‘Net als in 1789 is er nu ook oorlog en schaarste’

In het magistrale De Franse Revolutie beschrijft Johan Op de Beeck de geboorte van de Franse republiek door de ogen van de Belgische revolutionair François Robert. “De ingrediënten die de Franse Revolutie lanceerden, beheersen nu ook ons leven.”

Johan Op de Beeck bewijst opnieuw dat hij een meesterverteller is met het eerste deel van zijn duologie over De Franse Revolutie. Met veel schwung voert hij zijn lezers door Frankrijk in het laatste decennium van de 18e eeuw, van de bestorming van de Bastille in 1789 tot de staatsgreep van Napoleon in 1799.

Het pas verschenen eerste deel eindigt aan de vooravond van de bloeddorstige terreur, toen de guillotine overuren maakte. Het tweede deel wordt verwacht tegen oktober van dit jaar. “Daar ben ik nog volop aan bezig”, zegt de auteur. “Tijdens het schrijven duikel ik van de ene verrassing in de andere. Het ene interessante historische document leidt naar alweer een ander intrigerend verhaal. Dat is fascinerend, maar ook zeer arbeidsintensief.”

Op de Beeck vertelt het gekende verhaal van de opstand van het Franse volk tegen de feodale adel en geestelijkheid door de ogen van de Belgische revolutionair en advocaat François Robert (1763-1826). Een gouden vondst. “Ik wou al lang een boek over de Franse Revolutie schrijven. Vijftien jaar lang dacht ik na over hoe ik dat best zou aanpakken. Want het is een complexe geschiedenis en het is een hele uitdaging om het verhaal zo te brengen dat lezers niet na tien bladzijden het spoor bijster zijn. Ik ben blij dat ik met François Robert de juiste invalshoek gevonden heb.”

Ik had nog nooit van de man gehoord.

“Ik kende zijn naam, maar verder wist ik niets over hem. Ik zag zijn geschilderde portret in de ‘Salle de 1792’ in het paleis van Versailles, naast beroemdheden als Marquis de la Fayette en Napoleon Bonaparte. François Robert was een revolutionair van de eerste orde en bleek in het Prinsbisdom Luik geboren te zijn.”

Hij was een boerenzoon?

“Hij komt uit Gimnée, een boerengat. Ik heb dat dorpje bezocht en denk dat het vandaag niet veel verschilt van hoe het er toen bij lag. (lacht) François Roberts vader bezat vier boerderijen en was ook burgemeester. Zijn moeder baatte een herberg uit en verhandelde bier. Roberts ouders waren niet arm; ze lieten hem rechten studeren. Daarna ging hij aan de slag als advocaat in de Franse stad Givet. Door een rechtszaak belandde hij in juli 1789 in Parijs. Hij kwam er in het oog van de storm terecht.

“Robert had de verlichtingsfilosofen gelezen en besloot quasi meteen om mee te doen met die nieuwe beweging. Hij ontpopte zich tot de eerste revolutionair die de monarchie wou vervangen door de republiek. De chauvinistische Fransen zijn ervan overtuigd dat de filosoof, wiskundige en politicus Nicolas de Condorcet de drager van de eerste republikeinse gedachte is. Ik voel grote bewondering voor Condorcet, maar dat is dus niet waar. De eerste republikein blijkt ‘onze’ François Robert te zijn. Al bestond België op dat moment natuurlijk nog niet als staat.”

Er werd wel over ‘de Belgen’ gesproken?

“Zeker. Op landkaarten van die tijd stond ‘La Belgique’. In diplomatieke correspondenties ging het over ‘les Belges’. La Belgique was een begrip. De staat was nog niet ontstaan, maar de naam was er wel al. Tijdens de Franse Tijd (1794-1815) kwam François Robert vaak als commissaris naar België. De laatste elf jaar van zijn leven bracht hij in Brussel door.”

Af en toe maakt u een uitstap naar onze contreien, waar zich in 1789 met de mislukte ‘Brabantse Omwenteling’ een mini-Franse Revolutie voltrok.

“François Robert speelde daar ook een belangrijke rol in. De Brabantse Omwenteling werd een sof. Ze vertrok onder impuls van de reactionaire katholieke advocaat Hendrik van der Noot. Hij wou zo de nieuwe klasse van werklieden en vrije beroepen buiten de macht houden. Zijn medespeler Jan Frans Vonck had ook rechten gestudeerd, maar was verlicht en liberaal. Hij noemde zichzelf ‘democraat’ en hoopte om met zijn revolutie een democratische staat te kunnen oprichten. Maar de Belgische democraten waren zo behoudsgezind dat de Parijse revolutionairen er niets mee te maken wilden hebben.”

U beschrijft de aanloop naar de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789. Die aanval op de Parijse gevangenis staat gemarkeerd als het symbolische beginpunt van de Franse Revolutie. Tijdens het lezen besloop me het ongemakkelijke gevoel dat we vandaag in een gelijkaardig prerevolutionair klimaat zijn aanbeland.

“Ik begrijp wat u bedoelt: net als toen is er oorlog en schaarste. En net als toen rollebollen de veranderingen in een rotvaart over elkaar heen. Het is niet bij te houden: mensen die gisteren nog talk of the town waren en schijnbaar harde standpunten innamen, worden vandaag voorbijgestoken door iemand met een nog grotere mond. De ingrediënten die in 1789 de Franse revolutie lanceerden, beheersen nu ook ons leven, alleen niet tezelfdertijd. Precies die combinatie van gelijktijdigheid van factoren leidde in 1789 tot iets wat we tot nu toe niet meer meemaakten. Eén van die herkenbare factoren is een overheid die niet langer ervaren wordt als legitiem; die zelfs wordt weggezet als onbekwaam.”

Een andere herkenbare factor: de gigantische overheidsschuld.

“Net als het fenomeen van nieuwe politieke spelers die met soms zeer radicale standpunten een publiek aanspreken. Het grote verschil is dat er in 1789 met de verlichting een groot maatschappelijk veranderingsproject was. Dat is er nu veel minder.”

Komt het ecologisme als antwoord op de dreigende klimaatverandering niet in aanmerking?

“Ecologisme is een zeer belangrijk onderwerp, maar als je heel onze samenleving in ogenschouw neemt, denk ik dat de gewone mensen heel binnenkort met andere zorgen te maken zullen krijgen. Dat zie je nu al. Het gaat dan over bezorgdheden die vergelijkbaar zijn met toen. Zoals: ‘Kan ik morgen mijn kinderen nog veilig naar school laten gaan?’ Maar vooral: ‘Zal ik ze nog een boterham kunnen geven?’

“Het zou me niet verwonderen dat net als in 1789 de toenemende schaarste ontzettend belangrijk wordt, waardoor onze basisnoden onder druk komen. Dan sluipt er angst binnen; de geschiedenis leert dat zo’n scenario faliekant kan aflopen.”

De huidige schaarste zagen we niet aankomen.

“Die komt inderdaad onverwacht. In 1789 werd de ene schaarste van een levensmiddel gevolgd door een andere. Die schaarstes hakten er zeer stevig in. Nu swingen de energieprijzen de pan uit, maar ik vrees dat voor heel wat mensen in de nabije toekomst ook levensmiddelen een schaars goed zullen worden. Misschien neemt dan net als toen de bereidheid toe om geweld te gebruiken. Onze maatschappij werd de voorbije jaren al agressiever en zelfzuchtiger. Ik maak me dus net als u ook zorgen.

“Er ontbreken nog een paar schakels, zoals dat grote begeesterende nieuwe project. Het duurde duizend jaar vooraleer de mens tot nieuwe inzichten kwam die kristalliseerden in de verlichting. Het middeleeuwse feodalisme moest baan ruimen voor democratische instellingen, kerk en staat werden gescheiden en de rede en het individu moesten zegevieren. Zo’n nieuwe grote visie is er vandaag nog niet.

“Al sta ik toch te kijken van wat er zich nu al voor onze ogen voltrekt. De oorlog in Oekraïne, bijvoorbeeld, lijkt onwaarschijnlijk; toch waren er voortekenen. In mijn boeken over Napoleon speelde de Krim al een belangrijke rol. De annexatie door Rusland in 2014 en de huidige invasie in de rest van Oekraïne komen niet zomaar uit de lucht vallen. De Russische leiders koesterden altijd imperialistische plannen, richting het westen. Europeanen schatten dat totaal verkeerd in. De vorige Duitse kanselier Angela Merkel voerde de nucleaire uitstap radicaal door en verving kerncentrales door gas uit Rusland. Vandaag is Duitsland als belangrijkste land van Europa voor zijn energievoorziening afhankelijk van de grootste dictatuur op het continent.”

Ik las onlangs een artikel waarin Vladimir Poetin werd omschreven als een leider die in zijn beginjaren ‘rationeel en pragmatisch’ was. Alsof hij al meteen na zijn aantreden in 1999 in Tsjetsjenië niet exact hetzelfde deed wat hij nu in Oekraïne aan het doen is: steden meedogenloos naar het stenen tijdperk bombarderen.

“U heeft gelijk hoor, maar met geschiedenis moet je toch opletten. Wij kunnen nu feiten uitleggen aan de hand van onze kennis over wat er in het verleden gebeurd is. Zo leggen we verbanden en ontwaren we een patroon. Maar de mensen die op het moment zelf met hun beide voeten in die gebeurtenissen staan, zoals tijdens de Franse Revolutie, hebben vandaag geen benul van wat er morgen zal gebeuren. Wij weten dat nu wel, zij niet.

“Zo vond er in 1789 een steeds groter wordende radicalisering plaats. Dat was echt ongelooflijk. Mensen die bij de start van de revolutie voor radicale verandering opriepen, werden twee jaar later onthoofd omdat ze niet radicaal genoeg waren. Overrompelende vernieuwers werden in een mum van tijd terzijde geschoven en uit de samenleving verbannen.”

François Robert overleefde dat allemaal, wat voor een kopstuk van de Franse Revolutie toch een hele prestatie was? Op het einde van uw boek drukt u een lijstje af met de hoofdrolspelers. Het is opvallend hoeveel er tussen 1792 en 1796 het loodje legden.

“In het tweede deel van De Franse Revolutie zal beschreven staan hoe ook Robert de gitzwarte jaren van de Terreur in 1793 en 1794, toen de guillotine op volle toeren draaide, bijna niet overleefde. Meteen daarna volgde de ‘witte Terreur’, de anti-revolutionaire afrekeningen. François Robert was toen politiek behendig genoeg om zichzelf onzichtbaar te maken. Je zou dat laf kunnen noemen, maar wat doet een mens wanneer hij voor zijn leven vecht? Je kunt je niet voorstellen met hoeveel angst veel mensen toen leefden. Toch vonden ze de moed om door te blijven gaan. François Robert is voor mij de doorsnee revolutionair; de man die radicaal begint.”

Wat wil ‘radicaal’ dan zeggen?

“Radicaal republikeins. Tijdens de eerste revolutiegolf in 1789 was er geen sprake van om koning Louis XVI te liquideren. Frankrijk moest een constitutionele monarchie worden. Twee jaar later werd de koning onthoofd.”

Robert was daar voorstander van?

“Tijdens een zitting van de Nationale Conventie die een nieuwe grondwet moest opstellen, stemde François Robert voor de doodstraf voor de koning. Ik vond dat document terug waarop zijn handtekening prijkt. Ik vond wel meer leuke dingen, zoals zijn huwelijksakte. (lacht)

“Robert trouwde met Louise de Kéralio, een Parijse schrijfster met naam en faam uit een begoede familie. Het huis van haar ouders was een plek waar de revolutionairen graag kwamen discussiëren. Roberts vader moest aan de Kéralio’s een bruidschat betalen: 10.000 Franse ponden en de helft van de familiale bezittingen in Gimnée, Mazée en Dourbes.

“In augustus 1789 richtte Louise de krant Mercure Nationale op. François Robert werd één van de ‘patriottische journalisten’ van die krant en kreeg zo heel wat invloed in revolutionaire middens.”

De krant van het echtpaar Robert-Kéralio maakte veel schulden. Toen de kersverse minister van Justitie Georges Danton in augustus 1792 aan François Robert vroeg om zijn kabinetschef te worden, kwam dat als een godsgeschenk. Enig opportunisme was de revolutionair niet vreemd?

“Opportunisme zou ik dat toch niet noemen. De revolutionairen surften allemaal op een golf waarvan niemand wist hoe lang ze zou duren en waar ze zou stranden. Ze werden geleefd. Als de grote Danton je nodig had, deed je gewoon mee. Oók uit overtuiging.”

Het kwam Robert toch ook goed uit? Hij had minstens 24.000 pond schuld, volgens een krant uit die tijd zelfs 200.000 pond.

