‘Als kind je ouders niet kunnen vertrouwen, is verschrikkelijk’

De Britse Julia Samuel (62) geldt voor veel landgenoten als de psychotherapeut die hen bijstaat bij vaderlandse rouw en verdriet. In ‘Elke familie heeft een verhaal’ beschrijft ze hoe ze tijdens de pandemie traumatische gebeurtenissen in verschillende families trachtte te helen. “De sleutelwoorden zijn altijd: liefde en veiligheid.”

“Ik kom zelf uit een koud gezin”, bekent Julia Samuel halverwege het interview. “Mijn ouders spraken nooit over gevoelens. Moeder was amper 25 toen haar ouders, broer en zus dood waren. Gestorven in de Tweede Wereldoorlog. Vader en moeder repten met geen woord over hun doden. Hun motto was: ‘Forget and move on’, begraaf het verleden. Alleen werkt dat zo niet. Ze blokkeerden continu hun emoties en ik voelde de wanhoop. Daarom werd ik therapeut.”

Samuels troostrijke boek ‘Elke familie heeft een verhaal’ eindigt met tien lastige vragen. De Adverse Childhood Experiences Questionnaire of ACE-vragenlijst is een internationaal gebruikte vragenlijst die peilt naar negatieve jeugdervaringen. Alle vragen gaan over de eerste achttien levensjaren en moeten beantwoord worden met ‘nee’ of ‘ja’. Elke ja levert één punt op. Nee telt niet mee.

De ACE-vragen laten aan duidelijkheid niets te wensen over:

1. Werd je door een ouder of een andere volwassene in je directe omgeving regelmatig uitgescholden, beledigd, vernederd of teleurgesteld?

2. Heeft een ouder of een andere volwassene je regelmatig geduwd, geknepen, geslagen of dingen naar je gegooid?

3. Heeft een persoon die minimaal 5 jaar ouder was dan jij, je ooit op ongepaste wijze aangeraakt of gevraagd hem of haar aan te raken?

4. Had je vaak het gevoel dat je er in je gezin niet toe deed? Dat er niemand was die van je hield?

5. Had je vaak het gevoel dat je niet genoeg te eten kreeg, dat je vuile kleren moest dragen of dat er niemand was om je te beschermen?

6. Zijn je ouders gescheiden of uit elkaar?

7. Werd je moeder of stiefmoeder regelmatig geduwd, vastgegrepen of geslagen of werden er dingen naar haar hoofd gegooid?

8. Was er iemand in je naaste omgeving met een alcoholprobleem of drugsverslaving?

9. Had er iemand in het gezin last van depressies of andere psychische problemen of ondernam iemand in je naaste omgeving een zelfmoordpoging?

10. Heeft een van de gezinsleden in de gevangenis gezeten?

Ik scoor vijf op tien. Wat wil dat zeggen?

Julia Samuel: “Dat is hoog. Dat wil zeggen dat uw jeugdjaren niet goed waren, en dat u misschien nood hebt aan hulp. Precies dat wil de ACE-vragenlijst bewerkstelligen: dat volwassenen met angst- en stressproblemen die zich vragen over hun jeugdervaringen stellen, kunnen inschatten hoe ernstig die waren. Bij u is het behoorlijk ernstig.”

Ik werd als kind door mijn moeder mishandeld. Ik ben inmiddels 58 en die jeugdervaringen achtervolgen me. Uw boek was voor mij soms zeer herkenbaar.

“Dat kan ik me voorstellen. Niet iedereen die zoals u vijf scoort, voelt de behoefte om hulp te zoeken bij een psychiater of psychotherapeut. Sommige lotgenoten komen misschien tot de conclusie: ‘Ik heb een stabiele relatie, ben relatief gelukkig en heb geen zin om in dat verleden te roeren. Ik voel me veerkrachtig genoeg en laat het voorlopig zo.’ Dat is prima. Al kan dat later altijd omslaan in onbehagen wanneer angst, paniek, vervreemding of depressie het toch overnemen.

“U praat meteen heel open over uw eigen ervaring. Dat vind ik zeer bijzonder, want veel slachtoffers van kindermishandeling schamen zich als volwassene diep over wat hen overkomen is.”

Ik liet de schaamte achter me. Twee jaar geleden schreef ik er een persoonlijk artikel voor de krant over. Ik kreeg toen veel reacties van bekenden en onbekenden die een gelijkaardige jeugd meemaakten. De mensen in uw boek overwonnen ook hun schaamte?

“Ik had niet verwacht dat al die cliënten akkoord zouden gaan om in mijn boek te figureren. Toch zeiden ze allemaal volmondig ja.

“Voor de 54-jarige terminale kankerpatiënt Archie Craig werd het een intellectueel en spiritueel testament voor zijn nabestaanden. Wat in het begin helemaal niet zijn bedoeling was. Hij dacht eerst dat zijn verhaal misschien een hulp kon zijn voor lotgenoten. Ik liet hem mijn neerslag van onze therapeutische sessies lezen en toen vond hij het een prachtige nalatenschap voor zijn kinderen. Archie leeft trouwens nog.

“De andere cliënten leken het vooral fijn te vinden dat ik hen hoogachtte en dat hun verhalen mij écht raakten. Ook zij hopen met hun ervaringen anderen te helpen.”

De therapeutische sessies uit uw boek vonden plaats tijdens de coronapandemie en verliepen via Zoom. Zorgde die afstandelijkheid voor een andere vorm van therapie?

“Therapie via Zoom is anders dan face-to-face, wat niet wil zeggen dat het slechter is. Een therapiesessie met een familie is soms moeilijk te organiseren. Het is vaak gedoe om iedereen in dezelfde kamer te krijgen, niet alleen om praktische redenen, ook om emotionele. Zoom maakt het eenvoudiger om agenda’s op elkaar af te stemmen. Sommigen voelden zich in hun eigen huis meer op hun gemak. Ze hoefden onderweg naar mijn praktijk niet meer verloren te rijden. Ik kon ook de ouderen bereiken, de oma’s en opa’s van wie ik vermoed dat ze nooit naar een live sessie zouden gekomen zijn.”

Omdat zij nog steeds van oordeel zijn dat alleen gekken bij de psychotherapeut op de sofa liggen?

“Precies. (lacht) Zoomen met hun kinderen vonden ze minder bedreigend. Als therapeut was het fascinerend om al die gezichten van nabij te zien. Al miste ik ook dingen: zo zag ik niet wat ze met hun handen deden, of hoe ze aan hun kleren zaten te friemelen. Lichaamstaal is belangrijk: dan lees ik wat er vanbinnen woedt.”

U leest mij nu ook?

“Niet echt, hoor. Dit is een andere setting. U leest nu mij. (lacht)”

Soms zijn families gevaarlijke, gewelddadige plekken?

“Voor zeer veel mensen kunnen ze, net zoals voor u, bron zijn van allergrootste angst. Met familie bedoel ik: ouders, grootouders, kinderen en kleinkinderen. Behalve één grootmoeder die zich niets van ons aantrok, waren al mijn grootouders dood bij mijn geboorte. Tijdens mijn werk als therapeut ontdekte ik tot mijn grote verrassing hoe belangrijk én betekenisvol goede grootouders voor hun kleinkinderen zijn.

“Geweld in een gezin is vaak gelinkt aan alcohol- of drugsmisbruik door één ouder of beide. Als jong meisje zag ik in mijn eigen omgeving wat alcohol aanricht. Mijn moeder dronk zich elke dag lazarus. Soms ontplofte ze dan. Op mijn 27e dronk ikzelf mijn allerlaatste glas. Ik wou niet in haar voetsporen treden.

“Het gaat trouwens niet altijd om bruut lichamelijk geweld. Soms is het ‘subtieler’ en is het geweld emotioneel. Stilte kan in handen van een ouder een vreselijk wapen zijn met een vader of moeder die twee dagen lang geen woord tegen je zegt. Of het tegengestelde: een vader of moeder die tegen je schreeuwt en je de huid vol scheldt. Of een van je ouders noemt je een idioot. Al die uitingen van misprijzen zijn zeer beschadigend.”

Bij ons maakte Hilde Van Mieghem met haar baanbrekende televisiereeksen ‘Als je eens wist’ taboes als kindermishandeling, partnergeweld en oudermishandeling bespreekbaar. In uw boek vraagt u ook aandacht voor een ander taboe: geweld tussen broers en zussen.

“Dat blijft onderbelicht en onderschat, terwijl het zeer vernietigend kan zijn voor wie er het slachtoffer van is. Geloof me, ik weet waarover ik spreek. Soms ontaardt wat eerst ‘onschuldige’ rivaliteit lijkt, in nietsontziend pestgedrag en wordt een kind door broers of zussen mentaal afgemaakt. Vaak omdat de ouders hun kinderen geen veilige omgeving garanderen.”

Wanneer besluit u om de hele familie in een therapie te betrekken?

“Ik ben al meer dan dertig jaar therapeut en elke cliënt die ooit bij mij langskwam, had het spontaan over zijn of haar familie of schoonfamilie. Het maakte niet uit of de oorspronkelijke reden van het bezoek depressie, rouw of liefdesverdriet was.”

Familie en schoonfamilie vormen potentieel twee voedingsbodems voor mentale problemen?

“Ja, maar ze hebben ook de potentie om twee krachten te zijn. Als je met iemand een nieuwe relatie begint, breng je je familie met je mee: je ouders, grootouders en misschien ook je kinderen. Dat impliceert ook al die familiale gewoontes rond verjaardagen of grote feesten zoals nieuwjaar. Maar ook de manier waarop je conflicten oplost of beslissingen neemt. Een kersvers koppel moet samen op zoek naar een compromis voor de nieuwe familie die zij zullen vormen. Veel mensen lijken dat niet eens te beseffen. Hun vertrekpunt is: ‘Ik, en mijn familie, hebben het bij het rechte eind. De andere, en zijn of haar familie, slaan de bal mis.’ Terwijl het helemaal niet gaat om wat jíj́ denkt of wil, maar om hoe je met elkaar communiceert. Natuurlijk mogen er meningsverschillen zijn, op voorwaarde dat er ook begrip is. Want op het einde van de rit moet er altijd een compromis gesloten worden. Koppels moeten leren praten, onderhandelen, ruziemaken én verzoenen. Het is nooit gezond om op het eerste gezicht banale ruzietjes op te kroppen tot die exploderen.”

De eerste familie uit uw boek is Britse upper class, met een landgoed in de stijl van Downton Abbey. Disfunctionele gezinnen komen in alle rangen en standen voor?

“Zeker. Een warm familienest heeft niets te maken met geld, sociale klasse of afkomst, maar alles met liefde, vertrouwen en voorspelbaarheid.

“De sleutelwoorden zijn altijd: liefde en veiligheid. Een kind moet zich veilig voelen. Liefde is de onderliggende emotie die ervoor zorgt dat iemand zich veilig voelt. Dat is niet soft. ‘Liefhebben’ klinkt misschien een beetje cheesy, maar is het verdorie helemaal niet.

“Het is verschrikkelijk om als kind je ouders niet te kunnen vertrouwen, zoals u meemaakte. Dan verlies je alle zelfvertrouwen én het vertrouwen in de rest van de wereld.”

Een overlever van kindermishandeling draagt dat de rest van zijn leven met zich mee?

“Als therapeut geloof ik dat verbetering mogelijk is. Maar het angstige gevoel als gevolg van een onveilige hechting is niet te herstellen. Wat wel kan, is je reactie op die angst en onrust veranderen.

“Therapie neemt niet de schade weg die uw onvoorspelbare woedende moeder bij u aanrichtte toen ze u als kind verrot sloeg. Therapie kan u wel helpen te ontdekken dat niet elk levend wezen zoals uw moeder is. Therapie kan u ook leren omgaan met stress. Het kan u helpen in het nu te leven.”

U was de beste vriendin van wijlen Lady Diana?

“We waren hartsvriendinnen. We leerden elkaar kennen toen we allebei pas getrouwd waren. Het klikte meteen tussen ons. Ik hield van haar en ik mis haar nog elke dag.”

Is de Britse koninklijke familie een voorbeeld van een disfunctionele familie?

“Daar antwoord ik liever niet op. (lacht uitbundig)”

Het gezin gold lang als de hoesteen van de samenleving. Is dat nog steeds zo?

“Ik vind van wel. Of laat ik het anders stellen: ik vind dat dat zo zou moeten zijn. Want wat is het alternatief? Veel koppels blijven vandaag minder lang samen dan hun ouders. Na een jaar of tien gaan ze uiteen en beginnen ze een nieuwe relatie. Dat is niet altijd negatief.”

U vindt niet dat ouders een scheiding zo lang mogelijk moeten proberen uitstellen omwille van de kinderen?

“De generatie van mijn ouders bulkte van de ongelukkige huwelijken. Ze maakten continu ruzie of praatten amper tegen elkaar, toch bleven ze samen. Te veel conflicten en stormen komen het welzijn van de kinderen nooit ten goede. Soms is het écht beter om uit elkaar te gaan. Alleen moet je er na de scheiding voor zorgen dat het geruzie ophoudt, omwille van de kinderen. Want als het conflict tussen twee exen blijft etteren, zijn de kinderen daar de dupe van.

“Gescheiden ouders moeten niet de beste vrienden worden, maar vinden best wel een manier om samen op een liefdevolle, vreedzame wijze voor hun kinderen te zorgen. Dan komt het goed.”

Het concept ‘gezin’ is de voorbije decennia ingrijpend veranderd.

“Zeker. Het traditionele gezin met vader, moeder en kinderen, is al lang niet meer de standaard. Vandaag zijn er duizenden eenoudergezinnen, lhbtq­gezinnen, nieuwsamengestelde gezinnen, adoptiegezinnen of gezinnen die bewust kinderloos blijven.”

De gezinnen in de samenleving zijn veranderd, maar geldt dat ook voor de mentaliteit? In uw boek beschrijft u hoe lastig het is voor het gehuwde homokoppel Devanj en Aengus, twee goedboerende veertigers in een stabiele relatie, om een kind te adopteren.

“De samenleving aanvaardt homokoppels, maar heeft het moeilijk met homokoppels met een kinderwens. De vooroordelen tegenover twee mannen die een kind adopteren, blijven overeind. Devanj en Aengus schrokken daar heel erg van; ze hadden dat niet verwacht. Ze vertelden me dat ze waren beginnen geloven dat ze in een liberaal tijdperk leven. Dat geloof moesten ze als toekomstige adoptieouders drastisch bijspijkeren. Zowat overal hoorden ze negatieve commentaren.”

U schrijft dat een traumatische gebeurtenis die wordt weggestopt in plaats van verwerkt, aan de volgende generaties wordt doorgegeven. Sterker nog: een trauma verandert de chemische lading in onze genen.

“Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog beleefde Nederland een hongerwinter. Uit diepgaand wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de kinderen van vrouwen die honger hadden geleden én zwanger waren, epigenetische veranderingen hadden ondergaan. De codes van hun genen bleven gelijk, maar soms waren de functies veranderd. Die kinderen stierven eerder dan het nationale gemiddelde, hadden meer obesitas of kregen hartkwalen en waren extreem stressgevoelig.”

Dat wil zeggen dat een kind dat door zijn ouders is mishandeld, dat trauma via zijn genetisch materiaal doorgeeft aan zijn kinderen én kleinkinderen?

“Dat hoeft niet per se zo te zijn, maar het is een mogelijkheid. Als je als kind mishandeld bent of traumatische ervaringen meemaakte, ben je niet automatisch gedoemd om dat over de generaties heen door te geven. Eén van mijn cliënten uit het boek, Kati Berger, belandde als meisje van veertien in Auschwitz. Ze overleefde de gruwel, maar gaf dat trauma níet aan haar kinderen door. Veel anderen wel.

“Mensen geven trauma’s aan hun kinderen en kleinkinderen door via hun gedrag. Als je de hongerwinter van 1944 meemaakte, is je verhouding met voedsel anders. Je kunt het dan bijvoorbeeld niet verdragen dat borden niet worden leeggegeten. Of je ergert je mateloos aan mensen die achteloos met voedsel omspringen en het verspillen. Misschien eet je zelfs op een aparte manier. Je kinderen pikken vervolgens dat gedrag op. Daar komt dan die epigenetica bij: de hoge hoeveelheid cortisone in je lijf zet bepaalde genen aan en uit, wat je doorgeeft aan je nageslacht. Die veranderingen in de chemie van de genen blijft twee generaties lang doorwerken.

“Therapie kan helpen helen, maar is altijd hard werken en vaak pijnlijk. Het is geen gezellige koffieklets. Soms is het verstandig om wanneer je hoog op de ACE-vragenlijst scoort, tóch in therapie te gaan, ook al voel je je niet ellendig. Op dat moment ben je nog sterk genoeg om de confrontatie met jezelf aan te gaan. Want geloof me: het verleden haalt veel mensen met nare jeugdervaringen op een bepaald moment in. Als ze dan crashen, is therapie nóg harder werken. Hoe was dat bij u?”

Ik geloofde ook lang dat ik het veilig kon wegstoppen. Tot ik in 2004 in een zware depressie belandde. Een psychiater en mijn huisgenoten hebben me toen gered.

“Weet u of uw gewelddadige moeder getraumatiseerd was?”

Haar vader maakte halverwege de jaren veertig een einde aan zijn leven. Hij liet een weduwe met vier jonge kinderen achter. Ik herinner me mijn grootmoeder als een harde tante.

“Het is goed dat u dat trauma hebt aangepakt. Want als u dat niet had gedaan, kwam het misschien boven water bij één van uw kinderen. Ze kennen uw verhaal? Dan weten ze dat u al die ellende recht in de ogen hebt gekeken. U kreeg inzicht in het verhaal van uw moeder. Dat neemt de pijn niet weg van wat ze u aandeed, maar u weet tenminste waar het vandaan komt.”

Mijn moeder leeft nog. Ik verbrak bewust alle contact met haar.

“Zoals Archie in mijn boek. Soms is er geen andere keuze, hoe hard dat ook klinkt. Uw verhaal is dat van veel mensen. Familiaal geweld is meer alomtegenwoordig dan we willen geloven. Met ouders of broers en zussen breken, doet niemand lichtzinnig. Dat blijft altijd knagen.

“Door de giftige relatie met uw moeder te verbreken, verbrak u ook de relatie met de liefhebbende moeder waar u van droomde. U vraagt zich wellicht af wat er met u zal gebeuren als ze sterft. Het rouwproces over de moeder die u had, ligt achter u. U rouwt nu om de moeder die u had gewenst. Na haar dood wordt die rouw intenser. U weet heel goed dat de kans nihil is dat ze ooit een liefhebbende moeder wordt. Ze liet alle kansen liggen. Toch zal u na haar dood rouwen over die droom die nooit werkelijkheid werd.”

Het lijkt wel alsof ik nu bij u in therapie ben.

“O nee, helemaal niet. Als ervaringsdeskundige voelt u exact wat ik bedoel. Schrijf dit maar allemaal op.”

Julia Samuel, Elke familie heeft een verhaal, Balans, 352 blzn, 23,99 euro

Bio

Julia Samuel

  • geboren in 1959
  • begon 30 jaar geleden te werken als rouwconsulent in Londen
  • oprichter van de ngo Child Bereavement UK, rouwbijstand voor ouders die een kind verliezen
  • runt een succesvolle therapeutische praktijk in Londen
  • schreef de bestsellers Rouwwerk en Keerpunt

© Jan Stevens

‘Op straat krijg ik knuffels van iedereen’

Na een straf van 5,5 jaar is de Britse islamist Anjem Choudary weer op vrije voeten. Gederadicaliseerd is de geestelijke vader en mentor van Sharia4Belgium allerminst. “Ik geloof niet in wetten die gemaakt zijn door de mens.”

Toen in september 2014 moslimextremist Anjem Choudary (54) in zijn woonplaats Londen gearresteerd werd, waren velen ervan overtuigd dat hij snel weer op vrije voeten zou zijn. Want de vorige twintig jaar slaagde hij er telkens weer op wonderbaarlijke wijze in om uit de handen van het gerecht te blijven. Maar deze keer leek het alsof hij zijn hand had overspeeld. Een jury veroordeelde hem tot 5,5 jaar gevangenisstraf voor het actief steunen van Islamitische Staat (IS) en voor het rekruteren van Syriëstrijders.

Van juli 2016 tot oktober 2018 zat Choudary in de cel; de rest van zijn straf mocht hij onder strikte voorwaarden met een enkelband thuis uitzitten. In juli 2021 werd hij vrijgelaten. “Ik zat mijn straf volledig uit en zou dus nu ook volledig vrij moeten zijn”, zegt hij. “Alleen houden de Verenigde Naties mijn tegoeden bevroren. Ze schreven ook een internationaal reisverbod uit en een wapenembargo. In de praktijk komt het erop neer dat ik toestemming moet vragen voor alles wat ik koop én dat ik bonnetjes moet indienen. Ik vind dat onzin, want mijn zogenaamde misdrijf heeft niets met geld te maken. Het bevriezen van mijn rekeningen is niet meer dan een verlenging van mijn straf. Ik mag amper 75 pond per week uitgeven; dat maakt het voor mijn gezin van vijf kinderen niet makkelijker. Al is het belangrijkste dat mijn geloof niet is aangetast en dat ik terug bij mijn familie ben. In mijn moslimwijk in Londen ben ik geliefd. Op straat krijg ik nu knuffels van iedereen.”

Eind jaren 80, begin jaren 90 studeerde de in Londen geboren Anjem Choudary rechten. Zijn studievrienden kenden hem als de goedlachse Andy die verzot was op alcohol, cannabis en vrouwelijk schoon. Later raakte hij in de ban van het islamisme en de internationale radicale beweging Hizb ut-Tahrir. Met inmiddels verboden salafistische organisaties als Al-Muhajiroun, Al Ghuraaba en Islam4UK ontpopte hij zich tot de radicaalste onder de radicalen.

In januari 2010 haalde Anjem Choudary de Belg Fouad Belkacem naar Londen en gaf hem de leiding over het nieuw op te richten Sharia4Belgium. Belkacem alias ‘Abu Imran’ organiseerde da’wa’s, waarbij hij op straat bekeerlingen trachtte te winnen. In september 2011 installeerde hij in Antwerpen de eerste Belgische shariarechtbank, zoals leermeester Choudary hem dat in Londen had voorgedaan. Tientallen Sharia4Belgium-aanhangers vertrokken naar het front in Syrië om er te gaan meevechten met jihadistische organisaties. In februari 2015 oordeelde de Antwerpse rechtbank dat Sharia4Belgium een terroristische organisatie is. Leider Fouad Belkacem werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar.

“Sharia4Belgium van Abu Imran, moge Allah hem bevrijden, was altijd onafhankelijk”, beweert Choudary. Hij ontkent Belkacems leermeester en mentor te zijn. “Abu Imran modelleerde zijn organisatie op die van ons, maar onze communicatie was zeer beperkt. Akkoord, hij kwam me een paar keer opzoeken in Londen en ik reisde ook een paar keer naar België. Al waren dat eerder beleefdheidsbezoeken: een hapje eten, wat praten en genieten van elkaars gezelschap. Ik vernam pas veel later via de media dat een veertigtal mensen van Sharia4Belgium België ingeruild hadden voor Syrië en Irak. Ik kende amper twee Sharia4Belgium-leden bij naam. Zelfs Abu Imran pleit onschuldig voor dat rekruteren; ook hij had daar niets mee te maken. Zijn lange gevangenisstraf is daarom buitensporig. Bovendien pakten de Belgische autoriteiten hem ook nog eens zijn nationaliteit af en willen ze hem naar Marokko sturen. Terwijl hij daar niet eens geboren is.”

Is medestichter Feisal Yamoun alias ‘Abu Faris’ het tweede Sharia4Belgium-lid dat Choudary bij naam kent? “Ja, ook hij kwam een paar keer naar Engeland. Ik heb geen idee hoe het nu met hem gaat.”

Yamoun vertrok naar Syrië en sloot zich aan bij de terreurgroep Majlis Shura Al Mujahidin. In 2014 stierf hij tijdens de gevechten om Aleppo. Zijn weduwe Faïza H. werd in februari 2021 bij verstek tot vijf jaar gevangenschap veroordeeld. Zij zou zich nog steeds in Syrië bevinden bij terreurgroep Jabhat Al Nusra.

“Ik heb inderdaad ook gehoord dat Abu Faris gestorven is”, knikt Choudary. Het gat in zijn geheugen lijkt te dichten. “Maar ik wist niet op voorhand dat hij plannen had. Wanneer mensen aan de jihad willen deelnemen, lopen ze daar op voorhand nooit mee te koop. Wellicht wisten zelfs hun eigen familieleden niet dat ze gingen vertrekken, laat staan een paar kennissen in Engeland. Of gelooft u echt dat die gasten me op voorhand belden: ‘O, Anjem, we willen naar het buitenland!’”

Grootste IS-rekruteerder

Eind 2013 verscheen een stevig gedocumenteerd rapport over Anjem Choudary van de Britse anti-racismeorganisatie Hope not hate. Onderzoekers Joe Mulhall en Nick Lowles duidden Choudary aan als de leider van een wereldwijd netwerk van islamisten. Via zijn Global Shariah Movement trok hij volgens hen aan de touwtjes bij radicale moslimorganisaties in 21 landen, waaronder Sharia4Belgium van Fouad Belkacem. Ze noemden Choudary de grootste Europese rekruteerder voor IS: hij zou minstens 300 Europese jongeren naar het slagveld in Syrië gestuurd hebben, onder wie zeker 33 Belgen.

“Misschien zouden we het beter over ‘Hate not hope’ hebben in plaats van ‘Hope not hate’”, reageert Choudary korzelig. “Als ik echt zo gevaarlijk was, had de politie me toch al eerder vragen gesteld over al die mensen die ik zogezegd naar het buitenland stuurde? Ik ontmoette een paar van die Syriëstrijders voor het eerst toen ik eind 2014 in de Belmarsh-gevangenis terechtkwam. Ik had die mensen daarvoor nooit gezien. De politie heeft me ook nog nooit ondervraagd over aanslagen waar ik zogezegd de inspirator voor ben. Behalve één keer in 2003 na Mike’s Bar in Tel Aviv. Daarna nooit meer.”

Op 30 april 2003 blies de Brit Asif Muhammad Hanif zich op aan de ingang van Mike’s Bar in Tel Aviv, doodde drie burgers en verwondde 60 anderen. Het ontstekingsmechanisme van de bom van zijn kompaan Omar Khan Sharif weigerde dienst. Sharif raakte gewond en werd later dood teruggevonden. Hanif en Sharif bleken twee pupillen van Anjem Choudary te zijn.

Ook de 25-jarige Ali Harbi Ali die op 15 oktober 2021 het conservatief parlementslid David Amess neerstak en vermoordde, zou in de ban geweest zijn van Choudary. Volgens vroegere schoolvrienden radicaliseerde hij online, door het bekijken en beluisteren van Choudary’s preken op Youtube. “De man is 25 jaar oud en zat al jaren niet meer op de schoolbanken. Hoe kan het kijken naar mijn oude filmpjes van tien jaar geleden nog iets met feiten van nu te maken hebben?”, repliceert Choudary. “Duurde het dan een decennium eer hij tot het besluit kwam om die volksvertegenwoordiger te doden? Dat is toch belachelijk? Omdat die jongeman tien jaar geleden een filmpje van mij bekeek, word ik de rest van mijn leven aan hem gelinkt. Zelfs Boris Johnson wees in het parlement met een beschuldigende vinger naar mij: ‘Al die uren van haatspraak op het internet.’ Terwijl hij nog geen seconde van mijn lezingen zag. Ze gaan over jurisprudentie en de koran. Maar dat interesseert niemand; iedereen gelooft liever zijn eigen propaganda.”

Trouw aan IS

Sinds zijn vrijlating maakt Anjem Choudary zich zorgen over de haatspraak en doodsbedreigingen aan zijn adres op het internet. “Niemand ligt daarvan wakker”, zegt hij. “Want ach, het gaat maar over die ‘haatprediker’. Als een politicus online bedreigingen ontvangt, wordt er meteen ingegrepen. Jarenlang legden de Britse autoriteiten elke uitspraak van mij onder de microscoop. Toen in september 2016 mijn zaak voorkwam, las ik in de gerechtsdocumenten dat ze daarvoor al tientallen keren geprobeerd hadden me op te pakken. Maar ze vonden geen smoking gun. Tussen 2004 en 2014 vielen ze tien keer in mijn huis binnen. Nooit konden ze me iets ten laste leggen. Deze laatste keer kwamen ze dan af met die zogenaamde eer van trouw aan IS. Ze beweerden die gevonden te hebben op een Indonesische computer. Ik had dat ding nooit gezien en ben dus totaal onschuldig. Ze gebruikten paragraaf 12 van de Britse antiterreurwet van 2000 om mij als IS-supporter veroordeeld te krijgen. Die wet verbiedt steun aan een verboden organisatie. Maar de rechters raakten het niet eens of die paragraaf ook op mij van toepassing was en gingen daarom eerst te rade bij het Hooggerechtshof. Ook daar raakten ze er niet wijs uit en besloten ze dat de jury maar moest oordelen. Net toen de jury zich in juli 2016 terugtrok om te beraadslagen, reed iemand met een vrachtwagen over de Promenade des Anglais in Nice en doodde iemand anders in Normandië een priester. Vermits ik op dat moment in Groot-Brittannië staatsvijand nummer 1 was, was mijn lot snel bezegeld.”

Maar Choudary wás toch een fervent supporter van Islamitische Staat? In augustus 2014 zei hij in de krant De Morgen over het IS-kalifaat in Syrië en Irak: “Op dit moment leven miljoenen onder de sharia in een gebied groter dan Engeland. Alle moslims hebben nu geen andere keuze dan Abu Bakr al-Baghdadi of kalief Ibrahim te erkennen als de grootste moslimautoriteit ter wereld.”

Hij zucht diep. “Toen in de zomer van 2014 de Islamitische Staat werd uitgeroepen, hield de organisatie IS feitelijk op met te bestaan. Vanaf dan ging het over een échte staat die inderdaad veel groter was dan Frankrijk of Groot-Brittannië. De Britse minister van Buitenlandse Zaken zei: ‘Wie burger wenst te worden van de Islamitische Staat, verliest zijn Britse nationaliteit.’ Hoe kon op dat moment die échte staat nog een verboden organisatie zijn? België noem je toch ook geen ‘organisatie’? Ik becommentarieerde in 2014 enkel of die staat islamitisch was, net zoals ik kan becommentariëren of een staat communistisch of kapitalistisch is. Ik stuurde een eenvoudige tweet de ether in: ‘Moge Allah het kalifaat en Abu Bakr al-Baghdadi zegenen.’ Meer niet. Omwille van mijn profiel en het grote aantal volgers dat ik toen op Twitter had, was dat zinnetje plots een bedreiging. Maar drukt het ook steun uit?”

Was de Islamitische Staat een na te volgen voorbeeld voor de rest van de wereld? Choudary: “Er volgen wellicht nog vele islamitische staten die even snel als het IS-kalifaat weer zullen verdwijnen. Maar op het einde blijft er een staat die zal heersen over de hele wereld en waar mensen eindelijk rust vinden. Alleen Allah weet wanneer die er komt. Ik was nooit in Syrië of Irak en weet dus ook niet hoe de situatie daar precies was.”

Anjem Choudary had nooit plannen om zelf naar de Islamitische Staat te reizen? “Toch wel. Ik vroeg de autoriteiten mijn reispas zodat ik kon vertrekken. Dat weigerden ze. Ze wilden gewoon niet dat ik vertrok. Ze hadden veel liever dat ik hier bleef zodat ik de Britten kon radicaliseren.” Hij lacht hartelijk.

Gelooft hij in de democratie? “Natuurlijk niet, wat een domme vraag. Ik geloof niet in wetten die gemaakt zijn door de mens. De enige wetgever is Allah.” Dan vraag hij: “Bent u christen of jood? U bent atheïst? Daar krijgt u op de dag des oordeels spijt van. Gelukkig is er altijd hoop: ik nodig u uit om naar de islam te kijken. Vergeet de hype en alle mediapropaganda die u zelf mee hielp creëren. Geloof daar niets van.”

De onthoofdingen van journalisten zoals James Foley en Steven Sotloff door IS geven toch niet veel vertrouwen in Choudary’s versie van de islam? “Het was toen oorlog”, antwoordt hij. “Dan gebeuren er altijd gruwelijke dingen. Ik wil die onthoofdingen niet rechtvaardigen, maar je moet niet alle westerse propaganda geloven.”

IS draaide die onthoofdingsvideo’s toch zelf? “Soms dient propaganda alleen om de vijand bang te maken. Er leefden ook heel wat mensen vredevol in het kalifaat. Zij maakten hun eigen video’s en toonden hoe prachtig het was.”

Biljartkoning

Van juli 2016 tot juni 2017 zat Anjem Choudary in de beruchte High Security Unit (HSU) van de Belmarsh-gevangenis in Londen, waar ook Julian Assange verblijft. “Ze noemen die plek niet voor niets het Britse Guantanamo Bay”, zegt hij. “Het is ook niet voor niets dat Assange er razendsnel grijs haar kreeg. De HSU heeft een rotslechte reputatie. Toen ik er aankwam, zag ik zo goed als enkel bejaarden, alsof ik op de geriatrie was aanbeland. Ik sprak zo’n oudje aan: ‘Waarom zit jij hier?’ Het bleek de op dat moment 77-jarige bankovervaller Brian Reader te zijn. In 2015 blies hij samen met een stel andere bejaarden de kluizen van een Londense bank in Hatton Garden op. Ze gingen met meer dan 14 miljoen pond aan juwelen en cash aan de haal. Ook Thomas Mair, de moordenaar van volksvertegenwoordiger Jo Cox, zat in Belmarsh. Maar er zaten ook andere zogenaamde terroristen. Wij, moslims, kwamen er héél goed overeen. Een paar keer per maand werd mijn cel binnenstebuiten gekeerd. Om zes uur ’s ochtends vielen de cipiers dan met veel lawaai binnen. Ik werd van mijn brits getild en ze doorzochten al mijn persoonlijke spullen. Om de drie maanden moest ik naar een nieuwe cel verhuizen. Ik leefde er continu onder stress en er hing een zeer onbehaaglijke sfeer.”

Volgde Choudary een deradicaliseringscursus? “In mijn eerste week in Belmarsh stapte de hoogste beveiligingsofficier mijn cel binnen. ‘U bent ’s lands radicaliseerder nummer één’, sprak hij plechtig. Hij had ook krantenknipsels over mij bij. Ik nam aan geen enkele van zijn deradicaliseringsprogramma’s deel. Ik wist dat ik er niet al te lang zou verblijven en dat ik in tegenstelling tot lang veroordeelden geen toegevingen voor strafvermindering moest doen. Ik hoefde helemaal niet mee te werken met reclasseringsambtenaren. Ik wist dat ik automatisch de helft van mijn straf met een enkelband mocht uitzitten. Waarom zou ik dan met mensen meewerken die alles wat ik zeg ooit tegen mij zullen gebruiken?”

In juni 2017 werd Choudary overgebracht naar het gloednieuwe Seperation Centre in de Frankland-gevangenis in het noorden van Engeland. “Ik was er de allereerste gedetineerde. Ze hebben dat complex speciaal voor mij gebouwd. In de Seperation Centres brengen ze al die mensen samen die ze liever niet tussen de gewone gevangenen laten rondwandelen. Alle zogenaamde geradicaliseerden die door de Britse overheid omwille van hun ideeën en overtuigingen als supergevaarlijk beschouwd worden. Er zijn nu zo twee centra, met enkel moslims. Ik was in Frankland tot oktober 2018.”

Choudary zat in de isolatieafdeling met vier andere islamisten die werden bewaakt door 25 cipiers. Een van Choudary’s medegevangenen was Michael Adebolajo, een van de moordenaars van de Britse soldaat Lee Rigby in mei 2013. Adebolajo was lid van Choudary’s verboden organisatie Al-Muhajiroun en kreeg toen de ‘strijdnaam’ Abu Mujahid.

“Het grote voordeel van het Seperation Centre van Frankland was dat al mijn medegevangenen moslim waren”, zegt Choudary. “Er was in de keuken geen contaminatie door varkens. We kookten voor elkaar en spraken elkaar moed in. Mijn geloof in God werd er alleen maar sterker. Hoe harder ik de Koran van buitenleerde, hoe meer mijn geloof bevestigd werd. Mijn medegevangenen waren even gelovig. De gevangenis was voor ons een manier om ons geloof verder uit te zuiveren. Ik voelde me jonger en frisser toen ik de gevangenisdeur achter me dichtsloeg.”

Hoe was de verstandhouding met de cipiers? Choudary: “De meesten waren ouder dan mij, zestigers en zeventigers. Ze hadden ooit in de steenkoolmijnen gewerkt. Toen Margaret Thatcher die in de jaren tachtig sloot, werden ze werkloos. Later herschoolden ze tot cipier. Ze zaten een hele dag kruiswoordraadsels op te lossen. Ze maakten het ons niet moeilijk en zagen mij niet als de gevaarlijkste man van het Verenigd Koninkrijk. Ik droogde hen regelmatig af bij het biljarten. Ze stonden versteld van mijn poolkunsten. (lacht) Ik leerde poolen in Belmarsh. Dat is het enige wat je daar kan doen. In Frankland speelde ik alle biljartballen in één vloeiende beweging van de tafel.”

Het London Bridge-probleem

Van oktober 2018 tot juli 2021 zat Anjem Choudary de tweede helft van zijn straf vooral in zijn woonkamer met een enkelband uit. “Ik leefde onder de meest restrictieve en draconische maatregelen die in Engeland ooit aan iemand gegeven zijn”, klaagt hij. “Zo mocht ik niet met de media praten en nooit meer dan twee mensen tezelfdertijd ontmoeten. Na het London Bridge-probleem in november 2019 werden er nog meer beperkingen opgelegd. Ik mocht niet meer naar het centrum van Londen en mijn avondklokregime werd verstrengd.”

Wat Anjem Choudary het ‘London Bridge-probleem’ noemt, is de aanslag op 29 november 2019 in de buurt van London Bridge waarbij de 28-jarige Usman Khan vijf mensen neerstak. Twee overleefden de aanval niet. Khan werd door de politie doodgeschoten. In zijn tienerjaren werd Khan lid van Choudary’s verboden organisatie Al-Muhajiroun. Hij werd ‘herdoopt’ tot ‘Abu Saif’ en was een tijdlang één van Choudary’s trouwste secondanten.

In november 2021 werd Anjem Choudary gespot met zijn oude bekende Abbu Izzadeen, alias de meermaals voor ondersteuning van terreurorganisaties veroordeelde ex-electricien Trevor Brooks. “Ik sprak inmiddels ook mijn oude vriend Anthony Small”, zegt Choudary. De voormalige Britse bokskampioen Small bekeerde zich in 2007 onder impuls van Choudary tot de salafistische islam. “We halen herinneringen op aan vroeger.”

Probeert Anjem Choudary zijn oude netwerk nieuw leven in te blazen? “Ik heb geen plannen om wat dan ook herop te bouwen. Vandaag ben ik een familieman, een vader die zijn kinderen graag wil zien trouwen. Van zodra ik die VN-restricties weggewerkt krijg, ben ik van plan om een paar plekken in de wereld te bezoeken die ik nog niet eerder zag.”

Bio

  • Geboren in Londen op 18 januari 1967
  • Studeerde rechten aan de University of Southampton
  • Richtte samen met de Syrische islamist Omar Bakri Muhammad in 1996 de in 2004 verboden salafistische organisatie Al-Muhajiroun op
  • Later volgden eveneens verboden organisaties zoals Al Ghurabaa, The Saved Sect, Islam4UK
  • Volgens Hope not hate waren minstens 70 veroordeelde of gedode terroristen lid van Al-Muhajiroun en heeft Choudary nauwe contacten met de Somalische terreurorganisatie Al-Shabaab
  • Werd in 2016 veroordeeld tot 5,5 jaar gevangenis voor steun aan IS

© Jan Stevens

Bernard Dewulf (1960-2021)

September 2014 – We zitten aan de lange ruwhouten tafel en drinken koffie. Het ochtendlicht valt door het openstaande raam naar binnen. Vogels tsjirpen in de tuin. Dit huis staat midden in de stad en toch is het hier stil. Dit huis is de thuis van dichter, columnist, essayist en toneelauteur Bernard Dewulf.

“We zitten hier in het interieur van je boek Kleine dagen”, merk ik op. Bernard Dewulf knikt. “Na het boek is een theatervoorstelling gevolgd. We hebben toen een exacte kopie van deze tafel laten maken.”

Kleine dagen verscheen in 2009 en bundelde een selectie van de stukjes die om de dag op de voorpagina van de krant De Morgen verschenen. De ene dag doopte Hugo Camps zijn pen in vitriool, de andere dag schreef Bernard Dewulf een poëzie ademend stukje over zijn opgroeiende kinderen of het binnenvallende ochtendlicht door het openstaande raam. Datzelfde jaar werd Dewulf na twintig jaar trouwe dienst bij De Morgen samen met twaalf collega’s ontslagen. “Na een lezing beginnen mensen nog regelmatig over dat ontslag”, zegt hij. “‘Mijnheer, ik vind dat zo jammer.’ Dat troost dan wel een beetje, maar ik mag er niet te lang bij stilstaan. Er gewoon over praten, is nog steeds moeilijk. Ik heb die krant ook nooit meer gelezen. De eerste maanden na het ontslag zat ze nog in de bus. Mijn kinderen hebben ze toen elke dag meteen de kelder ingegooid.” Hij glimlacht. “Ik had hen dat helemaal niet gevraagd, ze deden het uit eigen beweging.”

De tweede telefoon die Bernard Dewulf vlak na zijn ontslag bij De Morgen kreeg, was van acteur Wim Opbrouck. “Ik kende hem, maar hij was geen vriend. We hadden wel waardering voor elkaar omdat we allebei geïnteresseerd zijn in kunst. Datzelfde jaar zou hij aan het roer van NTGent komen. Hij zei: ‘Heb je zin om bij ons te komen werken?’ Hij zocht een dramaturg. Ik antwoordde: ‘Wim, ik ken niets van theater.’ Hij zei: ‘Zo iemand zoek ik. Ik wil een “oneigenlijk element” in mijn team.’ Ik ben Wim nog altijd heel dankbaar dat hij me toen gebeld heeft.”

Met Kleine Dagen won je in 2010 de Libris Literatuurprijs, goed voor 50.000 euro. Heeft die prijs je marktwaarde als dichter en schrijver de hoogte ingejaagd?

“Ik denk het niet. Het is wel zo dat ik toen voor de eerste en vermoedelijk ook de laatste keer beseft heb dat je met een boek geld kunt verdienen. Ik had daarvoor al dichtbundels en een paar essaybundels gepubliceerd, maar daar waren telkens maar een paar honderd exemplaren van verkocht. Ik was helemaal niet voorbereid op de Libris Literatuurprijs, want Kleine dagen was op het moment van de prijsuitreiking al een jaar uit. Er waren toen ongeveer 1.500 exemplaren over de toonbank gegaan, wat vrij behoorlijk was. Hier kenden lezers me van mijn dagelijkse column op de voorpagina van De Morgen; in Nederland was ik een illustere onbekende. En dan kreeg ik in mei 2010 die grote Nederlandse literaire prijs. In een paar maanden tijd explodeerde de verkoop van dat boek naar 50.000 exemplaren. Dat zal ik nooit meer meemaken. Als je in Vlaanderen 10.000 stuks van een boek verkoopt, heb je een stevige bestseller geschreven.”

Mensen beseffen niet hoe schraal het met de verkoop van boeken in Vlaanderen gesteld is?

“Nee, en je hebt gelijk: de boekenverkoop hier is soms schrijnend. Zowel uitgevers als schrijvers doen daar geheimzinnig over. De officiële cijfers moet je trouwens met een korrel zout nemen. Ooit heb ik een schrijver zien wenen omdat er na twee jaar maar tweehonderd exemplaren van zijn roman verkocht waren. Hij had nochtans goede recensies gekregen en was een paar keer over zijn boek geïnterviewd.”

Hoe kan een getalenteerde schrijver zich dan nog blijven oppeppen om toch verder te werken aan een nieuwe roman?

“Ik heb veel geluk dat ik al zo lang voor kranten schrijf, eerst twintig jaar voor De Morgen en dan vijf jaar voor De Standaard. Ik heb dus al een publiek en ik kan het alleen maar verprutsen. 300.000 mensen lezen De Standaard. Voor een schrijver die niet voor een krant werkt, is dat een natte droom. Het lezerspubliek van De Standaard is natuurlijk zeer heterogeen, als schrijver moet je dat publiek een beetje ‘bedienen’. Terwijl als je aan een roman werkt, is dat helemaal jouw boek, en wat de lezer van het eindresultaat vindt, is zijn zaak.”

Hou je in je wekelijkse columns in DS Weekblad dan altijd rekening met je lezers?

“Slechts een fractie van de krantenlezers zijn geoefende lezers. Dat kan ik afleiden uit de reacties van lezers die ik de voorbije jaren ontving. Ik schrijf natuurlijk ook voor de ‘geoefenden’ en zij zullen in mijn columns verwijzingen opmerken waar anderen overheen lezen. Maar ik schrijf ook voor al degenen die nooit een boek maar wel mijn stukje van 600 woorden in de krant lezen. Ik schrijf zowel voor mijn beste vriend die tien jaar aan Harvard gestudeerd heeft, als voor een leek. Elke week laveer ik tussen die uitersten. Ik vind dat veel uitdagender dan een artikel schrijven voor een kunstblad of een literair tijdschrift. Een stuk voor de krant is veel moeilijker want het moet helder geschreven zijn. Je mag nooit verwachten dat mensen je column nog eens zullen herlezen als ze het van de eerste keer niet helemaal gesnapt hebben. Ik wil duidelijk schrijven en er tezelfdertijd toch poëzie in leggen of een zin waarvan ik hoop dat hij lezers even doet nadenken. Vorige week werd ik door de eindredacteur van DS Weekblad gebeld. Hij zei: ‘Wat betekent je slotzin “vroeger dan zij wordt het niet”?’ Ik antwoordde: ‘Laat dat maar staan.’ Ik hoop dan dat er twee of drie mensen zijn die eerst verwonderd zeggen: ‘Wat staat daar nu?’ En het een paar seconden later snappen: Ha… ja!’ (lacht) Dat zinnetje had trouwens ook in een gedicht kunnen staan.”

Van jouw stukjes op de frontpagina van De Morgen werd gezegd dat ze ‘poëtisch’ waren.

“Ik heb me daar altijd tegen verzet. Het woord ‘poëtisch’ wekt ergernis in me op omdat ik dat met ‘flou artistique’ associeer. Dat vloekt met wat poëzie voor mij moet zijn: scherp, precies. Zelfs al lijkt een stukje van mij over mijn tuin of over het licht ietwat impressionistisch, ik probeer er toch altijd op te letten dat elk beeld klopt. Ik vind dat heel belangrijk.

In Kleine dagen begint een stukje over mijn dochter in haar vijfde levensjaar met de zin: ‘Een, twee, drie is ze vijf geworden.’ Die stukjes in De Morgen waren maximum 300 woorden lang. Ik dacht: ‘Hoe kan ik heel kort uitleggen dat ik mijn dochter razendsnel vijf heb zien worden.’ Van 0 jaar tot 5 lijkt één seconde in mijn hoofd. Plots vond ik dat heel precieze, op het eerste gezicht eenvoudige zinnetje: ‘Een, twee, drie is ze vijf geworden.’ Er zit een versnelling in die je ook terug hoort in het ritme. Daar hou ik van. Maar ik verwacht natuurlijk niet dat mijn lezers dat allemaal diepgaand zullen analyseren.”

Zit jij urenlang te tobben over die ene juiste zin?

“O ja. Mensen geloven dat niet, maar ik zit echt een hele dag te werken aan zo’n stukje. ‘Hij zit een halve dag op café en dan gaat hij naar huis’, denken ze. Als je de biografie van Simon Carmiggelt leest, zie je hoe ook hij zat te prutsen aan de ‘Kronkels’, de cursiefjes die hij voor Het Parool schreef. Ik heb intussen meer dan duizend stukjes geschreven, je zou dus kunnen veronderstellen dat het een routine geworden is, maar het tegendeel is waar. Nu ga ik elke week op zoek naar een andere manier om te zeggen wat ik allemaal al gezegd heb. Veel schrijvers doen dat. Hugo Claus maakte ook voortdurend variaties op hetzelfde thema, hij deed dat op een fantastische wijze.”

Was schrijver worden jouw jeugddroom?

“Ik heb gedichtjes liggen die ik geschreven heb toen ik een jaar of zeven was. Ik ben er altijd mee bezig geweest: als kind maakte ik echte boekjes, geplooide A4-tjes met nietjes in het midden. Maar een plan om schrijver te worden, heb ik nooit gehad. Als je me tien jaar geleden gezegd zou hebben: ‘Ooit ligt er een vuistdik boek in de boekhandel met al je beschouwende stukken over schoonheid in verzameld’, zou ik je gek verklaard hebben. Maar kijk: dat boek Toewijdingen is er nu.”

Heb je de ambitie om ooit een heuse roman te schrijven?

“De ambitie misschien wel, maar niet het talent. Ik kan dat echt niet. Na de derde druk van Kleine dagen heb ik aan de uitgever gevraagd om het woordje ‘novelle’ op de cover te zetten. Zo wou ik de critici een beetje jennen. (lacht) Maar ook omdat ik in mijn leven toch wel een novelle geschreven wou hebben. Ik vind het boek zelf een novelle, dus mag ik dat daar toch laten op zetten? Zo soeverein mag ik als schrijver toch zijn? Misschien vinden sommigen het een bundeling van stukjes, maar ik vind het een novelle.”

Hoe komt het dat jij uitblinkt in kleine stukken en in gedichten en niet in een grote roman? Je schrijft en bewerkt toneelstukken voor NTGent. Die zijn toch ook niet meteen ‘klein’ te noemen?

“Een toneelstuk is al snel 15.000 woorden, dat is inderdaad niet niks. En ik heb ook lange essays geschreven. Dat kan ik dan weer wel. Maar als ik een essay over een schilder als Edgar Degas schrijf, hoef ik zelf niets te verzinnen: zijn leven is daar, net als zijn werk. Ik kan daar dan boven gaan staan en met al dat materiaal dat voorhanden is mijn essay schrijven. Maar zelf iets bedenken met de spanwijdte van een roman… nee, ik kan dat echt niet. Dat heeft niet alleen te maken met de journalist in mij, maar ook met de dichter. Ik hou van de uitdaging van het compacte. Andere schrijvers hebben me trouwens al gezegd: ‘Sommige stukjes van jou zijn een hele roman.’ Als je een roman schrijft, moet je een paar jaar lang een raar soort innerlijke rust hebben, terwijl het leven ondertussen gewoon doorgaat. Ik kan me dat niet voorstellen.

Bij NTGent maak ik bewerkingen van toneelstukken zoals ik pas gedaan heb met Elektra. Zo’n bewerking maak ik in samenspraak met de regisseur van het stuk, maar in de taal ben ik vrij. Ik heb niet zoveel schroom om teksten van iemand anders rigoureus te bewerken. Alleen zo kun je je als schrijver voor toneel onderscheiden. De Elektra van NTGent moet natuurlijk ‘een Dewulf’ zijn, maar op verschillende niveaus verandert die tekst toch later weer: tijdens een uitvoering wordt hij uitgesproken door anderen in een welbepaald decor. Ik vind dat zeer fijn. Als je als schrijver je eigen teksten heilig vindt, werk je best niet voor theater.”

Ben je keihard als je een contract voor een nieuw boek met je uitgever moet onderhandelen?

“In onderhandelingen ben ik echt een eitje. Ik verkeer in de gelukkige positie dat ik het nog niet hoef te doen, maar misschien komt ooit de tijd dat ik moet onderhandelen over geld. Toewijdingen is 600 bladzijden dik, met 100 illustraties waarvan 32 in kleur. Een schilderij van Edward Hopper afdrukken, kost veel geld. Dat is dus een duur boek om te maken. Ik vind het wonderlijk dat een literaire uitgeverij zoals Atlas Contact dat toch nog doet. Voor alle duidelijkheid: ze gaven dat soort boeken van mij ook al uit voor ik de Libris Literatuurprijs gewonnen had. Zij hebben altijd in mij geloofd. Dat waardeer ik ten zeerste.”

© Jan Stevens

Andere tijden

Er waren verzachtende omstandigheden. Mijn moeder heeft haar vader nooit echt gekend. In 1942 maakte hij op een blauwe maandag in januari een einde aan zijn leven. Hij was amper 34 en liet een weduwe van 35 met vijf kleine kinderen achter. Ik kende mijn grootmoeder als een keiharde tante. Over haar man heb ik haar nooit iets horen zeggen. Ook zijn kinderen zwegen over hem. Ik wist alleen dat hij gokschulden had en vermoedelijk daarom uit het leven stapte. Nee, mijn moeder beleefde geen gelukkige jeugd. Tenminste, dat denk ik, want veel heeft zij daarover nooit verteld.

Mijn moeder worstelde met de druk van haar gezin, haar man en drie kinderen. Tenminste, ook dat denk ik, want een écht gesprek is daar nooit over gevoerd. Maar als kind zag en ervoer ik de fall-out van die worsteling met haar dagelijkse bestaan.

Zo was er die vrijdag, begin jaren zeventig. Ik was een jaar of tien. Het moet een vakantiedag geweest zijn, want iedereen was thuis. Onze ouders maakten ruzie, zoals in die tijd bijna dagelijks gebeurde. Moeder slingerde verwijten naar het hoofd van vader. Hij incasseerde. Die vrijdagmorgen slikte ze voor onze ogen een heel doosje Temesta, een slaap- en kalmeringsmiddel. Niet veel later wankelde ze door het huis. Het beeld van hoe ze de trap opkroop, richting slaapkamer, is voor altijd op mijn netvlies gebrand. “Dood is dood”, murmelde ze.

In het ziekenhuis werd haar maag leeggepompt en vandaar verdween ze voor een paar maanden in een psychiatrisch ziekenhuis. Ik werd ondergebracht bij het gezin van een van haar zussen. Daar at ik voor het eerst in mijn leven spaghetti en ontdekte ik dat er ook ouders waren die hun kinderen niet sloegen.

“De woorden ‘vader’ en ‘moeder’ blijven voor slachtoffers van kindermishandeling altijd een emotionele bijklank hebben”, zegt kinderpsychiater Peter Adriaenssens. “Want dat zijn de woorden waarvan je voelt: ‘Die heb ik niet gehad.’”

Ik interviewde Peter Adriaenssens samen met Hilde Van Mieghem op een maandagavond in februari 2020. Aanleiding was Van Mieghems tv-reeks over kindermishandeling Als je eens wist. Het weekend daarvoor had ik alle afleveringen gebingewatcht en ik lag in duizend scherven. Aan het begin van het interview zei ik dat ook ik ervaringsdeskundige ben. Alles wat Adriaenssens die avond vertelde, klonk gruwelijk herkenbaar.

Het zweepje

“Onze Jan is geschikt voor het hof van de koning. Een flemer in het gezicht, maar pas op als hij uit uw zicht is.” Zo waarschuwde mijn moeder de klastitularis van het eerste middelbaar voor zijn nieuwe leerling. In de jaren ervoor corrigeerde ze al mijn ‘misstappen’ kordaat en consequent met een stevig pak slaag. Vaak was een vallend bord of glas al voldoende, of een cijfer in het rood op een schoolrapport. Een groot rekenwonder was ik niet en als onhandige kluns glipte er veel uit mijn handen. Ze barstte dan uit in een colère, nam haar klomp of schoen, ging schrijlings over me zitten en sloeg. Haar harde slagen afweren, was het enige wat ik kon doen. Ze sloeg tot haar woede enigszins bekoelde. Er volgden extra straffen: “Zonder eten uw bed in.” Of: “Geen tv voor u. Een hele week om zeven uur in uw nest.”

Uit schrik voor wat me thuis te wachten stond, vervalste ik een handtekening op een rapport. Het zag er vreselijk knullig uit en ik liep snel tegen de lamp. Die avond ging ze in overdrive.

Vader liet begaan. Als hij van de fabriek terugkwam, kreeg hij een uitvoerig relaas van wat ik die dag had uitgespookt. Soms eiste ze van hem dat hij haar werk overdeed. Hij sloeg dan pro forma: minder hard en minder raak.

Soms was ik ziek en dan veranderde ze in Florence Nightingale. Ze vertroetelde me en op die momenten leek ze de liefste moeder van de hele wereld.

In het tweede jaar van de humaniora hield het slaan abrupt op, nadat ik met een gehavende neus op school verscheen. “Van de trap gevallen”, was mijn excuus.

Ach, misschien was ik wel een vreselijke kleine etter of een onhandelbaar joch. Ik was een jaar of zes toen moeder bij de huisdokter haar beklag over mij deed. De weldoorvoede man zat in zijn keurig kostuum aan de keukentafel, de stethoscoop bungelend over zijn buik. “Misschien moet je eens een zweepje proberen”, adviseerde hij haar. “Leg wat knopen in een touw.” Een tijdlang lag het zweepje op doktersvoorschrift op de hoge keukenkast. Daarnaast stond de bokaal met levertraan voor de dagelijkse eetlepel. Naast haar woede, handen, schoenen en klompen, vreesde ik die twee dingen het meest.

It never happened

“Toen onze Jan pas geboren was, leek hij net een aap.” Ik heb drie zonen, inmiddels twee prille dertigers en één late twintiger. Toen zij pas geboren waren, waren ze de mooiste baby’s op aarde. Door zelf kinderen te krijgen, begreep ik nóg minder van al dat ouderlijk geweld. De relatie met mijn ouders kwam nooit meer echt goed. Moeders zestigste verjaardag eindigde in een knallende ruzie over ‘de tijd van toen’. In haar herinnering leek alles gewist.

Een paar jaar lang kwam ik er niet meer over de vloer. Een paar jaar lang knaagde het schuldgevoel. Ik herstelde het contact, maar niet veel later ging ik compleet onderuit. Eind 2004 belandde ik in een depressie van hier tot in Tokio. Mijn huisgenoten, antidepressiva en een psychiater hielpen me uit de put.

“Ga met je ouders praten over wat er gebeurd is”, zei de psychiater. “Het kan inzicht brengen.” Zij luisterden en leken uit de lucht te vallen. Alsof het geheugen van mijn moeder selectief gewist was. Misschien had ze heel af en toe wel eens een pedagogisch tikje uitgedeeld, maar zeker niets meer. Mijn vader waste zijn handen in onschuld. Nooit had hij er iets van gemerkt. Nooit. It never happened. Maar ondanks al mijn ‘valse’ aanklachten, werden ze toch niet boos.

Een tijdlang geloofde ik dat ik met het ouderlijk geweld uit mijn jeugd ‘afgerekend’ had. Maar op de meest onverwachte momenten halen de demonen me in. Als ik naar Hilde Van Mieghems eerste reeks Als je eens wist kijk. Als ik twee progressieve partijvoorzitters op Terzake hoor bakkeleien over kindermishandeling. Als iemand me een horrorverhaal vertelt over een kind in lockdown bij een gewelddadige (stief)ouder. Dan krimpt mijn maag samen en sluipt er een overweldigende droefheid bij me naar binnen.

“Na zoveel jaren in problematieken zoals kindermishandeling ondergedompeld te zijn, kan ik geen geweld in films meer zien”, bekent Peter Adriaenssens. Het klinkt bizar genoeg als een troost. “Ik word ziek van verzonnen geweld”, zegt hij. “Films bulken daarvan. Mijn dochter en haar man zijn allebei acteurs. Zij weten dat. Mijn schoonzoon zegt dan: ‘Peter, ik ben aan het repeteren voor een stuk waarnaar jij beter niet komt kijken.’”

We lachen de spanning weg.

Toen tijdens die eerste lockdown alle scholen dicht waren en we verplicht werden opgehokt, dacht ik vaak: hoe moet dit nu zijn voor kinderen met gestresseerde gewelddadige ouders? Die gedachte ontredderde me. “Nee, die maakte je kwaad”, corrigeert Peter Adriaenssens. “Kwaadheid is de moeilijkste emotie voor wie zelf mishandeld is. ‘Ze waren weer kwaad.’ Jij hebt nooit een goede manier geleerd om kwaad te zijn, want dat bracht je in gevaar. In deze tijden van lockdown krijgen Vertrouwenscentra Kindermishandeling tot 20 % meer meldingen dan normaal.” Ik huiver. “Maar niet al die meldingen ontsporen tot zware gevallen van mishandeling”, relativeert hij. “Nederlandse onderzoekers wijzen erop dat vandaag heel veel volwassenen onder zware stress gebukt gaan. Ze moeten thuiswerken en tezelfdertijd op hun kinderen letten die online aan het studeren zijn. Ouders die in gewone omstandigheden nooit over de rode lijn gaan, doen dat nu wel. Van zodra alles terug begint te normaliseren, zijn zij wellicht de eersten om te beseffen dat ze te ver gingen.”

Een beschuldigende vinger helpt hen niet veel verder? Peter Adriaenssens: “Nee, naar hen moeten we de hand uitsteken. Niet om ze naar een Vertrouwenscentrum Kindermishandeling te sturen, maar om hen er op te wijzen dat ze er zeker iets aan moeten doen. Het is belangrijk dat we daders de kans geven om te erkennen dat ze over de schreef gegaan zijn. Want het maakt een enorm verschil als vader of moeder een paar weken later tegen de kinderen durft te zeggen: ‘Ik had niet zo uit mijn krammen moeten schieten, ook al had ik het toen niet gemakkelijk.’ Vroeger geraakten de daders er altijd mee weg. Nu proberen we de slachtoffers erkenning te geven. Maar het blijft moeilijk om daders tot het inzicht te brengen zich te laten helpen. Ze hebben schrik om in een procedure terecht te komen, gestraft te worden en zo hun reputatie om zeep te zien gaan.”

Levenslang

Ik ben 57 en de laatste jaren groeit het onbehaaglijke gevoel dat ik ‘levenslang’ gekregen heb. Toen ik dat vorig jaar op die maandagavond tijdens dat interview tegen Peter Adriaenssens en Hilde Van Mieghem zei, reageerde mede-ervaringsdeskundige Hilde fel. “Ik verzet mij met hand en tand tegen dat vonnis van levenslang”, zei ze. “Dan kan ik er net zo goed zelf een einde aan maken.” Ik begrijp dat zij zich daartegen verzet en ik probeer dat ook, maar het lukt niet echt. Ook niet bij haar vermoed ik, want ze voegde er meteen aan toe: “Wel levenslang is die diepe eenzaamheid. Die gaat nooit helemaal weg.”

Die levenslange strijd met dat verleden, is volgens Peter Adriaenssens typisch voor ‘verstandige kinderen’. Het klinkt als een schrale troost. “Je verstand laat geen simpele oplossingen toe”, zegt hij. “Dat maakt een groot verschil. Je hebt geen boodschap aan sussende berichten als: ‘Denk aan de toekomst’ of: ‘Wees positief.’ Tijdens de adolescentie leren de emotionele zone en de wijsheidszone in je hersenen evenwichtig samenwerken. Als het emotiecentrum in de jaren daarvoor heel zwaar getriggerd geweest is, blijft het altijd moeite kosten om dat terug tot rust te brengen. Het intelligente centrum in je brein kún je niet tot een machtsovername dwingen, hoe graag je dat ook zou willen. Sommigen beweren dat ze nooit meer denken aan wat hen als kind overkwam. Zij hebben recht op die oplossing, al weet ik niet of ze beter af zijn door die deur naar het verleden radicaal te sluiten. Want zo gooien ze ook andere deuren dicht. Van hun kinderen hoor je dan vaak: ‘Over papa’s jeugd mogen we nooit praten. Ik weet niets van mijn vader.’”

Een beetje verstand hebben, kan dus pijn doen. “Maar dan volgt er vaak ook post traumatic growth (PTG)”, zegt Adrianssens. “Vrienden zullen dan sneller in jou een luisterend oor herkennen. Onbewust voelen ze aan dat jij iets ernstigs hebt meegemaakt, en ze vertellen hun traumatische verhaal aan jou. PTG wil zeggen dat jij in het zijspoor van die pech positieve talenten ontwikkeld hebt. Je kan luisteren en begrip opbrengen voor de nood en problemen van anderen. Door die talenten verder te ontwikkelen, help je jezelf ook verder.”

Soms twijfel ik aan mezelf en is het alsof de waanzin om de hoek loert. Blaas ik mijn herinneringen op? Maak ik van een welverdiende oorveeg een obese olifant? Gaat mijn fantasie met mijn verstand aan de haal? Is er eigenlijk ooit wel iets gebeurd?

IJdele hoop

Mijn vader stierf in januari 2009. Ik voelde geen rouw of verdriet. Behalve schuldgevoel omdat ik niets voelde, voelde ik niets. “Dat komt nog wel”, dacht ik. Maar tot hiertoe kwam het niet.

Moeder leeft nog. Heel lang bezocht ik haar plichtsbewust om de paar weken. Een jaar geleden brak ik na een incident totaal met haar. Nu knaagt opnieuw dat schuldgevoel. Niet omdat ik met haar brak, maar uit een soort van medelijden, want ze is oud en ziek. Misschien knaagt het ook omdat ik blijf hopen dat ze ooit zal toegeven: “Wat er vroeger gebeurd is, was niet oké.” Al is dat wellicht ijdele hoop.

“Het verschil is immens als de dader de uitgestoken hand van het slachtoffer aanvaardt”, zegt Peter Adriaenssens. “Kinderen bij mij in de praktijk zeiden soms: ‘Ga maar praten met moeder. Je overtuigt haar toch niet.’ In het begin dacht ik: ‘We zullen wel eens zien. Ik heb daar een opleiding voor gevolgd.’ Om vervolgens te ondervinden dat die kinderen tientallen, nee honderden keren vergeefs hadden geprobeerd. En dat het inderdaad niet veel zin had om als therapeut te zeggen: ‘Ik zal wel eens met je moeder gaan praten.’ Op een bepaald moment kun je dan als kind van die ouder tot het weloverwogen besluit komen: ‘Ik heb alles gedaan om haar of hem te bereiken. Ik verbreek nu alle banden.’ Innerlijk heb je dan al veel eerder afscheid genomen.”

Die banden zijn verbroken, maar nu is er de angst voor wat er met mij zal gebeuren als ze sterft.

Erover schrijven is volgens Peter Adriaenssens geen slecht idee. “Want je beschrijft het dan voor de volgende generatie. Het is goed om na te denken over waar het bij jou misging. Je vraagt je af waarom jouw moeder over de schreef ging, kijkt terug naar je verleden, naar wat jij hebt meegemaakt en je pogingen om het te verwerken. Jouw kinderen moeten dan niet meer vanuit het onbekende starten. Het is goed dat ze weten wat jou overkomen is.”

www.echo-lotgenotenwerking.be

© Jan Stevens

Stekene, groene oase

Ik woon in Stekene, ooit door een vorig gemeentebestuur in een vlaag van cynische zinsverbijstering ‘groene oase’ gedoopt. Niet ver van de straat waar ik woon, ligt een oude zandgroeve middenin natuur- en recreatiegebied, bijgenaamd ‘de Bekaf’. Jarenlang gebeurde daar helemaal niets en de groeve was door de natuur herschapen tot een grote vijver in weelderig groen. Tot er drie jaar geleden bijna dagelijks vrachtwagens tonnen zand kwamen aanvoeren met als doel: die vijver zo snel mogelijk dempen. Firma van dienst was Vagaetrans BVBA, in 2005 veroordeeld tot zware straffen voor het jarenlang illegaal storten van afval en vervuilde grond. https://www.standaard.be/cnt/gj9chvig
In de lente van vorig jaar vroeg Vagaetrans een omgevingsvergunning aan om de bosdreven rond de zandgroeve te asfalteren. De buurtbewoners, waaronder ondergetekende, kwamen daartegen in verzet, dienden massaal bezwaarschriften in en Vagaetrans trok zijn aanvraag snel weer in. In die periode, op 6 mei 2019, gingen we met onze zorgen over de Bekaf op de koffie bij burgemeester Stany De Rechter. Hij beweerde de reputatie van Vagaetrans niet te kennen en leek oprecht geschrokken toen hij de krantenberichten van weleer onder ogen kreeg. Hij beloofde dat hij er zijn milieuambtenaar over zou aanspreken. Hij zei ook er zeker van te zijn dat het storten in de Bekaf grondig gecontroleerd werd door de Vlaamse Gemeenschap, al wist hij niet meteen hoeveel grondstalen er sinds 2016 genomen waren.
Sinds vanmorgen weet ik dat wel: geen. 0. Zero.
De milieuambtenaar van Stekene wist het eerst ook niet en moest het navragen bij ‘de toezichthoudende overheid’, in dit geval ‘de omgevingsinspectie van de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving in Gent’. Toezichthouder Wilfried V.V. mailde het volgende: “Aangezien ik pas eind vorig jaar het dossier heb overgenomen, heb ik onze databank moeten raadplegen. Ik stel vast dat er al monsters werden genomen, doch deze dateren van de periode toen Aswebo nog vergunninghouder was. Sinds 2016 zijn er geen monsternames meer geweest. Ik kan wel meedelen dat ik dit jaar monsternemingen heb gepland. Ook ben ik al tweemaal langs geweest om een visuele en organoleptische controle (of: datgene wat men met neus en oog kan waarnemen – JS) te doen van de aangevoerde gronden. De laatste inspectie dateert van 12 december 2019. Toen konden geen zaken worden vastgesteld die doen vermoeden dat de aangevoerde grond niet conform zou zijn (geen afval vastgesteld, geen aanwijzingen verontreiniging). Ik zal deze controles ook dit jaar verderzetten. Ten gepaste tijde zal ik ook overgaan tot monsterneming van de aangevoerde grond. Ook het register zal nog worden gecontroleerd. Ik heb eveneens in onze databank gemerkt dat de exploitant op verzoek van mijn voorganger, met pensioen, documenten heeft doorgestuurd zoals uittreksels uit de registers, afvoerbewijzen…

Maandag 24 februari 2020 organiseert het gemeentebestuur van Stekene om 8 uur ’s avonds een infoavond in het Boskafeeke http://www.boskafeeke.be/ over haar plannen voor de Bekaf. Ik kan daar jammer genoeg niet bij zijn, maar ik heb alvast voor onze bewindvoerders een gouden tip: zorg er alsjeblieft voor dat er stante pede grondige stalen genomen worden van de grond die er door Vagaetrans dagelijks gestort wordt.

%d bloggers liken dit: