‘Terrasjesweer is grotere concurrent dan Netflix’

In de jaren voor corona kocht Kinepolis bioscoopketens in Canada en de VS. Niet om de wereld te veroveren, maar uit schrik voor de toestand in Europa. “Vlak na de brexit waren in Frankrijk en Nederland verkiezingen gepland met trends die zorgen baarden”, zegt CEO Eddy Duquenne. “Daarom wilden we naar een ander continent.”

Na maanden van gedwongen coronastilte openden de zalen van de beursgenoteerde bioscoopgroep Kinepolis op 9 juni opnieuw hun deuren. Er volgde geen overrompeling: juni klokte af op de helft van het bezoekersaantal van een gemiddelde junimaand vóór corona. Juli sloot af met 62 procent. Toch is Kinepolis-CEO Eddy Duquenne niet ontevreden. “De occasionele bioscoopbezoeker kijkt nog even de kat uit de boom, maar de cinemafans zijn op de afspraak. Het valt op dat onze klanten in de bioscoopshops meer consumeren dan ooit tevoren. Tijdens de lockdowns gaven ze veel minder uit; nu willen ze hun centen laten rollen. Het gaat om een stijging van 15 tot 20 procent. Niet enkel in België, maar in alle landen waar wij actief zijn.”

Eddy Duquenne begon eind jaren tachtig zijn carrière als loketbediende in een ASLK-bankkantoor in Brussel. “Daar leerde ik met mensen van divers pluimage omgaan.” Later reorganiseerde hij de toerismegroep Sunparks en op 1 januari 2008 werd hij CEO van Kinepolis. Ruim dertien jaar later is hij dat nog steeds.

Adviesbureau PwC berekende dat CEO’s van beursgenoteerde Amerikaanse bedrijven het gemiddeld 5 jaar volhouden. Bazen van grote Britse bedrijven geven er na gemiddeld 4,6 jaar al de brui aan. Wat is uw geheim?

“Misschien dat ik me als CEO enkel en alleen op Kinepolis concentreer? Die eerste jaren moest de onderneming gestroomlijnd worden. Daar bestaan ronkende omschrijvingen voor, zoals: ‘de bedrijfsstrategie optimaliseren’. In essentie kwam het erop neer dat ik snel de touwtjes stevig in handen nam.”

Dat was toen nodig?

“Zeker, want de resultaten stagneerden. Er hing intern een sfeertje van ‘We zijn de beste’, waardoor het bedrijf in slaap gewiegd leek. Geen zelfzekerheid hebben, is problematisch, maar té zelfzeker zijn, is óók een probleem. We begonnen voorzichtig te groeien en over te nemen, eerst in Europa en vervolgens overzee. Bij die overnames hielden we altijd rekening met de verzuchtingen van onze nieuwe werknemers én met de lokale gevoeligheden. Wij vinden het als bedrijfsleiding belangrijk om te luisteren naar de mensen op de vloer. Daar komt bij dat ons hele aanbod cultureel gebonden is. Dan heb ik het niet alleen over de films, maar ook over bijvoorbeeld de producten in onze shops. Ons shopconcept is wereldwijd hetzelfde, maar de snacks verschillen. Spanjaarden zijn bij wijze van spreken verzot op paella en wij op friet; zoiets moet je niet proberen veranderen.”

De essentie van een bioscoop is toch overal al decennia onveranderd? Het is een plek waar mensen samen naar een film kijken.

“Precies. Alleen veranderde door de digitalisering de laatste jaren de dynamiek totaal. Toen het internet nog niet bestond, adverteerden bioscopen wekelijks hun programmatie in De Streekkrant. Die bladzijde werd gretig geconsulteerd. Vandaag zit de hele filmprogrammatie in ieders smartphone. We merken dat ook aan onze onlinetickets: die worden vooral besteld via mobiele toestellen. Die verandering is universeel: ook in Madrid is de smartphone de digitale toegangspoort tot het cinemabezoek.”

Intussen zijn er streamingdiensten zoals Netflix, Amazon Prime Video, Apple TV+ en Streamz. Zij produceren steeds meer films en series die ze ook op hun eigen platformen tonen. Vormen zij vandaag de grootste bedreiging voor de cinema?

“Nee. Onze stichter Albert Bert bouwde eind jaren zestig, begin jaren zeventig van de vorige eeuw de eerste multiplexbioscopen, cinema’s met verschillende zalen. In diezelfde periode brak de kleurentelevisie door. Er werd toen ook verkondigd dat het einde van de cinema nabij was, want voortaan konden mensen thuis voor de buis van hun favoriete films genieten. Bert werd met zijn multiplexen voor gek verklaard. Nu weten we dat hij een visionair was. In 1988 bouwde hij in Brussel Kinepolis, met 25 zalen was dat de allereerste megaplex ter wereld. In mijn jeugd geloofde ik dat Kinepolis een kopie was van een Amerikaanse cinemakathedraal, terwijl het the original is. (lacht)

“Thuis naar films kijken heeft dus altijd bestaan. Alleen werd het steeds makkelijker. Nog niet zo lang geleden ontleenden we cassettes en dvd’s in de videotheek. De beeldkwaliteit van die cassettes was soms ondermaats, wat je van de films op streamingplatformen zoals Netflix niet kunt zeggen. Integendeel.”

Netflix en co. zijn toch van een andere orde dan een videotheek?

“Vooral het lineaire tv-kijken lijdt vandaag onder streaming. Nederland was het eerste Europese land waar Netflix voet aan wal zette. Het platform werd er gelanceerd in september 2013 en één jaar later had een indrukwekkende tien procent van de Nederlandse bevolking een Netflix-abonnement. Dat ging níet ten koste van het bioscoopbezoek. Onze grootste concurrenten zijn niet Streamz of Netflix, maar alternatieven voor een avondje uit, zoals een terras op een zwoele zomeravond.

“Waar ik me wél zorgen over maak, is de nieuwe releasepolitiek die sommige studio’s aan het uittesten zijn. Zo stopte op 1 januari 2020, een paar maanden voor de uitbraak van corona, Disney met films en reeksen op Netflix. Sindsdien biedt de filmproducent zijn content rechtstreeks aan de consument aan op zijn eigen gloednieuwe kanaal Disney+. De marge die ze vroeger aan Netflix gaven, willen ze zelf incasseren. Ze willen zo ook een beter beeld krijgen van hun consumenten. Films die vroeger alleen in de bioscoop gereleased werden, boden ze aan Disney+-kijkers aan voor 30 dollar. Ze doopten dat Premium Video on Demand (VOD). De eerste film in dat nieuwe systeem was Mulan. In juli was ruim een derde van de omzet van het openingsweekend van Marvel-kaskraker Black Widow op rekening te schrijven van Disney+. Dé vraag is: zal Premium VOD veel klanten van ons wegsnoepen en wat zijn op langere termijn de gevolgen voor de hele filmsector?”

Tijdens corona waren de bioscopen wereldwijd dicht. Is het dan niet te begrijpen dat Disney andere manieren zocht om zijn producties op de markt te brengen?

“Natuurlijk, alleen waren ze al aan hun eigen kanaal aan het sleutelen lang voor corona. Nu de coronapandemie dankzij de vaccins min of meer onder controle lijkt, ben ik benieuwd of Disney bioscoopreleases zal blijven omzeilen.

“In normale omstandigheden wil een studio de omzet en de winst van een film maximaliseren. Tot voor de start van Premium VOD van Disney+ kwam een nieuwe film eerst uit in de bioscoop. Anderhalve maand lang kregen wij dan de exclusiviteit. Daarna konden mensen hem huren of kopen, waarna hij te zien was op streamingplatformen. Vervolgens kochten tv-kanalen de film en kon hij gratis lineair bekeken worden. Een succesvolle release in de bioscoop was altijd de motor voor verder succes. In die ‘oude traditie’ kochten mensen eerst een bioscoopticket. Wat zal er gebeuren als een film voortaan tegelijkertijd gereleased wordt in de bioscoop en aan een tarief van 30 dollar op een streamingplatform? Dat is de prijs van twee cinematickets. Dat geld zullen mensen geen tweede keer uitgeven. Zal een film in dat nieuwe systeem nog steeds drie keer verkocht worden? Dat betwijfel ik. Waarom zouden wij dan nog de helft van de ticketprijs doorstorten naar de filmstudio als we toch niet langer de enigen zijn met die gloednieuwe blockbuster?”

Aan de vooravond van corona was Kinepolis zo gezond als een vis?

“Jawel. In tegenstelling tot veel andere grote bedrijven voerden wij altijd een voorzichtig beleid. Onze solide financiële basis kwam er niet vanzelf; daar is hard voor geknokt. We keerden niet al onze winsten in dividenden uit en hielden onze schuldgraad onder controle. Soms lieten we kansen voor grote acquisities bewust links liggen. Want we wilden niet verder springen dan onze stok lang is. Dat klinkt wellicht provincialistisch en braaf, maar die strategie legde ons geen windeieren.

“Een bioscoop lijkt doodsimpel: een filmdoek, popcorn en cola. Maar ik kan u verzekeren: nu pas, na bijna 14 jaar, krijg ik het gevoel dat ik het helemaal snap. Wij voelen meteen wat er leeft in de samenleving. De verkiezing van Donald Trump tot president had een negatieve impact op Amerikaanse blockbusters. Vroeger vonden we Amerikaanse films tof; tijdens Trump toch wat minder. De interesse voor lokale films is dan weer zeer groot. Volgens mij is dat een gevolg van de naweeën van de globalisatie. Want die maakte ook veel slachtoffers. Als reactie daarop plooien mensen zich terug op hun eigen omgeving.”

Intussen werkte Kinepolis wel volop aan internationale expansie. In het najaar van 2019 namen jullie nog de Amerikaanse bioscoopgroep MJR Digital Cinemas over, na de overname in 2017 van Landmark Cinemas, Canada’s tweede grootste bioscoopgroep.

“We trokken naar Canada en Amerika omdat we niet al onze eieren in de mand Europa wilden leggen. We namen die beslissing onmiddellijk na de brexit. Er waren toen in Frankrijk en Nederland verkiezingen gepland met trends die zorgen baarden. Daarom wilden we naar een ander continent.”

Jullie trokken overzee omdat jullie zich zorgen maakten over Europa?

“Toen meer dan nu. We kregen signalen van investeerders dat er veel angst heerste over de macroeconomische toestand in Frankrijk en Italië. Ik heb het gevoel dat die dreiging vandaag ietwat weggeëbd is. Kinepolis was vroeger alleen actief in België, Nederland, Frankrijk en Spanje. We hadden enkel een zuidflank. Maar over de hele wereld geldt: hoe zuidelijker, hoe macroeconomisch instabieler; hoe noordelijker, hoe stabieler. De Europese noordflank is Scandinavië; de Amerikaanse bestaat uit de VS en Canada. Canada heeft een sterk groeiende populatie en een immigratie gericht op kansen geven en nieuwe mensen laten bijdragen aan de samenleving. De koopkracht groeit er, wat allemaal zeer positief is voor het bioscoopbezoek.”

Moesten jullie tijdens de coronasluiting overheidssteun vragen?

“We moésten dat niet, maar als we voor overheidssteun in aanmerking kwamen, vroegen we die wel aan. Anders liepen we competitief nadeel op. We doken de crisis in met een relatief lage schuldgraad en flink wat geld in kas. Dat was onze zuurstoffles om de pandemie te overleven.

“Direct en indirect werken er ongeveer 5000 mensen voor Kinepolis. Onze eerste bekommernis was hen in een veilige haven loodsen. Even hielden we geen rekening met onze aandeelhouders. De overheden hadden in het begin amper regelingen klaar, wat geen kritiek is op hoe ze ons door de coronastorm geleid hebben. Want net als wij waren ze totaal verrast.

“De Spaanse overheid kon de golf economisch werklozen als gevolg van de lockdown niet aan. De administratie hinkte hopeloos achterop, waardoor onze werknemers er de eerste maanden geen werkloosheidsvergoeding kregen. Wij beslisten toen om vakantiegeld vooruit te betalen. In Amerika bleven we de ziekteverzekeringen van onze werknemers doorbetalen. De Nederlandse en Canadese overheden keerden geen werkloosheidsvergoedingen uit. Ze vroegen de ondernemers om hun medewerkers aan boord te houden en te blijven betalen. In ruil subsidieerden ze de loonkost.”

Wat was de beste maatregel? Onze tijdelijke werkloosheid of de subsidieregeling van Canada en Nederland?

“In Canada en Nederland bleven werknemers tijdens de lockdown hun volledige loon ontvangen. Ik hoorde dat na de herneming sommigen ‘teleurgesteld’ waren: ‘Oei, is het nu al voorbij?’ Bij ons ontvingen werknemers 70% van ‘een gemiddeld geplafonneerd loon’. Zij voelden de lockdown in hun portemonnee en waren blij dat ze eindelijk terug aan de slag konden.”

Ooit zal al die overheidssteun op een of andere manier terugbetaald moeten worden?

“Ongetwijfeld, al is daar voorlopig weinig aandacht voor. We beginnen die trouwens nu al terug te betalen, door de fel aanwakkerende inflatie. Want bij de heropstart van de economie is er plots veel vraag en schieten de prijzen van goederen en diensten als een speer de hoogte in.

“Maar er komt zeker nog wat op ons af. Ik hoop dat we dan verstandig zullen handelen. De belastingen verhogen in een land dat onder zware belastingdruk gebukt gaat, lijkt mij niet de meest aangewezen weg. Dan leggen we onze economische motor stil en raken we nog verder van huis.”

Klopt het dat in 2020 de acht bestuurders van Kinepolis 20 procent van hun vergoeding moesten inleveren vanwege de coronacrisis? En dat een derde van uw salarispakket van dat jaar pas later uitbetaald zal worden?

“Dat klopt. Die inlevering was niet bedoeld om het bedrijf te redden, maar om onze solidariteit met onze medewerkers te tonen. Tijdens de lange coronasluiting gingen we trouwens niet bij de pakken zitten. We maakten er gebruik van om de strategie van onze onderneming onder de loep te nemen. In Amerika en Europa neemt sinds de Tweede Wereldoorlog het bioscoopbezoek langzaam af. Dat heeft veel te maken met het stijgend aantal andere avondjes uit. De cinema is ‘the cheapest night out’, die mensen zich het snelst kunnen veroorloven. Je ziet dat ook in opkomende economieën, zoals China. Hoe meer de welvaart toeneemt, hoe meer duurdere alternatieven voor de bioscoop mogelijk worden. Samen naar de film is een sociale gebeurtenis, net als met het hele gezin op restaurant gaan. Alleen is dat laatste veel duurder. In mijn jeugd gingen mijn ouders maximaal een keer of vier per jaar uit eten. Vandaag trekken zeer veel mensen wekelijks naar een restaurant. Voor een deel gaat dat ten koste van het cinemabezoek: jaarlijks neemt ons bezoekersaantal gemiddeld met 0,3 tot 0,5 procent af. Wij proberen dat te counteren door met slimme interventies de omzet per klant lichtjes te verhogen. Elk jaar opnieuw denken we daar samen met onze mensen op de werkvloer over na. Toen corona uitbrak en het land in lockdown ging, groeide het besef dat we dat dalende bezoekersaantal een paar jaar lang gewoon zouden moeten incasseren. Daarom rustten we tijdens de lockdown niet op onze lauweren en brainstormden we over hoe we onze cinemabeleving nóg kunnen verbeteren. Wist u dat we een bonus van 1000 euro bruto aan werknemers betalen die met een nieuw idee afkomen dat totaal de mist ingaat? ”

Waarom?

“Kinepolis wil een zelflerende organisatie zijn en zo stimuleren wij onze medewerkers om mee na te denken over verbetering. Ideeën die wél lukken, krijgen natuurlijk een hogere bonus. Door ook de mislukkingen te belonen, snijden we mopperkonten à la Statler & Waldorf de pas af. Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat sinds de uitbraak van corona dit bonussysteem on hold staat.”

Komen er veel ideeën van op de werkvloer?

“In normale tijden wel. Tijdens de coronalockdown werkten we voornamelijk met ons managementteam aan een zeer ambitieus entrepreneursplan. Wat er allemaal uit de bus kwam? Dat mag ik u op dit moment nog niet vertellen. (lacht) Heel wat nieuwe ideeën en plannen hebben te maken met het contact met onze klanten en met informaticatoepassingen.”

Bij veel van uw collega’s uit de cultuursector klonk er tijdens de lockdown nogal wat gemor. Ze voelden zich niet gehoord door de overheid.

“Cultuur en enterainment zijn natuurlijk de sectoren bij uitstek die mensen samenbrengen. Ze werden door Corona midscheeps geraakt. De overheid nam beslissingen gebaseerd op de inzichten van het moment. Als u ons zou vragen of wij met de kennis die we nu hebben op dezelfde manier door de storm zouden varen, is het antwoord wellicht: ‘Ja.’ Al was die hele gezondheidscrisis ook voor ons een leerproces. Als er binnen afzienbare tijd terug een lockdown afgekondigd wordt, weten we aan welke knoppen we moeten draaien. Bij de allereerste lockdown zochten we die in het donker op de tast.”

Heeft corona de samenleving ingrijpend veranderd?

“Ik denk het niet. Een aantal trends zijn wel versneld, zoals bijvoorbeeld online winkelen. En Netflix zal meer abonnees hebben. Maar fundamenteel is er niet veel veranderd. De mens is een gewoontedier. Ik was altijd een tegenstander van thuiswerken. Mijn motto was: ‘If you care, be there.’ In mijn hele loopbaan vóór corona werkte ik misschien drie dagen thuis. Nu werd ik verplicht om te telewerken en in het begin liep mijn koffiepauze hopeloos uit. Want dan zat ik gezellig in de keuken te kletsen met mijn vrouw. (lacht) Na een tijdje kreeg die koffiepauze vanzelf weer een normale lengte.

“Ikzelf heb het met dat thuiswerk eerlijk gezegd intussen wel gehad. Ik kwam deze zomer van vakantie en verlangde hevig naar het kantoorleven. 1 september starten we terug op kantoor en ik kijk er naar uit om opnieuw mensen te ontmoeten.”

Thuiswerken gaat bij Kinepolis op de schop?

“Toch niet, want sommige taken kunnen wel degelijk thuis verricht worden en telewerk zet een rem op nodeloze verplaatsingen. Voor corona reisde ik één keer per maand naar Canada en de VS. Elke maand was ik een week weg, wat neerkomt op een kwart van mijn tijd. Dat koste veel geld en leverde me telkens weer een jetlag op. Tijdens corona ontdekte ik Zoom. Die videogesprekken met onze mensen overzee verliepen zeer vlot. In de toekomst zal ik dus minder reizen.”

Is dat ook uit bekommernis over de klimaatverandering? De gevolgen daarvan zouden wel eens veel ingrijpender kunnen zijn dan corona.

“We zijn ons daar bij Kinepolis erg van bewust. Wij waren de eerste bioscoop die het afval van de klanten selectief inzamelde. We filmden onze bioscoopzalen met warmtecamera’s om te achterhalen waar er energie verloren gaat en waar er extra geïsoleerd moet worden. We lieten onze warmtesystemen afstellen op de zaalbezetting. Maar we willen nóg een tandje bijsteken en onze mensen betrekken bij hoe we impact kunnen hebben op de samenleving en onze ecologische voetafdruk nóg kunnen verkleinen. Want we willen dat zij zich in de duurzaamheidssfilosofie van Kinepolis herkennen.”

Wat is de laatste film die u in een cinemazaal zag?

Cruella. Ik zag ook Drunk, de openingsfilm van het laatste Gentse filmfestival. Daar heb ik van genoten. De eerstvolgende film op mijn lijstje is The Ice Road van Jonathan Hensleigh. En ik kijk heel erg uit naar de langverwachte nieuwe James Bond No time to die.”

Gaat u soms ‘incognito’ in één van uw eigen cinemazalen zitten?

“Te weinig. In je eigen zalen zie je als bioscoopuitbater altijd wel iets dat stoort. Zo wordt het snel weer werk. Je kan dan beter naar de film gaan bij de concurrentie. Als er daar dan iets misgaat, is er geen ergernis, maar hooguit mild leedvermaak. (lacht)”

© Jan Stevens

‘Altijd lopen we één ramp achter’

De aarde was al eerder in de ban van een klimaatverandering. In de 17e eeuw daalde de temperatuur met 2°; de gevolgen waren desastreus. In Wereldcrisis houdt historicus Geoffrey Parker ons een spiegel voor. ‘We hebben niets van de geschiedenis geleerd.’

Vijftien jaar werkte de Brits-Amerikaanse historicus Geoffrey Parker aan het vuistdikke Wereldcrisis. ‘De kiemen voor mijn boek liggen in de jaren 1970’, zegt hij. ‘Op de radio hoorde ik een interview met zonne-astronoom John “Jack” Eddy. Hij had net in Science een artikel gepubliceerd over de afwezigheid van zonnevlekken in de 17e eeuw. Hij had vastgesteld dat tussen 1645 en 1715 de zonneactiviteit zeer laag was, met weinig zonnevlekken als gevolg. Eddy concludeerde dat die afname in zonneactiviteit verantwoordelijk was voor de lagere temperaturen op aarde, voor de 17e-eeuwse zogenaamde “kleine ijstijd”. Die benaming was al in de jaren 1930 bedacht door de Nederlands-Amerikaanse geoloog François-Émile Matthes.’

In de jaren 1950 omschreven historici de 17e eeuw als het tijdperk van ‘de algemene crisis’. ‘Dat was een verwijzing naar hoe het de mensen was vergaan. Toen ik Jack Eddy op de radio hoorde, wist ik dat Europa in de 17e eeuw geteisterd werd door opstanden, maar had ik geen idee dat ook China en India door hetzelfde soort geweld getroffen waren. Het duurde nog tot 1998 vooraleer ik over die link tussen klimaatverandering en geweld begon te schrijven.’

Geoffrey Parker doorploegde archieven in Amerika, Europa, Azië en Afrika, op zoek naar sporen van de gevolgen van de 17e-eeuwse globale afkoeling. In 2013 verscheen de eerste editie van Global crisis. Vier jaar later volgde een hernieuwde versie en begin september ligt Wereldcrisis, de eerste Nederlandse vertaling, in de boekhandel.

Nu warmt de aarde op, maar in de 17e eeuw koelde ze met gemiddeld 2° Celsius af.

Geoffrey Parker: Klimaatverandering is iets van alle tijden. Waarschijnlijk vond dat al eens plaats tussen de 4e en 5e eeuw na Christus, met de val van het Romeinse Rijk en de Chinese Hang-dynastie als gevolg. Alleen is er niet veel bronnenmateriaal overgebleven. De klimaatverandering van de 17e eeuw werd wel goed gedocumenteerd. De archieven van steden, gemeenten en in bibliotheken bevatten veel interessante documenten over hoe het de mensen van toen verging. Op de site van de Amerikaanse National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA) vond ik dan weer ontzettend veel informatie over het klimaat van toen. NOAA zet alle ontdekkingen van paleo-archeologen online. Zo is uit de jaarringen van bomen heel wat over de evolutie van het klimaat af te leiden. Als geschiedenisprofessor ben ik verbonden aan de universiteit van Ohio. Zij huisvest het Byrd Polar and Climate Research Center waar wetenschappers gletsjers onderzoeken. Aan de hand van hun data was het mogelijk om het verloop van de kleine ijstijd van de 17e eeuw te reconstrueren.

U bent een van de eerste historici die de 17e-eeuwse klimaatverandering koppelt aan het vele geweld?

Parker: Wellicht ben ik de eerste. De meeste historische studies over de kleine ijstijd omschrijven enkel de gevolgen voor de natuur van de temperatuurdaling van 2°. De link tussen de klimaatverandering en het menselijke bestaan werd zelden gelegd. De 19e-eeuwse Engelse filosoof William Whewell bedacht de term ‘consilience’, wat zoveel betekent als ‘samenvloeien’, als het samenbrengen van humane en natuurlijke archieven. Dat is precies wat ik in Wereldcrisis in de praktijk breng. Dat staat haaks op het door de Duitse historicus Franz Mauelshagen uitgevonden neologisme ‘peccatogenic’ of: het beschouwen van rampen als een straf van God voor ons zondige leven. (lacht) Veel Amerikaanse evangelische christenen zijn er rotsvast van overtuigd dat de huidige klimaatverandering Gods toorn is. In de 17e eeuw overheerste datzelfde geloof.

Door historische archieven te vermengen met de klimaatdata komt u tot de conclusie dat de vele opstanden en oorlogen van de 17e eeuw een rechtstreeks gevolg waren van de klimaatverandering?

Parker: Als wetenschapper moet je altijd voorzichtig zijn met het trekken van conclusies. In het Wilde Westen was er de uitdrukking: painting bull’s eyes around bullet holes, stierenogen rond kogelgaten schilderen. Je kunt als historicus dus niet zomaar een verband leggen tussen twee gebeurtenissen die zich min of meer gelijktijdig afspelen. Je moet dan echt op zoek naar hoe het ene het andere in gang zette. In dit geval: hoe een daling van 2° Celsius de oogsten drastisch verstoorde, waardoor er hongersnood uitbrak en mensen in opstand kwamen. Je moet een glasheldere koppeling vinden. Die vond ik bijvoorbeeld in Noord-Ierland. Daar brak in oktober 1641 een grote opstand uit die in oorlog eindigde. De rebellie kwam er nadat de oogst drie keer was mislukt. Die misoogsten waren dan weer een gevolg van extreem koud weer, met overvloedig veel sneeuw en ijs. Dat weten we omdat meer dan 3000 protestanten die de zogenaamde Ierse Opstand overleefden, daar later uitvoerig voor rechters over getuigden. In totaal bleven 20.000 bladzijden met hun getuigenissen in de bibliotheek van Trinity College in Dublin bewaard. Ze vertellen over de extreme koude die een deel van hun familie doodde en over gewelddadige katholieken die een ander deel vermoordden.

Een gelijkaardig scenario speelde zich toen over de hele wereld af?

Parker: Ik stelde zowel in Europa, Amerika, Azië en Afrika dezelfde fenomenen vast, alleen kon ik het achterliggende mechanisme niet altijd bewijzen, zoals dat wel lukte in Ierland. Maar wereldwijd waren er de opeenvolgende extreme winters en de mislukte oogsten. Overal was er hongersnood, buitensporig geweld, opstand en oorlog. Alleen was het soms moeilijk om de juiste chronologie in kaart te brengen: wat was er eerst en wat volgde uit welke gebeurtenis?

Het was toen toch niet overal kommer en kwel? De 17e eeuw geldt in Nederland als ‘de gouden eeuw’.

Parker: Het was toen geen gouden eeuw voor elke Nederlander. Een stad als Amsterdam floreerde, maar streken als Friesland of Gelderland werden verscheurd door opstand. De Republiek der Verenigde Nederlanden kreeg twee grote oorlogen te verwerken: de eerste in 1618 en de tweede in 1672. In 1650 was het kantje boordje. Ik denk niet dat veel 17e-eeuwse Nederlanders geloofden dat ze gouden tijden beleefden. Integendeel. Veel later pas werd dat etiket erop gekleefd.

De oorlogen vloeiden voort uit de hongersnoden?

Parker: Als je van de honger vergaat, heb je drie alternatieven. Ofwel sterf je, ofwel probeer je voedsel van de rijken te pikken, ofwel verhuis je naar een plek waar het beter is. De tweede optie heet opstand of revolutie, de derde migratie. Precies dat speelt zich op dit moment in Oost-Afrika af.

De geschiedenis herhaalt zich?

Parker: We hebben niets van de geschiedenis geleerd. We weten dat er nu ook een klimaatverandering bezig is en dat er op sommige plekken in de wereld hongersnood dreigt. Toch vertikken we het om ons daar fatsoenlijk op voor te bereiden. Natuurlijk is het moeilijk te voorspellen waar de hongersnood keihard zal toeslaan, al maakt Oost-Afrika met zijn ligging vlakbij de evenaar en zijn gebrek aan regen veel kans. Waarom bouwen we daar nu geen loodsen vol voedsel en zorgen we niet voor reservoirs vol drinkwater? Altijd lopen we één ramp achter.

Een groot verschil met de 17e eeuw is dat we ‘onze’ klimaatverandering zelf veroorzaakt hebben.

Parker: Voor een groot deel is dat ongetwijfeld waar. Al maakt het eigenlijk niet uit wat aan de oorsprong ligt van de huidige opwarming. We wéten dat het aan het gebeuren is en toch grijpen we niet echt in. We zouden ons nu volop moeten voorbereiden op de extreme weersomstandigheden die met deze klimaatverandering gepaard gaan. Want ook Nederland en België moeten zich geen illusies maken: het water zàl komen. Alleen is onduidelijk wanneer en hoe. Ik weet dat België, net als Nederland, aan de infrastructuur werkt om acute stormschade af te wenden. Maar wordt er ook nagedacht over hoe natuurrampen in de verdere toekomst vermeden kunnen worden? Het monster van de klimaatverandering ís gecreëerd. We moeten er nu alles op inzetten om het onder controle te houden.

Want als we niet oppassen eindigen we in een ‘algemene crisis’ zoals in de 17e eeuw? U noemt die eeuw: ‘Het tijdperk van de soldaten.’

Parker: Het kan inderdaad zo eindigen. In de 17e eeuw stierven tientallen miljoenen mensen aan de gevolgen van de globale afkoeling. Het is moeilijk om het correcte aantal te bepalen. Er zijn geen algemene cijfers voorhanden, maar er is wel informatie over bepaalde gemeenschappen en steden. Zo bleven er uitstekende registers bewaard van Île-de-France, de regio rond Parijs. Daaruit kon ik afleiden dat rond 1640 één derde van de totale bevolking het loodje legde. In sommige gebieden met bewaard gebleven archieven was het minder, in andere meer. Bij schrijvers uit die tijd vond ik dezelfde schatting van één derde van de populatie terug. Vandaag leven er op onze planeet ruim 7 miljard mensen. Stel je voor dat één derde daarvan gedood wordt als gevolg van extreme weersomstandigheden, hongersnoden, opstanden en wapengekletter.

Japan was het enige land in de 17e eeuw waar de mensen niet verhongerden of elkaar continu te lijf gingen. Werden zij dan niet geplaagd door strenge winters?

Parker: Toch wel: ook zij gingen gebukt onder extreme kou met catastrofale misoogsten. Maar de Japanners leden minder erg dan tijdgenoten uit andere landen. Dat was de verdienste van de autocratische shoguns van de Tokugawa-familie die van 1600 tot 1867 over Japan heersten. Ze waren vooruitziend en lieten over het hele land veel grotere graanschuren bouwen. Ze namen ook draconische maatregelen: de vrije meningsuiting werd aan banden gelegd, net als de godsdienstvrijheid. Wapenbezit werd het monopolie van de staat. Handelaars die graan achteroverdrukten, werden onthoofd. De Tokugawa-shoguns verplichtten alle notabelen en magistraten om hun keiharde beleid nauwgezet na te volgen. Zij moesten er alles op inzetten om oorlogen te vermijden. Op een bepaald moment kwamen de Nederlandse heren van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) bij de shogun langs. ‘De Spanjaarden zitten in het nauw. Laat ons nu samen de Filippijnen inpikken.’ Shogun Tokugawa Ieyeasu antwoordde: ‘Schitterend idee, maar mijn onderdanen sterven en alles is bevroren. Deze keer pas ik.’ Daarna kwamen de Chinese heersers van de Ming-dynastie langs. ‘De Manchu-krijgers zijn net als de Mongolen. Als we niet oppassen, nemen ze bij ons de macht over. Het volgende land op hun lijstje wordt zeker Japan. Kom ons alsjeblieft nu helpen om hen te verslaan.’ Shogun Tokugawa Iemitsu antwoordde: ‘Schitterend idee, maar mijn onderdanen sterven en alles is bevroren. Ook ik pas.’ (lacht) Japan hield zich bewust ver weg van het oorlogsgewoel. De shoguns namen vaak juiste beslissingen, alleen gingen die ten koste van zeer veel vrijheid.

Het autocratische systeem heeft Japan gered?

Parker: Zonder twijfel. De Tokugawa’s waren geen vredelievende jongens. Enkel vanuit egoïsme en eigenbelang redden ze hun land. Hongerdoden waren niet goed voor de staat. Met hun ingrijpende maatregelen stelden de shoguns hun inkomsten veilig. Vandaag stel ik mijn hoop op de verzekeringsgiganten. Ik ben er zeker van dat zij onze verkozen leiders onder druk zullen zetten om écht in te grijpen. Want zij willen niet ten onder gaan aan schadeclaims die het gevolg zijn van de door de globale opwarming veroorzaakte natuurrampen.

Voorlopig zijn we nog niet bereid vrijheid op te offeren in ruil voor harde, noodzakelijke ingrepen. Ontstellend veel Amerikanen zijn bang van de federale overheid. Ze weigeren alle bemoeienis en verhinderen zo dat er preventieve maatregelen genomen worden. Terwijl de federale regering de enige is die in deze materie kan ingrijpen. Sommigen verenigen zich in zwaarbewapende milities, meestal van extreemrechtse signatuur. Ze zijn erg naïef en geloven dat ze met hun AR-15 semi-automatische geweren een tank kunnen stoppen. Dat maakt de dreiging van een burgeroorlog zeer reëel.

Tijdens de coronacrisis lieten we onze vrijheid toch aan banden leggen? Er werden lockdowns uitgevaardigd, grenzen gesloten, avondklokken ingevoerd en een mondmaskerplicht opgelegd.

Parker: In het begin van de crisis misschien wel, maar hoe langer die duurde, hoe meer er onder druk van de bevolking werd versoepeld. Tenminste toch in de Verenigde Staten.

De vorige president Donald Trump minimaliseerde heel lang de gevaren van het virus.

Parker: Laten we het over die man maar niet hebben. De geschiedenis zal later over hem oordelen.

Hoe zal de geschiedenis over de huidige coronapandemie oordelen?

Parker: Nu is dat een grote gebeurtenis, maar binnen een eeuw is het misschien niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis. Kijk naar hoe het de zogenaamde Spaanse Griep vergaan is. Eigenlijk was dat de Amerikaanse Griep, want ze brak in januari 1918 uit in Kansas. Het werd ‘Spaanse Griep’ omdat Spanje het enige land was dat de statistieken over de pandemie niet censureerde. Frankrijk, de VS, Groot-Brittannië, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, landen in oorlog, weigerden hun cijfers vrij te geven. Ze waren bang dat hun vijanden zouden denken dat ze zwakke naties waren. Spanje vocht niet mee en rapporteerde kollosaal veel overlijdens. De totale dodentol wereldwijd wordt geschat op 50 miljoen. Toch verdween die Spaanse Griep uit ons collectieve geheugen. Zonder covid had het voorbije anderhalf jaar niemand er aandacht aan besteed.

Toen u in 1998 aan Wereldcrisis begon, was onze huidige klimaatverandering ook geen gespreksonderwerp.

Parker: Die was enkel voer voor sommige wetenschappers. Hoe langer ik aan mijn boek werkte, hoe relevanter het onderwerp werd. In 2012 waren er presidentsverkiezingen: Barack Obama nam het op tegen Mitt Romney. Obama had het tijdens die campagne even over de opwarming van de aarde. Een krant schreef: ‘Waarom haalt hij zo’n totaal onbeduidend onderwerp van stal?’ Waarna in oktober van datzelfde jaar superstorm Sandy over het land raasde. Het scheelde geen haar of New York was totaal vernield. Daarna kantelde de discussie en werd klimaatverandering wél ernstig genomen. Orkaan Katrina werd in 2005 door veel Amerikanen nog beeschouwd als een probleem van New Orleans. Ze zagen het als iets ‘peccatogenic’, als de wraak van God voor het liederlijke leven van de inwoners van die stad. (lacht) De LGBTQ-gemeenschap was zich net aan het voorbereiden op de Gay Pride en Katrina stak daar een stokje voor. Een presbyteriaanse dominee jammerde: ‘Dit is Gods straf.’

Doorheen onze geschiedenis lijken we te denken dat rampen alleen anderen overkomen. Of dat ze ons niet nu te grazen zullen nemen. We leven in een vreemde staat van ontkenning. We geloven dat we aan de vreselijke gevolgen van de klimaatverandering zullen ontsnappen, of dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen. Terwijl het overdonderende wetenschappelijke bewijs ons een compleet ander verhaal vertelt. Nu al worden we geconfronteerd met ingrijpende fenomenen, zoals de recente hittekoepel boven delen van Canada en de VS. De poolkappen smelten, de zeespiegel stijgt en dat zal alleen maar versnellen. Intussen steken we onze kop in het zand. Tot het water onze huizen binnendringt.

Geoffrey Parker

  • 1934 geboren in Nottingham, Engeland
  • Studeerde geschiedenis in Cambridge, waar hij doctoreerde en vanaf 1968 doceerde
  • Is als militair historicus gespecialiseerd in de vroegmodere tijd
  • 1993 – 1996 professor geschiedenis aan de universiteit van Yale
  • 1997 werd geschiedenisprofessor aan de universiteit van Ohio
  • Het vorig jaar verschenen Keizer Karel V geldt als de ultieme biografie van de keizer

Geoffrey Parker, Wereldcrisis, Omniboek, 672 blzn., 39,99 euro, verschijnt begin september

© Jan Stevens

‘We werden heel vaak aan ons lot overgelaten’

Schepenen van Onderwijs Elke Decruynaere (Groen) en Jinnih Beels (Vooruit) ervoeren het voorbije coronaschooljaar als ‘heftig’. “Zeer vaak werden we aan ons lot overgelaten.”

Elke Decruynaere is bezig aan haar tweede ambtstermijn als Gentse schepen van Onderwijs. Jinnih Beels werd voor het eerst Antwerpse schepen van Onderwijs na de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. “We spreken elkaar regelmatig”, zegt Beels. “Als grootsteden worstelen we met dezelfde problemen”, vult Decruynaere aan. Voor het eerst worden ze samen geïnterviewd. Plaats van afspraak: het Casino-park in Sint-Niklaas, tussen Antwerpen en Gent. Elke Decruynaere en Jinnih Beels zetten meteen de puntjes op de i. “We zijn niet enkel schepenen van Onderwijs, maar ook van Jeugd.”

Waren jullie zelf vragende partij om die bevoegdheden te combineren?

Jinnih Beels: “Dat is mij zo aangeboden en ik vond dat heel mooi. Veel te lang dachten we dat er enkel op school bijgeleerd kon worden, maar jongeren ontwikkelen ook in hun vrije tijd vaardigheden. Ik combineer in Antwerpen als eerste Onderwijs en Jeugd.”

Elke Decruynaere: “Ik was in 2013 in Gent de eerste schepen met de bevoegdheden Onderwijs, Jeugd en Kinderopvang. In deze tweede legislatuur komt daar Outreachend Werk bij, met onder andere straathoekwerk. De Vlaamse regering lanceerde onlangs nog een oproep om de grens tussen kinderopvang en kleuteronderwijs minder hard te maken. In Gent vinden we al langer dat ze eigenlijk een synergie vormen.”

Beels: “Kinderopvang zit bij N-VA-collega Nabilla Ait Daoud. Zij had daar in de vorige legislatuur veel in geïnvesteerd; ik kan goed begrijpen dat ze dat niet zo graag uit handen geeft.”

Decruynaere: “Dat begrijp ik ook. Het grote voordeel van een gemeentebestuur is dat het zes jaar de tijd krijgt om een beleid op de sporen te zetten. Als je er dan als schepen van Onderwijs nog eens zes jaar kunt bijdoen, overspan je bijna evenveel tijd als drie Vlaamse ministers van Onderwijs. (lacht) Dan heb je écht impact.”

Hoe hebben jullie het voorbije coronajaar ervaren?

Decruynaere: “Heftig. Als schepen zit je sowieso dicht bij de mensen op de werkvloer. Vooral voor hen was het voorbije anderhalf jaar een hevige rollercoaster. Een schepen van een grootstad heeft meer mogelijkheden om beleid te voeren dan een schepen van een kleinere gemeente. De schaal waarop wij werken is nu eenmaal veel groter. De voorbije coronaperiode vergaderde ik elke week virtueel met ons kernteam onderwijs. Daar zitten vertegenwoordigers in van de scholen en de lokale CLB’s, maar ook iemand als Petra Schelstraete, afdelingshoofd kinderlong- en infectieziekten UZ Gent. Zij gaf ons inzage in internationale onderzoeken, waardoor we het lokale niveau regelmatig overstegen.”

Beels: “Ook bij ons was het pittig. Corona maakt alleszins duidelijk hoe belangrijk een lokaal bestuur is. Want wij moesten al die maatregelen uitvoeren die door de Vlaamse en de federale regeringen opgelegd werden. Een van mijn grootste frustraties is dat er te weinig rekening met ons werd gehouden. Het was echt niet vanzelfsprekend om al die regels in de praktijk te brengen.”

Decruynaere: “Zo werd tijdens de eerste lockdown de maatregel afgekondigd dat kinderen op de speelplaats anderhalve meter afstand van elkaar moesten houden. Wij lieten toen samen als onderwijsschepenen weten: ‘Sorry, maar dit is onmogelijk uit te voeren.’ Er werden ook totaal onrealistische afstandsregels voor de klassen vastgelegd. Leerkrachten en directies hadden hun handen vol met de reorganisatie van hun scholen. Wij waren hun woordvoerders bij de regionale en federale overheden en trokken daar samen aan de alarmbel.”

Beels: “Ze hebben toen ook naar ons geluisterd en op ons aangeven de klasbubbel geïntroduceerd.”

Leverde de Vlaamse minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) goed werk af?

Beels: “Moeten wij nu zijn rapport maken? (lacht)”

Ondanks alle kritiek wou hij per se de scholen openhouden.

Beels: “Ook ik wou dat van in het begin. Het hele Antwerpse stadsbestuur wou dat zoveel mogelijk kinderen naar school konden blijven gaan. Want na die allereerste vier maanden durende lockdown merkten we dat we veel kinderen kwijt waren. 25 à 30 procent van de leerlingen was gewoon van de radar verdwenen. Welzijnspartners zoals het OCMW en het CAW signaleerden ons dat kinderen het mentaal zwaar te verduren hadden. De school is een veilige haven en daarom besloten wij dat ze zo lang mogelijk moést openblijven. Zo kregen kinderen de kans om even te ontsnappen aan de realiteit. Want niet iedereen heeft een grote tuin of woont in een comfortabel huis.”

Decruynaere: “De coronacrisis leert ons inderdaad dat voor veel kinderen de school een veilige plek is. Maar wat zich in de samenleving door corona afspeelde, weerspiegelde zich ook in de scholen. Leerkrachten moésten gaan werken en kregen daardoor vaak het gevoel dat ze in de vuurlinie stonden. Dat was zeker zo toen er nog niet voldoende beschermingsmaatregelen waren.”

Ze hadden het gevoel dat ze hun leven waagden?

Decruynaere: “Zo voelde het écht en ik begrijp die angst. Ik vond ook dat de scholen zo lang mogelijk moesten openblijven, alleen werden we zeer vaak aan ons lot overgelaten.”

Beels: “Wij vroegen onze leerkrachten en jeugdwerkers om níet in hun kot te blijven, maar ik vrees dat we hen niet genoeg lieten weten dat we dat enorm appreciëren. Want fysiek en mentaal eiste dat veel van hen. Velen zitten nu aan het eind van hun Latijn.”

Decruynaere: “Ik vind dat minister Weyts meer had kunnen doen. We moesten ons plan trekken en we deden dat ook, net als veel andere lokale besturen. Dat ging dan over heel praktische dingen, zoals nadarhekkens om die klasbubbels in goede banen te leiden. Maar ook over het op zoek gaan naar, en inzetten van extra mankracht en vrijwilligers. Onze scholen sloegen alarm: ‘Help, we dreigen kopje onder te gaan.’ Waarna wij hen om de twee weken vroegen welke hulp ze konden gebruiken en hoeveel mensen ze daarvoor nodig hadden.”

Reikten jullie een helpende hand naar àlle Gentse scholen?

Decruynaere: “We hielpen over alle netten heen, ja. De scholen konden zo beroep doen op in totaal 750 extra krachten. Het is trouwens niet onze verdienste, of van de minister, dat de scholen zo lang openbleven. Dat hebben we alleen maar te danken aan de mensen op de vloer: leerkrachten, directies en CLB’s.”

Beels: “Ook wij hebben nooit zitten wachten op ondersteuning uit Vlaanderen, want die kwam vaak te laat. Ook wij hielpen de scholen over alle netten heen met praktische zaken als nadarhekkens, ontsmettingsgels of opvangen van personeelstekort. Wij maakten het mee mogelijk dat leerkrachten die in quarantaine moesten, van bij hen thuis online les konden blijven geven. Hun leerlingen volgden die lessen dan in de klas. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar vraagt veel organisatie.”

Wat ik niet goed snap, is waarom leerkrachten niet als een van de eersten gevaccineerd werden.

Decruynaere: “Blijkbaar zagen ze het op andere niveaus niet zitten om die grote groep leerkrachten ertussen te schuiven. Want het vaccineren van de rest van de kwetsbare bevolking zou dan te veel vertraging oplopen. Klinkt logisch, toch begrijp ook ik niet waarom er niet van bij het uittekenen van de vaccinatiecampagne met de leerkrachten rekening gehouden werd. In het buitenland werden zij wél snel gevaccineerd. De leerkrachtenlijst had toch al kunnen klaarliggen lang voor de vaccins er waren? Hetzelfde geldt voor mensen in de kinderopvang. Daar is anderhalve meter afstand bewaren tijdens het dagelijkse werk toch een illusie?”

Beels: “Leerkrachten moesten de scholen draaiende houden, maar hen meteen vaccineren kon niet. Ook ik snap dat niet. Dat is ook bijzonder moeilijk aan die mensen uit te leggen.”

Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke is ook lid van Vooruit, mevrouw Beels. U sprak hem daar nooit over aan?

Beels: “Ik lever geen kritiek op Frank, dat zou te gemakkelijk zijn. Hij maakte samen met de regering soms moeilijke keuzes en ik heb daar alle begrip voor. In een crisis zoals deze moet er niet met de vinger gewezen worden. Er mogen wel lessen uit getrokken worden. Zo was er veel te weinig aandacht voor het mentale leed door de lockdowns.”

In het heetst van de strijd tegen het virus verloren we de psychische gevolgen uit het oog?

Decruynaere: “Tijdens de eerste lockdown werd veel schade aangericht, toen scholen en jeugdinstellingen moesten sluiten. Child Focus waarschuwde terecht voor familiaal geweld. Weet u dat sommige jonge slachtoffers van kindermisbruik vanuit de opvang terug naar huis gestuurd werden? Ze moesten de lockdown verder doorbrengen op een krap appartement, samen met de dader. Die verhalen maken me vreselijk kwaad. Waarom lieten we dat in godsnaam gebeuren?”

Beels: “Samen vroegen wij daar verschillende keren aandacht voor. Eerst kregen we geen gehoor; langzaamaan veranderde dat. Maar intussen was die schade er, met zoveel jonge mensen die het niet meer zagen zitten en afhaakten.”

Decruynaere: “Vanuit het kabinet van Onderwijs werden altijd eerst ronkende verklaringen afgelegd. Pas nadien vroegen ze zich af: ‘Hoe brengen we dit in de praktijk?’ Zo werd er in december al getoeterd over het grote belang van zelftesten. Die zijn nog maar pas gearriveerd, nu het schooljaar zo goed als voorbij is. Lang was er een gigantisch verschil tussen de beslissingen en de dagelijkse praktijk. Minister van Jeugd Benjamin Dalle (CD&V) nam vorige zomer dan gelukkig tóch het voortouw om jeugdkampen mogelijk te maken. Hij ging in dialoog met organisaties uit het jeugdwerk en zocht samen met hen naar oplossingen.”

Beels: “Wij spraken Benjamin Dalle daar in mei vorig jaar al over aan. Jongeren mochten toen níets meer. ‘We zijn ze aan het verliezen’, waarschuwden we de minister. ‘Zet het jeugdwelzijnswerk alsjeblieft in een aangepaste vorm verder.’ Ik was blij dat hij het daarmee eens was. Van in het begin roerden wij onze mond, want we waren getuige van al wat er misliep. Wij trokken aan de mouwen van de Vlaamse en federale overheden, onder andere via de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (OVSG) en onze stadsbesturen. Corona kwam onverwacht, sloeg keihard toe en zorgde voor grote verwarring. Maar dat kan toch geen excuus blijven?”

Decruynaere: “Ik heb nog in het holst van de nacht mails gestuurd naar Ben Weyts, die bijna meteen antwoordde. Dat was helaas niet altijd het antwoord dat ik wou horen, maar hij reageerde wel. (lacht) Een belangrijke les van corona is misschien ook dat het hoog tijd is dat lokale besturen opnieuw naar waarde geschat worden. Kijk naar de vaccinatiecentra: op het laatste nippertje werd beslist dat de gemeenten die mochten beheren. Zowel in Antwerpen als Gent draaien ze geolied. Onze ambtenaren leveren puik werk af.”

Antwerpen en Gent hebben hun eigen stedelijk onderwijsnet. Is dat nog van deze tijd?

Decruynaere: “Zonder twijfel. Voor de centen moeten we het niet doen, integendeel. Dan kunnen we onze scholen beter overlaten aan het Gemeenschapsonderwijs. Het is niet voor niets dat veel steden en gemeenten de voorbije jaren afscheid namen van hun onderwijsinstellingen. Want een eigen scholennet kost een stadsbestuur handenvol geld, terwijl het al niet gemakkelijk is om de hele begroting rond te krijgen. Eigen stedelijk onderwijs is een dappere keuze. Als inrichtende macht staan wij zelf met onze voeten in de modder, waardoor we meer recht van spreken hebben in het grote onderwijsdebat. Ik word niet alleen door leerkrachten en directies aangesproken, maar ook door ouders. Ze weten me allemaal te vinden en dat is prima. Als schepen van Onderwijs let ik er ook op dat ik er voor alle netten ben.”

Want de verleiding is soms groot om het eigen net te bevoordeligen?

Decruynaere: “Om dat te vermijden of te corrigeren, hechten wij steeds meer belang aan flankerend onderwijsbeleid. Alle onderwijsnetten worden geconfronteerd met dezelfde problemen, zoals bijvoorbeeld vroegtijdige schoolverlaters. Het is daarom ook niet meer dan logisch dat we een breed beleid voeren, met oog voor een juiste balans tussen alle scholen. De stad is voor mij een ‘kansenfabriek’. Nelson Mandela zei: ‘Education is the most powerful weapon to change the world.’ Álles begint in het onderwijs.”

Beels: “Als grootste stad van Vlaanderen heeft Antwerpen geen andere keuze dan een eigen onderwijsnet in stand houden. Maar daarnaast werken ook wij aan een robuust flankerend onderwijsbeleid. We bieden serieuze ondersteuning aan álle netten aan. Net als Elke ben ook ik er groot voorstander van om inrichtende macht te zijn van een eigen net. We investeren er enorm veel geld in, maar plukken er ook de vruchten van. In Antwerpen is de nood naar voldoende plaatsen in het onderwijs zeer groot. Die capaciteitsproblematiek zal de volgende jaren alleen maar toenemen. Als lokaal bestuur proberen we dat met ons eigen net een beetje onder controle te houden. Al geef ik meteen toe dat het heel moeilijk is. Daarom ook maak ik me zorgen over andere steden zonder eigen onderwijsnet: worden al die leerlingen waar geen plaats voor is daar dan vogels voor de kat?”

Het Antwerpse buitengewoon basisonderwijs kampt met een zeer ernstig capaciteitsprobleem. 418 kinderen, of meer dan de helft van het totaal, staan op een wachtlijst voor volgend schooljaar.

Beels: “Vorig jaar hadden we voor het eerst een online centraal aanmeldingssysteem voor het buitengewone basisonderwijs. Toen had al 48 % van onze kinderen geen plaats. Wij creëerden als lokaal bestuur 79 extra plaatsen. Nu is het vat af. De grote oorzaak is het stuitende gebrek aan investeringen van de Vlaamse overheid in buitengewoon onderwijs. Daar dragen wij de pijnlijke gevolgen van.”

Is dat gebrek aan investeringen een gevolg van het M-decreet met zijn inclusieve onderwijs? Omdat zoveel mogelijk kinderen met een beperking of een stoornis recht hebben op meedraaien in het gewone onderwijs?

Beels: “Ik ben een groot voorstander van de filosofie van inclusief onderwijs. Dat M-decreet was een uitstekend plan, alleen liet de praktische uitwerking veel te wensen over. Het ging op de schop en nu zitten we inderdaad in een tegengestelde beweging. Als je als leerkracht in een gewone klas een paar leerlingen met bijzondere noden hebt zonder voldoende ondersteuning, houdt het op een bepaald moment op. Zeker nu, met die uitputtende coronacrisis er bovenop. Ik vermoed dat iedereen het erover eens is dat we kinderen met beperkingen zo lang mogelijk in het gewone onderwijs houden. Maar dan moeten er ook voldoende middelen voor zorg vrijgemaakt worden. Nu duurt het ontzettend lang om kleuters te laten testen. In Antwerpen haken ouders én leerkrachten af. Die wachtlijst krijgen we op korte termijn jammer genoeg niet opgelost, ook al blijven we hemel en aarde bewegen om extra plaatsen bij te maken.”

Decruynaere: “In Gent vinden op dit moment 8 kinderen geen plek in het buitengewoon onderwijs. Ook bij ons kan het snel ontsporen. Ik vind dat gebrek aan plaatsen een raar fenomeen. Als er een baby geboren wordt, weten we toch dat hij een paar maanden later naar de kinderopvang, twee jaar later naar de kleuter- en de basisschool en zes jaar later naar het middelbaar moet? Dit land is rijk, relatief goed georganiseerd, telt veel knappe koppen die alles weten over big data, maar toch slagen we er niet in om de capaciteit op school voor onze kinderen goed in te schatten.”

Beels: “Mijn grootste frustratie na 2,5 jaar als schepen van Onderwijs is dat Vlaanderen maar twee échte grootsteden met een onderwijsnet telt: Antwerpen en Gent. Met als gevolg dat het Vlaamse onderwijsbeleid niet op ons lijf geschreven is.”

Omdat Vlaanderen niet van grootsteden houdt?

Beels: “Nee, omdat er gewoon te weinig kennis bij het beleid is over de problemen van grootsteden. Onbekend is onbemind.”

Decruynaere: “Soms lanceert Vlaanderen zogenaamde ‘nieuwigheden’ waar steden al veel ervaring mee hebben. Alleen weten ze dat niet omdat ze niet eerst hun oor bij ons te luisteren hebben gelegd. Niet zolang geleden presenteerde minister Weyts het project Leerbuddy Vlaanderen dat leerlingen met een achterstand in contact wil brengen met vrijwillige tutors en leerbuddies. Ik vind dat fantastisch, want internationale ervaring leert dat tutoring uitstekende resultaten oplevert. Wij zijn daar in Gent al heel lang mee bezig, net als Antwerpen en Leuven. Denkt u dat de minister ons daar één vraag over gesteld heeft? Nee, maar ze haalden wel budgetten bij de lokale initiatieven weg om die in hun nieuwe structuur te stoppen.”

Beels: “Wij vragen om meer betrokken te worden bij dat Vlaamse onderwijsbeleid. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat we elkaar beconcurreren? Het enige doel is toch: het welzijn en het welbevinden van onze kinderen?”

Decruynaere: “Het is geen toeval dat Antwerpen en Gent hun eigen onderwijscentrum hebben, een dienst die met alle scholen van de stad samenwerkt aan thema’s als diversiteit en vroegtijdige schoolverlaters. Andere pedagogische begeleidingsdiensten hebben die grootstedelijke uitdagingen nog niet ontdekt. Op het vlak van diversiteit zijn steden als Brussel, Antwerpen en Gent voorlopers, terwijl daar in Vlaanderen zeer krampachtig op wordt gereageerd. Wij hebben veel expertise opgebouwd en beschouwen diversiteit als een troef. Maar er zijn in onze steden ook een paar lichten die oranje knipperen en die een voorbode zijn voor wat de rest van Vlaanderen te wachten staat. Zo worden wij nu al geconfronteerd met een groot lerarentekort. Daar maak ik me veel zorgen over.”

Er woedt ook een hevige discussie over de kwaliteit van ons onderwijs. Die zou te lang ondergeschikt geweest zijn aan het welbevinden op school.

Decruynaere: “Ik vind het jammer dat academici zoals Wouter Duyck in heel dat debat excellentie tegenover welbevinden plaatsen. Het is niet het ene of het andere: zowel zorg als kwaliteit zijn nodig. Om te kunnen leren, moet je je goed in je vel voelen. En een school die enkel met welbevinden bezig is, neemt haar leerlingen niet ernstig.”

Beels: “Het is inderdaad geen zwart-witverhaal. Het zou goed zijn moesten sommige experts stoppen met kwaliteit en zorg voortdurend tegenover elkaar te zetten. De focus moet gericht zijn op beide.”

Doet de huidige minister van Onderwijs dat?

Beels: “Ben Weyts richt zich vooral op de kwaliteit. We worden er continu aan herinnerd dat onderzoeken aantonen dat de kwaliteit van het onderwijs in Vlaanderen daalt. Ik betwist die onderzoeken niet, maar door enkel één kant te belichten, vrees ik dat we nog verder van huis raken.”

U zit in een coalitie met N-VA-voorzitter Bart De Wever. Is hij uw rechtstreekse lijn naar Ben Weyts?

Beels: “Het is niet omdat ik in een coalitie met de partij van de minister zit, dat ik meer gedaan krijg. Ik ga soms wel eens tegen Bart zagen, hij is niet voor niets burgemeester. (lacht) Hij trekt zich dat ook aan, hoor. Als grootstad moeten we net als Gent zwaar knokken om op het Vlaamse niveau gehoord te worden.”

Decruynaere: “Ben Weyts stelt de na te streven doelen, maar voorziet niet de nodige middelen om scholen te helpen die doelen te halen. De afstand tussen wat Brussel wil en wat er in scholen leeft, is gigantisch. Ik maak me ook zorgen over de grote ongelijkheid tussen scholen. Het inschrijvingsdecreet met het online aanmelden zorgde voor zeer veel emoties, en ik kan dat goed begrijpen. Al die emotionaliteit is een symptoom van die ongelijkheid. Ouders voelen aan dat de verschillen tussen scholen zeer groot zijn.”

Is dat niet altijd zo geweest? Halverwege de jaren 80 verrichtte ik mijn burgerdienst op een instelling van het Gentse stedelijk onderwijs. Toen al hoorde ik verhalen over de elite- en concentratiescholen van de stad.

Decruynaere: “Die segregatie van toen bestaat jammer genoeg nog, maar is toch anders. Want ik ken zogenaamde concentratiescholen die puike resultaten neerzetten. Ik ken ook zogenaamde elitescholen die de top niet halen. Weet u wat goede graadmeters zijn om de kwaliteit en de sfeer van een school te bepalen? Ga na of de leerkrachten er hun eigen kinderen naartoe sturen. Dat zegt zéér veel. Kijk vervolgens naar de uitstraling van directie en leerkrachten. Sloffen ze kop in kas, zuchtend over de speelplaats? Of wandelen ze opgewekt, met open blik tussen de kinderen? Ik bezocht intussen zeer veel scholen en ik zag op beide types diep zuchtende en vrolijk lachende leerkrachten. Als ze steen en been klagen, geloven ze er zelf niet meer in. Dat heeft niets te maken met de kleur van hun leerlingen, maar met de mentaliteit op hun school.”

Beels: “Het belang van de leerkracht wordt vaak onderschat. Ik ben wie ik geworden ben dankzij een paar bevlogen leerkrachten die in mij geloofden.”

Decruynaere: “Directies zijn ook zeer belangrijk voor een school. Na de voorbije moeilijke coronaperiode verdienen zij een standbeeld. Vaak vallen de gedreven directeurs en leerkrachten door burnout eerst uit.”

Beels: “Het beroep van leerkracht wordt ondergewaardeerd. Het is echt niet vanzelfsprekend om een hele dag voor de klas te staan met een diverse groep leerlingen. Leerkrachten moeten zichzelf elke dag opnieuw overstijgen én de kwaliteiten in leerlingen ontdekken en bovenhalen. Dat is niet iedereen gegeven. Bij bezoeken aan lerarenopleidingen moest ik zelf vaststellen dat die studie voor veel aspirant-leerkrachten een tweede keuze was. Ze hadden iets anders geprobeerd, dat was mislukt en dus probeerden ze het maar eens in het onderwijs. ‘Uitzicht op een vast beroep met veel vakantie.’ Mij lijkt dat niet de juiste motivatie. Het is ook niet omdat een groot college een ronkende naam heeft, dat het meteen het best mogelijke onderwijs aanbiedt. Dat kleine schooltje in een diverse buurt brengt het er misschien beter van af. Maar bij veel ouders leeft inderdaad te vaak de overtuiging dat het deftige college wel uitmuntend moét zijn. Het is aan de overheid om die perceptie te keren.”

De voorbije veertig jaar is dat niet gelukt.

Beels: “Er is misschien niet veel veranderd, tóch moeten we daartegenin blijven gaan. Hoe overtuigen we ouders ervan dat het schooltje in hun superdiverse wijk uitstekend onderwijs biedt én een veilige plek is? Ouders kiezen de school voor hun kinderen. Als ze allemaal naar diezelfde zogenaamde eliteschool in een andere buurt van de stad willen, lossen we de capaciteitsproblemen nooit op.”

Decruynaere: “Ik heb soms huilende ouders aan de telefoon: ‘Als onze zoon of dochter niet naar die school kan, is zijn of haar leven voorbij.’ Veel gekker moet het toch niet worden?”

Jinnih Beels kreeg zelf met racisme te maken toen ze bij de politie werkte. Hoe zit het met racisme op de Antwerpse en Gentse scholen?

Beels: “Racisme en discriminatie vind je jammer genoeg overal. Ik merk dat ook in ons onderwijs, net als indertijd bij de politie. Dan gaat het niet enkel over racisme tussen leerlingen. Veel mensen koesteren vooroordelen, óók leerkrachten. Van zodra ze beseffen dat het vooroordelen zijn, staan we een stap verder. Want dan zijn die leerkrachten misschien in staat om al hun leerlingen alle kansen te geven. Te veel kinderen hebben vandaag het gevoel dat ze afgerekend worden op hun achtergrond, in plaats van op wat ze kunnen. Dat is onvergeeflijk, want zo wordt talent beknot. We proberen daar iets aan te doen door in ons stedelijk onderwijs veel aandacht te besteden aan actief burgerschap en leren zowel leerlingen als leerkrachten om te gaan met diversiteit.”

Decruynaere: “De universiteit van Gent voert onderzoek naar superdiversiteit in ons onderwijs. Ook andere steden werken daaraan mee. Tot hiertoe werden kinderen met een andere moedertaal dan het Nederlands in bad gegooid. ‘Doe maar mee met de rest, en we zien wel waar we eindigen.’ Vaak mislukte dat, waardoor de achterstand groeide. Nu zijn we ons van dat probleem zeer goed bewust en binnenkort screenen we met een taaltest. Het échte werk moet dan nog beginnen. Een mens heeft veel zelf in de hand, maar niet waar hij geboren wordt of hoe hij eruitziet. Hoe erg is het niet dat leerlingen net daarop worden afgerekend?”

Hoe divers is het lerarencorps in Antwerpen en Gent?

Beels: “Over het algemeen heeft 1 procent van het hele corps in Vlaanderen een andere afkomst. Antwerpen telt meer dan 180 verschillende nationaliteiten. Meer dan 50 procent van onze inwoners heeft vreemde wortels. Onze leerlingen herkennen zichzelf dus onvoldoende in hun leerkrachten.”

Decruynaere: “In de klas is er veel diversiteit, maar niet voor de klas. Het loopt al mis bij de instroom in de lerarenopleiding. Er moeten dringend maatregelen genomen worden om daar iets aan te veranderen. De weinige mensen van kleur in ons onderwijs betekenen nu al heel veel voor de scholen waar ze werken. Dat stemt mij hoopvol. Want hoe meer leerkrachten van kleur, hoe meer het racisme in de leraarskamer zal verstommen.”

Jinnih Beels

  • Geboren in 1976 in Calcutta, India
  • Dochter van een Indiase moeder en Belgische vader
  • Verhuisde op haar 6e na de dood van haar moeder naar Antwerpen
  • Studeerde criminologie aan de KULeuven
  • Ging na haar studies aan de slag bij de toenmalige rijkswacht
  • Werd later commissaris bij de politie
  • Stapte in 2017 over naar de politiek
  • Is sinds januari 2019 Antwerps schepen voor Onderwijs voor Vooruit

Elke Decruynaere

  • Geboren in 1981 in Kortrijk
  • Studeerde geschiedenis aan de KULeuven en UGent
  • Werkte tien jaar lang als beleidsmedewerker aan gelijke rechten voor mensen met een handicap
  • Zetelt sinds 2007 voor Groen in de Gentse gemeenteraad
  • Werd in 2009 fractieleider
  • Is sinds januari 2013 Gents schepen voor onderwijs voor Groen

© Jan Stevens

‘Ik leidde UZ Brussel niet als een zonnekoning’

De coronacrisis dwong UZ Brussel-ceo Marc Noppen tot het nemen van snelle beslissingen. Op nationaal vlak zag hij met lede ogen het tegengestelde gebeuren. “Dat kostte veel mensenlevens.”

In zijn boek Gewoon anders maakt Marc Noppen de balans op van anderhalf jaar strijd tegen corona. De boosheid over het beleid van de regering-Wilmès II na de eerste golf is onderhuids voelbaar. “Toch verwijt ik niemand iets”, zegt hij. “Ik stel gewoon vast dat mensen zoals ik tijdens deze crisis herhaaldelijk vergeefs voorzetten uitdeelden. We kunnen iets leren van landen als Australië en Nieuw-Zeeland. Daar leven ze nu voor honderd procent in vrijheid. Maar bij elk nieuw covid-geval grijpen ze wel zeer drastisch in. Als in het Nieuw-Zeelandse Auckland één covid-besmetting gevonden wordt, gaat de stad een week dicht. Alle inwoners moeten binnenblijven tot ze weten waar die besmetting vandaan komt. Daarna heropent alles. De Nieuw-Zeelanders vinden dat fantastisch, want in hun virusvrije samenleving floreert de economie.”

Moeten wij dat model kopiëren?

“Niet noodzakelijk, maar we moeten wel weten wat onze strategie is. Er hangt nu een sfeer van bevrijding in de lucht, maar volgens veel experts maken we de volgende drie tot vijf jaar nog regelmatig opstoten van dit virus of een mutant mee. We raken pas echt van corona af als de hele planeet gevaccineerd is. Door de deltavariant worden de bevrijdingsfeesten in Groot-Brittannië met een maand uitgesteld. De reden is de exponentiële groei van het aantal hospitalisaties, terwijl dat land de hoogste vaccinatiebescherming in Europa heeft. Van onze negen ministers van Volksgezondheid zou ik wel eens willen horen wat hun verdere strategie is. In maart 2020 was het antwoord nog helder: ‘We willen geen tweede Bergamo worden.’ Maar na de eerste piek begonnen we te freewheelen. Er werd geen einddoel gesteld dat de tweede piek had kunnen vermijden. Dat kostte veel mensenlevens. We gingen veel te nonchalant om met de alarmerende cijfers.”

Was dat schuldig verzuim?

“Daar komt het op neer, al zijn er verzachtende omstandigheden. Zo begrepen weinig beleidsmakers de gevolgen van exponentiële groei. Een snelgroeiende exponentiële curve moet in de kiem gesmoord worden. Anders loopt het totaal uit de hand. Wij probeerden dat met handen en voeten aan de politici uit te leggen en kregen nul op het rekest. Ik werd zelfs uitgelachen door de Brusselse minister van Volksgezondheid Alain Maron (Ecolo). Toen werd ik inderdaad boos. Later kwam hij zich bij mij verontschuldigen. Hij gaf volmondig toe dat hij zich had vergist. Dat was chique.”

Een andere verzachtende omstandigheid is de ingewikkelde Belgische staatsstructuur?

“Dit land heeft inderdaad een hypergecompliceerde overlegstructuur zonder hiërarchie, waardoor crisismanagement verdomd lastig wordt. In tijden van crisis geldt één regel: speed trumps perfection, snelheid overtreft perfectie. Ik ervoer dat zelf in ons ziekenhuis. Op een bepaald moment dwong corona ons ertoe afscheid te nemen van onze trage overleg- en adviescultuur. Tijdens een levensbedreigende crisis zijn foute beslissingen beter dan niets beslissen. Alleen krijg je dat maar moeilijk uitgelegd aan politici die al decennialang in een overlegcultuur leven.”

Misschien ook omdat beslissen zonder veel overleg haaks staat op democratische besluitvorming?

“Ik begrijp die bekommernis, maar voor crisismanagement kan op perfect democratische wijze een wetgevend kader gebouwd worden. België is één van de weinige landen ter wereld waar het uitroepen van de noodtoestand grondwettelijk niet kan. Nu wordt er midden in de crisis aan een pandemiewet gewerkt, terwijl het parlement die al lang geleden in ‘vredestijd’ had moeten uittekenen. De noodtoestand kan maar voor een beperkt aantal rampen zoals een pandemie of terreur en is beperkt in de tijd. In die periode is er slechts één commando: de premier die regelmatig rekenschap aflegt aan het parlement.”

Een tijdlang was u in UZ Brussel dat ene commando?

“Ja, ik vroeg volmachten aan mijn raad van bestuur. Wekelijks bracht ik bij hen en de regeringscommissaris verslag uit.”

Op de keper beschouwd overtrad u de wet. U bent niet bang dat de beslissingen die u toen nam als een boemerang in uw gezicht terugkeren?

“Ik wil niet dramatisch klinken, maar het ging over leven en dood. We moésten snel beslissen; er was geen tijd voor overleg.”

U nam toch veel verantwoordelijk? Eventuele foute beslissingen waren alleen u aan te wrijven.

“Volgens filosofe Tinneke Beeckman heb je op zo’n moment Machiavelli’s lef nodig. Bij de start van de regering-De Croo had de tandem Alexander De Croo – Frank Vandenbroucke ook dat lef. Het verschil met de voorgangers was immens. Op 21 februari zei premier De Croo: ‘Er komen geen versoepelingen.’ Hij ging in tegen het Overlegcomité, nam zijn verantwoordelijkheid en toonde leiderschap.

“U moet niet denken dat ik in volle coronacrisis UZ Brussel als een zonnekoning leidde. Er werd wél nog overlegd, maar in plaats van de gangbare 56 overlegorganen waren er 5. Als we er niet uit geraakten, hakte ik de knoop door. Achteraf werd daar geen kritiek op geleverd.”

Wat op nationaal niveau wél continu gebeurde?

“Zeker. Een aantal van onze snelle beslissingen in het ziekenhuis bleken later fout te zijn. We herstelden die. Op het nationale niveau zag ik te weinig foute beslissingen rechtgezet worden. Fouten erkennen en corrigeren zorgt bij de bevolking voor meer vertrouwen dan uitspraken als: ‘Ook al hebben we dat in het Overlegcomité meebeslist, toch zijn we het er niet mee eens.’”

Ook sommige adviserende experts bekritiseerden achteraf de genomen beslissingen.

“Ik vind dat heel jammer. Tijdens de eerste golf kon ik die commentaren achteraf nog begrijpen, want de toenmalige regering communiceerde barslecht. Elke expert kreeg toen een microfoon onder de neus geduwd; bij de overheid viel toch geen nieuws te rapen. De tandem De Croo-Vandenbroucke communiceert wél, waardoor de dissonante geluiden sterk verminderd zijn.”

Hoe is de toestand nu in uw ziekenhuis?

“De curve daalt, maar we hebben nog altijd 25 covid-patiënten, waarvan 8 op intensieve. We concentreren ons nu op de niet-covid-zorg. Die moesten we de voorbije maanden vooral in het operatiekwartier noodgedwongen terugschroeven. Het tempo blijft zeer hoog. Bij onze mensen begint dat te wegen.”

Marc Noppen, Gewoon anders, Borgerhoff & Lambrigts, 192 blzn., 22,99 euro, de opbrengst van het boek gaat integraal naar de UZ Brussel Foundation

© Jan Stevens

‘Conflicten loste ik op zoals in het leger: ik sloeg mijn kot kort en klein’

Waarom werd Jürgen Conings een voortvluchtige terreurverdachte? Volgens zijn oude bataljonscommandant omdat hij onder invloed staat van extreemrechts. Volgens een oude wapenbroeder en vriend omdat hij lijdt aan Post Traumatisch Stress Syndroom (PTSS). ‘De gevolgen van PTSS zijn moordend. Voor het Belgische leger met zijn gigantische machocultuur is dat een groot taboe.’

De vijftigjarige ex-militair Peter* trok in de jaren 90 verschillende keren op missie naar ex-Joegoslavië. “De allereerste keer was samen met Jürgen Conings”, herinnert hij zich. Twee weken geleden vertelde Conings pelotonsadjunct in Humo over die missie uit 1994 in het Kroatische gehucht Torjanci. Peter was net als Jürgen Conings één van die veertig piepjonge soldaten. “Jürgens mentor was ook de mijne”, zegt hij. “Vier maanden lang deelden we alles samen. Jürgen werd een van mijn beste vrienden. Wat zich nu aan het afspelen is, vind ik verschrikkelijk. Ik kende hem als een warme, loyale kerel. Ik keur zijn actie af. Hij is ervandoor met 2000 patronen: als hij nog leeft, kan hij heel wat slachtoffers maken. Ik vermoed dat dit een gevolg is van de trauma’s die hij opliep op zijn vele buitenlandse missies. Zijn PTSS zorgt ervoor dat hij zich compleet in de steek gelaten voelt. Ik ken dat vreselijke gevoel, want ik worstel er zelf al jarenlang mee.”

Kolonel-op-rust Danny Vanormelingen was van 1998 tot 2000 bataljonscommandant van Jürgen Conings. “Ik voerde het bevel over hem toen we van oktober ’98 tot maart ’99 op missie waren in Bosnië. Ik had 400 mensen onder mij en kende dus niet iedereen. Alleen de goeden en de slechten bleven me bij. Jürgen kende ik omdat hij opviel in positieve zin. Als prille twintiger was hij een uitstekende soldaat. Ik sprak hem een paar jaar geleden tijdens een bataljonsfeest. Ook toen gaf hij een zeer positieve indruk. Er moet iets verkeerd gedaan zijn waardoor zijn stoppen doorsloegen. Ik geloof niet dat het met zijn vele buitenlandse operaties of PTSS te maken heeft. Volgens mij kwam hij in een verkeerde groep terecht en is hij opgejut door extreemrechts.”

Guy F. (60) trok in 1994 op missie naar de Bosnische hoofdstad Sarajevo. “Twee jaar eerder hielp ik een vluchtelingenkamp in Kroatië bouwen”, zegt hij. “Dat was een ongewapende missie onder de vleugels van UNHCR, het VN-vluchtelingencommissariaat. Als jonge beroepsmilitair bij de genie wou ik mijn steentje bijdragen aan een betere wereld. Ik vertrok dan ook vol overtuiging samen met de rest van mijn eenheid naar Sarajevo. Daar gingen we een weg aanleggen voor hulpkonvooien. Alleen waren we totaal onvoorbereid. Niet lang na mijn terugkomst werd ik ernstig ziek. Nu weet ik dat ik vooral ondermijnd werd door PTSS.”

PETER: “In 1992 hielden de Verenigde Naties UNPROFOR boven de doopvont, een internationale vredesmacht die moest verhinderen dat de oorlog in Kroatië, Bosnië en Herzegovina verder zou escaleren. België nam daaraan deel met verschillende Belbat-missies. Als je Congo in de jaren zestig niet meetelt, waren wij de eerste pioniers die na WO II werden ingezet in oorlogsgebied. Die oorlog speelde zich niet op een ver continent af, maar ín Europa. Zagreb is amper een dag rijden van hier.”

GUY F.: “Onze opdracht in Sarajevo viel buiten de Belbat-missies. Wij wisten van toeten noch blazen. Vlak voor we in België aan boord van het vliegtuig gingen, moesten we een mondingsstop op de loop van ons geweer vastdraaien. Dat dient om losse flodders af te vuren. Wij vlogen dus naar oorlogsgebied in de veronderstelling dat we onderweg waren naar een soort militaire oefening. (lacht)”

Terwijl de oorlog in ex-Joegoslavië pure ernst was?

PETER: “Het was geen knokpartij op de markt, maar een zeer smerige oorlog. Wij waren er ons wel van bewust dat we in oorlogsgebied gingen terechtkomen. Het Belgische leger werd ingezet in de Baranja, Kroatisch grondgebied in handen van de Serviërs. Dat waren geen doetjes; zeker Arkans Tijgers deinsden nergens voor terug. De Baranja werd gebruikt als vakantieoord voor Servische troepen die terugkwamen van het front in Bosnië. Die mannen vlogen dan stevig in de drank en vaak ontspoorde dat. Wij kwamen zo regelmatig in benarde situaties terecht. In 1995 werden de Akkoorden van Dayton ondertekent, het vredesverdrag dat een einde maakte aan de Bosnische Burgeroorlog. Een van de gevolgen was dat de Kroatische troepen zich herbewapenden, waardoor af en toe de poppen aan het dansen gingen.”

Waren jullie goed voorbereid op die oorlog?

PETER: “Totaal niet. Het Belgische leger wist niet hoe ze in een oorlogszone moest opereren. De oorlog in ex-Joegoslavië is nog iets anders dan drie dagen op bivak met een geënsceneerde vijand in het Duitse oefenkamp Vogelsang. Als je op een oefening onder vuur komt te liggen, weet je dat het losse flodders zijn. Een Thunderflash maakt veel lawaai, maar is een totaal onschadelijke oefengranaat. Wij panikeerden niet als ze op het Engelse oefenterrein Otterburn vanop de overkant hun machinegeweren in onze richting begonnen leeg te schieten. In ex-Joegoslavië panikeerden we wél.”

GUY F.: “Wij landden op de luchthaven van Sarajevo met ons losse floddergeweer, zonder munitie. Op dat moment was de Bosnische hoofdstad het walhalla voor sluipschutters, maar wij waren ons van geen kwaad bewust. De klep van de laadruimte van het vliegtuig ging open en wij wandelden daar rustig naartoe om onze bagage te zoeken. Het militaire grondpersoneel reageerde als door een wesp gestoken: ‘Vertrek onmiddellijk en zoek dekking tussen die met zand gevulde containers! Het is hier levensgevaarlijk.’ In het hoofdkamp moesten we meteen onze rugzakken pakken. Ze brachten ons naar de ruwbouw van een huis. Daar leefden we vier maanden lang met veertig man. Er waren twee chemische toiletten, maar er was geen product om de uitwerpselen op te lossen. Elke dag laadden we die tanks op een jeep om ze in de bergen te gaan lozen. Onze voornaamste bescherming bestond uit rollen prikkeldraad rond het huis. Al de eerste nacht sloegen de mortieren en artilleriegranaten vlakbij in. Het cement van het plafond donderde naar beneden. Ik zat op de rand van mijn bed en dacht: ‘Fuck, wat is dit?’”

Jullie lagen allebei regelmatig onder vuur?

PETER: “Ja, en zowel de Serviërs als de Kroaten hadden geen losse flodders bij. Er kwamen échte kogels uit hun Kalasjnikovs toen ze op ons mikten. We mogen dat niet zeggen, maar ik verzeker u: we werden beschoten. Waarom we daarover moeten zwijgen? Misschien omdat we zogezegd de vrede moesten bewaren, in plaats van ze af te dwingen? We hebben ontzettend veel geluk gehad dat we er geen mensen verloren. Al scheelde het vaak geen haar. (stilte) Ik raakte ook betrokken bij zo’n incident. Achteraf besefte ik: ‘Shit, dit had zeer slecht kunnen aflopen.’”

GUY F.: “Bij latere aanvallen vluchtten wij de straat over, waar een aantal met grond bedekte garages dienst deden als primitieve schuilkelder. Soms werden we bedreigd en één van mijn collega’s flipte. Hij laadde zijn wapen en dreigde ermee onze officier af te knallen. Met veel moeite kregen we hem tot bedaren. De officier werd niet veel later ontslagen. De bierconsumptie was gerantsoeneerd tot twee pinten per man per dag, maar hij zorgde ervoor dat de bierkraan continu open bleef staan. Zo wou hij zijn manschappen kalm houden. Alleen werkte dat averechts.”

PETER: “Ik zag ook jongens flippen. Ze moesten meteen gerepatrieerd worden. U moet niet denken dat ze die jongens terugstuurden omdat ze er psychisch onderdoor gingen. Nee, ze stuurden ze terug omwille van baldadigheden en drankmisbruik.”

Ze verdronken hun miserie?

PETER: “U mag het niet voorstellen alsof iedereen er in de drank vloog. Maar sommigen wel, om het gemis van thuis te verdoven of om de ellende waarin ze beland waren te vergeten. Het hoger kader reageerde heel slecht op doorslaande militairen. Onder vijandig vuur liggen en voortdurende stress waren ‘part of the job’, alleen is niet iedereen daartegen bestand. De frustraties kwamen soms tot een kookpunt en af en toe werd er gevochten. Iemand zei iets verkeerd en hop, het spel zat op de wagen.”

DANNY VANORMELINGEN: “Militairen die te veel dronken, stuurde ik als bataljonscommandant naar huis. Op operatie in het buitenland drink je ’s avonds best niet te veel. Ik tolereerde geen zatlappen. De regel was: twee pinten. Drie keek ik door de vingers, maar in Banja Luka bekende een jongen dat hij er tien op had. Dat kon echt niet. Ik stuurde ook militairen met andere problemen naar huis. Niet als straf, maar als hulp. Ik werd daar eerst door de top voor op de vingers getikt; later hebben ze zich daarvoor verontschuldigd. Mijn operatie in Bosnië in de winter van 1998 kwam uit de lucht vallen. De dag dat ik bataljonscommandant werd, hoorde ik dat ik vier maanden later op missie moest vertrekken. Een aantal vrouwen van mijn militairen waren zwanger. Ik stuurde die jongens naar huis om hun kind geboren te zien worden. Ik gaf mensen ook toestemming om naar huis te gaan bij overlijdens. Ik kreeg als commentaar: ‘Waarom laat je iemand naar huis vertrekken voor de begrafenis van zijn grootmoeder?’ Maar wie ben ik om te bepalen hoe sterk de band is tussen een jongen en zijn oma? Sommigen waren opgevoed door hun grootouders. Ik wou niet meemaken dat iemand ging doordraaien omdat hij geen afscheid mocht nemen van een dierbare.”

BALKANHYSTERIE

PETER: “Vrij snel nadat ik terug was uit Kroatië, begon ik te merken dat er iets mis met me was. Eén fout geïnterpreteerde opmerking en ik ging totaal uit mijn dak. Conflicten loste ik in het burgerleven op zoals in het leger: met verbale en fysieke agressie. Ik sloeg mijn kot kort en klein. Vier maanden had ik in totale isolatie samen met die veertig andere jongemannen gezeten. Het was net Big Brother en zo creëerden we een band. Die onbekenden werden broers en partners in crime. Na een tijd vielen we enkel nog op elkaar terug. Terwijl ik weg was, zorgde mijn toenmalige vrouw voor onze kinderen. Zij begreep niets van die band of brothers. De verbondenheid met mijn collega-militairen was sterker dan die met mijn vrouw. Wanneer ik terug thuiskwam, wou zij haar verhaal kwijt. Ook zij maakte ingrijpende gebeurtenissen mee, maar kon bij niemand terecht. Gezinnen van militairen op missie begeleiden, is iets anders dan af en toe een familiedag organiseren. Ik wou zo snel mogelijk weer weg. Zo hopte ik van missie naar missie. Als ik niet in ex-Joegoslavië zat, was ik ergens in Europa op militair kamp. Ik kwam thuis, stak mijn vuile was in de machine, mijn vrouw streek mijn uniform, ik stak het in mijn ransel en was weer weg. Ik begreep niets meer van het gewone, dagelijkse leven.”

GUY F.: “Na terugkomst van mijn missie naar Sarajevo kreeg ik gezondheidsproblemen. Lichamelijk was ik een wrak. Ik voelde me totaal uitgeput en kreeg last van slaapaanvallen. Tijdens een gewoon gesprek viel ik van het ene moment op het andere gewoon in slaap. Ik was een gevaar op de weg, want ik viel ook in slaap achter het stuur. De diagnose van de legerdokter luidde: ‘Gebrek aan aandacht.’ Ik werd doorgestuurd naar een psycholoog; die vond verder onderzoek niet nodig. Ik ging op eigen initiatief naar de slaapkliniek. Ik moest meteen mijn rijbewijs inleveren en kreeg medicatie om de slaapaanvallen te onderdrukken. Ik had een storing in mijn neurotransmitters. Ik ontmoette collega’s die in Bosnië gediend hadden met gelijkaardige symptomen. Ook militairen op missie in Kroatië werden ziek. Sommigen kregen kanker en overleefden dat niet. Toen werd geïnsinueerd dat verarmd uranium aan de oorzaak lag van wat toen het ‘Balkansyndroom’ werd genoemd. Alleen beweren de Amerikanen dat ze nooit uranium gebruikt hebben toen wij daar waren.”

Het Balkansyndroom werd al snel ‘Balkanhysterie’ gedoopt.

PETER: “Van in het begin koos de legerleiding ervoor haar kop in het zand te steken. Verschillende mensen uit mijn regiment overleden op jonge leeftijd. Is dat toeval of was er meer aan de hand? Een van die collega’s sliep naast me. Op dat moment blaakte hij van gezondheid. Een vrolijke levensgenieter. Hij was een paar weken thuis en hij zakte ineen. Een paar jaar later was hij dood. Achteraf bleek dat ze ons gekazerneerd hadden op chemisch verontreinigde sites. ’s Nachts moesten we tijdens beschietingen regelmatig in de schuilkelder. Later werd duidelijk dat die kelder ten tijde van het communisme een opslagplaats was voor chemische troep.”

Was de legerleiding daarvan op de hoogte?

PETER: “Dat weet ik niet. ‘De legerleiding’ zijn managers die mijlenver verwijderd zijn van de werkelijke militaire wereld. Korporaals en sergeanten interesseren hen niet; dat is maar het voetvolk, het kanonnenvlees. Een officier heeft daar niets mee te maken. De onderluitenant, de pelotons-, compagnie- en bataljonscommandanten wel, want zij zijn mee op missie. Maar hun motivatie is vaak dat zo’n buitenlandse uitstap fraai oogt op hun cv. Dat is hun toegangsticket tot de generale staf in Brussel.”

VANORMELINGEN: “Ik bracht de legertop wél op de hoogte. In 2000 sprak de personeelsofficier me aan: ‘Kolonel, deze tien militairen hebben kanker. Ze dienden in de Baranja. Dat is toch eigenaardig?’ Ik was bezig aan mijn laatste twee weken als bataljonscommandant. Ik stuurde een nota naar de legertop. Want dat was inderdaad niet normaal. Ze hadden allemaal een andere vorm van kanker. Een militaire vakbond kreeg mijn nota in handen, waarna er heisa ontstond over dat vermeende Balkansyndroom. Op het moment dat ik mijn nota schreef, was één jongen overleden. Later stierven er nog twee. Ze hadden allemaal in het kasteel van Darda overnacht. Daar hing een smurrie aan het plafond waarvan vermoed werd dat die giftig was. Ik sprak later met de generaal die verantwoordelijk was voor het onderzoek. Volgens hem was er geen enkel verband.”

GUY F.: “Zoveel jaren later is het voor mij duidelijk dat PTSS een belangrijk deel van de verklaring is voor mijn symptomen. Want we kwamen in een allesbehalve alledaagse situatie terecht. De meeste mensen die later ziek werden, waren net degenen die zich op missie grote zorgen maakten.”

Was er tijdens die buitenlandse opdrachten psychologische ondersteuning?

PETER: “Nooit. Natuurlijk maakten wij geen Vietnamtoestanden mee. De PTSS van een militair die het hoofd van zijn strijdmakker ziet exploderen, zal groter zijn dan die van ons. Ik ben blij dat ik niemand van mijn vrienden heb zien afknallen. Maar in ex-Joegoslavië kwamen wij wél in gevaarlijke omstandigheden terecht. ‘Ze gaan naar een vredeszone.’ Echt? Vogelsang was een vredeszone; in ex-Joegoslavië woedde een waanzinnige oorlog.”

GUY F.: “Toen ik in het leger ging, was ik kerngezond. Pas na die missie in Bosnië werd ik ziek. Maar de legertop weigerde te erkennen dat er een verband was. De medische dienst haalde een document boven waaruit bleek dat ik in 1980 één voorschrift had gehad voor een antidepressivum. Hun conclusie luidde dat ik voorbestemd was om ooit psychisch ziek te worden. Ik vroeg: ‘Waarom zonden jullie me dan 14 jaar later naar Bosnië?’”

VANORMELINGEN: “Op missie in Bosnië in ’98 en ’99 was er een officier mee die een master psychologie gehaald had en een aalmoezenier. Iedereen die het moeilijk had, kon bij de padré terecht. Op een bepaald moment werd er vanuit België een psycholoog naar ons gestuurd om meditaties te leiden. Maar échte opvolging nadien, was er niet. Er werd wel altijd gezegd: ‘Laat het ons weten als je problemen hebt. Dan zullen we er iets aan doen.’ Het is niet zo dat Defensie haar kop in het zand stak. Alleen was de kennis over PTSS toen niet groot.”

PETER: “Ik raakte mijn gezin kwijt door mijn agressieve gedrag als gevolg van die missies. Ik kreeg mijn compleet onvoorspelbare reacties ook aan niemand uitgelegd. Bij mijn oversten moest ik al helemaal niet aankloppen. PTSS wordt gezien als een vorm van zwakte. Misschien terecht, want op de keper beschouwd ís het ook zwakte: dat wil zeggen dat je niet geschikt bent voor je job.”

Wil dat niet gewoon zeggen dat je een traumatische gebeurtenis niet verwerkt krijgt?

PETER: “Zeker, maar van een beroepsmilitair wordt verwacht dat hij in alle omstandigheden kan opereren. Daar heeft hij ooit zelf bewust voor gekozen. Een militair zal zelden of nooit tijdens een missie tegen andere leden van de groep zeggen: ‘Ik heb het moeilijk.’ Je bent jong, fit, getraind en straalt actie uit. Dan begin je in de bar niet te kniezen: ‘Ik wil naar huis, want ik mis vrouw en kinderen.’ Ik miste mijn gezin verschrikkelijk hard. Ik heb mijn kinderen niet zien opgroeien.”

Omdat u continu bij uw wapenbroeders wou zijn?

PETER: “Omdat ik geen andere keuze had. Als infanterist moést ik op missie en al die kampen meedoen. Daar vrijstelling voor vragen, stond gelijk met als watje afgeserveerd te worden. We mochten niet onderdoen voor de para’s. De groepsdruk was gigantisch; de machocultuur in het Belgisch leger is enorm. Ik beschouwde mijn gezin niet meer als mijn thuis, maar mijn bataljon.”

VANORMELINGEN: “Ik trad altijd hard op tegen de machocultuur. Normaal wordt het kenteken op de muts gedragen boven het linkeroog. Sommigen hingen de Rambo uit en droegen het kenteken boven hun linkeroor. Ik wees hen dan terecht: ‘Hier zijn geen Rambo’s. Gedraag je normaal.’ Ik liet ook meermaals verstaan: ‘Hier wordt niet gepest. Pesters vliegen naar huis.’”

PETER: “Uiteindelijk liet ik me nog niet zolang geleden opnemen. Drie weken lang zat ik in de psychiatrie. Er zijn nog nachten dat ik badend in het zweet wakker word. Door die zaak met Jürgen komen mijn demonen uit het verleden terug. Er zijn momenten waarop ik begin te wenen. Niet alleen voor wat er gebeurd is, maar ook voor wat ik in die jarenlange nasleep anderen heb aangedaan.”

*Peter is een schuilnaam. Zijn echte naam is bekend bij de redactie. Guy F. wil liever niet met zijn volledige achternaam in Humo.

© Jan Stevens