“Alles wat de revolutionairen ondernamen, was een mengeling van hoge idealen, pragmatisme en opportunisme. Precies daarom is François Robert voor mij dé doorsnee Franse revolutionair. Met opportunisme bedoel ik: ‘Het gebeurt, ik heb geen andere keuze, ik moét mee aan boord springen.’ Met pragmatisme: ‘Hoe word ik er zelf beter van?’, waarbij sommige revolutionairen aardig uit de bol gingen. Daarom was een man als Maximilien de Robbespierre in die eerste jaren zo populair. Hij kon nooit verdacht worden van zakkenvullerij of corruptie. Het leek zelfs alsof hij niet rijk was, want hij woonde in een eenvoudige huurkamer. Aan zo goed als alle andere hoofdrolspelers van de revolutie zat wel een geurtje: ofwel lieten ze zich omkopen, ofwel hadden ze amoureuze besognes. Danton, bijvoorbeeld, was een wellusteling. Maar de advocaat Robespierre, de Onkreukbare of l’Incorruptible, gedroeg zich als een man van het volk en leek daarom ook te vertrouwen. In werkelijkheid was hij niet ‘onkreukbaar’ omdat hij voor het gewone volk was, maar omdat hij ‘deugdzaam’ was. Voor het ideaal moest elke emotie wijken. Ook vandaag hoor ik in naam van een legitiem ideaal soms akelige uitspraken. Die zuiveren of fundi’s vind je in zowat alle politieke stromingen, of het nu over ecologisme, nationalisme of socialisme gaat.”

Misschien is die hang naar zuiverheid een reactie op onze democratische besluitvorming die traag maalt en vaak eindigt met een verwaterd compromis?

“Dat was toen ook al zo. Van 2 tot 6 september 1792 trok een groep van een honderdtal ‘deugdzame’ burgers van de ene naar de andere gevangenis om opgesloten tegenstanders van de Franse Revolutie over de kling te jagen. François Robert was nog maar pas aangesteld tot kabinetschef van Danton. Meer dan duizend mensen werden op beestachtige wijze vermoord. Vlak na de slachting durfde niemand de Septembermoorden te veroordelen.

“De Franse justitie werd door de Nationale Conventie hervormd en gedemocratiseerd; op die basis zou Napoleon later zijn Code Civil bouwen. Er werd al snel gemord: ‘Wat is dat toch met die rechtbanken? Ze werken te traag en niemand begrijpt er iets van.’ De roep om uitzonderingsrechtspraak werd steeds groter. In maart 1793 praatte minister van Justitie Danton de Nationale Conventie een uitzonderingsrechtbank aan: de ‘Tribunal Révolutionaire’. Hij baseerde zich daarvoor op ideeën van Robespierre. Dat snelrecht ging heel ver: beklaagden werden zelfs het recht op een advocaat ontzegd. Er waren maar twee straffen meer mogelijk: schuldig of onschuldig. Schuldig betekende de doodstraf, binnen de 24 uur. Wie luidop zei: ‘Het brood wordt toch wel duur’, was niet verdacht maar schuldig. Je kon dan aangeklaagd worden en de kans was zéér groot dat je onder de guillotine eindigde. Je kreeg de doodstraf niet voor daden, maar voor uitspraken of gedragingen. Zo waagde een prostituée het om te lachen met het kostuum van Robbespierre. Haar hoofd moest rollen.

“Ik verdenk sommigen ervan dat ze vandaag ook graag zo’n uitzonderingsrechtank zouden willen installeren. Een studentenblad riep een tijdje geleden op om niet langer het woord te geven aan klimaatsceptici. Ik ben zelf geen klimaatscepticus en wil een snelle oplossing voor het klimaatprobleem, maar ik ben óók een groot voorstander van vrijheid van meningsuiting. Iedereen mag nonsens vertellen; hij of zij zal weggehoond worden en met tegenargumenten het pleit verliezen. Wat we nooit mogen doen, is het debat vernietigen of onmogelijk maken. Het is aan niemand om te bepalen wie wel of niet geïnterviewd mag worden. Dat is exact wat de ‘zuivere’ Robbespierre wou én ook gedaan kreeg. Mensen met afwijkende meningen werden geëlimineerd. Gelukkig zijn we daar nog niet aan toe.”

Een heel hoofdstuk in uw boek gaat over nepnieuws. Wij geloven dat fake news iets van onze tijd is, maar eind 18e eeuw floreerde dat ook al?

“In het landelijke Frankrijk, in Marseille, Dijon en alle kleine dorpen, kregen de inwoners soms pas weken na Parijs de krant te lezen. Ze waren slecht geïnformeerd en kenden nooit goed de politieke achtergronden. Ze lieten zich makkelijk meesleuren in draaikolken van vermoedens en nepnieuws. Ze werden bang en namen soms op onzin gebaseerde beslissingen. In het dorp Ruffec zagen ze hoe een stofwolk in de verte het dorp naderde. De boeren dachten: ‘Daar is de roversbende die ons voorspeld is! We jagen ze vannacht over de kling.’ Achteraf bleken dat dan bedelmonniken te zijn.

“De verspreiding van nepnieuws werkte als een brandversneller. Niet alleen in Parijs, maar over het hele land waren er uitbarstingen van geweld. ‘Le grand peur’ beïnvloedde het werk in de Wetgevende Vergadering, het eerste modern functionerende parlement van Frankrijk. Sommige leden jammerden: ‘De gangsterbendes zullen onze kastelen platbranden.’ Dus werd er naast vooruitstrevende wetgeving ook een heus repressieapparaat op poten gezet. Die Nationale Garde werd een wapen in de handen van de burgerij om iedereen onder de knoet te houden. Dat maakte de Franse Revolutie zo paradoxaal.”

Want te midden van het vele geweld en de grote onzekerheid werd intussen wel de feodale monarchie hervormd tot een democratische republiek?

“Ja, maar voor een verarmde edelman die zijn kasteel zag afbranden, moet dat toch niet makkelijk geweest zijn. (lacht) Zoals altijd was ook tijdens de Franse Revolutie de mens niet zwart-wit. Robbespierre was niet hét boegbeeld van satanische slechtheid en Danton was niet dé heilige die sommigen van hem maakten. Het was een paradoxale periode met zeer idealistische mensen die tezelfdertijd bereid waren om de grootste gruweldaden te plegen in naam van ‘het ideaal’ en hun grote gelijk.

“Dat ‘grote gelijk’ is er ook vandaag. Ik denk vaak: al een geluk dat we in een democratisch systeem leven dat met haken en ogen aaneen hangt. Winston Churchill zei: ‘Democratie is de slechtste vorm van bestuur. Maar in vergelijking met al de rest, is het het beste wat er bestaat.’ Hij heeft gelijk.”

Met de grote idealen van de Franse Revolutie, ‘gelijkheid, vrijheid en broederlijkheid’ en de ‘Verklaring van de rechten van de mens’ was toch niets mis?

“Ze vormen zonder enige twijfel de grondslagen van onze huidige maatschappij. Een paar miljard mensen op deze planeet benijdt ons omwille van onze vrijheden en rechten. In de tijd van de Franse Revolutie werden die idealen verschillend geïnterpreteerd. Het was Napoleon die die idealen in de plooi legde, vooral dan de gelijkheid. Robbespierre beschouwde de republiek niet zozeer als het rijk van de gelijkheid, maar van de deugdzaamheid. Met alle vreselijke gevolgen van dien.”

Nog een parallel met deze tijd is het oprukkende populisme.

“Ik gebruik dat woord in mijn boek bewust niet, omdat het uit de pen van François Robert als een anachronisme klinkt. Jean-Paul Marat was als journalist van het populistische L’Ami du Peuple enorm invloedrijk. Hij had massaal veel aanhang bij het gewone volk, maar vertegenwoordigde geen enkel politiek project. Marat had geen idee welke richting het land uitmoest. Hij schreef in slogans: ‘Gooi alles omver! Le peuple aan de macht!’ Zo kennen we er vandaag nog. In naam van le peuple was volgens Marat alles gepermitteerd. Wie als ‘vijand van het volk’ of ‘verrader’ gestigmatiseerd werd; kon het wel schudden. Marat is verantwoordelijk voor de dood van duizenden.”

Wordt er in het huidige Frankrijk tijdens deze presidentsverkiezingen ook geschermd met termen zoals ‘verrader’ en ‘vijand van het volk’?

“Ik denk het niet, maar in een groot deel van West-Europa wel. Er worden etiketten geplakt zoals ‘klimaatontkenner’ of ‘klimaatfundamentalist’, zodat de grote meerderheid weet: met die idioot valt niet te praten. Dat geldt niet alleen in de discussie over de klimaatverandering, maar op talloos veel terreinen.

“De erfenis van de Franse Revolutie blijft tot vandaag zeer belangrijk in Frankrijk. De laïcisering zit er ingebakken; dat is een rechtsreeks gevolg van de republiek. Radicaalrechtse politici als Éric Zemmour en Marine Le Pen proberen zich dat republikeinse ideaal toe te eigenen: ‘Wij zijn de republiek! Het Frankrijk van 1789, van de revolutie, dat zijn wij!’ Wat een leugen is. Met als gevolg dat politici van de linkerzijde met de vinger gewezen worden als ook zij roepen: ‘Wij zijn de republiek!’ Want zij omarmen dan zogezegd een ideaal van radicaalrechts. Zo raakt het debat totaal vergiftigd.”

Waar situeert president Emmanuel Macron zich?

“Nergens. (lacht)”

Hij gedroeg zich als een staatsman door de voorbije weken met Poetin te blijven bellen en praten?

“Ja, maar naar het schijnt was hij over de kansen op oorlog in Oekraïne slecht ingelicht door zijn militaire inlichtingendienst. De Amerikanen voorspelden een totale invasie en kregen gelijk.

“De Fransen lezen Rusland verkeerd. Ze hebben nog altijd niet door dat de Russen anders denken. Om over de Chinezen nog maar te zwijgen. Want die willen in 2049 de absolute supermacht worden omdat ze dan een eeuw volksrepubliek vieren.

“De Fransen stemden nu voor Macron uit armoede, omdat er niets beter voorhanden is. Ze kozen niet voor hem omdat hij de uitstraling van De Gaulle of Mitterand heeft.”

Ligt aan de basis daarvan Macrons voorganger, de weinig begeesterende François Hollande?

“Ik denk het wel. Al begon het al onder Nicolas Sarkozy. Maar Hollande had inderdaad de uitstraling van een saaie boekhouder. Het presidentschap heeft een klein beetje zonnekoninggehalte nodig. Grandeur, maar ook ambitie en durf. De president moet van aanpakken weten. De Fransen kunnen iemand enthousiast verkiezen, om hem met hetzelfde gemak vier jaar later te verguizen. Hollande beroerde geen enkele emotie.”

Heeft Macron wel dat aura van Zonnekoning?

“Hij probeert dat toch, al komt hij in mijn ogen niet tot aan de enkels van de échte Zonnekoning. Louis XIV had natuurlijk wel 60 jaar meer tijd. (lacht)”

Johan Op de Beeck, De Franse Revolutie I, Horizon, 544 blzn., 34,99 euro

Bio

  • geboren in Duffel in 1957
  • studeerde communicatiewetenschappen
  • begon in 1980 te werken als journalist en nieuwslezer bij de VRT
  • verliet 10 jaar later de VRT en richtte zijn eigen mediabedrijf op
  • keerde in 2003 terug naar de VRT als netmanager van Ketnet en Canvas
  • maakte verschillende tv-documentaires zoals Masters of the Game en Atlantik Wall
  • schreef historische bestsellers over o.a. Napoleon en De Zonnekoning

© Jan Stevens

‘Wij lieten de mentale gezondheid níet links liggen’

Zaterdag 9 april luidde het einde in van het Coronacommissariaat en de GEMS of de ‘Groep van Experts voor Managementstrategie van COVID-19’. GEMS-voorzitter Erika Vlieghe voorspelt: “Ik verwacht niet dat ons werk als experts tot nul herleid wordt.”

“Corona is jammer genoeg niet voorbij”, zegt infectiologe Erika Vlieghe. “Maar depressief moeten we daar niet door worden. Want vandaag bevinden we ons in een veel betere situatie dan twee jaar geleden. Alleen kan niemand voorspellen hoe de pandemie verder evolueert. Misschien komt er een ernstiger ziekmakende variant, misschien niet. De impact van de huidige golf op het ziekenhuissysteem is natuurlijk niet zo dramatisch als die van een half jaar geleden, toch verstoort ook zij de zorg.”

Ook hier in het UZ Antwerpen?

“Wij zitten in ‘code zwart’, wat wil zeggen dat er nauwelijks bedden vrij zijn. Intensieve zorgen is niet overspoeld door covid, maar alle andere afdelingen liggen overvol. Dat heeft als bizar gevolg dat patiënten die voldoende hersteld zijn, niet meteen van intensieve overgebracht kunnen worden.”

Misschien is de huidige omikronvariant goed voor onze groepsimmuniteit?

“Omikron draagt zonder twijfel bij aan onze immuniteit, maar het advies is niet: ‘Laat je maar besmetten.’ Het virus gaat nu snel rond. Ik zie het in mijn omgeving: ontzettend veel kennissen kregen covid. Maar het is een illusie om te geloven dat het voorbij zal zijn als iedereen ziek geweest is.”

Wanneer hoorde u twee jaar geleden voor het eerst over dat nieuwe virus?

“Begin januari 2020. We wisten nog niet dat het zo groot zou worden, maar omdat het in China begon, waren we gealarmeerd. China vormt de perfecte startbasis voor een pandemie: er wonen veel mensen, er is op grote schaal intens contact tussen mens en dier en het land is door de globalisering verbonden met de rest van de planeet. Een uitbraak in de Congolese brousse is vreselijk en moet een halt toegeroepen worden. Alleen zal die nooit zo snel verspreiden als een uitbraak in een miljoenenstad in één van de meest verbonden landen ter wereld. Zorgwekkend was ook dat veel mensen meteen ernstig ziek werden. De jaren ervoor passeerden er al virussen de revue waarover we ons eerst zorgen maakten, maar die uiteindelijk meevielen.

“SARS-CoV-1 zag er begin deze eeuw erg onheilspellend uit en er waren de dreigingen van het vogelgriepvirus en MERS. De Mexicaanse griep in 2009 kwam het dichtste in de buurt van de huidige pandemie. Als dat virus agressiever en ziekmakender was geweest, zaten we toen al in een covidscenario.

“Net als oorlog beschouwden we epidemieën als iets wat ons, Europeanen, nooit nog zou overkomen. Zo’n epidemie was iets voor verre landen en oorlog was al meer dan 75 jaar geleden. Tot corona uitbrak, gevolgd door de Russische invasie in Oekraïne.”

Hoe kijkt u terug op die eerste strenge lockdown met gesloten grenzen en mensen wier bewegingsvrijheid beperkt werd? Zweden ging niet in lockdown. Volgens sommigen hadden de Zweden gelijk. Ze verwijzen dan naar de dodentol: in Zweden stierven bijna 18.400 mensen op een totale bevolking van 10,3 miljoen; in België bijna 31.000 op 11,5 miljoen.

“Dat Zweedse succesverhaal is zeer relatief. In vergelijking met zijn Scandinavische buren scoorde het land niet goed. Je kunt Zweden op geen enkele manier met België vergelijken. De bevolkingsdichtheid verschilt drastisch, maar ook de mentaliteit is anders. Met een aantal bestanddelen van de lockdown hadden we minder krampachtig moeten omspringen. Maar met het concept van de lockdown was op dat kritieke moment niets mis. Er kwam een nieuw besmettelijk virus op ons af. Het beste wat we in dat geval konden doen, was ervoor zorgen dat mensen zo weinig mogelijk contact met elkaar hadden. Als je een besmetting wilt indijken, is er niets krachtiger dan het tot een minimum beperken van contacten. In die context waren de maatregelen dus níet overdreven.”

In Frankrijk mochten mensen op een bepaald moment amper nog hun huis uit.

“Op dat moment stonden alle overheden voor de keuze hoe hard ze die lockdown bij hun burgers wilden afdwingen. Ook in Spanje waren ze extreem streng. Spaanse gezinnen met kleine kinderen mochten wekenlang hun flat nauwelijks verlaten. Dat leek waanzin, maar de uitleg was: ‘We moeten streng zijn; anders doen ze toch hun zin.’ Griekenland had zeer strenge maatregelen, maar in de dagelijkse praktijk werden die amper opgevolgd. In Scandinavië was het dan weer het tegengestelde. Een slimme lockdown probeert de grootste risico’s er zoveel mogelijk uit te halen.”

Wanneer werd u gevraagd om een leidende rol op te nemen?

“Dat ging geleidelijk. Half januari 2020 gaf de ontslagnemende minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) aan Sciensano-viroloog Steven Van Gucht de opdracht om een wetenschappelijk comité samen te stellen. Steven nodigde me toen uit. Oorspronkelijk bestond ons groepje uit een paar mensen van Sciensano, Marc Van Ranst en ikzelf. We gaven vooral advies aan de Risk Management Group (RMG), het bestaande overheidsteam dat beslist over maatregelen om de volksgezondheid te beschermen.

“Op 1 april werd ik opgebeld door toenmalig premier Sophie Wilmès (MR). Heel even dacht ik: ‘Dit is een aprilgrap.’ (lacht) Ze zei: ‘Ik plan om een comité met 10 experts op te richten.’ Ze omschreef dat als: l’intelligence collective. Die experts moesten uit verschillende disciplines komen en zij wou dat ik al die intelligentie samenbracht om een exitplan te ontwerpen. De kersverse Groep Experts voor de Exitstrategie (GEES) moest in kaart brengen hoe het land uit de ellende kon geraken.”

U zei meteen ja?

“Ik vroeg bedenktijd. ‘Niet te lang’, antwoordde de premier. Ik overlegde met mijn vriend, een paar collega’s en mijn baas. Want de rest van het werk bleef gewoon doorgaan. Op dat moment wist ik nog niet hoe intensief het zou worden.

“Politici leven in een compleet ander universum dan wetenschappers. Voor beide partijen was het ontzettend hard wennen. Als wetenschapper zeg je voortdurend: ‘Even afwachten. De cijfers lopen nog binnen en die moeten we goed analiseren.’ Terwijl politici hier en nu beslissingen moeten nemen. Wij wilden de tijd om de zaken te onderzoeken en helder uit te leggen, alleen was die er vaak niet. Ondanks alles wat er in kranten verscheen, was er wel altijd wederzijds respect, zowel bij de vorige als de huidige regering. Ze respecteerden allebei de wetenschap. Al werd onder impuls van de tandem Alexander De Croo (Open VLD) – Frank Vandenbroucke (Vooruit) die wetenschappelijke insteek nog versterkt.”

De ondertekenaars van het Wintermanifest verwijten de GEMS dat ze aan tunnelvisie leed. De expertengroep bestond vooral uit virologen, epidemiologen en infectiologen. Er ontbraken psychologen.

“De belasting van de mentale gezondheid was tijdens deze crisis zeer groot. Zeker de eerste lockdown was ontzettend zwaar voor kwetsbare mensen, niet alleen voor patiënten, ook voor burgers. Daar moeten we lessen uit trekken: dat mag nooit meer gebeuren. Maar in april 2020 hadden we bij de GEES al een aparte werkgroep mentale gezondheid. Het klopt dus niet dat er geen aandacht voor was. Integendeel, we letten daar extra op omdat we er ons heel goed bewust van waren dat er in die groep van 10 inderdaad geen psycholoog zat. We spraken daar premier Wilmès over aan; zij hield aanvankelijk de boot af. Vandaar ons initiatief voor die aparte werkgroep.

“In de GEMS zat wél een fullblown psycholoog: Maarten Vansteenkiste van de UGent. Een ander lid was Lode Godderis van de KULeuven. Hij is een arbeidsgeneesheer met veel kennis over mentaal welzijn op het werk. Armoede-expert Céline Nieuwenhuys van de Federatie van de Bicommunautaire Maatschappelijke Diensten (FBMD) staat in nauw contact met de mensen op het terrein. Zij kent de psychosociale impact van de pandemie. Ook sociologe Isabelle Aujolat van de UCL speelde kort op de bal. Op een bepaald moment werd er geroepen: ‘Het afgelopen jaar verdubbelde het aantal zelfmoorden.’ Dat was gewoon niet waar. Wij lieten de mentale gezondheid níet links liggen.”

Tijdens de eerste lockdown maakte ik me toch zorgen over kinderen met gewelddadige ouders die continu in een kleine ruimte moesten samenleven.

“We maakten ons daar allemaal zorgen over. Daarom ook zijn in de maanden nadien de scholen in de mate van het mogelijke nooit meer volledig dichtgegaan. Al maakte de pandemie het ons niet makkelijk. De hybride vorm van schoolgaan, met afstandsonderwijs, was zeker niet ideaal. Maar we wisten: als we de schoolpoorten openen, ontploffen de besmettingen en krijgen we de zorg niet meer georganiseerd. We waren gedoemd om onaangename beslissingen te nemen.”

Hoe was deze crisis voor uw mentaal welzijn?

“(lacht) Met ups en downs, zoals in de hele samenleving.”

Volgde u wat er op sociale media over u en uw collega’s geschreven werd?

“In het begin wel, tot ik merkte dat ik daar nogal ongelukkig van werd. Sociale media zijn puur vergif. Je hoort dat quasi iedereen zeggen, toch doen we er allemaal aan mee. Ik heb geen probleem met inhoudelijke kritiek; soms snijdt die ook hout. Maar ik zag alleen maar bagger voorbij drijven. Dus besloot ik om daar geen tijd meer aan te verspillen. Ik wou nuchter blijven nadenken en kon me niet permitteren om met muizenissen in mijn hoofd te zitten over wat er online over mij verteld werd. Dat heeft als gevolg dat ik soms een beetje afgesneden lijk van de ‘realiteit’ op sociale media, omdat ik niet weet wat ‘de buzz’ van het moment is.”

Intussen werd u een BV.

“Zelf had ik dat eerst niet zo in de gaten. Tot vriendinnen of mijn vriend me zeiden: ‘Die mensen keken naar jou.’ Soms spraken wildvreemden me op straat of in de winkel aan: ‘Ik wil alleen maar zeggen dat jullie goed werk leveren.’ Dat gebeurde heel vaak.”

Niemand schold u de huid vol?

“Nooit. Al die harde roepers van op de sociale media kwam ik nooit tegen.”

U werd nooit bedreigd zoals Marc Van Ranst?

“Toch wel. Bij Marc was het een graad erger, maar we kregen allemaal bedreigingen waarmee we naar de politie stapten. Iemand stuurde me op Messenger: ‘Wanneer ga jij je ophangen?’ Die berichten waren niet altijd anoniem.

“Een klassieker was: ‘Erken maar dat je voor Klaus Schwab werkt.’ Ik dacht: ‘Wie is dat?’ Andere klassiekers: ‘Het World Economic Forum’ en ‘The Great Reset’. Ik moest dat allemaal opzoeken, want ik wist niet waar ze het over hadden. Zo leerde ik veel bij. (lacht)”

Hebt u er nooit aan gedacht om er de brui aan te geven?

“Toch wel. Wanneer ik voelde dat er geen gehoor was, of dat de geschiedenis zich alweer herhaalde. Af en toe was het gewoon té veel en té zwaar. Ik kan me goed voorstellen dat de voorbije twee jaar veel mensen uit het beleid er soms aan dachten om de handdoek in de ring te gooien. Ik moest dan altijd even afkoelen en luchtte mijn hart bij collega’s of bij mijn vriend.

“Soms werden er forse stellingen ingenomen: ‘Laat die maskers toch af in de scholen.’ Waarna wij werden afgeschilderd als ‘in een ivoren toren wonende virologen die alleen maar aan dat virus denken.’ Terwijl we ons baseerden op wetenschappelijke informatie dat mondkapjes uitbraken in de klas kunnen helpen terugdringen. Zo konden de scholen langer openblijven, wat van zeer groot belang was voor álle kinderen, ook die uit gewelddadige gezinnen.”

Het Covid Safe Ticket (CST) werd door sommigen gezien als een symbool van de dictatuur.

“Kijk, we leven al twee jaar in ongewone tijden. In onze open democratische samenleving hebben mensen het recht om te reageren. We moeten onze vrije meningsuiting koesteren. Ik heb er geen enkel probleem mee dat iemand zich afvraagt of onze adviezen de enig mogelijke manier zijn om een pandemie te beheren. We learn as we go.

“Waar ik het wél moeilijk mee heb, is wanneer het debat bezoedeld wordt met foute stellingnames, of als data doelbewust verkeerd worden geïnterpreteerd. Ik hou ook niet van ‘cherry picking’: het selecteren van gegevens die goed uitkomen. Bij nogal wat roepers mis ik ook oprechte interesse in de achtergrond van onze adviezen.”

Er werden toch soms rare maatregelen genomen? Zoals dat er in het weekend op de trein enkel aan het raam gezeten mocht worden.

“Nergens zal u terugvinden dat wij aan de beleidvoerders die raamregel voorstelden. Ik vind die even absurd als u, net als de verplichting om in het bos een mondmasker te dragen. Maar ik vind het ook jammer dat advies en beleid op één hoop worden gegooid. Het beleid zegt terecht dat ze zich baseerden op het wetenschappelijk advies. Alleen werd dat soms op een bizarre manier vertaald. Wij vroegen om de bezettingsgraad van de treinen te verminderen; het Overlegcomité goot dat advies in die rare raamregel.

“Ik heb moeten leren aanvaarden dat mijn wetenschappelijk advies af en toe verdund werd tot een compromis. In een autoritair geleid land als China is het makkelijker om een pandemie te bestrijden. Maar zo’n regime wil toch niemand hier? Laat ons dus maar blij zijn dat we in een democratie leven, ook al levert die soms merkwaardige compromissen op.”

Bio

  • Geboren in 1971 in Leuven
  • Studeerde geneeskunde en tropische ziekten
  • Was van 2014 tot 2015 nationaal ebolacoördinator in België
  • Sinds 2017 diensthoofd Algemene Inwendige Infectieziekten en Tropische Geneeskunde (UZA)
  • Doceert tropische geneeskunde en infectieziekten aan de Universiteit Antwerpen en het Instituut voor Tropische Geneeskunde

© Jan Stevens

‘Achter de schermen zit Vlaams Belang mee aan de knoppen’

In hun boek We have a dream! gaan Frank Van Laeken en Beloy de strijd aan tegen het welig tierende racisme in de samenleving. “Racisme kreeg een structureel en systemisch karakter.”

In maart 1922 publiceerde de Belgische filoloog Théophile Simar Étude critique sur la formation de la doctrine des races, de allereerste wetenschappelijke studie over racisme. Simar zag racisme als een logisch gevolg van extreme diversiteit. Exact honderd jaar later publiceren witte journalist Frank Van Laeken en donkere ex-voetballer Paul Beloy We have a dream!, waarin ze, vertrekkende uit de geschiedenis van het racisme, de stand van zaken anno 2022 opmaken.

Beloy en Van Laeken tekenen verhalen van slachtoffers op en geven ook aanbevelingen om racisme eindelijk halt toe te roepen. Met als opvallendste suggestie: ‘Witte mensen zijn het probleem, maar ook deel van de oplossing.’

We zitten in het AfricaMuseum in Tervuren, een symbolische plek. In 1898 werd het museum opgericht als ‘wetenschappelijke instelling voor de verspreiding van koloniale propaganda en ondersteuning van koloniale activiteiten van België’. Vandaag wil het een baken zijn in de strijd tegen racisme.

“In de loop der jaren heb ik geleerd voorzichtig te zijn met mijn uitspraken over racisme”, zegt Paul Beloy. “In tegenstelling tot Frank laat ik niet snel het achterste van mijn tong zien.”

Volgens Frank Van Laeken is dat omdat Beloy zichzelf en zijn dierbaren wil afschermen voor al te kwetsende reacties. “Ik begrijp Pauls voorzichtigheid. Ik duw mensen niet graag in een slachtofferrol, maar uiteraard zijn het de mensen van kleur die het slachtoffer zijn van racisme in onze samenleving. Want zij krijgen al die bagger over zich heen. De oplossingen zullen moeten komen van witte mensen die eruit zien zoals ik en die beseffen dat het zo niet verder kan.”

Racisme is iets wat Paul Beloy al vaak moest ervaren?

Paul Beloy: “Elke dag. Mijn kinderen ervaren dat ook en mijn kleinkinderen zullen daar ook mee te maken krijgen. Mijn dochter Tatyana heeft een zoontje van bijna twee jaar oud en begint nu te beseffen: ‘Wolfgang is niet helemaal wit. Ook hij zal dat gevecht moeten leveren.’

“Dat dagelijkse racisme is er in verschillende gradaties. Soms zijn mensen er zich niet van bewust. Ik baatte vroeger een fitnesscenter uit. Op een keer vroeg een vertegenwoordiger of hij de baas kon spreken. ‘Dat ben ik’, zei ik. ‘Nee, ik moet de grote baas hebben’, drong hij aan. ‘Ik ben de grote baas’, repliceerde ik. ‘Ik bedoel de eigenaar’, zei hij. ‘Sorry, meneer, maar dat ben ik.’”

Hij ging er van uit dat u daar als man van kleur niet de capaciteiten voor had?

Beloy: “Blijkbaar. Halverwege de jaren zeventig speelden er welgeteld drie donkere voetballers in de Belgische eerste klasse: Eduardo Paula E Silva alias Giba bij Waregem, Emmanuel Sanon bij Beerschot en ik bij KV Mechelen. We werden herkend én erkend. Voor mij was het een voordeel dat we maar met drie waren. Ik sprak Frans, waardoor ook de Waalse pers me over het voetbal kwam interviewen. Ook al was ik toen niet de beste speler, ze wisten dat ze altijd bij mij terecht konden. Nu spelen er ontzettend veel donkere mensen in de Belgische voetbalcompetitie, waardoor velen in de anonimiteit wegzakken en niet ernstig genomen worden.”

Frank Van Laeken: “Ik apprecieerde Paul als stevige verdediger van mijn club, Beerschot. In 1979 won hij met zijn elftal de Beker van België. We ontmoetten elkaar voor het eerst écht in 2011 toen ik woordvoerder van Beerschot werd.”

Beloy: “Ik was er community manager.”

Van Laeken: “We werden even collega’s en schoten goed met elkaar op. Daarna verloren we elkaar uit het oog. Tot ik op het idee kwam om een boek te schrijven over racisme in het voetbal. Ik zocht terug contact met Paul en onze samenwerking mondde in 2016 uit in Vuile zwarte. We eindigden ons boek met spotgoedkope aanbevelingen om het racisme op het veld aan te pakken. Eén van die aanbevelingen was bijvoorbeeld: leg bij élk racistisch incident consequent de wedstrijd stil en hou een time-out. Vuile zwarte kreeg goede commentaar, maar onze aanbevelingen bleven dode letter. In We have a dream! zoomen we uit om het racisme in de hele samenleving onder de loep te nemen.”

Want dat nam alleen maar toe?

Beloy: “Ik vrees van wel. Natuurlijk werden we er ons ook meer van bewust. Meer dan vroeger wordt de vinger op de wonde gelegd, met als gevolg dat sommige groeperingen zich daar tegen afzetten en nóg feller tekeer gaan.”

Van Laeken: “De meeste mensen beschouwen racisme als: individuen of groepen die lelijke dingen zeggen tegen andere individuen of groepen. Maar minstens even erg is dat racisme een structureel en systemisch karakter gekregen heeft. Het is zo nauw met onze samenleving verweven, dat velen zich er amper nog van bewust zijn.”

Knack-hoofdredacteur Bert Bultinck had gelijk toen hij in augustus 2018 in een veelbesproken editoriaal schreef dat ‘racistische stereotypen diep in het Vlaamse DNA zijn ingebakken’?

Van Laeken: “Ik hoop dat hij daarmee het DNA van de samenleving en niet dat van de individuele burger bedoelde. Het is nu eenmaal een feit dat Vlamingen die niet in het bezit zijn van de witte huidskleur, minder kansen hebben. Om dat te ontkrachten, wordt er dan altijd gewezen naar mensen van kleur die het wél gemaakt hebben. ‘Assita Kanko schopte het toch tot Europees parlementslid?’ Of: ‘Paul Beloy had toch een succesvolle voetbalcarrière?’ Over de vele tienduizenden anderen die in de kou blijven staan, wordt dan met geen woord gerept. Zij hebben niet die kansen en worden gewoon vergeten. Kijk naar de raden van bestuur van Bel 20-bedrijven: die zitten vol witte mannen van middelbare leeftijd. Ook vrouwen worden daar nog steeds gediscrimineerd. In het beste geval zijn het witte veertigers; meestal zijn ze vijftig en ouder.”

Beloy: “Kijk naar de krant waar u voor werkt, naar de mensen die het er voor het zeggen hebben. Hoeveel zijn er van kleur?”

Van Laeken: “Wat vervrouwelijking betreft, gaat het steeds beter in de media: er zijn al vrouwelijke hoofdredacteurs en uitgevers. Maar mensen van kleur raken er nog altijd moeilijk aan de bak. Ze blijven ondervertegenwoordigd op de werkvloer én in leidinggevende functies.”

Omdat ze die kansen niet krijgen, of omdat ze die niet grijpen?

Beloy: “De cirkel wordt volledig dichtgehouden; openingen worden afgedekt.”

Dat klinkt als een complot.

Beloy: “Nee, dat is elkaar beschermen. Iedereen weet toch dat er in onze samenleving groeperingen zijn die op alle niveaus druk uitoefenen? Neem de razend populaire VTM-soap ‘Familie’. Jarenlang speelden daar alleen blanke acteurs in mee. Nu hebben ze er eindelijk aan gedacht om een gezin van kleur te introduceren. Waarom moest dat zo lang duren? Het gaat hier over een van de populairste tv-soaps in Vlaanderen!”

Van Laeken: “Hoeveel lezers van dit interview zouden weten dat Seckou Ouologuem, een slam poet met Burkinabese en Turnhoutse wortels, de voorbije twee jaar stadsdichter van Antwerpen was? In het verleden was dat geen onzichtbare eretitel. Ik turfde het aantal vermeldingen van alle Antwerpse stadsdichters in Gopress, het online persarchief. Ouologuem werd amper 160 keer vernoemd. Alle andere witte dichters scoorden het dubbele en meer.”

Beloy: “Veel van Ouologuems gedichten werden gewoon niet gepubliceerd. Het stadsbestuur vond ze te gevaarlijk. Waarom zwijgen alle witte Antwerpenaren daar over? Omdat het om een donkere stadsdichter gaat? Waarom zwijgt de pers? Waarom zoeken jullie Seckou niet op? Waarom werd hij nooit uitgenodigd in een programma als ‘Culture Club’ op Radio 1? Dit maakt me écht boos.”

Herinnert u zich nog het allereerste racistische incident?

Beloy: “Ik was vijftien jaar oud. Mijn pleegmoeders zochten een vakantiejob voor me. Ze kenden de plaatselijke ijsjesfabrikant. ‘Paul mag komen werken’, zei hij. Twee dagen voor ik van start zou gaan, stond die man voor de deur. ‘Het zal toch niet lukken. Een paar medewerkers zijn er tegen.’ Ze hadden problemen met die donkere jongen.

“Mijn dochter Tatyana was tien toen ze eind jaren negentig auditie wou doen voor de musical ‘The Sound of Music’ in de Antwerpse Stadsschouwburg. In haar vrije tijd volgde ze een musicalopleiding. Ik belde om een afspraak te maken en zei: ‘Mijn dochter heeft een hele mooie kleur, want haar papa is donker en haar mama wit.’ De man aan de andere kant van de lijn reageerde meteen: ‘Sorry, maar dan kan ze niet aan de auditie meedoen. Bij de zeven kinderen van de familie Von Trapp kan er toch geen meisje zijn dat niet volledig wit is?’ Wat moest ik als vader vervolgens zeggen tegen mijn dochter? (stilte)”

Eind 2014 publiceerde Dalilla Hermans een open brief waarin ze beschreef hoe ze als tiener het racisme niet bewust doorhad. Later kwam het besef, met onder andere kinderen die niet naar haar verjaardagsfeestjes mochten komen of niet met haar mochten spelen.

Van Laeken: “Dalilla is geboren in Rwanda en werd in haar derde levensjaar geadopteerd door een wit gezin uit de Kempen. Ik kan me voorstellen dat je dan als kind minder bij dat racisme stilstaat en dat het besef inderdaad pas later komt. Er is het zeer zichtbare en hoorbare racisme dat we allemaal kennen, maar er zijn ook de ‘subtiele’ vormen. De Amerikaanse psycholoog Derald Wing Sue noemt dat: microagressies. Dat gaat dan over kleine opmerkingen die er op het moment zelf misschien niet diep inhakken, maar pas later doordringen. Zoals de opmerking: ‘Amai, u spreekt goed Nederlands!’, tegen iemand van kleur die in Vlaanderen geboren en getogen is. Wellicht is dat als compliment bedoeld, terwijl het eigenlijk een belediging is. Daarom ook leggen we er in We have a dream! zo de nadruk op dat racisme structureel en systemisch is. Want veel mensen staan bij dit soort van opmerkingen gewoon niet meer stil.”

Beloy: “Mijn kleinkinderen hebben blanke en Maghrebijnse vrienden. Tijdens het spelen zien zij geen kleur. Wíj́ maken van kleur een onderwerp. Kleine kinderen hebben daar totaal geen aandacht voor.”

Vorig jaar trok Dieter Coppens voor het tv-programma ‘De Wonderjaren’ met een witte en bruine speelgoedpop naar een school in Merksem. Hij vroeg aan de kleuters: “Welke pop van de twee vind je de mooiste? Wie wordt later de baas?” Een wit jongetje antwoordde vlakaf dat hij niet van bruine poppen hield. De kleuters met een donkere huidskleur kozen óók voor de witte pop. “De bruine is de helper, de witte de baas’, zei één van hen.

Van Laeken: “Dat experiment is een remake van het poppenexperiment begin jaren 1940 van het zwarte Amerikaanse psychologenkoppel Mamie en Kenneth Clark. Zij gaven 253 zwarte kinderen van vijf jaar oud de keuze tussen een witte pop en een identieke zwarte. Ze vroegen de kleuters met welke pop ze liefst zouden spelen, welke er het aardigst uitzag, welke minder lief en welke van de twee de mooiste huidskleur had. Bijna alle kinderen kozen de pop met de lichte huidskleur. Toen was de Amerikaanse samenleving nog zeer gesegregeerd. Het was niet toegelaten dat zwarte kinderen samen met witte in dezelfde klas zaten. Van in de wieg kregen zwarte kinderen te horen dat ze minder waard zijn dan hun witte leeftijdsgenoten. Ik kan me voorstellen dat je jezelf dan op een bepaald moment ook gewoon als minderwaardig begint te beschouwen.”

Beloy: “Mijn oudste dochter Sarah werkt voor een cosmeticaconcern. Die onderneming zag in hoe belangrijk mensen van kleur voor hen zijn. Je vindt ze nu onder het personeel op álle echelons. Tatyana studeerde een paar jaar in Londen. Die stad is een échte melting pot, waar je huidskleur veel minder een rol speelt dan in de Belgische steden. Bij ons werden immigranten samengeplaatst in aparte wijken, waardoor de segregatie alleen maar toenam.”

Nieuwkomers zoeken elkaar toch ook op?

Beloy: “In eerste instantie werden ze samengeplaatst. En natuurlijk gaan mensen elkaar later opzoeken. Dat zie je nu ook bij vluchtelingen: een pas aangekomen Syriër probeert aansluiting te vinden bij kennissen, familieleden of vrienden.”

Van Laeken: “Waarom klitten nieuwkomers in steden samen in bepaalde wijken? Omdat ze enkel daar betaalbare woningen vinden. Nogal wat stadsbesturen vertikten én vertikken het om voor een betere spreiding te zorgen. Alleen zo’n spreiding draagt ertoe bij dat mensen wel moéten leren samenleven.”

Bewijst een stad als Mechelen dat het anders kan?

Beloy: “Ik heb daar nog gewoond. Bart Somers (Open VLD) werkte als burgemeester inderdaad hard aan het samenleven. In Antwerpen zie je dat veel kansarme mensen door de gentrificatie uit het centrum verdreven worden. Hun wijken worden ‘opgewaardeerd’, waardoor ze de stijgende huurprijzen niet meer kunnen betalen. Eerst verhuisden ze naar het noorden, naar Deurne; nu worden ze steeds verder de stad uitgeduwd. Zo worden de mensen weggewerkt die men niet graag heeft. Waarom rijdt de tram van Antwerpen naar Merksem niet verder tot het een paar kilometer verder gelegen Brasschaat?”

Hoe bepalend was een partij als Vlaams Blok voor het salonfähiger maken van het racistische discours in onze samenleving?

Van Laeken: “Zeer bepalend. In 1978 kwam het Vlaams Blok voor het eerst op en haalde één zetel. Toenmalig boegbeeld Karel Dillen kwam in het parlement, maar zijn partij betekende helemaal niets. Tien jaar later was het Blok bij gemeenteraadsverkiezingen al de derde partij in de stad Antwerpen. De verkiezingsoverwinning op 24 november 1991 ging de geschiedenis in als de eerste ‘zwarte zondag’. In amper 13 jaar tijd groeide het Vlaams Blok van nul tot een belangrijke speler. Hun beruchte 70 puntenplan uit 1992 was een racistische blauwdruk om de samenleving te zuiveren van ‘niet-Europese vreemdelingen’. De punten 69 en 70 eisten de deportatie van eerste, tweede en derde generatie-immigranten naar hun landen van oorsprong. Dat 70 puntenplan werd onmiddellijk bekritiseerd door alle andere partijen. Ze distantieerden zich als ‘democratische partijen’ van het Blok.

“Dertig jaar later is Vlaams Blok verveld tot Vlaams Belang. De partij nam nooit deel aan de macht en zit nergens in de cockpit mee aan de knoppen. Toch zijn nogal wat van hun ‘70 voorstellen ter oplossing van het vreemdelingenprobleem’ inmiddels netjes gerealiseerd. Dat zegt toch veel over de invloed van Vlaams Blok/Belang? Achter de schermen zitten ze wél mee aan de knoppen.”

Is een deel van het succes van Vlaams Belang niet te verklaren door angst bij veel mensen voor ‘het vreemde’?

Beloy: “Je hoort vaak: ‘De vreemdelingen hiernaast zijn tof. Met hen kunnen we een fijn gesprek voeren. Hun kinderen spelen met onze kinderen. Dat zijn goede mensen.’ Maar van al die andere, ongekende vreemdelingen zijn ze bang. Mensen hebben schrik voor het onbekende. We moeten ervoor oppassen dat die schrik niet omgezet wordt in haat, wat soms gebeurt.”

Moeten we toch geen begrip hebben voor die angst? Natuurlijk is de superdiverse samenleving een feit, maar misschien voelen sommige witte ‘oude Belgen’ zich daarin vervreemd?

Van Laeken: “Het is de taak van politici om uit te leggen waarom die nieuwe mensen naar hier komen. Maar dat doen ze niet: ofwel zwijgen ze, ofwel leggen ze net als Vlaams Belang de nadruk op hoe slecht de multiculturele samenleving is. Als je dat veelvuldig blijft herhalen, wordt dat een soort van waarheid.

“Nogal wat mensen geloven dat vooroordelen gevormd en gevoed worden door veelvuldig contact en conflict tussen tegengestelde groepen. Dat klopt niet. De Amerikaanse psycholoog Gordon Allport concludeerde al in 1954 dat net gebrek aan contact met andere groepen tot vooroordelen leidt. Onze vooroordelen ontstaan en groeien omdat we die mensen níet leren kennen. Dat is meteen ook het drama van de gettowijken in onze steden. We leven figuurlijk én letterlijk naast elkaar. Er is geen interactie, omdat er inderdaad vrees is voor dat ‘vreemde’, maar daarbovenop wordt die vrees nog eens extra gevoed door de politiek.”

Beloy: “Belgische voetballiefhebbers zijn blij met Romelu Lukaku, Youri Tielemans en Vincent Kompany. Als zwarte voetballers scoren en hun team de overwinning bezorgen, horen ze er helemaal bij. Haal de zwarte spelers weg uit de Rode Duivels en de nationale ploeg staat niet langer op één op de FIFA-wereldranglijst. Belgische muziekliefhebbers zijn fier op Stromae en op alle andere succesvolle Belgische muzikanten van kleur. Zij bepalen mee het beeld van dit land. Als ze het succes mee helpen opkrikken, zijn ze goed en horen ze erbij. Als het jullie niet uitkomt, kunnen jullie ons missen als kiespijn.

“Dalilla Hermans zegt in ons boek: ‘Het is een kwestie van de goede gatekeepers te zoeken, “poortwachters” die ervoor zorgen dat er nieuwe talenten worden toegelaten. Zo lang ik de media volg, zijn bijna alle poortwachters witte mensen van middelbare leeftijd uit de middenklasse. Die hebben te weinig voeling met een steeds meer diverse samenleving. Op die plekken moeten andere mensen worden aangesteld, de rest zal dan wel volgen.’ Ze heeft honderd procent gelijk.”

Zijn jullie woke?

Van Laeken: “‘Wokies’ zijn de kanariepietjes in de koolmijn genaamd ‘samenleving’. Zij signaleren gevaar.”

Volgens sommigen is de woke-beweging zélf het gevaar.

Van Laeken: “De vakbonden zorgden een eeuw geleden voor broodnodige sociale correcties waar we vandaag nog allemaal van genieten. Dat geldt ook voor de studentenbeweging eind jaren 1960. Feministen maakten onze maatschappij vrouwvriendelijker. Natuurlijk liepen er tijdens de betogingen, acties en protesten dingen mis. In mei ’68 hoefden er geen stenen door winkelruiten te vliegen. Het gebeurde wel en dat is jammer. De focus werd toen gericht op die uitwassen. Vandaag zien we hetzelfde fenomeen: de nevenschade van woke krijgt extra veel aandacht. Als een standbeeld van een koloniaal als Leopold II wordt beklad, wordt er moord en brand geschreeuwd over beschadigd erfgoed. Feit is dat Leopold II ontzettend veel misdaden op zijn kerfstok heeft. Wat hij in zijn privéproject Kongo-Vrijstaat liet aanrichten, was gruwelijk. De jaren erna bleven veel Belgen op een imperialistische, paternalistische en racistische wijze naar de kolonie kijken.”

Dragen wij nog verantwoordelijkheid voor de wandaden van Leopold II?

Van Laeken: “Nee, maar we moeten wel erkennen dat er fouten gemaakt zijn. Tegenover onszelf, maar ook tegenover mensen die net als Paul voorouders hebben die slachtoffer waren van de kolonisering. We moeten stoppen met de heldenverering van figuren die verantwoordelijk waren voor al dat onrecht. Dus ja, noem mij maar woke.”

Frank Van Laeken & Paul Beloy, We have a dream!, Houtekiet, 312 blzn., 24,99 euro

Paul Beloy

  • Geboren in 1957 in Kinshasa
  • Voetbalde bij KV Mechelen, Beerschot en Lierse
  • Werd later community manager van (Germinal) Beerschot
  • Is coördinator anderstalige nieuwkomers op een school en diversiteitscoach

Frank Van Laeken

  • Geboren in 1959
  • Was sportjournalist en hoofdredacteur sport bij de VRT
  • Leidde de redacties van TV Oost en Prime Sport (vandaag Play Sports)
  • Was even woordvoerder van Beerschot
  • Is vandaag zelfstandig journalist voor o.a. De Morgen

© Jan Stevens

‘Ervaringsdeskundigen noemen isolatie soms foltering’

Eind 2011 ging Evi Verbeke aan de slag in een psychiatrisch ziekenhuis. Ze schrok van sommige dwangmaatregelen. In haar boek Psychiatrie op drift pleit ze voor een menswaardiger aanpak, weg van isoleercellen en fixatieriemen. “Het roer moet om.”

“Er waren mooie ontmoetingen in de afdeling van het psychiatrisch ziekenhuis waar ik werkte”, zegt psycholoog Evi Verbeke. “Toch botste ik op de duistere kant van de kliniek, met haar dwangmaatregelen. Er was ook onvrede over wat sommige hupverleners over patiënten zegden, zoals: ‘Als hij zijn therapie niet wil volgen, staan er genoeg anderen op de wachtlijst’, of: ‘Junkies veroorzaken altijd problemen.’ In die woorden zat heel wat macht verscholen.”

Verbeke voelde hoe ze zelf ‘medeplichtig’ werd. “Een jongen van zeventien moest naar de isoleercel. Zijn moeder belde. Ik moest haar uitleggen dat haar zoon opgesloten zat en dat ze hem pas ‘s anderendaags kon spreken. De vrouw huilde en ik walgde van mezelf. Ik was niet de enige op mijn afdeling die zich bij al die dwang niet goed voelde. We besloten er iets aan te doen en de isolaties werden aan banden gelegd. Op één jaar tijd waren ze gehalveerd; zes jaar later werd er voor 90 % minder geïsoleerd. Toch merkten we dat dwang makkelijk weer opflakkerde. Ik vroeg me af wat er in de westerse psychiatrie aan de hand is.”

In het op haar doctoraat naar dwang gebaseerde boek Psychiatrie op drift gaat Evi Verbeke op zoek naar antwoorden.

“Ik ben niet tegen psychiatrie”, benadrukt ze. “Ik werk nog steeds in hetzelfde psychiatrische ziekenhuis. Vroeger op een afdeling; nu deeltijds in een woonvoorziening voor mensen met psychische problemen. Daarnaast ben ik psychoanalytica met een eigen praktijk en verbonden aan de vakgroep Psychoanalyse van de UGent. Samen met veel andere collega’s probeer ik goed in de gaten te houden wat er zich in de Vlaamse en internationale psychiatrie afspeelt. Waar situeren zich de problemen en waar ontstaan inspirerende initiatieven? Als we dan merken dat er soms op een ontmenselijkende wijze tewerk wordt gegaan, willen we dat niet onder de mat vegen, maar daar verandering in brengen. Dat wil zeggen: dwang tot een minimum beperken en de mens in de patiënt herkennen.”

Sommigen noemen uw vakgebied psychoanalyse een pseudowetenschap.

“Wat onzin is. De psychoanalyse onderzoekt op een wetenschappelijke wijze, maar is vooral een praktijk om naar mensen te luisteren en hen te ondersteunen bij psychisch lijden. Ze stond niet stil na Freud en zocht naar manieren om met heel moeilijk te behandelen mensen de dialoog aan te gaan.

“Ik ben trouwens niet de enige hulpverlener die een einde wil aan dwang in instellingen. Ik ken nogal wat collega’s die de psychiatrie vaarwel zegden om voltijds in een privépraktijk aan de slag te gaan. Niet voor het geld, maar omdat ze gedesillusioneerd zijn. Ongeacht of ze psychiater, psychoanalyticus of een psycholoog van een andere school zijn.

“Het psychische lijden verdwijnt niet wanneer de psychiatrie wegvalt. Zolang mensen met psychisch lijden niet op een andere manier, in hun eigen wijk met ambulante hulp bijvoorbeeld, opgevangen kunnen worden, is het risico groot dat ze in de armoede of de gevangenis belanden. Daar is niemand mee geholpen.

“Psychisch lijden hoort bij het menszijn. Het ontstaat wanneer we vastlopen in hoe we onszelf ervaren, of in onze band met anderen. Psychiatrie moet misschien eerder een toevluchtsoord zijn voor wie dreigt te crashen, in plaats van een therapiefabriek om mensen normaal te maken.”

Dwang in de psychiatrie houdt veel meer in dan de isolatiecel?

“Het is inderdaad een ruimer begrip. De harde dwang is isolatie en fixatie.”

‘Fixatie’ is dan een eufemisme voor: mensen zonder hun toestemming vastbinden?

“Precies. In België worden mensen die erg suïcidaal of te agressief zijn, vaak ook nog eens gefixeerd aan een bed als ze in isolatie gaan. Ze zitten dan in de isolatiecel met vastgebonden armen, handen, benen en voeten. In de meeste landen mogen dwangmiddelen zoals isolatie, fixatie en gedwongen medicatie niet worden gecombineerd. Bij ons wel.”

Een patiënt mag dus eerst worden platgespoten, om daarna vastgebonden in een isoleercel te worden gedropt?

“In België kan dat; in de meeste andere landen niet. Die harde vormen van dwang komen nog vaak voor en zijn moeilijk terug te dringen. Dat is geen onwil: de meeste psychiatrische instellingen willen de harde dwang aan banden, maar in de dagelijkse praktijk lukt dat niet altijd.

“Volgens de wetgeving mag er enkel tot fixatie of isolatie worden overgegaan wanneer iemand zichzelf of anderen in gevaar brengt. Er mag dan geen enkele andere optie meer zijn. Het kan dus eigenlijk enkel in allerhoogste nood, bij zeer zware agressie of om te vermijden dat iemand zelfmoord pleegt. Maar nogal wat rapporten van de Zorginspectie tonen glashelder aan dat die dwangmaatregelen in de Vlaamse psychiatrie en in jongereninstellingen veel vaker worden gebruikt. Soms worden ze zelfs ingeschakeld in een therapie: iemand wordt in de isolatiecel gezet om hem tot rust te laten komen. Uit wetenschappelijk onderzoek weten we dat slechts zeer weinig mensen rustig worden van gedwongen isolatie.”

Ze worden er misschien net ‘gekker’ van?

“Dat is exact wat veel ervaringsdeskundigen zeggen: ‘Ik word er nog gekker van!’ Een isolatiecel wordt ‘prikkelarme ruimte’ of PAR genoemd. Het idee daarachter is dat de kaalheid van de ruimte mensen uit een psychose kan helpen, omdat een psychose gekenmerkt zou worden door een te veel aan prikkels. Dat klopt niet. Bij een psychose gaat het niet om prikkels, maar om een werkelijkheid die beangstigend aanvoelt. Op dat moment is de nood groot aan verbondenheid om de angst te minderen. Zeer veel patiënten met een psychose getuigen: ‘In de isolatiecel werd ik nog psychotischer.’ Mensen in een psychotische crisis verliezen het contact met zichzelf. Door hen op te sluiten, vergroot vaak hun eenzaamheid. Niet alleen voor patiënten kan isolatie traumatiserend zijn. Ook veel verpleegkundigen vinden het vreselijk om dat te moeten uitvoeren.”

Worden mensen soms als straf naar de isoleercel gestuurd?

“Uit recente inspectierapporten van 2017 en 2018 blijkt inderdaad dat isolatie soms een straf is. Internationale onderzoeken bevestigen dat zowel in Belgische als in andere West-Europese psychiatrische instellingen isolatie als straf wordt gehanteerd.

“Een isolatieruimte of PAR is kaal en lijkt op een cel. In het midden staat een aan de vloer verankerd bed. In het beste geval is er een toilet. Als dat er niet is, moet de patiënt bellen. Er zijn getuigenissen dat er niemand kwam. Urenlang lagen patiënten in hun eigen urine.”

U interviewde verschillende mensen die dergelijke dingen meemaakten?

“Ja. Hun verhalen spelen zich in het recente verleden af en beschrijven de psychiatrie in de 21e eeuw. Een vrouw mailde me een tijd nadat ik haar geïnterviewd had. ‘Ik heb pas een vierde opname achter de rug’, schreef ze. ‘Het was helemaal anders dan de vorige keren. Ik werd gerespecteerd en er werd naar mij geluisterd. Ik moest niet in isolatie.’ Haar verhaal stemt hoopvol, toch verdwijnen de machtsrelaties in de psychiatrie niet. Dat illustreert het vorig jaar verschenen boek Ik moest braaf zijn, de getuigenis van de jonge vrouw Laura De Houwer over haar verblijf in de psychiatrie. In volle coronatijd ging zij mentaal compleet onderuit. Na een zelfmoordpoging volgde een gedwongen opname. Dagenlang werd ze in isolatie gezet, waarvan verschillende uren gebonden aan handen en voeten.”

Is gedwongen medicatie altijd een dwangmiddel? Sommige patiënten moéten toch pillen nemen of ze zinken compleet weg?

“Gedwongen medicatie is een lastig thema. Dat bleek ook uit mijn gesprekken. Sommigen voelen dat ze snel dreigen te hervallen als ze stoppen met hun pillen. Tezelfdertijd ervaren ze het als de allergrootste dwang: hun geest en lichaam zijn veroordeeld tot een chemisch middel.

“Medicatie ís nodig in de psychiatrie. Maar enkel pillen volstaan niet. De effecten zijn gedeeltelijk afhankelijk van de therapeutische band tussen patiënt en arts. Hoe sterker die band, hoe beter de medicatie zal werken. Hoe minder dwangmatig dat ook aanvoelt. Want patiënten ervaren dan dat ze van hun dokter mogen meedenken over hun behandeling. Soms is er ruimte voor experiment, waarbij medicatie al dan niet tijdelijk wordt afgebouwd. Niet alle patiënten hebben behoefte aan geëxperimenteer. Zij voelen zich goed dankzij de pillen en vinden het net belangrijk dat hun medicatie behouden blijft.”

Isolatie en fixatie zijn de meest ‘spectaculaire’ vormen van dwang, maar er zijn ook subtielere vormen?

“Bij de zogenaamde ‘zachte dwang’ gaat het over het opleggen van een verplichte structuur en over patiënten straffen die de regeltjes overtreden. Maar ook over uitoefenen van druk: ‘Je moet helemaal niets, maar je weet dat het gevolg dan je ontslag kan zijn.’ Of: We verplichten je niet je medicatie in te nemen. Maar als je dat niet doet, stopt de behandeling.’”

In uw boek las ik dat hulpverleners een verbod op knuffeldieren oplegden. En zelfs een verbod op het eten van pannenkoeken op zondag.

“Veel afdelingen hebben zo hun eigen set van spontaan gegroeide regels. Zo’n idiote regel is vaak een reactie op een voorval. In een leefgemeenschap met een groep kwetsbare mensen gaat er af en toe wel eens iets mis. Soms ontploft de boel en is er crisis. De aanleiding kan iets heel banaal zijn, zoals knuffeldieren. Zowel voor patiënten als voor personeel kan zo’n crisismoment heftig zijn. Ofwel leidt dat dan bij de hulpverleners tot een moment van bezinning: ‘Hoe pakken we dit in het vervolg aan?’ Ofwel tot een repressieve actie: ‘Deze ellende willen we nooit meer meemaken! Voortaan zijn alle knuffels verboden!’ Zo ontstaat er een wildgroei aan regels waarvan na een paar jaar niemand meer weet waarom ze ooit zijn uitgevaardigd.”

Wordt er over dwang gediscussieerd bij hulpverleners van psychiatrische instellingen?

“De laatste jaren steeds meer. Toen ik pas in de psychiatrie begon, lag dat onderwerp nog heel gevoelig. ‘We weten wel dat dwang niet oké is, maar wat kunnen we eraan doen?’ Nu word ik door psychiatrische instellingen uitgenodigd om er met hun teams over te praten. De zoektocht naar alternatieven is dus zeker bezig. De kritiek op dwang is trouwens niet zo recent: die was er al bij het begin van de psychiatrie eind 18e eeuw. In 1830 riepen psychiaters een ‘antidwangbeweging’ in het leven. Ze kantten zich tegen fixatie in dwangbuizen. Rond 1900 verschenen er ook al boeken van ervaringsdeskundigen à la Laura De Houwer.”

In 2018 kwam afdeling Levanta van psychiatrisch centrum Sint-Jan-Baptist in Zelzate in opspraak omdat patiënten systematisch afgeluisterd werden in de bezoekerszaal, isolatie en fixatie schering en inslag waren en de beleidsarts een schrikbewind voerde.

“Patiënten lagen er lang vastgebonden en de omstandigheden waren onmenselijk. De arts moest uiteindelijk een stap opzij zetten. Media zoals uw krant schonken de voorbije jaren veel aandacht aan wanpraktijken in de psychiatrie en dat is een uitstekende zaak. De verontwaardiging bij de publieke opinie is dan altijd terecht zeer groot.”

Werken in een psychiatrisch ziekenhuis lijkt me niet eenvoudig, met al die patiënten die worstelen met ernstige mentale problemen?

“Dat is zo. Het gaat om mensen met zelfmoordgedachten, zware depressies of met heftige psychotische ervaringen. Mensen met hevige angsten of een vreselijk misbruikverleden. Psychiatrie is inderdaad geen vrolijke bedoening. De goegemeente gaat ervanuit dat hulpverleners professioneel genoeg zijn om daarmee om te gaan. ‘Zij zijn daartegen bestand.’ Natuurlijk kregen we een opleiding en komen we niet onbeslagen op het ijs. We leerden manieren om met zeer paranoïde mensen te spreken, of om met iemand die suïcidaal is om te gaan. Maar dat wil niet zeggen dat we op alles voorbereid zijn, of dat we zelf niet diep geraakt kunnen worden door wat we op het werk meemaken.”

Misschien is er in sommige gevallen van extreem zware agressie geen andere mogelijkheid dan dwang?

“Wie op dwang kritiek heeft, krijgt al snel het verwijt dat hij alles wil laten waaien. Dat is niet zo. Want als hulpverlener is het onder andere jouw taak om ervoor te zorgen dat je patiënt geen zelfmoord pleegt.

“Er zijn intussen verschillende interessante methodieken ontwikkeld om zonder harde dwang met zware agressie om te gaan. Veel hangt af van de verhouding tussen hulpverlener en patiënt. Het voelt zeer dwangmatig aan als de hulpverlener zich na een geval van agressie opstelt als een hiërarchische overste: ‘Je hebt je zwaar misdragen, dus sluit ik je op.’ Als de patiënt ook na dat zware agressieve incident door de hulpverlener als mens blijft gezien worden, wordt een begrenzing als minder dwangmatig ervaren.”

Iemand uit mijn omgeving werkt op de meisjesafdeling van een ziekenhuis gespecialiseerd in jeugdpsychiatrie. Ook daar worden patiënten in noodsituaties ondergebracht in de ‘prikkelarme ruimte’. Overdag nooit langer dan een kwartier, tot het meisje in kwestie gekalmeerd is.

“Zo staat de isolatieprocedure ook in de wet omschreven. Er is een onderscheid tussen ‘afzondering’ en ‘eenzame afzondering’. De klassieke isolatie is ‘eenzame afzondering’: iemand wordt alleen in een ruimte opgesloten. ‘Afzondering’ wil zeggen: iemand uit een groep weghalen zonder hem of haar alleen te laten.”

In het ziekenhuis waar mijn kennis werkt, wordt een patiënt die agressief of acuut suïcidaal is, eerst in een deken gewikkeld en zo naar de isolatieruimte gebracht. Daar kan het meisje zichzelf dan bevrijden.

“Dat is al iets minder erg dan gefixeerd worden op een bed. Een afdeling van het psychiatrisch ziekenhuis in Zoersel richtte een ‘seclusion area’ in. Dat is een mini-afdeling binnen de afdeling voor mensen in crisis. Het achterliggende idee is dat ze tijdens een agressieaanval niet met eenzaamheid moeten worden afgestraft, maar net meer behoefte hebben aan nabijheid. Er bestaan nog andere methodieken waarbij de essentie telkens is dat je als hulpverlener contact blijft houden met je patiënt in afzondering. Uit de gesprekken die ik voerde, komt sterk naar voor dat mensen het erg kunnen appreciëren als dat contact er ook is op die meest heftige momenten. ‘Ik vroeg een glas water en kreeg dat’, of: ‘De verwarming mocht een beetje hoger toen ik dat vroeg.’”

De ‘patiënt’ moet altijd ‘een mens’ blijven?

“Dat is de kern van de zaak. Hoe sterker de therapeutische relatie tussen mensen, hoe meer ook begrenzingen aanvaard worden als ze nodig zijn. Iedereen die ik interviewde, erkende: ‘Ik wás onredelijk en vormde een gevaar.’ Ze snappen dat hun hulpverleners ingrepen. ‘Als ze dat niet hadden gedaan, liep het misschien slecht met me af.’ Maar ze voegen er ook allemaal aan toe dat er níet met hen gecommuniceerd werd. ‘Ik werd als ‘gevaarlijk individu’ van iedereen afgezonderd.’ Het is net die totale isolatie die extra traumatiserend kan zijn. Daarom ook is het zo belangrijk dat er contact blijft, ook al moet je als hulpverlener naar de meest waanzinnige uithalen en verhalen blijven luisteren.

“In haar twee jaar geleden verschenen boek Ben ik dan nu weer normaal? schetst ervaringsdeskundige Brenda Froyen een ontluisterend beeld van isolatie in de psychiatrie. In 2014 zat ze een week lang in een isoleercel.”

Lijkt dat soort van langdurige eenzame opsluiting niet verdacht veel op foltering?

“Ervaringsdeskundigen benoemen dat soms ook zo. Brenda Froyen had waanideeën en werd opgenomen. In de isoleercel geloofde ze dat ze gevangen zat in een kelder van Dutroux. Ze hoorde mensen roepen en dacht dat het haar kinderen waren. Ze stond doodsangsten uit. Als iemand toen met haar had gecommuniceerd, was haar angst misschien een beetje getemperd. Laura De Houwer moest in de isoleercel haar trouwring uitdoen. Die ring was de laatste link met haar man en meteen ook haar laatste houvast.

“Agressie is vaak een uiting van wat een patiënt niet gezegd kan krijgen. In plaats van daaraan te werken, wordt de patiënt soms een te ondertekenen contract voorgelegd. Daarin staat dan dat hij geen agressie zal uiten of zelfmoord zal plegen. Als hij toch agressief wordt of een mislukte zelfmoordpoging achter de rug heeft, moet hij het ziekenhuis verlaten. Zo werkt het natuurlijk niet. Want er zit een onbewuste dynamiek in ons die soms sterker is dan onszelf. Mensen met psychisch lijden zijn vaak zelf bang voor die drang. Maar bij een zelfmoordpoging of bij zelfmutilatie wordt in sommige afdelingen de opname van de patiënt opgeschort.”

Terwijl hij daar net voor geholpen moet worden?

“Ja, een psychiatrische instelling die met psychiatrische patiënten weigert te werken, is totaal absurd. Dat komt omdat ze de mens te veel benaderen als een rationeel denkend wezen.

“Maar het is niet allemaal kommer en kwel. Er zijn ook inspirerende voorbeelden. Zo richtte psycholoog Dirk Bryssinck in Gent het ontmoetingshuis Villa Voortman op. Mensen met psychotische symptomen en middelenmisbruik zijn daar overdag welkom. Er is geen isolatiecel, er zijn amper regeltjes en er is geen verplicht programma. Niemand wordt er uitgesloten, met als gevolg dat er veel mensen naar de Villa komen die in de reguliere psychiatrie niet meer welkom zijn.”

Vraagt een afscheid van dwang meer personeel? Mijn kennis vertelde dat een meisje in crisis soms de nacht in de PAR moet doorbrengen. De reden: tijdens de nachtdienst is er maar één hulpverlener voor de hele afdeling.

“Dat kan dus écht niet, maar helaas gebeurt dat in wel meer ziekenhuizen. Zolang de visie op de omgang met patiënten niet verandert, brengen geld en bijkomende middelen weinig zoden aan de dijk. Of je nu met vijf hulpverleners of in je eentje iemand isoleert: het resultaat blijft hetzelfde. Maar van zodra dat extra personeel ingezet wordt om in crisissituaties voor nabijheid te zorgen, verandert er wél iets. Want hoe agressief of ‘zot’ iemand zich ook gedraagt, hij of zij blíj́ft een mens.

“Waarom betrekken we bijvoorbeeld de ouders van jonge patiënten niet bij de therapie? Natuurlijk is dat geen goed idee als de band tussen ouder en kind zwaar verstoord is, maar in andere gevallen misschien wel. Een collega vertelde me dat ze in haar vorige ziekenhuis voorstelde om een moeder bij haar kind op de kamer te laten verblijven. Ze werd nog net niet zelf gek verklaard. Terwijl dat in veel andere landen heel gangbaar is.”

Evi Verbeke, Psychiatrie op drift, Mammoet, 204 blzn., 19,90 euro

Bio

  • Geboren in 1987 in Waregem
  • Studeerde klinische psychologie aan de UGent, met een postgraduaat psychoanalytisch therapeut
  • Combineert sinds 2011 haar werk in een psychiatrisch ziekenhuis met een privépraktijk in Gent
  • Is verbonden aan de vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie van de UGent
  • Doctoreerde eind 2020 met haar onderzoek naar macht, dwang en ethiek in de psychiatrie

© Jan Stevens

‘Het westerse economische model is niet meer zo vanzelfsprekend’

Umicore-, DSM- en Mediahuisvoorzitter Thomas Leysen (61) geeft zelden interviews. “Eigenlijk alleen als ik iets heb aan te kondigen”, zegt hij. Zoals nu? “Nee, nu heb ik er gewoon veel zin in.” Al maakt hij zich in deze tijden van klimaatverandering ook zorgen. “Ik heb die kernuitstap nooit begrepen.”

Captain of industry Thomas Leysen is voorzitter van héél véél: van miljoenenondernemingen Umicore, het Nederlandse biotechbedrijf DSM en Mediahuis, uitgever van onder andere De Standaard en Het Nieuwsblad. Maar ook van de filantropische stichting Fonds Baillet Latour en de Topstukkenraad die de Vlaamse regering over het cultureel erfgoed adviseert. Tot vorige maand was hij voorzitter van de Koning Boudewijnstichting; tot twee jaar geleden zat hij de raad van bestuur van KBC voor. Een decennium eerder was hij voorzitter van de werkgeversorganisatie VBO.

“Ik vul mijn voorzitterschap nooit als een ceremoniële functie in”, zegt hij. “Ik sta ten dienste van het succes van de onderneming of instelling en ben het klankbord van de CEO. Soms volstaat een light touch; soms moet ik bijsturen. Op mijn 39e werd ik CEO van Umicore. Tien jaar later was ik ‘nog maar’ 49 en koos ik er bewust voor om mijn ervaring en enthousiasme ten dienste te stellen van verschillende organisaties. Je kunt maar CEO zijn van één bedrijf, maar je kan wel verschillende raden van bestuur voorzitten. Als voorzitter sta je niet in de frontlinie en moet je niet zoals de CEO twintig beslissingen per dag nemen. Het voorzitterschap is gericht op de strategie op lange termijn.”

Bent u nu een machtig man?

“Ik ben betrokken bij een aantal relatief belangrijke bedrijven. Umicore is één van de grootste industriële ondernemingen van dit land; Mediahuis is goed op weg om één van de grootste krantenuitgevers in Europa te worden. Maar of ik ‘machtig’ ben? Het legt wel veel verantwoordelijkheid op mijn schouders, want als het misloopt, heeft dat gevolgen voor heel wat belanghebbenden. Bij Umicore werken 10.000 mensen, bij DSM 20.000, bij Mediahuis 4.000 en we hebben miljoenen klanten. Ik ben me daar erg van bewust.

“Soms moet ik als voorzitter van de raad van bestuur beslissingen doorduwen. Dat geeft me natuurlijk wel een zekere ‘macht’. Al is die macht afhankelijk van het vertrouwen dat mensen in me hebben. Bij Mediahuis ben ik de belangrijkste aandeelhouder; daar zit ik wellicht gebeiteld. In alle andere organisaties kunnen ze me altijd bedanken voor bewezen diensten.”

U bent sinds kort ook voorzitter van het internationale investeringsfonds Pluralis.

“Dat is een initiatief van de Koning Boudewijnstichting, Mediahuis en het Amerikaanse Media Development Investment Fund. Ook de Open Society Foundations van George Soros is één van de financiers.”

De naam ‘George Soros’ bezorgt complotdenkers meteen een hartverzakking.

“Soros bouwde een heel groot vermogen op, waarvan hij intussen 17 miljard euro aan maatschappelijke doelen schonk. Ik ontmoette hem één keer. Ik bewonder zijn inzet voor een open en democratische samenleving in Centraal-Europa. Dat wordt hem inderdaad niet door iedereen in dank afgenomen. Ons investeringsfonds Pluralis zal wellicht ook niet door iedereen in dank worden afgenomen. We investeerden in de Poolse uitgeverij Gremi Media. Zij geeft Rzecszpospolita uit, de belangrijkste conservatieve economische krant van Polen. Eerder investeerden we in Petit Press, de tweede grootste centrumlinkse uitgever van Slovakije. Zo willen we los van de politiek de vrije pers ondersteunen in Europese landen waar regeringen controle over de media proberen krijgen. Voor alle duidelijkheid: we schenken geen geld, maar investeren.

“Ik maak me grote zorgen over wat in Hongarije gebeurde en wat zich ook in Polen aan het voltrekken is. De manier waarop regeringen vandaag de media aan banden willen leggen, is zeer verontrustend. Nóg verontrustender is dat zich dat óók in de Europese Unie afspeelt. Met Pluralis willen we daartegenin gaan.”

In 2000 werd u CEO van Union Minière. U voerde een stevige reorganisatie door: van een zwaar vervuilend bedrijf vervelde het tot de internationale materiaaltechnologie- en recyclagegroep Umicore. U deed enige ervaring op met het saneren van historische vervuiling door zware metalen, zoals in Olen en Hoboken. Hebt u advies voor 3M in Zwijndrecht?

“Ik ken de specifieke situatie van 3M niet genoeg om hen lessen te geven. Als sommige activiteiten van je bedrijf zeer problematisch blijken te zijn, moet je op een eerlijke, transparante manier uitzoeken hoe je tot aanvaardbare oplossingen kunt komen. Umicore maakte inderdaad een stevige transitie door: heel het porfolio van activiteiten veranderde. Ook wij hadden sites met historische problematieken.”

Zware historische problematieken die nog altijd blijven doorwerken?

“Dat is zo, maar we namen daar wel altijd onze verantwoordelijkheid voor en communiceerden er duidelijk over.”

Onder druk van actiegroepen.

“Natuurlijk luisterden we naar de maatschappij. De voorbije twintig jaar zochten we ook samen met de omgeving naar oplossingen. De sanering van de historische vervuiling werd aangepakt. Onze loodfabriek in Hoboken staat op tien meter van tuintjes en huizen van plaatselijke bewoners. Zo dicht naast elkaar wonen blijft uitdagend.”

Wat was er eerst? De fabriek of de huizen?

“De fabriek. Ze staat er sinds 1887; de woonwijk dateert van de jaren 1930. Maar wij gebruiken dat niet als argument. We hebben geen andere keuze dan samenleven met die wijk. De fabriek moet zo uitstekend werken dat we dat kunnen blijven garanderen. De voorbije decennia maakten we enorme vooruitgang, tezelfdertijd werden de normen steeds strenger. We betwisten die verstrenging niet, want ze kwam er op basis van wetenschappelijke inzichten. Ook daarmee moeten we leren omgaan.”

Ook de media zijn door de digitalisering volop in transitie.

“Die is al een hele tijd aan de gang. De mediasector toonde intussen aan dat ze die transitie aankan. Mediahuis doet het de laatste jaren bijzonder goed en vond een manier om de digitalisering in goede banen te leiden. Ons model is economisch leefbaar. De verwachting is dat de papieren krant verder terrein moet prijsgeven. We slaagden er intussen wel in om dankzij digitale abonnementsformules opnieuw te groeien. Mensen blijken dan tóch bereid om te betalen voor goede journalistiek op digitale dragers. Vandaag is Mediahuis niet langer een puur krantenbedrijf, maar een internationaal bedrijf van nieuwsmerken. In heel Europa hebben we er een dertigtal. De voorbije twee jaar vonden die merken allemaal de weg naar groei.”

Is de papieren krant gedoemd om te verdwijnen?

“Ooit zal dat wellicht gebeuren, maar dat is geen doel dat wij nastreven. De achteruitgang gaat alleszins veel minder snel dan een tijd geleden voorspeld werd. Heel veel lezers blijven genieten van de dagelijkse lectuur van hun papieren krant. Afgezien daarvan, wint het digitale natuurlijk aan belang. Er zijn titels waarvan de helft van de abonnees enkel nog digitaal leest. Niet de drager, maar de inhoud is belangrijk: onafhankelijke, kwalitatieve journalistiek.”

Vroeger haalden kranten een belangrijk deel van hun opbrengst uit reclame. Die reclame-inkomsten vloeien nu vooral naar de Facebooks en Googles van deze wereld?

“Ze hebben een groot deel van de koek, maar niet alles. Mediahuis boekte in 2021 recordresultaten. De groep ontstond in 2013 na de fusie tussen Concentra en Corelio. Onze omzet was toen minder dan 300 miljoen euro. Dit jaar zullen we eindigen op meer dan 1,1 miljard euro. Dat is natuurlijk vooral het gevolg van onze overnames in Nederland, Ierland, Luxemburg en Duitsland. Ons model om kranten om te bouwen tot digitale nieuwsmerken blijkt zeer succesvol.”

Begin februari stuurde de Vlaamse journalistenvereniging VVJ een open brief naar alle Vlaamse mediahuizen. Met de vraag om de soms bescheiden vergoedingen voor freelancejournalisten in deze tijden van inflatie minstens te indexeren. Als de resultaten zo bijzonder goed zijn, valt dat te overwegen?

“Mediahuis heeft beslist om alvast voor dit jaar de tarieven te indexeren. We werven jaarlijks heel wat vaste journalisten aan, maar willen daarnaast een correcte omgang met onze freelancers. Daarom proberen we altijd evenwichtige overeenkomsten met hen af te sluiten.”

Diezelfde VVJ waarschuwt in haar pas gepubliceerde jaarverslag voor de risico’s van te grote mediaconcentratie: die zou tot een verschraling van het media-aanbod leiden. Dat gevaar is niet denkbeeldig met vijf grote mediagroepen in Vlaanderen, waarvan drie actief in de kranten en tijdschriftenmarkt: DPG Media, Mediahuis, Roularta Media Group, VRT en SBS Belgium?

“Ik merk helemaal niets van die verschraling. Integendeel, het zijn net deze mediabedrijven die in staat zijn om een succesrijke overgang naar het digitale tijdperk te maken.

“Mediahuis en DPG Media worden in de ons omringende landen omwille van hun expertise erg gewaardeerd. Wij worden door de Nederlandse lezers als een verrijking ervaren. Anders zou ons abonnementenaantal toch niet jaar na jaar stijgen? Wij zorgen ervoor dat er een veelvormig medialandschap kan blijven bestaan.

“Voor technologie is schaalgrootte ontzettend belangrijk. Mediabedrijven met een omzet rond de 150 miljoen euro krijgen het in de digitale transformatie dan ook steeds moeilijker. Het is niet voor niets dat zoveel mediabedrijven aansluiting zochten bij zowel Mediahuis als DPG Media. Onze laatste overname in Nederland was de krantengroep NDC. Die werd beheerd door een stichting die zelf tot het besluit kwam dat ze noch het geld, noch de expertise, noch de schaalgrootte had om de noodzakelijke digitalisering in goede banen te leiden. Kranten als De Telegraaf en NRC zijn nu robuuste nieuwsmerken. Ze boeren vandaag veel beter dan toen ze nog onafhankelijke titels waren, financiële problemen hadden en in een permanente besparingsmodus zaten.”

Nederlandse krantenbedrijven werden overgenomen door Vlaamse ondernemingen. Meestal is het omgekeerd. Hebt u daar een verklaring voor?

“Ik denk dat wij iets vroeger dan de Nederlandse mediabedrijven leerden om met die nieuwe digitale realiteit om te gaan. Misschien hadden onze Nederlandse collega’s het lang iets te gemakkelijk: hun markt was groot én rijk waardoor ze te laat in gang schoten.”

Hoe is uw relatie met Christian Van Thillo, de voorzitter van voornaamste concurrent DPG Media?

“We spreken elkaar misschien één keer per jaar. In België voegden we onze jobplatformen samen en in Nederland deden we iets gelijkaardigs met onze digitale automarktplaatsen. Over dat soort van partnerschappen praten wij dan. We hanteren wel een verschillende strategie: Mediahuis zet in op nieuwsmerken in vijf landen, terwijl DPG Media kiest voor het crossmediale met de versmelting van print, tv, internet en radio in België en Nederland. Dat zijn allebei valabele keuzes. Intussen blijven we sterke concurrenten van elkaar op de lezersmarkt. Dat is goed, want dat houdt ons scherp.”

In 2020 werd u voorzitter van het Fonds Baillet Latour. Waar staat die organisatie voor?

“De stichting werd in 1974 opgericht door Alfred de Baillet Latour. Hij was bestuurder van de brouwerij Artois, die later opging in AB Inbev. Fonds Baillet Latour is vandaag één van de grootste filantropische stichtingen in België. Zo ondersteunen we medisch onderzoek en zijn we de voornaamste financier van restauraties van belangrijke kunstwerken. We werken daarvoor nauw samen met de Koning Boudewijnstichting.”

Klopt het dat het Fonds Baillet Latour de laatste jaren de buikriem stevig moest aanhalen?

“Ja, en dat zal nog wel een paar jaar zo blijven. Het vermogen van het fonds is belegd in AB Inbev-aandelen, waardoor we voor onze inkomsten afhankelijk zijn van de dividenden. Die werden door het bedrijf tijdelijk verlaagd omdat ze hun schuld versneld willen afbouwen. We geven nu 4 à 5 miljoen euro per jaar uit. Vroeger konden we ons budgetten van meer dan 10 miljoen veroorloven.

“Ik vind filantropie heel belangrijk. Sommigen lijken te denken dat Belgen daar in tegenstelling tot Amerikanen of Britten minder voor open staan. Niets is minder waar. Er is hier een zeer grote vrijgevigheid die begeleid en gekanaliseerd wordt door een belangrijke instelling als de Koning Boudewijnstichting. Zowel Baillet Latour als de Koning Boudewijnstichting bestaan dankzij de vrijgevigheid en inzet van velen. De Koning Boudewijnstichting bouwde haar werkingsmiddelen op door duizenden schenkingen en legaten. Jaarlijks geeft ze meer dan 120 miljoen euro uit aan projecten rond talentontwikkeling, medisch onderzoek, cultuur en kansarmoede. Daarmee maakt ze het verschil.”

Het gaat dus niet enkel over liefdadigheid, maar ook over verandering in de samenleving?

“Uiteraard. Filantropie is: private middelen aanwenden voor het algemeen belang. De missie van de Koning Boudewijnstichting is: meewerken aan een betere samenleving. De stichting wordt geadviseerd door mensen uit alle geledingen van de maatschappij en geniet vertrouwen bij beleidsmakers over het hele land. Ik was er zes jaar lang heel graag voorzitter van.”

Veranderde de coronacrisis onze samenleving fundamenteel?

“De gezondheidscrisis gaf een aantal fenomenen een flinke duw in de rug, zoals de digitalisering. We werden de voorbije twee jaar ook stevig met onze neus op onze kwetsbaarheid gedrukt. Tezelfdertijd reageerden we veerkrachtig op de pandemie, waardoor het ergste werd voorkomen. Een voorname les is dat we onze kwetsbaarheid niet mogen onderschatten. Zeker in het licht van een ecologische bedreiging zoals de klimaatverandering: we moeten daar op tijd en op een ernstige manier mee omgaan.”

De klimaatcrisis hangt al jaren boven ons hoofd en toch blijven we treuzelen. Is het contrast met hoe we de coronacrisis aanpakten niet erg groot? Terwijl de gevolgen van de klimaatverandering misschien veel ingrijpender zullen zijn?

“U hebt gelijk hoor, we staan voor een zeer uitdagend decennium. Tijdens corona werd er gesproken over ‘the roaring twenties’, alsof het na de pandemie allemaal vanzelf zou gaan. Ik ben fundamenteel óók een optimist, maar we mogen toch niet uit het oog verliezen hoe gigantisch onze uitdagingen zijn. Er is die ecologische transitie, maar er is in deze wereld ook een geopolitieke verschuiving bezig. Kijk naar wat er nu in Oekraïne aan het gebeuren is. Het westerse economische liberale model is niet meer zo vanzelfsprekend. Er is ook een sociale uitdaging: als de ongelijkheid te groot wordt, ontstaan er spanningen in de maatschappij.

“Van de stijgende inflatie zijn we nog lang niet verlost, vrees ik. Er is niet alleen de grondstoffenschaarste, maar ook die oorlogsdreiging. In België leidt inflatie automatisch tot loonsverhogingen die haar overtreffen. Andere landen kennen dat systeem niet, terwijl het bij ons voor een écht probleem zorgt.”

U wilt dat er aan ons systeem van automatische indexering gesleuteld wordt?

“Dat is vroeger ook al gebeurd; regeringen grepen ooit al in. Hoe lang kunnen werkgevers bij aanhoudende inflatie die loonsverhogingen blijven ophoesten? Want het gaan niet enkel over indexaanpassingen, maar ook over bijkomende loonsverhogingen die afgesproken zijn in nationale en sectorale CAO’s. We riskeren dat die cocktail de loonkost opdrijft, waardoor de competitiviteit van heel wat bedrijven in het gedrang komt. Zolang de stijgende lonen gecompenseerd worden door stijgende productiviteit is er niets aan de hand. Maar van zodra dat niet meer lukt, moet er op een bepaald ogenblik wel ingegrepen worden.

“Van alle uitdagingen die op ons afkomen, blijft de ecologische de meest fundamentele. De klimaatverandering werd de voorbije vijftien jaar goed in kaart gebracht en we weten wat er nodig is. Zonder zeer concrete dreiging blijft het blijkbaar moeilijk om in te grijpen.”

Voormalig Vlaams minister van Leefmilieu Bruno Tobback (Vooruit) zei in 2007 al: “Elke politicus weet wat hij moet doen om het klimaatprobleem aan te pakken. Er is alleen geen enkele politicus die weet hoe hij daarna nog verkozen moet raken.”

“Veel andere politici deden dezelfde uitspraak.”

Is dat geen uiting van lafheid?

“Je zou de politici lafheid kunnen aanwrijven, maar burgers dragen met hun kortzichtigheid evenveel verantwoordelijkheid. We zouden moedige politici moeten herverkiezen, maar doen dat niet. Al is de laatste jaren de mentaliteit toch sterk aan het veranderen, zeker bij jonge mensen. Zij laten terecht van zich horen. Ook in de politiek groeit het bewustzijn, mee onder druk van de opeenvolgende internationale klimaatakkoorden. Natuurlijk gaan die allemaal niet ver genoeg, maar ze wijzen wel de te volgen richting aan.

“In het bedrijfsleven is de omslag bezig. Zo goed als alle grote ondernemingen legden vast tegen wanneer ze CO2-neutraal willen zijn. Sommige willen tegen 2035 hun CO2-uitstoot tot nul herleiden, andere mikken op 2050. Door zo’n doel voorop te stellen, heb je dat natuurlijk nog niet gerealiseerd, maar het laat wel zien dat het bewustzijn er is. Natuurlijk kun je cynisch reageren op een CEO die zich tot doel stelt om zijn bedrijf ‘pas’ tegen 2050 CO2-neutraal te maken. Hijzelf zal er dan niet meer zijn. Maar verschillende bedrijfsleiders steken hun nek wél uit door al op 2030 te mikken.”

Die beloftes zijn geen greenwashing, het oppoetsen van hun imago door groene marketing?

“Als het om greenwashing gaat, zullen ze daar op afgerekend worden. Ik merk dat bij DSM, Umicore en Mediahuis de rapportering over de uitvoering van duurzaamheidsplannen zeer ernstig genomen wordt. Het gaat over veel meer dan enkel groene energie, maar ook over bijvoorbeeld industriële processen die totaal herdacht moeten worden. Het is een gigantisch karwei, waar ondernemingen volop aan werken. Het is ook niet zo dat onze politici het helemaal laten afweten: ze zijn intussen wel degelijk bezig met het creëren van een regelgevend kader.

“Drie jaar geleden had ik nog veel twijfels over de dynamiek van de noodzakelijke ecologische transitie. Vandaag stel ik vast dat ze eindelijk is ingezet. Kijk maar naar hoe snel de auto-industrie kantelde. Amper vier jaar geleden geloofden autoconstructeurs dat verbrandingsmotoren nog minstens een halve eeuw zouden meegaan. Nu zetten ze alles in op elektrisch rijden.”

De Belgische werkgeversorganisaties lanceerden onlangs een oproep om de laatste twee kerncentrales ook na 2025 open te houden. Bent u het daarmee eens?

“Vanuit ecologisch standpunt heb ik die kernuitstap nooit begrepen. Er moeten ontzettend veel inspanningen geleverd worden om de CO2-uitstoot te reduceren. Waarom willen we dan per se kerncentrales sluiten die op een CO2-neutrale manier energie opwekken, om ze door gas te vervangen? Al geef ik ook toe dat ze niet helemaal probleemvrij zijn.”

Ze zijn verouderd, kampen met scheurtjes en produceren nucleair afval. En er was Tsjernobyl en Fukushima.

“Een belangrijke voorwaarde is dat de veiligheid bij kerncentrales absoluut gegarandeerd wordt. Het toezicht op onze nucleaire sites verschilt dag en nacht van dat op Tsjernobyl ten tijde van de Sovjet-Unie. Als onze officiële instanties garanderen dat met een aantal investeringen de centrales veilig zijn, moéten ze blijven draaien. Natuurlijk is er het afval, maar dat is er al jaren en we weten hoe we het veilig moeten stockeren. Het afvalprobleem verandert niet wezenlijk wanneer we de centrales nog een jaar of vijftien laten verder werken. Vandaag is CO2 een groter probleem dan kernafval. Daarom vind ik het verkeerd om die centrales versneld te sluiten. Want er is echt niet veel tijd meer om de klimaatverandering in te perken.”

Thomas Leysen

– Geboren in Wilrijk op 15 oktober 1960

– 1983: Master in de rechten aan de KULeuven

– Startte in 1983 zijn carrière bij Transcor Group en bouwde die uit tot een internationale olie- en kolentrader

– Trad in 1988 in dienst bij Union Minière, het latere Umicore

– Werd in 2000 CEO van Umicore

– Was van 2002 tot 2007 voorzitter van Agoria, federatie van Belgische technologiebedrijven

– Was van 2008 tot 2011 voorzitter van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO)

– Werd in 2008 voorzitter van Umicore

– Is sinds 2013 voorzitter van Mediahuis, was daarvoor voorzitter van voorlopers VUM en Corelio

– Was van 2011 tot 2020 voorzitter van KBC Groep

– Werd in 2021 voorzitter van het Nederlandse DSM

– Was van 2016 tot vorige maand voorzitter van de Koning Boudewijnstichting

© Jan Stevens

%d bloggers liken dit: