Bernard Dewulf (1960-2021)

September 2014 – We zitten aan de lange ruwhouten tafel en drinken koffie. Het ochtendlicht valt door het openstaande raam naar binnen. Vogels tsjirpen in de tuin. Dit huis staat midden in de stad en toch is het hier stil. Dit huis is de thuis van dichter, columnist, essayist en toneelauteur Bernard Dewulf.

“We zitten hier in het interieur van je boek Kleine dagen”, merk ik op. Bernard Dewulf knikt. “Na het boek is een theatervoorstelling gevolgd. We hebben toen een exacte kopie van deze tafel laten maken.”

Kleine dagen verscheen in 2009 en bundelde een selectie van de stukjes die om de dag op de voorpagina van de krant De Morgen verschenen. De ene dag doopte Hugo Camps zijn pen in vitriool, de andere dag schreef Bernard Dewulf een poëzie ademend stukje over zijn opgroeiende kinderen of het binnenvallende ochtendlicht door het openstaande raam. Datzelfde jaar werd Dewulf na twintig jaar trouwe dienst bij De Morgen samen met twaalf collega’s ontslagen. “Na een lezing beginnen mensen nog regelmatig over dat ontslag”, zegt hij. “‘Mijnheer, ik vind dat zo jammer.’ Dat troost dan wel een beetje, maar ik mag er niet te lang bij stilstaan. Er gewoon over praten, is nog steeds moeilijk. Ik heb die krant ook nooit meer gelezen. De eerste maanden na het ontslag zat ze nog in de bus. Mijn kinderen hebben ze toen elke dag meteen de kelder ingegooid.” Hij glimlacht. “Ik had hen dat helemaal niet gevraagd, ze deden het uit eigen beweging.”

De tweede telefoon die Bernard Dewulf vlak na zijn ontslag bij De Morgen kreeg, was van acteur Wim Opbrouck. “Ik kende hem, maar hij was geen vriend. We hadden wel waardering voor elkaar omdat we allebei geïnteresseerd zijn in kunst. Datzelfde jaar zou hij aan het roer van NTGent komen. Hij zei: ‘Heb je zin om bij ons te komen werken?’ Hij zocht een dramaturg. Ik antwoordde: ‘Wim, ik ken niets van theater.’ Hij zei: ‘Zo iemand zoek ik. Ik wil een “oneigenlijk element” in mijn team.’ Ik ben Wim nog altijd heel dankbaar dat hij me toen gebeld heeft.”

Met Kleine Dagen won je in 2010 de Libris Literatuurprijs, goed voor 50.000 euro. Heeft die prijs je marktwaarde als dichter en schrijver de hoogte ingejaagd?

“Ik denk het niet. Het is wel zo dat ik toen voor de eerste en vermoedelijk ook de laatste keer beseft heb dat je met een boek geld kunt verdienen. Ik had daarvoor al dichtbundels en een paar essaybundels gepubliceerd, maar daar waren telkens maar een paar honderd exemplaren van verkocht. Ik was helemaal niet voorbereid op de Libris Literatuurprijs, want Kleine dagen was op het moment van de prijsuitreiking al een jaar uit. Er waren toen ongeveer 1.500 exemplaren over de toonbank gegaan, wat vrij behoorlijk was. Hier kenden lezers me van mijn dagelijkse column op de voorpagina van De Morgen; in Nederland was ik een illustere onbekende. En dan kreeg ik in mei 2010 die grote Nederlandse literaire prijs. In een paar maanden tijd explodeerde de verkoop van dat boek naar 50.000 exemplaren. Dat zal ik nooit meer meemaken. Als je in Vlaanderen 10.000 stuks van een boek verkoopt, heb je een stevige bestseller geschreven.”

Mensen beseffen niet hoe schraal het met de verkoop van boeken in Vlaanderen gesteld is?

“Nee, en je hebt gelijk: de boekenverkoop hier is soms schrijnend. Zowel uitgevers als schrijvers doen daar geheimzinnig over. De officiële cijfers moet je trouwens met een korrel zout nemen. Ooit heb ik een schrijver zien wenen omdat er na twee jaar maar tweehonderd exemplaren van zijn roman verkocht waren. Hij had nochtans goede recensies gekregen en was een paar keer over zijn boek geïnterviewd.”

Hoe kan een getalenteerde schrijver zich dan nog blijven oppeppen om toch verder te werken aan een nieuwe roman?

“Ik heb veel geluk dat ik al zo lang voor kranten schrijf, eerst twintig jaar voor De Morgen en dan vijf jaar voor De Standaard. Ik heb dus al een publiek en ik kan het alleen maar verprutsen. 300.000 mensen lezen De Standaard. Voor een schrijver die niet voor een krant werkt, is dat een natte droom. Het lezerspubliek van De Standaard is natuurlijk zeer heterogeen, als schrijver moet je dat publiek een beetje ‘bedienen’. Terwijl als je aan een roman werkt, is dat helemaal jouw boek, en wat de lezer van het eindresultaat vindt, is zijn zaak.”

Hou je in je wekelijkse columns in DS Weekblad dan altijd rekening met je lezers?

“Slechts een fractie van de krantenlezers zijn geoefende lezers. Dat kan ik afleiden uit de reacties van lezers die ik de voorbije jaren ontving. Ik schrijf natuurlijk ook voor de ‘geoefenden’ en zij zullen in mijn columns verwijzingen opmerken waar anderen overheen lezen. Maar ik schrijf ook voor al degenen die nooit een boek maar wel mijn stukje van 600 woorden in de krant lezen. Ik schrijf zowel voor mijn beste vriend die tien jaar aan Harvard gestudeerd heeft, als voor een leek. Elke week laveer ik tussen die uitersten. Ik vind dat veel uitdagender dan een artikel schrijven voor een kunstblad of een literair tijdschrift. Een stuk voor de krant is veel moeilijker want het moet helder geschreven zijn. Je mag nooit verwachten dat mensen je column nog eens zullen herlezen als ze het van de eerste keer niet helemaal gesnapt hebben. Ik wil duidelijk schrijven en er tezelfdertijd toch poëzie in leggen of een zin waarvan ik hoop dat hij lezers even doet nadenken. Vorige week werd ik door de eindredacteur van DS Weekblad gebeld. Hij zei: ‘Wat betekent je slotzin “vroeger dan zij wordt het niet”?’ Ik antwoordde: ‘Laat dat maar staan.’ Ik hoop dan dat er twee of drie mensen zijn die eerst verwonderd zeggen: ‘Wat staat daar nu?’ En het een paar seconden later snappen: Ha… ja!’ (lacht) Dat zinnetje had trouwens ook in een gedicht kunnen staan.”

Van jouw stukjes op de frontpagina van De Morgen werd gezegd dat ze ‘poëtisch’ waren.

“Ik heb me daar altijd tegen verzet. Het woord ‘poëtisch’ wekt ergernis in me op omdat ik dat met ‘flou artistique’ associeer. Dat vloekt met wat poëzie voor mij moet zijn: scherp, precies. Zelfs al lijkt een stukje van mij over mijn tuin of over het licht ietwat impressionistisch, ik probeer er toch altijd op te letten dat elk beeld klopt. Ik vind dat heel belangrijk.

In Kleine dagen begint een stukje over mijn dochter in haar vijfde levensjaar met de zin: ‘Een, twee, drie is ze vijf geworden.’ Die stukjes in De Morgen waren maximum 300 woorden lang. Ik dacht: ‘Hoe kan ik heel kort uitleggen dat ik mijn dochter razendsnel vijf heb zien worden.’ Van 0 jaar tot 5 lijkt één seconde in mijn hoofd. Plots vond ik dat heel precieze, op het eerste gezicht eenvoudige zinnetje: ‘Een, twee, drie is ze vijf geworden.’ Er zit een versnelling in die je ook terug hoort in het ritme. Daar hou ik van. Maar ik verwacht natuurlijk niet dat mijn lezers dat allemaal diepgaand zullen analyseren.”

Zit jij urenlang te tobben over die ene juiste zin?

“O ja. Mensen geloven dat niet, maar ik zit echt een hele dag te werken aan zo’n stukje. ‘Hij zit een halve dag op café en dan gaat hij naar huis’, denken ze. Als je de biografie van Simon Carmiggelt leest, zie je hoe ook hij zat te prutsen aan de ‘Kronkels’, de cursiefjes die hij voor Het Parool schreef. Ik heb intussen meer dan duizend stukjes geschreven, je zou dus kunnen veronderstellen dat het een routine geworden is, maar het tegendeel is waar. Nu ga ik elke week op zoek naar een andere manier om te zeggen wat ik allemaal al gezegd heb. Veel schrijvers doen dat. Hugo Claus maakte ook voortdurend variaties op hetzelfde thema, hij deed dat op een fantastische wijze.”

Was schrijver worden jouw jeugddroom?

“Ik heb gedichtjes liggen die ik geschreven heb toen ik een jaar of zeven was. Ik ben er altijd mee bezig geweest: als kind maakte ik echte boekjes, geplooide A4-tjes met nietjes in het midden. Maar een plan om schrijver te worden, heb ik nooit gehad. Als je me tien jaar geleden gezegd zou hebben: ‘Ooit ligt er een vuistdik boek in de boekhandel met al je beschouwende stukken over schoonheid in verzameld’, zou ik je gek verklaard hebben. Maar kijk: dat boek Toewijdingen is er nu.”

Heb je de ambitie om ooit een heuse roman te schrijven?

“De ambitie misschien wel, maar niet het talent. Ik kan dat echt niet. Na de derde druk van Kleine dagen heb ik aan de uitgever gevraagd om het woordje ‘novelle’ op de cover te zetten. Zo wou ik de critici een beetje jennen. (lacht) Maar ook omdat ik in mijn leven toch wel een novelle geschreven wou hebben. Ik vind het boek zelf een novelle, dus mag ik dat daar toch laten op zetten? Zo soeverein mag ik als schrijver toch zijn? Misschien vinden sommigen het een bundeling van stukjes, maar ik vind het een novelle.”

Hoe komt het dat jij uitblinkt in kleine stukken en in gedichten en niet in een grote roman? Je schrijft en bewerkt toneelstukken voor NTGent. Die zijn toch ook niet meteen ‘klein’ te noemen?

“Een toneelstuk is al snel 15.000 woorden, dat is inderdaad niet niks. En ik heb ook lange essays geschreven. Dat kan ik dan weer wel. Maar als ik een essay over een schilder als Edgar Degas schrijf, hoef ik zelf niets te verzinnen: zijn leven is daar, net als zijn werk. Ik kan daar dan boven gaan staan en met al dat materiaal dat voorhanden is mijn essay schrijven. Maar zelf iets bedenken met de spanwijdte van een roman… nee, ik kan dat echt niet. Dat heeft niet alleen te maken met de journalist in mij, maar ook met de dichter. Ik hou van de uitdaging van het compacte. Andere schrijvers hebben me trouwens al gezegd: ‘Sommige stukjes van jou zijn een hele roman.’ Als je een roman schrijft, moet je een paar jaar lang een raar soort innerlijke rust hebben, terwijl het leven ondertussen gewoon doorgaat. Ik kan me dat niet voorstellen.

Bij NTGent maak ik bewerkingen van toneelstukken zoals ik pas gedaan heb met Elektra. Zo’n bewerking maak ik in samenspraak met de regisseur van het stuk, maar in de taal ben ik vrij. Ik heb niet zoveel schroom om teksten van iemand anders rigoureus te bewerken. Alleen zo kun je je als schrijver voor toneel onderscheiden. De Elektra van NTGent moet natuurlijk ‘een Dewulf’ zijn, maar op verschillende niveaus verandert die tekst toch later weer: tijdens een uitvoering wordt hij uitgesproken door anderen in een welbepaald decor. Ik vind dat zeer fijn. Als je als schrijver je eigen teksten heilig vindt, werk je best niet voor theater.”

Ben je keihard als je een contract voor een nieuw boek met je uitgever moet onderhandelen?

“In onderhandelingen ben ik echt een eitje. Ik verkeer in de gelukkige positie dat ik het nog niet hoef te doen, maar misschien komt ooit de tijd dat ik moet onderhandelen over geld. Toewijdingen is 600 bladzijden dik, met 100 illustraties waarvan 32 in kleur. Een schilderij van Edward Hopper afdrukken, kost veel geld. Dat is dus een duur boek om te maken. Ik vind het wonderlijk dat een literaire uitgeverij zoals Atlas Contact dat toch nog doet. Voor alle duidelijkheid: ze gaven dat soort boeken van mij ook al uit voor ik de Libris Literatuurprijs gewonnen had. Zij hebben altijd in mij geloofd. Dat waardeer ik ten zeerste.”

© Jan Stevens

Andere tijden

Er waren verzachtende omstandigheden. Mijn moeder heeft haar vader nooit echt gekend. In 1942 maakte hij op een blauwe maandag in januari een einde aan zijn leven. Hij was amper 34 en liet een weduwe van 35 met vijf kleine kinderen achter. Ik kende mijn grootmoeder als een keiharde tante. Over haar man heb ik haar nooit iets horen zeggen. Ook zijn kinderen zwegen over hem. Ik wist alleen dat hij gokschulden had en vermoedelijk daarom uit het leven stapte. Nee, mijn moeder beleefde geen gelukkige jeugd. Tenminste, dat denk ik, want veel heeft zij daarover nooit verteld.

Mijn moeder worstelde met de druk van haar gezin, haar man en drie kinderen. Tenminste, ook dat denk ik, want een écht gesprek is daar nooit over gevoerd. Maar als kind zag en ervoer ik de fall-out van die worsteling met haar dagelijkse bestaan.

Zo was er die vrijdag, begin jaren zeventig. Ik was een jaar of tien. Het moet een vakantiedag geweest zijn, want iedereen was thuis. Onze ouders maakten ruzie, zoals in die tijd bijna dagelijks gebeurde. Moeder slingerde verwijten naar het hoofd van vader. Hij incasseerde. Die vrijdagmorgen slikte ze voor onze ogen een heel doosje Temesta, een slaap- en kalmeringsmiddel. Niet veel later wankelde ze door het huis. Het beeld van hoe ze de trap opkroop, richting slaapkamer, is voor altijd op mijn netvlies gebrand. “Dood is dood”, murmelde ze.

In het ziekenhuis werd haar maag leeggepompt en vandaar verdween ze voor een paar maanden in een psychiatrisch ziekenhuis. Ik werd ondergebracht bij het gezin van een van haar zussen. Daar at ik voor het eerst in mijn leven spaghetti en ontdekte ik dat er ook ouders waren die hun kinderen niet sloegen.

“De woorden ‘vader’ en ‘moeder’ blijven voor slachtoffers van kindermishandeling altijd een emotionele bijklank hebben”, zegt kinderpsychiater Peter Adriaenssens. “Want dat zijn de woorden waarvan je voelt: ‘Die heb ik niet gehad.’”

Ik interviewde Peter Adriaenssens samen met Hilde Van Mieghem op een maandagavond in februari 2020. Aanleiding was Van Mieghems tv-reeks over kindermishandeling Als je eens wist. Het weekend daarvoor had ik alle afleveringen gebingewatcht en ik lag in duizend scherven. Aan het begin van het interview zei ik dat ook ik ervaringsdeskundige ben. Alles wat Adriaenssens die avond vertelde, klonk gruwelijk herkenbaar.

Het zweepje

“Onze Jan is geschikt voor het hof van de koning. Een flemer in het gezicht, maar pas op als hij uit uw zicht is.” Zo waarschuwde mijn moeder de klastitularis van het eerste middelbaar voor zijn nieuwe leerling. In de jaren ervoor corrigeerde ze al mijn ‘misstappen’ kordaat en consequent met een stevig pak slaag. Vaak was een vallend bord of glas al voldoende, of een cijfer in het rood op een schoolrapport. Een groot rekenwonder was ik niet en als onhandige kluns glipte er veel uit mijn handen. Ze barstte dan uit in een colère, nam haar klomp of schoen, ging schrijlings over me zitten en sloeg. Haar harde slagen afweren, was het enige wat ik kon doen. Ze sloeg tot haar woede enigszins bekoelde. Er volgden extra straffen: “Zonder eten uw bed in.” Of: “Geen tv voor u. Een hele week om zeven uur in uw nest.”

Uit schrik voor wat me thuis te wachten stond, vervalste ik een handtekening op een rapport. Het zag er vreselijk knullig uit en ik liep snel tegen de lamp. Die avond ging ze in overdrive.

Vader liet begaan. Als hij van de fabriek terugkwam, kreeg hij een uitvoerig relaas van wat ik die dag had uitgespookt. Soms eiste ze van hem dat hij haar werk overdeed. Hij sloeg dan pro forma: minder hard en minder raak.

Soms was ik ziek en dan veranderde ze in Florence Nightingale. Ze vertroetelde me en op die momenten leek ze de liefste moeder van de hele wereld.

In het tweede jaar van de humaniora hield het slaan abrupt op, nadat ik met een gehavende neus op school verscheen. “Van de trap gevallen”, was mijn excuus.

Ach, misschien was ik wel een vreselijke kleine etter of een onhandelbaar joch. Ik was een jaar of zes toen moeder bij de huisdokter haar beklag over mij deed. De weldoorvoede man zat in zijn keurig kostuum aan de keukentafel, de stethoscoop bungelend over zijn buik. “Misschien moet je eens een zweepje proberen”, adviseerde hij haar. “Leg wat knopen in een touw.” Een tijdlang lag het zweepje op doktersvoorschrift op de hoge keukenkast. Daarnaast stond de bokaal met levertraan voor de dagelijkse eetlepel. Naast haar woede, handen, schoenen en klompen, vreesde ik die twee dingen het meest.

It never happened

“Toen onze Jan pas geboren was, leek hij net een aap.” Ik heb drie zonen, inmiddels twee prille dertigers en één late twintiger. Toen zij pas geboren waren, waren ze de mooiste baby’s op aarde. Door zelf kinderen te krijgen, begreep ik nóg minder van al dat ouderlijk geweld. De relatie met mijn ouders kwam nooit meer echt goed. Moeders zestigste verjaardag eindigde in een knallende ruzie over ‘de tijd van toen’. In haar herinnering leek alles gewist.

Een paar jaar lang kwam ik er niet meer over de vloer. Een paar jaar lang knaagde het schuldgevoel. Ik herstelde het contact, maar niet veel later ging ik compleet onderuit. Eind 2004 belandde ik in een depressie van hier tot in Tokio. Mijn huisgenoten, antidepressiva en een psychiater hielpen me uit de put.

“Ga met je ouders praten over wat er gebeurd is”, zei de psychiater. “Het kan inzicht brengen.” Zij luisterden en leken uit de lucht te vallen. Alsof het geheugen van mijn moeder selectief gewist was. Misschien had ze heel af en toe wel eens een pedagogisch tikje uitgedeeld, maar zeker niets meer. Mijn vader waste zijn handen in onschuld. Nooit had hij er iets van gemerkt. Nooit. It never happened. Maar ondanks al mijn ‘valse’ aanklachten, werden ze toch niet boos.

Een tijdlang geloofde ik dat ik met het ouderlijk geweld uit mijn jeugd ‘afgerekend’ had. Maar op de meest onverwachte momenten halen de demonen me in. Als ik naar Hilde Van Mieghems eerste reeks Als je eens wist kijk. Als ik twee progressieve partijvoorzitters op Terzake hoor bakkeleien over kindermishandeling. Als iemand me een horrorverhaal vertelt over een kind in lockdown bij een gewelddadige (stief)ouder. Dan krimpt mijn maag samen en sluipt er een overweldigende droefheid bij me naar binnen.

“Na zoveel jaren in problematieken zoals kindermishandeling ondergedompeld te zijn, kan ik geen geweld in films meer zien”, bekent Peter Adriaenssens. Het klinkt bizar genoeg als een troost. “Ik word ziek van verzonnen geweld”, zegt hij. “Films bulken daarvan. Mijn dochter en haar man zijn allebei acteurs. Zij weten dat. Mijn schoonzoon zegt dan: ‘Peter, ik ben aan het repeteren voor een stuk waarnaar jij beter niet komt kijken.’”

We lachen de spanning weg.

Toen tijdens die eerste lockdown alle scholen dicht waren en we verplicht werden opgehokt, dacht ik vaak: hoe moet dit nu zijn voor kinderen met gestresseerde gewelddadige ouders? Die gedachte ontredderde me. “Nee, die maakte je kwaad”, corrigeert Peter Adriaenssens. “Kwaadheid is de moeilijkste emotie voor wie zelf mishandeld is. ‘Ze waren weer kwaad.’ Jij hebt nooit een goede manier geleerd om kwaad te zijn, want dat bracht je in gevaar. In deze tijden van lockdown krijgen Vertrouwenscentra Kindermishandeling tot 20 % meer meldingen dan normaal.” Ik huiver. “Maar niet al die meldingen ontsporen tot zware gevallen van mishandeling”, relativeert hij. “Nederlandse onderzoekers wijzen erop dat vandaag heel veel volwassenen onder zware stress gebukt gaan. Ze moeten thuiswerken en tezelfdertijd op hun kinderen letten die online aan het studeren zijn. Ouders die in gewone omstandigheden nooit over de rode lijn gaan, doen dat nu wel. Van zodra alles terug begint te normaliseren, zijn zij wellicht de eersten om te beseffen dat ze te ver gingen.”

Een beschuldigende vinger helpt hen niet veel verder? Peter Adriaenssens: “Nee, naar hen moeten we de hand uitsteken. Niet om ze naar een Vertrouwenscentrum Kindermishandeling te sturen, maar om hen er op te wijzen dat ze er zeker iets aan moeten doen. Het is belangrijk dat we daders de kans geven om te erkennen dat ze over de schreef gegaan zijn. Want het maakt een enorm verschil als vader of moeder een paar weken later tegen de kinderen durft te zeggen: ‘Ik had niet zo uit mijn krammen moeten schieten, ook al had ik het toen niet gemakkelijk.’ Vroeger geraakten de daders er altijd mee weg. Nu proberen we de slachtoffers erkenning te geven. Maar het blijft moeilijk om daders tot het inzicht te brengen zich te laten helpen. Ze hebben schrik om in een procedure terecht te komen, gestraft te worden en zo hun reputatie om zeep te zien gaan.”

Levenslang

Ik ben 57 en de laatste jaren groeit het onbehaaglijke gevoel dat ik ‘levenslang’ gekregen heb. Toen ik dat vorig jaar op die maandagavond tijdens dat interview tegen Peter Adriaenssens en Hilde Van Mieghem zei, reageerde mede-ervaringsdeskundige Hilde fel. “Ik verzet mij met hand en tand tegen dat vonnis van levenslang”, zei ze. “Dan kan ik er net zo goed zelf een einde aan maken.” Ik begrijp dat zij zich daartegen verzet en ik probeer dat ook, maar het lukt niet echt. Ook niet bij haar vermoed ik, want ze voegde er meteen aan toe: “Wel levenslang is die diepe eenzaamheid. Die gaat nooit helemaal weg.”

Die levenslange strijd met dat verleden, is volgens Peter Adriaenssens typisch voor ‘verstandige kinderen’. Het klinkt als een schrale troost. “Je verstand laat geen simpele oplossingen toe”, zegt hij. “Dat maakt een groot verschil. Je hebt geen boodschap aan sussende berichten als: ‘Denk aan de toekomst’ of: ‘Wees positief.’ Tijdens de adolescentie leren de emotionele zone en de wijsheidszone in je hersenen evenwichtig samenwerken. Als het emotiecentrum in de jaren daarvoor heel zwaar getriggerd geweest is, blijft het altijd moeite kosten om dat terug tot rust te brengen. Het intelligente centrum in je brein kún je niet tot een machtsovername dwingen, hoe graag je dat ook zou willen. Sommigen beweren dat ze nooit meer denken aan wat hen als kind overkwam. Zij hebben recht op die oplossing, al weet ik niet of ze beter af zijn door die deur naar het verleden radicaal te sluiten. Want zo gooien ze ook andere deuren dicht. Van hun kinderen hoor je dan vaak: ‘Over papa’s jeugd mogen we nooit praten. Ik weet niets van mijn vader.’”

Een beetje verstand hebben, kan dus pijn doen. “Maar dan volgt er vaak ook post traumatic growth (PTG)”, zegt Adrianssens. “Vrienden zullen dan sneller in jou een luisterend oor herkennen. Onbewust voelen ze aan dat jij iets ernstigs hebt meegemaakt, en ze vertellen hun traumatische verhaal aan jou. PTG wil zeggen dat jij in het zijspoor van die pech positieve talenten ontwikkeld hebt. Je kan luisteren en begrip opbrengen voor de nood en problemen van anderen. Door die talenten verder te ontwikkelen, help je jezelf ook verder.”

Soms twijfel ik aan mezelf en is het alsof de waanzin om de hoek loert. Blaas ik mijn herinneringen op? Maak ik van een welverdiende oorveeg een obese olifant? Gaat mijn fantasie met mijn verstand aan de haal? Is er eigenlijk ooit wel iets gebeurd?

IJdele hoop

Mijn vader stierf in januari 2009. Ik voelde geen rouw of verdriet. Behalve schuldgevoel omdat ik niets voelde, voelde ik niets. “Dat komt nog wel”, dacht ik. Maar tot hiertoe kwam het niet.

Moeder leeft nog. Heel lang bezocht ik haar plichtsbewust om de paar weken. Een jaar geleden brak ik na een incident totaal met haar. Nu knaagt opnieuw dat schuldgevoel. Niet omdat ik met haar brak, maar uit een soort van medelijden, want ze is oud en ziek. Misschien knaagt het ook omdat ik blijf hopen dat ze ooit zal toegeven: “Wat er vroeger gebeurd is, was niet oké.” Al is dat wellicht ijdele hoop.

“Het verschil is immens als de dader de uitgestoken hand van het slachtoffer aanvaardt”, zegt Peter Adriaenssens. “Kinderen bij mij in de praktijk zeiden soms: ‘Ga maar praten met moeder. Je overtuigt haar toch niet.’ In het begin dacht ik: ‘We zullen wel eens zien. Ik heb daar een opleiding voor gevolgd.’ Om vervolgens te ondervinden dat die kinderen tientallen, nee honderden keren vergeefs hadden geprobeerd. En dat het inderdaad niet veel zin had om als therapeut te zeggen: ‘Ik zal wel eens met je moeder gaan praten.’ Op een bepaald moment kun je dan als kind van die ouder tot het weloverwogen besluit komen: ‘Ik heb alles gedaan om haar of hem te bereiken. Ik verbreek nu alle banden.’ Innerlijk heb je dan al veel eerder afscheid genomen.”

Die banden zijn verbroken, maar nu is er de angst voor wat er met mij zal gebeuren als ze sterft.

Erover schrijven is volgens Peter Adriaenssens geen slecht idee. “Want je beschrijft het dan voor de volgende generatie. Het is goed om na te denken over waar het bij jou misging. Je vraagt je af waarom jouw moeder over de schreef ging, kijkt terug naar je verleden, naar wat jij hebt meegemaakt en je pogingen om het te verwerken. Jouw kinderen moeten dan niet meer vanuit het onbekende starten. Het is goed dat ze weten wat jou overkomen is.”

www.echo-lotgenotenwerking.be

© Jan Stevens

Stekene, groene oase

Ik woon in Stekene, ooit door een vorig gemeentebestuur in een vlaag van cynische zinsverbijstering ‘groene oase’ gedoopt. Niet ver van de straat waar ik woon, ligt een oude zandgroeve middenin natuur- en recreatiegebied, bijgenaamd ‘de Bekaf’. Jarenlang gebeurde daar helemaal niets en de groeve was door de natuur herschapen tot een grote vijver in weelderig groen. Tot er drie jaar geleden bijna dagelijks vrachtwagens tonnen zand kwamen aanvoeren met als doel: die vijver zo snel mogelijk dempen. Firma van dienst was Vagaetrans BVBA, in 2005 veroordeeld tot zware straffen voor het jarenlang illegaal storten van afval en vervuilde grond. https://www.standaard.be/cnt/gj9chvig
In de lente van vorig jaar vroeg Vagaetrans een omgevingsvergunning aan om de bosdreven rond de zandgroeve te asfalteren. De buurtbewoners, waaronder ondergetekende, kwamen daartegen in verzet, dienden massaal bezwaarschriften in en Vagaetrans trok zijn aanvraag snel weer in. In die periode, op 6 mei 2019, gingen we met onze zorgen over de Bekaf op de koffie bij burgemeester Stany De Rechter. Hij beweerde de reputatie van Vagaetrans niet te kennen en leek oprecht geschrokken toen hij de krantenberichten van weleer onder ogen kreeg. Hij beloofde dat hij er zijn milieuambtenaar over zou aanspreken. Hij zei ook er zeker van te zijn dat het storten in de Bekaf grondig gecontroleerd werd door de Vlaamse Gemeenschap, al wist hij niet meteen hoeveel grondstalen er sinds 2016 genomen waren.
Sinds vanmorgen weet ik dat wel: geen. 0. Zero.
De milieuambtenaar van Stekene wist het eerst ook niet en moest het navragen bij ‘de toezichthoudende overheid’, in dit geval ‘de omgevingsinspectie van de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving in Gent’. Toezichthouder Wilfried V.V. mailde het volgende: “Aangezien ik pas eind vorig jaar het dossier heb overgenomen, heb ik onze databank moeten raadplegen. Ik stel vast dat er al monsters werden genomen, doch deze dateren van de periode toen Aswebo nog vergunninghouder was. Sinds 2016 zijn er geen monsternames meer geweest. Ik kan wel meedelen dat ik dit jaar monsternemingen heb gepland. Ook ben ik al tweemaal langs geweest om een visuele en organoleptische controle (of: datgene wat men met neus en oog kan waarnemen – JS) te doen van de aangevoerde gronden. De laatste inspectie dateert van 12 december 2019. Toen konden geen zaken worden vastgesteld die doen vermoeden dat de aangevoerde grond niet conform zou zijn (geen afval vastgesteld, geen aanwijzingen verontreiniging). Ik zal deze controles ook dit jaar verderzetten. Ten gepaste tijde zal ik ook overgaan tot monsterneming van de aangevoerde grond. Ook het register zal nog worden gecontroleerd. Ik heb eveneens in onze databank gemerkt dat de exploitant op verzoek van mijn voorganger, met pensioen, documenten heeft doorgestuurd zoals uittreksels uit de registers, afvoerbewijzen…

Maandag 24 februari 2020 organiseert het gemeentebestuur van Stekene om 8 uur ’s avonds een infoavond in het Boskafeeke http://www.boskafeeke.be/ over haar plannen voor de Bekaf. Ik kan daar jammer genoeg niet bij zijn, maar ik heb alvast voor onze bewindvoerders een gouden tip: zorg er alsjeblieft voor dat er stante pede grondige stalen genomen worden van de grond die er door Vagaetrans dagelijks gestort wordt.

Jean-Luc Dehaene (1940-2014) –  ‘Zonder een hiernamaals is mijn leven zinloos’

(Vilvoorde – winter, 2002) Ooit was Minister van Staat Jean-Luc Dehaene (CD&V) de ‘machtigste man’ van het land, later werd hij de ‘machtigste man’ van Vilvoorde. Hij vindt het laatste minstens even belangrijk als het eerste, want volgens hem hebben nationale politici in het verleden de plaatselijke politiek te veel veronachtzaamd. “Het samenleven tussen mensen begint in de gemeente- en in de stadspolitiek”, stelt hij. “Als we die verwaarlozen, blijft de Vlaamse, Belgische, Europese of werelddimensie inhoudsloos.”

 

DRUGS

Is het verkeerd om drugs te gebruiken?

“Drugsgebruik is van alle tijden en culturen, maar de weg naar verslaving is vaak heel kort. Een maatschappelijke ordening dringt zich bijgevolg op. Ik ben voorstander van een nultolerantie. Het is niet omdat het gebruik van cannabis wijdverspreid is, dat je het moet toelaten. Want dan kom je op een hellend vlak. Geen enkele wettelijk uitgezette lijn kan problematisch drugsgebruik onder controle houden. Wie de smaak te pakken heeft, verlangt naar meer.

Ik heb nog nooit met geestesverruimende middelen geëxperimenteerd. Af en toe drink ik iets alcoholisch, en ik heb sigaretten gerookt tot mijn achttiende. Maar ik ben ermee gestopt omdat ik het toen al te duur vond.”

 

ECOLOGIE

Is het juist om bossen te kappen als dit de welvaart van zowel de armen als de rijken vergroot?

“Wij, westerlingen, moeten durven erkennen dat we het belang van een goed ecologisch beleid pas erg laat ingezien hebben. We hebben in het verleden teveel waardevolle bossen gekapt en kaalslag gepleegd. We zijn er ons bewust van geworden dat dat een vergissing was. Nu bekritiseren we ontwikkelingslanden die dezelfde fout maken om het materiële niveau van hun arme bevolking op te krikken. Maar we vergeten hen de middelen aan te reiken om het anders te doen. Zolang we niet bereid zijn tot echte solidariteit en tot de creatie van een duurzame wereldeconomie, kan ik begrip opbrengen voor de korte-termijn-redenering van de landen van de derde wereld. Want uiteindelijk handelen ze zoals wij dat in de achttiende, negentiende en twintigste eeuw deden.

Naarmate de ontwikkelingslanden evolueren, zullen ze wellicht de duurzaamheidsfactor meer en meer gaan inbouwen. Industriële ontwikkeling vormt de beste garantie om kinderarbeid en sociale uitbuiting de wereld uit te helpen. Want na verloop van tijd zullen de mensen terecht herverdeling van de opbrengst eisen.

Wij hier in het rijke westen zijn vooralsnog niet bereid om ook onze bijdrage te leveren aan de globale duurzame ontwikkeling. We weten heel goed dat onze manier van ongebreideld autorijden nefast is voor het leefmilieu. Soms lijken we op een dokter die met een sigaret tussen de lippen zijn patiënt wijst op de gevaren van het roken.”

 

GENETICA

Is het juist om de genen van een ongeboren kind te manipuleren?

“Als een wetenschapper vóór de geboorte van een kind dankzij een genetische behandeling bepaalde ziektes kan helpen voorkomen, ben je spontaan geneigd om te zeggen: ‘Why not?’ Maar als diezelfde wetenschapper door middel van genetische manipulatie het geslacht van het kind kan bepalen, vraag je je af: ‘Waar zijn we in godsnaam mee bezig?’ De grens vastleggen van wat kan en niet kan, wordt in de toekomst een enorm moeilijk ethisch probleem. De mogelijkheden van de informaticatechnologie zal die kwestie nog ingewikkelder maken. In zijn boek Het tijdperk van de levende computers beschrijft informaticawetenschapper Ray Kurzweil hoe computerprothesen blinden kunnen helpen om te zien en doven om te horen. Zelfs bepaalde onderdelen van de hersenen kunnen vervangen worden door chips. Hij voorspelt dat het ooit mogelijk zal zijn om het menselijke brein te downloaden. In heel die evolutie kun je je terecht afvragen waar de mens eindigt en waar de machine begint.

Of we ons in het debat rond genetische manipulatie moeten laten leiden door ‘het gezond verstand’? ‘Gezond verstand’ is een rekbaar begrip. Wat wij nu ‘gezond verstand’ noemen, was vroeger ketters. Denk maar aan de discussie die een paar eeuwen geleden gevoerd werd rond de vraag of de aarde rond de zon draaide of omgekeerd. En als ik zie hoe in mijn jeugd over contraceptie gesproken werd en hoe er nu mee omgesprongen wordt, kan ik niet anders dan concluderen dat ‘gezond verstand’ iets is dat met de jaren mee evolueert.”

 

HIERNAMAALS

Zou het wenselijk zijn om eeuwig te leven?

“Het leven hier is voor mij onleefbaar zonder uitzicht op een bestaan na de dood. Dat ‘eeuwig leven’ zal niet hetzelfde zijn als het leven dat ik nu leid. De gemeenschapsdimensie zal daar nog belangrijker zijn dan hier op aarde. Eén van de grote kwalen van deze tijd is dat we het samenleven ondermijnen door een radicaal individualisme. Dat is gedoemd om te eindigen in een atomisering van de maatschappij. Die evolutie is compleet tegengesteld aan mijn visie. We moeten streven naar wat de kerk ‘de gemeenschap van heiligen’ noemt: een samenleving waar het gemeenschappelijke de dominerende factor is.

Zonder een hiernamaals is mijn bestaan zinloos. De kerk wou per se een voorstelling geven van dat leven na de dood. Misschien had ze goede pedagogische redenen om dat te doen, maar als we in het paradijs inderdaad rijstpap met gouden lepels voorgeschoteld krijgen, mogen ze het houden. Ik lust geen rijstpap. Voor mij lijkt het hiernamaals meer op een abstract schilderij dat harmonie en rust uitstraalt.

Vroeger beweerde de kerk vanuit ideologische overwegingen dat wie op aarde arm was, beloond zou worden in het hiernamaals. Wie materiële welstand nastreefde, bereidde zich voor op hel en verdoemenis. Ondertussen leefden de clerus en de prelaten duidelijk vanuit een ander perspectief. Calvijn propageerde het tegengestelde: een mens kon zijn hemel verdienen door in zijn aardse leven zoveel mogelijk rijkdom te vergaren. Op een bepaald ogenblik in de geschiedenis hebben we al onze calvinisten naar Nederland gestuurd. Dat verklaart voor een groot stuk het verschil in economische motivering tussen Nederland en Vlaanderen. Wij zijn blijven steken in een bourgondisch katholicisme.”

 

OMGEVING

Zijn wij het product van onze omgeving?

“Je kunt jezelf emanciperen en voor een deel afstand nemen van je omgeving, maar je kan nooit ontkennen dat je omgeving je mee heeft helpen boetseren. Ook je genetisch materiaal kun je niet wegcijferen, wat niet wil zeggen dat al je handelingen door je genen gedicteerd worden. Kinderen uit een arm arbeidersgezin krijgen sowieso minder kansen dan kinderen uit een welgesteld gezin. Dat heeft niets met genen te maken, maar alles met de sociale en maatschappelijke context waarin ze opgroeien. Het beleid moet die ongelijkheid helpen wegwerken.

De migranten ervaren die sociale ongelijkheid in het kwadraat. Omdat ze de taal niet kennen, lopen ze van in het begin een achterstand op. Daarbij komt dat ze uit een andere culturele omgeving komen en op een bijna schizofrene wijze in twee culturen moeten leven. Door de opeenvolging van generaties zal die handicap ooit weggewerkt worden. Kijk maar naar de afstammelingen van de Italiaanse of Spaanse immigranten van na de oorlog: zij zijn quasi volledig geïntegreerd. Als alle Vlamingen hun roots zouden nagaan, zouden ze waarschijnlijk tot de conclusie moeten komen dat ze allemaal migranten zijn. Het tegendeel zou me verbazen, want dit land heeft de ene na de andere bezetting meegemaakt.

Ik denk dat er een aantal democratische argumenten voorhanden zijn om migranten die hier een aantal jaren verblijven, gemeentelijk stemrecht toe te kennen. Hen daarvan uitsluiten is niet meer van deze tijd. Maar ik geloof niet dat het een mirakeloplossing is die hun integratie kan helpen realiseren. Net zomin als dat je door de burgemeester rechtstreeks te verkiezen de burger dichter bij de politiek zal brengen. Laat me niet lachen. Dat zijn mechanistische benaderingen van de besluitvorming, terwijl de echte problematiek veel dieper zit.”

 

RELIGIE

Hoe weten wij of er een God bestaat?

“Geloof is altijd een sprong in het onbekende, het is een risico, een avontuur. Leven met absolute zekerheden bestaat niet. Het hoofdstuk van de godsdienstles waarin de leraar trachtte te bewijzen dat God bestaat, was aan mij niet besteed.

Je kunt God op het spoor komen in de harmonie die je in de natuur of de kunst ervaart. Maar ook daar is schoonheid een relatief begrip. Een fotograaf kan de prachtigste foto maken van het lelijkste ding.

Ik geloof niet in een God die ingrijpt in het leven van mensen. Vroeger zagen theologen de relatie tussen de mens en God als een verticale, rechtstreekse lijn waarbij God aan al de draadjes trok. Mijn godsbeleving gaat daar lijnrecht tegenin. Ik geloof in de godsgemeenschap.

Iedereen beleeft zijn eigen levensbeschouwing. We leren het samenleven met anderen af. Individualisme, egoïsme en racisme voeren de boventoon. Mensen leven naast elkaar in plaats van met elkaar. Samenleven is essentieel aan het mens-zijn; het overstijgt de fysieke mens. We hebben nood aan gemeenschapsvormende initiatieven, aan een religieuze dimensie die vanuit het geloof in God het belang van de andere benadrukt en daardoor een stuwende factor is in het samenleven met anderen. De christelijke waarden kunnen een belangrijke bijdrage leveren om het evenwicht in de maatschappij te herstellen. Een politieke partij is slechts zinvol als ze dat evenwicht in de samenleving helpt opbouwen. Heel wat mensen beschouwen de politiek als ‘een derde’ die de problemen voor hen zal oplossen. Politiek speelt een belangrijke rol in de samenlevingsopbouw, maar politici moeten het afleren om te doen alsof ze in een vacuüm werken dat volledig buiten het terrein van de burgers ligt.

Sommige politici beschouwen het referendum als summum van democratie. Zij gaan ervan uit dat er individuele lijnen lopen tussen de burger en de politicus als medeverantwoordelijke in de organisatie van de maatschappij. Ik ben geneigd om te zeggen dat dan de volgende stap die is van de dictatuur, want niets is zo manipuleerbaar als de massa. De illusie creëren dat de massa individuele banden heeft met het beleid, is de negatie van het begrip ‘gemeenschap’.”

 

WERK

Ben je per definitie deugdzaam als je druk bezig bent?

“Toen ik jong was, werd me voorgehouden dat ledigheid het oorkussen des duivels was. Als ik vandaag de theorieën over onthaasting hoor en als ik zie hoe jongeren met tijd en werk omgaan, kan ik niet anders dan concluderen dat ze meer evenwicht in hun leven proberen in te bouwen dan wij ooit gedaan hebben. De mensen van mijn generatie hebben werken en presteren eendimensionaal verheerlijkt en de kwaliteit van het leven uit het oog verloren.

Ik heb er geen enkel probleem mee om af en toe in ‘lethargie’ te verzinken. Leegheid in jezelf is vaak de bron van heel wat creativiteit.”

 

 

©Jan Stevens (Uit: Het filosofisch woordenboek)

%d bloggers liken dit: