Pa

De zomer van 1975. Je zit in de zetel en hebt een plaat opgelegd van Jim Reeves. Uit de luidsprekers van ons notelaarhouten Grundigstereomeubel knalt “Bimbo, Bimbo, where you gonna go-i-o?” Jaren later zal ik erachter komen dat ‘bimbo’ blonde lellebel wil zeggen, maar op deze mooie zomerdag weet ik dat nog niet, en neurie ik enthousiast mee met jouw Amerikaanse countryheld. Ik bestudeer de foto van Jim Reeves op de hoes, en vind dat je een beetje op hem lijkt, met je achterovergekamde haar en je hoge voorhoofd.

Terwijl Reeves “O Danny Boy” zingt, vertel jij over het droeve einde van jouw idool. “Een jaar of tien geleden is hij neergestort met zijn vliegtuig”, zeg je. “Hij was op slag dood.”

Ik vind het tegelijkertijd bijzonder en bizar dat mijn pa fan is van een dode muzikant. Jaren later zullen er nog vele andere dode muzikanten bijkomen als je de klassieke muziek ontdekt en cd’s vol verzamelde werken van Bach, Beethoven en Mozart begint te kopen en te beluisteren.

 

De herfst van 1975. Om vier uur ’s ochtends kom je me wakker maken. Het is onchristelijk vroeg, donker en koud. Ik ben een beetje zenuwachtig, en misschien ben jij dat ook wel, want we gaan samen vissen. Deze keer niet in een put voor beginners vlakbij, maar naar een echte visput – naar Het Eiland in Holland. In mijn verbeelding is Het Eiland het walhalla voor de geoefende, semiprofessionele hengelaar zoals jij. Want van daar breng jij elk weekend snoekbaars, karper en voorntjes mee naar huis. Elke week staat er wel een of andere zoetwatervis op ons menu. De ene keer met gestoofde ajuintjes, de andere keer met provençaalse saus en af en toe zelfs met botersaus.

Ik heb geen flauw idee waar Het Eiland ergens ligt, maar ik zal vlug ontdekken dat het niet bij de deur is. Je zet je visbak op de bagagedrager, hangt de zak met stokken op je rug – het vangnet steekt er helemaal bovenuit – zet de grote groene helm op je hoofd en start de blinkende groene mobilette. Je rijdt de hof af, en ik rij je op mijn iets te grote communiefiets achterna. Vlak voor het vertrek beloofde je me dat je niet teveel gas zou geven, maar nu lijkt het alsof je meer dan vijftig rijdt. Kilometers- en urenlang probeer ik je bij te houden en trap ik de ziel uit mijn lijf. Het enige wat ik tussen de uitlaatgassen van je brommer zie, is de zak met stokken op je rug en de grote groene helm. Zo moet Joop Zoetemelk zich ook voelen als hij zich op de Mont Ventoux vastzuigt in het wiel van Eddy Merckx.

Nadat je de visstokken geïnstalleerd hebt en brokken visvoer in Het Eiland gegooid hebt, rol je een sigaret en drink je een kop thermoskoffie. Ik kijk gefascineerd naar de rook die uit je neusgaten komt. Het vissen zal ik later niet van je overnemen, maar het roken en het koffiedrinken wel. Het ene probeer ik al jaren af te zweren – in het andere blijf ik jouw enthousiaste volgeling.

Je gooit de peuk weg. “Hou de dobbers goed in het oog”, zeg je. “Roep me als we beet hebben.” Je legt je neer, draait je op je zij en valt in slaap. Urenlang blijf ik naar de dobbers turen. Iets voor de middag word je wakker. We kramen alles op en keren weer naar huis. Ik op mijn fiets. Jij op je brommer.

 

Je bent voor het laatst gaan vissen toen je al heel erg ziek was. Een paar weken ervoor zat ik naast je in het ziekenhuis. “Hoelang denk je nog te leven te hebben?” vroeg ik je. “Ik hoop een jaar of twee, drie”, zei je toen. Je was heel rustig, je leek helemaal niet bang. Ik denk dat je op dat moment al wist dat het geen jaar meer zou duren.

Je wou nog eenmaal naar Hulst fietsen – je wou nog eenmaal gaan vissen, en je hebt dat allemaal gedaan. Voor het te laat was, voor het niet meer kon.

Ik wou eenmaal samen met jou naar het kasteel van Belloeil gaan, naar de plaats waar jij als klein kind, ver van je vader en je moeder, tijdens de oorlog op kolonie zat. Ik heb het niet gedaan. Nu is het te laat, nu kan het niet meer. Daar heb ik spijt van. Daar heb ik veel spijt van.

Slaap zacht, pa.

Ten oorlog

paulbuchheit

In American Wars, illusions and realities probeert Paul Buchheit te achterhalen waarom Amerika zo vaak en zo graag ten strijde trekt. Het boek levert hem en zijn medestanders vanuit conservatieve en neoconservatieve hoek bittere verwijten van anti-Amerikanisme op.

