‘De nonnen namen hun geheimen mee in het graf’

In het najaar van 1966 beviel Jeanine Ogiers anoniem in een rijhuis in Rijsel en stond haar kind af voor adoptie. Sindsdien is ze wanhopig op zoek naar haar verdwenen dochter. ‘De mensen zien me nog altijd als een paria omdat ik mijn kind afstond.’

 

Bijna haar leven lang is de inmiddels tachtigjarige Jeanine Ogiers uit Wetteren op zoek naar haar ‘verdwenen dochter’. In oktober 1966 beviel ze anoniem in Frankrijk. ‘Dat was zo geregeld door de blauwe zusters van Gent.’ Haar baby moest ze meteen na de geboorte afgeven. ‘Ik mocht haar niet vastpakken, maar diezelfde nacht nog sloop ik uit mijn bed om haar te knuffelen. Ik noemde haar Regina; ik vond dat een heel mooie naam. Ik heb haar nooit meer gezien.’

Jeanine’s zoon John Verstraeten maakte in oktober 2017 de Facebook-pagina ‘Op zoek naar mijn verloren zus’ aan. ‘Ik zette er foto’s op van ons, haar broers en zussen, en van moeder toen ze nog jong was. Die pagina werd meer dan duizend keer gedeeld en ik hoopte dat mijn verdwenen zus ons zo misschien op het spoor zou komen. Tot hiertoe is dat niet gebeurd. Ik heb intussen bij de Franse overheid een verzoek ingediend om de anonimiteit van moeder op te heffen. Zo komt mijn zus tenminste de naam van haar biologische moeder te weten, als ze op zoek zou zijn. Mijn moeder werd er indertijd door haar moeder van beschuldigd haar kind verkocht te hebben aan de Zusters Kindsheid Jesu, de blauwe zusters in de volksmond. Grootmoeder legde toen ook klacht neer bij de rijkswacht, zonder gevolg.’

 

In de jaren zestig gingen vooral ongehuwde meisjes anoniem in een kliniek in Frankrijk bevallen. Mevrouw Ogiers, u was 27 en had al drie kinderen.

Jeanine Ogiers: Ik kwam bij die nonnen terecht omdat ik materieel en emotioneel volledig aan de grond zat. Mijn toenmalige man had een zwaar drankprobleem en mishandelde ons. Op een nacht gooide hij de bedjes om waarin John en zijn oudere broer en zus lagen te slapen. Toen was de maat vol. Ik vluchtte met de kinderen naar mijn ouders, maar daar waren we niet welkom. Ik stond op straat met drie kleine kinderen, zonder inkomen. Mijn man betaalde het onderhoudsgeld niet en ik kreeg geen kindergeld. Ik wist van geen hout pijlen maken en moest dringend werk vinden. De kinderen werden in een home in Heusden geplaatst en ik vond een job bij de pas geopende Volvo-fabriek in Gent, aan de lopende band.

John Verstraeten: Op mijn 56e heb ik nog steeds vreselijke beelden van die paar maanden in dat tehuis. Ze stopten ons in de kelder omdat onze ouders de rekeningen niet betaalden. Toen ik drie jaar oud was, werden we geplaatst bij onze grootouders.

Ogiers: Mijn vader en moeder aasden eerst en vooral op het geld dat ze daarvoor kregen.

Verstraeten: Dat is jammer genoeg waar. Met die centen kochten ze een nieuwe salon en tv. Wij krikten hun materiële welstand op en in ruil gaven ze ons slaag. Ik hoor mijn grootmoeder nog schreeuwen: ‘Je moeder is een hoer. Ze liet je in de steek. Trap het maar af als het je niet aanstaat.’

 

Dat klinkt alsof u opgroeide aan de zelfkant van de samenleving.

Verstraeten: Toch niet. Mijn grootvader was buschauffeur en verdiende goed zijn boterham. Maar mijn grootouders waren allebei zeer gewelddadig tegenover hun kinderen en kleinkinderen. Ik zie nog hoe opa mijn zus met een stok afranselde. Als de woede uit zijn ogen verdwenen was, zei hij tegen haar: ‘Hier heb je 500 frank.’ De huisdokter speelde een smerige rol in heel ons verhaal. Elke maand kwam hij controleren of mijn veertienjarige zus nog maagd was. Toen ik veertien was, ging hij ook bij mij over tot seksueel grensoverschrijdend gedrag. ‘Dan kan ik je beter onderzoeken’, beweerde hij. Onlangs zat ik in het vliegtuig naast een vriendelijk oud heertje. ‘Waar komt u vandaan?’, vroeg hij. ‘Wetteren’, antwoordde ik. Hij zei: ‘Dat is toevallig, ik woon in de buurt, in Oordegem. Ik ben dokter D.W., aangename kennismaking.’ Ik voelde me misselijk worden; het was onze huisdokter van toen. Ik kon geen woord meer uitbrengen.

 

Mevrouw Ogiers, in 1966 raakte u ongewenst zwanger.

Ogiers: Mijn zes jaar oudere ploegbaas bij Volvo toonde zich erg bezorgd over mijn situatie. Hij troostte me en van het een kwam het ander. Hij was getrouwd en had kinderen. Er wordt vaak gezegd: ‘Een getrouwde kerel verleiden, deugt niet.’ Terwijl ik geen seks zocht, maar warmte, genegenheid en vriendschap. Maar dat beseffen al die mensen niet die met het vingertje staan te zwaaien. Zijn vrouw heeft nooit iets van onze relatie geweten. Toen ik zwanger was, vroeg hij niet of hij kon helpen. Hij heeft later ook nooit naar ons kind gevraagd.

Verstraeten: Ik kan begrijpen dat je in die man zijn armen belandde, want jij zat in de miserie. Maar hij maakte misbruik van je, want jij was de zwakkere partij. Hij was je baas, getrouwd, met kinderen. Als hij je echt graag had gezien, zou hij zijn verantwoordelijkheid genomen hebben en had hij een fatsoenlijke regeling uitgewerkt.

Ogiers: Toen ik wist dat ik zwanger was, raakte ik in paniek. Ik zat er compleet onderdoor, kon geen nieuwe baby aan en zocht hulp in het Bijlokehospitaal in Gent. Zij verwezen me door naar het klooster van de blauwe nonnen in de Nederpolder. Ik tekende een contract dat ik mijn kind afstond. Toen de weeën begonnen, voerden de zusters me met een auto naar Rijsel om te gaan bevallen.

 

Naar een ziekenhuis?

Ogiers: Nee, naar een huis in de rij, bij een vroedvrouw. Ik was niet de enige die daar kwam bevallen; er was nog een hoogzwanger meisje. Zij kwam uit Schellebelle. Ook haar kind, een jongen, werd zonder boe of ba meegenomen, net als mijn dochter. Ik mocht haar zelfs niet even vasthouden. Die nonnen waren keihard. ’s Anderendaags voerden ze me terug naar huis. Op het moment van ons vertrek zag ik een non een andere auto instappen, met mijn pasgeboren baby in haar armen. Ik was murw en alles gebeurde buiten mij om. Ik weet zelfs niet meer waar ze me toen in Gent hebben afgezet. Vannacht lag ik daar urenlang over te piekeren, maar heel die tocht van Rijsel naar Gent is een zwart gat. Die reis is al jaren uit mijn geheugen gewist.

 

Werd u door de zusters onder druk gezet om uw kind af te staan?

Ogiers: Nee. Ik zat diep in de shit en zag geen andere uitweg. Maar zowat meteen na de geboorte stak een overweldigend schuldgevoel op. Een paar maanden later klopte ik opnieuw bij de blauwe zusters aan. Ik wou weten waar mijn kind was. Hun reactie was ijskoud: ‘Daar heb je geen zaken mee.’ Ik had mijn kind definitief afgestaan, was dus geen moeder meer en kon maar beter opkrassen. Ze werden boos omdat ik het lef had naar mijn dochter te vragen. Jaren later hoorde ik dat de non die zich met de ongewenste zwangerschappen bezighield, bijna al haar dossiers verbrand had. ‘Ik neem mijn geheimen mee in het graf’, zei ze. Ook het dossier van mijn dochter ging in vlammen op.

 

Toch wist u dat u uw kind voor adoptie had afgestaan?

Ogiers: Natuurlijk, maar ik kreeg daar zeer snel spijt van. De kinderen werden alleen verkocht aan adoptieouders die er warmpjes inzaten. Dat zeiden de zusters me toen ik dat contract tekende. De handel in baby’s van ‘gevallen vrouwen’ bracht in die tijd een aardige stuiver op.

Verstraeten: In werkelijkheid was het mensenhandel, die dan nog eens netjes geregeld was tussen kerk en staat. Want anoniem bevallen in Frankrijk was volkomen normaal. Ik begrijp de hardheid van die nonnen niet die mijn moeder een paar maanden na de bevalling wegstuurden.

Ogiers: Op school leerde ik dat we respect moesten hebben voor dokters, advocaten, pastoors en nonnen. Sorry, maar vandaag heb ik voor geen enkele geestelijke nog respect. Ik geloof in iets dat ons overstijgt, maar het instituut de kerk kan me gestolen worden. Weet u dat ik het er zeer moeilijk mee heb om mijn verhaal aan u te vertellen? Want ook al is de maatschappij veranderd en is de kerk haar greep kwijt, toch blijft er veel schaamte. Ik word nog altijd als een paria bekeken omdat ik mijn kind heb afgestaan.

 

Mijnheer Verstraeten, wanneer zag u uw moeder voor het eerst terug?

Verstraeten: Op de begrafenis van mijn grootmoeder. Ik was toen veertien. Ik was boos op moeder, want ze had ons in de steek gelaten. Het heeft dertig jaar geduurd voor ik hier over de vloer kwam. Ik kon het woord ‘moeder’ niet uitspreken. Toch raapte ik op een dag al mijn moed bijeen en belde aan. Grootmoeder had bij leven en welzijn de wildste verhalen over mijn moeders handel en wandel verteld. Ik wou haar versie van de feiten horen en heb haar intussen ook vergeven. Ik kan niet oordelen over wat zij indertijd meemaakte.

Ogiers: Mijn moeder zei dikwijls dat ze me liever kwijt dan rijk was. Tegen mijn vader riep ze: ‘Sla Jeanine dood, dan zijn we tenminste van haar verlost.’ Ik was een ongewenst kind en dat heeft me voor de rest van mijn leven getekend. Net als mijn zoektocht naar mijn verdwenen dochter.

 

Zoekt u niet naar een naald in een hooiberg?

Ogiers: Daar lijkt het op, ja. Want weet zij dat ze in Frankrijk geboren is? Niemand heeft zicht op wat die nonnen indertijd aan de adoptieouders wijsmaakten. Wat wisten die mensen over haar afkomst?

Verstraeten: We hopen dat ze ooit onze Facebook-pagina ‘Op zoek naar mijn verloren zus’ bezoekt, al die foto’s van haar broers, zussen, moeder en grootouders ziet en zichzelf daarin herkent.

Ogiers: Ik heb via een website een DNA-staal laten nemen in de hoop dat er ergens een match is met haar. Waarschijnlijk heeft zij intussen kinderen en heb ik zo ook nog kleinkinderen die ik niet ken. Veel jaren resten me niet meer om haar te vinden.

 

Het zou ook kunnen dat ze heel kwaad is op u.

Ogiers: Daar hou ik rekening mee. Ik wil haar heel graag vinden, maar tezelfdertijd ben ik bang voor die eerste ontmoeting. Het kan best dat ze me nooit meer wil zien.

 

U hebt vijf kinderen. Hebben zij allemaal evenveel begrip voor uw zoektocht naar uw verdwenen dochter?

Ogiers: Ik heb zes kinderen, want ik tel mijn verdwenen dochter altijd mee. Drie zonen en drie dochters. Mijn verdwenen dochter was lang een geheim. Veertig jaar lang verzweeg ik haar, nu weten ze het allemaal. Op een bepaald moment was ik niet meer aanspreekbaar. Bij het minste schoot ik uit mijn krammen. Tot mijn dochter Tanja zei: ‘Moeder, het is hoog tijd dat je er iets aan doet, want zo kan het niet verder.’ Ik ging in therapie en dat hielp. Mijn leven was een aaneenschakeling van ellende. De gelukkigste jaren maak ik nu mee, maar elke dag denk ik aan mijn verdwenen kind.

 

 

Anoniem bevallen, het laatste mysterie

 

Met haar vzw Mater Matuta verdedigt Marleen Adriaens onder andere de belangen van slachtoffers van anonieme bevallingen. Zij voerde lang onderzoek naar adopties van de Kindsheid Jesu en weet wel wat er met de dossiers gebeurde. ‘Eind jaren tachtig zijn ze allemaal verbrand. De kloosterordes die zich met anoniem bevallen bezighielden, wisten dat er rond adoptie een strengere wetgeving in de lucht hing en hielden preventief grote kuis. Van begin jaren zestig tot eind jaren tachtig was anoniem bevallen in Frankrijk courante praktijk. Dat stopte pas definitief met die nieuwe adoptiewet van 1989. Vooral de congregatie van de Kindsheid Jesu, met kloosters in Gent en Lommel, was erin gespecialiseerd. Maar ook het seculiere adoptiebureau ‘Thérèse Wante’ uit Schoten hielp vrouwen anoniem bevallen. Wante is inmiddels dood, maar haar adoptiedienst bestaat nog en is nu gevestigd in het Waalse Ottignies. Ook Thérèse Wante stak alle dossiers in de fik.

De meeste anonieme bevallingen waren tienermeisjes in nood. De familie bracht hen naar het klooster, want de nonnen zorgden ervoor dat ze konden bevallen zonder dat iemand het wist. De baby’s werden vervolgens doorverkocht aan adoptieouders.’

 

Was het onvervalste kinderhandel?

Marleen Adriaens: Zonder twijfel, al wordt dat nog steeds ontkend. Adoptieouders moesten zogezegd niet betalen voor hun kind, maar ‘giften’ aan de kloosterorde waren wel verplicht. De nonnen stelden zich ook altijd keihard op tegen vrouwen die later wilden weten wat er met hun kind gebeurd was. Omdat alle papieren sporen gewist zijn, weet nu niemand hoeveel vrouwen er anoniem in Frankrijk gingen bevallen en hoeveel kinderen er ter adoptie werden aangeboden.

 

Is er dan niets terug te vinden in bevolkingsregisters en archieven van gemeenten?

Adriaens: Zelden. Onlangs werd ik gebeld door een vrouw van 58. Zij had nog maar pas ontdekt dat ze geadopteerd was. Niemand had begin jaren zestig haar moeder zwanger gezien en tóch was zij bevallen van een dochter. De vrouw stond geregistreerd als het biologische kind van mensen die in feite haar adoptieouders waren. Die volstrekt illegale praktijk van ‘onderschuivingen’ van kinderen kwam bij anoniem bevallen regelmatig voor. Ziekenhuizen, dokters en verpleegkundigen waren medeplichtig. Sommige veertigers en vijftigers weten vandaag dus nog altijd niet dat ze ooit geadopteerd zijn.

 

© Jan Stevens

‘We hebben de democratie een loer gedraaid’

Van 2014 tot 2018 werkte Brittany Kaiser (1986) bij Cambridge Analytica. Op niet al te koosjere wijze hielp ze zo de Brexit aan een meerderheid en Donald Trump in het zadel. Na haar ontslag werd ze klokkenluider. “Cambridge Analytica hielp Trump aan de macht en draaide zo de democratie een loer.”

 

In 2008 werkte Brittany Kaiser vol enthousiasme mee aan de eerste verkiezingscampagne van Barack Obama. Ze onderbrak er zelfs haar studies internationale betrekkingen aan de Universiteit van Edinburgh voor en verhuisde naar Chicago. Acht jaar later hielp ze als directeur programmaontwikkeling bij databedrijf Cambridge Analytica Obama’s tegenpool Donald Trump aan de macht. “Na Trumps overwinning liep ik op wolkjes: door Amerikaanse burgers individueel op sociale media te benaderen, had Cambridge Analytica op revolutionaire wijze een presidentsverkiezing gewonnen. Tezelfdertijd was ik bedroefd, want diep in mijn hart hoopte ik dat Hillary Clinton zou winnen.” Vandaag is ze nog steeds lid van de Democratische Partij. “Dat klinkt ongelooflijk, maar er is een verzachtende omstandigheid. Ooit waren mijn ouders welgesteld; na de kredietcrisis van 2008 raakten ze alles kwijt. Mijn moeder werkte voor het failliete Enron en mijn vader zat in het vastgoed. Eind 2013 was ik dringend op zoek naar een goedbetaalde job om mijn familie te kunnen onderhouden.”

In haar zowel fascinerende als angstaanjagende boek De datadictatuur brengt Kaiser verslag uit van hoe Cambridge Analytica de Amerikaanse presidentsverkiezingen manipuleerde.

Brittany Kaiser: “Ik leerde Cambridge Analytica kennen toen ik aan het doctoreren was aan de universiteit van Londen. Drie jaar lang werkte ik rond ‘preventieve’ diplomatie en mensenrechten. De Verenigde Naties en verschillende grote ngo’s zochten een manier om aan de hand van big data gruweldaden zoals de genocide in Rwanda te voorkomen. Bij preventieve datamonitoring wordt zowat alles bijgehouden en in kaart gebracht, van de prijs van een brood tot racistische praat op sociale media. Al die informatie maakt het mogelijk om gevaarlijke tendensen in de samenleving sneller op te sporen. De hamvraag van mijn doctoraatsonderzoek was: kunnen big data mensenrechtenschendingen, hongersnood en misschien zelfs oorlog helpen voorkomen? Aan de universiteit was niemand op de hoogte van preventieve big data analytics. Alexander Nix, de ceo van het Britse verkiezingsbedrijf Cambridge Analytica, wel. Zo kwam ik met hem in contact. Toen hij me vroeg om bij hem te komen werken, ging ik daar graag op in.”

 

Omdat het tussen u en hem klikte?

“Alexander leek een heel charmante man. In het begin had ik echt het gevoel dat hij het goed meende. Ik heb trouwens ook veel van hem geleerd. Hij stamt uit een aristocratische familie, uit de upper-upper class. Van bij zijn geboorte kijkt Nix op een andere manier naar de wereld dan een doorsnee mens. Ik ontmoette hem de allereerste keer begin 2014, tijdens een lunch in de chique Londense wijk Mayfair. Een vriend stelde me aan hem voor. Zowel Alexander als ikzelf hadden er een afspraak met twee buitenlanders die hulp zochten voor digitale verkiezingscommunicatie. Ik hoopte zo aan een adviseursjob te geraken, tot ik doorhad dat Alexander Nix een krak was in verkiezingspropaganda. Ik maakte geen schijn van kans. (lacht)”

 

Toen u voor Nix begon te werken, bestond Cambridge Analytica nog maar een jaar?

“Ja. Cambridge Analytica was onderdeel van de in 1993 opgerichte SCL Group, waarbij SCL staat voor Strategic Communication Laboratories. SCL was gespecialiseerd in gedragsonderzoek en strategische communicatie en paste datamining en -analyse toe om het gedrag van mensen te beïnvloeden en sturen. SCL’s eerste opdracht was de allereerste democratische verkiezing in Zuid-Afrika in 1994. Het bedrijf werkte nauw samen met Nelson Mandela en toen Alexander Nix daarover vertelde, klonk me dat als muziek in de oren. Op het moment dat ik in dienst trad, runde SCL tien verkiezingen per jaar, vaak in Afrika en de Caraïben. Daarnaast werkte het bedrijf voor multinationals en voor organisaties als de NAVO, de CIA en het FBI. Cambridge Analytica werd in 2013 speciaal opgericht voor de Amerikaanse markt. Nix’ plan was om via de tussenverkiezingen Amerika te veroveren. Zijn ultieme doel: het verzorgen van de digitale communicatie voor een presidentscampagne.”

 

Het kwam erop neer dat geprobeerd werd potentiële kiezers via sociale media warm te maken voor de opdrachtgevende politici en partijen?

“Precies. SCL verzamelde eerst data van mensen uit een bepaalde regio en gebruikte vervolgens de principes van de sociale en gedragspsychologie om ze te interpreteren. Een vrij nieuwe manier om aan data te geraken, is een online-bevraging. Vóór de digitalisering moest je van deur tot deur gaan, of eindeloos telefoneren. Nu worden die drie methodes gecombineerd waardoor je als onderzoeker zeer veel te weten komt over een plaatselijke bevolking. Wij gebruikten het OCEAN-scorestelsel uit de psychologie om die bevolking vervolgens onder te verdelen in verschillende ‘types’, waarbij ‘O’ stond voor ‘open’, ‘C’ voor ‘consciëntieus’, ‘E’ voor ‘extravert’, ‘A’ voor ‘aardig’ en ‘N’ voor ‘neurotisch’. Via onze database verzamelden we types, waarna we ze via sociale media gericht ‘bewerkten’ met reclameboodschappen. Cambridge Analytica was het eerste bedrijf dat daar zeer ver in ging én succesvol was. ‘Gedragsmicrotargeting’ is nu een algemeen bekend begrip, maar komt uit de koker van Alexander Nix en werd door Cambridge wettelijk gedeponeerd. Ondanks onze reputatie waren wij pioniers. Vandaag doen talloos veel verkiezingsbedrijven exact hetzelfde.”

 

De data haalde Cambridge Analytica bij Facebook?

“Tussen 2004 en 2015 ‘oogsten’ SCL en Cambridge Analytica overvloedig big data van Facebook-gebruikers én hun vrienden. U herinnert zich misschien nog die persoonlijkheidstestjes die jarenlang furore maakten op Facebook, zoals ‘Welk land ben jij?’ Je moest dan een paar vragen beantwoorden, waarna de app bepaalde: ‘Jij bent Duitsland!’ (lacht) Die spelletjes leken grappig en onschuldig, terwijl ze dodelijk waren voor de privacy. Candy Crush was razend populair. Wie die app op Facebook opstartte en de servicevoorwaarden aanvaardde, verleende meteen ook toestemming aan de appontwikkelaar om al zijn data én die van zijn vrienden gratis te gebruiken. De appdesigner verkocht die schat aan informatie vervolgens door aan bedrijfjes zoals Cambridge. Facebook maakte dat mogelijk met het inmiddels beruchte dataportaal ‘Friends-API’. In vergelijking met Europa hebben de VS een zeer lakse datawetgeving, maar toch was het ook daar niet toegestaan om in naam van andere volwassenen toestemming te geven voor de exploitatie van hun data. De Friends-API leverde Facebook fortuinen op. Meer dan veertigduizend softwareontwikkelaars, waaronder Cambridge Analytica, verzamelden intussen jarenlang ongestoord data van miljoenen nietsvermoedende Facebookgebruikers. Cambridge hield zo nauwgezet bij waar al die mensen zich elke dag online mee bezighielden.”

 

Op het moment dat u bij Cambridge Analytica aan de slag ging, was die illegale roof van Facebook-data volop bezig?

“Ik begon er in december 2014 te werken en bleef er tot januari 2018. Facebook doekte de in opspraak gekomen Friends-API op 30 april 2015 op. Niet veel later kwam ik erachter dat Cambridge op 6 mei 2015 ook nog data gekocht had via die Facebook-API, wat op dat moment zogezegd onmogelijk was. Mijn bazen verzekerden me dat ze die database vernietigd hadden nu ze illegaal geworden was, en dat ik spoken zag. Ik koos ervoor ze te geloven. In het begin liet Alexander me werken aan een aantal sociale campagnes voor liefdadigheidsorganisaties. Ik vond dat zalig.”

 

Maar het was een rookgordijn?

“Toch niet, Cambridge was toen nog klein. Er was in de VS ook nog niet zoveel controverse over privacy en data. Alles veranderde toen we in 2015 voor de campagne van de Republikeinse presidentskandidaat Ted Cruz begonnen te werken. Hij was allesbehalve populair, maar toch presteerde hij tegen ieders verwachtingen in vrij goed. Iedereen was het erover eens dat dat de verdienste van Cambridge Analytica was en zo haalden we voor het eerst de pers. Het tijdschrift Forbes en The Washington Post waren enthousiast over het gebruik van datawetenschap in de politiek. Een journalist vroeg zich zelfs af of we met onze methodes uit het digitale tijdperk ook de gedrukte pers zouden kunnen redden. Als we een waardeloze kandidaat als Cruz via sociale media konden pimpen, moest het ons volgens hem ook lukken om mensen terug kranten of tijdschriften te laten kopen. Op dat moment voelden we ons als Mark Zuckerberg bij de start van Facebook: het leek alsof we belangrijke en ingrijpende nieuwe technologie aan het bouwen waren.”

 

De uiterst rechtse, homofobe Ted Cruz stond haaks op alles waar u als ‘liberal’ in geloofde. Toch werkte u vol enthousiasme voor hem.

“Ik werkte nooit rechtstreeks voor zijn campagne; hij was gewoon één van onze klanten. Ik hield me vooral bezig met de verdere ontwikkeling van het bedrijf. Ik ontmoette potentiële klanten en probeerde ze met een wervende pitch over de streep te trekken. Eens binnengehaald, liet ik ze over aan mijn collega’s die de digitale strategie voor hen uitstippelden.”

 

Toen Cruz op 1 februari 2016 de Republikeinse voorverkiezing in de staat Iowa won, postte u op Twitter: ‘WE HEBBEN IOWA BINNEN!!!!!’

“Ik was die avond dronken. Ik geef toe dat ik ook mijn kritische geest kwijt was en me liet verblinden door de opmerkelijke resultaten die Cambridge Analytica tijdens verkiezingen leek te halen. ’s Anderendaags las ik wat mijn progressieve vrienden vonden van mijn steun aan Ted Cruz. Hun zeer negatieve commentaren kwamen keihard binnen.”

 

De financiers van Cambridge Analytica waren de libertaire miljardair Bob Mercer en zijn dochter Rebekah. De man die in werkelijkheid de touwtjes bij Cambridge Analytica in handen had, was Steve Bannon, de latere extreemrechtse adviseur van Donald Trump. Ook hun denkbeelden stonden haaks op de uwe.

“Dat klopt. De steenrijke Mercers zijn minstens even rechts als Steve Bannon. Ik had vooral contact met Bekah Mercer. In de dagelijkse omgang was ze joviaal en vriendelijk en ik heb haar nooit iets aanstootgevends horen zeggen. Ze wist dat ik een Democraat ben en gedroeg zich diplomatisch tegenover mij. Met haar ngo Reclaim New York is Bekah een groot voorvechter van totale overheidstransparantie. Ze wist dat ik het daarmee eens ben en speelde daar handig op in. We deelden ons kantoor met Reclaim New York en ik dacht: ‘Misschien is ze toch niet zo slecht.’”

 

Maar dat was een vergissing?

“Ja. Ik kende op dat moment haar echte ideologische agenda niet. Ik was slecht geïnformeerd en geloofde dat haar vader Bob een goedaardig briljant datawetenschapper was die fortuin gemaakt had. Ik neem het mezelf nog steeds kwalijk dat ik op voorhand de Mercers niet door Google gehaald had.”

 

Zij wilden de macht in de VS veroveren. Eerst via Ted Cruz en toen die de mist inging via Donald Trump.

“Trump brengt nu trouw al hun plannen ten uitvoer. Daar dragen wij met Cambridge Analytica een verpletterende verantwoordelijkheid voor. Donald Trump geloofde zelf niet eens dat hij kon winnen en wou zelfs geen president worden. Volgens Alexander Nix zag Trump zijn kandidatuur als een manier om reclame te maken voor de nog op te richten zender Trump TV. Niemand van zijn team geloofde trouwens in de zege.”

 

In het najaar van 2015 raakte Cambridge Analytica betrokken bij de Leave.eu-campagne van de brexiteers onder leiding van miljonair en verzekeringsmakelaar Arron Banks.

“Het was Alexanders idee om met Leave.eu te gaan samenwerken. Niet veel later kwam ik erachter dat die opdracht eigenlijk kwam van Steve Bannon. Hij had nauwe banden met opperbrexiteer Nigel Farage. Op een vrijdag in oktober kwamen de kopstukken van Leave.eu naar ons Londense kantoor. Ze waren enthousiast over onze presentatie en Arron Banks bestelde meteen voorbereidend werk ter waarde van 41.500 pond. Onze opdracht was om de data over alle leden van Farage’s partij UKIP te analyseren, zodat we meer inzicht kregen in de redenen waarom mensen afscheid wilden nemen van de EU. Dat had interessante achtergrondinformatie kunnen opleveren voor ons verdere werk, alleen kwam dat er nooit. Want Banks vertikte het om zijn eerste factuur te betalen. De man die met ons basismateriaal aan de slag ging en via microtargeting ervoor zorgde dat de brexiteers het referendum wonnen, was de Amerikaanse politieke adviseur Gerry Gunster. Hij is de echte architect van de brexit en gebruikte daarbij ‘onze’ technieken van microtargeting.”

 

Cambridge Analytica hielp wel tot het einde mee aan de campagne van Trump?

“Tot het bittere einde, ja. Tijdens de campagne had ik niet eens in de gaten dat er illegale dingen gebeurden; daar werd ik me pas een maand na de verkiezing van Trump bewust van. Onze telefoons stonden roodgloeiend: alle grote ondernemingen en politici van over de hele wereld wilden met ons in zee. Wij wilden van het Trump-team horen wat ze online ondernomen hadden met het materiaal dat wij hen hadden geleverd. Eerst hielden ze de boot af, maar wij drongen aan want we hadden die informatie nodig om andere politici aan een verkiezingsoverwinning te helpen. In december 2016 werden we uitgenodigd voor een ‘post-mortem-bespreking’, een analyse van de campagne van het Trump-team. Twee dagen lang gaven ze ons inzage in alles. Toen bleek dat ze overtuigde Hillary-stemmers hadden overhaald niet te gaan stemmen.”

 

Dat mocht niet?

“Nee, dat is volstrekt illegaal. Ik schrok toen ik dat hoorde, en ik was niet de enige. De Trumpers hadden uitspraken van Hillary en van Michèle Obama uit hun context gerukt en angstaanjagende filmpjes vol nepnieuws gecreëerd. Die zagen er uit als nieuwsitems van Politico of andere betrouwbare media. Aan de hand van de door ons geleverde en geanalyseerde data wisten ze perfect wie ze met welk nepbericht op de sociale media moesten voederen. Ze wonnen de verkiezingen met een karrevracht aan leugens.”

 

Wanneer besloot u klokkenluider te worden?

“Nadat ik ontslag genomen had en de eerste artikels verschenen waarin stond dat Cambridge Analytica nooit de Facebook-database vernietigd had. Toen zond de Britse televisiezender Channel 4 een reportage uit over een vier maanden durende undercoveroperatie bij Cambridge Analytica. De journalisten deden zich voor als vertegenwoordigers van Sri-Lankaanse miljardairs die een smerige verkiezingscampagne wilden financieren. Alexander Nix lunchte en dronk cocktails met hen, terwijl hij opschepte over wat hij allemaal in het geheim voor hen kon regelen. Hij zei dat hij goede relaties had bij internationale spionagediensten en makkelijk ‘dirt’ over politieke tegenstanders kon bovenspitten. Ik was in shock, zocht contact met de journalist Paul Lewis van The Guardian en gaf hem inzage in al mijn e-mails. Pas toen zag ikzelf al die linken tussen Mercer, Bannon, Trump en Farage en hoe ze op slinkse wijze met de hulp van Cambridge Analytica de democratie een loer draaiden en de macht wisten te veroveren. Op 1 mei 2018 werden Cambridge Analytica en SLC Group opgedoekt.”

 

U getuigde voor het Britse parlement en werd ondervraagd door Robert Mueller.

“De ondervraging door Mueller ging vooral over Russische inmenging via het Trump-team in de Amerikaanse verkiezingen. Daar had Cambridge Analytica voor zover ik weet niets mee te maken. Mijn getuigenis voor het Britse parlement ging over de rol die Cambridge speelde in de aanloop naar het brexit-referendum.”

 

De klokkenluider die de ondergang van Cambridge Analytica in 2018 in gang zette, was de Canadees Christopher Wylie.

“Hij werkte maar heel even voor Cambridge Analytica. Toen ik er in 2014 begon, was hij al weg. Ik sprak hem één keer aan de telefoon, maar heb hem nooit ontmoet. Toch praat hij nu voluit over zaken die hij zelf nooit heeft meegemaakt. Zijn voornaamste onthulling dat hij 50 miljoen Facebookprofielen had helpen oogsten in opdracht van Steve Bannon, was correct. Alleen gebeurde veel van wat hij vertelt na zijn vertrek. Hij werd dus vermoedelijk door een ex-collega bij Cambridge getipt. Een echte klokkenluider heeft niets ‘van horen zeggen’, maar maakte het zoals ik van op de eerste rij mee. Als je iets als feit verkoopt, moet je er honderd procent zeker van zijn. Anders riskeer je zelf te eindigen als leverancier van nepnieuws.”

 

Brittanny Kaiser, De datadictatuur, HarperCollins, 416 blz., 21,99 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Om te kunnen liegen zoals Hitler, moét je wel een doortrapte charmeur zijn’

Vlak voor de oorlog lieten belangrijke Amerikaanse, Britse en Franse journalisten zich bedwelmen door Adolf Hitler. In zijn boek De vergeten gesprekken met Hitler delft Eric Branca hun interviews op. ‘Ze waren allemaal bang voor oorlog en geloofden de Führers pleidooien voor vrede.’

_DSC0005

 

Jarenlang was Parijzenaar Eric Branca journalist en redactiedirecteur bij het Franse actualiteitenmagazine Valeurs Actuelles. Tot hij in 2015 bij een grote reorganisatie samen met elf collega’s aan de deur gezet werd. ‘Toen was dat een grote schok’, zegt hij. ‘Achteraf gezien was het een bevrijding. Want ik ergerde me steeds meer aan de populistische koers die onder druk van de dalende oplagecijfers was ingezet.’ Hij trok zich terug in zijn appartement vlakbij de Arc de Triomphe en verdiepte zich in een vergeten stuk recente geschiedenis: de vooroorlogse vrijages van Adolf Hitler met belangrijke Amerikaanse, Britse en Franse journalisten. In zijn verbluffende boek De vergeten gesprekken met Hitler reconstrueert Branca zestien interviews waarin de dictator ‘met de zachtblauwe ogen’ via zijn gewillige gesprekspartners probeerde de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk in slaap te wiegen.

U bent de eerste die het stof blaast van de vooroorlogse Hitler-interviews.

Eric Branca: Het was nochtans niet moeilijk om ze terug te vinden. Die interviews worden allemaal netjes bewaard in voor iedereen toegankelijke archieven. Af en toe werden er wel eens enkele zinnen uit geciteerd, maar nooit publiceerde iemand ze opnieuw. Van 1923 tot 1940 gaf Hitler precies dertig interviews aan buitenlandse journalisten. Uiteindelijk blijven er zestien over die het verdienen een écht interview genoemd te worden. De rest zijn eerder uitvoerige verslagen van ontmoetingen met de Führer, opgefleurd met een paar quotes. Uit alle gesprekken komt de dictator naar voor als een volbloed leugenaar.

 

Hij deed mij soms aan de Amerikaanse president Donald Trump denken.

Branca: Misschien wel, alleen was Hitler subtieler. Trump doet de waarheid op een directe, simpele manier geweld aan. Hitler was doortrapter én strategischer. Hij zei tegen zijn gesprekspartners: ‘Ook ik verlang naar vrede’, terwijl hij in werkelijkheid volop de oorlog aan het voorbereiden was. Hij vertelde zijn toehoorders wat ze dolgraag wilden horen. Dat zal Donald Trump nooit doen. Die beledigt iedereen voluit. Adolf Hitler werd tegenover buitenlandse journalisten nooit een brulboei, behalve in het allereerste interview dat in oktober 1923 in The American Monthly verscheen. Daarin werd hij zeer agressief tegenover de Joden, met gepeperde uitspraken in de trant van: ‘Zoals syfilislijders en alcoholisten moeten worden geïsoleerd en zich niet mogen voortplanten, zo mogen ook Joden zich niet met Duitsers vermengen.’ Hij verkondigde toen onomwonden de nazistische ideologie, zoals hij die een paar maanden later in Mein Kampf zou neerschrijven.

 

Interviewer van dienst van dat allereerste interview was de Amerikaanse schrijver George Viereck.

Branca: Viereck was zelf een volbloed-nazi en ontpopte zich later tot propagandist voor Hitler in de VS. Halverwege de jaren dertig begon de FBI hem in de gaten te houden. Na Pearl Harbor namen de Amerikanen de wapens op tegen Duitsland en Japan. Viereck belandde in de cel omdat hij ervan verdacht werd een Duitse spion te zijn. Hij kwam pas terug vrij in ’47.

 

Van alle buitenlandse journalisten die met Hitler spraken, was Viereck de enige echte nazi?

Branca: Hitler koos er heel bewust voor om buitenlandse nazi-reporters links te laten liggen. Hij wou in de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk eerst en vooral de pacifisten en de mensen aan de linkerzijde bereiken. Want extreem-rechts was al overtuigd. Voor alle anderen trok hij een rookgordijn op. Hij maakte hen wijs dat hij niet uit was op oorlog. Hij wou ook de aandacht in het buitenland weg van Mein Kampf, vol rauw antisemitisme en virulente haat tegen alles wat Frans is. Hij koos doelbewust voor gerenommeerde journalisten en degelijke kranten en tijdschriften. Hij vermeed bladen die flirtten met het fascisme of nazisme. In Frankrijk praatte hij met de fatsoenlijke, pacifistische krant Le Matin of met het ‘onafhankelijke’ Paris-Soir, maar niet met extreem-rechtse bladen als L’Ami du Peuple of Je suis partout. Met de Britten communiceerde hij via grote populaire kranten als The Daily Mail en The Daily Mirror, maar niet met de fascistische krant van zijn Engelse evenknie Oswald Mosley. Hitler was een bewonderaar en een vriend van de Amerikaanse autobouwer Henry Ford. Die gaf het openlijk antisemitische weekblad Dearborn Independent uit. Hitler hoefde maar met zijn vingers te knippen voor een paginagroot interview, maar hij deed dat niet. Want waarom zou hij tijd verspillen aan buitenlandse lezers die toch al overtuigd waren?

 

Had hij die strategie zelf bedacht?

Branca: Die kwam uit de koker van zijn allereerste perschef Ernst ‘Putzi’ Hanfstaengl. Putzi was een leeftijdsgenoot van Hitler en had een Duitse vader en een Amerikaanse moeder. Hij stamde uit een rijke familie, studeerde aan Harvard, werd gerekruteerd als geheim agent en kreeg de opdracht om die jonge onruststoker Adolf Hitler in de gaten te gaan houden. Hij was geen Hitler-sympathisant, maar in München hoorde hij de man in het openbaar spreken en hij was meteen in de ban. Het gangbare beeld van een speechende Hitler is dat van een continu schreeuwende en razende fanaat. Maar in beperkte kring was dat helemaal niet zo. Hij begon dan pas op het einde te schreeuwen. (lacht) Het eerste uur van een redevoering kwam hij vaak zelfs heel charmant uit de hoek. Zo zorgde hij ervoor dat zijn toehoorders zeer ontvankelijk waren voor zijn boodschap.

In 1922 werden Hitler en Hanfstaengl goede vrienden; niet veel later werd Putzi zijn persattaché. Tot 1934 werkten ze nauw samen. Hanfstaengl had uitstekende relaties in de VS en kende er iedereen die ook maar iets te zeggen had. Hij regelde interviews met belangrijke Amerikaanse journalisten zoals Harold Calender van The New York Times en Hubert Knickerbocker van de New York Evening Post, winnaar van een Pulitzerprijs in 1931. Hij introduceerde zijn baas ook bij de kopstukken van de zeer invloedrijke Hearst Press Group en adviseerde hem om Engels te leren. Maar dat was een brug te ver voor de Führer. Eind jaren dertig keerde Hanfstaengl nog eens zijn kar: hij werd opnieuw Amerikaans agent. In 1942 trad hij zelfs in dienst bij de Amerikaanse president Franklin Roosevelt als diens naaste adviseur voor Duitse aangelegenheden.

 

In de jaren twintig gaf Hitler interviews aan Britse en Amerikaanse journalisten; de eerste Franse journalist sprak hij pas in 1930. Had dat te maken met zijn niet aflatende woede over het Verdrag van Versailles na WO I?

_DSC0060Branca: Versailles beschouwde hij inderdaad als de ultieme vernedering. Maar zijn haat tegenover Frankrijk ging nóg veel dieper. De hele Franse geschiedenis zag hij als één grote brok tegenstand tegen een verenigd sterk Duitsland. Eerlijk gezegd had hij een punt: alle Franse koningen hadden er een erezaak van gemaakt om Duitsland te verdelen. In Mein Kampf stond zwart op wit dat hij definitief met Frankrijk wou afrekenen. Alle ‘verloren gebieden’ wou hij heroveren. Hij schreef: ‘Dat lukt niet door plechtige aanroepingen van Onze-Lieve-Heer of door vroom op een Volkerenbond te hopen, maar alleen door wapengeweld.’ Vanaf 1930 zette hij zijn haat tegenover Franse journalisten even in de diepvries. Via interviews met hen probeerde hij ook de Fransen zand in de ogen te strooien. Die journalisten tuinden er met open ogen in, omdat ze allemaal bang waren voor oorlog. Daarom geloofden ze de Führers pleidooien voor vrede.

 

Sommige journalisten bekeerden zich na hun interview met Hitler zelfs tot het nazisme. Was dat door zijn charisma?

Branca: De kiem was bij de meesten al aanwezig. Maar op het moment waarop hun interview gepubliceerd werd, golden ze in hun eigen land nog als gerespecteerde reporters, zoals de Franse schrijver Alphonse de Châteaubriant. In 1911 won hij de Prix Goncourt voor zijn nog steeds lezenswaardige roman Monsieur des Lourdines. Hij stond bekend als een vrome katholiek, tot hij Hitler in 1938 ontmoette in diens buitenverblijf in Berchtesgaden. Aan het begin van de twintigste eeuw was Châteaubriant een groot verdediger van Alfred Dreyfus, de Joodse kapitein die er valselijk van beschuldigd werd een Duitse spion te zijn en die wereldberoemd werd door het pamflet J’accuse van schrijver Emile Zola. Na zijn interview met Hitler voor Le Journal beschouwde hij de Führer als de reïncarnatie van Jezus. In 1948 werd Alphonse de Châteaubriant als collaborateur bij verstek ter dood veroordeeld. Drie jaar later stierf hij in ballingschap in een klooster in het Oostenrijkse Kitzbühel.

Niet alleen oudere, conservatieve journalisten lieten zich door Hitler in de doeken doen, ook jonge progressievere collega’s zoals Elisabeth Sauvy alias Titaÿna raakten door hem betoverd. Zij mocht Hitler in januari 1936 uitgebreid interviewen in zijn werkkamer in de kanselarij in Berlijn. Ze was toen nog maar 38, en had van in de jaren twintig in Frankrijk een ijzersterke reputatie opgebouwd.

 

Zij was het prototype van de onverschrokken vrouwelijke sterreporter?

Branca: Ze had haar eigen vliegtuig waarmee ze op reportage trok naar verre oorlogsgebieden. In 1924 interviewde ze Kemal Atatürk en in ’35 Benito Mussolini. De hele Franse pers van die tijd vocht om haar artikels, interviews en reportages, van Le Matin, Lectures pour tous, Paris Match tot Paris-Soir. Zij wou per se Hitler interviewen omdat ze dacht dat hij een hartsgrondige hekel had aan Franse vrouwelijke journalisten. Tot haar grote verbazing wou hij haar toch ontvangen. Ook zij werd een bekeerlinge.

 

Door dat welbewuste interview?

Branca: Jawel. Haar interview een jaar eerder met Mussolini, die andere ‘grote dictator’ van die tijd, was uitgedraaid op een mislukking. Hij ontving haar zeer afstandelijk vanachter zijn bureau, met meters parketvloer tussen hen in. Hitler kwam haar met uitgestoken hand tegemoet. Hij kwam naast haar zitten, was één en al charme en dat werkte. In haar inleiding beschreef Titaÿna hem als ‘intelligent’ en ‘energiek’, als een ‘volksleider’ met ‘verleidingskracht’. In het echt was hij volgens haar helemaal niet die agressieve manipulator. Ze schreef ook over zijn opvallend blauwe ogen. Hitler loog er op los en zei dat geen haar op zijn hoofd eraan dacht een oorlog te beginnen. ‘Welke staatsman zou vandaag nog gewapenderhand zijn grondgebied willen uitbreiden?’, vroeg hij retorisch aan Titaÿna. ‘De menselijke logica verzet zich tegen territoriale oorlogvoering.’ Hij stelde zichzelf voor als de grote verzoener. Hij zei: ‘Het is mij er vooral om te doen dat de wereld gaat beseffen dat het idee van goede wil onder de volken moet leiden tot een samenwerking zonder verborgen agenda’s ten gunste van het welzijn van elk mens.’ Vijf weken later viel hij Frankrijk binnen. Om te kunnen liegen zoals Adolf Hitler, moét je wel een doortrapte charmeur zijn. Titaÿna ging volledig overstag. Tijdens de oorlog schreef ze antisemitische artikels in collaboratiekranten. Na de oorlog werd ze veroordeeld voor spionage.

_DSC0009

Slechts weinig journalisten stelden vragen over het lot van de Joden in Duitsland.

Branca: Ik vond het vreselijk om dat te moeten vaststellen. Alle vragen werden op voorhand door de persdienst van de nazi’s beoordeeld, waardoor lastige vragen in de prullenmand belandden. Maar blijkbaar had niemand de guts om tijdens het interview tóch zijn kritische geest te laten werken. Naderhand redigeerde Hitler de tekst persoonlijk. Dat ging heel ver. Titaÿna beschreef in november 1933 in Dimanche Illustré hoe haar interview ‘verbeterd’ werd. Ze zat in het vliegtuig van Berlijn naar Parijs en hoorde de boordtelex ‘continu ratelen’. Het was de Führer himself die correcties aan het sturen was: ‘Pagina zoveel, woord x vervangen door woord y. Regel zoveel schrappen.’

 

In uw boek blaast u ook het stof van de zeer lucratieve deal die het Amerikaanse persbureau Associated Press (AP) begin jaren dertig met de nazi’s sloot.

Branca: Op 4 oktober 1933 werd in Duitsland de Schriftleitergesetz van kracht, een nazi-wet die de pers zwaar aan banden legde. Voortaan was het correspondenten verboden teksten te publiceren die ‘de kracht van het Derde Rijk verzwakten’ en mochten media niet langer Joden in dienst hebben. Journalisten moesten van ‘Arische afkomst’ zijn en mochten niet getrouwd zijn met een Jood. Alle buitenlandse persagentschappen weigerden die wet te onderschrijven, behalve Associated Press. Het agentschap riep al zijn Joodse medewerkers in Duitsland zonder morren naar huis. Met als gevolg dat vanaf 1934 AP nog als enige buitenlandse persagentschap in Duitsland mocht werken. AP kreeg zo het monopolie in handen van verslaggeving over het Derde Rijk. Dat sterk gefilterde en gekleurde nieuws sluisde het vervolgens door naar krantenredacties over de rest van de wereld.

 

In feite was dat nazi-propaganda?

Branca: Zonder twijfel. Die werd vervolgens gepubliceerd in grote kranten en tijdschriften in de democratische landen. In de VS alleen al leverde AP aan 1400 nieuwskanalen. Tot de belangrijkste klanten van Associated Press behoorden het weekblad Life, maar ook The Washington Post en de Chicago Tribune. De man achter die deal was Louis Lochner, de directeur van de Duitse vestiging van AP. Hij was de voormalige secretaris van de notoire antisemiet Henry Ford. Bij het begin van WO II was Lochner de enige buitenlandse journalist die met het Duitse leger mocht meereizen. In 1939 kreeg hij een Pulitzer voor zijn verslaggeving vanuit Berlijn. Als de Duitsers in 1941 Rusland binnenvielen en massaal Joden afslachtten, was de correspondent van AP daar rechtstreeks getuige van, maar hij repte er met geen woord over. Hij berichtte wel uitvoerig over de Duitse slachtoffers van de Russen. Lochner volgde slaafs de richtlijnen van Joseph Goebbels en diens ministerie van Propaganda. Na de Amerikaanse deelname aan de oorlog, keerde hij in 1942 terug naar de VS. Maar de deal met de nazi’s bleef overeind. Lochner bezorgde de Duitsers interessant fotomateriaal van de geallieerden, in ruil voor interessant fotomateriaal uit het Derde Rijk. Zo kreeg AP na de aanslag op Hitler op 20 juli 1944 exclusief toegang tot de beelden van de ongedeerde Führer. In ruil leverde AP een maand later aan de Duitse pers foto’s van de schade die in Londen veroorzaakt werd door de V1-raketten. Na de oorlog was Lochner een gevierd oorlogscorrespondent. Hij gaf voordrachten, nam deel aan congressen en teerde op zijn succes tot zijn dood in 1975.

 

Decennialang wist niemand van zijn geheime deal?

Branca: Die kwam pas aan het licht in 2016 door onderzoek van de Duitse historica Harriet Scharnberg. De afspraken die Lochner met de nazi’s maakte, waren gewoon degoutant. Scharnberg publiceerde de contracten tussen AP en het ministerie van Propaganda van Goebbels op de website Zeithistorische-forschungen.de. Wat mij zo tegen de borst stoot, is dat het nieuws van die deal amper een rimpeling veroorzaakte. Binnenkort verschijnt de neerslag van het volledige onderzoek van Scharnberg, misschien dat er dan meer ophef volgt. Er komen gelukkig hier in Frankrijk meer reacties op mijn boek. Veel collega’s wisten niet dat illustere voorgangers zoals Bertrand de Jouvenel het nazisme omarmden. In februari 1936 publiceerde Jouvenel een uiterst kritiekloos interview met Hitler in Paris-Midi. Het lijkt eerder een hagiografie. In zijn inleiding beschrijft hij hoe de Führer blaakt van gezondheid: ‘Met zijn roze huid oogt hij sportief, iemand die veel frisse lucht krijgt. Zijn gezicht vertoont geen rimpels en ook geen spoor van fysieke of mentale vermoeidheid.’ Ook Jouvenel liet zich inpakken door Hitler en werd na publicatie van het interview hoofdredacteur van het weekblad van de fascistische partij PPF. Hij moet echt geloofd hebben dat Hitler een pacifist was, want toen de oorlog uitbrak, stapte hij gedesillusioneerd uit de PPF. Na de oorlog werd hij een alom gewaardeerd essayist, gespecialiseerd in economie en geschiedenis. Veel journalisten van mijn generatie dweepten met hem. Door mijn boek leren ze Jouvenels aangebrande verleden kennen en dat is een grote schok.

 

In uw boek vallen ook verschillende Angelsaksische journalisten van hun sokkel. Wordt het in het Engels vertaald?

Branca: Voorlopig niet. Blijkbaar is geen enkele Britse of Amerikaanse uitgever geïnteresseerd. Ik vind dat zeer merkwaardig. Naast de Nederlandse, komt er een Tsjechische, Roemeense, Duitse en misschien zelfs Chinese vertaling, maar geen Engelse.

 

Stel dat u in de jaren dertig journalist in Parijs was geweest. Had u de Führer geïnterviewd als de kans zich voordeed?

Branca: Ik denk het niet, want het was niet de bedoeling dat je als journalist ook nog eens vragen ging stellen. Een interview met Adolf Hitler was dus bij voorbaat zinloos. Een paar journalisten moet dat toch beseft hebben. Ik vermoed dat ze tóch naar Berlijn afreisden omdat ze nieuwsgierig waren. Ze wilden die man in levende lijve ontmoeten. Dat begrijp ik, want de leider van Duitsland was niet de eerste de beste. Maar als de voorwaarde is dat je kritische geest moet thuisblijven, ben je geen journalist meer, maar een propagandist.

 

Eric Branca, De vergeten gesprekken met Hitler, Polis, 320 blz., 25 euro

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

 

 

‘De CIA stelde me voor de keuze: trouwen of mijn vriend verlaten’

Vermomd als kunsthandelaar infiltreerde Amaryllis Fox terreurnetwerken voor de CIA. “Eigenlijk waren wij toen nog kinderen.”

 

Amaryllis Fox zat in het laatste jaar aan de universiteit toen ze benaderd werd door een recruiter van de CIA. Ze hapte toe en op haar tweeëntwintigste werd ze gevraagd voor het elitekorps van undercoveragenten. Na een intense training van zes maanden was ze ‘undercover agent under non-official cover’, de meest risicovolle spionnenjob bij de geheime dienst. Vanuit de Chinese stad Shanghai infiltreerde ze vermomd als kunsthandelaar terroristische netwerken in het Midden-Oosten en Azië. Tot ze in 2010 de CIA vaarwel zei. “Ik wou dat mijn dochter een gewoon leven kreeg.” In haar autobiografie Mijn leven undercover klapt ze uit de biecht over haar leven als spion.

Amaryllis Fox: “Het was een eenzame bezigheid en we waren allemaal piepjong. Daar was een goede reden voor: hoe ouder een undercoveragent is, hoe moeilijker het wordt een volledig nieuw personage te zijn. Hij of zij sleept dan te veel bagage mee. Een jonge pas afgestudeerde agent is ‘maagdelijk’. Eigenlijk waren wij toen nog kinderen. Maar we waren niet uniek. Want het blijft altijd onder de radar hoe jong sommigen zijn die op een of andere manier de koers van de wereld beïnvloeden. T.E. Lawrence was amper halverwege de twintig toen hij tijdens en na WO I de kaart van het Midden-Oosten hertekende. Eigenlijk is dat angstaanjagend.”

 

Kreeg u de zegen van de CIA voor dit boek?

“Daar mag ik niets over kwijt. Sommige zaken zijn weggelaten om identiteiten te beschermen. Er is ook een hoofdstuk waarin drie scènes verwerkt zijn tot één. Met die veranderingen kan ik leven, omdat ze niet essentieel zijn voor wat er echt gebeurd is.”

 

Het was niet uw meisjesdroom om geheim agent te worden?

“Nooit. Eerst wou ik journalist worden. Tot ik op een bepaald moment begon te dromen van een carrière als astronaut. Ik kreeg zelfs toelating voor de United States Naval Academy voor de studie lucht- en ruimtevaarttechniek. (lacht) In de plaats daarvan werd het de universiteit van Oxford waar ik theologie en internationaal recht ging studeren.”

 

Maar eerst trok u voor een jaar naar Thailand, waar u aan de grens met Myanmar vluchtelingen hielp opvangen.

“Ik was achttien en dat was een onvergetelijke ervaring. Toen besefte ik dat mijn echte roeping in de journalistiek lag. In Thailand raakte ik goed bevriend met politieke vluchtelingen uit Myanmar. We kregen het waanzinnige idee om oppositieleidster Aung Sang Suu Kyi te gaan interviewen. Zij leefde in ballingschap in haar eigen land, onder bewaking van militairen. Het lukte ons wonderwel om tot bij haar te geraken en die ontmoeting veranderde mijn leven. Ik was erg onder de indruk van die kleine, tengere vrouw die enkel met woorden het militaire regime de stuipen op het lijf joeg. Mijn ouders wisten niets van mijn bezoek aan Myanmar. Het was in het vroege najaar van 1999, toen je nog niet continu online was en pas om de paar weken met het thuisfront communiceerde in een internetcafé.”

 

Er hing een foto van Aung Sang Suu Kyi op uw slaapkamer. Vandaag deelt zij mee de lakens uit in Myanmar en is ze van haar sokkel gevallen. Hangt die foto er nog steeds?

“Ik heb hem omgedraaid; dat is mijn klein protest. Ik ben hard van haar houding tegenover de Rohingya-minderheid geschrokken. Ik vermoed dat zij vindt dat ze voorlopig geen andere keuze heeft dan deze ‘realpolitik’. Ze moet nog steeds rekening houden met de militairen. Wat niet wegneemt dat ik vreselijk teleurgesteld ben. Ik geloofde dat ze voor de vrijheid van àlle Myanmarezen vocht, en niet alleen voor haar eigen etnische groep.”

 

U stak de grens van Thailand naar Myanmar over samen met een Britse investeringsbankier. Jullie hadden valse papieren en waren zogezegd man en vrouw. Dat was uw allereerste undercoverrol?

“Zo zou je het wel kunnen noemen, ja. Ik kende die investeringsbankier exact anderhalf uur voor we samen als ‘man en vrouw’ naar Myanmar afreisden. We hadden heel dat scenario uitgedacht omdat het de beste manier was om een visum te krijgen. Ik speelde mijn rol moeiteloos. Ik groeide op in een gezin dat vaak van de ene plek naar de andere verhuisde. Mijn vader is Amerikaans en mijn moeder Brits. Als kind leerde ik me voortdurend aanpassen aan nieuwe omgevingen. Maar tijdens mijn trip naar Suu Kyi was het inderdaad de eerste keer dat ik mezelf om veiligheidsredenen vermomde. In mijn hoofd was ik toen geen geheim agent, maar onderzoeksjournalist. Die twee jobs verschillen trouwens niet zoveel van elkaar.”

 

Toen u in Oxford studeerde, werd u benaderd door drie mannen van een Britse geheime dienst. Ze wilden u rekruteren, maar vingen bot. Pakten ze het verkeerd aan?

“Ik weet nog altijd niet van welke geheime dienst ze precies waren, MI5, MI6 of GCHQ. Ze praatten iets te paternalistisch over de landen buiten het Westen. Ze leken zich superieur te voelen en wilden hun visie doordrukken. Dat stootte me af.”

 

Toen u niet veel later aan de universiteit van Georgetown in Washington DC verder studeerde en benaderd werd door een CIA-recruiter, zei u wel ja. Wat was het verschil?

“De aanslagen van 11 september 2001. Die dinsdagochtend was ik in Washington DC. Ik zag de rook boven het Pentagon nadat vlucht 77 zich daar had ingeboord. Mijn zusjes zaten er vlakbij op school en moesten geëvacueerd worden. Op de radio werd gezegd dat het oorlog was. Die aanslagen deden me terugdenken aan het grote trauma uit mijn jeugd. Ik was acht toen mijn allerbeste vriendin Laura samen met haar hele familie omkwam op de Pan Am-vlucht die door Libische terroristen boven het Schotse plaatsje Lockerbie werd opgeblazen. Dat was de allereerste keer dat ik met de dood geconfronteerd werd. Dat was ook de eerste keer dat ik het woord ‘terrorisme’ hoorde. Vanaf dan waren dood en terreur voor mij gelijk. Mijn vader zei: ‘Je moet de krachten begrijpen die Laura wegnamen, anders raak je erdoor overweldigd.’ Toen leerde hij me de krant The Times lezen. Aan de universiteit van Georgetown ging ik voor mijn thesis op zoek naar een manier om te ontdekken of een regio kans maakt ooit gebruikt te worden als terroristische uitvalsbasis. Ik spoorde werkelijk àlle gegevens over elke binnenlandse en buitenlandse aanslag van de afgelopen tweehonderd jaar op en bracht die in kaart. Daaruit leidde ik een algoritme af dat kan bepalen hoe waarschijnlijk het is dat er in een gebied tereuraanslagen worden voorbereid. Mijn thesis trok de aandacht van een man aan de universiteit die ook voor de CIA rekruteerde. Hij was nederig, stil en nieuwsgierig.”

 

Hij was geen macho?

“Helemaal niet. Het was een kleine man met een lange witte baard. Hij zag eruit als de kerstman. (lacht) Hij sprak verschillende talen en was zeer bezorgd over het leefmilieu en over bedreigde culturen.”

 

Was dat echt of gespeeld?

“Dat was heel echt, zo is hij. Hij was nooit underoveragent, maar is leraar en analist. Een eerlijke, ernstige kerel.”

 

Een beetje zoals Saul Berenson, de mentor van CIA-agente Carrie Mathison uit de serie Homeland?

“Ik heb ooit de allereerste aflevering gezien, maar die stond me niet echt aan. Mijn moeder is verzot op die reeks, dus misschien heb ik ze te snel afgeschreven. Ik haat de stereotiepe manier waarop vrouwen uit geheime diensten in films en reeksen worden afgeschilderd. Dat hoort waarschijnlijk zo bij entertainment.”

 

Uw boek wordt ook een reeks voor het nieuwe Apple tv+.

“Ja, en daar heb ik wel alle vertrouwen in. Mijn rol zal gespeeld worden door Brie Larson.”

 

Wou u van in het begin bij de CIA undercoveragent worden?

“Helemaal niet. Ik werkte als onderzoeker en verzamelde zoveel mogelijk informatie over terreurdreiging. Ik wist niets over dat speciale eliteprogramma, tot ze me er voor vroegen. Toen was het hek wel van de dam. Ik wou dolgraag aansluiten, want dat was het allerhoogste niveau voor een agent.”

 

Een van uw eerste opdrachten als undercoveragent-in-spe was onthoofdingsvideo’s bestuderen.

“We bekeken dezelfde video’s honderd keer na elkaar, op zoek naar kleine aanwijzingen waar ze gefilmd konden zijn. Dag in, dag uit. Emotioneel was dat zeer belastend. Soms vonden we iets, vaker vonden we niets.”

 

Niet veel later werd u naar een opleidingscentrum voor die elite-eenheid gestuurd. Zes maanden lang zat u op ‘The Farm’. Dat centrum heet echt zo?

“Tien jaar geleden toch nog, maar ik weet niet hoe het inmiddels geëvolueerd is. Vandaag is er veel meer technologie bijgekomen, waardoor die opleiding ingrijpend veranderd zal zijn. Ik leerde nog de technieken die stammen uit de Koude Oorlog, nu draait alles rond biometrie en gezichtsherkenning. The Farm lag toen op een gigantische afgelegen militaire basis, ergens in de staat Virginia.”

 

Vlakbij Langley waar het hoofdkwartier van de CIA gevestigd is?

“Nee. Ik mag niet zeggen waar precies. The Farm bestaat uit iets wat op een uit de kluiten gewassen dorp lijkt en er grenst een woud aan.”

 

De training bestond uit een half jaar lang rollenspellen?

“Ja. 24 uur op 24, zeven dagen lang zaten we in een fictie. Elke ‘diplomaat’, ‘terrorist’, ‘collega’ die ik daar tegen het lijf liep, werd gespeeld door een voormalige agent die trainer geworden was. Af en toe dacht ik wel eens om eruit te stappen, maar als researcher had ik zowat elke dag gezien wat de terreur van Al Qaeda wereldwijd aanrichtte. Ik wou begrijpen wat die mensen ertoe aanzette om terrorist te worden. En ik wou dat ook stoppen. Ik nam geen genoegen met het riedeltje zoals dat nog steeds in de media weerklinkt: ‘Ze haten ons omdat we vrij zijn.’ Daar koop je niets mee, want dat wil zeggen dat ze ons in de islamitische wereld voor eeuwig zullen haten. Mijn ultieme doel was: met die mensen een gesprek voeren.”

 

U was net bij de CIA aan de slag toen de Duitser Khaled el-Masri in 2003 in Macedonië door CIA-agenten ontvoerd werd en afgevoerd naar een gevangenis in Afghanistan. Daar werd hij maandenlang door uw collega’s gemarteld. Tot ze doorhadden dat ze de verkeerde Khaled el-Masri hadden gekidnapt. In plaats van een Al Qaeda-terrorist was deze man een brave huisvader met vijf kinderen.

“Ik vernam dat pas veel later via de media. Weet u wat een van onze grote problemen was? Onderling deelden we amper informatie met elkaar, waardoor er soms niet op tijd gecorrigeerd werd. Later lazen we dan in kranten of tijdschriften vreselijke verhalen over de zogenaamde CIA-renditions van gevangenen naar ‘black sites’ in Afghanistan.”

 

In januari 2005 berichtte The New York Times voor het eerst over het geval El-Masri. Sprak u daar toen over met uw collega’s?

“Ik heb nooit contact gehad met het ‘Enhanced Interrogation Program’ van de CIA. Tot de dag van vandaag ben ik ontzettend dankbaar dat ze me daar nooit voor vroegen. Ik werd dus nooit gedwongen om te zeggen: ‘Hier doe ik niet aan mee.’ Tijdens de lunch in de CIA-kantine werd er wel levendig over gediscussieerd. Sommigen vroegen zich terecht af of we met die ondervragingstechnieken niet de karakteristieken verloochenden van het land waarvoor we aan het vechten waren.”

 

Vlak voor u naar The Farm vertrok, verplichtte de CIA u met uw toenmalige vriend te trouwen.

“Hij wist niet dat ik bij de CIA werkte. Niemand wist dat, iedereen dacht dat ik voor een reguliere multinational aan de slag was. De CIA stelde me voor de keuze: trouw met je vriend, of laat hem in de steek. Hij was geen Amerikaans staatsburger en alleen daarom al ‘verdacht’. Ik mocht hem in principe zelfs niet eens zoenen. Trouwen was de enige manier om onze relatie in stand te houden, en vervolgens moest hij een leugendetectortest afleggen. Hij was in shock, maar bedekte alles toch met de mantel der liefde. Dat vond ik vertederend. (lacht)”

 

Na uw opleiding was uw flat leeg en was hij weg.

“Voor mij was dat een grote opluchting. Ik neem hem dat niet kwalijk, hij verdiende iemand die niet enkel geobsedeerd was door haar werk. Want dat was ik toen: volledig gefocust op mijn missie als CIA-undercoveragent. Er was niets anders.”

 

Uw collega Dan werd naar Afghanistan gestuurd om mensen te liquideren.

“Dat was tijdens de zogenaamde ‘surge’ in Afghanistan, de troepenversterking om het geweld te counteren. In The Farm werden we opgeleid om zonder wapens langzaam relaties op te bouwen met Afghanen, Irakezen of wie dan ook. De CIA ging er altijd prat op dat wapens in het inlichtingenwerk overbodig waren. Het is een echte schande dat collega’s zoals Dan in de nasleep van de invasie in Afghanistan naar het front gestuurd werden.”

 

Worden er nu nog CIA-agenten als doodseskaders ingezet?

“De elite-agenten die een opleiding op The Farm achter de rug hebben, worden nu niet meer gewapend in oorlogszones ingezet. Een halfjaarlijkse training op The Farm kost een fortuin. Het is een ongelooflijke verkwisting om net die agenten met hun uitzonderlijke vaardigheden het slagveld op te sturen. Daar heb je militairen voor nodig, en geen elite-undercoveragenten. De CIA heeft geleerd uit die fouten van het verleden. Het agentschap is bezig het paramilitaire af te stoten en keert terug naar haar core business: inlichtingenwerk.”

 

Ook onder de huidige president Donald Trump?

“De CIA heeft intussen wel geleerd politieke druk te weerstaan. De geschiedenis van de VS is een aaneenschakeling van turbulente tijden. Nu is er Trump, maar de jaren zestig waren ook best hevig met de oorlog in Vietnam. We vergeten snel en elke nieuwe generatie denkt dat haar problemen uniek zijn.”

 

Na uw opleiding in The Farm nam u een volledig nieuwe identiteit aan en vertrok u naar China.

“Ik mag daar niets over vertellen, ook al schrijf ik erover in mijn boek. Wat daarin beschreven staat, is gereviewed. Ik kan die gebeurtenissen niet opnieuw tegen u vertellen, want dan gebruik ik sowieso andere zinnen en krijg ik ernstige problemen met de CIA. Alles wat ik daarover tegen iemand zeg, is een overtreding, want heeft geen review ondergaan.”

 

Amaryllis Fox zwijgt en ziet de teleurstelling bij haar gesprekspartner. Ze schudt het hoofd en zegt: “U hebt mijn boek gelezen, ik hoef u dus ook niet te entertainen met wat u al weet.” In Mijn leven undercover vertelt ze, met de zegen van de CIA, hoe haar baas haar inlicht over wat haar nieuwe spionnenjob overzee zal inhouden. Ze schrijft: ‘Mijn cover behelst de vestiging van een Aziatisch kantoor voor de zaak, vertelt hij me, gericht op aanstormende kunstenaars door het hele Midden-Oosten. Tot nu toe heeft mijn fictieve carrière in de inheemsekunsthandel gefungeerd als smoes tegenover de douane en mijn vrienden en familie bij mijn korte uitstapjes naar het buitenland. Niemand heeft me er ooit meer dan twintig minuten lang vragen over gesteld. Maar in China gaat het om vierentwintig uur per dag en zal de handel net zoveel tijd gaan kosten als een echt bedrijf, waarbij ik ook nog ruimte zal moeten maken voor mijn spionagewerkzaamheden. Ik volg een week lang een spoedcursus MBA, waar ik onder meer leer hoe mijn boekhouding in elkaar steekt, mocht ik worden ondervraagd door de buitenlandse autoriteiten. Ik ontvang uitdrukkelijke instructies om geen enkel onderdeel van welke operatie dan ook in China zelf te ondernemen. Het wordt alleen een thuisbasis, hoewel ik er in principe wel van moet uitgaan dat ik bijna continu in de gaten zal worden gehouden. Alle spionageactiviteiten zullen in andere landen plaatsvinden, meestal onder mijn eigen naam maar soms onder een alias, wat vliegen naar een ander land betekent, mijn documenten wisselen en verder reizen naar de spionagebestemming met mijn fictieve identiteit. Het idee achter de non official cover is het wegblijven van de stank van het officiële domein, dus de documentenwissel kan niet in ambassades plaatsvinden. In plaats daarvan zijn we afhankelijk van de brush pass, een ongemerkte uitruil waarbij je een andere agent passeert op een bepaald tijdstip op een vooraf afgesproken plek – een tunnel of een steegje, dusdanig afgezonderd dat geen achtervolger de kans krijgt om te zien dat er documenten worden verwisseld terwijl we vlak langs elkaar lopen zonder onze pas te vertragen.’

 

Vlak voor u naar China vertrok, trouwde u met een andere undercoveragent. Jullie vestigden zich in Shanghai als kunsthandelaars en kregen er een baby. Dat was tezelfdertijd het échte leven en een undercoverleven?

“Hoe dichter undercoverwerk het echte leven benadert, hoe beter het rendeert. Mijn toenmalige man en ik speelden onze rol, maar de interacties tussen ons beiden waren echt. Als die fake zijn, lukt het nooit. De clou van goed undercoverwerk is authenticiteit.”

 

U kreeg uw opdrachten, uw man kreeg er andere, maar jullie wisten van elkaar niet waar jullie mee bezig waren. Jullie mochten er tijdens het avondeten zelfs niet over praten.

“We communiceerden tussen de lijnen door. Vrienden die mijn boek gelezen hebben, zeggen me: ‘Ik heb ook zo’n relatie.’ Soms is het verstandiger om lastige kwesties niet rechtstreeks te benoemen, maar er een beetje omheen te fietsen. Je weet dan allebei dat je niet over de gaarheid van de spaghetti aan het discussiëren bent, maar over iets totaal anders. (lacht)”

 

Hebt u als undercoveragent veel levens gered?

“Dat is zeer moeilijk in te schatten, en dat vind ik lastig. Je kan het heel snel verknoeien en dat merk je dan meteen als de aanslag wordt uitgevoerd. Maar je weet nooit wanneer je iets betekenisvols of goeds gedaan hebt. Ik ken de consequenties van mijn inlichtingenwerk niet. Tijdens mijn opleiding leerde ik met een Glock-pistool schieten. Ik heb dat later nooit in de praktijk moeten brengen.”

 

U zorgde ervoor dat een Hongaarse leverancier van Sovjetrestanten voor nucleair wapentuig informant van de CIA werd.

“Ja, maar niet alle bedreigen die zo gerapporteerd werden, bleken duizelingwekkend gevaarlijk te zijn. Informanten werden betaald, waardoor ze af en toe bedreigingen verzonnen. Of ze hadden ergens iets horen waaien dat totaal niet bleek te kloppen. Soms werden er wel eens zo’n Sovjetonderdelen aan een terreurgroep verkocht, maar die dingen waren gelukkig stokoud en van slechte makelij.”

 

Kijkt u na alles wat u als CIA-agent gezien en meegemaakt heeft nu met een bange blik naar de wereld?

“Nee, integendeel. Ik heb uren doorgebracht met mannen waarvan gezegd wordt dat ze monsters zijn. Ik heb ontdekt dat ook zij driedimensionele menselijke wezens zijn, net zoals u en ik. Als strijdend individu maakten ze zich vaak schuldig aan walgelijke daden. Maar ze zijn ook ouders, broers en zonen die op het verkeer sakkeren en niet graag belastingaangiftes invullen. Daardoor heb ik ook beter leren begrijpen waarom ze hun toevlucht nemen tot geweld. Dat geldt trouwens ook voor onze kant.”

 

Net zoals u hen als terroristen zag, beschouwden zij de CIA als een terroristische organisatie?

“Precies. We zijn allemaal tezelfdertijd banaal én gruwelijk. Zolang je niet begrijpt welke kleine, fragiele menselijke emoties die grote gewelddaden aandrijven, zal je ze nooit kunnen vermijden. Want het zijn schaamte, vernedering, angst of wrok die mensen afschuwelijk foute beslissingen laten nemen. Eens je dat doorhebt, kun je proberen ingrijpen. Misschien kun je je dan zelfs in hun gedachtenwereld inleven.”

 

Zelfs in die van Islamitische Staat?

“De cultuur van IS verschilt totaal van die van Al Qaeda. Maar de redenen waarom jonge mensen lid worden van IS of van Al Qaeda zijn dezelfde. Ze voelen zich machteloos en bij dat terreurnetwerk komen ze thuis. Dan zijn ze broeders onder elkaar, die samen vechten voor een hoger doel. Hebt u de film Joker gezien? Op een bepaald moment zegt de gewelddagige clown Arthur Fleck alias Joaquin Phoenix: ‘Niemand luisterde naar mij. Nú beginnen ze te luisteren.’ Net daarom grijpen mensen naar terreur.

 

Amaryllis Fox, Mijn leven undercover als topagente van de CIA, AmboAnthos, 272 blz, 20,99 euro

 

Bio

Amaryllis Fox

  • Geboren op 1 september 1980 in New York als Amaryllis Damerell Thornber.
  • Haar vader Edgar Thornber is economist en adviseerde Michael Gorbatschov en Margaret Thatcher.
  • Haar moeder Lalage Damerell is actrice.
  • Vandaag is ze programmamaker en vredesactivist.
  • Samen met haar derde man Bobby Kennedy III, kleinzoon van de in 1968 vermoorde presidentskandidaat Robert Kennedy, en haar twee kinderen leeft ze in Los Angeles.

 

(c) Jan Stevens

‘Escobar had een ego zo groot als Colombia’

Steve Murphy en Javier Peña werden door de Netflix-hitserie Narcos wereldberoemd als de jagers op Pablo Escobar. In hun autobiografie Manhunters rekenen de inmiddels gepensioneerde DEA-agenten af met de mythische status van de Colombiaanse drugsbaron. “Al zijn zogenaamde goede werken financierde hij met corruptie, drugshandel en moord.”

 

In Narcos werden de hoofdrollen van de twee Amerikaanse DEA-agenten Steve Murphy en Javier Peña vertolkt door de acteurs Boyd Holbrook en Pedro Pascal. De tv-reeks brengt in beeld hoe beiden van eind jaren zeventig tot begin jaren negentig op Pablo Escobar en zijn beruchte Medellín-drugskartel joegen. Bedenker, scenarioschrijver en regisseur José Padilha zocht in de aanloop van het eerste seizoen in 2015 contact met de inmiddels gepensioneerde échte manhunters Peña en Murphy. Hij praatte uitgebreid met hen en nodigde hen in de laatste aflevering van het tweede seizoen uit voor een amper opgemerkte cameo, met een toast van beiden op de dood van Escobar. Pas nu vertellen Steve Murphy en Javier Peña zelf het verhaal van de jacht op Escobar in hun autobiografie Manhunters. “Eigenlijk is het jammer dat we daar zo lang mee gewacht hebben”, vindt Javier Peña. “Escobar werd doodgeschoten op 2 december 1993 en in de jaren erna stonden wij gewoon niet stil bij het belang van onze rol om hem te vinden. Dat besef kwam pas toen we betrokken raakten bij Narcos. Ik wou nu dat we Manhunters al veel eerder geschreven hadden.”

Steve Murphy: “Toen Netflix onze medewerking vroeg, zei een vriend: ‘Zorg voor een clausule in jullie contract waarbij jullie het recht behouden zelf jullie leven te boek te stellen. Je weet nooit.’ Toen begon die eerste Narcos-serie met onze alter ego’s in de hoofdrollen, en dat was meteen een gigantische hit. We leerden een literair agent kennen: ‘De tijd is rijp voor jullie versie van de feiten.’ And here we are.”

 

Waarom gingen jullie ooit bij de politie?

Peña: “Ik ben geboren en getogen in Texas, niet ver van de Mexicaanse grens. Om mijn studies sociologie te bekostigen, vond ik een bijbaantje als hulpsheriff. Overdag studeerde ik en ’s nachts patrouilleerde ik in de straten van Laredo als ordehandhaver voor het sheriffbureau van Webb County.”

Murphy: “Ik groeide op vlakbij Nashville, Tenessee. Daar maakte ik als lagere schooljongen op een zomeravond voor het eerst kennis met een politiepatrouille in actie. Een van mijn vrienden raakte niet binnen in zijn eigen huis en we probeerden een slaapkamerraam open te prutsen. Een buur waarschuwde de politie en niet veel later werden we ‘aangehouden’ door twee agenten in uniform. Ik was daar danig van onder de indruk en ik wist meteen wat ik later wou worden: politieagent. Een paar jaar later verhuisden we naar de staat West Virginia. In 1975 nam ik op mijn 19e dienst bij de geüniformeerde politie. Ik genoot ervan een flik te zijn, elke dag van de zes jaar die ik bij het Bluefield Police Department diende. Alleen kreeg ik er een armzalig loon voor in de plaats. Ik was intussen getrouwd, gescheiden en had twee kinderen. Er moest dus brood op de plank en daarom stapte ik eind 1981 noodgedwongen over naar de veel beter betalende spoorwegpolitie. Mijn salaris verdubbelde, maar ik voelde me er doodongelukkig. Ik was niet bij de politie gegaan om een hele dag op een trein rond te lummelen. Ik wou boeven vangen en mijn ultieme droom was undercoveragent in het drugsmilieu. De VS werden in de jaren zeventig geteisterd door drugs zoals marihuana, heroïne en cocaïne. Ik zag de vreselijke verwoesting die ze bij talentvolle jonge mensen aanrichtten en mijn handen jeukten om daar iets tegen te ondernemen.”

 

Ook de handen van de toenmalige president Richard Nixon jeukten in 1973: toen richtte hij de Drug Enforcement Administration of DEA op. Met die nieuwe federale politiedienst verklaarde hij de oorlog aan de dealers én de gebruikers?

Murphy: “Begin jaren zeventig werd cocaïne steeds populairder. Nixon zat halverwege 1973 middenin het Watergate-schandaal en was wanhopig op zoek naar een bliksemafleider. Daarom verklaarde hij met veel aplomb een wereldwijde oorlog tegen drugs. Op 1 juli van dat jaar werd op bevel van de president de DEA boven de doopvont gehouden, het federaal bureau dat drugsgebruik inderdaad streng ging aanpakken en de drugssmokkel moest beëindigen. De DEA werd in de wandelgangen ‘The Single Mission Agency’ genoemd, omdat de focus enkel en alleen gericht was op de strijd tegen drugs.”

Peña: “Je mag ook niet vergeten welke ellende heroïne in die tijd aanrichtte. Die kwam vanuit de Gouden Driehoek in het verre oosten ons land binnen via Zuid-Frankrijk. De heroïne werd door de Siciliaanse maffia of de beruchte ‘French Connection’ vanuit de havenstad Marseille verscheept naar New York.”

 

Vandaag worden de VS geteisterd door synthetische drugs zoals crystal meth. In Manhunters vind ik daar geen spoor van terug.

Peña: “In de jaren zeventig en tachtig leken synthetische drugs nog niet zo’n immens probleem. Wij noemden ze ‘kiddie dope’. (lacht) De DEA concentreerde zich op heroïne en cocaïne en schonk geen aandacht aan die ‘onnozele’ verdovende middelen uit het labo. Dat was een vergissing.”

 

Hoe kwamen jullie bij de DEA terecht?

Peña: “In 1977 was ik bijna afgestudeerd als socioloog toen ik op het mededelingenbord van de faculteit een jobvacature voor de DEA zag hangen. Bij de sheriff van Laredo verdiende ik op dat moment 10.000 dollar per jaar. Geen vetpot, daarom was ik geïnteresseerd in die vacature. Al wist ik eerlijk gezegd toen niet eens wat de DEA was. (lacht) Zij betaalden 17.000 dollar en ik stuurde mijn sollicitatiebrief. Ik wou ook weg uit Laredo. Een van de wervingsslogans van de DEA was toen: ‘Kom bij ons werken en je zal de wereld zien.’ Het duurde een jaar voor ik aangenomen werd. Mijn plan was om er twee jaar te blijven, maar voor ik het goed en wel besefte, zwaaide ik pas dertig jaar later af.”

Murphy: “Mijn naaste collega bij de spoorwegpolitie had een tijdje als undercoveragent bij de DEA gewerkt. Tijdens onze nachtdiensten vertelde hij heroïsche verhalen. Ik solliciteerde, maar dat ging niet van een leien dakje. Pas na twee jaar werd ik eindelijk door de DEA aangenomen.”

 

U moest eerst een opleiding volgen aan de DEA Academy in Quantico, Virginia?

Murphy: “Ja, en die was niet van de poes. Na dertien weken keiharde training was ik twaalf kilo vermagerd. Daarna werd ik naar Miami gestuurd. Mijn grootste cocaïnevangst ooit in mijn twaalfjarige carrière als gewoon politieagent, was welgeteld 60 gram. Bij mijn allereerste zaak als DEA-agent in Miami, nam ik 400 kilo coke in beslag. Toen wist ik: mijn keuze voor de DEA was de enige juiste.”

 

Jullie werkten allebei undercover?

Murphu: “Ja, maar ik mengde me niet zo actief onder de producenten en dealers als Javier. De cocaïnetoevoer en handel was volledig in handen van Latijns-Amerikanen en hispanics. Als witte kerel zou ik heel snel door de mand vallen. In Miami hield ik me vooral bezig met rekrutering van informanten en het ondersteunende werk achter de schermen.”

Peña: “Ik heb Mexicaanse roots en thuis en op school spraken we Spaans. Ik begon mijn carrière als DEA-undercoveragent in de Texaanse hoofdstad Austin. Toen ik daar in 1984 toekwam, was ik de enige Latino-agent op het bureau. Ik werd dan ook meteen ingezet voor heel wat undercoverwerk. Iedereen denkt nu dat wij ook in Colombia als undercoveragenten actief waren om Pablo Escobar uit te schakelen, maar dat is niet zo. Wij waren daar als verbindingsagenten en werkten nauw samen met de Colombiaanse politie.”

 

Jullie schrijven met veel sympathie over de Colombiaanse politiemensen en noemen ze ‘de echte helden’ in de strijd tegen Escobar. In september 1989 verscheen in The New York Times een vernietigend artikel, waarin de Colombiaanse politie ervan beschuldigd werd zo corrupt te zijn als de pest. Ze zou zwaar geïnfiltreerd zijn door de drugsbaronnen.

Murphy: “Dat is precies een van die grote mythes die wij met dit boek willen doorprikken. Wij verhuisden naar de Colombiaanse hoofdstad Bogotá op vraag van de Colombiaanse Nationale Politie. Wij hebben ons nooit opgedrongen; het was hún verzoek hen te helpen in de jacht op Pablo Escobar.”

Peña: “Natuurlijk vonden wij dat een uitstekend idee. Wij hadden in die tijd kantoren over de hele wereld en wisselden informatie uit. Maar dat was de allereerste keer dat een land de hulp van de DEA inriep om samen actief op zoek te gaan naar een misdadiger.”

 

Eind jaren tachtig was Bogotá oorlogsgebied?

Peña: “Ik arriveerde er in 1988 en schrok van wat ik er aantrof. De handlangers van Escobar pleegden aanslagen en terroriseerden zowel Bogotá als de tweede belangrijkste stad Medellín. Vraag vandaag aan om het even welke volwassen inwoner van Bogotá hoe hij of zij zich de jaren voor en na 1990 herinnert, en je krijgt antwoorden als: ‘Mijn tante kwam om in een bomaanslag’, of: ‘Mijn oom werd neergekogeld op straat.’ Winkelcentra lagen er verlaten bij en het uitgangsleven was zo dood als een pier.”

 

Het was open oorlog tussen het Medellín-kartel en de overheid?

Peña: “Ja, en daar kwam nóg een oorlog bij tussen het Medellín-kartel van Escobar en het Cali-kartel. Escobar begon op een bepaald moment ook bommen te plaatsen in de auto’s van concurrerende drughandelaars.”

Murphy: “Maar de belangrijkste oorlog was toch die tussen Escobar en Colombia.”

Peña: “Zeker. Iedereen was een potentieel slachtoffer. Escobar en zijn handlangers vermoordden onschuldige mensen in supermarkten, winkels, op straat, in restaurants of cafés. De Zona Rosa-wijk in Bogotá stikt van de restaurants. Wij vermeden die buurt omdat daar continu bommen ontploften.”

Murphy: “De Colombiaanse bevolking werd zwaar geterroriseerd. Ik kwam op 16 juni 1991 toe in Bogotá. Drie dagen later gaf Pablo Escobar zichzelf aan bij de politie. Er is geen enkel verband tussen die twee feiten. (lacht) Bij de DEA wordt niemand zonder inspraak naar het buitenland gestuurd, je moet er je kandidatuur voor stellen. Zo vertrekken er alleen gemotiveerde agenten. Maar van zodra ik die 16e juni de internationale luchthaven El Dorado binnenliep, kreeg ik al spijt van mijn kandidatuur. Het leek net een grauwe sovjetbunker waar de chaos hoogtij vierde. Ik voelde me vreselijk geïntimideerd. Op dat moment wist ik nog niet dat ik ingeschakeld zou worden in de strijd tegen Escobar en zijn Medellín-kartel. Dat werd een dag later duidelijk toen ik voor het eerst kennismaakte met Javier en zijn partner Gary Sheridan. Javier en Gary waren op dat moment dé Medellín-experten in Colombia. Toen Gary promotie kreeg, werd ik Javiers vaste partner.”

 

Jullie hadden elkaar nooit eerder in de VS ontmoet?

Peña: “Nooit. Maar we werden snel hechte vrienden. Steve is zeer georganiseerd en ik ben een chaoot. We vullen elkaar dus perfect aan. (lacht)”

 

Op 19 juni ’91 gaf Escobar zich over. Jullie hadden dat niet zien aankomen?

Peña: “Niemand. De Colombiaanse regering ging akkoord met een overgave op zijn voorwaarden omdat ze zo veel mensenlevens kon redden. Hij mocht zijn zaakjes verder blijven runnen in de gevangenis, in zeer luxueuze omstandigheden. In ruil beloofde hij dat er geen bommen meer zouden ontploffen. Op dat moment vonden wij dat gruwelijke onzin. We waren daar echt kapot van, maar in werkelijkheid stopten de aanslagen ook. Nu weet ik: Baby, it was the best we could get.”

 

Escobar gaf zich over uit schrik voor een aanslag op zijn eigen leven?

Murphy: “De grond was hem te heet geworden onder zijn voeten. De regering bouwde op zijn kosten zijn gevangenis, bijgenaamd La Catedral, volledig naar zijn wensen: met een zwembad, jacuzzi, voetbalveld en luxueuze woonvertrekken. Hij mocht zijn trouwe handlangers en ‘bedienden’ meenemen naar binnen. De zware beveiliging moest zijn vijanden buitenhouden.”

Peña: “Op het moment van zijn overgave was niemand daarvan op de hoogte. Maar veel Colombianen namen daar achteraf vrede mee. Zij waren al lang blij dat de aanslagen stopten. Een belangrijk onderdeel van de deal was dat de overheid de handel van Escobar niet verder zou controleren. Hij had voor zichzelf dus een vrijgeleide onderhandeld om verder cocaïne te exporteren naar de VS. Hij bleef vanuit La Catedral orders uitdelen om concurrenten en in ongenade gevallen zakenpartners uit te schakelen of ontvoeren. Een jaar na zijn overgave moest zelfs de regering erkennen dat er behalve de bomaanslagen niet veel veranderd was. Ze besloten hem over te plaatsen naar een echte gevangenis, maar hij wachtte daar niet op, gijzelde een paar regeringsfunctionarissen en ontsnapte via een tunnel. Pas na Escobars ontsnapping zagen we de luxe waarin hij zich een jaar lang had gewenteld.”

 

U bracht toen de nacht door in Escobars bed. Waarom?

Peña: “Meteen na zijn ontsnapping kamden we La Catedral uit en een Colombiaanse kolonel zei: ‘Wedden dat je vannacht niet in Escobars bed durft slapen?’ Dat moest hij geen twee keer zeggen. (lacht) Eerlijk gezegd heb ik die nacht geen oog dichtgedaan. Boven Escobars bed stond een beeldje van de Maagd Maria. Ik lag naar dat beeldje te staren en dacht: ‘Die man heeft honderden doden op zijn geweten, en toch bad hij tot Maria.’ Al die drugsbaronnen geloofden in God en toch aarzelden ze niet om onschuldige mensen af te knallen.”

 

Was Pablo Escobar een psychopaat?

Murphy: “Volgens sommigen was hij een volbloed psychopaat. Anderen beweren dat hij een meervoudige persoonlijkheidsstoornis had. Nog anderen zien hem als een geniale ondernemer die in de verkeerde branche terechtgekomen is. Zij beweren dat hij ook in de bovenwereld minstens even rijk zou geworden zijn. Dat is volstrekte onzin, want zijn zakelijke model was gebouwd op terreur. ‘Als je niet doet wat ik zeg, maak ik je af.’ Hij had een ego zo groot als Colombia. Hij geloofde echt dat elke Colombiaan hem bewonderde en steunde. Dat was niet zo, maar in ’82 raakte hij wel verkozen tot plaatsvervangend volksvertegenwoordiger in het parlement. Hij droomde er zelfs van om president van Colombia te worden. Hij overschatte zijn ‘populariteit’ grandioos. Hij was niet populair; mensen waren doodsbang voor hem.”

 

Toch waren veel piepjonge Colombianen bereid hun leven voor hem op te offeren, zoals die jongen van 17 die in opdracht van Escobar tien agenten had doodgeschoten.

Peña: “Het verhoor van die jongen zit voor altijd in mijn geheugen gegrift. Hij kreeg 100 dollar per dode agent en gaf zijn loon bijna integraal aan zijn moeder. Hij zei dat Escobar hem een nieuw leven gaf in de krottenwijk waarin hij was geboren. Dankzij Pablo zaten ze niet langer in de goorste armoede. Ze hadden nu tenminste een koelkast, eten en een dak boven het hoofd. Die jongen was er zich heel goed van bewust dat de levensverwachting onder Escobars huurmoordenaars of sicarios amper 22 jaar was. Hij toonde geen greintje berouw over die tien dode agenten. Escobar had minstens 500 sicarios in dienst.”

 

Op 2 december 1993, de dag na zijn 44e verjaardag, werd hij in zijn onderduikadres in de wijk Los Olivos in Medellín door de Colombiaanse politie doodgeschoten.

Murphy: “Wij kwamen er toe meteen nadat hij gedood was. Luitenant Hugo Martínez van de Colombiaanse Nationale Politie was een crack in het uit de lucht plukken van radiosignalen. Op een dag hoorde hij een gesprek tussen Escobar en een van zijn secondanten. Hij kon de zender traceren en zo kwamen ze Pablo Escobar op het spoor. Martínez vertelde me achteraf hoe hij voor een rijhuis stopte en door het venster Escobar zag telefoneren. In het vuurgevecht dat daarop volgde, werd Escobar doodgeschoten. Daarom zijn de échte helden de inmiddels overleden luitenant Martínez en zijn collega’s van de Colombiaanse Nationale Politie.”

 

Volgens de zoon van Pablo Escobar schoot de drugsbaron zichzelf door het hoofd.

Murphy: “Leugens. Je moet maar eens surfen naar de foto’s die genomen zijn van het lijk van Escobar, niet lang nadat hij was doodgeschoten en op dat dak lag. Ik was de fotograaf. Er wordt beweerd dat hij zichzelf door het oor geschoten zou hebben. Als dat zo was, zou de huid rond het oor brandwondjes moeten hebben. Als je van dichtbij een kogel afvuurt, vliegen er restjes buskruit in je gezicht. Bekijk de foto’s maar eens goed, je zal geen brandwonde aantreffen. Hij pleegde geen zelfmoord.”

Peñas: “Zijn dood zorgde voor een uitbarsting van vreugde, maar ook voor verdriet. Want veel arme Colombianen zagen Pablo paradoxaal genoeg als hun redder. Ik kom er nog regelmatig en zelfs vandaag denken ze met weemoed aan hem terug. Ze geloven dat hij een sympathieke Robin Hood was die stal van de rijken en gaf aan de armen. Maar al zijn zogenaamde goede werken financierde hij met corruptie, drugshandel en moord. Op 27 november 1989 liet hij een passagiersvliegtuig opblazen: 107 passagiers en bemanningsleden vonden de dood. Zo wou hij een paar politie-informanten die aan boord waren uit de weg ruimen. Duizenden onschuldigen vermoordde hij. Erg sympathiek was dat niet.”

 

Steve Murphy & Javier Peña, Manhunters – Onze jacht op Pablo Escobar, Kosmos Uitgevers, 416 blz., 20 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Het leek net een gevangenis’

Vijf weken lang ging journalist Jeroen van Bergeijk undercover in het distributiecentrum van webwinkel bol.com. ‘Met malafide huisvesting van goedkope werkkrachten wordt bakken geld verdiend’

De Nederlandse journalist Jeroen van Bergeijk las ontluisterende verhalen over de arbeidsomstandigheden in de Britse en Amerikaanse magazijnen van webwinkel Amazon. ‘De werknemers staan er onder extreem zware druk’, zegt hij. ‘Zo beschrijft de Britse journalist James Bloodworth in zijn boek Hired hoe ze strafpunten krijgen als ze ziek zijn, te laat komen of hun doelen niet halen. Van zodra ze een bepaald aantal punten verzameld hebben, vliegen ze eruit. Tijdens de werkuren mogen ze zelfs niet naar het toilet, waardoor sommigen noodgedwongen in plastic flessen plassen.’

Die keiharde werksfeer stond haaks op het coole imago dat Amazon bij Van Bergeijk had. ‘Ik bestelde al jaren online boeken bij the world’s largest bookstore. Ik ben ook een regelmatige shopper bij andere webwinkels, net zoals 96 procent van de Nederlanders van vijftien en ouder, en 89 procent van de Belgen.’ In 2018 voerden die Nederlanders 240 miljoen onlinebestellingen in en de Belgen 97 miljoen. In vergelijking met een jaar eerder vertegenwoordigde dat een groei aan online-uitgaven van 19 procent in Nederland en 12 procent in België. ‘Ik vroeg me af wat de gevolgen van onze collectieve verslaving aan internetshoppen zijn voor de werksfeer bij bol.com, “de winkel van ons allemaal”.’

Dus solliciteerde Jeroen van Bergeijk voor een job als magazijnier. Vijf weken lang ging hij undercover in het distributiecentrum van bol.com in het Nederlandse Waalwijk. In zijn boek Binnen bij bol.com brengt hij verslag uit van zijn korte loopbaan bij de webwinkel en van zijn verblijf op vakantiepark De Droomgaard, waar veel Oost-Europese werknemers van het distributiecentrum wonen.

Jeroen van Bergeijk: ‘De voorbije jaren schoten langs de Nederlandse snelwegen de grote anonieme distributiecentra als paddenstoelen uit de grond. Vooral in onze provincies Brabant en Limburg staat het ene raamloze gebouw naast het andere. Het zijn net immense dozen en je kan niet zien wat er binnen gebeurt. In Noordwest-Europa is Nederland kampioen in dat soort distributiecentra. Volgens de laatste tellingen staan er hier 1999 stuks.’

 

België ligt voor grote webwinkels strategisch even interessant als Nederland, en toch delven wij het onderspit. Hoe komt dat?

Van Bergeijk: Omdat jullie lonen hoger liggen, maar ook omdat nachtwerk in België strenger gereguleerd is. ‘Vóór 23.59 uur besteld, morgen in huis’, kunnen Belgische webwinkels veel moeilijker garanderen dan Nederlandse. De flexibilisering van de arbeidsmarkt is bij ons meer doorgeschoten dan bij jullie. Nederland staat traditioneel ook heel sterk in logistiek, transport én in handeldrijven. Internationale bedrijven kiezen daarom vaak voor dit land. Ze bouwen hun distributiecentra aan de Belgische grens om zo ook makkelijk jullie te kunnen bedienen. Volgens de Ecommerce Foundation winkelt liefst 56 procent van de Belgen online over de grens, meer bepaald in Nederland. Het magazijn van bol.com beslaat 42.000 vierkante meter, of acht voetbalvelden, en staat in een bedrijvenpark in Waalwijk, vlakbij de autosnelweg. Het ligt op een boogscheut van de Efteling en een half uurtje rijden van de grens.

 

Het magazijn zelf is toch geen eigendom van bol.com?

Van Bergeijk: Dat klopt, via uitzendkantoor Tempo-Team werkte ik voor Ingram Micro, het bedrijf dat voor bol.com de logistiek verzorgt. En toch blijf ik consequent zeggen: bol.com. Ze nemen er de verantwoordelijkheid niet voor, terwijl ik in de retourafdeling enkel pakjes van bol.com zag passeren. De officiële uitleg voor die opsplitsing is dat bol.com doet waarin het goed is: de webwinkel, en dat Ingram Micro zich bezighoudt met zijn specialiteit: de logistiek.

 

U bent 52 en werd probleemloos aangenomen.

Van Bergeijk: Laat het een geruststelling zijn dat je als werkloze vijftigplusser toch nog bij bol.com aan de slag kunt. Voor ik het goed en wel doorhad, was ik al aangenomen. (lacht) Het uitzendbureau organiseerde in het najaar van 2018 een ‘open dag’ bij Ingram Micro. Ik vond die ‘open dag’ een goede gelegenheid om dat magazijn te verkennen en had niet door dat het in werkelijkheid een sollicitatie was. Na de rondleiding vroegen ze: ‘Wanneer kun je beginnen?’

 

U verdiende 10 euro bruto per uur, 80 cent boven het Nederlandse minimumloon.

Van Bergeijk: Het is slecht betaald werk, in niet al te beste arbeidsomstandigheden. Daarom ook tref je er amper Nederlanders aan.

 

Klopt mijn indruk dat Ingram Micro en bol.com liefst geen Nederlandse werknemers hebben?

Van Bergeijk: Officieel willen ze dolgraag Nederlanders in dienst nemen, de werkelijkheid is anders. Ik stond op twee afdelingen: bij de retouren en orderpicking. Op de afdeling retouren werkten enkel mensen die Nederlands spraken. Zij moesten kunnen lezen waarom mensen een artikel terugstuurden. Maar dat eilandje is niet representatief voor de rest van het bedrijf. De afdeling orderpicking is dat wel: 95 procent is arbeidsmigrant. De meesten komen uit Oost-Europa.

 

Volgens de overheid zorgen flexibiliteit en lage lonen ervoor dat ook laaggeschoolden aan de slag kunnen.

Van Bergeijk: Dat klinkt leuk, maar in de praktijk klopt het niet. Distributiecentra zoals Ingram Micro worden gebouwd op plaatsen die alleen met de auto toegankelijk zijn. De werktijden zijn zo flexibel dat een normaal sociaal leven onmogelijk is. Nederlanders willen daar niet werken. Dus importeren ze goedkope arbeid uit Oost-Europa. Natuurlijk hebben die mensen recht op werk, maar dat was niet de bedoeling van de door de overheid toegelaten flexibiliteit. De uitzendbureaus en de bazen van bol.com beweren dat die arbeidsmigranten na verloop van tijd allemaal terugkeren. Dat blijkt niet uit de statistieken. Een derde keert na zes maanden terug, een derde blijft langer en het laatste derde wil zich hier permanent vestigen.

 

Als die mensen integreren, is er toch geen probleem?

Van Bergeijk: Dat is zo, en in Europa mogen mensen vrij bewegen. Maar toch is er bij de Nederlandse bevolking, en misschien ook bij de Belgische, groeiende bezorgdheid over het aantal Oost-Europeanen dat hier neerstrijkt. Dat kan best ten onrechte zijn, maar een van de redenen waarom Britten voor de brexit stemden, was net de angst voor Oost-Europa. ‘Ze pikken onze banen in.’ Je hoort daar nu ook echo’s van bij ons.

 

U ging in de buurt van Waalwijk op zoek naar een tijdelijke woonst en kwam terecht in een chalet in ‘De Droomgaard’ in Kaatsheuvel, bijgenaamd de ‘bol.com-camping’.

Van Bergeijk: Ik verwachtte de grootste misstanden te zullen aantreffen op de werkvloer, maar dat was minder erg dan gedacht. Het échte schandaal is de huisvesting van de mensen die bij bol.com aan de slag zijn. Het is sowieso lastig om in Nederland een huis te vinden, maar voor arbeidsmigranten is het nog iets moeilijker. Zij komen op de rottigste plekken terecht, zoals aftandse vakantieparken, campings en de zogenaamde Polenhotels. Dat zijn kantoorgebouwen die uitzendbedrijven verbouwd hebben tot tijdelijke woonruimten. De huur wordt door het uitzendkantoor ingehouden van het salaris en met die malafide huisvesting wordt bakken geld verdiend.

Het is een kwalijke zaak dat zowel werk als onderdak geregeld wordt door één en dezelfde partij. De meeste werknemers bij Ingram Micro, maar ook bij vele gelijkaardige distributiecentra, zijn van Poolse origine. Het Nederlandse uitzendbureau heeft in Polen een vestiging en rekruteert mannen en vrouwen met de belofte dat ze in Nederland goed betaald zullen worden. ‘Je zal veertig uur moeten werken en wij zorgen voor een huis.’ Het uitzendbureau huurt vervolgens chalets op een vakantiepark en stoppen die vol Poolse werkkrachten. Van zodra een Poolse werknemer ontslagen wordt, wordt hij onmiddellijk uit zijn ‘huis’ gezet. Veel mensen worden zo dakloos. Wie niet ontslagen wordt, blijft compleet afhankelijk van het uitzendbureau.

 

U schrijft dat er een parallelle, ‘onzichtbare’ samenleving is ontstaan.

Van Bergeijk: Dat is niet alleen zo in Nederland, maar in heel West-Europa. Duizenden Oost-Europese arbeidsmigranten komen in de problemen op het moment dat ze door hun werkgever gedumpt worden en tezelfdertijd hun huis verliezen. Sommigen zaten al in een moeilijke situatie thuis in Polen, maar hier in Nederland zijn ze dan nog eens volledig afgesneden van vrienden en familie.

 

U maakte niet bekend dat u journalist bent. Volgens de journalistieke deontologie is undercoverjournalistiek pas toegestaan als informatie niet op een andere manier verkregen kan worden en het maatschappelijk belang dat verantwoordt. Dat was nu zo?

Van Bergeijk: In principe ben ik het eens met de regel dat je jezelf altijd als journalist bekend maakt. Maar door scha en schande heb ik geleerd dat ik dan niet altijd het hele plaatje krijg. Ik vind het ook belangrijk om iets zelf aan den lijve te ervaren. Zo kan ik een beter verhaal schrijven. Dat lukt alleen undercover. Dit is niet mijn eerste undercoveroperatie; ik was eerder chauffeur bij Uber. Ik solliciteer altijd onder mijn eigen naam en plak geen valse snorren op. Ik laat wel dingen weg uit mijn CV.

 

’s Morgens moest u aan de ingang van het magazijn al uw bezittingen in een kluisje achterlaten en ’s avonds moest u door een bodyscanner.

Van Bergeijk: Je mocht niets mee naar binnen nemen, want al die spullen verkopen zij ook. Geen horloge, telefoon, petje, halsketting, hoofddoek, ring of piercing. We kregen een soort uniform: een zwart T-shirt. De baasjes boven ons droegen een groen T-shirt. De baasjes boven hen hadden dan weer een andere kleur, en zo kon je aan de kleur van het shirt zien wie waar in de hiërarchie zat. Die bodyscanner vond ik vernederend. Ze bespeurden dan een propje papier in je broekzak en vervolgens moest je al je zakken leegmaken. ’s Avonds stonden we voor die controle eindeloos in de rij. Het leek net een gevangenis.

 

Beleefde u zware tijden op de afdeling retouren?

Van Bergeijk: Ik trof daar geen wantoestanden aan zoals bij Amazon. Ik mocht zoveel naar het toilet als ik wou, de werkdruk viel mee en de rechtstreekse bazen waren best aardig. Maar ik stond te kijken van de hoeveelheid pakjes die bol.com terugkrijgt. De klanten retourneren gigantisch veel.

 

Volgens bol.com wordt amper 4,7 procent van de verkochte artikelen geretourneerd.

Van Bergeijk: Mijn ervaring is dat het veel meer is, maar natuurlijk is dat enkel gebaseerd op wat ik op mijn plek te verwerken kreeg. Bol.com beweert dat de meeste geretourneerde goederen zo de schappen weer in kunnen. Dat is niet zo. Ik vond het ontluisterend hoe consumenten op grote schaal de webwinkel proberen tillen, en er nog makkelijk mee wegkomen ook. Binnen dertig dagen mag je elke aankoop terugsturen. Er worden geen vragen gesteld en je krijgt zo je geld terug. Ik trof stofzuigers met propvolle zakken aan. Klanten stofzuigden er een maand mee en stuurden hem net voor de vervaldatum terug. Ik zag schuurmachines vol bouwstof. Er kwamen seksspeeltjes binnen die na intensief gebruik niet gereinigd waren. Of bladblazers in dozen waar de herfstbladeren uit dwarrelden. Ik zou wel eens willen weten wie die mensen zijn.

 

U was één van hen.

Van Bergeijk: Jawel, maar dat was omdat ik niet kon geloven dat je daarmee kon wegkomen. Dus bestelde ik een scheerapparaat bij bol.com, scheerde me daar een week mee, en stuurde het inclusief baardhaartjes terug. Een paar dagen later werd het aankoopbedrag netjes teruggestort. De werkschoenen die ik bij bol.com kocht om bij bol.com te werken, stuurde ik na een maand ook terug. Die werden ook keurig terugbetaald. (lacht)

 

U ging regelmatig bij uw collega ‘Moeilijke Gevallen’ klagen over retouren die er volgens u frauduleus uitzagen, maar u ving bijna altijd bot.

Van Bergeijk: Als je een dure iPhone koopt en een week later het lege doosje terugstuurt, krijg je je geld niet terug. Dat is onbetwistbaar fraude. Maar er waren heel wat grensgevallen die zonder verpinken aanvaard werden. Zo kreeg ik op een dag een speelgoedracebaan op mijn tafel waarin de auto’s van Max Verstappen en Lewis Hamilton de hoofdrol speelden. De doos was gehavend en de onderdelen waren er van ver in gegooid. Het autootje van Max Verstappen ontbrak. Een overduidelijk geval van diefstal vond ik, dus stapte ik naar ‘Moeilijke Gevallen’. Mijn collega checkte de prijs: 44,99 euro. ‘Voor alles onder 50 euro schakelen we de fraudeafdeling niet in’, zei ze. Retour aanvaard en de doos vertrok richting opkoper. Als eerlijke burger vond ik het demotiverend dat mensen daarmee wegkomen.

 

Zowat alle geretourneerde producten verdwijnen richting ‘opkoper’. Wie is dat?

Van Bergeijk: Dat zijn bedrijven, gespecialiseerd in het opkopen van afgeschreven troep van webwinkels. Vandaag is dat aan het uitgroeien tot big business. Nederlanders zijn schaatsgek en van zodra het begint te vriezen bestellen ze schaatsen bij bol.com. Net geen dertig dagen later sturen ze hun schaatsen terug. Het aankoopbedrag wordt teruggestort en de gigantische hoeveelheid flink ingereden schaatsen vertrekt voor een spotprijs richting opkoper. Hij verkoopt ze door via sites als Marktplaats.nl.

Bol.com is niet de enige webwinkel die gratis retourneren aanbiedt. Ze doen het quasi allemaal en het levert onwaarschijnlijk veel verspilling op. Bij sommige winkels wordt de helft, of zelfs meer, teruggestuurd.

 

U wou orderpicker worden, terwijl u het relatief goed had bij de retouren.

Van Bergeijk: Retouren bleek een eilandje te zijn van Nederlanders die het onderling netjes geregeld hadden. Ik merkte dat het er bij orderpicking iets minder leuk aan toeging. Dus deed ik mijn uiterste best om overgeplaatst te worden. Maar dat viel niet mee. Ze vonden het raar dat ik dat per se wou. ‘Orderpicking is toch niets voor jou?’ Uiteindelijk lukte het, en de sfeer was totaal anders. De bazen waren Polen of andere Oost-Europeanen. Er werd keihard gewerkt en de druk lag extreem hoog. Elke dag hingen er lijsten uit met de scores van de vorige dag: hoeveel producten je had ‘gepickt’ en je ratio. Gemiddeld moest je drie items per minuut halen. Bovenaan prijkten altijd Poolse namen, met scores tussen de 3 en de 5. Mijn beste score ooit was 1,4.

 

Hingen daar consequenties aan vast?

Van Bergeijk: Dat vroeg ik aan mijn collega’s. De meeste mensen die er wat langer werkten, haalden hun targets. ‘Je moet wel heel dom zijn als je dat niet lukt’, zeiden ze. Tja, ik haalde ze dus niet. (lacht) Ik heb er niet lang genoeg gewerkt om te weten te komen wat de consequenties zouden kunnen zijn. Het verloop was enorm hoog en er hing een angstige sfeer. ‘Doorlopen, doorlopen, sneller, sneller…’ We wisten nooit van tevoren wanneer en hoe lang we moesten werken. Soms was het van zes tot twee, gevolgd door een dag van twaalf uur. Het werkschema veranderde continu, waardoor je in je privéleven niets meer geregeld kreeg. Op zaterdagochtend wist je pas hoe de volgende maandag eruitzag. Uitblinkers kregen na verloop van tijd een vast contract en een min of meer werkbaar uurrooster, maar zij waren de uitzonderingen. De ‘flexibele schil’ zoals dat in Nederland met een eufemisme heet, is bij bol.com compleet doorgeslagen.

 

Het is het wilde westen?

Van Bergeijk: Ja. De filosofie is: ‘Als morgen de zon schijnt, bestelt iedereen barbecues en hebben we meer mensen nodig.’ Het onlinekoopgedrag is zo grillig dat complete flexibiliteit blijkbaar een absolute noodzaak is. Dat heeft natuurlijk ernstige gevolgen voor de mensen die er werken.

Weet u waar ik me het meest zorgen over maak? Over het feit dat we door de digitalisering nu continu op het werk in de gaten worden gehouden. Als Uber-chauffeur kreeg ik voor elk ritje een beoordeling van de klant. De cijfers die zij me gaven, hadden meteen gevolgen voor mijn inkomen. Toen mijn rating zakte, kreeg ik geautomatiseerde mailtjes van Uber. ‘Als het niet snel beter wordt, mag je vertrekken.’ De klant was mijn supervisor. Ook bij Ingram Micro werd alles geregistreerd en in de gaten gehouden. Het gevolg is dat mensen zich als robotten beginnen gedragen.

 

Wat natuurlijk de bedoeling is.

Van Bergeijk: Precies. Ik begrijp waarom, want alles moet zo efficiënt mogelijk. Het verzenden van een pakje mag zo goed als niets kosten, dus moet er snel en foutloos gewerkt worden. Liefst tegen het laagst mogelijke loon, want de prijs moét gedrukt worden. Ik vraag me alleen af of extreme controle ook echt iets oplevert. De gevolgen voor de werknemers zijn niet van de poes. Ik geloof dat mensen juist beter presteren als ze verantwoordelijkheid krijgen en niet continu op de vingers worden gekeken.

 

Maar het uiteindelijke doel is: ze vervangen door echte robots.

Van Bergeijk: In die fase zijn we inderdaad aanbeland. De kostprijs voor menselijke arbeid blijft min of meer gelijk, die voor robotarbeid daalt. In sommige branches zijn robots inmiddels goedkoper en daar is de vervanging volop bezig. De bazen bij Uber zeggen luidop: ‘Wij werken aan de zelfrijdende auto. Mensen moéten eruit.’ Zo’n samenleving wil ik niet.

 

Jeroen van Bergeijk, Binnen bij bol.com, Querido Fosfor, 136 blz., 15 euro

 

Jeroen van Bergeijk

1967 Geboren in het Nederlandse Naaldwijk

1995 studeert af in sociale geografie, sociologie, communicatiewetenschap en journalistiek

1996-2002 werkt als journalist in New York

2003 debuteert als schrijver met U.S.1 – Amerika na 11 september en maakt sindsdien reportages en documentaires voor de Nederlandse radio en televisie,

2018 ging undercover bij Uber als chauffeur en schreef daarover Uberleven (2018)

 

Bol.com reageert: ‘Veel mensen kiezen bewust voor flexibiliteit’

‘We hebben niets te verbergen’, zegt Marjolein Verkerk, woordvoerster van bol.com. ‘Na zijn undercoveroperatie hebben we met Jeroen van Bergeijk een goed gesprek gevoerd. Hij geeft toe dat de arbeidsomstandigheden veel beter zijn dan hij had verwacht.’

 

Een van zijn bevindingen is dat de flexibiliteit in jullie magazijn doorgeslagen is.

Marjolein Verkerk: Veel mensen kiezen net bewust voor dit werk vanwege de flexibiliteit. Dat is hen op voorhand bekend.

Het fysieke werk in een distributiecentrum is niet hetzelfde als een administratieve kantoorjob. Onze werknemers krijgen geen hogere targets opgelegd dan nodig.

 

Er werken voornamelijk Oost-Europeanen.

Verkerk: Er werken dertig verschillende nationaliteiten. We zoeken eerst altijd mensen die in de buurt wonen. Als dat niet lukt, kijken we verder in Nederland én in België. Pas dan zoeken we in andere delen van Europa. Daar kunnen ook Oost-Europeanen bij zijn. De werknemers in ons magazijn zijn niet in dienst van bol.com. We werken daarvoor samen met Ingram Micro; zij sturen de dagelijkse logistieke operaties aan en zorgen voor alle personeel, waaronder uitzendkrachten.

 

Buitenlandse uitzendkrachten krijgen onderdak op campings?

Verkerk: De huisvesting verloopt via Ingram Micro en de uitzendkantoren. Zij kunnen u meer vertellen over de details. Het kan zijn dat mensen tijdelijke woonruimte krijgen. Dat hangt af van de afspraken die met hen gemaakt worden.

 

Jeroen van Bergeijk noemt het een kwalijke zaak dat zowel werk als onderdak geregeld wordt door één en dezelfde partij. De huur wordt rechtstreeks van het loon afgehouden. Als iemand ontslagen wordt, is hij meteen zijn huis kwijt. Vindt bol.com die regeling oké?

Verkerk: We spreken daar regelmatig over met onze partners én met de gemeente Waalwijk. We vinden het belangrijk dat er bij de huisvesting op een juiste manier met mensen wordt omgegaan. We houden dit dan ook kritisch in de gaten.

 

Volgens Van Bergeijk zorgt het toeschietelijke retourbeleid van bol.com voor verspilling.

Verkerk: Bij ons komen echt maar enkele procenten retour. Maar als je tien miljoen klanten hebt, zijn dat natuurlijk veel pakketten. Gemakkelijk retourbeleid is voor veel mensen een voorwaarde om online te kopen. Naar een fysieke winkel mag je ook producten terugbrengen als je niet tevreden bent. Alles wat bij ons terugkomt, wordt niet verspild en verdwijnt in de voorraad. Dozen die wel zijn opengemaakt, gaan naar een partner die tweedehands verkoopt, of schenken we aan een goed doel.

 

(c) Jan Stevens

“Volslagen eerlijkheid maakt het leven ondraaglijk”

Op zijn 63e debuteert Rik Torfs met de roman ‘Het grote gelijk’, waarin de champagne rijkelijk vloeit en er lust in de lucht hangt. “In een roman mag het wat ruiger en onfatsoenlijker dan in een keurig artikel.”

 

Bang voor de recensies van ‘Het grote gelijk’ is professor kerkelijk recht Rik Torfs niet. “Die zijn toch negatief”, zegt hij met een bulderlach. “Ik maak me daar geen illusies over. Journalisten zullen denken: ‘Nu gelooft Torfs ook nog dat hij romans kan schrijven.’ Ik vind dat niet erg. Ik heb mijn best gedaan en kan mijn werk volledig verdedigen. Anderen hebben het volstrekte recht het niet goed te vinden.”

In ‘Het grote gelijk’ wordt hoofdpersonage Walter Holsters na een lange carrière op christendemocratische kabinetten eindelijk minister. Hij komt op Justitie terecht, niet meteen zijn eerste keuze. Daar erft hij de ‘personal assistant’ van zijn voorganger. Ze heet Ingrid en blijkt de vijftien jaar jongere vrouw te zijn van Holsters’ jeugdvriend Olivier. Meteen bekruipt hem de gedachte: “Ik zou willen dat ze meer van mij was dan ze is.”

Vóór Walter Holsters naar de politiek overstapte, was hij professor aan de universiteit, net als zijn geestelijke vader Rik Torfs. “Collega’s doen er graag gewichtig over, maar het is een gemakkelijke baan”, laat Torfs zijn personage in ‘Het grote gelijk’ zeggen. “Onderzoeksprogramma’s uitschrijven aan de lopende band, papers publiceren die niemand leest. Ik draaide er mijn hand niet voor om. Er bleef veel vrije tijd over.” Holsters vulde die met het opstarten van een bedrijf; Rik Torfs schreef een roman.

 

Waarom debuteert u op uw 63e als romancier?

Rik Torfs: “Vindt u het nog te jong? (lacht) In een roman kun je anders te werk gaan dan in een essay of wetenschappelijk artikel. Het is makkelijker om doorheen de tijd te reizen. Je kunt personages ideeën of visies laten hebben die je in een essay nooit kwijt kan. Het mag wat ruiger en onfatsoenlijker dan in een keurig artikel. Je hoeft als schrijver ook niet achter alle opvattingen van je personages te staan.”

 

Toch zullen lezers denken dat ze via ‘Het grote gelijk’ uw diepste zielenroerselen op het spoor komen.

“Het is geen autobiografisch verhaal, al zitten er wel scènes in uit mijn jeugd. De onderwijzers op de lagere school die tijdens de les sigaretten stonden te roken, bijvoorbeeld. Groene Michel, zonder filter. Dat was stoer, maar ze gingen wel vroeg dood. Ik gebruik persoonlijke ervaringen om het verleden te reconstrueren. Ik schrijf niet over tijdperken die ik enkel ken van horen zeggen. Ik weet dat de jaren vijftig bestaan hebben, maar maakte ze niet bewust mee. Wat zich in het heden afspeelt, is volledig ontsproten uit mijn fantasie.”

 

Niet veel mensen wisten dat u de voorbije twee jaar aan deze roman aan het werken was.

“Ik heb in het verleden wel een paar keer gezegd dat ik dit ooit wou doen. Niemand geloofde me omdat ik zoveel vertel. (lacht) Ik vond het belangrijk om een gedegen Nederlandse uitgever te hebben. Zo ontsnapte ik uit het gemakkelijke sfeertje van het bekende Vlamingen-schap. Tegen mijn redacteur zei ik herhaaldelijk dat hij niet kritisch genoeg kon zijn. Het mocht geen ‘roman van Rik Torfs’ worden. Zoiets lukt veel beter in Nederland.”

 

U schrijft over ‘de lange hete zomer van 1974’. Ik heb het even gecheckt: de zomer van ’74 was eerder koel en nat.

“De zomer van 1976 was heet en lang. Die van ’74 is dat ook in de ervaring van mijn personages. Ik heb die zomer een upgrade gegeven omdat die voor hen een ‘turning point’ is. In 1976 zat ik in het tweede jaar rechten. Ik was bezig aan het examen logica. Tijdens de schriftelijke voorbereiding viel er een zweetdruppel op de blauwe inkt die daardoor werd uitgewist. Dat ene moment zit in mijn geheugen gegrift.”

 

Walter Holsters is een ingenieur. Waarom moest het hoofdpersonage een exacte wetenschapper zijn?

“Ik geloof in de theoretische mogelijkheid dat exacte wetenschappers een brede cultuur bezitten. (lacht) Ik zocht iemand die heel systematisch kan zijn, maar toch genoeg finesse heeft om in de politiek een heerlijk foute rol te spelen.”

 

Een christendemocraat.

“Zeker in de jaren zeventig en tachtig lag het voor de hand dat mensen die macht nastreefden, voor de christendemocratie kozen. Er zijn ooit pogingen geweest van de toenmalige CVP om zelfs Paul Goossens te rekruteren. Ik zie Walter Holsters als iemand die niet de moeite doet om in opstand te komen tegen een systeem. Ik heb veel mensen gekend die ook zo waren. Ze glipten de christendemocratie binnen als technici op kabinetten en werden later minister. Zo zijn er nu nog.”

 

Ze belandden ‘toevallig’ in de politiek, maar waren tezelfdertijd opportunistisch?

“Ja. Ze wisten dat dat niet helemaal koosjer was, maar vonden het net niet fout genoeg om het nog voor zichzelf te kunnen verantwoorden.”

 

Spreekt u nu voor uzelf? Van 2010 tot 2013 zat u in de senaat voor CD&V.

“Nee. Ik had achter de schermen nooit contact met ‘cabinetards’. Dat is ook een van de redenen waarom ik het niet lang in de politiek heb volgehouden.”

 

Zijn de ervaringen van minister Walter Holsters gebaseerd op gesprekken met levensechte ervaringsdeskundigen?

“Het is een mix van observatie en flarden van gesprekken. Maar ik heb nooit iemand rechtstreeks gevraagd hoe het voelt om minister te zijn. Ik sprak wel met hen over wat ze voelden in hun leven, en dan kwam hun ministerschap natuurlijk ter sprake. Walter vond het belangrijker om minister te worden dan om het te zijn; dat is iets wat ik een aantal echte ministers ook heb horen vertellen. Ik heb natuurlijk ook geput uit de periode dat ik rector van de KULeuven was. Net als minister van Justitie Walter Holsters kreeg ik toen heel wat mensen over de vloer met vragen die ik niet kon oplossen.”

 

Zoals de twee Antwerpse onderzoeksrechters die bij Walter Holsters komen klagen. “We verdrinken in het werk”, zegt de ene, en Holsters denkt: “Eerder in de alcohol.” Ze zullen het in Antwerpen graag lezen.

“Ik weet het. (lacht) Walter kan perfect voorspellen wat de onderzoeksrechters zullen vertellen, speelt daarop in en stuurt ze met een dooie mus terug naar huis. Na afloop zijn ze zeer tevreden. Dat is ook de manier waarop een echt politicus mensen afscheept, of de bal zo lang mogelijk in bezit probeert te houden. Walter weet dat ze ooit zullen terugkomen; intussen is hij er een half jaar of langer van verlost.”

 

Wat niet echt verstandig is, want dat komt als een boemerang terug.

“Ja. Nederlandse politici bezondigen zich daar minder aan dan Vlaamse. Onze ministers zeggen niet graag waar het op staat. In plaats van: ‘Ik kan jullie niet helpen’, sussen ze: ‘Ik ben ermee bezig’, of: ‘Ik sta aan jullie kant.’

“Toen ik senator was, zat ik in de commissie Justitie. Daar werden best interessante gesprekken gevoerd. Maar ik heb geen enkele minister van Justitie gekend die erin slaagde de grote hervormingen door te voeren waar hij of zij van droomde. Het is justitieministers Stefaan De Clerck, Laurette Onkelinx, Annemie Turtelboom én Koen Geens niet gelukt. Ze hadden daar gewoon niet genoeg tijd voor. En dan vergeet ik nog ‘witte ridder’ Marc Verwilghen die het na de affaire Dutroux allemaal ging oplossen: hij vertegenwoordigt misschien wel de pijnlijkste mislukking van alle ministers van Justitie. Waarschijnlijk beschikten sommigen onder hen niet over voldoende capaciteiten, maar allemaal moesten ze kampen met die beperkte tijd van een legislatuur. Nu is dat maximum vijf jaar, ooit was het vier. Die korte periode maakt hervormen zeer moeilijk.”

 

Walter Holsters is jaloers op zijn jeugdvriend Olivier die de vijftien jaar jongere Ingrid aan de haak heeft weten te slaan. Zij wordt Walters ‘personal assistent’ en vanaf hun eerste ontmoeting kijkt hij naar haar met begerige blik.

“Mensen die macht verwerven, worden aantrekkelijk. Het klopt dat macht erotiseert, ik heb dat bij veel politici gezien. Ik heb ook gezien hoe serieuze mensen gemakkelijk toegeven aan die erotiserende effecten eens ze macht verwerven, en zich zo in nesten werken. Gelukkig leven wij in een land waar het privéleven van politici niet door de media te grabbel wordt gegooid. Maar soms destabiliseren ze hun eigen bestaan en dat van anderen en richten zo veel verdriet aan.”

 

Later zal Walter door Ingrid beschuldigd worden van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Klopt mijn aanvoelen dat u vindt dat de #MeToo-slinger doorgeslagen is?

“Ik probeer enkel te beschrijven en #MeToo is een van de thema’s van onze tijd. De seksuele vrijheid van zowel vrouwen als mannen moet terecht volledig worden gerespecteerd. Daar bestaat geen discussie over, maar het wordt interessant in de grensgebieden. Ik geef geen details over wat er precies tussen Ingrid en Walter is gebeurd. Dat heeft eigenlijk ook geen belang; de beschuldiging is er en Walter valt uit de lucht. Hij houdt niet van Ingrid; bij hem ging het meer over fysieke drang dan over liefde. In de aanloop naar het incident drinken ze champagne en vertelt Walter haar over een Italiaanse roman die hij in Franse vertaling las: ‘Au feu de Dieu’ van Walter Siti. Ik heb dat boek zelf gelezen. Het hoofdpersonage is Don Leo, een 33-jarige priester die zijn hele leven met pedofiele neigingen worstelt. Meer dan tien jaar geleden beging hij één misstap die hij zichzelf nooit heeft vergeven. Sindsdien ging hij ook nooit meer over de schreef. Tot op een dag een jongen van elf uit een ontworteld gezin hem eerst zijn liefde verklaart en daarna vraagt: ‘Je peux toucher ton zizi?’ De priester schrikt en weigert. De jongen pleegt later zelfmoord. Het Italiaans Cultureel Instituut in Brussel organiseerde in maart vorig jaar een debat over dat boek tussen mij en Walter Siti. De vraag werd toen gesteld: kan het eigenlijk wel dat zo’n jongen van elf het initiatief neemt? Waarop Siti vertelde dat hijzelf als jongen van zestien een bouwvakker van dertig had verleid. Die ‘bekentenis’ veroorzaakte nogal wat opschudding. In mijn boek is de plaats van het debat verhuist naar Parijs en speel ik geen enkele rol, maar is het Walter Holsters die getuige is van Siti’s ontboezeming. Holsters vertelt aan Ingrid hoe Siti forse tegenwind van het publiek kreeg. Dat vond dat een kind enkel slachtoffer kan zijn, nooit dader, omdat de verhoudingen te ongelijk zijn. Treft een minderjarige nooit schuld? Die vraag stel ik, zonder er een antwoord op te geven of een oordeel over uit te spreken. Ik stel ze, omdat het een vraag is van vandaag.”

 

De manier waarop er na het #MeToo-incident met Walter afgerekend wordt, is ook zeer hedendaags.

“Absoluut. Dat is uit het leven gegrepen, met de partijvoorzitter die zijn bezorgdheid over Walter veinst, maar in werkelijkheid enkel aan zichzelf denkt. Vlak nadat Walter door Ingrid beschuldigd is van grensoverschrijdend gedrag, wordt hij gebeld door een krantenjournaliste. Ze duwt hem meteen in het offensief en hij voelt dat hij het niet uitgelegd krijgt. Zijn wanhoop neemt toe.”

 

U klaagt ‘trial by media’ aan?

“Justitie werkt heel traag, maar het nieuws gaat supersnel. Het verschil in snelheid tussen die twee wordt enkel groter. Zo’n schandaal wordt door de media verslagen en ministers moeten aftreden. Soms blijkt dan drie jaar later dat er juridisch niets aan de hand was. Dit is geen verwijt aan de media, maar opnieuw gewoon een vaststelling.”

 

In maart 2017 kwam u als rector ook in het oog van een mediastorm te staan met de affaire rond de problematische klinische studies van topdokter Stefan Van Gool. Heeft die ervaring u geholpen bij het beschrijven van de gevolgen van ongewenste media-aandacht?

“Ik heb daar veel uit geleerd, ook al was het eigenlijk een dossier dat mijn voorganger kende maar nooit gemeld had. Het was de baas van het ziekenhuis die mij inlichtte dat er problemen waren met die studies. Een ontslag om dringende reden kon juridisch niet omdat het dus om feiten ging die al langer bekend waren. We hebben vervolgens een oplossing gezocht en een dading gesloten waarbij de betrokkene een jaar de tijd kreeg om een nieuwe job te zoeken. Ik vond niet dat die man aan de schandpaal moest. Later werd hij daar wel aan genageld, maar niet door mij. Dat namen de media op zich, meer bepaald De Standaard.”

 

Na de berichtgeving over de affaire Van Gool stopte u als columnist voor die krant. Tot nu zijn de plooien niet gladgestreken.

“Ik vind nog altijd dat De Standaard toen in de fout gegaan is en zij vinden nog steeds van niet. Maar ik heb nooit een interview gehad zoals Walter dat in mijn boek moest ondergaan. Het kan gewoon niet dat er een positieve recensie over mijn boek in De Standaard zal verschijnen. Dat is uitgesloten. Kijk, in ‘Het grote gelijk’ reken ik met niemand af, maar ik heb uit al mijn ervaringen wel geleerd om sommige scènes met enige geloofwaardigheid te beschrijven.”

 

Is er een gebrek aan hypocrisie in onze huidige samenleving, waardoor we niets meer van elkaar kunnen verdragen?

“Nee, er is net méér hypocrisie, alleen moeten we ze verbergen. Toen Guy Verhofstadt begin deze eeuw premier was, hielden politici er openlijk een nogal losse levensstijl op na. Het was een decadentere periode, maar het gebeurde niet in het verborgene. Dat was ook zo in de dagen dat schrijver Hugo Claus glorieerde. Seksuele bevrijding voerde de boventoon en Claus veranderde geregeld van huis en vrouw. De tijd was minder hypocriet. Onder druk van de meer rigide moraal worden mensen vandaag gedwongen hypocrieter te zijn.

“Zonder enige hypocrisie wordt het leven onmogelijk. Maar de vraag is: hoeveel hypocrisie hebben we nodig? Totale hypocrisie kunnen we missen als kiespijn, maar volslagen eerlijkheid tegenover iedereen, of zelfs tegenover je eigen partner, maakt het leven ondraaglijk.”

 

Wordt die volslagen eerlijkheid nu van ons geëist?

“Voor een deel wel. Weet u wat ik ontzettend grappig vind? Mannen die plots feminist worden, zoals Alexander De Croo. Ik heb sympathie voor hem en hij is een goed politicus. Maar zou hij zichzelf ook nog uitroepen tot feminist als dat niet van hem verwacht zou worden? (lacht)”

 

Is Rik Torfs een reactionair?

“Ik begrijp uw vraag, maar ik heb altijd alle tijdsgeesten gewantrouwd. De jaren zestig, zeventig, tachtig en negentig hadden elk hun dominante stroming waar je je makkelijk op kon laten meedrijven. Ik ben daar niet tegen, maar vond dat nooit vanzelfsprekend. Dat vind je ook terug in mijn roman. Denk aan Ingrids leraar Nederlands die midden jaren tachtig op een afschuwelijk autoritaire manier de vrijheid van Hugo Claus predikt. Hij is zo autoritair als de pest, terwijl hij zogezegd het tegendeel verdedigt. Ik sta sceptisch tegenover het autoritarisme van elke tijd. Is dat reactionair? Nee, want ik wil niet terug naar een andere tijd. Ja, want elke tijd verdient niet alleen applaus, maar ook kritiek.”

 

Rik Torfs, Het grote gelijk, Van Oorschot, 288 blz., 20 euro

 

(c) Jan Stevens