnen vereenzelvigen en er in geloven. Onze medewerkers hebben altijd de mogelijkheid om niet aan een campagne mee te werken als ze ethische bezwaren hebben. Ikzelf zou nooit willen meewerken aan tabakscampagnes of aan een verkiezingscampagne voor de Conservatieven van David Cameron. Ik zal nooit campagne voeren voor om het even welke rechtse partij.

 

U hebt wel voor Labour gewerkt. Is het lastiger om voor een politicus of een politieke partij te werken dan voor een onderneming?

Senior: In principe is het hetzelfde, maar mijn eigen ervaring leerde me dat politiek veel lastiger was. Want het merk is de persoon.

 

En uw persoon was Gordon Brown?

Senior: Ja. Het verschil tussen een merk zoals dat van jouw opname-apparaat en Gordon Brown, is dat jouw apparaat geen bezwaren oppert als ik als reclamemaker iets voorstel. Als je merk een persoon is, wordt het soms heel persoonlijk. “Hey, Gordon, je ziet er niet al te fraai uit op tv. In plaats van 103 dingen te zeggen, moet je je misschien beperken tot drie. Misschien luistert er wel iemand die belang hecht aan wat je verkondigt.” Dat is heel persoonlijk en heel hard.

 

Komt verlies bij verkiezingen als een boemerang terug in het gezicht van degene die de campagne bedacht heeft?

Senior: Nee, want iemand moet winnen en iemand moet verliezen. Bill Bernbach was een van die iconische Amerikaanse reclamemensen van de 20e eeuw. Hij zei: “Niets valt dieper dan goede reclame voor een slecht product.”

 

Van een ezel maak je geen renpaard?

Senior: Precies. Ikzelf vond het een grote eer om voor een politieke partij als Labour te mogen werken. Ik vond het een groot voorrecht om naar Downing Street te kunnen wandelen om er met de eerste minister te praten over zijn strategie voor dit land. Alleen dat al was fantastisch.

 

U was Gordon Browns spindoctor?

Senior: Ik wou dat zijn, maar hij liet dat niet toe. Onze relatie was nogal gecompliceerd en dat was niet verstandig, want daar lag de kiem van zijn verlies. We hadden alles simpel moeten houden, met één spindoctor: ikzelf. Het is anders verlopen en dat vind ik nog altijd heel jammer.

 

© Jan Stevens

“Het verdriet over de oorlog in Afghanistan is er nog steeds”

Meer dan tien jaar geleden vluchtte Madina Hamidi samen met haar familie van ‘hel’ Afghanistan naar ‘hemel’ België. Al viel dat lelijk tegen. “De ellende haalde me in.” In 2010 werd ze Miss Diamant en vorig jaar vertegenwoordigde ze België op de Miss Earthverkiezing. “Elke dag belde ik huilend naar mijn vriend. Ik heb toen beloofd dat ik daar nooit meer aan meedoe.”

 

Het flatje van Madina Hamidi (alias Miss Diamant 2010, alias Miss Bikini 2011, alias Miss Earth Belgium 2012) in Kraainem oogt Spartaans. “Later dit jaar verhuizen ik en mijn vriend voorgoed naar Hollywood, dus doen we nu geen moeite om het hier gezellig in te richten”, zegt Madina bijna verontschuldigend. “Ik heb drie contracten voor grote Hollywoodfilms op zak. Ik zal er spelen naast sterren als Frances Fisher en John Voight.”

Hollywood is voor Madina Hamidi synoniem voor de hemel, haar indertijd door de taliban gedomineerde geboorteland Afghanistan voor de hel en België, het land dat haar als vluchteling opving, voor het vagevuur: een tussenstation op weg van hel naar hemel. Haar pas verschenen autobiografie titelde ze niet voor niets Van hel tot hemel. Daarin vertelt ze hoe ze in 1996 als negenjarig meisje na een langdurig verblijf in Moskou met haar gezin terug verhuist naar haar geboortestad Kaboel, waar de taliban een week na hun aankomst de macht verovert. “Vrouwen mochten niet meer naar school en moesten thuis blijven. Als ze toch naar buiten gingen, moesten ze een boerka dragen en vergezeld zijn van hun man, broer of vader.” Drie jaar later wordt Madina’s vader vermoord en wordt haar 13-jarige broer door de taliban meegenomen. In 2000 vlucht ze samen met haar moeder en de rest van het gezin. Mensensmokkelaars rijden hen de grens over, naar Rusland. Via Tsjechië komen ze in oktober 2001 in Brussel aan. Daar krijgen ze bijna meteen asiel. Negen jaar later wordt Madina Hamidi als eerste Belgische met allochtone roots onder auspiciën van de Antwerpse diamantsector gekroond tot ‘Miss Diamant’. Vorig jaar vertegenwoordigde ze België op de Miss Earthverkiezing in de Filippijnse hoofdstad Manilla. Haar ‘succesverhaal’ leverde haar eind 2012 een plaats op aan de tafel van Lieven Van Gils in Reyers laat en een aantal interviews en portretten in kranten en tijdschriften waarin gefocust werd op haar Afghaanse hel en haar Belgische hemel. Terwijl in werkelijkheid ook in België al die jaren de ellende gewoon doorging.

Madina werd in 1987 in de Afghaanse hoofdstad Kaboel geboren als dochter van een ingenieur en een secretaresse. Het waren de laatste jaren van de Sovjet-Russische bezetting en Madina’s vader Hamidullah onderhield nauwe contacten met de sovjets. Toen het Russische leger zich begin 1989 uit Afghanistan terugtrok, verhuisde vader Hamidi met zijn kroostrijke gezin naar Moskou. “Wij hebben daar zeven jaar gewoond”, zegt Madina. “Ik ging er naar de lagere school en we maakten reizen naar Polen, Oekraïne en Wit-Rusland. Onze grote pech was dat we terug naar Kaboel trokken vlak voor de taliban er de macht veroverden.”

 

Waarom keerden jullie op zo’n gevaarlijk moment terug naar Afghanistan?

Madina Hamidi: Onze ouders vertelden niet alles aan ons en ik was te jong om alles te begrijpen. De reden waarom we in 1996 van Moskou naar Afghanistan verhuisden, is lang een mysterie voor mij geweest. Een oom vertelde me later dat er een familiekwestie aan ten grondslag lag.

Papa werkte in Moskou als ingenieur voor een groot bedrijf. Hij was erg populair in Rusland. Ik heb foto’s van hem gezien in een Russische krant. Hij heeft aan grote, succesvolle projecten gewerkt, ook in Afghanistan. Zo heeft hij een koekjesfabriek helpen opbouwen die later gebombardeerd is.

 

In 1999 is uw vader door de taliban vermoord.

Hamidi: Ja, maar het heeft een tijd geduurd voor ik dat wist. ’s Ochtends vertrok hij naar zijn werk en we hebben hem nooit meer gezien. Na drie dagen bang afwachten, hoorde mijn moeder dat papa door de taliban vermoord was. Mama wou haar kinderen sparen en zei ons dat hij naar Moskou gereisd was voor het werk. Later, vlak voor onze vlucht, heeft ze ons de waarheid verteld. Tijd om te rouwen kregen we niet, want diezelfde nacht nog moesten we ons hebben en houden bijeen scharrelen en voerde onze oom ons met zijn auto naar de bergen. Later hebben mensensmokkelaars ons over de Afghaanse grens gebracht. Op die tocht hebben we verschrikkelijke ellende gezien. Het was pure horror. We wisten niet of we de volgende dag nog zouden leven. Na maandenlange miserie kwamen we dan in oktober 2001 eindelijk in het vrije Westerse België toe. Je zou denken dat ik vervolgens vrij snel supergelukkig zou worden. Wie hier werkt, heeft geld, en wie geld heeft, vindt het geluk. Ik heb de voorbije jaren keihard gewerkt, maar de problemen bleven.

 

U leed aan een vorm van posttraumatische stress?

Hamidi: Zoiets, ja. Ik voelde me gebroken vanbinnen. Ik durfde eerst op school en later op het werk niet met mensen om te gaan. De eerste maanden in België leefden we van het OCMW; we mochten niet werken. Ik schaamde me en die schaamte is lang gebleven. Ik loog tegen iedereen. Op school zei ik tegen medeleerlingen en leerkrachten dat ik in Rusland opgegroeid was en dat ik Afghanistan nooit gezien had. Niemand wist wat ik had meegemaakt. Ze zagen een vrolijk meisje met een brede glimlach. Ik speelde mijn rol heel goed. Diep vanbinnen schaamde ik me en had ik verdriet.

 

Waarover schaamde u zich?

Hamidi: Voor wat ik allemaal meegemaakt had. Ik dacht: ‘Hier zien de mensen geen doden op straat liggen.’ Ik had angst- en schaamtegevoelens tezelfdertijd. ‘s Nachts ween ik ook nu nog. Dat verdriet over de oorlog in Afghanistan is er nog steeds. En dan zat ik als tienermeisje hier op school en bleken de jongens me leuk te vinden. In Kaboel had ik nooit aan jongens gedacht: de taliban zorgden er wel voor dat we andere dingen aan ons hoofd hadden. Tijdens onze vlucht dacht ik ook niet aan jongens; ik dacht alleen aan overleven. Maar hier op school kreeg ik meteen tonnen aandacht van de jongens. Ik probeerde me daar niet teveel van aan te trekken tot ik op een bepaald moment gestalkt werd door een jongen van Tsjetsjeense origine. In Tsjetsjenië is het heel simpel: als een jongen een meisje leuk vindt, vraagt hij één keer of ze bevriend met hem wil worden. Als ze nee zegt, komt hij haar kidnappen, belt haar ouders en daarmee is de kous af en is het meisje zijn vrouw. Bij ons bestaat zoiets niet. Als een Afghaanse moeder of dochter nee zegt, is het nee. Op de middelbare school in Antwerpen leerde ik een paar vriendinnen kennen die Russisch spraken. Ik vond dat fantastisch, want ik beschouwde Russisch toen als mijn moedertaal. Ik had niet veel vrienden en was vooral met literatuur en muziek bezig. Ik raakte bevriend met die Tsjetsjeense meisjes en op een keer nodigden ze me uit bij hen thuis. Achteraf denk ik dat ze alles op voorhand gepland hadden om me aan hun broer te koppelen. Ik was naïef en ging bij hen op bezoek zonder dat mijn moeder het wist, want mama wou niet dat ik bij andere mensen over de vloer kwam. Ik ging toch, waarna die jongen me als zijn lief beschouwde. Ik had nog nooit een vriendje gehad en van het ene moment op het andere stond mijn telefoon roodgloeiend en werd ik door hem gestalkt. Ik had schrik voor de reactie van mijn moeder en durfde er met haar niet over te praten. Hij bedreigde me, tot hij op een dag ineens van de aardbodem verdween. Later hoorde ik dat hij een gewapende overval gepleegd had en naar Tsjetsjenië gedeporteerd was. Na die ‘affaire’ bloeide ik open: ik raakte gefascineerd door schoonheidsverzorging, studeerde voor visagiste en kwam zo in de wereld van de mode en showbizz terecht. Voor ik het goed en wel besefte, was ik zelf een model. (lacht) Maar mijn moeder vond het niet plezant dat ik in bikini poseerde. Dat kleine probleem groeide uit tot iets met enorme proporties,waardoor ik op een bepaald moment moest kiezen tussen mijn familie en mijn carrière. Het werd het laatste, maar het was een verscheurende keuze.

 

U leeft nog steeds in onmin met uw familie?

Hamidi: Om de zoveel maanden probeer ik nog eens naar mijn moeder te bellen. Maar mijn modellenwerk is niet de enige reden waarom ik geen contact meer met haar heb. In 2010 reisde ik terug naar Afghanistan om mijn project ‘Forgotten Beauty’ op te starten waarmee ik verminkte vrouwen wou helpen. Ik verbleef bij de oom in Kaboel die ons jaren eerder het land had helpen uitsmokkelen. Ik maakte kennis met zijn nieuwe buren waarmee hij heel goed bevriend geraakt was door wat ze samen in de oorlog hadden meegemaakt. Ze beschouwden elkaar als familie. Tijdens mijn verblijf werd de zoon van de buren, Samir, verliefd op me. Ik was niet in hem geïnteresseerd. Maar hij was wanhopig en probeerde op een dag zelfmoord te plegen door zijn polsen over te snijden.

 

Hij probeerde u emotioneel te chanteren?

Hamidi: Ik negeerde hem echt wel. Ik heb zelfs harde woorden gezegd die voor hem blijkbaar té hard waren. Ik begreep niet goed waarom iemand voor een meisje zelfmoord wou plegen. Samir vertelde me toen zijn levensverhaal, dat was echt schrijnend en hij zei me dat hij in mij iets zag dat andere meisjes misten. ‘Jij kan mij gelukkig maken’, zei hij. Ik was ongelooflijk naïef. Ik had medelijden met hem en maakte de gigantische vergissing om op zijn avances in te gaan. In Afghanistan bestaat niet zoiets als een vriend en een vriendin. Als je beslist om met iemand samen te zijn, moet je trouwen. Ik beging een verschrikkelijke flater door met die buurjongen te trouwen. In onze cultuur zit ingebakken dat je ‘veilig’ bent, eens je getrouwd bent.

 

Wat vond uw moeder van uw huwelijksplannen?

Hamidi: Ze was er radicaal tegen. Ik belde haar en ze zei glashard: ‘Nee.’ Er waren veel huwelijksaanzoeken uit Afghanistan en uit Europa, van mannen die geld hadden en gestudeerd hadden. Mijn familie heeft me nooit gesteund bij belangrijke beslissingen in mijn leven, zeker als het over modellenwerk ging. Ondertussen heb ik verschillende missverkiezingen gewonnen, maar mijn familie was daar altijd tegen. Ze vonden dat ik door in bikini rond te lopen nergens kon geraken. Uiteindelijk zei mama toen aan de telefoon: ‘Beslis zelf, je luistert toch niet naar me. Maar als je ooit in de problemen zit, moet je niet komen huilen.’

Na ons huwelijk behandelde Samir me als een prinses: hij wekte me elke ochtend met bloemen. De eerste week was ik in de wolken. Ik voelde me beschermd en dacht: ‘Eindelijk ben ik verlost van al die mannen die me lastig vallen.’ Als ik toen wat langer in Afghanistan was gebleven, had ik waarschijnlijk sneller doorgehad dat ons leven samen geen sprookje zou worden.

 

U keerde alleen terug naar België?

Hamidi: Ja. Ik was tijdelijk naar Kaboel gereisd om mijn project uit de grond te stampen en ik kwam als getrouwde vrouw terug naar België. Dat was niet echt voorzien. (lacht) Samir kon niet meekomen, want hij had geen Belgische papieren. Het heeft me bloed, zweet en tranen gekost om zijn paperassen in orde te krijgen. Ik woonde alleen, werkte overdag in een parfumwinkel, ’s avonds in een restaurant en daarnaast studeerde ik nog. Het was de hel. Na maanden zwoegen kon Samir overkomen in het kader van gezinshereniging. Ik keek er echt naar uit, geloofde dat we samen een prachtig leven gingen opbouwen. Mijn bloedeigen familie was ik sowieso kwijt. De dag dat ik Samir op de luchthaven in mijn armen sloot, was een van de gelukkigste van mijn leven. Ik was er rotsvast van overtuigd dat ik nooit meer alleen zou zijn.

 

Samir was nog nooit in het Westen geweest?

Hamidi: Nee, al kwam hij toch uit een vrij modern Afghaans gezin. Hij heeft familie in Duitsland wonen, en had wel enig idee hoe het leven in Europa is. Het grootste probleem was dat hij hier niet mocht werken. In Kaboel werkte hij van ’s ochtends tot ’s avonds als taekwondoleraar; hij runde er zijn eigen club. Hier zat hij continu thuis en was ik altijd buitenshuis aan het werk. Afghaanse mannen blijven niet thuis om het huishouden te doen, dan voelen ze zich slecht. Toen Samir naar België kwam, mocht hij niet eens naar school, want zijn papieren waren nog niet in orde. Hij moest lang wachten en dat stak hem serieus tegen. Hij begon te zeuren dat hij het hier maar niets vond en dat hij het echt niet langer aankon dat ik voortdurend weg was. Ik vertrok om zeven uur ’s morgens en kwam pas rond middernacht terug thuis. Hij sprak de taal niet en mijn familie wou niets van ons weten. Hij had het echt niet gemakkelijk. Hij bleef maar zagen en klagen en op een bepaald moment begon hij me te slaan. Hij mishandelde en verkrachtte me. Er was op dat moment voor mij no way back. Weg gaan was onmogelijk: als je bij ons trouwt, is het voor altijd. Ik durfde ook niet naar mijn moeder te stappen.

 

U had niemand anders bij wie u terecht kon of die u in vertrouwen kon nemen?

Hamidi: Ik schaamde me en wou niemand lastig vallen. (stilte) Toen mijn moeder me in de steek liet, heb ik zelfmoord proberen plegen. Ik heb in mijn polsen gesneden. (toont een groot litteken op haar linkerpols) Dat was net voor Miss Diamant.

 

Uiteindelijk bent u toch van uw man weg gegaan?

Hamidi: Ja. Hij is trouwens nog steeds in België. Maar daarvoor had ik hem gezegd dat ik terug met modellenwerk wou beginnen. Hij reageerde met klappen. ‘Nu je met mij getrouwd bent, wil ik niet dat jij op een podium staat terwijl andere mannen naar je kijken.’ Stiekem deed ik het toch. Het was niet gemakkelijk om al die kleren in mijn auto te smokkelen, maar ik had het nodig om even in die modewereld weg te vluchten. In het geheim nam ik deel aan modellenwedstrijden en ik had succes. Ik werd keer op keer geboekt en leerde zo mijn huidige vriend Abbas Shirafkan kennen. Hij is ook een politiek vluchteling; zijn vader was burgemeester van Teheran en stond op de dodenlijst van de Ayatollahs. Het klikte tussen ons. Abbas zit ook in de showbizz en weet perfect hoe het in ons wereldje reilt en zeilt. We werkten een paar keer samen en voelden ons aangetrokken tot elkaar. Maar ik was getrouwd en verzette me tegen een buitenechtelijke relatie. Op een bepaald moment besloot ik Abbas niet meer te zien. Alleen wist ik niet dat Samir intussen mijn e-mailaccount gehackt had en mijn gsm ’s nachts controleerde. Iedereen met wie ik in die periode contact had, heeft hij uitgescholden. Ik was al mijn vrienden kwijt. Abbas had me een mail gestuurd met lieve woorden en Samir had die gelezen. Toen ik die dag thuiskwam, stond hij daar met een mes. Hij vroeg: ‘Wie is Abbas? Denk je echt dat ik zo dom ben? Denk je echt dat ik niet weet dat jij hem elke dag belt?’ Hij sloeg me, martelde me, stak met het mes in mijn rug en sloot me op in de badkamer. Hij riep: ‘Je gaat hier niet meer buiten voordat ik onze tickets naar Afghanistan geboekt heb.’ Ik heb een hele tijd hard op de deur staan bonzen. De muren van de flat waren dun; de buren konden me horen. Hij opende de deur en sleurde me naar bed. Toen hij eindelijk in slaap viel, heb ik mijn autosleutels gezocht en ben ik gevlucht.

 

Bent u niet bang dat uw nieuwe droom Hollywood ook een hel zal worden?

Hamidi: Ik ben nu niet meer hetzelfde naïeve onschuldige meisje. Ik zal nooit meer de fouten maken die ik toen gemaakt heb. Ik heb ontzettend veel mensenkennis opgedaan in de modellenwereld en bij de missverkiezingen.

 

Lopen er in de modellenwereld en bij de missverkiezingen dan geen obsessieve heerschappen rond zoals uw ex-man?

Hamidi: Er lopen vooral fotografen en juryleden rond die willen profiteren. Veel meisjes durven niet vertellen wat er achter de schermen gebeurt. Ze hebben schrik van de organisatoren en van wat buitenstaanders over hen zullen denken.

 

Wat gebeurt er dan achter de schermen?

Hamidi: De sponsors brengen geld binnen en die willen daar iets voor in ruil. Toen ik uitverkoren werd om als Miss Earth Belgium 2012 deel te nemen aan de Miss Earthverkiezing in Manilla, geloofde ik dat pure schoonheid, talent, correctheid en enthousiasme, de sleutels waren om dat kroontje op de wereldfinale te behalen. Ik weet nu dat dat niet zo is. Het draait niet om wie de natuurlijkste schoonheid bezit en wie de meeste talenten heeft. Het draait om wie ‘het gemakkelijkste’ is, om wie zich als meisje ‘laat doen’.

 

Wat bedoelt u met ‘zich laten doen’?

Hamidi: Veel juryleden willen je dolgraag onder vier ogen spreken. Telkens wanneer ik even alleen was, kwam één van hen een gesprekje voeren. Dan zei die man in kwestie: ‘Jij bent zo mooi, voor mij ben jij degene die het echt verdient om te winnen. Iedereen is ervan overtuigd dat je veel kans maakt, maar je weet dat de missverkiezing een harde wereld is. Je moet er dan wel voor zorgen dat wij genoeg geld verdienen.’ Daarmee bedoelen ze dat je met hen samen naar ‘speciale plekken’ moet gaan, naar clubs waar zij geld kunnen verdienen. Gelukkig ben ik niet op mijn mondje gevallen en durfde ik nee zeggen. Ik droeg al de kroon van Miss Earth Belgium; die van Miss Earth kon me gestolen worden. Na mijn verkiezing tot Miss Bikini in 2011 had ik het allemaal door. Die fotografen komen naar je toe: ‘Jij bent zo mooi, zo fotogeniek. Ik wil een privéshoot met je.’ Ik heb dat nooit gedaan, maar ik ken meisjes die daar wel op zijn ingegaan. En ja, wat er dan allemaal achter de schermen gebeurt…

 

Ze willen die meisjes gewoon in hun bed.

Hamidi: Dat is zo. Na Miss Earth in de Filippijnen heb ik alles wat daar gebeurd is tegen de organisatie hier in België verteld. ‘Ik ging naar een missverkiezing; ik kom niet uit een bordeel.’ De organisatoren wilden me niet geloven: ‘Madina, je dramatiseert.’ Tijdens Miss Earth belde ik elke dag huilend naar mijn vriend. Ik heb hem toen beloofd dat ik daar nooit meer aan meedoe.

 

Madina Hamidi, Van hel tot hemel, Manteau, 256 blz., 19,95 euro

 

© Jan Stevens

The Whistleblower

Na de oorlog in ex-Joegoslavië vertrok mensenrechtenrapporteur Kathryn Bolkovac in opdracht van de VN naar de Bosnische hoofdstad Sarajevo. Snel ontdekte ze dat sommige internationale VN-militairen en -diplomaten nauwe banden met de lokale maffia onderhielden. “Ze waren blij met de hoertjes die speciaal voor hen geleverd werden.”

Op de avond van 9 oktober 2000 stuurde Kathryn Bolkovac van op haar kantoor in de Bosnische hoofdstad Sarajevo een mail naar haar bazen en collega’s. Anderhalf jaar eerder was ze in dienst getreden bij de Amerikaans/Britse beveiligingsfirma DynCorp als mensenrechtenrapporteur voor de Verenigde Naties. In haar mail, die ook gericht was aan Jacques Paul Klein, haar opperbaas en de speciale VN-gezant van de toenmalige secretaris-generaal Kofi Annan, legde ze uit wat ze in haar nog prille carrière in Bosnië ontdekt had. Kathryn Bolkovac: “Ik begon met beschrijven hoe jonge vrouwen uit Oost-Europese landen reageerden op een onschuldig ogende advertentie waarin hun een betrekking aangeboden werd als serveerster of kinderoppas. Hoe ze vervolgens geboeid en geblinddoekt naar Bosnië gesmokkeld werden, hoe hun paspoorten afgenomen werden en ze te horen kregen dat ze die konden terugkrijgen als ze de duizenden dollars aan reis- en verblijfkosten terugbetaalden die voor hen gemaakt waren. Dat geld konden ze alleen terugverdienen door zich in de talloze bars te prostitueren aan de rijke buitenlanders die voor de VN en andere internationale organisaties werkten. Vrouwen die weigerden, werden geslagen of uitgehongerd. Vrouwen die naar de politie stapten, werden gearresteerd voor prostitutie en illegale migratie.”

Met haar mail wou Bolkovac haar bazen en collega’s er bewust van maken dat ze medeschuldig waren door van de seksuele diensten van slachtoffers van mensenhandel gebruik te maken. “Toen ik op ‘verzenden’ klikte, voelde ik me opgelucht. Ik geloofde echt dat mijn van overvloedig feitenmateriaal voorziene mail eindelijk hun ogen zou openen.”

Het draaide enigszins anders uit: Kathryn Bolkovac werd door de VN en DynCorp onmiddellijk op non-actief geplaatst en twee maanden later op staande voet ontslagen. “Mijn bazen bedreigden me en ik zocht hulp bij de Amerikaanse ambassade, maar ambassadeur Tom Miller gaf niet thuis. Pas onlangs heeft hij zich daar uitvoerig voor verontschuldigd.”

Een paar loyale collega’s hielpen haar wegvluchten uit Bosnië. Over haar ervaringen als klokkenluider over vrouwenhandel en machtsmisbruik bij de Bosnische VN-missie schreef ze The Whistleblower dat ondertussen verfilmd werd met Rachel Weisz in de rol van Kathryn Bolkovac.

Pedofiel in Bosnië

Kathryn Bolkovac werkte tien jaar lang als agent bij de politie van Lincoln, de hoofdstad van de Amerikaanse staat Nebraska. “In april 1999 las ik een vacature van DynCorp, een private military contractor die vooral voor de regering van de Verenigde Staten werkt. Ze zochten politieagenten die in het kader van de Daytonakkoorden de plaatselijke politie in het naoorlogse Bosnië zouden helpen opleiden. Mijn grootouders langs vaderszijde hadden Kroatische roots. In 1942 zijn ze met de boot naar de Verenigde Staten geëmigreerd. Mijn opa was zestien, liet zijn verleden achter zich en bouwde een echte Amerikaanse familie uit. Hij vertelde niet graag over Kroatië, wat hij ‘het oude land’ noemde. Hij was een fervente anticommunist en wou niets met het regime van Tito te maken hebben, ook al was zijn hele familie er achtergebleven. Toen de oorlog in ex-Joegoslavië begin jaren negentig losbarste, wist ik dat ik er ooit terecht zou komen. Op een of andere manier wilde ik terug naar het geboorteland van mijn grootouders.”

De vacature van DynCorp klonk als muziek in Bolkovac’ oren. “Daarenboven zou ik een jaarloon krijgen van 85.000 dollar, belastingvrij. DynCorp betaalde een deel, de VN het andere. Dat geld kon ik als alleenstaande moeder met drie opgroeiende kinderen goed gebruiken. Ik was ook erg geïnteresseerd in internationaal politiewerk en ik zag het als een unieke kans om ingewijd te worden in de op het eerste gezicht boeiende wereld van vredeshandhaving onder VN-vleugels. Maar tijdens het solliciteren kreeg ik al het gevoel dat de mensen van DynCorp de lat voor hun nieuwe medewerkers bijzonder laag legden. Ik vertrok vanuit de veronderstelling dat ik als politieagent in Bosnië het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken zou vertegenwoordigen. In tegenstelling tot de meeste andere landen, heeft Amerika geen nationale politiemacht; voor buitenlandse opdrachten doen ze altijd beroep op private bedrijven. Ik had verwacht dat de rekrutering streng zou zijn met moeilijke vragenlijsten en diepgravende gesprekken, maar dat viel lelijk tegen: ik moest een paar documenten invullen en wat referenties van mijn politiebazen erbij stoppen en werd aangeworven. Vóór ik naar Bosnië vertrok, stuurden ze me een week op cursus naar Fort Worth in Dallas. Ik zag meteen dat het merendeel van mijn nieuwe collega’s helemaal niet aan de hoge standaarden beantwoordde die voor dat soort van missie noodzakelijk zijn. Ik had gehoopt dat we op zijn minst een gedegen opleiding zouden krijgen in internationale wetgeving en in de vredesakkoorden van Dayton, maar DynCorp vond dat blijkbaar tijdverlies. Onze instructieweek bestond uit een paar idiote behendigheidstests. Op de laatste avond maakte ik kennis met Jim, een oudere man met een bierbuik. Hij was al verschillende keren met DynCorp op missie in Bosnië geweest. We zaten rond het zwembad, hij nam een biertje en zei op een bepaald moment: ‘Ik weet waar je in Bosnië lekkere twaalf- tot vijftienjarigen kunt krijgen.’ Op dat moment had ik geen flauw idee waar hij het over had. Pas veel later, toen ik al een tijd in Sarajevo aan de slag was, drong het tot me door dat Jim een pedofiel was die met de zegen van DynCorp en de VN in Bosnië de tijd van zijn leven beleefde.”

Hoerenbuurt Bosnië

In juni 1999 kwam Kathryn Bolkovac in de kapotgeschoten Bosnische hoofdstad Sarajevo aan. “Ik was zwaar onder de indruk. Ik zag gebombardeerde gebouwen, bedelende kinderen en mannen en vrouwen die op krukken door de straten dwaalden. Alle nieuwe DynCorprekruten werden samengebracht in een troosteloos VN-gebouw, de Titobarakken. De verschillende VN-bonzen kwamen daar hun nieuwe personeel ophalen. Ze selecteerden ons niet op wat we wisten of wat onze achtergrond was, maar op hoe we eruit zagen. Het leek als de eerste week op de universiteit, waar de jongens de meisjes besnuffelen en proberen er achter te komen met wie ze willen daten. Niet je kennis of ervaring telde, maar je looks. Ik werd geselecteerd door Harry, de bureaucommandant van het voorstadje Ilidza. De enige reden waarom hij mij bij zijn team wou, was dat ik net als hij van Nebraska kwam. Hij vertrouwde me toe dat zijn bureau de beste feestjes van de hele missie organiseerde. Ik ging aan de slag als burgerpolitiewaarnemer en mensenrechtenrapporteur, maar van in het begin werd me duidelijk gemaakt dat ik niet verondersteld werd ook maar een poot uit te steken. ‘Strijk je geld op, verken van hieruit Europa en geniet van je vrijheid. Dan zal je gelukkig zijn.’

“Bosnië leek op één immense hoerenbuurt, met seksclubs, bordelen en striptenten. Overal stonden grote neonreclames te flikkeren, zowel in de bergen, als op het platteland. De maffia had er werkelijk alles in handen: je vond er winkels vol namaakcd’s en illegale sigaretten met daarnaast clubs vol meisjes in alle vormen en maten. Vrouwen die uit Oost-Europese landen door vrouwensmokkelaars naar Bosnië gebracht waren om zich voor de diplomaten, peacekeepers, de VN-medewerkers en NGO’ers te prostitueren. Ik ontdekte snel dat dit alles met medeweten van sommige bonzen van de VN en DynCorp, en vaak ook met hun hulp gebeurde. De Oekraïense maffia had zijn tentakels tot diep binnen de VN: de Oekraïense VN-generaal zat tot over zijn oren in de georganiseerde misdaad. Bijna alle buitenlanders maakten gebruik van de diensten van de meisjes. Ze waren blij met de hoertjes die speciaal voor hen geleverd werden. Sommigen hielpen met paspoorten te vervalsen of met het smokkelen van vrouwen, nog anderen kochten een vrouw in een bar en namen haar mee naar huis. Veel mensen waren hier in betrokken en niemand reageerde. De meeste internationale medewerkers waren alleen geïnteresseerd in het innen van hun salaris.”

Bolkovac ging wel actief op zoek naar de verwevenheid tussen de plaatselijke maffia en VN-medewerkers. “Als mensenrechtenonderzoeker had ik de autoriteit om samen met de lokale politie rapportages van mensenrechtenschendingen tot op het bot uit te zoeken. Het was niet zo moeilijk om diep te spitten, want de akkoorden van Dayton gaven ons een flinke stok achter de deur. Hoe harder ik aan de boom schudde, hoe meer tegenstand ik ondervond. Mijn eerste grote zaak ging over een smokkelaar van sigaretten die goeie zaakjes deed met het hoofd van de politie van Hadzici. Jaren later zou blijken dat mijn onderzoek toen slechts het topje van de ijsberg was, want samen met de politiechef bleken nog 26 andere politiemensen erbij betrokken. Ik werd snel door mijn bureaucommandant Harry van die zaak gehaald; hij was bang van de maffia en vond dat ik dat potje beter gedekt liet. Later kreeg ik wel steun van Madeleine Rees, de baas van het VN-mensenrechtencommissariaat in Bosnië. In het begin had ik een vrij goede relatie met mijn DynCorpcollega’s, tot ik de vinger wees naar een paar rotte appels onder hen en hen met naam en toenaam in mijn verslagen noemde. Daarna werd ik voortdurend geïntimideerd. Mijn vrienden waarschuwden me dat ik voorzichtig moest zijn. Anderen zeiden met veel aplomb: ‘Pas maar op. Hier gebeuren voortdurend ongelukken.’ In het begin schoot ik in de lach, maar na verloop van tijd begonnen die dreigementen te wegen. Ik wist niet wie ik wel of niet kon vertrouwen. Ik klopte aan bij interne zaken en bij VN-opperbaas Jacques Paul Klein; ik kreeg nergens gehoor. Alleen Madeleine Rees luisterde, maar ook zij kreeg overal nul op het rekest. Dus schreef ik in oktober 2000 die beruchte mail.

“Ik was de klokkenluider en werd daarom ook ontslagen door DynCorp, nadat zij overlegd hadden met de VN en met het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Ze dachten dat daarmee ‘het probleem’ opgelost was en speculeerden erop dat ik niet de moed zou hebben om met de pers te praten. Jacques Paul Klein vond het maar niks dat een vrouw, ‘een meisje’, zich moeide. Klein is nooit door Kofi Annan, noch door de latere secretaris-generaal Ban Ki-moon op het matje geroepen. Daarom kan ik tot op de dag van vandaag geen greintje respect opbrengen voor de VN.”

© Jan Stevens

Kathryn Bolkovac, Klokkenluider in Bosnië, Uitgeverij Kok, Utrecht.

Phil Bosmans (1922-2012)

In 1938 richtte pater Henri de Greeve de Bond Zonder Naam (BZN) op. Hij wou van de Bond een beweging maken die de christelijke naastenliefde in woord en daad gestalte moest geven. Wie nu ‘Bond Zonder Naam’ zegt, denkt er spontaan Phil Bosmans bij, ook al heeft hij ondertussen de fakkel doorgegeven aan anderen. Henri de Greeve is weggedeemsterd in de annalen van de geschiedenis. 

De spreuken van Bosmans en BZN sieren menige Vlaamse huiskamer. Heel wat mensen putten troost uit hun gevleugelde woorden; sommige critici vinden ze melig en naïef. Phil Bosmans zelf is overtuigd van de nood aan en de zinvolheid van zijn geschriften: “We kunnen kopen wat we willen en toch zijn we niet gelukkig. De welvaart zegt ons niets meer. We zijn alles beu. Mijn teksten zijn actueel, ook in andere landen. Mijn boeken hebben zelfs in Noorwegen succes. De jongeren uit het hoge noorden grijpen er massaal naar. De universiteit van Oslo heeft onderzocht hoe dat komt. Mijn levensfilosofie blijkt een leegte op te vullen bij de Noorse calvinisten. Als een calvinist van iets geniet, moet hij er later voor boeten. Ik vind dat je altijd van het leven moet genieten.”

ECONOMIE

Is geld de wortel van alle kwaad?

“De wortel van het kwaad zit in de mens. De mens kan verleid worden door geld en hij kan het verkeerd gebruiken. Het is verbazingwekkend te moeten vaststellen dat mensen die veel geld hebben, nooit tevreden zijn. Ze willen steeds meer. Wie verslaafd is aan geld, is een gehandicapte.

Onze samenleving wordt gedirigeerd door geld en macht. Nogal wat politici willen de voornaamste en de machtigste zijn. Tegelijkertijd gaan ze er prat op dat ze handelen in naam van de bevolking. Ze maken zichzelf iets wijs. Ook in grote bedrijven draait het dikwijls alleen maar om geld. Arbeiders en bedienden worden vaak opgejaagd en uitgebuit. Volwassenen en kinderen in ontwikkelingslanden dienen enkel om geëxploiteerd te worden. Bedrijfsleiders willen op hun kap snel en veel geld verdienen.

Ooit heb ik de spreuk gelanceerd: ‘Als je alleen maar geld hebt, ben je geen cent waard.’ Het centrum van de wereld is niet langer Rome of Jeruzalem, maar Wall Street. Degenen die daar met miljarden speculeren, vergeten dat ze eigenlijk aan het spelen zijn met levens van mensen.

Ik heb geen aandelen en ik wil er ook geen. Enkele jaren geleden was de koers van de dollar gezakt tot zeven eurocent. Als ik toen dollars gekocht had, was ik nu een rijk man geweest. Maar wat ik de anderen verwijt, mag ik zelf niet doen.”

GELUK

Hebben wij het recht om gelukkig te zijn?

“We hebben de plicht om gelukkig te zijn. In de korte tijdspanne dat we op deze planeet rondlopen, moeten we zelf gelukkig zijn en anderen gelukkig maken. Gelukkige mensen worden nooit gevaarlijke mensen.

Het overgrote deel van de wereldbevolking leeft in armoede. Wekelijks verspelen we met zijn allen acht miljoen euro aan de lotto of de nationale loterij. Als Broederlijk Delen of 11.11.11 erin slagen om jaarlijks twee miljoen euro op te halen, juichen we. De ellende in de derde wereld blijft niet bestaan door een gebrek aan middelen of communicatie, maar omdat de rijken hun rijkdom willen beschermen. Ze houden niet van de armen.

De meeste Belgen hebben het relatief goed en zijn toch niet gelukkig. De overgrote meerderheid heeft alles wat ze wenst en kan kopen wat ze droomt. Desalniettemin hoor ik mensen vaak zeggen: ‘We zijn alles beu.’ Wat missen ze? Waarom zoeken sommigen heil in drugs en verdoving? Er is hen wijsgemaakt dat er een uitwendig middel bestaat om gelukkig te zijn. Dat is één van de grootste leugens van de voorbije twintigste eeuw.

Je vindt geen geluk als je een lotje koopt uit de loterij. Geluk is een schaduw die je volgt op de momenten dat je er niet aan denkt. Hoe vaak hoor je mensen niet zeggen: ‘Toen waren we toch gelukkig.’ Ze situeren het geluk ergens in het verleden. Maar op het moment zelf beseften ze het niet. Dat besef komt pas wanneer ze in de miserie zitten.

Geluk is een echo die antwoordt op de gave van jezelf. Hoe meer een mens zich inzet voor een ander, hoe gelukkiger hij wordt. Ik geloof in God die liefde is. Alleen door liefde, verdraagzaamheid en vriendschap kan geluk geboren worden.”

HEDONISME

Is genot altijd goed?

“Genot is goed zolang je geen schade berokkent aan anderen of aan jezelf. Iedereen mag profiteren van het leven. Wie dat op de rug van anderen doet, is verkeerd bezig.

Ik hoop dat jongeren zich ooit zullen realiseren dat het gebruik van drugs noodlottig is. Tegenwoordig hebben ze niets anders. Ze vluchten erin weg. Jonge mensen worden in een kindonvriendelijke wereld gegooid en moeten hun plan trekken. Ze komen terecht in een maatschappij die de hunne niet is. Te weinig mensen bekommeren zich om hen, of verstaan de kunst om hen aan te spreken en hen een toekomst te geven. Je zou verwachten dat ouders die taak op zich nemen, maar vaak moeten zij zelf opgevoed worden. Veel ouders zijn niet meer in staat om hun eigen kinderen leiding te geven. We zitten met een geestelijke leegte. Belangrijke waarden zijn niet met geld te koop. Ouders besteden te veel aandacht aan het materiële en te weinig aan het spirituele. Een mens sterft als hij geestelijk dood gaat. Zo zijn er velen.”

LEVEN

Is het juist om de genen van een ongeboren kind te manipuleren?

“De natuur moet gerespecteerd worden. God heeft ons het verstand gegeven om de natuur te onderzoeken en in dienst te stellen van de mens. Op veel plaatsen hebben we de natuur vernietigd. Op termijn keert zich dat tegen ons.

Wie genetisch ‘verbeterd’ wordt, is niet langer dezelfde mens. Laten we respect hebben voor de mens zoals hij geschapen is en op deze wereld terechtgekomen is. Ik vind het goed dat wetenschappers met de hulp van de genetica ziektes trachten uit te schakelen. Maar genenonderzoek kan ook misbruikt worden. Met een mes kun je ofwel brood snijden, ofwel iemand in het hart steken. Veel dingen hebben een positieve en een negatieve kant.”

OUDERDOM

Moeten we ouderen respecteren?

“Ik vind het jammer dat nogal wat ondernemingen ouderen afdanken en bij het oud ijzer zetten. Die oudere werknemers bezitten een schat aan ervaring en kunnen bedrijven heel wat levenservaring bijbrengen. In ontwikkelingslanden worden ouderen respectvol behandeld. Wie oud wordt, gaat inwonen bij zijn kinderen. Bij ons is de familieverbondenheid verloren gegaan. Wij zonderen onze oudjes af in rusthuizen. Nee, een mens moet oud kunnen worden in zijn eigen omgeving. Als je een volgroeide boom verplant, sterft hij.

Onze maatschappij is volop in evolutie. Wij vergrijzen en de vluchtelingen zorgen voor vers bloed. Voor de meeste mensen zijn ze niet welkom, voor een minderheid wel. Een samenleving die massaal vergrijst, is gedoemd te verdwijnen. Medici proberen ons zo lang mogelijk in leven te houden. Dat is goed, want elk mensenleven is de moeite waard. Maar het kost ons wel handenvol geld. Als we geen nieuwe mensen toelaten, eindigen we met een gemeenschap van grijsaards. Dat zou rampzalig zijn.”

RELIGIE

Hoe weten we of er een God bestaat?

“Ik kan God niet bewijzen en ik wil het ook niet. Ik weiger om God tot een object van mijn verstand te maken. God bewijst zichzelf. God is liefde en liefde kan mensen voorthelpen in hun leven. Wie kan bidden, weet na enkele jaren dat hij bestaat. Je krijgt antwoorden, maar je moet ze leren verstaan.

God is onzichtbaar, hij komt niet in je arm knijpen en je kunt hem niet op de koffie vragen. Af en toe grijpt hij in. Waarom hij dan niets doet aan de ellende in de wereld? Die vraag komt telkens weer terug. Toen in Columbia door een vulkaanuitbarsting een hele stad vernietigd werd, schreef een ongelovige vriend me: ‘Jouw God is een moordenaar.’ God laat het lijden toe opdat we wakker zouden worden en ervaren dat het leven kort en broos is. Dat klinkt misschien cynisch, maar hoe moet God het ons anders duidelijk maken? Hij had ons aan de lopende band kunnen laten genieten van alles en nog wat. Maar dat doet hij niet: hij maakt er ons attent op dat er nog een leven na dit leven is.

De katholieke kerk heeft in het verleden misschien teveel de nadruk gelegd op het leven na de dood in plaats van op het leven ervoor. Ze heeft mensen schrik aangejaagd met hemel en hel. Nu is dat gelukkig veranderd. Mensen van de kerk zijn ook maar mensen, ze maken fouten en zien sommige dingen verkeerd. Wie voor het eerst het evangelie openslaat en erin begint te lezen, voelt zich waarschijnlijk niet direct aangesproken. Maar als je dat boek in je leven integreert en er regelmatig in leest, ontdek je er de kracht van. Als het evangelie niet bestond, zou men het moeten uitvinden. Het bevat de sleutel om op deze aarde gelukkig te zijn.

Jezus is de zoon van God. Hij heeft ongelooflijke dingen gedaan en de wereld in een nieuwe richting gestuurd. De mensen die dicht bij hem stonden hebben allemaal hun leven voor hem gegeven. Dat doe je niet zomaar. God heeft zich in Jezus kenbaar gemaakt. De liefde heeft een lichaam, handen, voeten en een warm mensenhart gekregen. Christus is het voorbeeld voor alle christenen.

Ik weet niet of de duivel bestaat, ik heb er geen bewijzen voor. Toch ben ik ervan overtuigd dat er een kwade geest actief is die alles verduistert. Van Hitler kan je moeilijk zeggen dat hij bezield was door de goede geest. Wie andere mensen uitbuit, is in de greep van het kwade.

We leven in een rationele tijd en willen alles met ons verstand begrijpen. Maar een mens is meer dan verstand alleen. Ook al kunnen we sommige dingen niet verklaren, toch weten we dat ze er zijn.”

WAARHEID

Moet je altijd de waarheid vertellen?

“Niemand kent de waarheid. Iedereen heeft zijn waarheid. Discussies en ruzies ontstaan omdat mensen anders denken, anders voelen. Op een bepaald moment in je leven aanvaard je de waarden of waarheden die je het beste liggen en waarin je wil geloven. Het evangelie is waarheid. Dat God liefde is en dat God wil dat een mens gelukkig is, zijn waarheden die voor mij buiten kijf staan. Ongelovigen geloven vandaag dit en morgen weer dat.

Er ontstaan dikwijls discussies omdat we wat de andere zegt, verkeerd interpreteren. Een man denkt, voelt en praat anders dan een vrouw. Wie wil trouwen, kan beter eerst een cursus volgen om de psychologie van zijn of haar partner te leren doorgronden. Uitspraken van gehuwden klinken vaak harder dan ze bedoeld zijn. Mensen spreken meer met hun hart dan met hun verstand.

Ik ben het eens met het gezegde: ‘Ieder zijn waarheid’. Ik heb jarenlang met zigeuners gewerkt. Ik probeerde journalisten van het zigeunerkamp weg te houden omdat ik wist dat ze foute verhalen gingen schrijven. De zigeuners vertelden de reporters verzonnen geschiedenissen over hun eigen leven. Ooit vroeg ik hen: ‘Wat hebben jullie nu weer verteld? Van dat artikel in de krant dat ik gelezen heb, klopt toch geen jota?’ Zonder verpinken, antwoordden ze me: ‘Je hebt gelijk, maar wie geen zigeuner is, heeft geen recht op de waarheid.'”

(c) Jan Stevens – Uit: Het filosofisch woordenboek, uitgeverij P, 2002