Stekene, groene oase

Ik woon in Stekene, ooit door een vorig gemeentebestuur in een vlaag van cynische zinsverbijstering ‘groene oase’ gedoopt. Niet ver van de straat waar ik woon, ligt een oude zandgroeve middenin natuur- en recreatiegebied, bijgenaamd ‘de Bekaf’. Jarenlang gebeurde daar helemaal niets en de groeve was door de natuur herschapen tot een grote vijver in weelderig groen. Tot er drie jaar geleden bijna dagelijks vrachtwagens tonnen zand kwamen aanvoeren met als doel: die vijver zo snel mogelijk dempen. Firma van dienst was Vagaetrans BVBA, in 2005 veroordeeld tot zware straffen voor het jarenlang illegaal storten van afval en vervuilde grond. https://www.standaard.be/cnt/gj9chvig
In de lente van vorig jaar vroeg Vagaetrans een omgevingsvergunning aan om de bosdreven rond de zandgroeve te asfalteren. De buurtbewoners, waaronder ondergetekende, kwamen daartegen in verzet, dienden massaal bezwaarschriften in en Vagaetrans trok zijn aanvraag snel weer in. In die periode, op 6 mei 2019, gingen we met onze zorgen over de Bekaf op de koffie bij burgemeester Stany De Rechter. Hij beweerde de reputatie van Vagaetrans niet te kennen en leek oprecht geschrokken toen hij de krantenberichten van weleer onder ogen kreeg. Hij beloofde dat hij er zijn milieuambtenaar over zou aanspreken. Hij zei ook er zeker van te zijn dat het storten in de Bekaf grondig gecontroleerd werd door de Vlaamse Gemeenschap, al wist hij niet meteen hoeveel grondstalen er sinds 2016 genomen waren.
Sinds vanmorgen weet ik dat wel: geen. 0. Zero.
De milieuambtenaar van Stekene wist het eerst ook niet en moest het navragen bij ‘de toezichthoudende overheid’, in dit geval ‘de omgevingsinspectie van de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving in Gent’. Toezichthouder Wilfried V.V. mailde het volgende: “Aangezien ik pas eind vorig jaar het dossier heb overgenomen, heb ik onze databank moeten raadplegen. Ik stel vast dat er al monsters werden genomen, doch deze dateren van de periode toen Aswebo nog vergunninghouder was. Sinds 2016 zijn er geen monsternames meer geweest. Ik kan wel meedelen dat ik dit jaar monsternemingen heb gepland. Ook ben ik al tweemaal langs geweest om een visuele en organoleptische controle (of: datgene wat men met neus en oog kan waarnemen – JS) te doen van de aangevoerde gronden. De laatste inspectie dateert van 12 december 2019. Toen konden geen zaken worden vastgesteld die doen vermoeden dat de aangevoerde grond niet conform zou zijn (geen afval vastgesteld, geen aanwijzingen verontreiniging). Ik zal deze controles ook dit jaar verderzetten. Ten gepaste tijde zal ik ook overgaan tot monsterneming van de aangevoerde grond. Ook het register zal nog worden gecontroleerd. Ik heb eveneens in onze databank gemerkt dat de exploitant op verzoek van mijn voorganger, met pensioen, documenten heeft doorgestuurd zoals uittreksels uit de registers, afvoerbewijzen…

Maandag 24 februari 2020 organiseert het gemeentebestuur van Stekene om 8 uur ’s avonds een infoavond in het Boskafeeke http://www.boskafeeke.be/ over haar plannen voor de Bekaf. Ik kan daar jammer genoeg niet bij zijn, maar ik heb alvast voor onze bewindvoerders een gouden tip: zorg er alsjeblieft voor dat er stante pede grondige stalen genomen worden van de grond die er door Vagaetrans dagelijks gestort wordt.

Jean-Luc Dehaene (1940-2014) –  ‘Zonder een hiernamaals is mijn leven zinloos’

(Vilvoorde – winter, 2002) Ooit was Minister van Staat Jean-Luc Dehaene (CD&V) de ‘machtigste man’ van het land, later werd hij de ‘machtigste man’ van Vilvoorde. Hij vindt het laatste minstens even belangrijk als het eerste, want volgens hem hebben nationale politici in het verleden de plaatselijke politiek te veel veronachtzaamd. “Het samenleven tussen mensen begint in de gemeente- en in de stadspolitiek”, stelt hij. “Als we die verwaarlozen, blijft de Vlaamse, Belgische, Europese of werelddimensie inhoudsloos.”

 

DRUGS

Is het verkeerd om drugs te gebruiken?

“Drugsgebruik is van alle tijden en culturen, maar de weg naar verslaving is vaak heel kort. Een maatschappelijke ordening dringt zich bijgevolg op. Ik ben voorstander van een nultolerantie. Het is niet omdat het gebruik van cannabis wijdverspreid is, dat je het moet toelaten. Want dan kom je op een hellend vlak. Geen enkele wettelijk uitgezette lijn kan problematisch drugsgebruik onder controle houden. Wie de smaak te pakken heeft, verlangt naar meer.

Ik heb nog nooit met geestesverruimende middelen geëxperimenteerd. Af en toe drink ik iets alcoholisch, en ik heb sigaretten gerookt tot mijn achttiende. Maar ik ben ermee gestopt omdat ik het toen al te duur vond.”

 

ECOLOGIE

Is het juist om bossen te kappen als dit de welvaart van zowel de armen als de rijken vergroot?

“Wij, westerlingen, moeten durven erkennen dat we het belang van een goed ecologisch beleid pas erg laat ingezien hebben. We hebben in het verleden teveel waardevolle bossen gekapt en kaalslag gepleegd. We zijn er ons bewust van geworden dat dat een vergissing was. Nu bekritiseren we ontwikkelingslanden die dezelfde fout maken om het materiële niveau van hun arme bevolking op te krikken. Maar we vergeten hen de middelen aan te reiken om het anders te doen. Zolang we niet bereid zijn tot echte solidariteit en tot de creatie van een duurzame wereldeconomie, kan ik begrip opbrengen voor de korte-termijn-redenering van de landen van de derde wereld. Want uiteindelijk handelen ze zoals wij dat in de achttiende, negentiende en twintigste eeuw deden.

Naarmate de ontwikkelingslanden evolueren, zullen ze wellicht de duurzaamheidsfactor meer en meer gaan inbouwen. Industriële ontwikkeling vormt de beste garantie om kinderarbeid en sociale uitbuiting de wereld uit te helpen. Want na verloop van tijd zullen de mensen terecht herverdeling van de opbrengst eisen.

Wij hier in het rijke westen zijn vooralsnog niet bereid om ook onze bijdrage te leveren aan de globale duurzame ontwikkeling. We weten heel goed dat onze manier van ongebreideld autorijden nefast is voor het leefmilieu. Soms lijken we op een dokter die met een sigaret tussen de lippen zijn patiënt wijst op de gevaren van het roken.”

 

GENETICA

Is het juist om de genen van een ongeboren kind te manipuleren?

“Als een wetenschapper vóór de geboorte van een kind dankzij een genetische behandeling bepaalde ziektes kan helpen voorkomen, ben je spontaan geneigd om te zeggen: ‘Why not?’ Maar als diezelfde wetenschapper door middel van genetische manipulatie het geslacht van het kind kan bepalen, vraag je je af: ‘Waar zijn we in godsnaam mee bezig?’ De grens vastleggen van wat kan en niet kan, wordt in de toekomst een enorm moeilijk ethisch probleem. De mogelijkheden van de informaticatechnologie zal die kwestie nog ingewikkelder maken. In zijn boek Het tijdperk van de levende computers beschrijft informaticawetenschapper Ray Kurzweil hoe computerprothesen blinden kunnen helpen om te zien en doven om te horen. Zelfs bepaalde onderdelen van de hersenen kunnen vervangen worden door chips. Hij voorspelt dat het ooit mogelijk zal zijn om het menselijke brein te downloaden. In heel die evolutie kun je je terecht afvragen waar de mens eindigt en waar de machine begint.

Of we ons in het debat rond genetische manipulatie moeten laten leiden door ‘het gezond verstand’? ‘Gezond verstand’ is een rekbaar begrip. Wat wij nu ‘gezond verstand’ noemen, was vroeger ketters. Denk maar aan de discussie die een paar eeuwen geleden gevoerd werd rond de vraag of de aarde rond de zon draaide of omgekeerd. En als ik zie hoe in mijn jeugd over contraceptie gesproken werd en hoe er nu mee omgesprongen wordt, kan ik niet anders dan concluderen dat ‘gezond verstand’ iets is dat met de jaren mee evolueert.”

 

HIERNAMAALS

Zou het wenselijk zijn om eeuwig te leven?

“Het leven hier is voor mij onleefbaar zonder uitzicht op een bestaan na de dood. Dat ‘eeuwig leven’ zal niet hetzelfde zijn als het leven dat ik nu leid. De gemeenschapsdimensie zal daar nog belangrijker zijn dan hier op aarde. Eén van de grote kwalen van deze tijd is dat we het samenleven ondermijnen door een radicaal individualisme. Dat is gedoemd om te eindigen in een atomisering van de maatschappij. Die evolutie is compleet tegengesteld aan mijn visie. We moeten streven naar wat de kerk ‘de gemeenschap van heiligen’ noemt: een samenleving waar het gemeenschappelijke de dominerende factor is.

Zonder een hiernamaals is mijn bestaan zinloos. De kerk wou per se een voorstelling geven van dat leven na de dood. Misschien had ze goede pedagogische redenen om dat te doen, maar als we in het paradijs inderdaad rijstpap met gouden lepels voorgeschoteld krijgen, mogen ze het houden. Ik lust geen rijstpap. Voor mij lijkt het hiernamaals meer op een abstract schilderij dat harmonie en rust uitstraalt.

Vroeger beweerde de kerk vanuit ideologische overwegingen dat wie op aarde arm was, beloond zou worden in het hiernamaals. Wie materiële welstand nastreefde, bereidde zich voor op hel en verdoemenis. Ondertussen leefden de clerus en de prelaten duidelijk vanuit een ander perspectief. Calvijn propageerde het tegengestelde: een mens kon zijn hemel verdienen door in zijn aardse leven zoveel mogelijk rijkdom te vergaren. Op een bepaald ogenblik in de geschiedenis hebben we al onze calvinisten naar Nederland gestuurd. Dat verklaart voor een groot stuk het verschil in economische motivering tussen Nederland en Vlaanderen. Wij zijn blijven steken in een bourgondisch katholicisme.”

 

OMGEVING

Zijn wij het product van onze omgeving?

“Je kunt jezelf emanciperen en voor een deel afstand nemen van je omgeving, maar je kan nooit ontkennen dat je omgeving je mee heeft helpen boetseren. Ook je genetisch materiaal kun je niet wegcijferen, wat niet wil zeggen dat al je handelingen door je genen gedicteerd worden. Kinderen uit een arm arbeidersgezin krijgen sowieso minder kansen dan kinderen uit een welgesteld gezin. Dat heeft niets met genen te maken, maar alles met de sociale en maatschappelijke context waarin ze opgroeien. Het beleid moet die ongelijkheid helpen wegwerken.

De migranten ervaren die sociale ongelijkheid in het kwadraat. Omdat ze de taal niet kennen, lopen ze van in het begin een achterstand op. Daarbij komt dat ze uit een andere culturele omgeving komen en op een bijna schizofrene wijze in twee culturen moeten leven. Door de opeenvolging van generaties zal die handicap ooit weggewerkt worden. Kijk maar naar de afstammelingen van de Italiaanse of Spaanse immigranten van na de oorlog: zij zijn quasi volledig geïntegreerd. Als alle Vlamingen hun roots zouden nagaan, zouden ze waarschijnlijk tot de conclusie moeten komen dat ze allemaal migranten zijn. Het tegendeel zou me verbazen, want dit land heeft de ene na de andere bezetting meegemaakt.

Ik denk dat er een aantal democratische argumenten voorhanden zijn om migranten die hier een aantal jaren verblijven, gemeentelijk stemrecht toe te kennen. Hen daarvan uitsluiten is niet meer van deze tijd. Maar ik geloof niet dat het een mirakeloplossing is die hun integratie kan helpen realiseren. Net zomin als dat je door de burgemeester rechtstreeks te verkiezen de burger dichter bij de politiek zal brengen. Laat me niet lachen. Dat zijn mechanistische benaderingen van de besluitvorming, terwijl de echte problematiek veel dieper zit.”

 

RELIGIE

Hoe weten wij of er een God bestaat?

“Geloof is altijd een sprong in het onbekende, het is een risico, een avontuur. Leven met absolute zekerheden bestaat niet. Het hoofdstuk van de godsdienstles waarin de leraar trachtte te bewijzen dat God bestaat, was aan mij niet besteed.

Je kunt God op het spoor komen in de harmonie die je in de natuur of de kunst ervaart. Maar ook daar is schoonheid een relatief begrip. Een fotograaf kan de prachtigste foto maken van het lelijkste ding.

Ik geloof niet in een God die ingrijpt in het leven van mensen. Vroeger zagen theologen de relatie tussen de mens en God als een verticale, rechtstreekse lijn waarbij God aan al de draadjes trok. Mijn godsbeleving gaat daar lijnrecht tegenin. Ik geloof in de godsgemeenschap.

Iedereen beleeft zijn eigen levensbeschouwing. We leren het samenleven met anderen af. Individualisme, egoïsme en racisme voeren de boventoon. Mensen leven naast elkaar in plaats van met elkaar. Samenleven is essentieel aan het mens-zijn; het overstijgt de fysieke mens. We hebben nood aan gemeenschapsvormende initiatieven, aan een religieuze dimensie die vanuit het geloof in God het belang van de andere benadrukt en daardoor een stuwende factor is in het samenleven met anderen. De christelijke waarden kunnen een belangrijke bijdrage leveren om het evenwicht in de maatschappij te herstellen. Een politieke partij is slechts zinvol als ze dat evenwicht in de samenleving helpt opbouwen. Heel wat mensen beschouwen de politiek als ‘een derde’ die de problemen voor hen zal oplossen. Politiek speelt een belangrijke rol in de samenlevingsopbouw, maar politici moeten het afleren om te doen alsof ze in een vacuüm werken dat volledig buiten het terrein van de burgers ligt.

Sommige politici beschouwen het referendum als summum van democratie. Zij gaan ervan uit dat er individuele lijnen lopen tussen de burger en de politicus als medeverantwoordelijke in de organisatie van de maatschappij. Ik ben geneigd om te zeggen dat dan de volgende stap die is van de dictatuur, want niets is zo manipuleerbaar als de massa. De illusie creëren dat de massa individuele banden heeft met het beleid, is de negatie van het begrip ‘gemeenschap’.”

 

WERK

Ben je per definitie deugdzaam als je druk bezig bent?

“Toen ik jong was, werd me voorgehouden dat ledigheid het oorkussen des duivels was. Als ik vandaag de theorieën over onthaasting hoor en als ik zie hoe jongeren met tijd en werk omgaan, kan ik niet anders dan concluderen dat ze meer evenwicht in hun leven proberen in te bouwen dan wij ooit gedaan hebben. De mensen van mijn generatie hebben werken en presteren eendimensionaal verheerlijkt en de kwaliteit van het leven uit het oog verloren.

Ik heb er geen enkel probleem mee om af en toe in ‘lethargie’ te verzinken. Leegheid in jezelf is vaak de bron van heel wat creativiteit.”

 

 

©Jan Stevens (Uit: Het filosofisch woordenboek)

Jan Hoet (1936-2014)

Gent, februari 2012 – Jan Hoet is halverwege de zeventig en moet drie keer per week aan de nierdialyse. Toch is zijn agenda volgeboekt en zit hij volop in de voorbereiding van twee grote tentoonstellingen: Sint-Jan in de Gentse Sint-Baafskathedraal en de biënnale van het Chinese Yinchuan. “Pensioen staat niet in mijn woordenboek. Er is nog veel te veel goesting.”

 

“Ik ben hondsmoe”, zucht Jan Hoet, terwijl hij zich voorzichtig in zijn oude bureaustoel laat zakken. 76 is hij nu, maar hij werkt nog steeds te hard. “Ik zou al tien jaar op pensioen kunnen zijn, maar daar heb ik geen zin in. Mijn werk is mijn hobby; dat is altijd zo geweest.”

Dus zitten de dagen van de stichter en voormalige conservator van het Gentse Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (SMAK) zoals vanouds van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat dicht geplamuurd met kunst. “Ik zetel in jury’s, word gevraagd voor debatten en vernissages en krijg ook heel wat aanbiedingen om zelf tentoonstellingen te maken. Ik kreeg pas nog de vraag of ik volgend jaar curator van een expositie in Singapore wil worden, maar dat kan er echt niet meer bij. Ik heb me nu al geëngageerd voor dertien tentoonstellingen en ik wil niet dat de ene opdracht de andere overschaduwt.”

Vandaag werkt Jan Hoet tegelijkertijd aan drie tentoonstellingen. “Ik ben volop bezig met een expositie van de Gentse kunstenaar Jan Van Imschoot in een galerie in München, met de grote tentoonstelling rond spiritualiteit Sint-Jan die in de lente en de zomer in de Sint-Baafskathedraal te zien zal zijn en met de biënnale in oktober in het Chinese Yinchuan. Zo’n kleinere expositie in een galerie kost minder inspanningen dan een grote museumtentoonstelling; die kan ik er dus altijd wel bijnemen. Sint-Jan is een iets grotere opdracht. (lacht) Daar komt bij dat de expositie eigenlijk niets mag kosten. Dat is niet vanzelfsprekend, maar het is wel een bewuste keuze én een reactie op het feit dat subsidies de dag van vandaag in de kunstwereld schering en inslag zijn.”

 

Het evangelie van Sint-Jan

Toeval of niet, op 12 mei, de dag dat Sint-Jan zijn deuren opent, start ook de grote gesubsidieerde stadstentoonstelling TRACK van Hoets geesteskind SMAK. “Voor Sint-Jan vraag ik geen eurocent subsidie aan”, zegt hij. “Twintig jaar lang, van 1975 tot 1995, kreeg ik geen frank van de staat; ik werkte uitsluitend met het budget van de stad Gent. Tegenwoordig komt geen enkel stedelijk museum toe met zijn stadsbudget. Ze laten zich allemaal subsidiëren door de staat.”

Is het toch niet frustrerend om met een klein budget zo’n grote tentoonstelling op poten te zetten? Jan Hoet: “Helemaal niet. Ik ben heel benieuwd welke kunstenaars bereid zullen zijn hun werk gratis naar Sint-Baafs te laten transporteren en of we een verzekeringsmaatschappij zullen vinden die de polissen wil sponsoren en een uitgever die de drukkosten voor de catalogus wil dragen. We hebben voor Sint-Jan geen subsidieaanvraag ingediend omdat het budget toch al opgesoupeerd is door al die musea met hun grote tentoonstellingen. Sint-Jan moest er gewoon komen, als tegenwicht tegen het functionele dat het spirituele in de wereld langzaam maar zeker verdringt. Wie nood heeft aan het spirituele kan altijd terugvallen op de basiswaarden van de Kerk, of op het evangelie van Sint-Jan. (lacht) Mijn tentoonstelling in Sint-Baafs mag je gerust beschouwen als een spiritueel manifest.”

Zullen gelovige kerkgangers niet gechoqueerd zijn als ze oog in oog staan met sommige provocerende werken van hedendaagse kunstenaars? “De bisschop en de rector van Sint-Baafs hebben me carte blanche gegeven. Ze weten dat de 45 deelnemende kunstenaars geen blasfemische kunst zullen tentoonstellen, al blijft het natuurlijk mogelijk dat sommige bezoekers het met sommige werken lastig zullen hebben. Dat risico bestaat bij hedendaagse kunst altijd. Toen de kathedraal in 2009 nieuwe designstoelen van Maarten Van Severen aankocht, klonk er oorverdovend protest. Het zijn nochtans mooie, eenvoudige stoelen die er perfect passen. Nu pas beginnen de mensen er aan te wennen.”

 

Passionele pioniers

Het lijkt wel alsof Jan Hoet in de nadagen van zijn carrière terugkeert naar het prille begin, naar 1975, toen hij met een beperkt budget en zonder overheidssubsidies een heus Museum voor Hedendaagse Kunst uit de grond probeerde te stampen. “Ik had als conservator één assistent, één secretaresse en een suppoost in dienst. Met zo’n kleine bezetting was het niet vanzelfsprekend om grote tentoonstellingen te bouwen, maar dankzij de hulp van heel wat enthousiaste vrijwilligers lukte ons dat wel. Je kunt je niet voorstellen wat ik toen allemaal bij het stadsbestuur heb moeten ondernemen om een extra werkkracht in een nepstatuut te mogen aanwerven. We zaten gehuisvest in de achterste zaal van het Museum voor Schone Kunsten waar de verwarming het putje winter liet afweten. Drie graden wees de thermometer aan. We hulden ons in extra sjaals en dikke truien, maar bleven bibberen van de kou. Ik heb toen hemel en aarde moeten bewegen om de stad ervan te overtuigen dat we recht hadden op een klein beetje comfort. Op een bepaald moment heb ik zelfs gedreigd: ‘Als de verwarming nu niet hersteld wordt, zet ik alle kunstwerken op straat. Het maakt toch geen verschil of ze binnen of buiten staan.’ De museumwereld werd toen niet erkend door de politiek. Wij voerden een echt gevecht tegen de overheid. Dat heeft veel te lang geduurd en ik heb nooit goed begrepen waarom onze bewindslui in die tijd niet op een pragmatische wijze met cultuur konden omgaan. Nu zitten we in een tegengestelde situatie: cultuur wordt door politici teveel gepamperd en is bijna een overheidsinstelling geworden.”

Is het culturele klimaat in Vlaanderen er dan niet op vooruit gegaan? Musea floreren toch als nooit tevoren? Jan Hoet: “Moderne kunst boomt, dat merk je aan de ongelooflijk hoge prijzen die werken halen in grote veilinghuizen zoals Sotheby’s of Christie’s. Maar wil dat zeggen dat het algemene klimaat nu verbeterd is? In mijn tijd bevond ik me in het gezelschap van andere passionele pioniers die vanuit hun gedrevenheid de hedendaagse kunst op de kaart wilden zetten. We hadden weinig geld, trokken onze plan, maar er werd wel in ons geloofd. We maakten deel uit van een klein wereldje, dat gestaag begon te groeien. Vandaag volgen aan de universiteit van Gent alleen al tweehonderd studenten hedendaagse kunst. Vroeger was ik zo goed als alleen.”

Die overvloed aan kunstprofessionals levert nu volgens Hoet louter verdraagzaamheid en braafheid op. “De overvloed aan ‘kunstkenners’ zorgt voor een niet zo gezonde vorm van tolerantie. In de tijd van Picasso verschenen er bijzonder kritische artikels over zijn werk. Een man als Roger Marijnissen schreef in de krant zeer ironische columns over kunst; Frans Boenders was dan weer een meester in de polemiek. Nu verschijnen in de media bijna alleen promo-artikelen. Niemand durft nog te zeggen dat de keizer geen kleren draagt. Kunst is de voorbije jaren te veel mainstream geworden, waardoor het wereldje in slaap gesukkeld is.”

Is het ook teveel big business geworden? “Zeker. Al blijft het voor veel kunstenaars ontzettend moeilijk om van hun kunst te leven.”

Alleen grote namen zoals Wim Delvoye en Jan Fabre verdienen met hun werk een goedbelegde boterham. “Ik heb er geen bezwaar tegen dat ze businessmen geworden zijn”, zegt Hoet. “Hun ondernemerschap gaat niet ten koste van de kwaliteit van hun werk. Rubens was in zijn tijd ook een ondernemer. Fabre heeft een atelier, runt een theater, stelt mensen tewerk die allemaal betaald moeten worden. Hoe meer hij verdient, hoe meer hij kan investeren. Veel mensen zien de kunstenaar nog steeds als een getormenteerde ziel, als een Vincent van Gogh, die op een zolderkamertje honger en kou zit te lijden. Jan Fabre past niet in ons clichébeeld en daar hebben we het moeilijk mee.”

 

Yinchuan

Naast de spirituele tentoonstelling in Sint-Baafs, is Jan Hoet ook druk bezig met de organisatie van de tweede biënnale van de Chinese miljoenenstad Yinchuan die in oktober van dit jaar zal plaatsvinden. “Eind vorig jaar was ik er twee weken”, zegt hij. “De sfeer in het huidige China is even explosief en fris als die in Europa in de jaren zestig. De hele reis was voortreffelijk geregeld: met een tolk, een uitstekend hotel en een volledig uitgewerkt nierdialyseprogramma. Ze hebben me als een koning ontvangen.”

Krijgt hij als curator de totale vrijheid? “Ja. Maar ik zal in Yinchuan geen politieke statements geven; ik wil er kunst brengen. Het is een internationale biënnale, dus naast een dertigtal Chinese kunstenaars zullen er ongeveer evenveel niet-Chinezen tentoonstellen: artiesten uit Korea, Noorwegen, België, de Verenigde Staten… De interesse van de Chinese autoriteiten in hedendaagse kunst dateert van begin jaren negentig, van vlak na de studentenopstand in 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede. De overheid zal natuurlijk nooit toegeven dat hun tolerantie voor moderne kunst een compensatie is voor de onderdrukking van die opstand, maar ik heb de indruk dat het wel een van hun motieven is.”

Kan kunst de wereld redden? “Daar geloof ik niet meer in. Ondanks alle schoonheid stroomt er evenveel bloed en blijven er evenveel smeerlappen rondlopen. Ik geloof wel dat kunst elke individuele kijker kan redden, zolang hij maar bereid is zich helemaal in het scheppingsverhaal van de kunstenaar te laten onderdompelen.”

 

 

De kunstenaars die het leven van Jan Hoet bepaalden

 

“Mijn leven is mee vorm gegeven door Marcel Broodthaers, Panamarenko, Joseph Beuys en kunstbewegingen uit de jaren zestig zoals het conceptualisme, het minimalisme en Arte Povera dat in ‘67 door mijn Italiaanse collega Germano Celant boven de doopvont gehouden werd. Ik was zelf al iets ouder in die tijd, maar ik voelde me ongelooflijk hard aangesproken door al die grootste vernieuwingen. Alles wat we nu in de hedendaagse kunst kennen, is daar een gevolg van. In de zestiger jaren waren er in Rome vijf kunstgalerieën; nu zijn er 300. En het aantal kunstenaars is evenredig geëxplodeerd. Ik vraag me af wie vandaag de autoriteit heeft om te bepalen wie of wat zal overleven.”

“Vroeger had ik die autoriteit, dat klopt. Maar ik was niet de enige en ik zat in een netwerk van gelijkgezinde curatoren zoals de Duitsers Kasper König en Johannes Cladder en de Nederlander Rudi Fuchs. Toen waren er nog stromingen, vandaag draait alles rond het individu. Ach, de geschiedenis zal alles uitklaren.”

 

© Jan Stevens

“Reclame lijkt te vaak op journalistiek zonder verhaal”

Robert Senior, grote baas van Saatchi & Saatchi, windt er geen doekjes om: bij het bekendste reclamebureau ter wereld gaat het eerst en vooral over de verkoop van een product. “Wij doen niet aan ‘art for art’s sake’. Alles is hier strictly business. De ideeën die wij onze klanten verkopen, moeten hun merken opbouwen.”

 

Nergens is het zo gezellig wachten als in de als koffiehuis ingerichte lobby van het hoofdkwartier van Saatchi & Saatchi in het centrum van Londen. Er hangt een heerlijke ochtendlijke geur van espresso en ovenverse croissants, en op de grote stamtafel liggen de kranten van de dag uitnodigend te wachten. Helaas, er is geen tijd om uitgebreid te ontbijten in de inkomhal van ‘s werelds beroemdste reclamebureau, want Robert Senior, ceo voor Saatchi & Saatchi Europe Middle East and Africa en voorzitter van Saatchi & Saatchi Worldwide Creative Board, zit ons een paar verdiepingen hoger in zijn lichte en ruime kantoor op te wachten. Brede glimlach, stevige handdruk. “Take a seat”, meteen gevolgd door: “First question, please.” In de Lovemarks Company wordt geen onnodige tijd verspild.

 

Door de economische crisis en de oprukkende digitalisering staat de reclamewereld zwaar onder druk. Is er paniek?

Robert Senior: De advertentiewereld is niet in crisis; het zijn de mensen die er werken die in crisis zijn. Elke vijf jaar organiseert die advertentiewereld haar eigen crisis om er vervolgens vitaler uit tevoorschijn te komen. De mensen die in de reclame werken, zijn verward omdat hun cliënten dat ook zijn. Er heerst nu paniek in de vergaderzaal. De oudste en meest gerenommeerde Amerikaanse militaire academie West Point informeert het Witte Huis over de toestand in de wereld. Ze hebben een acroniem bedacht om de staat van de wereld te definiëren: VUCE, wat staat voor Volatile, Uncertain, Complex en Ambiguous.

 

Is dat niet altijd zo geweest?

Senior: Nog nooit zo erg als nu. Vroeger konden onderzoekers zoals die van West Point min of meer voorspellen waar en wanneer er ernstige onrust zou zijn. Maar sociale media hebben alles op losse schroeven gezet. Een fenomeen zoals de Arabische Lente zag niemand aankomen. De kaderleden en bestuurders in de vergaderzaal van een onderneming zijn bang voor de impact van wat er in de wereld gebeurt op hun toevoerlijnen, op de kostprijs van hun grondstoffen, op de kracht van hun verkooppunten. Ze maken zich zorgen over de politieke stabiliteit in die landen waar ze grondstoffen aankopen. Maar ze zijn ook onzeker over hun consumenten: ze vragen zich af hoe ze met hen nu op een zinnige, consistente manier moeten consumeren. Reclamejongens hebben dan weer een knieval gemaakt voor alles wat digitaal is, voor alles wat ‘sociaal’ is, maar ze zijn vergeten waar het écht om draait.

 

En dat is?

Senior: Vroeger hadden we een idee, en om dat idee uit te dragen, gingen we op zoek naar de meest geschikte mediaplatforms. Nu zijn de platforms het allerbelangrijkste geworden en zijn de ideeën bijzaak. Reclame lijkt tegenwoordig iets te vaak op journalistiek zonder verhaal. Het is alsof we een paar nieuwe woorden gevonden hebben die heel goed klinken, zonder dat we weten wat ze betekenen. Collega’s van ouder dan 38, hebben geen flauw idee waar die digitale wereld eigenlijk voor staat, want ze zijn er niet in opgegroeid. Maar zij runnen wel de show. Terwijl ze geen flauw benul hebben van wat ze ermee moeten aanvangen. Ik hoor marketeers zeggen: “De advertentiewereld is dood. Het is allemaal dood.” De jonge gasten kijken naar dat wereldje van ons, en denken: “Fuck, ik wil niet in de publiciteit gaan werken, wat een saaie bedoening.” Ik praat vaak voor universiteitsstudenten: ik doceer change management aan de London Business School en af en toe ben ik gastdocent aan de London School of Economics. Tijdens mijn lessen of lezingen verkondig ik altijd: “Er is nooit een betere tijd geweest om in de advertentiewereld te werken dan nu.” Want de platformen om ideeën te communiceren zijn minder duur, minder beperkend en meer gevarieerd dan ooit tevoren. En de bazen weten niet meer hoe het verder moet. Wie nu vers van school bij een reclamebedrijf begint, beleeft er de tijd van zijn leven.

 

Is het grote probleem niet dat er gewoon geen geld meer is?

Senior: Fuck, er is geld in overvloed. (grijnst) Hoeveel is er vandaag nodig om een merk om zeep te helpen? Een paar tweets, meer niet. Dat wil zeggen dat je met heel weinig geld ook een merk kan opbouwen. Het geld dat er vroeger was, werd niet altijd even verstandig gebruikt. “Ik ben een klein kereltje met een klein merk en ik zou zo graag op tv komen.” “Oké, betalen aan de kassa.” Zo werd een nichementaliteit gecreëerd. Als je als reclamemaker nu een film wil maken, heb je niet langer een megabudget nodig. Je kunt fantastische clips draaien met bijzonder weinig geld, en die vervolgens op het internet gooien.

 

Het klopt dus niet dat door de crisis bedrijven minder geld aan adverteren spenderen?

Senior: Okay, er is minder geld dan vroeger, dat zal ik niet ontkennen. Maar door de dalende rente is geld wel spotgoedkoop geworden. De budgetten zijn dan misschien wel verlaagd; voor reclamemakers zou dat juist een stimulans moeten zijn om hun verbeelding te gebruiken in hun zoektocht naar nieuwe ideeën. Het beste zou natuurlijk zijn als er terug meer geïnvesteerd zou worden, want onze winstmarges zijn herleid tot het naakte minimum. Het gaat er veel harder aan toe dan ooit tevoren en er is ook minder ruimte voor experiment. Iedereen moet voor alles wat hij onderneemt ook verantwoording afleggen, en als er iets misgaat, wordt dat je zwaar in rekening gebracht. Zo zit de business nu in elkaar. Ik kan dat ook begrijpen. Maar onze job is en blijft om de business van onze cliënten aan te drijven met de kracht van creativiteit.

 

Het Belgische reclamebureau Duval Guillaume doekte een paar jaar geleden haar publishingafdeling van de ene dag op de andere op. Is dat soort van drastische beslissingen in tijden van crisis verstandig?

Senior: Ja. Want ze plooiden zich zo terug op hun core business. In moeilijke economische omstandigheden moet je teruggrijpen naar waar je goed in bent. Je moet je dan afvragen: “Waarom ben ik ooit met dit bedrijf gestart? Waarin waren en zijn we het sterkste?” Tijdschriften voor bedrijven maken lijkt misschien op reclamemaken, maar in werkelijkheid is het een totaal andere activiteit. In tijden van hoogconjunctuur hebben reclamebureaus de neiging er de ene na de andere bezigheid bij te nemen. “Laten we muziekevenementen organiseren”, of: “Waarom zouden we geen zonnebrillen ontwerpen?” Dat kan allemaal heel tof zijn, en misschien werkt het ook wel een tijd. Maar als het water je aan de lippen staat, gooi je al die ballast weer overboord en plooi je je terug op je kernvaardigheden. Dat is pure Darwin. (lacht)

 

U hebt dat ook bij Saatchi & Saatchi gedaan?

Senior: Ja. Toen ik in 2007 ceo van Saatchi & Saatchi London werd, waren er ongeveer zes business units: de merkenafdeling, een consultancy-afdeling met een domme naam die ik me niet eens meer herinner, een afdeling die zich met muziek bezig hield en die Gum heette, design, digitaal en dan nog het agentschap. Ik wou dat allemaal terugvoeren tot de kernbezigheid: adverteren. Hoe je het ook draait of keert: Saatchi & Saatchi is het bekendste reclamebureau ter wereld. Zelfs mijn moeder kent het. Ze had nooit gehoord van Fallon, het reclamebedrijf dat ik ooit zelf uit de grond gestampt heb, maar Saatchi & Saatchi klonk haar wel bekend in de oren. Het bekendste reclamebureau ter wereld is het aan zichzelf verplicht om extreem goed te zijn in reclame. In 2007 waren we dat dus niet. Ik vroeg me af: “What the fuck zitten wij onze tijd te verknoeien aan al die andere bijkomstigheden? Zo versnipperen we onze aandacht, terwijl er maar één ding is waar we uitzonderlijk goed in zijn: ideeën.” Wij smokkelen een idee in de hoofden en harten van mensen waardoor ze anders over een merk gaan denken. Ik heb schoon schip gehouden waardoor we nu weer aan de top staan.

 

Die sanering moet geen pretje geweest zijn.

Senior: Het was afschuwelijk. Mijn eerste 18 maanden hier leken op een militair trainingskamp.

 

Is het sowieso geen verschrikking om voortdurend creatief te moeten zijn?

Senior: Ik ben niet creatief, kijk naar me. (lacht) Ik werk in een creatieve industrie en het is mijn job om ideeën commercieel waardevol te maken. Net als een huwelijksmakelaar probeer ik de ideeën van een creatieveling in dit huis te matchen aan de behoefte van een klant. Wij staan ten dienste van ondernemingen en wij doen niet aan ‘art for art’s sake’. Alles is hier strictly business. De ideeën die wij onze klanten verkopen, moeten hun merken helpen opbouwen. Onze voorstellen zijn zakelijk en draaien niet om beroemdheid of onderscheidingen. Het fijne is dat ideeën die echt merken helpen opbouwen, beroemdheid en onderscheidingen met zich meebrengen. Dat heb ik toch ondervonden. Ons doel is om het meest gedeelde advertentiewerk ter wereld af te leveren. Als mensen filmpjes delen, wil dat zeggen dat je ze met elkaar verbindt en dat je ze op een of andere manier raakt. Ze delen dingen die ze slim of fantastisch vinden. We gebruiken de ‘software van emoties’ om de ‘hardware van resultaten’ aan te drijven. Zo simpel is het. Grote beslissingen worden aangedreven door emotie en niet door logica. Het is ons doel om de merken en reputaties van onze klanten te bouwen door werk dat vanuit het hart komt. Daarom moeten onze mensen zich ook altijd met een merk kunnen vereenzelvigen en er in geloven. Onze medewerkers hebben altijd de mogelijkheid om niet aan een campagne mee te werken als ze ethische bezwaren hebben. Ikzelf zou nooit willen meewerken aan tabakscampagnes of aan een verkiezingscampagne voor de Conservatieven van David Cameron. Ik zal nooit campagne voeren voor om het even welke rechtse partij.

 

U hebt wel voor Labour gewerkt. Is het lastiger om voor een politicus of een politieke partij te werken dan voor een onderneming?

Senior: In principe is het hetzelfde, maar mijn eigen ervaring leerde me dat politiek veel lastiger was. Want het merk is de persoon.

 

En uw persoon was Gordon Brown?

Senior: Ja. Het verschil tussen een merk zoals dat van jouw opname-apparaat en Gordon Brown, is dat jouw apparaat geen bezwaren oppert als ik als reclamemaker iets voorstel. Als je merk een persoon is, wordt het soms heel persoonlijk. “Hey, Gordon, je ziet er niet al te fraai uit op tv. In plaats van 103 dingen te zeggen, moet je je misschien beperken tot drie. Misschien luistert er wel iemand die belang hecht aan wat je verkondigt.” Dat is heel persoonlijk en heel hard.

 

Komt verlies bij verkiezingen als een boemerang terug in het gezicht van degene die de campagne bedacht heeft?

Senior: Nee, want iemand moet winnen en iemand moet verliezen. Bill Bernbach was een van die iconische Amerikaanse reclamemensen van de 20e eeuw. Hij zei: “Niets valt dieper dan goede reclame voor een slecht product.”

 

Van een ezel maak je geen renpaard?

Senior: Precies. Ikzelf vond het een grote eer om voor een politieke partij als Labour te mogen werken. Ik vond het een groot voorrecht om naar Downing Street te kunnen wandelen om er met de eerste minister te praten over zijn strategie voor dit land. Alleen dat al was fantastisch.

 

U was Gordon Browns spindoctor?

Senior: Ik wou dat zijn, maar hij liet dat niet toe. Onze relatie was nogal gecompliceerd en dat was niet verstandig, want daar lag de kiem van zijn verlies. We hadden alles simpel moeten houden, met één spindoctor: ikzelf. Het is anders verlopen en dat vind ik nog altijd heel jammer.

 

© Jan Stevens