 

Sinds de publicatie van American Wars, illusion and realities puilt de mailbox van Paul Buchheit, professor economie aan de universiteit van Chicago, uit van de hatemail. “Sommige landgenoten beschuldigen me ervan anti-Amerikaans te zijn, maar dat ben ik zeker niet. De definitie van een échte patriot is volgens grote Amerikanen zoals Martin Luther King en Henri David Thoreau niet iemand die jubelt: ‘Onze leiders hebben altijd gelijk!’ Nee, een echte patriot vraagt zich in de eerste plaats af: ‘Hoe kan ik ervoor zorgen dat het bestuur van mijn land beter wordt, en dat de burgers hogere standaarden nastreven?’ Met American Wars probeer ik daar samen met andere academici, journalisten en schrijvers een bijdrage aan te leveren.”

 

U onderzoekt hoe politici de oude Amerikaanse waarden misbruiken om oorlogen te rechtvaardigen. Met die waarden zelf is er niets mis?

PAUL BUCHHEIT: Wat is er verkeerd met waarden als eer, eerlijkheid, zelfbewustzijn, mededogen, altruïsme en realisme? Het zijn de waarden waarop dit land gebouwd is, die het groot gemaakt hebben en die Amerikanen terecht zeer hoog inschatten. Het probleem is dat onze regeringen ze misbruiken om andere landen met geweld binnen te vallen, en dat nogal wat landgenoten zich een rad voor ogen laten draaien. Veel Amerikanen zijn ofwel bijzonder slecht geïnformeerd, ofwel ontzettend naïef. Ze zijn rotsvast overtuigd van stellingen als: “Onze regering vertelt ons de waarheid, we voeren oorlog voor respectabele redenen, we tonen mededogen met de landen waar we binnenvallen…” Ik wil mijn brave medeburgers met hun neus op de feiten drukken, en hen laten zien waarom de VS werkelijk ten strijde trekken.

 

Het lijstje in uw boek van de gewelddadige conflicten waarin de Verenigde Staten sinds hun ontstaan betrokken zijn, oogt bijzonder indrukwekkend. Het lijkt wel alsof het Amerikaanse volk buitengewoon bloeddorstig is?

BUCHHEIT: Sinds de eedaflegging van onze eerste president George Washington in 1789 zijn er in totaal amper twintig jaar geweest waarin ‘onze jongens’ niet ergens ter wereld vochten, of stokebrand speelden. Er waren de uitgesproken oorlogen zoals de Amerikaans-Mexicaanse oorlog, de Burgeroorlog, de Spaans-Amerikaanse oorlog, Wereldoorlog 1 en 2, de Koreaanse oorlog, de oorlog in Vietnam, de Golfoorlog en de meest recente oorlog in Irak. Maar daarnaast hebben Amerikaanse soldaten of agenten van de CIA ook meer dan 130 keer ergens ter wereld getracht om ‘vijandelijke’ regimes omver te werpen. De meeste van die interventies dateren van na de Tweede Wereldoorlog en gebeurden vaak clandestien. Een frappant voorbeeld is de afzetting van de in 1951 democratisch verkozen Guatemalteekse president Jacobo Arbenz Guzmán. Hij probeerde een landhervorming ten voordele van de Maya-indianen door te voeren, maar dat was buiten de machtige conservatieve lobby in de VS gerekend. Op het einde van 1953 plande de CIA een bloedige coup. Ze trainden een leger in Nicaragua, en een jaar later werd Guzmán afgezet en vervangen door een militaire junta. De veertig jaar durende burgeroorlog die daarop volgde, koste het leven aan 200.000 Guatemalteken – voornamelijk Maya’s. Een officiële Guatemalaanse onderzoekscommissie concludeerde in 1999 dat Amerikaanse militairen en CIA-agenten rechtstreeks verantwoordelijk waren voor een van de grootste etnische zuiveringen uit de recente Zuid-Amerikaanse geschiedenis. Datzelfde jaar erkende president Clinton de verpletterende verantwoordelijkheid van de VS, en bood hij formeel zijn verontschuldigingen aan.

Het zijn nooit de Amerikaanse burgers zelf die de wapens opnemen, maar het zijn de regeringen die hen telkens opnieuw warm maken om ten strijde te trekken. In de nadagen van de Koude Oorlog waren het vooral de neoconservatieven die een belangrijke rol speelden in de escalatie van onze militaire interventies. Neoconservatieve voormannen zoals de huidige vicepresident Cheney, Donald Rumsfeld, Paul Wolfowitz en Richard Perle vonden dat de Amerikaanse regering de vrede moest bewaren door haar macht te etaleren. Het is een kleine groep, maar ze heeft enorm veel macht. President Bush zei letterlijk toen hij Irak binnenviel: “We trekken ten oorlog om de vrede te creëren.”

Onze economie draait voor een groot stuk op de militaire industrie. De VS zijn verantwoordelijk voor meer dan de helft van de militaire uitgaven wereldwijd. Het defensiebudget voor 2008 bedraagt ruim 625 miljard dollar – een absoluut record sinds de Tweede Wereldoorlog. De oorlogen in Irak en Afghanistan hebben tot hiertoe 811 miljard dollar gekost – veel meer dan het totale kostenplaatje van de 549 miljard dollar voor de oorlog in Vietnam. Wapens zijn trouwens een belangrijk exportproduct. Volgens cijfers van het Congres staat de VS voor wapenverkoop onbetwist op nummer een. De helft van de wapens die ontwikkelingslanden in 2005 aankochten, kwamen allemaal van bij ons. Onze grootste afnemers zijn landen met een bedenkelijke mensenrechtenreputatie zoals Saoedi-Arabië, Egypte, Oezbekistan. We maken er ook geen probleem van om wapens te leveren aan landen die in een oorlog verwikkeld zijn, of aan landen die elkaars bloed wel kunnen drinken. Zo bewapenden of bewapenen we tegelijkertijd India en Pakistan, Iran en Irak, Griekenland en Turkije, Israël en de rest van het Midden-Oosten.

 

Oorlog is zwendel

Amerikaanse regeringen geven vaak als reden voor gewapende conflicten op dat ze strijden tegen dictaturen en de democratie willen verspreiden. Is dat geen nobel streven?

BUCHHEIT: Er wordt vaak gezegd dat een democratie de beste garantie is op vrede. En het is waar dat over het algemeen democratieën niet de neiging hebben om de wapens tegen elkaar op te nemen. Het hangt ervan af hoe stabiel ze zijn. In een recente, lijvige studie tonen de politicologen Jack Snyder en Edward Mansfield aan dat prille democratieën de afgelopen 200 jaar veel sneller ten oorlog getrokken zijn dan democratieën met een lange staat van dienst, of dan autocratieën. Een van de drogredenen waarom Bush met de oorlog in Irak begon, was dat hij de democratie wou exporteren. Dat is naderhand een illusie gebleken, want het land bevindt zich nu in een soort van permanente gewelddadige chaos en anarchie. Saddam was ongetwijfeld een wrede tiran, die opposanten letterlijk monddood maakte. Dictators zoals Hoessein moeten aangepakt worden door de Verenigde Naties. Natuurlijk moest Saddam zwaar onder druk gezet worden, maar de voorwendsels om de oorlog te beginnen, waren gebaseerd op leugens. De democratie beschermen is een dankbare dekmantel die ook al door de presidenten voor Bush gebruikt werd – denk maar aan alle interventies die er geweest zijn om het ‘communistische gevaar’ te stoppen. Het klinkt cynisch, maar Amerikaanse presidenten gebruiken oorlog en wapengekletter bij voorkeur als middel om patriottische gevoelens bij het volk op te wekken, om zo hun eigen populariteit op te krikken. Na de invasie in deVarkensbaai steeg Kennedy’s populariteitsgraad tot 83%. Reagan scoorde dan weer met zijn invasie in Grenada. Desert Storm leverde vader Bush 89% op. En toen zoon Bush in maart 2003 Irak de oorlog verklaarde, schoot zijn populariteitsgraad in één ruk van 53% naar 68%.

Een nog veel cynischer argument om gezwind ten strijde te trekken, is natuurlijk dat oorlog big business is. Generaal-majoor Smedley Butler, veteraan uit de eerste wereldoorlog en onze meest gedecoreerde marinier ooit, beschreef als een van de eersten hoe oorlog voor sommigen een winstgevende bezigheid is. In zijn boek War is a Racket (Oorlog is zwendel) stelt hij dat minstens 21.000 Amerikaanse ondernemers fortuinen verdiend hebben aan Wereldoorlog 1. Butler wond zich daar ongemeen hard over op. “Hoeveel van die oorlogsmiljonairs zijn gewond geraakt of gesneuveld?”, schreef hij retorisch.

Onderzoekers van het Instituut voor Politieke Studies uit Washington namen onlangs 34 Amerikaanse grote bedrijven uit de defensie-industrie onder de loep. Ze becijferden hoeveel hun ceo’s sinds de start van onze War on Terror extra verdiend hebben. In 2005 bleken hun lonen het dubbele te bedragen dan vlak voor 9/11 – het gemiddelde ceo-salaris steeg in 4 jaar tijd van 3,6 miljoen dollar naar 7,2 miljoen.

 

Degenen die geld aan oorlog verdienen, hebben rechtstreekse lijnen met de politici die het vuur aan de lont steken?

BUCHHEIT: Zeker. Bij de recente oorlog in Irak is dat heel frappant: bij de start van de oorlog hadden minstens negen leden van de Defense Policy Board, het orgaan dat het ministerie van Defensie advies verleend over kwesties van oorlog en vrede, belangen in bedrijven met defensiecontracten ter waarde van 76 miljard dollar. De toenmalige voorzitter van de Board Richard Perle, uitgesproken propagandist van een inval in Irak en consultant voor een aantal Pentagonleveranciers, werd omwille van die belangenvermenging tot ontslag gedwongen.

En dan is er onze vicepresident Dick Cheney. Tot 2000 was hij ceo van Halliburton, een gigantische onderneming met hoofdzetel in Houston, gespecialiseerd in olie- en gaswinning. Cheney heeft nog steeds financiële belangen in het bedrijf. Halliburton haalde quasi zonder enige vorm van aanbesteding probleemloos 52% van de Pentagoncontracten voor diensten aan het leger in Irak binnen. In 2006 haalde het bedrijf een omzet van 22,5 miljard dollar – drie keer zoveel als in 2004. In 2006 sneuvelden er ook drie keer zoveel Amerikaanse soldaten als in 2004.

 

Oom William

U beschuldigt de familie Bush ervan dat ze bakken geld verdient heeft, en nog steeds verdient, aan de oorlog in Irak?

BUCHHEIT: Dat is geen beschuldiging, maar de naakte waarheid. Neil Bush, een jonger broertje van George W., stond in de eerste jaren van de oorlog als consultant op de paylist van New Bridges Strategies, een firma die zakendeals bemiddelde in Irak, en die drie weken voor de inval opgericht werd door Joe Allbaugh, de campagneleider van Bush tijdens de verkiezingen van 2000. Neil Bush werd daar Allbaugh betaald om beveiligingsbedrijven aan vette contracten in Irak te helpen. Neil trad daarmee op bescheiden wijze in de voetsporen van zijn vader George H.W. Na 9/11 heeft Bush senior de investeringsgroep Carlyle miljarden helpen verdienen aan de War on Terror. Bush werkte van begin 1993 tot eind 2003 voor Carlyle, een investeerder die vooral bekend is als opkoper van kwakkelende defensiebedrijven. Met de hulp van figuren als vader Bush, rijfde Carlyle grote defensiecontracten binnen, waarna de investeerder zijn fors aangevette aankopen met veel winst kon doorverkopen. In 2002 haalde Carlyle dankzij vader Bush 677 miljoen dollar aan regeringscontracten binnen. Na de inval in Irak hielp papa Bush Carlyle aan 2,1 miljard regeringscontracten. Eind 2003 zwol de kritiek op Bush senior aan. Hij nam ontslag bij Carlyle. Maar een tijd geleden publiceerde de Washington Post een artikel waaruit blijkt dat pa Bush nog steeds een belangrijke aandeelhouder is, en dat Carlyle hem 500.000 dollar per keer betaalt om wervende speeches bij mogelijke zakelijke contacten te geven.

De andere broers van George junior, Marvin en Jeb, hebben vergaande financiële belangen bij militaire bedrijven. Maar de meest schaamteloze profiteur van de oorlog is ongetwijfeld George W.’s oom, William ‘Bucky’ Bush. Hij zit in de raad van bestuur van een grote militaire contractor, Engineered Support Systems (ESS). Een half jaar voor de oorlog in Irak werd ESS door de beleggingsadviseurs van CNN/Money Magazine getipt als een defensiebedrijf dat interessante deals zou kunnen overhouden aan een mogelijk conflict in Irak. Oom William krijgt maandelijks een vergoeding als bestuurder en is ook nog eens aandeelhouder. Vlak voor de oorlog in januari 2003 bezat hij 33.750 aandelen. Een jaar later, in januari 2004, had hij zijn lucratieve aandelenpakketje uitgebreid tot 56.251. Het staat als een paal boven water dat oom William heel die periode een directe lijn had met neefje George in het Witte Huis. Op 25 maart 2003 vroeg president Bush geld aan het Congres, “om militaire operaties in Irak te financieren.” Amper een dag later kondigde ESS aan dat het een bijzonder grote order van het leger op zak had. Oom William is door de oorlog een zeer rijk man geworden. In januari 2005 heeft hij meer dan 450.000 dollar verdient door de verkoop van een aantal ESS-aandelen. Daarnaast heeft hij nog eens 2,7 miljoen dollar verdiend na de overname van ESS door een andere grote militaire contractor.

 

Hoe komt het dat er relatief weinig aandacht is bij de Amerikaanse publieke opinie voor de oorlog in Irak?

BUCHHEIT: Dat is een bijzonder merkwaardig fenomeen. Met het internet en de moderne media, zou je kunnen veronderstellen dat de bevolking beter geïnformeerd is dan ooit. En toch spreken slechts weinig Amerikanen zich uit tegen de totaal uit de hand gelopen oorlog. Bizar.

De inval in Afghanistan na 9/11 is tot op zekere hoogte te rechtvaardigen, omdat er duidelijke aanwijzingen over trainingskampen voor terroristen waren. Maar de Amerikaanse burgers krijgen op hun tv nooit het ware gelaat van de oorlog te zien. Vooral gewone mensen worden het slachtoffer. Dat is ook zo in Afghanistan. We hebben er veel huizen en levens van brave burgers vernietigd. Als we eerlijk zijn, moeten we toegeven dat onze militaire acties zelfs daar nooit het juiste effect opgeleverd hebben.

Teveel jonge Amerikanen hebben geen interesse in de waarheid, en weten niets over belangrijke onderwerpen zoals oorlog of armoede. Het is niet zo dat de pers gemuilkorfd wordt, of dat kritische stemmen het zwijgen worden opgelegd. Er zijn een paar uitgesproken critici in dit land, denk maar aan Cindy Sheehan, de moeder van de gesneuvelde soldaat die maanden op het landgoed van George Bush kampeerde om hem met zijn daden te confronteren. Sommigen zijn echt niet bang om lijnrecht tegen Bush en Cheney in te gaan. Het is alleen jammer dat bijna niemand hen wil horen.

 

American Wars: Illusions and Realities. Onder redactie van Paul Buchheit. Clarity Press, Atlanta. 14,95 dollar.

© jan@janstevens.be

Carmona

carmona-man-in-jurk

Het stokoude ommuurde stadje Carmona is misschien wel het best bewaarde geheim van Andalusië. Terwijl Sevilla, Cordoba en andere Granada’s door citytrippers overrompeld worden, blijft het in Carmona verrassend stil. Ten onrechte, want zelfs de gevreesde koning Ferdinand de Derde was onder de indruk toen hij in 1247 de stad op de Moren heroverde en de gevleugelde woorden sprak: “Zoals de poolster in de ochtend aan de hemel schittert, zo schittert Carmona in Andalusië.”

 Maandagochtend, 10 uur. Het is ongewoon rustig op de Plaza de Abastos. Op alle andere dagen van de week heerst er rond deze tijd op het rechthoekige plein een gezellige drukte, met gelach, geroep en getier van mensen die hun dagelijkse portie vlees, brood, kaas, groenten of olijven komen kopen in een van de vooroorlogse winkeltjes onder de arcaden. Elke andere ochtend bruist de Plaza de Abastos van het leven, behalve op maandagochtend. Dan genieten de handelaars van hun welverdiende rust, en ligt de oude marktplaats in het historische hart van Carmona er verlaten bij.

 

plaza-de-abastosOorspronkelijk was de Plaza de Abastos een dominicanenklooster, gewijd aan de Heilige Catalina en gebouwd aan het einde van de zestiende eeuw. In 1842 werd het klooster vertimmerd tot marktplein met arcaden, en werd het opengesteld voor het publiek. Sindsdien is de tijd op dit plein blijven stilstaan.

De ooievaar die op de toren van de verder gelegen kerk van San Pedro woont, profiteert van de maandagse stilte om zijn nest een opknapbeurt te geven. We observeren hem van op ons bankje in de ochtendzon. Hij vliegt af en aan op de kerktoren – een perfecte kopie van de klokkentoren La Giralda van de kathedraal van het veertig kilometer verder gelegen Sevilla. Onze lege magen knorren, en we besluiten om te gaan ontbijten op het terras in de hoek van het plein. Het koffiehuis en het krantenwinkeltje zijn de enige handelszaken op de Plaza die nu open zijn. We bestellen een overheerlijke verse zumo de naranja, en een sterke café met een knapperig napoletana-broodje. We zijn de enige güeros tussen een handvol koffie- en sinaasappelsapslurpende locals.

Een man betaalt zijn koffie, steekt een sigaret op en staat op. Pas dan zien we dat hij een jeansrok draagt. Hij wandelt op zijn gemak het plein over. Langs achter ziet hij eruit als een kalende vrouw op middelbare leeftijd op sloffen.

“Let maar niet op hem”, zegt de kelner die ons ziet staren. “Ernesto is een beetje geschift, maar totaal ongevaarlijk. Hij komt hier elke ochtend klokslag tien zijn koffietje drinken, telkens met een andere rok aan. Waarom hij die rokken draagt? Geen flauw idee. Misschien heeft hij behoefte aan een beetje luchtkoeling? Kom het hem morgenvroeg zelf eens vragen. Wedden dat hij dan zijn bloemetjesjurk draagt?”

 

puerta-de-sevilla

 

Maandagmiddag, 12 uur. We wandelen door het kleine voetgangerspoortje van de Puerta de Sevilla en overschouwen de ‘buitenwijken’ van Carmona. Het oude stadshart binnen de vestigingsmuren is gebouwd op wat hoogstwaarschijnlijk de oudste nederzetting in Andalusië is. Twee en een half miljoen jaar geleden leefden er al mensen op deze plaats bij de rivier Guadalquivir. Carmona is dan ook een paradijs voor archeologen. Wie hier een spade in de grond steekt, maakt veel kans om gebruiksvoorwerpen van onze voorouders uit het Stenen Tijdperk op te delven.

In de 7de eeuw voor Christus zou Carmona goede handelsrelaties onderhouden hebben met de Feniciërs uit Libanon en Syrië. Een paar honderd jaar later vielen de Carthagenen – de inwoners van het latere Tunesië – de stad binnen. Ze maakten van Carmona een echte vestingstad en bouwden toen al een eerste ruwe versie van de Puerta de Sevilla. Tweehonderd jaar voor onze tijdrekening werd Carmona bezet door de Romeinen. Zij vertimmerden de stad tot een bewapende vesting en noemden haar Carmo. Onder het bewind van Julius Caesar in de eerste eeuw voor Christus groeide Carmo uit tot één van de sterkste Spaanse steden van het Iberische schiereiland. Eeuwenlang bleef Carmona strategisch belangrijk, omdat vanuit de op een plateau gebouwde vestingstad heel de vallei van de Guadalquivir in het oog gehouden kon worden.

We laten de historische binnenstad achter ons en wandelen langs de Iglesia de San Pedro in de richting van Sevilla. We lopen voorbij de Necropolis Romana, de oude Romeinse begraafplaats. Het uitgestrekte kerkhof werd in 1868 bij toeval door archeologen ontdekt. Op de Necropolis rusten de leden van meer dan 900 families, in diep in de rotsen uitgehakte bolumbaria. Bij het grootste graf, de Tumba de Servillia, rusten wij uit in de schaduw op de grote binnenplaats, en mijmeren we over de vergankelijkheid van het leven.

 

 

flavio

Maandagnamiddag, 15 uur. We stappen de hoefijzervormige toegangspoort van het imposante Parador de Carmona op de westelijke stadswal binnen. Officieel heet het uit de 10e eeuw stammende Moorse fort Hotel Alcazar del Rey Don Pedro. Het alcazar prijkt hoog boven het stadje uit en biedt een schitterend vergezicht over de vruchtbare vlakte van La Vega. Op het binnenplein staat een rist indrukwekkende oldtimers geparkeerd. Exclusief voor de gasten van het hotel. “U moet dringend naar de luchthaven van Sevilla? Geen probleem, wenst u met de Alfa Romeo 2300 Pescara mee te rijden, of houdt u het deze keer liever op de Bentley MK VI?”

Dit is duidelijk geen hotel voor wie op zijn centen zit – in het Parador de Carmona zien ze uw geld graag rollen. Maar het is een prachtig hotel – volgens sommigen zelfs het mooiste van Spanje. En het vertelt een typische Andalusische geschiedenis. Sommige vleugels van het fort werden in de tiende eeuw gebouwd door de Moren, en raakten in verval tijdens de reconquista – de herovering van El Andalus door de katholieken. Toen koning Pedro de Wrede in de dertiende eeuw de ruïnes zag, brak zijn staalkoude hart. Hij liet het alcazar opknappen, en het werd een van zijn favoriete pleisterplaatsen. Nu is het de favoriete pleisterplaats van voornamelijk kapitaalkrachtige toeristen.

We zoeken in het Parador een plaatsje op de oude binnentuin van het klooster. Ooit werd hier rond de eeuwenoude Mudejarfontein devoot gebeden, nu wordt er koffie gedronken en gebak gegeten. We bestellen onze café bij een stijfdeftige garçon en wanen ons even on speaking terms met de rich and famous van deze wereld. Vlak naast ons komt een Spaans burgergezinnetje zitten. De man ziet eruit als een boekhouder, zijn vrouw als een brave huismoeder. Aan zijn kleren te zien, heeft hun zoontje Flavio net zijn eerste communie gedaan. Flavio paradeert rond op het plein, temt ingebeelde stieren en showt zijn gebreide collant en de rest van zijn eerstecommuniekostuum dat wel lijkt te dateren uit de vroege jaren vijftig.

parador-5

Maandagavond, 20 uur. We zijn op weg naar het Plaza de San Fernando, Carmona’s door palmbomen omringde centrale plein. Met zijn tapasbars is het the place to be voor uitgehongerde zielen zoals wij. Maar eerst passeren we langs de Iglesia de Santa Maria la Mayor. De kerk werd in de vijftiende eeuw gebouwd op de plaats waar vroeger een Moorse moskee stond. De restanten van het oude islamitische heiligdom vloeien moeiteloos over in de aan de maagd Maria, de patroonheilige van Carmona, opgedragen katholieke Iglesia. We wandelen door de paradijselijke moskeehof met zijn sinaasappelbomen en hoefijzerbogen, en steken ons hoofd binnen in de donkere gotische kerk. Zoals elke avond worden de eerste rijen voor het altaar ook nu weer bezet door de oude vrouwen van de stad. Met een sjaaltje op hun hoofd, een rozenkrans tussen hun vingers en diep voorover gebogen in hun bank, luisteren ze naar de priester vooraan. Af en toe beamen ze zijn uitspraken met een langgerekt “Amen”. Op de schaarse momenten dat mijnheer pastoor zwijgt, prevelen zij een gebed.

We vluchten naar buiten, de frisse lucht en de vrijheid tegemoet – en stappen via de Calle Martín López de Córdoba naar de Plaza de San Fernando. Onderweg piepen we langs openstaande voordeuren binnen in schitterende binnenplaatsen versierd met fonteinen, planten en gipsen standbeelden. Op de Plaza staat het oude raadshuis, de Casa del Cabildo, met zijn Moorse boogramen en kleurrijke tegels te pronken tussen andere prachtige Mudejarhuizen uit de 16e eeuw. Een steen in de gevel herinnert aan het korte verblijf in Carmona van Miguel de Cervantes, de schrijver van Don Quichote, die er in 1590 twee maanden als afgevaardigde van de Spaanse Armada leefde en werkte.

We stappen binnen bij Bar El Goya op de hoek van de Plaza de San Fernando en de Calle Prim, en dagen de waard Albert uit om ons culinair te verrassen. In een mum van tijd tovert hij heerlijke koude tapas en warme stoofschoteltjes tevoorschijn. We doen ons te goed aan Alberts jamón ibérico de bellota gran reserva, aan zijn champiñones en salsa verde en aan zijn ensalada de bacalao. We spoelen alles weg met een glas rioja van het huis en een glas kurkdroge manzanilla.

We bestellen koffie. Albert brengt de kopjes samen met een fles Spaanse brandy en giet onze glaasjes vol tot aan de rand. “Probeer dit eens”, zegt hij. “Die Fransen denken dat ze de enigen zijn die cognac kunnen brouwen, dat komt omdat ze weigeren om onze godendrank te proeven. U moet de Torres 20 Años in kleine teugjes opdrinken. Het zal zijn alsof er een engel fluweelzacht over uw tong glijdt. ¡Salud!”

tapastime

 

© jan@janstevens.be 

foto’s: ©Veerle Van Hoey

Een jaar geleden

Jo’burg, zaterdagnamiddag 17 februari 2007

Achterkant van een hotel in Jo’burg.
Foto genomen door Patrick met mijn camera.

 

 

Johannesburg, zaterdagnamiddag, 17 februari 2007.

Het is zalig in de tuin van het hotel. “Zie ons hier zitten”, zegt Patrick. We lachen en drinken Castle. (“Amstel?” vroeg de kelner. “No Dutch beer”, antwoordde Patrick. “Something South African, please.”)

We lezen. “Dit is een bizar boek”, zegt Patrick. “Ken je Het verzuim van de dood van Saramago? Het gaat over een land waar niemand nog kan doodgaan. Stel je voor: je bent 90, ligt op sterven, je crepeert, verlangt naar het einde en dat komt maar niet.”

“Afschuwelijk.”

“Ja, maar in het land ernaast sterven de mensen wel nog. Dus smokkelen familieleden hun stervenden de grens over.”

“Klinkt als ongelooflijk fijn leesvoer.”

“Zware kost”, geeft Patrick toe. “Daar hou ik wel van.”

 

Soweto, zondagnamiddag, 18 februari 2007.

We zitten voor het huis van Lizzie en drinken, roken en praten. Buschauffeur Lucas bestelt zijn zesde halfliterfles. Hij valt bijna van zijn kruk.

“Jan stelt weer intelligente vragen”, zegt Patrick als ik aan Lolo vraag of ze kinderen heeft. Iedereen lacht; Patrick het hardst van allemaal.

“I’d like to take a picture of the two of you together”, zegt hij tegen de verlegen meisjes Lindiwe en Nelisiwe. Hij toont hen zijn liefste glimlach; ze smelten. Klik, klik, klik.

“Nog een paar foto’s van de straat. Zijn we dan weg?”

“Oké, Patrick.” Ik weet dat hij geen zittend gat heeft.

’s Avonds toont hij de foto’s. Ze zijn prachtig.

“Nog een pintje?”

“Yep.”

“Tof in den hof”, zegt hij.

Daar klinken we op, en we lachen – om ter luidst.

 

Johannesburg, dinsdagmiddag, 20 februari 2007.

Straks vertrekken we. Patrick naar Dakar; ik naar Kaapstad. We drinken een laatste glas.

“De mensen in het boek van Saramago zijn vertwijfeld op zoek naar de dood”, zegt hij. “Ze willen hem een smeekbrief sturen. Ik denk dat de dood een vrouw is. Ik zal het weten wanneer ik in Dakar land.”

 

Vrijdagnamiddag, 2 maart 2007.

Filip belt. “Heb je het gehoord van Patrick? Hij ligt in coma.”

’s Avonds Marian aan de telefoon. “Patrick is dood.”

Ongeloof. Het leven lijkt een misselijkmakende grap. Nooit, nee nooit wordt het nog tof in den hof.

Pension Semtex

Oxana lacht.

“Wilt u er een biertje bij?” vraagt ze, terwijl ze me een bord aanreikt.

“Dank je. Een halve liter Lobckowitz, graag.”

Schnitzels en noedels zwemmen in een donkerbruine jus. Een schijfje tomaat en een plakje komkommer balanceren op de rand van het bord. Ik kokhals. Maar Oxana lacht. Oxana lacht altijd. Voorzichtig zet ze het bier op tafel.

“Tsjechen zijn even grote boerenpummels als Oostenrijkers”, fluistert ze. “U moet de volgende keer mijn land bezoeken, sjasliek eten en wodka drinken. Ik zal u gidsen. Tsjechië is een apenland. Oekraïne is het mooiste land ter wereld. Niet vertellen aan mijnheer Novak.”

Ze raakt mijn arm aan en knipoogt.

 

In een hoek van het restaurant hangt een tv.

“Mijnheer Novak, Rosanne begint!”

Manuel Novak sloft de keuken uit. Hij neemt een stoel en zet zich kreunend naast Oxana neer. Samen met hun pensiongasten staren ze gebiologeerd naar de vijfhonderd en zoveelste aflevering van een slecht nagesynchroniseerde Braziliaanse soap.

In pension Lovrana wordt het eten elke avond om klokslag half zes opgediend. Precies een half uur later legt iedereen mes en vork neer. Schnitzels en noedels wegen niet op tegen de liefdesperikelen van de bloedmooie Rosanne.

 

Aan het tafeltje naast het mijne zit Stanislava Spezjlová.

Rosanne doet de mensen dromen, mijnheer. Dromen van een beter leven. Maar mij interesseert het niet. Mijn leven is toch bijna voorbij.”

Stanislava is tachtig. Ze is keurig in het zwart gekleed. Vierendertig jaar geleden werd ze weduwe. Ze rouwt nog steeds. Haar handtas puilt uit van de foto’s van haar klein- en achterkleinkinderen.

“In de winter van 1946 kwam ik voor het eerst naar dit pension”, zegt ze in vloeiend Duits. “Ik skiede toen samen met mijn man op de Cerna hora, de Zwarte Berg.”

Stanislava woont in een flatje in Pardubice.

“Kent u die stad?” vraagt ze. “Elk jaar in oktober komen paardenliefhebbers van heinde en ver er naar de steeple-chase kijken. Het parcours is zo zwaar dat de meeste paarden sneuvelen vóór de laatste hindernis.”

Haar lachje wordt gesmoord door Oxana’s klaterlach. Rosanne kust een met goud omhangen maffiabaas vol op de mond.

“Van 1937 tot 1987 werkte ik als bediende in Synthesia, toen de grootste chemische fabriek van Tsjechië”, zegt Stanislava trots. “Er werkten meer dan vijfduizend mensen. De nieuwe managers hebben na de Fluwelen Revolutie een vierde van de arbeiders en de bedienden ontslagen.” Ze spuwt het woord ‘managers’ uit. “Ik ben in Praag geboren, maar omwille van het werk ben ik verhuisd. Synthesia ligt in Semtín, op een boogscheut van Pardubice.”

Ik complimenteer haar met haar Duits.

“U bent een charmeur.” Ze straalt. “Bij Synthesia was ik verantwoordelijk voor de contacten met onze zusterfirma in de DDR. Mijn Oost-Duitse collega’s spraken geen woord Tsjechisch. Noodgedwongen moest ik hun taal leren.”

We zwijgen. Ik kauw op een stuk koude schnitzel. De maffiabaas geeft Rosanne de bons. De pensiongasten vloeken. Oxana zoekt naar haar zakdoek in de mouw van haar schort.

 

Stanislava Spezjlová rommelt in haar handtas en tovert een oude ansicht te voorschijn.

“Kijk”, zegt ze. “Zo zag Lovrana eruit toen het nog eigendom van Synthesia was.” Op de kaart staan foto’s van de binnen- en de buitenkant van het pension.

“Het is hier geen spat veranderd.”

“Alles is hier bij het oude gebleven, ja. Alleen de sfeer is weg. Na de machtsgreep van Havel en zijn kliek, werd de directie van de fabriek gedwongen om het pension te verkopen aan Manuel Novak. Lovrana heette vroeger Chata Chemik. De bedienden en kaderleden van Synthesia brachten hier gratis hun jaarlijkse vakantie door. Ik ben blijven komen. Er hangen teveel mooie herinneringen vast aan deze plek.” Ze glimlacht droef.

***

Het restaurant is leeg. Ik zit als enige aan de toog. Manuel Novak heeft een zwart jasje aangetrokken en speelt barman.

“Kent u Fawlty Towers?” vraag ik hem.

“Hoe bedoelt u?”

“Laat maar zitten. Hebt u heimwee naar de tijd van voor de Fluwelen Revolutie?”

Manuel grijnst. “U hebt met de oude mevrouw Spezjlová gesproken. Let maar niet op haar. Ze is verbitterd. Heeft ze u verteld over de fabriek?” Ik knik. Hij vervolgt: “Ze heeft er natuurlijk niet bijgezegd wat Synthesia produceerde. In plaats van Lovrana had ik dit pension beter Semtex gedoopt. Synthesia was de belangrijkste producent van het kneedbare explosief. Terroristen waren er kind aan huis. In de bagageruimte van de Boeing die boven Lockerbie ontplofte, zat een flinke kluit semtex, afkomstig van Synthesia. Het werd via Oost-Duitsland naar Libië getransporteerd. Het resultaat: bijna driehonderd doden. Weet u hoe de Italiaanse maffiabestrijder Borsellino en zijn vijf lijfwachten aan hun einde gekomen zijn? Door een semtexbom van Synthesia. Maar daar wordt die lieve mevrouw Spezjlová liever niet aan herinnerd.”

Manuel neemt twee glaasjes en giet ze vol tot aan de rand.

“Proef dit eens. Heb ik zelf gestookt. Nee, mijnheer, het zijn gouden tijden voor wie van aanpakken weet. Pavel Kerner, Stanislava’s schoonzoon, werkte als ingenieur in de fabriek. Na de revolutie werd hij ontslagen. Hij was vijfenveertig en vond geen werk meer. Hij heeft met zijn spaarcenten een café in Pardubice gekocht. Een jaar later was hij failliet. Hij schreeuwde overal rond dat het kapitalisme hem kapot gemaakt had. Vorig jaar heeft hij zich onder een trein gegooid. Ik neem het mevrouw Spezjlová niet kwalijk dat ze verlangt naar vroeger. Ze heeft haar portie ellende wel gehad. Maar ik ben blij dat die communistenbende opgeruimd is. Oxana, drink je een glaasje mee?” roept hij naar de keuken.

Hij vult een derde glas en zegt: “U moet het in één teug opdrinken. Na zdravi.”

Het goedje smaakt naar kruidnagel en brandt als pure alcohol. Ik kokhals.

Oxana lacht.

 

© jan@janstevens.be

%d bloggers liken dit: