De ambassadeur van Al Gore

Ecodesigner Serge de Gheldere probeert al jarenlang mensen en bedrijven ervan te overtuigen om ecologisch verantwoord te ondernemen. Hij voelde zich vaak een roepende in de woestijn, tot Al Gore hem in 2006 benoemde tot zijn klimaatambassadeur in België.

 

Er wordt keihard gewerkt op de oude industriële site in de Vaartkom in Leuven. Terwijl sloophamers aan de ene kant van het water oude fabrieksgebouwen met de grond gelijk maken, verschijnen aan de andere kant de betonnen skeletten van wat binnen afzienbare tijd trendy lofts zullen worden. Tussen al dat bouwgeweld staat de oude graanverwerkingsfabriek aan de Leuvense jachthaven fier rechtop. Hier huist, naast een pak andere jonge bedrijfjes, Futureproofed, het duurzaamheidsconsultancybureau van ingenieur en Al Gore-ambassadeur Serge de Gheldere. Negen jaar geleden ging De Gheldere met Futureproofed van start. “Toen was duurzaam ondernemen nog niet zo’n hot issue”, zegt hij. “De markt aan duurzame producten was enorm versnipperd. Ik kreeg het lumineuze idee om al die producten en ideeën in een catalogus te verzamelen en op een toffe manier aan de geïnteresseerden aan te bieden. Ik wou ook ecologisch advies gaan verschaffen aan particulieren en ondernemingen die gingen bouwen of verbouwen. Bij de opstart van mijn bedrijf in 2000 noemde ik mezelf ‘ecodesigner’. Maar de reacties waren niet bemoedigend. Veel mensen keken me verwonderd aan: ‘Waar ben jij mee bezig? Met ecodesign? Er is toch geen probleem? Laat ons gewoon rustig verder aanmodderen.’ Ik kreeg toen echt een koude douche. Want ik was heel enthousiast over al die ecologisch verantwoorde, slimme producten. Ik had verwacht dat al mijn medemensen er automatisch even enthousiast over zouden zijn, en dat Futureproofed van in het begin een gigantisch succes zou worden. Zo is het natuurlijk niet verlopen. De echte boost is er uiteindelijk pas gekomen na ‘An Inconvenient Truth’ van Al Gore.”

 

Op stap met Al Gore

In het najaar van 2003 zag Serge de Gheldere Al Gore een speech geven over de klimaatverandering. “Hij sprak op de Universiteit van New York en blies me van mijn sokken. Voor het eerst zag ik cijfers en grafieken die zwart op wit duidelijk maakten hoe slecht het met de ijslagen gesteld is. Gore toonde aan dat het drastische afsmelten van ijskappen en gletsjers allesbehalve natuurlijk kon zijn. Die informatie was nieuw voor mij, en meteen besefte ik: ‘Man, we have a situation here.’ Ik ben Al Gore daarna blijven volgen. Ik hoorde dat hij een documentaire aan het maken was, en dat hij duizend mensen wou opleiden om zijn presentatie over klimaatverandering voor anderen te geven. Ik heb toen bij hem gesolliciteerd. In oktober 2004 kreeg ik bericht dat ik aanvaard was. Ik was dolgelukkig. Mijn moeder dacht dat ik lid van een sekte geworden was.”

Het weekend nadat De Gheldere hoorde dat hij door Al Gore uitverkoren was om zijn ‘ambassadeur’ te worden, boekte hij een vlucht naar Nashville, Tenessee. “Die drie dagen in het Hiltonhotel van Nashville waren een fantastische ervaring. In totaal waren we met 150 mensen, voornamelijk Amerikanen. Ik was een van de weinige buitenlanders en bijgevolg een curiosum. De programmadirectrice stelde me voor aan Gore. ‘Al,’ zei ze, ‘this is Serge and he’s from Belgium.’ Ik vond die ongedwongen sfeer heel cool. Ik heb diezelfde avond nog het concept van het passiefhuis aan Gore proberen verkopen. Hij zat toen al in het bestuur van Apple. Ik wist dat Apple een nieuwe campus ging bouwen, en ik dacht: ‘Het zou toch fantastisch zijn als Apple voor het passiefhuisconcept zou vallen.’ Ik had een brochure bij me, heb het Gore helemaal uitgelegd en hij zei: ‘Ik zal er eens naar kijken.’ Ik hoopte stilletjes dat hij het op een bestuursvergadering aan Steve Jobs zou vertellen, maar daar is blijkbaar niets van in huis gekomen. Je kunt maar proberen, hé. (lacht)”

Van zodra Serge de Gheldere terug in België was, begon hij lezingen over de dreiging van de klimaatverandering te geven. “We hadden ons er bij Al Gore toe verplicht om tien lezingen per jaar te geven. Ik kreeg bijna onmiddellijk een stormloop van aanvragen om in bedrijven en verenigingen te komen spreken. Ik heb er dat jaar meer dan 100 gegeven.”

“Die lezingen waren natuurlijk een goeie zaak voor Futureproofed. Ze maakten zichtbaar waar ik al zolang mee bezig was. Van alle Gore-ambassadeurs van over de hele wereld heb ik de meeste lezingen verzorgd. Een jaar lang was ik een paar keer per week ’s avonds weg. Zo goed als alle huiselijke beslommeringen kwamen bij mijn vrouw terecht, en na verloop van tijd begonnen mijn kinderen te klagen. Het was boeiend, maar tegelijk ook heel moeilijk.”

“De kritiek van de klimaatsceptici is ondertussen wel verstomd. In het begin had ik iedere avond prijs, en zaten er altijd een aantal in de zaal die het debat wilden aangaan. Nu gebeurt dat nog zelden, en wind ik me daar ook niet meer in op. Ik concentreer me op de meerderheid van mensen die wel overtuigd zijn. Maar het is niet omdat ze weten dat de aarde opwarmt, dat ze hun gedrag veranderen. Er blijven heel veel obstakels. Soms denken ze dat maatregelen te duur zijn, of zeggen ze: ‘Wij kunnen als individu toch niets doen?’ Vaak hoor ik ook: ‘We hebben geen zin om onze luxe en comfort op te geven en om terug te keren naar het Bokrijk van 100 jaar geleden.’ Nog een steeds weerkerende gemeenplaats is: ‘Waarom zouden wij er iets aan doen als er in China iedere week een nieuwe steenkoolcentrale opgestart wordt?'”

 

Factor 10

Ondertussen tikt de klok genadeloos verder. Serge de Gheldere: “Soms ben ik echt bang dat we de boot aan het missen zijn. Een aantal recente studies waarschuwen voor zichzelf versterkende veranderingen, waarbij er bijvoorbeeld methaangas uit de permafrost vrij komt die nog meer opwarming met zich mee zal brengen. Toen ik Al Gore voor het laatst zag, zei hij dat er 75% kans is dat er binnen vijf jaar in de zomer helemaal geen ijs meer zal liggen op de Noordpool, en dat voor het eerst in meer dan een miljoen jaar. Oudere studies voorspelden dat scenario maar tegen 2050. En toch blijven we treuzelen, en focussen we ons op dagelijkse, onnozele dingen, op pietluttigheden. Het is meer dan tijd om wakker te schieten en de juiste keuzes te maken. Je kunt veel doen: neem de fiets in plaats van de auto, laat een energie-audit van je huis maken, koop een hybride, probeer de carpolicy op je werk groen te kleuren, schakel over op groene stroom, ijver er voor dat er een paar keer per week vegetarische maaltijden op school geserveerd worden…. Heel wat bedrijven hebben de boodschap wel begrepen; politici en particulieren moeten dringend volgen.”

“Om echt iets aan de klimaatverandering te doen, moet de CO2-uitstoot in het westen tegen 2040 met 90% gereduceerd worden. We moeten tien keer beter presteren in de reductie van CO2 dan we tot nu toe doen. Dat is geen illusie: er zijn vandaag al heel wat cases uit de industrie, de bouw en de autosector die die ‘Factor 10’ nu al halen, die geld opbrengen en niet aan comfort inboeten. CO2-reductie hoeft helemaal geen stap achteruit te zijn, richting Bokrijk, maar kan juist twee resolute stappen vooruit betekenen. We moeten radicaal herdenken waar we mee bezig zijn. Daarom is het belangrijk dat er eerst in kaart gebracht wordt voor hoeveel CO2 alle sectoren uit de economie verantwoordelijk zijn. Meten is weten. Futureproofed heeft dat voor het Europese Parlement gedaan. Dat is een immense organisatie, met 10.000 mensen op 1 miljoen vierkante meter, waarvan er velen vaak heen en weer vliegen. We hebben alles in kaart gebracht, en zijn van daaruit op zoek gegaan naar aantrekkelijke, haalbare en rendabele oplossingen die de CO2-emissies helpen minimaliseren. Onze voorstellen reduceren de CO2-uitstoot met 30% en brengen geld op. Wij werken holistisch. Dat klinkt soft, maar het is wel belangrijk: we pikken er niet een element uit, maar onderzoeken het geheel. Het resultaat is dat onze klanten geld verdienen, hun CO2-doelstellingen halen en hun comfort vergroten.”

 

Commerciële revolutionairen

Waar komt het ecologische bewustzijn van Serge de Gheldere vandaan? “Ik heb als jonge ingenieur een tijd bij Baxter in Chicago gewerkt. Daar heb ik gezien hoe mensen en bedrijven op een andere manier met ecologie en duurzaamheid omgaan. Ik heb daar de supermarkt Whole Food leren kennen. Hij ziet eruit als een Delhaize, het is er aangenaam shoppen, maar alles is er resoluut ecologisch en biologisch. Er hangt helemaal geen ‘Wij-zijn-beter-dan-de-rest-sfeertje.’ Ik was onlangs nog in een biowinkel bij mij in de buurt, en ik had echt het gevoel dat de toon daar impliciet was: ‘Wij leven bewuster en beter dan al die anderen.’ Bij Whole Food had ik dat niet. Terug in België groeide dan het idee om Futureproofed op te richten.”

“De stap naar zelfstandig ondernemer was niet vanzelfsprekend. Ik kom niet uit een nest van zakenlui. Mijn ouders zijn arts, mijn broer ook. Ik heb alle klassieke fouten gemaakt: mensen aangenomen en hun lonen betaald, om vervolgens zelf niets meer over te houden. Ik heb ook lang geworsteld met de identiteit van Futureproofed. De oorspronkelijke invalshoek was ideologisch: er is een milieuprobleem, hoe kunnen we daar oplossingen voor aanbieden die op alle gebieden een verbetering inhouden en ook nog eens geld opbrengen? En dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. Ik ben verschillende keren bijna gestopt. Soms leekt het zinloos om ermee door te gaan, had ik het gevoel alsof ik amper een verschil kon maken in de strijd voor een beter milieu. Gelukkig is er na die opleiding bij Al Gore eindelijk vaart in gekomen. Ik kon met een aantal grote bedrijven in zee gaan, en heb mijn tanden in grotere projecten kunnen zetten. Nu werk ik samen met drie schitterende partners: jeugdvriend en studiegenoot Steven Van Praet, energiespecialist en ex-piloot Jan Aerts en ingenieur Mara Callaert.”

Zijn de ingenieurs bij Futureproofed ‘revolutionairen’? ‘Misschien wel, maar dan toch commerciële revolutionairen. Dat commerciële is belangrijk – als we er geen geld mee kunnen verdienen, blijven we dit niet doen. En we willen er ook andere bedrijven geld mee helpen verdienen. We zijn geen groene jongens in de klassieke zin van het woord, we willen niet in de ‘geitenwollensokkenhoek’ gezet worden. ‘Geitenwollensokken’ is trouwens een slechte term. Er zijn twee soorten geitenwol: mohair en kasjmier. De duurste truien die je in de winkel kunt vinden, bestaan dus uit geitenwol. (lacht) We worden wel gedreven door het doel om de wereld terug leefbaar te maken. We zijn geen opportunisten. We hebben een duidelijke missie: we willen die levensnoodzakelijke ‘Factor 10’ helpen bewerkstelligen.”

 

 

Serge de Gheldere

 

          41, gehuwd, drie kinderen.

          2000: start het duurzaamheidsconsultancybureau Futureproofed op in Leuven.

          2006: wordt door Al Gore en zijn Climate Project uitverkoren om diens Vlaamse klimaatsambassadeur te worden.

          Vanaf 2007: geeft in totaal meer dan 140 lezingen over de klimaatverandering voor bedrijven en verenigingen

          Het vierkoppige team van Futureproofed werkt(e) aan projecten bij Nike, Fortis, Ecover, Colruyt, het Europese Parlement

 

 

Naar wie kijkt Serge de Gheldere op?

 

Amory Lovins. “Hij is voorzitter van het Rocky Mountain Institute, een organisatie die bedrijven al dertig jaar helpt zoeken naar duurzame, rendabele oplossingen. In 1999 verscheen ‘Natural Capitalism’. Lovins’ boodschap: investeren in menselijk en natuurlijk kapitaal is een uitstekende manier om geld te verdienen en jobs en welvaart te creëren.”

 

Steve Jobs. “Jobs vertrekt altijd vanuit de mens. Hij vraagt zich af: ‘Hoe kunnen we technologie beter en aangenamer maken voor de gebruikers?’ Bij Steve Jobs staat alles in dienst van zijn klanten en de customer experience. Het succes van Apple is het duidelijkste bewijs dat hij gelijk heeft.”

 

© jan@janstevens.be

I’ve seen the future: it is murder

In zijn boek De klimaatoorlogen schetst Harald Welzer een somber beeld van onze nabije toekomst. Volgens Welzer zal de klimaatverandering voor bruut geweld, totale chaos en massale vluchtelingenstromen zorgen. “Alleen radicale verandering kan ons misschien nog redden.”

 

Van de lectuur van De klimaatoorlogen van de Duitse sociaalpsycholoog Harald Welzer wordt een mens niet vrolijker. Volgens Welzer zal de opwarming van de aarde verstrekkender gevolgen hebben dan iemand tot hiertoe voor mogelijk hield. Door de klimaatverandering wordt overleven quasi onmogelijk in delen van Afrika, Azië, Oost-Europa, Zuid-Amerika, het noordpoolgebied en op eilanden in de Stille Oceaan. In grote gebieden zullen steeds meer mensen steeds minder toegang hebben tot hulpbronnen zoals drinkbaar water. Welzer voorspelt dat die primaire overlevingsstrijd binnen afzienbare tijd zal uitmonden in meedogenloze geweldconflicten, met miljoenen klimaat- en oorlogsvluchtelingen tot gevolg. Hij ziet één grote winnaar: geweld in al zijn vormen en facetten, met een boomende economische sector van huurlingenlegers en beveiligingsfirma’s. “Geweld dreigt in de 21e eeuw onze natuurlijke staat van zijn te worden. Westerse staten zullen er alles aan doen om de klimaatvluchtelingen buiten hun grenzen te houden, zijn zich daar volop op aan het voorbereiden, en zullen niet aarzelen om have en goed met geweld te verdedigen.”

Welzer eindigt zijn boek met een citaat van de Duitse theaterauteur Heiner Müller: “Optimisme is slechts een gebrek aan informatie.” Wie De klimaatoorlogen gelezen heeft, zal alleen maar kunnen hopen dat Harald Welzer zich verkeerd geïnformeerd heeft. Maar die kans is miniem, want Welzer heeft als sociaal wetenschapper een ijzersterke reputatie.

 

Anders gaan leven

“De klimaatoorlogen is inderdaad geen optimistisch boek”, zegt Harald Welzer met gevoel voor understatement, terwijl hij koffie inschenkt. We zitten in de bibliotheek van het Kulturwissenschaftliches Institut in Essen, waar Welzer directeur is van de onderzoeksgroep Interdisciplinary Memory Research. Buiten valt de regen in bakken neer, en lijkt het alsof de Apocalyps al losgebarsten is. “Toen ik uw boek las”, zeg ik, “bleef dat ene zinnetje uit The Future van Leonard Cohen door mijn hoofd spoken: ‘I’ve seen the future, brother: it is murder.'” Welzer knikt bedachtzaam. “Ik vrees dat Cohen gelijk heeft. De vooruitzichten zijn allesbehalve schitterend. Zeker omdat er tot hiertoe niet echt ingrijpende maatregelen genomen zijn om de klimaatverandering te lijf te gaan. De huidige economische crisis kleurt het plaatje nog zwarter. Je hoort bewindslui nu verklaren: ‘We moeten de recessie bestrijden, en misschien blijven er dan nog middelen over om ons met de opwarming van de aarde bezig te houden.’ Als je dan ziet waar ze hun geld aan spenderen, is het zonneklaar dat er later geen cent meer zal overschieten om die opwarming tegen te gaan. Veel liever stoppen ze zomaar geld in de bank- en de autosector, in plaats van het te gebruiken om fundamentele veranderingen in onze industrie en in onze manier van leven door te voeren. Dat belooft niet veel goeds.”

 

Terwijl de economische crisis een uitgelezen kans is om onze manier van leven te herdenken?

“Zeker. We moeten radicaal op zoek naar een nieuwe manier van politiek voeren. Maar laat me eerst stellen dat ik van nature niet al te pessimistisch ben. Ik leef graag. En in vergelijking met andere plaatsen in de wereld is de toestand voor West-Europa op het eerste gezicht niet zo dramatisch. Mijn pessimisme is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek; mijn optimisme op burgerzin. Wat ik zeker niet wou, is een boek schrijven met de valse optimistische ondertoon: ‘Het klimaat gaat naar de haaien, maar als je wat minder met de auto rijdt en meer de trein neemt, komt het allemaal wel goed.’ Ik haat dat soort van loze praat. 98% van alle klimaatwetenschappers zijn het erover eens dat we met een ernstig probleem zitten. Maar alle prognoses die in het verleden gemaakt zijn, hinken de realiteit achterna. Alles gebeurt veel sneller dan ooit voorspeld was, en alle fenomenen versnellen zichzelf. Wetenschappers geven ons nog zeven jaar voor het ‘point of no return’ bereikt is. Maar er zijn er steeds meer die vrezen dat we er al voorbij zijn. Het grootste probleem is niet individueel gedrag, het grootste probleem is ons economisch systeem, onze manier van leven. Mensen kunnen kritisch zijn en zichzelf uitroepen tot ‘low impact man’, maar ze blijven sowieso ‘part of the game’. Het verkleinen van individuele ecologische voetafdrukken kan lollig zijn, en kan zelfs omgezet worden in een hype, maar is natuurlijk niet dé oplossing om de klimaatverandering tegen te gaan. ‘Dé oplossing’ kan nooit gelinkt zijn aan een economie die groei als enige adagium kent. Het grote probleem is dat het Westerse kapitalistische systeem altijd bedoeld was als een particulier systeem, en nooit uitgedacht is om uit te groeien tot iets universeel. Tot hiertoe leefden we in een extreem veilige omgeving met extreme welvaart, maar de prijs is altijd door anderen betaald. Sommigen stellen dat de markt alles wel zal regelen. We kunnen nu met onze eigen ogen zien dat de markt helemaal niets regelt. Al die neoliberale bullshit… Zie hoe snel alles instort, dat is toch verbazingwekkend? Wie had zes maanden geleden durven voorspellen dat banken staatseigendom zouden worden, of dat bedrijven gesubsidieerd zouden worden door de overheid? Wie waagde het toen om kapitalisme te zien als een systeem met grote defecten? Dat was als vloeken in de kerk. Kijk waar we nu staan.”

 

Niet wij, maar onze voorgangers hebben de klimaatverandering veroorzaakt. De oorzaken liggen in de industriële revolutie. Wij moeten het nu oplossen, maar zullen er zelf misschien nooit de vruchten van plukken. Misschien hebben we het daardoor zo lastig om ingrijpende maatregelen te nemen?

“Dat is juist. Als we er toch in zouden slagen om onze manier van leven totaal anders te organiseren, mogen we zelfs onze handen in onschuld wassen. Niet onze generatie heeft deze ellende veroorzaakt. Integendeel, wij hebben de vinger op de wonde gelegd, en al vroeg de milieuproblemen gesignaleerd. Jaren geleden betoogden we tegen kernenergie. Vijfentwintig jaar geleden was ik actief in de anti-atoombeweging. We organiseerden manifestaties en waarschuwden voor doemscenario’s, en dan was er dat vreselijke ongeluk in Tsjernobil en er gebeurde helemaal niets. De wereld bleef gewoon doordraaien. Dat was een rare ervaring.”

 

Misschien loopt het ook nu met een sisser af?

Ik denk het niet. De klimaatverandering zal drastische veranderingen teweeg brengen. Droogte, overstromingen en natuurrampen zullen voor een acuut gebrek aan primaire hulpbronnen zorgen. Klimaatwetenschappers maken hun fantastische computermodellen en scenario’s voor de toekomst. Als sociaal wetenschapper voeg ik daaraan toe: waarom kijken we niet naar de geschiedenis? En wat kunnen we daaruit leren over de voorwaarden voor gewelddadige conflicten? Als iets overleving onmogelijk maakt, of het gevoel geeft dat overleven onmogelijk wordt, is geweld altijd een optie. In 2050 zullen twee miljard mensen onder de waterschaarste lijden. De somberste prognoses hebben het zelfs over zeven miljard. Wat voor gevolgen zal dat hebben? Ook in onze moderne, meer gesofisticeerde wereld is geweld dan een optie. Niemand kan je de verzekering geven dat de inwoners van onze ‘fantastische’, democratische samenleving er nooit hun toevlucht toe zullen nemen. We hebben genoeg voorbeelden van het tegendeel gezien, zelfs na de Tweede Wereldoorlog.”

 

De opwarming van de aarde zal voor een nieuwe, massale stroom van klimaatvluchtelingen zorgen?

“Ja, en snel. Er is al zoveel tegenstand tegen de huidige stroom van politieke en economische vluchtelingen. De meeste Europeanen willen geen vluchtelingen opvangen. Ze ‘storen’, en brengen zogezegd kleine criminaliteit, drugs en overlast met zich mee. Degenen die dat beweren, zijn natuurlijk ordinaire racisten. ‘Het is zo fijn hier zonder al die vreemdelingen.’ Het idee dat wij op een eiland van gelukzaligheid leven en dat alle buitenstaanders daar deel van willen uitmaken of het willen vernietigen, is springlevend. De visie van de overgrote meerderheid van de westerlingen is dat de problemen buiten hen liggen, dus willen ze de anderen ten koste van alles ook buiten houden. Het Verdrag van Schengen heeft voor een open ruimte binnen de Europese grenzen gezorgd, met als gevolg dat de noodzaak gegroeid is om de buitengrenzen nog beter af te sluiten. In 2005 heeft de Europese Unie daarvoor zelfs een organisatie opgericht: Frontex, wat staat voor Frontières Extérieures. Frontex klinkt cool, niet? (lacht) Het agentschap heeft een hoog James Bondgehalte. Op dit moment werken er een honderdtal mensen, die bezig zijn met het rekruteren en trainen van meer dan vijfhonderd mobiele grenspolitieagenten uit de verschillende lidstaten. Zij zullen de buitengrenzen van de EU gaan bewaken. Frontex heeft de beschikking over twintig vliegtuigen, dertig helikopters, ruim honderd schepen en verfijnde technologische snufjes, zoals nachtkijkers. Je kan er vergif op innemen dat de grensbeveiliging nog verder zal evolueren. Zeker als de economische crisis dieper wordt, met massale werkloosheid en met regeringen die tot op het tandvlees zitten en geen geld meer kunnen uitgeven. Net op dat moment zullen klimaatvluchtelingen naar ons toe komen. Wie zegt dat overheden op dat moment niet hun toevlucht zullen nemen tot meer ‘radicale’ oplossingen? De Noord-Afrikanen die nu naar het Italiaanse Lampedusa overvaren, worden gecatalogeerd onder ‘een humanitaire ramp’. Maar wat als er nóg meer komen, en wij niet meer over de middelen beschikken om ze op te vangen? Zal het dan nog een humanitaire catastrofe zijn of een probleem dat we op een andere manier moeten oplossen?”

 

Het gevaar is groot dat we dan kiezen voor een ‘drastische oplossing’?

“Waarschijnlijk. Misschien noemen we hen dan wel piraten, en geven we onszelf zo een vrijgeleide om hen af te knallen. We leven in een tijdperk waarin geweld meer en meer aanvaard wordt, en spreken er in newspeak over. We hebben het dan waarschijnlijk niet over een humanitaire catastrofe, maar over een ‘humanitaire actie’.”

“We zullen dan natuurlijk niet zelf onze handen vuil maken, maar het geweld uitbesteden aan een ‘beveiligingsfirma’ of een Private Military Contractor, zoals dat nu al massaal gebeurd in Afghanistan en Irak. Onze democratische staten willen vermijden dat ze in situaties terecht komen waarin ze zich zelf aan geweld bezondigen. Ze delegeren het liever.”

“We kunnen niet langer een onderscheid maken tussen economische en politieke vluchtelingen, klimaat- of oorlogsvluchtelingen. De verschillende motieven om op de vlucht te slaan, infecteren elkaar. Eilanden zoals de Malediven dreigen te verdwijnen. Niemand weet wat er met mensen moet gebeuren die hun samenleving dreigen te verliezen.”

 

Soedan

U noemt het gewelddadige conflict in Darfur ‘de eerste klimaatoorlog’. U schrijft: “Kijken naar Soedan, is kijken naar onze toekomst.” Soedan is een case study voor wat er ons te wachten staat?

“De mogelijkheid is zeer reëel dat het schrikbeeld van Darfur wijdverspreid geraakt. Wij leven in de illusie dat we in tegenstelling tot Soedan in een stabiele maatschappij leven met wet en orde, maar eigenlijk hebben we geen enkele garantie dat onze condities zo stabiel zijn. In de sociale theorie bestaat er geen theorie over snelle maatschappelijke veranderingen, maar maatschappijen kunnen wel degelijk extreem snel veranderen.”

“We weten niet hoe we rampscenario’s moeten aanpakken, want niemand heeft ze ooit bestudeerd. We hebben er gewoon geen benul van hoe we best omgaan met de economische crisis en onze milieuproblemen. We zitten in een heel bizarre situatie. Ons huidige tijdsgewricht staat haaks op ons beeld van ‘onze perfecte samenleving’. Het is interessant om te zien hoe politici zich in deze omstandigheden gedragen. Ze doen alsof ze rationeel reageren, maar eigenlijk weten ze helemaal niet wat te doen. Niemand weet het. Niets werkt. De werkloosheid stijgt schrikbarend, binnen een jaar gaan grote bedrijven over kop, en uiteindelijk zullen staten failliet gaan. Wie heeft een concept? Wie weet hoe we hiermee moeten omgaan? Praten we binnen een paar maanden of een paar jaar nog over stabiele samenlevingen? Het ziet ernaar uit dat we een totale crash tegemoet gaan, want politici proberen de uitslaande brand te blussen met zuurstof. Ze zeggen dat ze van de Grote Depressie in de jaren dertig geleerd hebben en dat ze geld in het systeem moeten pompen om het te redden. Maar is dat wel waar? De crisis heeft zijn oorzaak in teveel virtueel geld; nu pompen ze er nog eens extra virtueel geld in. Volgens mij wordt de toestand zo alleen maar erger.”

“Soedan leert ons dat gewelddadige conflicten minder te maken hebben met ideologische of raciale aspecten, maar veel meer verbonden zijn met milieufactoren. Klimaatverandering zal conflicten zoals Darfur intensifiëren en uitbreiden. Het conflict in Soedan heeft een ander karakter dan ‘traditionele’ gewelddadige conflicten, het zijn geen twee partijen die tegen elkaar vechten in de hoop dat het niet te lang zal duren. Oorlog is er een staat van zijn geworden. Als de chaos te diep doorgedrongen is, wordt het bijna onmogelijk om terug min of meer orde op zaken te stellen. In het noorden van Soedan heeft de woestijn zich de laatste veertig jaar honderd kilometer in de richting van het vroegere vruchtbare zuiden uitgebreid. Er valt steeds minder regen, en door het massale kappen van bossen heeft de bodemerosie het land onvruchtbaar gemaakt. De klimaatverandering wil voor Soedan zeggen dat tegen 2030 de temperatuur met een halve graad gestegen zal zijn, en dat de regenval elk jaar nog eens met vijf procent zal verminderen. De graanoogst zal daardoor nog eens met 70 procent inzakken. Er wonen 30 miljoen mensen in Soedan, en door de jarenlange oorlog en de klimaatverandering zijn er nu al 5 miljoen interne vluchtelingen. Er is geen plek waar ze heen kunnen, en dat veroorzaakt nog eens extra geweld. In Soedan is overleven een concurrentiestrijd. In Darfur is het geweld omgeslagen in een openlijke oorlog.”

 

Wat voor effect heeft het schrijven van dit boek op uzelf gehad?

“Ik ben er zelf minder optimistisch door geworden. Het schrijven van De klimaatoorlogen heeft me keihard geconfronteerd met mijn eigen manier van leven. Ik vind het niet zo gemakkelijk meer om het vliegtuig te nemen, of om met mijn auto te rijden. Ook al weet ik dat het weinig uitmaakt, toch probeer ik mijn ecologische voetafdruk te verkleinen. Maar wat misschien nog veel belangrijker is, is dat ik na het schrijven van dit boek me steeds gretiger meng in politieke discussies. De klimaatoorlogen heeft veel deining veroorzaakt in Duitsland. Ik word vaak gevraagd voor klimaatdebatten, en heb ondertussen ook met heel wat politici gesproken. Al die gesprekken hebben me gedwongen om positie in te nemen. Dat lijkt gevaarlijk voor een academicus, maar ik vind het interessant om een beetje invloed te kunnen uitoefenen. De relatie tussen klimaatverandering en oorlog en geweld is hier zeer intens bediscussieerd. Ik heb met de minister van Buitenlandse Zaken gesproken, en met andere belangrijke politici. Ze hebben aandachtig geluisterd, en waren onder de indruk.”

“Een eerste goed stap zou zijn dat onze bewindslui de klimaatverandering niet minimaliseren en de gevolgen realistisch leren inschatten. We hebben geen enkele ervaring met een geglobaliseerd probleem als dit, dus is het belangrijk dat we er nuchter naar kijken en onszelf geen blaasjes wijsmaken. We beseffen te weinig dat er ons maar weinig tijd rest. Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) praat over worst case scenario’s tegen het jaar 2100. Niemand ligt daar wakker van. Dat is totaal abstract. Ze zouden eigenlijk gewoon moeten zeggen: ‘We hebben het over de toekomst van jullie kinderen.’ Dan wordt het probleem plots acuut, en schrikken mensen misschien wel wakker.”

 

Harald Welzer

 

          Professor Harald Welzer (°1958) is directeur van het Center for Interdisciplinary Memory Research aan het Kulturwissenschaftliches Institut in Essen en onderzoeker bij het departement Sociale Psychologie van de Universiteit van Witten/Herdecke.

          In 2006 verscheen van hem Daders, Hoe heel normale mensen massamoordenaars worden, waarin hij de omstandigheden onderzocht waarin gewone mensen aangezet werden tot genocide in Nazi-Duitsland, Rwanda en Bosnië.

 

Harald Welzer. De klimaatoorlogen, Waarom in de 21e eeuw gevochten wordt. Oorspronkelijke titel: Klimakriege. Vertaald door Corry van Bree. Ambo, Amsterdam. 304 blzn. 19,95 euro.

© jan@janstevens.be

De ayatollah van Lego

De Deense captain of industry Torben Sorensen blies twee vermolmde iconen – Lego en Bang & Olufsen – nieuw leven in. Vandaag geeft hij talloze Deense bedrijven advies, en leert hij de toekomstige ceo’s van Denemarken hoe ze later zelf ook tot smaakmakers kunnen uitgroeien. “Mijn belangrijkste raad aan mijn studenten: gedraag je als een menselijk wezen.”

  

Op het Kongens Nytorv in het centrum van Kopenhagen schaatsen verliefde koppeltjes arm in arm rond het imposante ruiterstandbeeld van Koning Christiaan V. Aan de overkant van het plein staan een paar jongelui zich voor de etalage van de stijlvolle Bang & Olufsenwinkel te vergapen aan twee imposante, spoetnikvormige Beolab 5-luidsprekers. Als ze de prijs zien op het discrete kaartje, 85.000 kronen of een schamele 11.400 euro, zijn ze het er snel over eens dat hun ‘ordinaire’ 50 wattluidsprekertjes nog niet zo slecht zijn.

Kopenhagen is onze plaats van afspraak met Torben Sorensen, de man die verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van de stevig geprijsde Beolab 5-speakers, en daarmee Bang & Olufsen nieuw leven inblies. Sorensen is wereldberoemd in Denemarken als de man die Lego op het pad van technologische vernieuwing zette, maar vooral als de voormalige energieke en succesvolle ceo van B&O. Begin 2008 kwam er na zeven jaar een einde aan zijn B&O-leiderschap. Nu zetelt hij in allerlei Raden van Bestuur en is hij professor aan de Business School van Aarhus.

 

57 jaar geleden zag Torben Sorensen het levenslicht in Aarhus, de tweedegrootste stad van Denemarken. “Aarhus is een stad met een uitgebreid cultureel leven, en ligt toch middenin de natuur”, vertelt hij. “Het was een paradijs om als kleine jongen in op te groeien. In het Denemarken van 1970 kon je als jongeman of -vrouw alles worden. Het was een bevoorrechte tijd. Ik droomde van een carrière als geoloog, kunstenaar of businessman. Toen ik op het einde van de zomervakantie eindelijk moest beslissen, koos ik voor het geld en schreef ik me in aan de Business School.”

Na zijn studies trok Sorensen naar Kopenhagen. “Ik ging er werken als budget controller bij Radiometer, een groot bedrijf dat medische apparatuur voor ziekenhuizen vervaardigt. Die job was dé perfecte leerschool om inzicht te krijgen in het cijferwerk van een onderneming.”

Had de jonge Torben een plan in zijn hoofd toen hij de school in Aarhus verliet? “Helemaal niet. Alles ging vanzelf. Ik heb één bijzondere eigenschap: bij alles wat ik doe, word ik snel enthousiast. Zelfs oersaaie karweien maak ik boeiend voor mezelf. Mijn enthousiasme werkt aanstekelijk, en begeestert andere mensen. In onze maatschappij is er behoefte aan mensen die verantwoordelijkheid willen opnemen, maar misschien nog meer aan leiders die hun menselijke kant laten zien en met anderen willen samenwerken. Er lopen al genoeg individuen rond die alleen maar uit zijn op macht omwille van de macht. Veel pas afgestudeerde managers hullen zich in witte hemden, dassen en maatpakken. Ze denken dat ze zo snel tot ceo benoemd zullen worden. Ik vind dat ongelooflijk dom. Laat ze eerst maar eens leren om zich te gedragen als normale menselijke wezens, laat ze leren om met anderen samen te werken, en zo uitgroeien tot goeie leiders.”

 

Mindstorms

In 1988 werd Torben Sorensen gevraagd om managing director bij CCI Europe te worden, een slecht boerende drukkerij in Aarhus. “CCI had een geschiedenis die terug ging tot in 1794. Toen ik er kwam, zat de onderneming zwaar in de problemen. Ik had de keuze tussen twee opties: de boeken toedoen of investeren in iets totaal nieuw.” Hij koos voor het laatste. “Ik ben met een selecte groep ingenieurs beginnen brainstormen. We raakten het erover eens om ons op de krantenmarkt te storten. We hebben een revolutionair systeem uitgedokterd om kranten met behulp van software en computers te layouten en te printen. Er kwam geen zetter meer aan te pas. Ik ging in 1990 op bezoek bij jullie krant Le Soir. Het technische afdelingshoofd geloofde in de ideeën van die gekke Denen. Een jaar later was Le Soir de allereerste krant die kant en klaar met de computer gelayout werd. Daarna volgde de rest van de wereld. Dat succes heeft CCI Europe gered. Onder mijn leiding groeide de onderneming van 40 tot 350 werknemers.”

 

Kjeld Kirk Kristiansen, de eigenaar van het mythische speelgoedmerk Lego, hoorde over de uitzonderlijke prestaties van Sorensen bij CCI, en vroeg hem om voor Lego te komen werken. “Lego is een onvervalst familiebedrijf”, zegt Torben. “Kjeld heeft het bedrijf van zijn vader geërfd, die het op zijn beurt van zijn vader geërfd had. Kjeld wou de computerwereld bij Lego binnenloodsen. In ’96 belastte hij me met de opdracht om het geheime programma Mindstorms op te starten. Het was fantastisch om de leiding over Mindstorms te hebben, en om in samenwerking met het gerenommeerde Massachusetts Institute of Technology grote-mensen-technologie bruikbaar te maken voor kinderen. Mindstorms was echt een revolutionaire onderneming. We werkten aan een besturingsmodule die met de hulp van elektromotoren en sensoren met Lego gebouwde robots tot leven kon brengen. Binnen de firma kregen we heel wat tegenwerking – bijna dagelijks stond er wel iemand klaar om ons over de kling te jagen. Ik heb het project tot een goed einde kunnen brengen omdat Kjeld me altijd blijven steunen is.”

“Toen ik aan Mindstorms werkte, raakte Lego in een zware crisis. De oude succesformule leek op sterven na dood, en de Playstations en Nintendo’s van deze wereld namen de macht over. Lego verloor het geloof in zichzelf. Vertwijfeling en wanhoop namen de overhand. ‘Wat moeten we doen? Zullen kinderen ooit nog met onze blokjes willen spelen?’ Ik bleef consequent op dezelfde nagel slaan: ‘Kinderen hebben tien vingers en gebruiken die niet alleen om een joystick te bedienen. Wacht maar tot Mindstorms gelanceerd wordt!’ Ik heb gelijk gekregen, al zagen veel collega’s me toen als een soort van ayatollah: Sorensen was die manager die voortdurend predikte over ‘de rechte leer’ – over het DNA van het bedrijf. Ik vocht voor de originele missie van Lego: speelgoed maken dat kinderen helpt ontwikkelen, terwijl anderen in het bedrijf games en films maakten, omdat ze street smart en cool wilden zijn.”

“De crisis duurde tot 2002 – nu is Lego weer een winstgevend bedrijf. Mindstorms heeft veel bijgedragen tot dat hernieuwde succes. Het is uitgegroeid tot het meest winstgevende onderdeel van de hele groep. Dankzij Mindstorms heeft Lego terug aansluiting gevonden met haar kernideeën.”

Torben Sorensen verliet Lego in 2001, vlak voor de heropstanding. “Er werden iets teveel interne oorlogen gevoerd en machtsspelletjes gespeeld. Ik kreeg het aanbod om ceo van een ander Deens paradepaardje te worden, Bang & Olufsen. Die kans kon ik niet laten liggen.”

 

Beolab 5

Toen Sorensen bij B&O de touwtjes in handen nam, zat ook dat bedrijf in een dip. “Door het jarenlange succes was de onderneming zelfvoldaan en traag geworden. In Denemarken is B&O net als Lego een onaantastbaar icoon. Ik heb zelf B&O thuis, net als mijn ouders, mijn grootouders en veel andere Denen. Onder mijn bewind hebben we een begin gemaakt van het outsourcen van sommige productieonderdelen naar Taiwan, omdat ze daar goeie kwaliteit konden leveren voor veel minder geld. Tot dan werd alles in Denemarken gefabriceerd. B&O is nu aan het leren hoe ze hun prijzen voorzichtig naar beneden moeten halen. Maar ook al kost een cd-speler van B&O vijf keer meer dan een gelijkaardig toestel van Sony, dan nog is dat perfect te verantwoorden. Veel massaproductie is gemaakt om vier jaar mee te gaan, B&O gaat een leven lang mee.”

“Het hoofdkwartier van B&O ligt in Struer in het westen. In een stad als Kopenhagen zijn de Denen open en extravert, maar de bewoners van de westkust houden er niet van om hun mond open te doen. Het zijn fijne, warme mensen, alleen laten ze het niet zien. Als je een puike prestatie neergezet hebt, zal een inwoner van Kopenhagen je overstelpen met loftuitingen. Van een inwoner van Struer zul je hoogstens te horen krijgen: ‘Het kon erger.’ Toen ik bij B&O begon, leek het alsof ik een eeuw teruggeworpen werd in de tijd. Ik wist dat ik zeker in het begin een lowprofile moest aanhouden. Ik ben heel informeel met de medewerkers gaan praten, en zei hen: ‘Iedereen in Denemarken kent B&O, en ik denk zelf ook dat ik het ken, maar vertellen jullie me eens hoe het echt zit.’ ‘We vinden het fantastisch om mooie, functionele producten te kunnen maken die jaren meegaan’, antwoordden ze. Ik kon de fierheid in hun ogen zien. Het enige wat nog moest gebeuren, was hun vaardigheden omzetten in onovertroffen producten. Ik zei: ‘Jongens, waarom zouden we niet eens iets groot maken, in plaats van al die kleine luidsprekertjes?’ Dat vonden ze fantastisch. Dus heb ik opdracht gegeven om de Beolab 5-luidsprekers te ontwikkelen. Beolab 5 is het resultaat van vijf jaar onderzoek in verschillende akoestische omgevingen. Elke speaker heeft een vermogen van 2.500 watt. Je kunt er de ruiten in je living mee opblazen. Als je een bluesnummer met zware bassen speelt, verplaatst één luidspreker 16 kilo. Toen het systeem op de markt kwam, veroorzaakte het een revolutie. Ik herinner me dat op de eerste officiële voorstelling een van de coryfeeën van een belangrijk Amerikaans muziektijdschrift begon te wenen. Een half jaar later hadden we de ontwikkelingskosten van 10 miljoen euro terugverdiend. Beolab 5 heeft B&O terug aan de top gebracht, en de medewerkers hun fierheid teruggegeven.”

 

Sorensen gaf B&O niet alleen zijn fierheid terug, maar bracht ook spanning in het bedrijf. Teveel spanning? “Voor sommigen wel”, knikt hij. “Ik had een deal met Audi om de principes van Beolab 5 in de A8 in te bouwen. B&O mocht voor de Duitse auto-industrie gaan ontwerpen, en plots moest alles volgens strikte regels en deadlines verlopen. Waarschijnlijk heb ik toen teveel gas gegeven, en te hard gepusht. Maar het kon niet anders. Als je dingen wil veranderen, krijg je altijd wrijvingen en spanningen. Als de voorzitter van de Raad van Bestuur dan niet langer achter je staat, riskeer je elk moment geëxecuteerd te worden. Begin 2008 vertraagde de groei een beetje, en de voorzitter vond dat het tijd werd voor een nieuwe baas. Mijn ontslag kwam onverwacht, maar verbitterd ben ik niet. Integendeel, nu kan ik eindelijk doen waar ik zolang van gedroomd heb: mijn kennis ter beschikking stellen voor andere bedrijven en lesgeven aan toekomstige Deense ceo’s in de Business School van Aarhus. Bijna dertig jaar geleden ben ik daar zelf als ceo in wording afgestudeerd. Daarmee is de cirkel rond.”

 

 

Torben Sorensen

          57, gehuwd, twee dochters

          1988: wordt managing director bij CCI Europe en redt het bedrijf van de ondergang

          1996: werkt bij het kwakkelende Lego aan het geheime project Mindstorms en zet zo het bedrijf terug op de kaart

          2001: wordt ceo van B&O en geeft met de bouw van de Beolab 5 het oude, wufte Deense icoon nieuwe glans

          2008 tot nu: adviseert bedrijven en leidt Deense jongeren op tot ceo’s van de toekomst

 

 

Idolen van Torben Sorensen

 

Richard Branson. “Ik vind Richard Branson een fantastische kerel. Ik heb hem nooit ontmoet, maar zijn stijl en manier van ondernemen spreken me geweldig aan.”

 

N. Murali. “Hij is de eigenaar van de grote Indiase krant The Hindu. Ik leerde hem kennen toen ik CCI leidde. Hij kwam samen met zijn medewerkers naar een beurs in Frankfurt om ons systeem aan een nader onderzoek te onderwerpen. Ze waren zo ongelooflijk bescheiden en tegelijkertijd zo intelligent. Als ik als ceo bij een bedrijf in Duitsland kwam, was het altijd oorlog. De Duitsers vonden altijd wel een reden om te klagen en te zagen. Als ze twee mensen konden afknallen, was het een goede meeting. Op Murali’s kantoor in India was het stil en rustig. Onze mensen werkten dolgraag met hen samen.”

 

© jan@janstevens.be

 

YO!

Eind jaren zestig zat Simon Woodroffe in de cel voor het dealen van drugs, nu staat hij aan het hoofd van het miljardenconcern YO!

 

 

 De hippe Britse ondernemer Simon Woodroffe woont in Londen tussen de andere sterren. Zijn woonboot Trafalgar dobbert op de Thames tussen die van Damien Hirst en Jamie Oliver, en ligt amper drie boten verwijderd van de schuit van zijn mate Bob Geldof. Woonboten op de Thames zijn cool bij de Londense celebrities, zeker als ze aan Cheyne Walk in het chique Chelsea aangemeerd liggen.

“Ja, het is fantastisch om hier te wonen”, verwelkomt Simon Woodroffe ons met een stuk ontbijttoast in de ene, en een kop thee in de andere hand. We installeren ons in de zitkamer van de Trafalgar, met een schitterend zicht op de Thames. Woodroffe is de stichter en voorzitter van YO!company. Onder de YO!-paraplu schuilen veel zeer uiteenlopende activiteiten, waaronder een kledinglijn, een hotelketen en een radiozender. Fortuin en furore maakte Woodroffe met de internationale restaurantketen YO!sushi. Nu verdient hij jaarlijks vlotjes 800.000 euro, maar even zag het ernaar uit dat hij berooid in de goot zou eindigen.

“Op mijn zestiende ben ik van school afgegaan”, vertelt hij. “Het was 1968,  en de revolutie hing in de lucht. Een hele cultuur stond op het punt om te veranderen. Ik wou deel van die verandering uitmaken. Ik voelde me veel meer met de spirit van ’68 verbonden dan met de school. Ik vind het dapper dat ik die stap toen gezet heb, want eigenlijk was ik erg bang op het moment dat ik de schoolpoort achter me dichttrok. Ik heb me vaak vertwijfeld afgevraagd: ‘Maak ik nu geen kapitale fout?’ Nu weet ik dat weggaan van school de juiste keuze was. Als je iets tegen je zin doet, moet je op zoek naar verandering.”

 

Seks, drugs en rock ’n roll

Zonder geld en met een vaag plan verliet de zestienjarige Simon Woodroffe de school. “Ik wou een oud busje kopen om daarmee – de hippies achterna – naar India te reizen, en mensen tegen betaling laten meerijden. Ik wou een hippie worden die geld verdient. Maar ik had geen centen om het busje te kopen.”

Ten einde raad liet Woodroffe zich terug inschrijven op school om de laatste twee jaar van zijn middelbaar af te maken. “Dat feest ging niet door, want op dat moment werd ik opgepakt voor drugs. Ik had softdrugs verkocht aan vrienden. In die tijd was dat cool. Ik was een jongen uit de middenklasse. Ze wilden mij als voorbeeld stellen, en ik werd veroordeeld tot een gevangenisstraf. Als jongen van 17 moest ik acht weken in de cel gaan zitten. De gevangenis was een verschrikkelijke ervaring. Ik heb toen gezworen dat ik nooit of nimmer nog de wet zou overtreden.”

Nadat Simon Woodroffe zijn straf uitgezeten had, vond hij een job in het theater. “Ik werd assistant stage manager in het Richmond Theatre in de Londense West End. Daarna werkte ik als roadie voor rockbands zoals The Sweet, Jethro Tull en Led Zeppelin. Op een bepaald moment mocht ik de belichting doen voor hun shows. Daarna werd ik stage designer, en dat ben ik gebleven tot in 1985.”

Als freelance stage designer ontwierp en bouwde Woodroffe in de jaren zeventig en tachtig podia voor Madness, Rod Stewart, Motörhead, George Michael en The Moody Blues. “Ik had nooit het gevoel dat ik voor een stelletje rockgoden aan het werk was”, zegt hij. “Ze waren gewoon mijn klanten. Als jongeman was ik wild van rockmuziek. Maar als je vijftien jaar in de concertbusiness zit, de wereld voortdurend rondtourt en al die repetities meegemaakt hebt waarop er vanalles misgaat, heb je er op een bepaald moment genoeg van. Ik heb jaren geen rocksong meer kunnen horen. Pas toen ik mijn eerste walkman kocht, raakte ik langzaamaan terug verslingerd aan muziek.”

“Na elke rocktour voelde ik me als een soldaat die uit de brousse in Vietnam kwam, en een paar weken nodig had om te recupereren. Als ik na een wereldtournee thuiskwam, spendeerde ik alles wat ik verdiend had aan seks, drugs en rock ’n roll. Er waren periodes dat ik helemaal platzak was. Mijn laatste hoogtepunt als stage designer was Live Aid in 1985. Dat was echt een mijlpaal. Voor het eerst gebruikten we in het Wembley Stadion in Londen een ronddraaiend podium om snelle wissels in de optredens mogelijk te maken. Live Aid was het moment waarop de rock ’n rollbusiness eindelijk volwassen werd. Tot dan had ik als podiumdesigner wereldwijd de rock ’n rollscene zowat in handen, maar na Live Aid raakten al die ‘gesofisticeerde’ designers uit de New Yorkse theaterwereld plots zeer geïnteresseerd in  rock. Ze begonnen me te beconcurreren en rijfden alle grote shows binnen. Ik besloot om zo snel mogelijk uit die business te vertrekken.”

Woodroffe herschoolde zich in sneltreinvaart tot verkoper van uitzendrechten. “Ik startte met een compleet nieuwe business: de distributie en verkoop van rechten van rockbands. Ik kende de managers van de groepen, ik mocht van hen de rechten van optredens en tv-shows exploiteren, en die verkocht ik dan door aan zenders zoals jullie toenmalige BRT. Dat was een zeer lucratieve bezigheid, maar er zat maar weinig creativiteit in. Ik heb wel veel geleerd over contracten en internationaal zakendoen. Ik heb die ervaring goed kunnen gebruiken toen ik in 1996 met YO!sushi van start ging.”

 

Pvc-minirokjes

Met YO!sushi wou Simon Woodroffe eindelijk zijn jongensdroom waarmaken: stinkend rijk worden. “Als jongen droomde ik ervan om miljonair te zijn tegen mijn twintigste. Ik stam uit de ‘upper middle class’ – mijn ouders hadden geen geld, maar bewogen zich in kringen waar er veel geld omging en mijn ooms en tantes zaten er wel warmpjes bij. Ik was het arme neefje. En daar had ik een hekel aan. Op mijn twintigste leidde ik een rock ’n roll bestaan, dus gaf ik mezelf uitstel tot mijn dertigste om miljonair te worden. Maar op mijn dertigste had ik het te druk. Toen ik veertig werd, besefte ik dat ik het nu of nooit was. Ik zag mijn tijd langzaam maar zeker wegtikken, dus ben ik verschillende formules beginnen onderzoeken waarmee ik hopelijk walgelijk rijk kon worden. Op een dag werd ik in een duur Londens sushirestaurant getrakteerd door mijnheer Uehara, een Japanner die ik kende van de tv-business. Hij was gefortuneerd en kon zich iets exotisch als sushi permitteren. Ik vertelde hem dat ik met een nieuwe onderneming wou beginnen, maar nog niet wist wat. Hij zei: ‘Weet je wat je moet doen, Simon? Je moet een sushibar met een lopende band openen, en de hapjes laten bereiden door meisjes in zwarte pvc-minirokjes.’ (lacht) Eerst dacht ik dat Uehara’s idee totaal nieuw was, maar snel ontdekte ik dat er in Japan 2500 sushibars met een lopende band zijn, dat ze uit de jaren zestig stammen, en dat ze alleen door de lagere klassen bezocht worden. Ik wou dat Japanse concept vertalen naar het westen en omturnen tot een stijlvol restaurant. Ik ben naar Japan afgereisd, heb er heel wat sushitenten bezocht, en ben dan hier in Londen begonnen met de voorbereidselen voor de opening van de allereerste YO!sushi. Daar heb ik twee jaar over gedaan. Op dat moment had ik exact 150.000 pond spaargeld. Dat was niet veel om een nieuwe onderneming mee uit de grond te stampen. Een jeugdvriend en een toffe gast die ik toevallig op straat in Parijs tegen het lijf liep, hebben 45.000 pond binnengebracht. Alles samen was dat goed voor de helft van het totale bedrag dat ik nodig had. De andere helft zou van private investeerders moeten komen. Ik had me ingeschreven voor een ontmoetingssessie met business angels, maar niemand kwam naar mijn tafeltje. Uiteindelijk ben ik er in geslaagd om een lening van de bank te krijgen. Een week nadat ik mijn eerste restaurant in 1997 in Poland Street opende, stond er een rij aan te schuiven tot achter de hoek. Het geld stroomde binnen. Het was alsof ik een hit geschreven had.”

Woodroffe liet de eerste YO!sushi ‘sponsoren’ door Sony, Honda en Nippon Airlines. “Hun namen stonden overal op. Een gesponsord restaurant was tien jaar geleden iets totaal nieuw. Sony had me in ruil voor naamsvermelding een paar goedkope tv’s gegeven, Honda had me een motorfiets geleend en van Nippon kreeg ik twee upgrades om in business naar Japan te vliegen. Toen het eerste restaurant openging, kreeg ik bij alle leveranciers probleemloos  maanden uitstel van betaling. Later hoorde ik dat ze ervan overtuigd waren dat er heel wat geld achter YO!sushi zat. Ze hadden vertrouwen in Sony, Honda en Nippon Airlines.” (lacht)

 

De twee jaar die Simon Woodroffe nodig had om zijn eerste YO!sushi te openen, vindt hij de interessantste periode uit zijn leven. “Ik was bezig met iets waar ik voor honderd procent in geloofde, iets waar ik mijn hart en ziel in kon stoppen. Uiteindelijk deed ik het niet om rijk te worden, maar om iets op te bouwen dat helemaal van mij was.”

YO!sushi werd een weergaloos succes. Woodroffe: “Mensen waren gefascineerd door de lopende band, de drankrobots, het stijlvolle concept. Iedereen kwam: Madonna, Simon Le Bon, Annie Lennox, Björk… We hielden een lijst bij van alle beroemdheden die over de vloer kwamen. YO!sushi was de talk of the town.”

In 1998 opende Woodroffe zijn tweede sushirestaurant in Londen. “Er kwam snel een derde en een vierde bij. We hadden vier hits op een rij, en de centen stroomden binnen. Het enige probleem was dat ik ook de financiën runde, waardoor het geld onmiddellijk ook weer naar buiten stroomde. Je moet je altijd concentreren op waar je goed in bent. Ik ben goed in het creëren van dingen, in het in beweging brengen, in mensen motiveren, maar ik ben waardeloos in het managen van het dagelijkse werk in de restaurants. YO!sushi vijf en zes flopten. Ik ben toen op zoek gegaan naar een gedegen ceo die de groei in goeie banen kon leiden. Ik heb veel geluk gehad dat ik Robin Rowland als ceo heb kunnen aantrekken. Robin nam de dagelijkse leiding van me over, en samen hebben we voorzichtig de hele keten uitgebouwd.”

YO!sushi telt nu 55 restaurants, met vestigingen tot in Azië. Voor Simon Woodroffe was die internationale expansie vanzelfsprekend. “De wereld is een dorp. We hebben nu een half dozijn sushibars in het Midden-Oosten, we zitten in Maleisië, Ierland, Moskou… Er komen er nog veel, en wie weet, misschien ook in België. Al willen we ons eerst op Amerika focussen. Dat is tot hiertoe nog niet gebeurd omdat we het gevoel hebben dat Amerikanen bang zijn voor nieuwe dingen. Sushi schrikt hen af, en zeker sushitenten met een lopende band. Er zijn er die het eerder geprobeerd hebben, maar er hun tanden op stuk gebeten hebben. De ‘look and feel’ moeten juist zitten. Anders werkt het niet.”

 

YO!

Net als Virgin van Richard Branson, is Simon Woodroffe’s YO! een vlag die vele ladingen dekt. “In sommige kelders van YO!sushirestaurants hebben we bars ingericht die we YO!below gedoopt hebben. We hebben een kledinglijn die YO!Japan heet, een radiostation dat luistert naar de naam RadiYO!, en sinds 2007 zijn we bezig aan de uitbouw van de lowcosthotelketen Yotel.”

De eerste Yotel opende zijn deuren op de Londense luchthaven Gatwick. In de winter van datzelfde jaar kwam er een Yotel bij in Heathrow, en eind vorig jaar ging Yotel internationaal met een eerste budgethotel in Schiphol. Simon Woodroffe wil binnen afzienbare tijd hotels openen op elke grote luchthaven, en in het centrum van elke grote stad.

Waar komt de naam YO! eigenlijk vandaan? Woodroffe: “Jaren geleden werkte er een bloedmooi Italiaans meisje voor me. Ze was een fuifnummer, en als ze ’s morgens na een lange nacht fuiven het kantoor binnenkwam, riep ze altijd dolenthousiast: “Yo! Yo! Yo!” Ik vond dat heel cool. YO! was geboren.”

 

 

 

De man

Simon Woodroffe (57) gescheiden, een dochter

rijdt elke dag met de Vespa van zijn woonboot naar zijn kantoor in West End

Hobby’s: bergbeklimmen, skiën, zeilen. “Ik speel graag polo. Geen upperclass polo, maar gewoon boerenpolo. En ik ben een muziekfanaat. Ik heb een hele plaat, ‘Songs in the Key of Yo’, geschreven en opgenomen met The Blockheads, de begeleidingsgroep van wijlen Ian Dury.”

 

Het bedrijf

YO!sushi werd in 1996 gesticht door Simon Woodroffe

55 restaurants wereldwijd, in Groot-Brittannië en elf andere landen

YO!sushi wil tegen volgend jaar uitgroeien tot 100 restaurants

Aantal werknemers in het Verenigd Koninkrijk: 500

Aantal werknemers wereldwijd: meer dan 1000

YO!company van Woodroffe waakt als een moederkloek over al haar merken en onderafdelingen. “We bouwen nu aan een lowcostkuuroord, Yo!zone. We zijn met Yo!home actief op de immobiliënmarkt, en ik werk aan een nieuw project dat ik The Secret gedoopt heb. Niemand mag weten wat het inhoudt, maar het wordt iets heel groots. Later dit jaaf geef ik vrij waarover het gaat. Het zal mijn eerste verwezenlijking zijn die geen YO! in haar naam zal hebben.”

 

The Codfather

“Een paar jaar geleden kreeg ik bezoek van een dikke Zuid-Afrikaan. De man gaf me zijn businesscard, en daar stond op: ‘The Codfather’ (‘cod’ is kabeljauw – nvdr). Hij had visrestaurants die The Codfather heetten. Hij stelde voor om de franchise voor YO!sushi te gaan voeren in Zuid-Afrika. Ik wou niet, want ik vertrouwde hem niet. Zou jij met iemand in zee gaan die op zijn businesscard ‘The Codfather’ staan heeft? De Codfather is verschrikkelijk kwaad geworden, en heeft zonder mijn toestemming toch een paar YO!sushis in Zuid-Afrika geopend. Ik wou hem voor de rechter dagen. Mijn advocaat zei dat ik 50% kans had om de zaak te winnen. Als een advocaat dat zegt, bedoelt hij eigenlijk dat je het kunt vergeten. Dus heb ik het maar zo gelaten.”

© jan@janstevens.be

Antiquair & visionair

“Als je in mijn vakgebied tot de top wil behoren, moet je meer dan een trendsetter zijn”, stelt de bekendste Belgische antiquair Axel Vervoordt. “Eigenlijk moet je over visionaire capaciteiten beschikken.”

  

Een zonnige winterochtend in het kasteel van ’s Gravenwezel. Op de oprijlaan vriezen de kasseien uit de grond, maar binnen in de keuken is het naast de gezellig snorrende Aga behaaglijk warm. Antiquair, binnenhuisinrichter en kasteelheer Axel Vervoordt schenkt thee. “Japanse groene thee”, verduidelijkt hij. “Ideaal om te ontgiften. Zeker als je de avond tevoren iets te diep in het glas gekeken hebt.”

We zitten aan een lange, antieke wijntafel. “Veel mensen houden nu van dit soort tafels”, zegt Vervoordt. “Vijftien jaar geleden was niemand erin geïnteresseerd. Ik heb ze toen allemaal opgekocht omdat ik voorvoelde dat ze belangrijk zouden worden.” Dat vermogen om tijdig trends aan te voelen, verklaart voor een deel het succes van Axel Vervoordt. “Als je in mijn vakgebied tot de top wil behoren, moet je meer dan een trendsetter zijn”, stelt hij. “Eigenlijk moet je visionaire capaciteiten hebben. Momenteel koop ik veel Japanse Gutaikunst (Japanse avant-garde kunst uit de jaren vijftig – nvdr), omdat ik ervan overtuigd ben dat Gutai een heel belangrijke kunstrichting is met veel potentieel, terwijl de meeste mensen vandaag niet eens van het bestaan afweten.”

 

Deur naar een extra dimensie

Het is lieflijk rustig in en rond het prachtige kasteel van ’s Gravenwezel, maar twee keer per jaar wordt het er onwaarschijnlijk druk. Axel Vervoordt: “Op onze opendeurdagen komen er duizenden mensen over de vloer. ‘Axel, waarom doe je dit toch?’ denk ik dan soms, want al dat volk in je eigen huis is zo intiem. Toch vind ik het belangrijk om onze deuren te blijven openzetten. Veel bezoekers komen me dan bedanken, vertellen me dat de inrichting van mijn kasteel hen inspireert, en dat ze al uitkijken naar het volgende jaar. Dat geeft me enorm veel voldoening. Ik heb altijd gewoond waar ik werk. Ik wil tussen de dingen leven waar ik van hou, want ik ben eerst en vooral een verzamelaar die ook verkoopt. Ik ben niet louter een antiquair; ik werk ook veel met moderne kunst. Mijn werk is een levenswijze – een filosofie. Ik blijf voortdurend op zoek naar inspiratie. Zelfs in het oude probeer ik vernieuwende dingen te ontdekken. Elke tijd heeft zijn mogelijkheden, zelfs de huidige, waarin iedereen de mond vol heeft over recessie. Elke crisis zorgt voor nieuwe kansen. Zo ging het in de jaren tachtig erg slecht in Groot-Brittannië. Ik heb daar mijn voordeel mee gedaan. Ik kende veel Britse families en kon fantastische dingen kopen. Ze verkochten het familiezilver en hun schilderijen omdat ze dringend geld nodig hadden. Ik zorgde voor hen, en we zijn nu nog altijd bevriend. In die tijd boerden Belgische industriëlen wel goed: zij wilden het allemaal kopen. De crisis in Engeland creëerde op dat moment belangrijke verzamelingen in België. Ik zoek altijd naar een win/winsituatie: zowel de koper als de verkoper moeten zich goed bij een transactie voelen. Dat is een noodzaak als je op lange termijn als antiquair een zaak wil uitbouwen.”

Herinnert Vervoordt zich nog het eerste stuk dat hij ooit kocht? “Het eerste belangrijke object kocht ik in 1961 als jongen van 14. Het was een prachtige ijzeren kist uit de renaissance, waarvan de sleutel acht sloten tegelijk deed functioneren. Ik betaalde er 6.000 frank voor. Ik stam uit een begoede familie, maar van mijn vader kreeg ik niet alles zomaar cadeau. In het begin ging ik in restauratieateliers en bij antiquairs op het Antwerpse Conscenceplein werken. Met mondjesmaat begon ik objecten te kopen en verkopen. Ik had heel vroeg door dat mijn toekomst eerder in het zakendoen lag, dan in een nine-to-five-job. Mijn vader was paardenhandelaar. Hij had heel veel vrienden in Engeland. Terwijl hij paarden verkocht, logeerde ik op de grote landhuizen van zijn cliënten. Op hun zolders vond ik soms schitterende stukken. Elke paas- en kerstvakantie trok ik naar Engeland, op zoek naar nieuwe oude spullen. Ik kocht alleen die dingen waarop ik spontaan verliefd werd en die ik nog niet kende. Ik las er dan boeken over, toonde ze aan specialisten, consulteerde experts… Zo heb ik stap voor stap mijn metier ontwikkeld.”

Antiek verzamelen leek voor de jonge Axel Vervoordt eerst niets meer dan een hobby. Als jongen van achttien wou hij economie gaan studeren om later zijn eigen zaak uit de grond te stampen. “Ik wou ondernemer worden en flink wat geld verdienen om een mooie persoonlijke collectie te kunnen uitbouwen. Op mijn twintigste bezat ik al een wereldberoemd werk van Magritte, La Mémoire. Dat hing in mijn kamer en kostte toen 7.000 frank. De richting economie aan de universiteit vond ik ongelooflijk saai. Op een bepaald moment kreeg ik veel geld geboden voor de Magritte. Ik heb toen beslist om met die studies te kappen en een zaak als antiquair te beginnen.”

“Voor mij is er weinig verschil tussen oude en nieuwe kunst. Alle kunst trekt mij aan, alles wat een deur opent naar een extra dimensie. Kunst leert ons de verschillende facetten van de natuur beter zien. Wij, mensen, hebben in ons aardse bestaan nood aan hemelse, tijdloze momenten. Wie in zijn leven veel tijdloze momenten kent, zal veel langer, wijder en intenser geleefd hebben dan wie die momenten niet of veel minder heeft. Kunst helpt heel sterk om ons leven intenser te maken. Ik ben geboeid door al het nieuwe dat ik tegenkom, en ik wil dat ook overdragen. Je kunt zelf maar gelukkig worden als je in staat bent om andere mensen gelukkig te maken. Ik vind mijn het geluk in het begeleiden van anderen in hun creatief groeiproces. Daarom organiseer ik tentoonstellingen, koop en verkoop ik oude en nieuwe dingen en stel ik twee keer per jaar dit kasteel open voor het grote publiek.”

 

Positieve energie

Toen Vervoordt eind jaren zestig de Vlaeykensgang in Antwerpen voor het eerst zag, was het liefde op het eerste gezicht. “Ik wou een paar huisjes kopen, maar het was alles of niets, en ik heb toen maar de hele straat gekocht. Op dat moment stond de Vlaeykensgang al twee jaar te koop. De huisjes waren eigendom van twee oude juffrouwen van rond de 90. Ze waren er zelf nooit geweest, en hadden de steeg van hun ouders geërfd. De Vlaeykensgang lag toen in een louche buurt, waar de dametjes niet durfden komen. Ze stuurden iemand anders om de huur te innen. (lacht) De huisjes waren in een erbarmelijke, vervallen staat. Op Paasdag, 1968, heb ik de Vlaeykensgang gekocht. Ik ben er onmiddellijk keihard aan beginnen werken. Mijn vrienden kwamen helpen; dat was een fantastische ervaring. De onbewoonde huizen ben ik direct beginnen opknappen. In de andere huisjes woonden oude vissersvrouwen – Roos en Wies, en figuren zoals ‘Jef den duivendief’. Ik heb ze er allemaal tot aan hun dood laten wonen.”

“Ik heb het straatje en de huizen eerst laten klasseren, want dat was merkwaardig genoeg nog niet gebeurd. Ik had alles net zo goed kunnen neergooien: toen ik de Vlaeykensgang kocht, kreeg ik meteen ook de toestemming om er een parking te bouwen. In die tijd werd heel Antwerpen platgegooid. Alles rond het Vleeshuis lag in puin. Verschrikkelijk. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig zijn schitterende huizen verloren gegaan. De kaalslag rond het Vleeshuis vind ik wraakroepend. Het was een fantastische, unieke buurt, daterend uit de zestiende eeuw. Ze is met de grond gelijk gemaakt, en ze is volgebouwd met fake huizen waar nog steeds niemand graag in woont. Jammer.”

“Mijn zaak heeft altijd goed gedraaid. Dat is onder andere een gevolg van onze politiek: wie bij ons iets koopt en zich bedenkt, mag het altijd terugbrengen. Er is een grote vertrouwensband gegroeid tussen ons en ons cliënteel. Veel klanten zijn onze beste vrienden geworden. Ik bouw voor hen een collectie op en richt een huis in waarin ze zichzelf herkennen. Ik ben eigenlijk een portretschilder: de huizen die we inrichten zijn portretten van de families die er wonen. Er moeten stukjes in terug te vinden zijn van moeder, vader, hun kinderen… Iedereen moet er zijn geliefkoosde plek hebben. Ik vind het boeiend dat je in je eigen huis op reis kunt gaan. Je moet geen zeventien uur in een vliegtuig zitten om naar Japan te gaan. Straks wandel ik naar mijn Wabi-kamer. Wa staat voor harmonie, bi voor schoonheid. Wabi sabi is een eeuwenoud Japans zenconcept dat ervan uitgaat dat je met de meest eenvoudige dingen kunst kunt maken en harmonie kunt creëren. Als je dat kan, ben je altijd rijk, zelfs als je geen stuiver hebt.”

Heeft Axel Vervoordt niet makkelijk praten met zijn schitterend kasteel? “Okay, ik heb een heel groot huis dat niet iedereen zich kan veroorloven. Maar ook kleine huizen kunnen interessant zijn. Ik hou van ying-yang, waarbij sommige kamers heel vol zijn, met souvenirs, kindertekeningen, lelijke dingen die je gekregen hebt van sympathieke mensen… met daarnaast kamers met alleen het essentiële. De ruimtes die wij inrichten stralen positieve energie uit. Ik gebruik nooit antieke wapens, en nauwelijks klokken. Klokken confronteren ons teveel met de ‘normale’ tijd. Tijd gaat veel breder: sommige momenten lijken tijdloos, andere zijn in een flits voorbij. Een klok belet universeel denken, zet een domper op het ervaren van eeuwigheid in elk moment.”

 

Wie aan binnenhuisinrichting à la Axel Vervoordt denkt, denkt er spontaan bij: dat kost ontzettend veel geld. “Waarschijnlijk wel”, knikt Vervoordt. “Ik streef dat niet bewust na, maar het is bijna onvermijdelijk. Al hebben we klanten uit verschillende geledingen van de maatschappij. Soms komen er mensen over de vloer die jarenlang gespaard hebben. We hebben tegenwoordig ook veel jonge mensen onder onze klanten: rijke Russische en Amerikaanse twintigers met grote huizen en dito boten. Het internationale cliënteel is zeer belangrijk voor ons. Daarom was ik ook zo bang voor de huidige crisis. Want ik heb de verantwoordelijkheid voor 85 medewerkers. Maar de crisis heeft voor een eigenaardig fenomeen gezorgd: we hebben er een ander soort klanten door bij gekregen. De laatste twee maanden zijn er 14 grote projecten bij gekomen. Dat is meer dan gewoonlijk – meestal zijn het er een stuk of drie. We hebben nu een lange wachtlijst. Ondanks de crisis blijven we op zoek naar bekwame projectleiders – architecten of binnenhuisarchitecten – die internationaal willen werken. Onze grootste klanten zijn nu grote Amerikaanse zakenbankiers. Je zou denken dat ze alles kwijt zijn, maar blijkbaar hebben ze toch veel geld verdiend.”

“Ik heb de laatste tijd veel nagedacht. Ik vroeg me af wat er met de zaak zou gebeuren als ons hele economische systeem instort. Terwijl ik me zorgen maakte, kwamen al die nieuwe klanten erbij. Ik denk dat ze naar ons komen omdat ze zich geborgen voelen in onze stijl. Vroeger hadden we geen Russische klanten. Ze wilden allemaal glitter en goud, het moest er rijk uitzien, al de rest was bijkomstig. Dat is ook begrijpelijk: ze kwamen uit het communisme, op het moment dat ze geld hadden, wilden ze dat ook laten zien. De nieuwe generatie zoekt naar warmte, naar het spirituele. Dat spirituele vind ik heel belangrijk. Ik organiseer seminaries met wiskundigen, fysici, musicologen, filosofen, waarbij we ideeën uitwisselen, concepten bestuderen, en waarin we op zoek gaan naar een consensus. Die gesprekken vormen een leidraad in mijn werk. We gaan echt heel diep. Op die manier bouwen we mee aan een nieuwe toekomst.”

 

© jan@janstevens.be

 

%d bloggers liken dit: