‘Escobar had een ego zo groot als Colombia’

Steve Murphy en Javier Peña werden door de Netflix-hitserie Narcos wereldberoemd als de jagers op Pablo Escobar. In hun autobiografie Manhunters rekenen de inmiddels gepensioneerde DEA-agenten af met de mythische status van de Colombiaanse drugsbaron. “Al zijn zogenaamde goede werken financierde hij met corruptie, drugshandel en moord.”

 

In Narcos werden de hoofdrollen van de twee Amerikaanse DEA-agenten Steve Murphy en Javier Peña vertolkt door de acteurs Boyd Holbrook en Pedro Pascal. De tv-reeks brengt in beeld hoe beiden van eind jaren zeventig tot begin jaren negentig op Pablo Escobar en zijn beruchte Medellín-drugskartel joegen. Bedenker, scenarioschrijver en regisseur José Padilha zocht in de aanloop van het eerste seizoen in 2015 contact met de inmiddels gepensioneerde échte manhunters Peña en Murphy. Hij praatte uitgebreid met hen en nodigde hen in de laatste aflevering van het tweede seizoen uit voor een amper opgemerkte cameo, met een toast van beiden op de dood van Escobar. Pas nu vertellen Steve Murphy en Javier Peña zelf het verhaal van de jacht op Escobar in hun autobiografie Manhunters. “Eigenlijk is het jammer dat we daar zo lang mee gewacht hebben”, vindt Javier Peña. “Escobar werd doodgeschoten op 2 december 1993 en in de jaren erna stonden wij gewoon niet stil bij het belang van onze rol om hem te vinden. Dat besef kwam pas toen we betrokken raakten bij Narcos. Ik wou nu dat we Manhunters al veel eerder geschreven hadden.”

Steve Murphy: “Toen Netflix onze medewerking vroeg, zei een vriend: ‘Zorg voor een clausule in jullie contract waarbij jullie het recht behouden zelf jullie leven te boek te stellen. Je weet nooit.’ Toen begon die eerste Narcos-serie met onze alter ego’s in de hoofdrollen, en dat was meteen een gigantische hit. We leerden een literair agent kennen: ‘De tijd is rijp voor jullie versie van de feiten.’ And here we are.”

 

Waarom gingen jullie ooit bij de politie?

Peña: “Ik ben geboren en getogen in Texas, niet ver van de Mexicaanse grens. Om mijn studies sociologie te bekostigen, vond ik een bijbaantje als hulpsheriff. Overdag studeerde ik en ’s nachts patrouilleerde ik in de straten van Laredo als ordehandhaver voor het sheriffbureau van Webb County.”

Murphy: “Ik groeide op vlakbij Nashville, Tenessee. Daar maakte ik als lagere schooljongen op een zomeravond voor het eerst kennis met een politiepatrouille in actie. Een van mijn vrienden raakte niet binnen in zijn eigen huis en we probeerden een slaapkamerraam open te prutsen. Een buur waarschuwde de politie en niet veel later werden we ‘aangehouden’ door twee agenten in uniform. Ik was daar danig van onder de indruk en ik wist meteen wat ik later wou worden: politieagent. Een paar jaar later verhuisden we naar de staat West Virginia. In 1975 nam ik op mijn 19e dienst bij de geüniformeerde politie. Ik genoot ervan een flik te zijn, elke dag van de zes jaar die ik bij het Bluefield Police Department diende. Alleen kreeg ik er een armzalig loon voor in de plaats. Ik was intussen getrouwd, gescheiden en had twee kinderen. Er moest dus brood op de plank en daarom stapte ik eind 1981 noodgedwongen over naar de veel beter betalende spoorwegpolitie. Mijn salaris verdubbelde, maar ik voelde me er doodongelukkig. Ik was niet bij de politie gegaan om een hele dag op een trein rond te lummelen. Ik wou boeven vangen en mijn ultieme droom was undercoveragent in het drugsmilieu. De VS werden in de jaren zeventig geteisterd door drugs zoals marihuana, heroïne en cocaïne. Ik zag de vreselijke verwoesting die ze bij talentvolle jonge mensen aanrichtten en mijn handen jeukten om daar iets tegen te ondernemen.”

 

Ook de handen van de toenmalige president Richard Nixon jeukten in 1973: toen richtte hij de Drug Enforcement Administration of DEA op. Met die nieuwe federale politiedienst verklaarde hij de oorlog aan de dealers én de gebruikers?

Murphy: “Begin jaren zeventig werd cocaïne steeds populairder. Nixon zat halverwege 1973 middenin het Watergate-schandaal en was wanhopig op zoek naar een bliksemafleider. Daarom verklaarde hij met veel aplomb een wereldwijde oorlog tegen drugs. Op 1 juli van dat jaar werd op bevel van de president de DEA boven de doopvont gehouden, het federaal bureau dat drugsgebruik inderdaad streng ging aanpakken en de drugssmokkel moest beëindigen. De DEA werd in de wandelgangen ‘The Single Mission Agency’ genoemd, omdat de focus enkel en alleen gericht was op de strijd tegen drugs.”

Peña: “Je mag ook niet vergeten welke ellende heroïne in die tijd aanrichtte. Die kwam vanuit de Gouden Driehoek in het verre oosten ons land binnen via Zuid-Frankrijk. De heroïne werd door de Siciliaanse maffia of de beruchte ‘French Connection’ vanuit de havenstad Marseille verscheept naar New York.”

 

Vandaag worden de VS geteisterd door synthetische drugs zoals crystal meth. In Manhunters vind ik daar geen spoor van terug.

Peña: “In de jaren zeventig en tachtig leken synthetische drugs nog niet zo’n immens probleem. Wij noemden ze ‘kiddie dope’. (lacht) De DEA concentreerde zich op heroïne en cocaïne en schonk geen aandacht aan die ‘onnozele’ verdovende middelen uit het labo. Dat was een vergissing.”

 

Hoe kwamen jullie bij de DEA terecht?

Peña: “In 1977 was ik bijna afgestudeerd als socioloog toen ik op het mededelingenbord van de faculteit een jobvacature voor de DEA zag hangen. Bij de sheriff van Laredo verdiende ik op dat moment 10.000 dollar per jaar. Geen vetpot, daarom was ik geïnteresseerd in die vacature. Al wist ik eerlijk gezegd toen niet eens wat de DEA was. (lacht) Zij betaalden 17.000 dollar en ik stuurde mijn sollicitatiebrief. Ik wou ook weg uit Laredo. Een van de wervingsslogans van de DEA was toen: ‘Kom bij ons werken en je zal de wereld zien.’ Het duurde een jaar voor ik aangenomen werd. Mijn plan was om er twee jaar te blijven, maar voor ik het goed en wel besefte, zwaaide ik pas dertig jaar later af.”

Murphy: “Mijn naaste collega bij de spoorwegpolitie had een tijdje als undercoveragent bij de DEA gewerkt. Tijdens onze nachtdiensten vertelde hij heroïsche verhalen. Ik solliciteerde, maar dat ging niet van een leien dakje. Pas na twee jaar werd ik eindelijk door de DEA aangenomen.”

 

U moest eerst een opleiding volgen aan de DEA Academy in Quantico, Virginia?

Murphy: “Ja, en die was niet van de poes. Na dertien weken keiharde training was ik twaalf kilo vermagerd. Daarna werd ik naar Miami gestuurd. Mijn grootste cocaïnevangst ooit in mijn twaalfjarige carrière als gewoon politieagent, was welgeteld 60 gram. Bij mijn allereerste zaak als DEA-agent in Miami, nam ik 400 kilo coke in beslag. Toen wist ik: mijn keuze voor de DEA was de enige juiste.”

 

Jullie werkten allebei undercover?

Murphu: “Ja, maar ik mengde me niet zo actief onder de producenten en dealers als Javier. De cocaïnetoevoer en handel was volledig in handen van Latijns-Amerikanen en hispanics. Als witte kerel zou ik heel snel door de mand vallen. In Miami hield ik me vooral bezig met rekrutering van informanten en het ondersteunende werk achter de schermen.”

Peña: “Ik heb Mexicaanse roots en thuis en op school spraken we Spaans. Ik begon mijn carrière als DEA-undercoveragent in de Texaanse hoofdstad Austin. Toen ik daar in 1984 toekwam, was ik de enige Latino-agent op het bureau. Ik werd dan ook meteen ingezet voor heel wat undercoverwerk. Iedereen denkt nu dat wij ook in Colombia als undercoveragenten actief waren om Pablo Escobar uit te schakelen, maar dat is niet zo. Wij waren daar als verbindingsagenten en werkten nauw samen met de Colombiaanse politie.”

 

Jullie schrijven met veel sympathie over de Colombiaanse politiemensen en noemen ze ‘de echte helden’ in de strijd tegen Escobar. In september 1989 verscheen in The New York Times een vernietigend artikel, waarin de Colombiaanse politie ervan beschuldigd werd zo corrupt te zijn als de pest. Ze zou zwaar geïnfiltreerd zijn door de drugsbaronnen.

Murphy: “Dat is precies een van die grote mythes die wij met dit boek willen doorprikken. Wij verhuisden naar de Colombiaanse hoofdstad Bogotá op vraag van de Colombiaanse Nationale Politie. Wij hebben ons nooit opgedrongen; het was hún verzoek hen te helpen in de jacht op Pablo Escobar.”

Peña: “Natuurlijk vonden wij dat een uitstekend idee. Wij hadden in die tijd kantoren over de hele wereld en wisselden informatie uit. Maar dat was de allereerste keer dat een land de hulp van de DEA inriep om samen actief op zoek te gaan naar een misdadiger.”

 

Eind jaren tachtig was Bogotá oorlogsgebied?

Peña: “Ik arriveerde er in 1988 en schrok van wat ik er aantrof. De handlangers van Escobar pleegden aanslagen en terroriseerden zowel Bogotá als de tweede belangrijkste stad Medellín. Vraag vandaag aan om het even welke volwassen inwoner van Bogotá hoe hij of zij zich de jaren voor en na 1990 herinnert, en je krijgt antwoorden als: ‘Mijn tante kwam om in een bomaanslag’, of: ‘Mijn oom werd neergekogeld op straat.’ Winkelcentra lagen er verlaten bij en het uitgangsleven was zo dood als een pier.”

 

Het was open oorlog tussen het Medellín-kartel en de overheid?

Peña: “Ja, en daar kwam nóg een oorlog bij tussen het Medellín-kartel van Escobar en het Cali-kartel. Escobar begon op een bepaald moment ook bommen te plaatsen in de auto’s van concurrerende drughandelaars.”

Murphy: “Maar de belangrijkste oorlog was toch die tussen Escobar en Colombia.”

Peña: “Zeker. Iedereen was een potentieel slachtoffer. Escobar en zijn handlangers vermoordden onschuldige mensen in supermarkten, winkels, op straat, in restaurants of cafés. De Zona Rosa-wijk in Bogotá stikt van de restaurants. Wij vermeden die buurt omdat daar continu bommen ontploften.”

Murphy: “De Colombiaanse bevolking werd zwaar geterroriseerd. Ik kwam op 16 juni 1991 toe in Bogotá. Drie dagen later gaf Pablo Escobar zichzelf aan bij de politie. Er is geen enkel verband tussen die twee feiten. (lacht) Bij de DEA wordt niemand zonder inspraak naar het buitenland gestuurd, je moet er je kandidatuur voor stellen. Zo vertrekken er alleen gemotiveerde agenten. Maar van zodra ik die 16e juni de internationale luchthaven El Dorado binnenliep, kreeg ik al spijt van mijn kandidatuur. Het leek net een grauwe sovjetbunker waar de chaos hoogtij vierde. Ik voelde me vreselijk geïntimideerd. Op dat moment wist ik nog niet dat ik ingeschakeld zou worden in de strijd tegen Escobar en zijn Medellín-kartel. Dat werd een dag later duidelijk toen ik voor het eerst kennismaakte met Javier en zijn partner Gary Sheridan. Javier en Gary waren op dat moment dé Medellín-experten in Colombia. Toen Gary promotie kreeg, werd ik Javiers vaste partner.”

 

Jullie hadden elkaar nooit eerder in de VS ontmoet?

Peña: “Nooit. Maar we werden snel hechte vrienden. Steve is zeer georganiseerd en ik ben een chaoot. We vullen elkaar dus perfect aan. (lacht)”

 

Op 19 juni ’91 gaf Escobar zich over. Jullie hadden dat niet zien aankomen?

Peña: “Niemand. De Colombiaanse regering ging akkoord met een overgave op zijn voorwaarden omdat ze zo veel mensenlevens kon redden. Hij mocht zijn zaakjes verder blijven runnen in de gevangenis, in zeer luxueuze omstandigheden. In ruil beloofde hij dat er geen bommen meer zouden ontploffen. Op dat moment vonden wij dat gruwelijke onzin. We waren daar echt kapot van, maar in werkelijkheid stopten de aanslagen ook. Nu weet ik: Baby, it was the best we could get.”

 

Escobar gaf zich over uit schrik voor een aanslag op zijn eigen leven?

Murphy: “De grond was hem te heet geworden onder zijn voeten. De regering bouwde op zijn kosten zijn gevangenis, bijgenaamd La Catedral, volledig naar zijn wensen: met een zwembad, jacuzzi, voetbalveld en luxueuze woonvertrekken. Hij mocht zijn trouwe handlangers en ‘bedienden’ meenemen naar binnen. De zware beveiliging moest zijn vijanden buitenhouden.”

Peña: “Op het moment van zijn overgave was niemand daarvan op de hoogte. Maar veel Colombianen namen daar achteraf vrede mee. Zij waren al lang blij dat de aanslagen stopten. Een belangrijk onderdeel van de deal was dat de overheid de handel van Escobar niet verder zou controleren. Hij had voor zichzelf dus een vrijgeleide onderhandeld om verder cocaïne te exporteren naar de VS. Hij bleef vanuit La Catedral orders uitdelen om concurrenten en in ongenade gevallen zakenpartners uit te schakelen of ontvoeren. Een jaar na zijn overgave moest zelfs de regering erkennen dat er behalve de bomaanslagen niet veel veranderd was. Ze besloten hem over te plaatsen naar een echte gevangenis, maar hij wachtte daar niet op, gijzelde een paar regeringsfunctionarissen en ontsnapte via een tunnel. Pas na Escobars ontsnapping zagen we de luxe waarin hij zich een jaar lang had gewenteld.”

 

U bracht toen de nacht door in Escobars bed. Waarom?

Peña: “Meteen na zijn ontsnapping kamden we La Catedral uit en een Colombiaanse kolonel zei: ‘Wedden dat je vannacht niet in Escobars bed durft slapen?’ Dat moest hij geen twee keer zeggen. (lacht) Eerlijk gezegd heb ik die nacht geen oog dichtgedaan. Boven Escobars bed stond een beeldje van de Maagd Maria. Ik lag naar dat beeldje te staren en dacht: ‘Die man heeft honderden doden op zijn geweten, en toch bad hij tot Maria.’ Al die drugsbaronnen geloofden in God en toch aarzelden ze niet om onschuldige mensen af te knallen.”

 

Was Pablo Escobar een psychopaat?

Murphy: “Volgens sommigen was hij een volbloed psychopaat. Anderen beweren dat hij een meervoudige persoonlijkheidsstoornis had. Nog anderen zien hem als een geniale ondernemer die in de verkeerde branche terechtgekomen is. Zij beweren dat hij ook in de bovenwereld minstens even rijk zou geworden zijn. Dat is volstrekte onzin, want zijn zakelijke model was gebouwd op terreur. ‘Als je niet doet wat ik zeg, maak ik je af.’ Hij had een ego zo groot als Colombia. Hij geloofde echt dat elke Colombiaan hem bewonderde en steunde. Dat was niet zo, maar in ’82 raakte hij wel verkozen tot plaatsvervangend volksvertegenwoordiger in het parlement. Hij droomde er zelfs van om president van Colombia te worden. Hij overschatte zijn ‘populariteit’ grandioos. Hij was niet populair; mensen waren doodsbang voor hem.”

 

Toch waren veel piepjonge Colombianen bereid hun leven voor hem op te offeren, zoals die jongen van 17 die in opdracht van Escobar tien agenten had doodgeschoten.

Peña: “Het verhoor van die jongen zit voor altijd in mijn geheugen gegrift. Hij kreeg 100 dollar per dode agent en gaf zijn loon bijna integraal aan zijn moeder. Hij zei dat Escobar hem een nieuw leven gaf in de krottenwijk waarin hij was geboren. Dankzij Pablo zaten ze niet langer in de goorste armoede. Ze hadden nu tenminste een koelkast, eten en een dak boven het hoofd. Die jongen was er zich heel goed van bewust dat de levensverwachting onder Escobars huurmoordenaars of sicarios amper 22 jaar was. Hij toonde geen greintje berouw over die tien dode agenten. Escobar had minstens 500 sicarios in dienst.”

 

Op 2 december 1993, de dag na zijn 44e verjaardag, werd hij in zijn onderduikadres in de wijk Los Olivos in Medellín door de Colombiaanse politie doodgeschoten.

Murphy: “Wij kwamen er toe meteen nadat hij gedood was. Luitenant Hugo Martínez van de Colombiaanse Nationale Politie was een crack in het uit de lucht plukken van radiosignalen. Op een dag hoorde hij een gesprek tussen Escobar en een van zijn secondanten. Hij kon de zender traceren en zo kwamen ze Pablo Escobar op het spoor. Martínez vertelde me achteraf hoe hij voor een rijhuis stopte en door het venster Escobar zag telefoneren. In het vuurgevecht dat daarop volgde, werd Escobar doodgeschoten. Daarom zijn de échte helden de inmiddels overleden luitenant Martínez en zijn collega’s van de Colombiaanse Nationale Politie.”

 

Volgens de zoon van Pablo Escobar schoot de drugsbaron zichzelf door het hoofd.

Murphy: “Leugens. Je moet maar eens surfen naar de foto’s die genomen zijn van het lijk van Escobar, niet lang nadat hij was doodgeschoten en op dat dak lag. Ik was de fotograaf. Er wordt beweerd dat hij zichzelf door het oor geschoten zou hebben. Als dat zo was, zou de huid rond het oor brandwondjes moeten hebben. Als je van dichtbij een kogel afvuurt, vliegen er restjes buskruit in je gezicht. Bekijk de foto’s maar eens goed, je zal geen brandwonde aantreffen. Hij pleegde geen zelfmoord.”

Peñas: “Zijn dood zorgde voor een uitbarsting van vreugde, maar ook voor verdriet. Want veel arme Colombianen zagen Pablo paradoxaal genoeg als hun redder. Ik kom er nog regelmatig en zelfs vandaag denken ze met weemoed aan hem terug. Ze geloven dat hij een sympathieke Robin Hood was die stal van de rijken en gaf aan de armen. Maar al zijn zogenaamde goede werken financierde hij met corruptie, drugshandel en moord. Op 27 november 1989 liet hij een passagiersvliegtuig opblazen: 107 passagiers en bemanningsleden vonden de dood. Zo wou hij een paar politie-informanten die aan boord waren uit de weg ruimen. Duizenden onschuldigen vermoordde hij. Erg sympathiek was dat niet.”

 

Steve Murphy & Javier Peña, Manhunters – Onze jacht op Pablo Escobar, Kosmos Uitgevers, 416 blz., 20 euro

 

(c) Jan Stevens

‘Het leek net een gevangenis’

Vijf weken lang ging journalist Jeroen van Bergeijk undercover in het distributiecentrum van webwinkel bol.com. ‘Met malafide huisvesting van goedkope werkkrachten wordt bakken geld verdiend’

De Nederlandse journalist Jeroen van Bergeijk las ontluisterende verhalen over de arbeidsomstandigheden in de Britse en Amerikaanse magazijnen van webwinkel Amazon. ‘De werknemers staan er onder extreem zware druk’, zegt hij. ‘Zo beschrijft de Britse journalist James Bloodworth in zijn boek Hired hoe ze strafpunten krijgen als ze ziek zijn, te laat komen of hun doelen niet halen. Van zodra ze een bepaald aantal punten verzameld hebben, vliegen ze eruit. Tijdens de werkuren mogen ze zelfs niet naar het toilet, waardoor sommigen noodgedwongen in plastic flessen plassen.’

Die keiharde werksfeer stond haaks op het coole imago dat Amazon bij Van Bergeijk had. ‘Ik bestelde al jaren online boeken bij the world’s largest bookstore. Ik ben ook een regelmatige shopper bij andere webwinkels, net zoals 96 procent van de Nederlanders van vijftien en ouder, en 89 procent van de Belgen.’ In 2018 voerden die Nederlanders 240 miljoen onlinebestellingen in en de Belgen 97 miljoen. In vergelijking met een jaar eerder vertegenwoordigde dat een groei aan online-uitgaven van 19 procent in Nederland en 12 procent in België. ‘Ik vroeg me af wat de gevolgen van onze collectieve verslaving aan internetshoppen zijn voor de werksfeer bij bol.com, “de winkel van ons allemaal”.’

Dus solliciteerde Jeroen van Bergeijk voor een job als magazijnier. Vijf weken lang ging hij undercover in het distributiecentrum van bol.com in het Nederlandse Waalwijk. In zijn boek Binnen bij bol.com brengt hij verslag uit van zijn korte loopbaan bij de webwinkel en van zijn verblijf op vakantiepark De Droomgaard, waar veel Oost-Europese werknemers van het distributiecentrum wonen.

Jeroen van Bergeijk: ‘De voorbije jaren schoten langs de Nederlandse snelwegen de grote anonieme distributiecentra als paddenstoelen uit de grond. Vooral in onze provincies Brabant en Limburg staat het ene raamloze gebouw naast het andere. Het zijn net immense dozen en je kan niet zien wat er binnen gebeurt. In Noordwest-Europa is Nederland kampioen in dat soort distributiecentra. Volgens de laatste tellingen staan er hier 1999 stuks.’

 

België ligt voor grote webwinkels strategisch even interessant als Nederland, en toch delven wij het onderspit. Hoe komt dat?

Van Bergeijk: Omdat jullie lonen hoger liggen, maar ook omdat nachtwerk in België strenger gereguleerd is. ‘Vóór 23.59 uur besteld, morgen in huis’, kunnen Belgische webwinkels veel moeilijker garanderen dan Nederlandse. De flexibilisering van de arbeidsmarkt is bij ons meer doorgeschoten dan bij jullie. Nederland staat traditioneel ook heel sterk in logistiek, transport én in handeldrijven. Internationale bedrijven kiezen daarom vaak voor dit land. Ze bouwen hun distributiecentra aan de Belgische grens om zo ook makkelijk jullie te kunnen bedienen. Volgens de Ecommerce Foundation winkelt liefst 56 procent van de Belgen online over de grens, meer bepaald in Nederland. Het magazijn van bol.com beslaat 42.000 vierkante meter, of acht voetbalvelden, en staat in een bedrijvenpark in Waalwijk, vlakbij de autosnelweg. Het ligt op een boogscheut van de Efteling en een half uurtje rijden van de grens.

 

Het magazijn zelf is toch geen eigendom van bol.com?

Van Bergeijk: Dat klopt, via uitzendkantoor Tempo-Team werkte ik voor Ingram Micro, het bedrijf dat voor bol.com de logistiek verzorgt. En toch blijf ik consequent zeggen: bol.com. Ze nemen er de verantwoordelijkheid niet voor, terwijl ik in de retourafdeling enkel pakjes van bol.com zag passeren. De officiële uitleg voor die opsplitsing is dat bol.com doet waarin het goed is: de webwinkel, en dat Ingram Micro zich bezighoudt met zijn specialiteit: de logistiek.

 

U bent 52 en werd probleemloos aangenomen.

Van Bergeijk: Laat het een geruststelling zijn dat je als werkloze vijftigplusser toch nog bij bol.com aan de slag kunt. Voor ik het goed en wel doorhad, was ik al aangenomen. (lacht) Het uitzendbureau organiseerde in het najaar van 2018 een ‘open dag’ bij Ingram Micro. Ik vond die ‘open dag’ een goede gelegenheid om dat magazijn te verkennen en had niet door dat het in werkelijkheid een sollicitatie was. Na de rondleiding vroegen ze: ‘Wanneer kun je beginnen?’

 

U verdiende 10 euro bruto per uur, 80 cent boven het Nederlandse minimumloon.

Van Bergeijk: Het is slecht betaald werk, in niet al te beste arbeidsomstandigheden. Daarom ook tref je er amper Nederlanders aan.

 

Klopt mijn indruk dat Ingram Micro en bol.com liefst geen Nederlandse werknemers hebben?

Van Bergeijk: Officieel willen ze dolgraag Nederlanders in dienst nemen, de werkelijkheid is anders. Ik stond op twee afdelingen: bij de retouren en orderpicking. Op de afdeling retouren werkten enkel mensen die Nederlands spraken. Zij moesten kunnen lezen waarom mensen een artikel terugstuurden. Maar dat eilandje is niet representatief voor de rest van het bedrijf. De afdeling orderpicking is dat wel: 95 procent is arbeidsmigrant. De meesten komen uit Oost-Europa.

 

Volgens de overheid zorgen flexibiliteit en lage lonen ervoor dat ook laaggeschoolden aan de slag kunnen.

Van Bergeijk: Dat klinkt leuk, maar in de praktijk klopt het niet. Distributiecentra zoals Ingram Micro worden gebouwd op plaatsen die alleen met de auto toegankelijk zijn. De werktijden zijn zo flexibel dat een normaal sociaal leven onmogelijk is. Nederlanders willen daar niet werken. Dus importeren ze goedkope arbeid uit Oost-Europa. Natuurlijk hebben die mensen recht op werk, maar dat was niet de bedoeling van de door de overheid toegelaten flexibiliteit. De uitzendbureaus en de bazen van bol.com beweren dat die arbeidsmigranten na verloop van tijd allemaal terugkeren. Dat blijkt niet uit de statistieken. Een derde keert na zes maanden terug, een derde blijft langer en het laatste derde wil zich hier permanent vestigen.

 

Als die mensen integreren, is er toch geen probleem?

Van Bergeijk: Dat is zo, en in Europa mogen mensen vrij bewegen. Maar toch is er bij de Nederlandse bevolking, en misschien ook bij de Belgische, groeiende bezorgdheid over het aantal Oost-Europeanen dat hier neerstrijkt. Dat kan best ten onrechte zijn, maar een van de redenen waarom Britten voor de brexit stemden, was net de angst voor Oost-Europa. ‘Ze pikken onze banen in.’ Je hoort daar nu ook echo’s van bij ons.

 

U ging in de buurt van Waalwijk op zoek naar een tijdelijke woonst en kwam terecht in een chalet in ‘De Droomgaard’ in Kaatsheuvel, bijgenaamd de ‘bol.com-camping’.

Van Bergeijk: Ik verwachtte de grootste misstanden te zullen aantreffen op de werkvloer, maar dat was minder erg dan gedacht. Het échte schandaal is de huisvesting van de mensen die bij bol.com aan de slag zijn. Het is sowieso lastig om in Nederland een huis te vinden, maar voor arbeidsmigranten is het nog iets moeilijker. Zij komen op de rottigste plekken terecht, zoals aftandse vakantieparken, campings en de zogenaamde Polenhotels. Dat zijn kantoorgebouwen die uitzendbedrijven verbouwd hebben tot tijdelijke woonruimten. De huur wordt door het uitzendkantoor ingehouden van het salaris en met die malafide huisvesting wordt bakken geld verdiend.

Het is een kwalijke zaak dat zowel werk als onderdak geregeld wordt door één en dezelfde partij. De meeste werknemers bij Ingram Micro, maar ook bij vele gelijkaardige distributiecentra, zijn van Poolse origine. Het Nederlandse uitzendbureau heeft in Polen een vestiging en rekruteert mannen en vrouwen met de belofte dat ze in Nederland goed betaald zullen worden. ‘Je zal veertig uur moeten werken en wij zorgen voor een huis.’ Het uitzendbureau huurt vervolgens chalets op een vakantiepark en stoppen die vol Poolse werkkrachten. Van zodra een Poolse werknemer ontslagen wordt, wordt hij onmiddellijk uit zijn ‘huis’ gezet. Veel mensen worden zo dakloos. Wie niet ontslagen wordt, blijft compleet afhankelijk van het uitzendbureau.

 

U schrijft dat er een parallelle, ‘onzichtbare’ samenleving is ontstaan.

Van Bergeijk: Dat is niet alleen zo in Nederland, maar in heel West-Europa. Duizenden Oost-Europese arbeidsmigranten komen in de problemen op het moment dat ze door hun werkgever gedumpt worden en tezelfdertijd hun huis verliezen. Sommigen zaten al in een moeilijke situatie thuis in Polen, maar hier in Nederland zijn ze dan nog eens volledig afgesneden van vrienden en familie.

 

U maakte niet bekend dat u journalist bent. Volgens de journalistieke deontologie is undercoverjournalistiek pas toegestaan als informatie niet op een andere manier verkregen kan worden en het maatschappelijk belang dat verantwoordt. Dat was nu zo?

Van Bergeijk: In principe ben ik het eens met de regel dat je jezelf altijd als journalist bekend maakt. Maar door scha en schande heb ik geleerd dat ik dan niet altijd het hele plaatje krijg. Ik vind het ook belangrijk om iets zelf aan den lijve te ervaren. Zo kan ik een beter verhaal schrijven. Dat lukt alleen undercover. Dit is niet mijn eerste undercoveroperatie; ik was eerder chauffeur bij Uber. Ik solliciteer altijd onder mijn eigen naam en plak geen valse snorren op. Ik laat wel dingen weg uit mijn CV.

 

’s Morgens moest u aan de ingang van het magazijn al uw bezittingen in een kluisje achterlaten en ’s avonds moest u door een bodyscanner.

Van Bergeijk: Je mocht niets mee naar binnen nemen, want al die spullen verkopen zij ook. Geen horloge, telefoon, petje, halsketting, hoofddoek, ring of piercing. We kregen een soort uniform: een zwart T-shirt. De baasjes boven ons droegen een groen T-shirt. De baasjes boven hen hadden dan weer een andere kleur, en zo kon je aan de kleur van het shirt zien wie waar in de hiërarchie zat. Die bodyscanner vond ik vernederend. Ze bespeurden dan een propje papier in je broekzak en vervolgens moest je al je zakken leegmaken. ’s Avonds stonden we voor die controle eindeloos in de rij. Het leek net een gevangenis.

 

Beleefde u zware tijden op de afdeling retouren?

Van Bergeijk: Ik trof daar geen wantoestanden aan zoals bij Amazon. Ik mocht zoveel naar het toilet als ik wou, de werkdruk viel mee en de rechtstreekse bazen waren best aardig. Maar ik stond te kijken van de hoeveelheid pakjes die bol.com terugkrijgt. De klanten retourneren gigantisch veel.

 

Volgens bol.com wordt amper 4,7 procent van de verkochte artikelen geretourneerd.

Van Bergeijk: Mijn ervaring is dat het veel meer is, maar natuurlijk is dat enkel gebaseerd op wat ik op mijn plek te verwerken kreeg. Bol.com beweert dat de meeste geretourneerde goederen zo de schappen weer in kunnen. Dat is niet zo. Ik vond het ontluisterend hoe consumenten op grote schaal de webwinkel proberen tillen, en er nog makkelijk mee wegkomen ook. Binnen dertig dagen mag je elke aankoop terugsturen. Er worden geen vragen gesteld en je krijgt zo je geld terug. Ik trof stofzuigers met propvolle zakken aan. Klanten stofzuigden er een maand mee en stuurden hem net voor de vervaldatum terug. Ik zag schuurmachines vol bouwstof. Er kwamen seksspeeltjes binnen die na intensief gebruik niet gereinigd waren. Of bladblazers in dozen waar de herfstbladeren uit dwarrelden. Ik zou wel eens willen weten wie die mensen zijn.

 

U was één van hen.

Van Bergeijk: Jawel, maar dat was omdat ik niet kon geloven dat je daarmee kon wegkomen. Dus bestelde ik een scheerapparaat bij bol.com, scheerde me daar een week mee, en stuurde het inclusief baardhaartjes terug. Een paar dagen later werd het aankoopbedrag netjes teruggestort. De werkschoenen die ik bij bol.com kocht om bij bol.com te werken, stuurde ik na een maand ook terug. Die werden ook keurig terugbetaald. (lacht)

 

U ging regelmatig bij uw collega ‘Moeilijke Gevallen’ klagen over retouren die er volgens u frauduleus uitzagen, maar u ving bijna altijd bot.

Van Bergeijk: Als je een dure iPhone koopt en een week later het lege doosje terugstuurt, krijg je je geld niet terug. Dat is onbetwistbaar fraude. Maar er waren heel wat grensgevallen die zonder verpinken aanvaard werden. Zo kreeg ik op een dag een speelgoedracebaan op mijn tafel waarin de auto’s van Max Verstappen en Lewis Hamilton de hoofdrol speelden. De doos was gehavend en de onderdelen waren er van ver in gegooid. Het autootje van Max Verstappen ontbrak. Een overduidelijk geval van diefstal vond ik, dus stapte ik naar ‘Moeilijke Gevallen’. Mijn collega checkte de prijs: 44,99 euro. ‘Voor alles onder 50 euro schakelen we de fraudeafdeling niet in’, zei ze. Retour aanvaard en de doos vertrok richting opkoper. Als eerlijke burger vond ik het demotiverend dat mensen daarmee wegkomen.

 

Zowat alle geretourneerde producten verdwijnen richting ‘opkoper’. Wie is dat?

Van Bergeijk: Dat zijn bedrijven, gespecialiseerd in het opkopen van afgeschreven troep van webwinkels. Vandaag is dat aan het uitgroeien tot big business. Nederlanders zijn schaatsgek en van zodra het begint te vriezen bestellen ze schaatsen bij bol.com. Net geen dertig dagen later sturen ze hun schaatsen terug. Het aankoopbedrag wordt teruggestort en de gigantische hoeveelheid flink ingereden schaatsen vertrekt voor een spotprijs richting opkoper. Hij verkoopt ze door via sites als Marktplaats.nl.

Bol.com is niet de enige webwinkel die gratis retourneren aanbiedt. Ze doen het quasi allemaal en het levert onwaarschijnlijk veel verspilling op. Bij sommige winkels wordt de helft, of zelfs meer, teruggestuurd.

 

U wou orderpicker worden, terwijl u het relatief goed had bij de retouren.

Van Bergeijk: Retouren bleek een eilandje te zijn van Nederlanders die het onderling netjes geregeld hadden. Ik merkte dat het er bij orderpicking iets minder leuk aan toeging. Dus deed ik mijn uiterste best om overgeplaatst te worden. Maar dat viel niet mee. Ze vonden het raar dat ik dat per se wou. ‘Orderpicking is toch niets voor jou?’ Uiteindelijk lukte het, en de sfeer was totaal anders. De bazen waren Polen of andere Oost-Europeanen. Er werd keihard gewerkt en de druk lag extreem hoog. Elke dag hingen er lijsten uit met de scores van de vorige dag: hoeveel producten je had ‘gepickt’ en je ratio. Gemiddeld moest je drie items per minuut halen. Bovenaan prijkten altijd Poolse namen, met scores tussen de 3 en de 5. Mijn beste score ooit was 1,4.

 

Hingen daar consequenties aan vast?

Van Bergeijk: Dat vroeg ik aan mijn collega’s. De meeste mensen die er wat langer werkten, haalden hun targets. ‘Je moet wel heel dom zijn als je dat niet lukt’, zeiden ze. Tja, ik haalde ze dus niet. (lacht) Ik heb er niet lang genoeg gewerkt om te weten te komen wat de consequenties zouden kunnen zijn. Het verloop was enorm hoog en er hing een angstige sfeer. ‘Doorlopen, doorlopen, sneller, sneller…’ We wisten nooit van tevoren wanneer en hoe lang we moesten werken. Soms was het van zes tot twee, gevolgd door een dag van twaalf uur. Het werkschema veranderde continu, waardoor je in je privéleven niets meer geregeld kreeg. Op zaterdagochtend wist je pas hoe de volgende maandag eruitzag. Uitblinkers kregen na verloop van tijd een vast contract en een min of meer werkbaar uurrooster, maar zij waren de uitzonderingen. De ‘flexibele schil’ zoals dat in Nederland met een eufemisme heet, is bij bol.com compleet doorgeslagen.

 

Het is het wilde westen?

Van Bergeijk: Ja. De filosofie is: ‘Als morgen de zon schijnt, bestelt iedereen barbecues en hebben we meer mensen nodig.’ Het onlinekoopgedrag is zo grillig dat complete flexibiliteit blijkbaar een absolute noodzaak is. Dat heeft natuurlijk ernstige gevolgen voor de mensen die er werken.

Weet u waar ik me het meest zorgen over maak? Over het feit dat we door de digitalisering nu continu op het werk in de gaten worden gehouden. Als Uber-chauffeur kreeg ik voor elk ritje een beoordeling van de klant. De cijfers die zij me gaven, hadden meteen gevolgen voor mijn inkomen. Toen mijn rating zakte, kreeg ik geautomatiseerde mailtjes van Uber. ‘Als het niet snel beter wordt, mag je vertrekken.’ De klant was mijn supervisor. Ook bij Ingram Micro werd alles geregistreerd en in de gaten gehouden. Het gevolg is dat mensen zich als robotten beginnen gedragen.

 

Wat natuurlijk de bedoeling is.

Van Bergeijk: Precies. Ik begrijp waarom, want alles moet zo efficiënt mogelijk. Het verzenden van een pakje mag zo goed als niets kosten, dus moet er snel en foutloos gewerkt worden. Liefst tegen het laagst mogelijke loon, want de prijs moét gedrukt worden. Ik vraag me alleen af of extreme controle ook echt iets oplevert. De gevolgen voor de werknemers zijn niet van de poes. Ik geloof dat mensen juist beter presteren als ze verantwoordelijkheid krijgen en niet continu op de vingers worden gekeken.

 

Maar het uiteindelijke doel is: ze vervangen door echte robots.

Van Bergeijk: In die fase zijn we inderdaad aanbeland. De kostprijs voor menselijke arbeid blijft min of meer gelijk, die voor robotarbeid daalt. In sommige branches zijn robots inmiddels goedkoper en daar is de vervanging volop bezig. De bazen bij Uber zeggen luidop: ‘Wij werken aan de zelfrijdende auto. Mensen moéten eruit.’ Zo’n samenleving wil ik niet.

 

Jeroen van Bergeijk, Binnen bij bol.com, Querido Fosfor, 136 blz., 15 euro

 

Jeroen van Bergeijk

1967 Geboren in het Nederlandse Naaldwijk

1995 studeert af in sociale geografie, sociologie, communicatiewetenschap en journalistiek

1996-2002 werkt als journalist in New York

2003 debuteert als schrijver met U.S.1 – Amerika na 11 september en maakt sindsdien reportages en documentaires voor de Nederlandse radio en televisie,

2018 ging undercover bij Uber als chauffeur en schreef daarover Uberleven (2018)

 

Bol.com reageert: ‘Veel mensen kiezen bewust voor flexibiliteit’

‘We hebben niets te verbergen’, zegt Marjolein Verkerk, woordvoerster van bol.com. ‘Na zijn undercoveroperatie hebben we met Jeroen van Bergeijk een goed gesprek gevoerd. Hij geeft toe dat de arbeidsomstandigheden veel beter zijn dan hij had verwacht.’

 

Een van zijn bevindingen is dat de flexibiliteit in jullie magazijn doorgeslagen is.

Marjolein Verkerk: Veel mensen kiezen net bewust voor dit werk vanwege de flexibiliteit. Dat is hen op voorhand bekend.

Het fysieke werk in een distributiecentrum is niet hetzelfde als een administratieve kantoorjob. Onze werknemers krijgen geen hogere targets opgelegd dan nodig.

 

Er werken voornamelijk Oost-Europeanen.

Verkerk: Er werken dertig verschillende nationaliteiten. We zoeken eerst altijd mensen die in de buurt wonen. Als dat niet lukt, kijken we verder in Nederland én in België. Pas dan zoeken we in andere delen van Europa. Daar kunnen ook Oost-Europeanen bij zijn. De werknemers in ons magazijn zijn niet in dienst van bol.com. We werken daarvoor samen met Ingram Micro; zij sturen de dagelijkse logistieke operaties aan en zorgen voor alle personeel, waaronder uitzendkrachten.

 

Buitenlandse uitzendkrachten krijgen onderdak op campings?

Verkerk: De huisvesting verloopt via Ingram Micro en de uitzendkantoren. Zij kunnen u meer vertellen over de details. Het kan zijn dat mensen tijdelijke woonruimte krijgen. Dat hangt af van de afspraken die met hen gemaakt worden.

 

Jeroen van Bergeijk noemt het een kwalijke zaak dat zowel werk als onderdak geregeld wordt door één en dezelfde partij. De huur wordt rechtstreeks van het loon afgehouden. Als iemand ontslagen wordt, is hij meteen zijn huis kwijt. Vindt bol.com die regeling oké?

Verkerk: We spreken daar regelmatig over met onze partners én met de gemeente Waalwijk. We vinden het belangrijk dat er bij de huisvesting op een juiste manier met mensen wordt omgegaan. We houden dit dan ook kritisch in de gaten.

 

Volgens Van Bergeijk zorgt het toeschietelijke retourbeleid van bol.com voor verspilling.

Verkerk: Bij ons komen echt maar enkele procenten retour. Maar als je tien miljoen klanten hebt, zijn dat natuurlijk veel pakketten. Gemakkelijk retourbeleid is voor veel mensen een voorwaarde om online te kopen. Naar een fysieke winkel mag je ook producten terugbrengen als je niet tevreden bent. Alles wat bij ons terugkomt, wordt niet verspild en verdwijnt in de voorraad. Dozen die wel zijn opengemaakt, gaan naar een partner die tweedehands verkoopt, of schenken we aan een goed doel.

 

(c) Jan Stevens

“Volslagen eerlijkheid maakt het leven ondraaglijk”

Op zijn 63e debuteert Rik Torfs met de roman ‘Het grote gelijk’, waarin de champagne rijkelijk vloeit en er lust in de lucht hangt. “In een roman mag het wat ruiger en onfatsoenlijker dan in een keurig artikel.”

 

Bang voor de recensies van ‘Het grote gelijk’ is professor kerkelijk recht Rik Torfs niet. “Die zijn toch negatief”, zegt hij met een bulderlach. “Ik maak me daar geen illusies over. Journalisten zullen denken: ‘Nu gelooft Torfs ook nog dat hij romans kan schrijven.’ Ik vind dat niet erg. Ik heb mijn best gedaan en kan mijn werk volledig verdedigen. Anderen hebben het volstrekte recht het niet goed te vinden.”

In ‘Het grote gelijk’ wordt hoofdpersonage Walter Holsters na een lange carrière op christendemocratische kabinetten eindelijk minister. Hij komt op Justitie terecht, niet meteen zijn eerste keuze. Daar erft hij de ‘personal assistant’ van zijn voorganger. Ze heet Ingrid en blijkt de vijftien jaar jongere vrouw te zijn van Holsters’ jeugdvriend Olivier. Meteen bekruipt hem de gedachte: “Ik zou willen dat ze meer van mij was dan ze is.”

Vóór Walter Holsters naar de politiek overstapte, was hij professor aan de universiteit, net als zijn geestelijke vader Rik Torfs. “Collega’s doen er graag gewichtig over, maar het is een gemakkelijke baan”, laat Torfs zijn personage in ‘Het grote gelijk’ zeggen. “Onderzoeksprogramma’s uitschrijven aan de lopende band, papers publiceren die niemand leest. Ik draaide er mijn hand niet voor om. Er bleef veel vrije tijd over.” Holsters vulde die met het opstarten van een bedrijf; Rik Torfs schreef een roman.

 

Waarom debuteert u op uw 63e als romancier?

Rik Torfs: “Vindt u het nog te jong? (lacht) In een roman kun je anders te werk gaan dan in een essay of wetenschappelijk artikel. Het is makkelijker om doorheen de tijd te reizen. Je kunt personages ideeën of visies laten hebben die je in een essay nooit kwijt kan. Het mag wat ruiger en onfatsoenlijker dan in een keurig artikel. Je hoeft als schrijver ook niet achter alle opvattingen van je personages te staan.”

 

Toch zullen lezers denken dat ze via ‘Het grote gelijk’ uw diepste zielenroerselen op het spoor komen.

“Het is geen autobiografisch verhaal, al zitten er wel scènes in uit mijn jeugd. De onderwijzers op de lagere school die tijdens de les sigaretten stonden te roken, bijvoorbeeld. Groene Michel, zonder filter. Dat was stoer, maar ze gingen wel vroeg dood. Ik gebruik persoonlijke ervaringen om het verleden te reconstrueren. Ik schrijf niet over tijdperken die ik enkel ken van horen zeggen. Ik weet dat de jaren vijftig bestaan hebben, maar maakte ze niet bewust mee. Wat zich in het heden afspeelt, is volledig ontsproten uit mijn fantasie.”

 

Niet veel mensen wisten dat u de voorbije twee jaar aan deze roman aan het werken was.

“Ik heb in het verleden wel een paar keer gezegd dat ik dit ooit wou doen. Niemand geloofde me omdat ik zoveel vertel. (lacht) Ik vond het belangrijk om een gedegen Nederlandse uitgever te hebben. Zo ontsnapte ik uit het gemakkelijke sfeertje van het bekende Vlamingen-schap. Tegen mijn redacteur zei ik herhaaldelijk dat hij niet kritisch genoeg kon zijn. Het mocht geen ‘roman van Rik Torfs’ worden. Zoiets lukt veel beter in Nederland.”

 

U schrijft over ‘de lange hete zomer van 1974’. Ik heb het even gecheckt: de zomer van ’74 was eerder koel en nat.

“De zomer van 1976 was heet en lang. Die van ’74 is dat ook in de ervaring van mijn personages. Ik heb die zomer een upgrade gegeven omdat die voor hen een ‘turning point’ is. In 1976 zat ik in het tweede jaar rechten. Ik was bezig aan het examen logica. Tijdens de schriftelijke voorbereiding viel er een zweetdruppel op de blauwe inkt die daardoor werd uitgewist. Dat ene moment zit in mijn geheugen gegrift.”

 

Walter Holsters is een ingenieur. Waarom moest het hoofdpersonage een exacte wetenschapper zijn?

“Ik geloof in de theoretische mogelijkheid dat exacte wetenschappers een brede cultuur bezitten. (lacht) Ik zocht iemand die heel systematisch kan zijn, maar toch genoeg finesse heeft om in de politiek een heerlijk foute rol te spelen.”

 

Een christendemocraat.

“Zeker in de jaren zeventig en tachtig lag het voor de hand dat mensen die macht nastreefden, voor de christendemocratie kozen. Er zijn ooit pogingen geweest van de toenmalige CVP om zelfs Paul Goossens te rekruteren. Ik zie Walter Holsters als iemand die niet de moeite doet om in opstand te komen tegen een systeem. Ik heb veel mensen gekend die ook zo waren. Ze glipten de christendemocratie binnen als technici op kabinetten en werden later minister. Zo zijn er nu nog.”

 

Ze belandden ‘toevallig’ in de politiek, maar waren tezelfdertijd opportunistisch?

“Ja. Ze wisten dat dat niet helemaal koosjer was, maar vonden het net niet fout genoeg om het nog voor zichzelf te kunnen verantwoorden.”

 

Spreekt u nu voor uzelf? Van 2010 tot 2013 zat u in de senaat voor CD&V.

“Nee. Ik had achter de schermen nooit contact met ‘cabinetards’. Dat is ook een van de redenen waarom ik het niet lang in de politiek heb volgehouden.”

 

Zijn de ervaringen van minister Walter Holsters gebaseerd op gesprekken met levensechte ervaringsdeskundigen?

“Het is een mix van observatie en flarden van gesprekken. Maar ik heb nooit iemand rechtstreeks gevraagd hoe het voelt om minister te zijn. Ik sprak wel met hen over wat ze voelden in hun leven, en dan kwam hun ministerschap natuurlijk ter sprake. Walter vond het belangrijker om minister te worden dan om het te zijn; dat is iets wat ik een aantal echte ministers ook heb horen vertellen. Ik heb natuurlijk ook geput uit de periode dat ik rector van de KULeuven was. Net als minister van Justitie Walter Holsters kreeg ik toen heel wat mensen over de vloer met vragen die ik niet kon oplossen.”

 

Zoals de twee Antwerpse onderzoeksrechters die bij Walter Holsters komen klagen. “We verdrinken in het werk”, zegt de ene, en Holsters denkt: “Eerder in de alcohol.” Ze zullen het in Antwerpen graag lezen.

“Ik weet het. (lacht) Walter kan perfect voorspellen wat de onderzoeksrechters zullen vertellen, speelt daarop in en stuurt ze met een dooie mus terug naar huis. Na afloop zijn ze zeer tevreden. Dat is ook de manier waarop een echt politicus mensen afscheept, of de bal zo lang mogelijk in bezit probeert te houden. Walter weet dat ze ooit zullen terugkomen; intussen is hij er een half jaar of langer van verlost.”

 

Wat niet echt verstandig is, want dat komt als een boemerang terug.

“Ja. Nederlandse politici bezondigen zich daar minder aan dan Vlaamse. Onze ministers zeggen niet graag waar het op staat. In plaats van: ‘Ik kan jullie niet helpen’, sussen ze: ‘Ik ben ermee bezig’, of: ‘Ik sta aan jullie kant.’

“Toen ik senator was, zat ik in de commissie Justitie. Daar werden best interessante gesprekken gevoerd. Maar ik heb geen enkele minister van Justitie gekend die erin slaagde de grote hervormingen door te voeren waar hij of zij van droomde. Het is justitieministers Stefaan De Clerck, Laurette Onkelinx, Annemie Turtelboom én Koen Geens niet gelukt. Ze hadden daar gewoon niet genoeg tijd voor. En dan vergeet ik nog ‘witte ridder’ Marc Verwilghen die het na de affaire Dutroux allemaal ging oplossen: hij vertegenwoordigt misschien wel de pijnlijkste mislukking van alle ministers van Justitie. Waarschijnlijk beschikten sommigen onder hen niet over voldoende capaciteiten, maar allemaal moesten ze kampen met die beperkte tijd van een legislatuur. Nu is dat maximum vijf jaar, ooit was het vier. Die korte periode maakt hervormen zeer moeilijk.”

 

Walter Holsters is jaloers op zijn jeugdvriend Olivier die de vijftien jaar jongere Ingrid aan de haak heeft weten te slaan. Zij wordt Walters ‘personal assistent’ en vanaf hun eerste ontmoeting kijkt hij naar haar met begerige blik.

“Mensen die macht verwerven, worden aantrekkelijk. Het klopt dat macht erotiseert, ik heb dat bij veel politici gezien. Ik heb ook gezien hoe serieuze mensen gemakkelijk toegeven aan die erotiserende effecten eens ze macht verwerven, en zich zo in nesten werken. Gelukkig leven wij in een land waar het privéleven van politici niet door de media te grabbel wordt gegooid. Maar soms destabiliseren ze hun eigen bestaan en dat van anderen en richten zo veel verdriet aan.”

 

Later zal Walter door Ingrid beschuldigd worden van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Klopt mijn aanvoelen dat u vindt dat de #MeToo-slinger doorgeslagen is?

“Ik probeer enkel te beschrijven en #MeToo is een van de thema’s van onze tijd. De seksuele vrijheid van zowel vrouwen als mannen moet terecht volledig worden gerespecteerd. Daar bestaat geen discussie over, maar het wordt interessant in de grensgebieden. Ik geef geen details over wat er precies tussen Ingrid en Walter is gebeurd. Dat heeft eigenlijk ook geen belang; de beschuldiging is er en Walter valt uit de lucht. Hij houdt niet van Ingrid; bij hem ging het meer over fysieke drang dan over liefde. In de aanloop naar het incident drinken ze champagne en vertelt Walter haar over een Italiaanse roman die hij in Franse vertaling las: ‘Au feu de Dieu’ van Walter Siti. Ik heb dat boek zelf gelezen. Het hoofdpersonage is Don Leo, een 33-jarige priester die zijn hele leven met pedofiele neigingen worstelt. Meer dan tien jaar geleden beging hij één misstap die hij zichzelf nooit heeft vergeven. Sindsdien ging hij ook nooit meer over de schreef. Tot op een dag een jongen van elf uit een ontworteld gezin hem eerst zijn liefde verklaart en daarna vraagt: ‘Je peux toucher ton zizi?’ De priester schrikt en weigert. De jongen pleegt later zelfmoord. Het Italiaans Cultureel Instituut in Brussel organiseerde in maart vorig jaar een debat over dat boek tussen mij en Walter Siti. De vraag werd toen gesteld: kan het eigenlijk wel dat zo’n jongen van elf het initiatief neemt? Waarop Siti vertelde dat hijzelf als jongen van zestien een bouwvakker van dertig had verleid. Die ‘bekentenis’ veroorzaakte nogal wat opschudding. In mijn boek is de plaats van het debat verhuist naar Parijs en speel ik geen enkele rol, maar is het Walter Holsters die getuige is van Siti’s ontboezeming. Holsters vertelt aan Ingrid hoe Siti forse tegenwind van het publiek kreeg. Dat vond dat een kind enkel slachtoffer kan zijn, nooit dader, omdat de verhoudingen te ongelijk zijn. Treft een minderjarige nooit schuld? Die vraag stel ik, zonder er een antwoord op te geven of een oordeel over uit te spreken. Ik stel ze, omdat het een vraag is van vandaag.”

 

De manier waarop er na het #MeToo-incident met Walter afgerekend wordt, is ook zeer hedendaags.

“Absoluut. Dat is uit het leven gegrepen, met de partijvoorzitter die zijn bezorgdheid over Walter veinst, maar in werkelijkheid enkel aan zichzelf denkt. Vlak nadat Walter door Ingrid beschuldigd is van grensoverschrijdend gedrag, wordt hij gebeld door een krantenjournaliste. Ze duwt hem meteen in het offensief en hij voelt dat hij het niet uitgelegd krijgt. Zijn wanhoop neemt toe.”

 

U klaagt ‘trial by media’ aan?

“Justitie werkt heel traag, maar het nieuws gaat supersnel. Het verschil in snelheid tussen die twee wordt enkel groter. Zo’n schandaal wordt door de media verslagen en ministers moeten aftreden. Soms blijkt dan drie jaar later dat er juridisch niets aan de hand was. Dit is geen verwijt aan de media, maar opnieuw gewoon een vaststelling.”

 

In maart 2017 kwam u als rector ook in het oog van een mediastorm te staan met de affaire rond de problematische klinische studies van topdokter Stefan Van Gool. Heeft die ervaring u geholpen bij het beschrijven van de gevolgen van ongewenste media-aandacht?

“Ik heb daar veel uit geleerd, ook al was het eigenlijk een dossier dat mijn voorganger kende maar nooit gemeld had. Het was de baas van het ziekenhuis die mij inlichtte dat er problemen waren met die studies. Een ontslag om dringende reden kon juridisch niet omdat het dus om feiten ging die al langer bekend waren. We hebben vervolgens een oplossing gezocht en een dading gesloten waarbij de betrokkene een jaar de tijd kreeg om een nieuwe job te zoeken. Ik vond niet dat die man aan de schandpaal moest. Later werd hij daar wel aan genageld, maar niet door mij. Dat namen de media op zich, meer bepaald De Standaard.”

 

Na de berichtgeving over de affaire Van Gool stopte u als columnist voor die krant. Tot nu zijn de plooien niet gladgestreken.

“Ik vind nog altijd dat De Standaard toen in de fout gegaan is en zij vinden nog steeds van niet. Maar ik heb nooit een interview gehad zoals Walter dat in mijn boek moest ondergaan. Het kan gewoon niet dat er een positieve recensie over mijn boek in De Standaard zal verschijnen. Dat is uitgesloten. Kijk, in ‘Het grote gelijk’ reken ik met niemand af, maar ik heb uit al mijn ervaringen wel geleerd om sommige scènes met enige geloofwaardigheid te beschrijven.”

 

Is er een gebrek aan hypocrisie in onze huidige samenleving, waardoor we niets meer van elkaar kunnen verdragen?

“Nee, er is net méér hypocrisie, alleen moeten we ze verbergen. Toen Guy Verhofstadt begin deze eeuw premier was, hielden politici er openlijk een nogal losse levensstijl op na. Het was een decadentere periode, maar het gebeurde niet in het verborgene. Dat was ook zo in de dagen dat schrijver Hugo Claus glorieerde. Seksuele bevrijding voerde de boventoon en Claus veranderde geregeld van huis en vrouw. De tijd was minder hypocriet. Onder druk van de meer rigide moraal worden mensen vandaag gedwongen hypocrieter te zijn.

“Zonder enige hypocrisie wordt het leven onmogelijk. Maar de vraag is: hoeveel hypocrisie hebben we nodig? Totale hypocrisie kunnen we missen als kiespijn, maar volslagen eerlijkheid tegenover iedereen, of zelfs tegenover je eigen partner, maakt het leven ondraaglijk.”

 

Wordt die volslagen eerlijkheid nu van ons geëist?

“Voor een deel wel. Weet u wat ik ontzettend grappig vind? Mannen die plots feminist worden, zoals Alexander De Croo. Ik heb sympathie voor hem en hij is een goed politicus. Maar zou hij zichzelf ook nog uitroepen tot feminist als dat niet van hem verwacht zou worden? (lacht)”

 

Is Rik Torfs een reactionair?

“Ik begrijp uw vraag, maar ik heb altijd alle tijdsgeesten gewantrouwd. De jaren zestig, zeventig, tachtig en negentig hadden elk hun dominante stroming waar je je makkelijk op kon laten meedrijven. Ik ben daar niet tegen, maar vond dat nooit vanzelfsprekend. Dat vind je ook terug in mijn roman. Denk aan Ingrids leraar Nederlands die midden jaren tachtig op een afschuwelijk autoritaire manier de vrijheid van Hugo Claus predikt. Hij is zo autoritair als de pest, terwijl hij zogezegd het tegendeel verdedigt. Ik sta sceptisch tegenover het autoritarisme van elke tijd. Is dat reactionair? Nee, want ik wil niet terug naar een andere tijd. Ja, want elke tijd verdient niet alleen applaus, maar ook kritiek.”

 

Rik Torfs, Het grote gelijk, Van Oorschot, 288 blz., 20 euro

 

(c) Jan Stevens

“Hoe meer geld je vraagt, hoe meer je ook moet geven”

In haar boek Hoerenchance presenteert prostituée Sigrid Schellen zich als ‘happy hooker’ die van haar hobby haar beroep maakte. “Het is maar seks, hé. Oké, ik word ervoor betaald, en dan?”

 

Het interview met prostituée en auteur Sigrid Schellen is nog geen tien minuten bezig, of het is bijna alweer voorbij. Volgens haar boek Hoerenchance is dat de gemiddelde duur van een bezoek van haar klandizie uit het Limburgse Bree. Aanleiding is de vraag of ze in het begin van haar carrière in het zwart werkte. Schellen alias ‘Sascha’ reageert als door een wesp gestoken: “Over zwart geld wil ik het niet hebben, of we stoppen.”

 

Vandaag bent u zelfstandig ondernemer?

Sigrid Schellen: “Ik heb een eenmanszaak. Ik werk drie en een halve dag per week. De andere dagen zorg ik voor mijn dochter van vijf. Mijn werkdagen zitten volgepropt.”

 

Met seks?

“Dat valt best mee. In het begin ontving ik zeer veel klanten. Het was toen niet mijn bedoeling om dit te blijven doen. Het oorspronkelijke plan was: één week. Maar dat werden er twee en die liepen uit tot een maand. Vervolgens mikte ik op drie maanden en uiteindelijk besliste ik er onbepaalde duur van te maken. Toen heb ik ook het aantal klanten per dag teruggeschroefd. Tien tot vijftien mannen per dag is echt niet vol te houden. Tenzij wanneer je in de raamprostitutie werkt en de klanten hoogstens een kwartier blijven.”

 

Kent uw dochter uw beroep?

“Ik heb haar verteld dat sommige papa’s niemand hebben om mee te knuffelen en dat die dan voor een knuffel naar mij komen.”

 

Waarom schreef u Hoerenchance?

“Niemand wist wat ik deed en ik durfde het aan niemand te vertellen, dus begon ik een dagboek te schrijven. Na verloop van tijd begon het te dagen dat mijn eigen neergeschreven verhaal een interessant boek kon opleveren.”

 

Begin mei was u op tv te gast bij Van Gils & gasten en sprak u voor het eerst open en bloot over uw job als sekswerker. Waarom?

“Omdat de situatie in België hypocriet is. Prostitutie wordt gedoogd, maar in de wet staat een artikel dat mensen strafbaar maakt die prostitutie mogelijk maken. In de praktijk is dat dus iedereen die mij op een of andere manier helpt bij de uitoefening van mijn job. Die hypocrisie wou ik aanklagen.

“De belangrijke mensen in mijn leven had ik voor de uitzending ingelicht. Dat zijn er niet zoveel, want ik heb geen uitgebreid sociaal leven. Als je iemand voor het eerst ontmoet, is een voor de hand liggende vraag: ‘Wat is jouw job?’ Die vraag wou ik vroeger liefst vermijden en daarom meed ik in mijn vrije tijd ontmoetingen met anderen. Ik kan me best voorstellen dat veel vage bekenden tijdens die uitzending dachten: ‘Aha, daar houdt ze zich mee bezig.’”

 

Waarom bent u er ooit mee begonnen?

“Ik was seksueel heel actief en wou veel ervaren. Ik ben geen nymfomane; ik kan makkelijk een week zonder seks. Ik heb controle over mijn seksleven, maar heb gewoon een hoog libido. Ik wou de prostitutie eens uitproberen. Ik was nieuwsgierig en wou weten hoe het er echt aan toegaat.”

 

Het geld speelde geen rol?

“Natuurlijk speelde dat mee. Niet veel, maar toch.

“Vroeger werkte ik in kledingwinkels en fabrieken. Mijn overstap naar de prostitutie kwam door een samenloop van omstandigheden. Het jaar liep ten einde en de feestdagen stonden voor de deur. Ik was een alleenstaande jonge moeder die zich geen extraatjes kon permitteren. Toen ik mijn allereerste advertentie op een dinsdagmorgen online zette, dacht ik: ‘Vrijdag stop ik ermee. Dan heb ik genoeg voor de feestdagen, is er rust in mijn hoofd en kan ik verder.’ Ik had niet verwacht dat het zou meevallen. Misschien had ik geluk dat ik die eerste week enkel leuke klanten over de vloer kreeg.”

 

Toch kan ik me voorstellen dat uw allereerste klant helemaal niet zo fijn geweest moet zijn.

“Dat viel best mee, alleen was ik bloednerveus omdat ik de finesses nog niet kende. Hoe begin je eraan? Spring je direct op die man of knoop je eerst een gesprek aan? Aan de telefoon klonk hij oké en hij vertelde wat hij wou: een massage en seks. Ik wist ook niet hoe ik met hem moest afrekenen: vraag ik meteen geld of ontvang ik zijn centen na afloop? Wat als hij over de prijs begint te onderhandelen? Ontvang ik hem met mijn kleren aan? Verwacht hij een striptease? Over al dat soort praktische zaken maakte ik me zorgen. Ik had genoeg mannen in bed gehad om niet bang te zijn voor seks met een wildvreemde.”

 

Wist die man dat hij uw allereerste klant was?

“Nee, ik deed alsof ik heel ervaren was. (lacht) Hij vroeg ook: ‘Ben je hier al lang aan de slag?’ Ik antwoordde: ‘Toch al een half jaar.’ Ik wou niet dat hij op een of andere manier misbruik zou maken van mijn onervarenheid.”

 

Hoe voelde u zich achteraf?

“Goed, normaal, ik voelde niets raars en hield er geen schuldgevoel aan over. Ik begin nooit aan iets als ik weet dat ik er achteraf spijt van zal krijgen. Het is maar seks, hé. Oké, ik word ervoor betaald, en dan?”

 

In het begin ontving u mensen bij u thuis?

“Ja, en ik stelde me daar geen vragen bij. Mijn buren hebben daar nooit iets van gemerkt. Kijk, je moet goed opletten wie je binnenlaat en op welke uren. Je maakt ook best niet te veel lawaai. Maar in zo’n appartementsgebouw wonen heel wat mensen en dan valt bezoek sowieso minder op.”

 

U portretteert een aantal van uw klanten in uw boek. Verwacht u nu reacties van mannen die zichzelf herkennen?

“Nee, want de meesten zijn getrouwd. Ik heb namen aangepast, maar het zou inderdaad best kunnen dat ze zichzelf herkennen. De kans dat ze reageren is onbestaande, want dan geven ze meteen toe dat ze zijn vreemdgegaan. Zo dom zijn ze niet.”

 

Het leven van een prostituee is toch niet altijd rozengeur en maneschijn?

“Dat cliché horen mensen graag. Ze zien prostitutie als iets duister en onthouden vooral de negatieve ervaringen. Ik luister altijd heel goed als een potentiële klant me belt. Als ik geen klik voel, of ik hoor aan de andere kant van de lijn iemand met een vervelend karakter, laat ik die man niet komen. Het moeilijkste in mijn job is de miserie die ik soms te horen krijg. Mannen vertellen hun verhaal, want ze komen echt niet alleen voor seks. Als het hen enkel om seks te doen is, trekken ze wel naar de ramen.

“Mijn klanten vertellen me af en toe schrijnende verhalen. Eigenlijk ben ik ook een beetje een psycholoog. Bij velen ligt de drempel voor een bezoek aan een echte psycholoog te hoog.”

 

Verhalen over relatieproblemen?

“Ook. Maar vaak vertellen klanten over naaste dierbaren die overleden zijn. Of over financiële tegenslagen of problemen op het werk.”

 

Hoeveel vraagt u per uur?

“200 euro. Dat ligt iets boven de marktprijs bij privé-ontvangst van 150 euro. Mijn prijs is een goede filter: een deel van het cliënteel wordt zo op voorhand al uitgesloten. De marginale figuren wil ik vermijden. Als ik meer dan 200 euro zou vragen, trek ik degenen aan die denken dat met geld alles te koop is. De nouveaux riches die vinden dat ze in ruil voor 350 euro per uur zich alles mogen permitteren. Hoe meer geld je vraagt, hoe meer je ook moet geven. Mijn prijs is afgestemd op wat ik te bieden heb.”

 

Wat doet u dan voor die prijs?

“Ik vind veiligheid zeer belangrijk en zal nooit seks hebben zonder condoom. Ik laat ook niemand klaarkomen in mijn mond. Want die vragen worden soms gesteld, maar ik weet niet zeker of die mannen dat dan ernstig menen of dat het fantasten zijn. Want kan iemand echt zo dom zijn om zonder condoom met een wildvreemde te vrijen? Blijkbaar wel, anders waren er geen soa’s.”

 

Wat voor seks willen uw klanten?

“Niets ongewoons. Eigenlijk zijn ze op zoek naar een vorm van liefde. Net dat maakt mijn job zo moeilijk: de confrontatie met mensen die zeer veel intimiteit te kort komen. Niet de seks; dat is het gemakkelijkste. Ik heb seks en gevoelens altijd van elkaar kunnen scheiden. Ik hoef niet verliefd op iemand te zijn om met hem te kunnen vrijen.”

 

U schrijft dat u geniet van de seks met uw cliënteel. Echt?

“Dat is nu precies wat mensen niet willen horen: dat een vrouw seks fijn vindt. Als je dat durft te zeggen, word je als slet bestempeld. Daarom ook dat ik blijf herhalen: ik geniet ervan. Ik hoef iemand niet eerst beter te leren kennen. Al geef ik wel toe dat het een andere vorm van seks is.”

 

Hoe lang wilt u dit blijven doen?

“Zolang ik dit fysiek aankan. Ik veronderstel dat het gedaan zal zijn zodra de menopauze zijn intrede doet. (lacht) Ik werk met mijn lijf en blijf niet jong. Ik hoop dat ik het nog tien jaar volhoud, maar zeker is dat niet. Ik wil zo een mooi kapitaal opbouwen. Daar zal ik dan iets anders mee doen, al weet ik op dit moment nog niet wat. Nu komt er veel geld binnen.”

 

Vliegt het ook snel weer buiten?

“In het begin wel, maar dat heb ik afgeleerd. Het cliché wil natuurlijk dat meisjes zoals ik handtassen en schoenen kopen. We zijn niet allemaal zo.”

 

Hoe oud bent u?

“32, en dat is mijn echte leeftijd. Ik weet dat collega’s daar vaak over liegen en ik dacht eerst ook dat ik jong moest blijven om aan de bak te komen. Dat blijkt helemaal niet zo te zijn. Het is niet slim om over leeftijd te liegen. Als je als veertiger in je advertentie beweert dat je een twintiger bent, stel je sommige klanten teleur. Die ben je dan voorgoed kwijt.”

 

Is er plaats voor een vaste relatie?

“Niet zolang ik deze job uitoefen. Op werkdagen ben ik van acht uur ’s morgens tot tien uur ’s avonds beschikbaar. Al wil dat niet zeggen dat er dan continu klanten bij me binnen zitten.”

 

De vraag naar seks is groot?

“De markt is heel groot. Dagelijks krijg ik telefoon van nieuwe klanten. Mannen die met mij contact opnemen, zullen geen affaire met hun secretaresse beginnen of met de buurvrouw vreemdgaan. Dat vind ik positief, want met mij sluiten ze een puur zakelijke overeenkomst. Vreemdgaan kan veel kapotmaken. Bij mij zijn mannen safe, want er is geen echte liefde in het spel. Ze moeten me niet verleiden en moeite en tijd in me investeren. Ze hoeven niet constant te bellen of sms’en om de relatie te onderhouden. Wie een affaire begint, doet dat wel. Dàt is bedrog. Bij mij is het niet meer dan seks en een praatje slaan. Daarna is het voorbij, klaar.”

 

Acteert u tijdens het werk?

“Ja. Ik vind niet elke klant interessant of lief. Maar als hij in mijn bed ligt, is het wel de bedoeling dat hij het gevoel heeft dat ik hem fantastisch vind.”

 

Worden klanten soms verliefd op u?

“Dat gebeurt. Dat wordt pas een probleem als zo’n man begint te dromen van een leven met mij aan zijn zij. Er zijn klanten die verliefd op me worden en beseffen dat dat geen toekomst heeft. Maar als iemand een zware crush op me heeft en daarom elke dag wil langskomen, blok ik hem af. Want dat zal hem handenvol geld kosten, en dat wil ik niet. Ik wil niet de oorzaak van persoonlijke drama’s zijn.”

 

Klopt het dat u oudere mannen interessanter vindt dan jongere?

“Dat hebt u goed opgemerkt. (lacht) Oudere mannen hebben meer ervaring én zijn rustiger. Ze kunnen beter relativeren en voelen niet meer de drang om zich te bewijzen. Een vijftiger heeft zich meestal al bewezen. Bij mannen onder de 25 is het alsof ze op sollicitatiegesprek komen. Ze pochen over hun job of hun dikke auto en willen zichzelf verkopen. Oudere heren zijn relaxed. De seks is ook veel beter.”

 

In uw boek schrijft u heel expliciet over seks.

“Ik vind dat we daar veel te preuts over praten. Het is maar seks jongens, doe niet zo onnozel. (lacht) Ik schrijf zoals ik ben en heb geen zin om dingen te verbloemen.”

 

Waarom hopt u van de ene provincie naar de andere?

“Omdat je het als nieuw meisje altijd beter doet. In het begin heb je dan veel klanten: mannen willen je wel eens komen proberen. Ik werk in verschillende regio’s en bouw daar telkens ook een vast cliënteel op. Mijn thuisadres is in Limburg: daar speelt mijn privéleven zich af. Mijn huidige werkflat in Puurs huur ik tijdelijk.”

 

Weten uw huisbazen wat zich daar afspeelt?

“Nee. U zal van mij niet horen dat zij dat weten, want dan zijn ze volgens de wet strafbaar. Ik wil de mensen in mijn omgeving niet in problemen brengen omwille van de keuzes die ik maak. Politici die dat bewuste wetsartikel willen herschrijven, maken zich niet populair, dus blijft het bestaan.”

 

Dat artikel bestaat misschien ook om pooiers te kunnen bestraffen die meisjes uitbuiten of zich bezondigen aan mensenhandel? Er is toch verwevenheid tussen prostitutie en criminaliteit?

“Die verwevenheid is er in elke sector waar veel geld omgaat. Pooiers hebben geprobeerd me in te lijven, want ik ben interessant voor hen omdat ik een Vlaams meisje ben dat niet tegen haar zin werkt. Voor een pooier ben ik een delicatesse. Ze weten ook wel wat ik kan verdienen en daar willen zij een stukje van.”

 

In de rosse buurt achter het Brusselse Noordstation zitten toch vaak slachtoffers van mensenhandel achter de vitrines?

“Hebt u daar al eens rondgewandeld en naar de meisjes gekeken? Zien ze eruit alsof ze daar tegen hun zin zitten? Weet u of ze een slachtoffer zijn of is dat een verhaal dat we graag in stand houden?”

 

Twee jaar geleden rolde de politie het prostitutienetwerk op van `Mama Leather’, een Nigeriaanse hoerenmadam die 56 slachtoffers van mensenhandel uitbuitte in de buurt van de Aarschotstraat.

“Ik ontken niet dat mensenhandel en gedwongen prostitutie bestaan. Die problemen moéten aangepakt worden. Maar dat wil niet zeggen dat alle prostitutie onder dwang plaatsvindt. Ik hoef geen pooier, want ik regel mijn eigen klanten en heb niemand nodig om de telefoon op te nemen. Maar er zijn genoeg meisjes die dat liever wel uit handen geven. Zij voelen zich veiliger onder de vleugels van een pooier.”

 

Beschouwt u zichzelf nu als voorvechter van rechten voor sekswerkers?

“Dat is een gigantische taak die ik er echt niet kan bijnemen. Mijn boek is broodnodig om het vertekende beeld over prostitutie bij te stellen. Het stoort me dat mensen mijn werk verkeerd inschatten en me met een bezorgde blik nakijken. Ik doe dit graag, maar zo goed als niemand lijkt dat te geloven. Het is erin gestampt dat prostitutie altijd gedwongen is. Ik word daar heel kwaad over omdat dat mijn leven erg bemoeilijkt.”

 

U werd een tijdje gechanteerd door een ex-vriend.

“Hij kon het niet verkroppen dat ik het had uitgemaakt, begon me te stalken en later dreigde hij ermee me bij de politie aan te geven. Sorry, maar ik heb daar klanten. Toch durfde ik zelf die stalker niet aan te geven. Hij schreef me constant brieven waarin hij om de drie zinnen naar mijn beroep verwees. Ten einde raad stapte ik naar een advocaat. Hij zei: ‘Maak je geen zorgen, je doet niets verkeerd. Als zelfstandig ondernemer ben je met alles in orde. We stappen rechtstreeks naar de onderzoeksrechter.’ Op dat moment moet mijn stalker beseft hebben dat het me menens werd, want nog voor ik klacht tegen hem kon indienen, hield hij er abrupt mee op.”

 

U zei dat u klanten bij de politie hebt. Maakt u daar soms gebruik van voor een wederdienst?

“Ik heb in alle sectoren klanten, maar ik maak daar nooit gebruik van. Dat is een kwestie van professionaliteit. Klanten bieden me ook geen ‘wederdiensten’ aan, omdat ik me profileer als een vrouw die sterk in haar schoenen staat. Ik heb niemand nodig.”

 

Op 11 juli werd de toenmalige Vlaamse parlementsvoorzitter Kris Van Dijck door P-Magazine ‘ontmaskerd’ als klant van escort Lynn. Wat vond u daarvan?

“Schandalig. Ik werd woedend toen ik dat artikel op de site van P-Magazine las. Waarom mag die man geen escort bezoeken? Wat is daar mis mee? Natuurlijk mocht hij haar geen ‘wederdienst’ leveren, maar voor de rest: so what? ‘Hij gaat met ons belastinggeld naar de hoeren.’ Weet u hoeveel leerkrachten ik als klant heb? Die krijgen hun loon ook van de overheid. Mogen zij dan ook niet meer langskomen?”

 

De huisbaas van escort Lynn hing haar flat vol camera’s.

“Ik heb apparatuur om mijn werkplek op verborgen camera’s te screenen. Ze hebben me één keer gechanteerd, en dat wil ik nooit meer meemaken. Ik ken het klappen van de zweep. Als een klant binnenstapt, let ik op waar hij zijn telefoon legt. Ik wil niet dat hij stiekem filmt.

“Iedereen staat nu op zijn achterste poten over de gefnuikte carrière van Kris Van Dijck, maar over Lynns carrière die om zeep geholpen is, hoor ik geen woord. Terwijl de gevolgen voor haar desastreus zijn, want alle discretie is weg en geen klant vertrouwt haar nog. Maar dat vinden we blijkbaar normaal.”

 

Sigrid Schellen, Hoerenchance, Uitgeverij Vrijdag, 192 blz., 19,95 euro

 

(c) Jan Stevens

‘De Belgen behoren niet voor niets tot de meest gestreste chauffeurs van Europa’

Vorige week verloor een man bijna het leven na een dispuut op de weg. Dinsdag werd een BMW-chauffeur veroordeeld voor het afbijten van een stuk oor van een trucker. “Achter het stuur zien we andere chauffeurs niet als mensen maar als obstakels.”

Vrijdag 13 september eindigde voor de 36-jarige Noredin Akrich en zijn zwangere vrouw Jasmina in een nachtmerrie. Hun auto werd op de Antwerpse Singel klemgereden door de 24-jarige Tim V. Een banale ruzie over voorsorteren escaleerde en Noredin raakte ernstig gewond. Tim V. vluchtte weg, maar gaf zich later aan bij de politie. Op zondag postte Jasmina Akrich een inmiddels massaal gedeelde post op haar Facebookpagina. Daarin beschreef ze hoe Tim V. hen de weg afsneed en racistische verwensingen toeriep. “Mijn man moest heel hard remmen. Ik ben drie maanden zwanger en voelde de gordel hevig in mijn buik. Mijn man stapte uit om verhaal te halen. Toen hij zich omdraaide, reed de dader hem opzettelijk omver.” Tim V. werd zaterdag aangehouden op verdenking van doodslag. Racisme als verzwarende omstandigheid werd bij gebrek aan getuigen niet weerhouden.

Afgelopen dinsdag veroordeelde de rechtbank van Dendermonde automobilist V. uit Sint-Niklaas tot 18 maanden met uitstel. Een jaar eerder had hij een stuk uit het oor gebeten van vrachtwagenchauffeur E., nadat hij hem op de snelweg met zijn BMW de pas had afgesneden. “Ik beet enkel om uit E.’s greep te geraken”, verklaarde V. op het proces. “Sinds het voorval heb ik trouwens last van slapeloosheid en kan ik geen vlees meer eten.”

De voorbije jaren lijkt verkeersagressie aan een drieste opmars bezig, met als gruwelijke orgelpunt de in ons collectief geheugen opgeslagen aanval met een bosmaaier op een rondpunt in datzelfde Sint-Niklaas. Op 9 november 2012 kreeg leraar Philip De Groof ruzie over een uitwijkmanoeuvre met groenarbeider Tim De Block. Die laatste haalde een bosmaaier uit zijn bestelwagen en maaide het linkerbeen van De Groof weg. Vier maanden later werd De Block veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.

 

Claxonneren en beledigen

Zit verkeersagressie in de lift? “Dat is moeilijk in te schatten”, zegt politierechter Chris De Roy. “Als er tijdens de verkeersagressie een gewonde valt, komt die zaak meestal voor de correctionele rechtbank. Als het enkel gaat over agressief rijgedrag, komt ze bij ons terecht. Maar niet alle gevallen stromen door naar het gerecht. Sommige klachten worden door het parket geseponeerd. Het begrip ‘verkeersagressie’ is niet strikt juridisch omlijnd. Als er ernstig fysiek geweld gepleegd is, zal dat door de correctionele rechtbank beoordeeld worden. Maar als het gaat over dreigen zonder fysiek geweld, kunnen wij enkel rekening houden met de overtredingen die door de politie zijn vastgesteld. Mensen die zich agressief in het verkeer gedragen, begaan doorgaans inbreuken op de wegcode. Soms veroorzaken ze dan ook nog eens een ongeval.”

Officiële cijfers over verkeersagressie in België zijn er niet. Volgens rechtspsycholoog Ricardo Nieuwkamp, onderzoeker bij kenniscentrum veiligheid en mobiliteit VIAS, komt dat omdat het begrip ‘verkeersagressie’ een vlag is die vele ladingen kan dekken. “De situaties waarin verkeersagressie voorkomt, zijn zeer verschillend”, zegt hij. “In 2007 heeft De lokale politie van Antwerpen wel een tijd de incidenten geturfd, maar dan enkel die extreme vormen waarbij mensen uit hun auto stappen en op de vuist gaan. Dat waren toen 300 pv’s, of 8 % van alle Antwerpse dossiers met slagen en verwondingen.”

In april 2019 publiceerde La Fondation Vinci Autoroutes de bevindingen van een Europees onderzoek naar risicogedrag achter het stuur. Elf landen werden bevraagd, waaronder België. Naast sms’en en gsm’en achter het stuur, peilde het onderzoek ook naar agressief rijgedrag. Ricardo Nieuwkamp: “De Belgen blijken vrij agressieve chauffeurs te zijn. Zo geeft 63% toe fanatiek gebruik te maken van zijn claxon om zijn ongenoegen kenbaar te maken. In 2017 was dat volgens een enquête van VIAS nog maar 53%. Enkel de Spanjaarden (66%) claxonneren meer dan wij. 59% van de Belgische chauffeurs zegt regelmatig te vloeken naar andere bestuurders; twee jaar eerder was dat 52%. Alleen de Grieken en de Italianen overtreffen ons gevloek. Qua claxonneren en het slingeren van beledigingen is de stijging bij ons het grootst. 15 % van de Belgen zegt uit de auto te stappen om een vermeend conflict ‘uit te klaren’. In 2017 was dat 10%. In Polen ligt het agressieve ‘uitklaren’ op 36%. Zij spannen daarmee de kroon. Eén derde van de Belgische bestuurders, of 31%, zegt wel eens bewust te bumperkleven bij een bestuurder die hen op de zenuwen werkt. Een stijging met 4% ten opzichte van 2017.” Conclusie: de voorbije twee jaar gedroeg de Belgische chauffeur zich steeds agressiever.

 

Wij-zij-denken

De voorbije jaren stonden we met z’n allen ook steeds meer en langer in de file. In Brussel stijgt de filedruk (filelengte maal fileduur) jaarlijks met 5 procent; in Antwerpen komt er elk jaar ruim 20 procent bij. Is er een verband tussen die stijgende filedruk en de toenemende agressie? Ricardo Nieuwkamp: “De toename van het verkeer op een relatief kleine oppervlakte als België, speelt zeker een rol. De Belgen behoren niet voor niets tot de meest gestreste chauffeurs van Europa. Nóg belangrijker is dat we ons in onze auto anoniem voelen. Van zodra we achter het stuur kruipen, krijgen we het gevoel alleen te zijn, en trekken we ons terug in ons koninkrijkje. Kijk maar eens om je heen wanneer je in de file staat: mensen peuteren dan ongegeneerd in hun neus of zingen luidkeels met de radio mee. Terwijl ze nauwelijks verder van elkaar zitten dan in de wachtkamer bij de dokter. In onze afgesloten kooi voelen we ons knus geïsoleerd. We stappen ook nooit doelloos in onze auto, maar willen altijd zo snel mogelijk onze bestemming bereiken. Alle andere auto’s op onze weg worden dan obstakels, net als verkeersborden en -lichten. Van zodra we de weg oprijden, vervallen we met z’n allen in ‘wij-zij-denken’. Van zodra er meer file staat dan verwacht, groeit de frustratie. Door die vermeende anonimiteit in onze kooi, zullen we die frustratie sneller uiten met opgestoken middelvingers, getoeter, gevloek en geschreeuw.”

Verkeersagressie zal volgens Nieuwkamp alleen maar afnemen als we ons ervan bewust worden dat andere chauffeurs ook mensen zijn en geen hindernissen. “Iedereen maakt in het verkeer wel eens een fout, zeker achter het stuur, maar dat is zelden of nooit bewust. De meeste gevallen van verkeersagressie spelen zich af in de avondspits. Op dat moment wil iedereen snel naar huis en wie dan een fout maakt waardoor de file vertraagt, riskeert de volle laag te krijgen. Toch kan ik me niet voorstellen dat sommige chauffeurs tijdens de avondspits bewust stokken in de wielen steken. Het zou dus al veel helpen als we anderen in de file niet als een obstakel, maar als een lotgenoot zien.”

 

Speed en coke

Veel agressievelingen zijn een mak lammetje als ze voor de rechter staan. Dat is toch de ervaring van politierechter Chris De Roy. “De overgrote meerderheid is kalm. Sommigen laten zich vertegenwoordigen door een advocaat. Natuurlijk zou het wel eens kunnen dat de beklaagden met het kortste lontje op aanraden van hun advocaat thuisblijven. Rechters mogen altijd eisen dat de man of vrouw in kwestie toch op de zitting verschijnt. In de dagelijkse praktijk gebeurt dat niet zo vaak.”

Volgens van Roy is verkeersagressie vooral een mannenzaak. “Meestal zijn het jongere mannen, maar niet altijd.” Zo werd in april vorig jaar de toen 84-jarige G. uit Maastricht veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar met uitstel en een boete van 1600 euro. Exact een jaar eerder had G. op zijn 83e verjaardag de 31-jarige W. aangereden en 72 meter ver meegesleurd op de motorkap van zijn auto. “Hij remde dan bruusk en ik vloog van de motorkap”, getuigde W. voor de rechtbank. “Ik kroop naar de kant van de weg en zag de auto op mij afkomen. Meteen daarna reed hij over mij. Ik schreeuwde van de pijn.” De aanleiding: W. had met een vinger tegen zijn voorhoofd getikt nadat G. hem op een parking de weg had afgesneden.

Wat Chris De Roy nog opvalt: veel agressieve chauffeurs zaten eerst aan de amfetamines of met hun neus in de coke. “Verdovende middelen spelen steeds meer een rol in het verkeer. Speed of coke kunnen de agressiviteit aanwakkeren. Na een ernstig agressie-incident in het verkeer raken sommigen zich daarvan bewust. Voor hen is dat de trigger om hun drugsprobleem aan te pakken. Op het moment dat ze dan voor mij verschijnen, zijn ze in behandeling om van hun verslaving af te raken.”

Hoe streng wordt er gestraft? Chris De Roy: “Als de verkeersagressie uitmondt in een ongeval dat veroorzaakt is onder invloed van drugs, zal de sanctie streng zijn. Als ze uitmondt in een ongeval zonder verzwarende omstandigheden, zal de sanctie eerder beperkt zijn. Bij de correctionele rechtbank hangt het vooral af van de aard van het soort slagen en verwondingen: veroorzaken ze blijvende letsels of zorgen ze voor tijdelijke ongeschiktheid?”

Stuurt rechter De Troy mensen soms ook op een cursus ‘omgaan met agressie’? “Zeker. Die maatregel wordt vaak voorgeschreven.”

Ricardo Nieuwkamp nuanceert. “Het is inderdaad verstandig om mensen een cursus agressiebeheersing te laten volgen waarin ze medechauffeurs als lotgenoten leren zien en niet als doelbewuste saboteurs”, zegt hij. “Want door een boete of een rijverbod zal niet iedereen zijn gedrag écht veranderen. Wij verzorgen bij VIAS die cursussen, alleen moeten we jammer genoeg vaststellen dat slechts weinig rechters mensen naar ons doorsturen.”

 

 

 

Maya Detiège: “Ik keek achterom en zag hem doelbewust tegen mijn achterwiel aanrijden”

In de zomer van 2013 werd politica Maya Detiège (52) door een agressieve taxichauffeur van de fiets gereden. Het parket seponeerde haar dossier. “Als slachtoffer zat ik tot over mijn oren in de ellende, terwijl de dader rustig verder fietsers mocht blijven terroriseren.”

“Donderdag 8 augustus 2013 was een prachtige zomerdag. In de namiddag fietste ik door de Antwerpse binnenstad. Ik reed de Reyndersstraat in, een lange, smalle eenrichtingsstraat. Het voetpad ligt er hoog en er zijn bijna geen zijstraten. Van zodra je met je fiets die straat inrijdt, heb je eigenlijk maar één mogelijkheid: blijven fietsen. Auto’s kunnen er onmogelijk fietsers voorbijsteken en de meeste chauffeurs leggen zich daar braaf bij neer. Behalve de taxichauffeur achter me die extra gas gaf om me op te jagen. Hij reed dicht tegen mijn achterwiel, ik voelde me allesbehalve op mijn gemak en ik deed teken naar hem: ‘Hola, rustig!’ Maar dat werkte bij die man als een rode lap op een stier: hij duwde het gaspedaal nog dieper in. Ik keek achterom en zag hem doelbewust tegen mijn achterwiel aanrijden. Mijn fiets raakte de boordsteen en ik werd de lucht in gekatapulteerd. Gelukkig kwam ik op het voetpad terecht en niet onder de wielen van zijn auto. Mijn fiets lag midden op de straat, waardoor hij wel moést stoppen. Ik was in shock en kwaad tezelfdertijd. Verontwaardigde voorbijgangers snelden naar me toe en boden spontaan hulp aan. Ik krabbelde overeind, ging voor zijn taxi staan en belde de politie. Toen werd hij nóg bozer: hij stapte uit en begon me uit te schelden. Een van de getuigen zei: ‘Meneer, als u niet ophoudt, geef ik u een mot.’

“Die taxichauffeur was geen jonge macho, maar een veertiger. Hij had niet door dat ik politica Maya Detiège was; op dat moment was ik nog volksvertegenwoordiger voor de s.pa. Achteraf bekeken ben ik blij dat hij dat niet wist, want anders was hij misschien nóg woester geworden.

“De politie arriveerde en maakte proces-verbaal op. ‘Het parket wordt automatisch ingelicht’, zei de agent. Op dat moment voelde ik de pijn nog niet zo erg. Ik was verdoofd door de shock en de adrenaline. Het leek alsof ik aan mijn val enkel schaafwonden en een stijf gevoel in mijn nek en rug had overgehouden. Ik ben apotheker van opleiding, overlegde daarom via de telefoon met mijn huisarts en nam een spierontspanner.

“Wekenlang hoorde ik er niets meer van. Tot een advocaat navraag deed en bleek dat het parket mijn dossier zonder gevolg gerangschikt had ‘wegens andere prioriteiten’. Een agressieve taxichauffeur die me opzettelijk van mijn fiets gereden had, was blijkbaar niet belangrijk genoeg. Die man kreeg geen boete en werd verder geen strobreed in de weg gelegd.

“Ik kreeg steeds meer last in mijn nek en rug en belandde na een paar dagen toch bij de dokter. Ik bleek alle symptomen van een whiplash te hebben. Mijn nek had de schok van de aanrijding opgevangen, met alle pijnlijke gevolgen van dien. Ik kreeg kine en zware pijnmedicatie, maar de pijn verergerde. Een MRI-scan wees uit dat ik ook twee hernia’s had. In 2013 en 2014 kreeg ik epidurale infiltraties waardoor de inmiddels zeer intense pijn ietwat draaglijker werd. Tot ik in september 2015 compleet crashte. Ik kwam bij topdokter en neurochirurg Guido Dua terecht. Hij opereerde me en zette drie nekwervels vast met bot uit mijn heup. ‘Je operatie is een rechtstreeks gevolg van het ongeval met je fiets’, zei hij. Maar de door het gerecht opgetrommelde deskundige volgde de verzekeringsarts. ‘De operatie van mevrouw Detiège is een gevolg van het normale verouderingsproces.’ Als slachtoffer zat ik tot over mijn oren in de ellende, terwijl de dader rustig verder in zijn taxi fietsers mocht blijven terroriseren.”

 

 

Andy Peelman: “Hij vroeg: ‘Zullen we de flikken bellen of zal ik op je bakkes slaan?’”

Andy Peelman speelt inspecteur Koen Baetens in de VTM-serie De buurtpolitie. In het echte leven is hij politie-inspecteur in Brussel. Twee jaar geleden reed een agressieve chauffeur hem van straat. Zijn dossier werd geseponeerd.Ik betreur dat. Als die man zich in het verkeer als een woesteling tegen mij gedraagt, zal hij dat tegen anderen zeker ook doen.”

“In de zomer van 2017 zette ik een vriend af aan zijn huis in Bredene. Ik kende mijn weg er niet zo goed waardoor ik per ongeluk aan de verkeerde kant een eenrichtingsstraat inreed. Ik had direct mijn vergissing door en wou achteruitrijden. Net op dat moment kwam er een auto op me af die in de juiste richting reed. Hij stopte vlak voor mijn neus en flikkerde met zijn lichten. Ik stak mijn hand op om me te verontschuldigen. Hij begon meteen te claxonneren. Ik schrok, zette mijn auto in achteruit en reed weg. Hij volgde me, duwde continu op zijn gaspedaal en begon te bumperkleven. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik hem dreigend zwaaien met iets wat op een dikke zwarte kabel leek. Hij wou me voorbijsteken op het moment dat er twee fietsers uit de andere richting kwamen. Die mensen konden hem nog net ontwijken. Daarna liet hij zich terug achter mij zakken en bleef me achtervolgen. ‘Die man is knettergek’, dacht ik.

“Een verkeerslicht sprong op rood, ik stopte en zag hem uitstappen. Ik nam mijn oranje politiearmband uit het handschoenkastje en ging naar hem toe. ‘Wat is je probleem?’, snauwde hij. Ik legitimeerde me als politie-inspecteur in de hoop dat hij zijn toon zou milderen, maar dat maakte geen indruk. Hij vroeg: ‘Zullen we de flikken bellen of zal ik op je bakkes slaan?’ ‘Oké, meneer, we zullen de politie bellen’, antwoordde ik. Ik draaide me om en wou mijn gsm uit de wagen halen. Hij stapte in en startte. Ik ging voor zijn auto staan, maar hij reed op me af. Ik kon nog net opzij springen, viel en blesseerde mijn pols. Die blessure was zo ernstig dat ik eraan geopereerd moest worden. Meer dan een maand was ik arbeidsongeschikt.

“Ik had de nummerplaat genoteerd en diende klacht in bij de politie. De zaak werd jammer genoeg geseponeerd. Ik betreur dat. Als die man zich in het verkeer als een woesteling tegen mij gedraagt, zal hij dat tegen anderen zeker ook doen. Door wat ik al in mijn job meemaakte, kan ik zijn reactie een beetje plaatsen, maar ik kan me voorstellen dat andere mensen daar ernstig door getraumatiseerd geraken. Een politieman raakt in de loop van zijn carrière wel wat illusies kwijt. Af en toe stel je jezelf vragen bij de beslissingen van justitie. Op het tv-programma De Rechtbank zag ik onlangs hoe drie verdachten die een gewapende overval hadden bekend, tot een povere werkstraf werden veroordeeld. Ze hadden ook nog toegegeven dat ze tijdens hun vlucht een mevrouw van haar handtas hadden beroofd. Ze stonden voor de rechter alsof het hun niets kon schelen. Ze kwamen ervan af met een werkstraf. Je zal maar het slachtoffer zijn en één van die gasten ’s anderendaags op straat tegen het lijf lopen. Wat moet iemand eigenlijk mispeuteren vooraleer we hem achter de tralies zetten?”

 

 

Jos Bogaerts: “Hij sloeg me zonder boe of ba in elkaar”

Een agressieve chauffeur klopte Jos Bogaerts (74) op Wapenstilstandsdag 2010 het ziekenhuis in. Zijn dossier werd door het parket geseponeerd. “Sindsdien vermijd ik alle conflicten in het verkeer.”

“Op 11 november 2010 was ik ’s avonds met de auto op weg naar de huldiging van de gesneuvelde soldaten van de twee wereldoorlogen. In Roeselare vindt dat eerbetoon jaarlijks op Wapenstilstandsdag plaats op het kerkhof in de Blekerijstraat. Ik reed in de Rodenbachstraat en de chauffeur achter mij vond dat ik te traag was. Hij claxonneerde, ik schrok en sloeg dan maar een zijstraat in. Hij draaide ook aan zijn stuur en bleef me volgen, flikkerend met zijn lichten. Ik parkeerde aan de ingang van het kerkhof en stapte uit. Hij kwam op me af en sloeg me zonder boe of ba in elkaar. Ik kwam met mijn hoofd tegen de gevel terecht en alles werd zwart voor mijn ogen. Ik kwam pas opnieuw tot bewustzijn in het ziekenhuis. Een zware hersenschudding, schaafwonden en een nekletsel luidde het verdict.

“Omstaanders hielden mijn belager in bedwang en belden de hulpdiensten. De politie stelde proces-verbaal op. Een half jaar later deelde het parket van Kortrijk me koudweg mee dat de zaak geseponeerd was. Ik stond als aan de grond genageld. Tot vandaag vraag ik me af waarom ze toen niet tot vervolging zijn overgegaan.

“Mijn belager was halverwege de twintig en ik wist meteen wie hij was toen hij uitstapte. Hij was dus geen onbekende voor mij, al had ik eerder nooit met hem iets te maken gehad. Achteraf hoorde ik dat er flessen whisky in zijn auto lagen. Vermoedelijk had hij dus te veel gedronken en was hij daarom agressief. Hij stamt uit een welgesteld gezin; vader en zoon zijn zeer bekend in Roeselare. De zoon heeft nooit zijn verontschuldigingen aangeboden. Zijn vader wel. Hij vergoedde ook mijn ziekenhuiskosten. Ze vonden dat daarmee de kous af was. Na de seponering overwoog ik om de dader rechtstreeks te dagvaarden. Maar mijn advocaat raadde me dat af. ‘Je haalt er alleen maar jezelf ellende mee op je nek’, zei hij.

“Later liep ik de dader in Roeselare nog verschillende keren tegen het lijf; nooit gunde hij me een blik. Sinds die 11e november 2010 ben ik zeer voorzichtig in het verkeer en probeer ik conflicten zoveel mogelijk te vermijden. Soms gebeurt het dan toch nog wel eens dat iemand zijn middelvinger naar me opsteekt. Maar dat stelt helemaal niets voor in vergelijking met dat pak rammel van toen. Heel lang heb ik daarvan afgezien.”

 

 

Michel Van den Brande: “Hij reed in de weg en hield daar een gebroken neus aan over”

In het jaar dat stellingenbouwer Michel Van den Brande (57) schitterde in Vier-programma The sky is the limit, werd hij voor de tweede keer veroordeeld voor verkeersagressie. “Hoe gaat dat? Je bent bekend, hebt een strafblad en bent daardoor al op voorhand veroordeeld.”

“Op 17 juni 2014 kwam ik in mijn BMW van de zee via de E17. Het was half zeven ’s avonds en al aardig druk. Aan de oprit van Waasmunster reed een man in zijn BMW de autostrade op. Ik moest op mijn rem gaan staan, want hij voegde zomaar in. Ik reed 130 en hij tufte aan 60 km per uur, waardoor ik alles moest dichtslaan. Die gast versperde me gewoon de weg. Ik raakte daar ferm door over mijn toeren, stak hem voorbij en stak mijn middelvinger op. Waarna die man me begon te achtervolgen. Hij probeerde me van de weg te rijden en op de afrit naar Sint-Niklaas sloeg hij mee af. Hij reed me klem en ik kon niet meer weg.

“We stapten uit op de pechstrook en die man begon keihard te kloppen op mijn bil. Hij was duidelijk een kickbokser en mijn bil zag meteen zo zwart als een schouw. Ik was niet bang, want ik kickboks ook wel eens. Maar hij was zeer ervaren.

“Een jaar later moest ik voor de rechter verschijnen. Die zei: ‘Mijnheer Van den Brande, u bent in fout en daar komt bij dat u al een strafblad hebt.’ De tegenpartij had nog geen strafblad en kreeg daarom de gunst van de opschorting. Ik werd veroordeeld tot vier maanden cel met uitstel. Die vechtpartij was toevallig opgenomen door een dashcam. Op de beelden is duidelijk te zien dat hij sloeg en niet ik. Maar hoe gaat dat? Je bent bekend, hebt een strafblad en bent daardoor al op voorhand veroordeeld.

“Ik had aan mijn advocaat gevraagd om ervoor te zorgen dat die kerel geen kickbokstrainingen meer kon volgen. Want mannen zoals hij worden vechtmachines. Voor hetzelfde geld kloppen ze je dood. Maar op het proces werd duidelijk dat ik een waardeloze advocaat had. Ik wou in beroep gaan, maar hij zei: ‘Michel, doe dat niet. Dan sta je in de gazet en dat is slecht voor je imago. Laat het zo.’ Ik volgde zijn advies en heb daar intussen zeer veel spijt van.

“Die andere gast kon mijn kleinzoon zijn. Ik heb hem achteraf niet meer gezien, ook al woont hij bij mij in de buurt. Mijn mannen vroegen: ‘Moeten we hem gaan pakken?’ Ik antwoordde: ‘Laat maar zo.’ Dertig jaar geleden had hij wel prijs gehad; intussen ben ik ouder en wijzer.

“Op mijn strafblad staan verkeersboetes en een oud geval van verkeersagressie. Dat dateert van vijftien jaar geleden. Akkoord, ik was toen in fout: ik had die andere kerel flink wat slaag gegeven. (lacht) Het moet niet altijd dezelfde zijn die slaag krijgt. Hij reed in de weg en hield daar een gebroken neus aan over. Oké, ik was ook dronken, maar dat is inmiddels vijftien jaar oud! Intussen heb ik een eigen zaak en zal niemand me nog betrappen op dronken rijden, want als ik een glas op heb, rijdt mijn privéchauffeur. Nu rakelen ze dat weer op. ‘Meneer Van den Brande, u was al eens agressief in het verkeer.’ Met wat zijn die bezig?

“Ze blijven alles in rekening brengen: ‘In 2004, 2007, 2008 en 2009 werd u veroordeeld voor overdreven snelheid.’ Vorig jaar volgde dan nog eens een veroordeling voor te snel rijden. Ik was op mijn gemak op weg naar de zee, maar ik reed ergens 130 waar ik maar 90 mocht. ‘Flits!’ Omdat ik zogezegd een recidivist ben, kreeg ik drie maanden rijverbod, een geldboete, moest ik mijn rijexamens opnieuw doen en een psychologisch en medisch onderzoek ondergaan. Ik vind dat zo laf. Die grap kostte me 3000 euro. Die mannen denken niet na.”

 

(c) Jan Stevens

“De digitalisering maakt ons heel kwetsbaar”

De voorbije zes jaar dook de Nederlandse onderzoeksjournalist Huib Modderkolk diep onder in de onheilspellende wereld van de cyberspionage. In 2013 werd ook het netwerk van Proximus, toen nog Belgacom, gehackt door spionnen. “Volgens sommige bronnen zitten die er nog steeds.”

 

In juni 2013 werkte Huib Modderkolk als onderzoeksjournalist voor de Nederlandse krant NRC-Handelsblad. Hij schreef over de problemen met de hogesnelheidstrein Fyra en was zich net beginnen verdiepen in onze steeds meer onder druk staande privacy als gevolg van de digitalisering, toen de Amerikaanse klokkenluider Edward Snowden op het toneel verscheen. Snowden had tienduizenden top secret-documenten van de geheime afluisterdienst National Security Agency (NSA) aan documentairemaakster Laura Poitras en journalist Glenn Greenwald gegeven.

“Met zijn onthullingen maakte Snowden op spectaculaire wijze zichtbaar dat het digitale tijdperk nieuwe vormen van spionage voortbrengt”, zegt Modderkolk. “Ineens wist de hele wereld dat de NSA bij Google en Facebook onze data kon opvragen en dat ze elke dag een kopie kreeg van alle telefoongegevens van 120 miljoen Amerikanen.”

Huib Modderkolk raakte gefascineerd door Snowden en de verborgen nieuwe wereld van cyberspionage. Hij zocht contact met Greenwald, interviewde Snowden in Moskou en dook onder tussen de cyberspionnen en hackers van de Nederlandse geheime diensten.

Zes jaar later heeft Modderkolk NRC ingeruild voor de Volkskrant en is hij de kersverse auteur van het indrukwekkende en zeer verontrustende boek ‘Het is oorlog maar niemand die het ziet’.

Huib Modderkolk: “Vandaag leveren wij voortdurend digitaal strijd met landen als Noord-Korea, China, Iran en Rusland. Er gaat geen dag voorbij zonder een incident online. Onze minister van Defensie Ank Bijleveld noemde die digitale spanningen tussen staten eind vorig jaar ‘een vorm van oorlog’. Een stille oorlog die niemand ziet.”

 

De titel van uw boek mogen we dus letterlijk nemen?

Modderkolk: “Jawel. Iran haalde in juni van dit jaar een Amerikaanse drone neer. De Verenigde Staten stonden op het punt terug te slaan, maar hielden op het laatste nippertje de boot af. Het officiële verhaal luidt dat president Donald Trump de dodentol van die vergelding te zwaar vond. Intussen hebben de Amerikanen wel met een gigantische operatie de digitale disruptie van Iraanse systemen ingezet. Ze verstoren militaire communicatienetwerken waardoor de Iraniërs nog nauwelijks in staat zijn om olietankers aan te vallen. Daar hoor je bijna niets over.”

 

Vallen er doden bij deze digitale oorlog?

Modderkolk: “Dat is moeilijk te zeggen. Op het eerste gezicht lijkt dat niet zo, maar als een hacker van een vreemde mogendheid de stroomvoorziening van een ziekenhuis uitschakelt, kunnen er wel onrechtstreeks doden vallen. We zijn heel kwetsbaar geworden omdat intussen zowat alles gedigitaliseerd is. Digitale verstoring is dan ook voor zeer veel landen een erg aantrekkelijk wapen. De overheid gebruikt er de vreselijke term ‘hybride oorlog’ voor. Een land als China zet heel veel kracht in, waardoor ze altijd wel ergens binnen geraken.”

 

‘Heel veel kracht’ wil zeggen: flatgebouwen vol Chinese hackers die in opdracht van hun regering binnendringen in de netwerken van westerse bedrijven en overheden om informatie te stelen of te destabiliseren?

Modderkolk: “Ja, en dat is geen complottheorie. Het is gewoon waar. De Nederlandse militaire inlichtingendienst MIVD schatte het aantal Chinese hackers in 2015 op meer dan 100.000. Ze krijgen ’s morgens bevel om een bepaald bedrijf binnen te dringen en werken daar vervolgens weken en zelfs maanden aan tot het lukt. Eén van die bevelen was bijvoorbeeld: ‘Hack de Nederlandse chipmachinefabrikant ASML.’ Wat ze in 2015 ook gedaan hebben.”

 

Hackers proberen bedrijven binnen te raken via phishing mails. Ik krijg er soms ook in mijn mailbox. Ze zien er altijd fake uit.

Modderkolk: “Fox-IT is zowat het belangrijkste Nederlandse bedrijf op het gebied van computer- en netwerkbeveiliging. Bij wijze van experiment stuurden ze eens onaangekondigd phishingmails naar hun eigen personeelsleden, dé top in hun vakgebied. Toch trapte 40 % erin. Chinese hackersgroepen werken veel professioneler dan de doorsnee internetcrimineel. Congressen zijn ideale vertrekpunten voor cyberspionage. Daar worden altijd foto’s gemaakt. Als je dan als deelnemer een paar dagen later een keurige bedankingsmail van de zogezegde organisator in de bus krijgt, met een link naar de foto’s, ben je snel geneigd om daarop te klikken. Zo haal je de vijand binnen in je eigen organisatie.”

 

In 2013 werd u getipt dat er iets aan de hand was bij België’s grootste telecomprovider Belgacom, het huidige Proximus. Het netwerk bleek gehackt te zijn door Britse en Amerikaanse geheime diensten.

Modderkolk: “De manier waarop ze digitaal bij Belgacom inbraken, was angstaanjagend goed. Toen Edward Snowden in juni 2013 naar buiten kwam met zijn geheime documenten over de afluisterpraktijken van de NSA, begonnen ze zich bij Belgacom zorgen te maken over hun Microsoft-servers. Want al meer dan een jaar waren er problemen met de stabiliteit. Mails kwamen niet aan of waren opeens verdwenen. Microsoft kreeg het niet opgelost en Belgacom riep de hulp in van Fox-IT. De Fox-IT-specialisten ontdekten een ingenieus stukje software dat niet van Microsoft was. Ze beseften meteen dat er iets ernstigs aan de hand was. De toplui van Belgacom vonden dat het allemaal veel te lang duurde en wilden het liefst dat de boel zo snel mogelijk opgekuist werd. Maar de mensen van Fox-IT vreesden dat het stukje software slechts het tipje van de sluier was en ze kregen gelijk. Uiteindelijk ging de toenmalige Belgacom-CEO Didier Bellens morrend overstag: de Nederlanders mochten verder blijven zoeken. In juli kwamen zij in het systeem boobytraps tegen: kleine bestandjes die de opdrachtgever moesten alarmeren.”

 

Waardoor duidelijk werd dat de indringers geen amateurs waren?

Modderkolk: “Precies. Toen schoten ze bij Belgacom in paniek en werden het parket en de Belgische geheime diensten ingeschakeld. Een zaak was duidelijk: de vreemde ingebrachte software was zo ingenieus en drong zo diep het netwerk binnen, dat het enkel het werk van een buitenlandse staat kon zijn. Het uiteindelijke doel bleek BICS te zijn, een zeer lucratief Belgacom-onderdeel. BICS verzorgt de roamingservices tussen honderden telefoonbedrijven wereldwijd. Ook de data van heel wat telecombedrijven uit Afrika en het Midden-Oosten lopen via BICS. Zowat 1,2 miljard telefoongebruikers bellen, appen en sms’en via het BICS-netwerk.”

 

Via BICS hadden de Britten en Amerikanen toegang tot het telefoon- en dataverkeer van zowat de hele wereld?

Modderkolk: “BICS, de parel van Belgacom, is de toegang tot àlles. Via BICS raakten ze ook tot bij de communicatie van de NAVO en de Europese Commissie. Er volgde een grote schoonmaak waar honderden Belgacom-medewerkers en specialisten aan deelnamen. Na afloop waren Didier Bellens en co. in hun nopjes en werd het netwerk schoon verklaard. Maar Fox-IT liet sensoren achter en een paar dagen na de schoonmaak registreerden die opnieuw verdacht verkeer. Dat werd binnengelaten door een zogezegd superbeveiligde router van het Amerikaanse bedrijf Cisco. Wat er daarna gebeurde, blijft tot nu onduidelijk. Belgacom vroeg Cisco om hulp, maar die wilden dat eerst de Nederlanders van Fox-IT ophoepelden. Half september 2013 liet Belgacom weten dat hun hele systeem opgekuist was. Veel Nederlandse bronnen twijfelden daaraan.”

 

Misschien zitten de Amerikaanse en Britse cyberspionnen nog steeds in het netwerk van Proximus?

Modderkolk: “Dat is exact wat die Nederlandse bronnen denken.”

 

Uw boek is onder andere gebaseerd op gesprekken met 110 mensen, waaronder heel wat bronnen uit de Nederlandse geheime diensten. Het gevaar is niet denkbeeldig dat ze u als journalist hebben proberen bespelen?

Modderkolk: “Daar was ik me altijd erg goed van bewust. Eigenlijk hebben zij er geen enkel belang bij om mij te vertellen waar ze mee bezig zijn. Ik vraag hen soms wel eens officieel om weerwoord, en dan reageren ze nooit inhoudelijk. Veel bronnen ken ik al jaren en die vertrouw ik. Maar soms voer ik gesprekken met geheim agenten waarbij ik het gevoel krijg dat de tegenpartij probeert te achterhalen wat ik allemaal weet. Die contacten houden geen stand.”

 

In 2000 vertelde een agent van de Belgische Staatsveiligheid me dat hij en zijn collega’s hun informatie vooral uit kranten en tijdschriften haalden. De digitale snelweg lieten ze links liggen. In uw boek lees ik dat de Nederlandse geheime dienst AIVD in datzelfde jaar begon met het ‘afschrapen van het internet’, online infiltranten inzette en aan het dataminen was.

Modderkolk: “De AIVD was op dat moment inderdaad al online actief. In Nederland komen verschillende transatlantische kabels aan land, zoals in Beverwijk en Katwijk. Zij leggen de digitale verbinding tussen de Verenigde Staten en Europa. In Amsterdam ligt sinds 1994 een van de grootste internetknooppunten ter wereld: Amsterdam Internet Exchange, of AMS-IX. Nederland maakte heel snel de digitale omslag. Rond 2000 begonnen de Nederlandse banken al met internetbankieren, wat in vergelijking met de rest van de wereld vroeg was. Alleen trokken wij zo ook al heel snel internetcriminelen aan. Er moest dus nagedacht worden over hoe wij ons daartegen konden verdedigen.”

 

Intussen is Nederland ook uitgegroeid tot een interessante plek voor cyberspionnen van over de hele wereld?

Modderkolk: “Dat is een gevolg van al dat internetverkeer van diverse andere landen dat door onze kabelnetwerken en langs onze datacentra passeert. In de zomer van 2017 vertelde een van mijn bronnen uit de inlichtingenwereld me tussen neus en lippen door dat de AIVD iets gezien had van de hack op de Amerikaanse Democratische Partij in de aanloop naar de presidentsverkiezingen van 2016. Ik dacht toen meteen aan de vele datacentra en AMS-IX. Het leek inderdaad niet vreemd dat Russische hackgroepen hun aanval via Nederland zouden lanceren.”

 

Tot vandaag beweert president Trump dat er geen Russische inmenging was in de verkiezingen van 2016.

Modderkolk: “Die was er wel degelijk, en op veel verschillende manieren. Russische hackers vielen de kiessystemen aan en er werden campagnes gevoerd op sociale media. De eerste digitale inbraak in de Democratische Partij werd georganiseerd door APT29, bijgenaamd Cozy Bear, een beruchte Russische hackersunit van de geheime diensten FSB en SVR. Cozy Bear is gespecialiseerd in langdurige online-spionage en die eerste inbraak was bedoeld om na te gaan of het mogelijk was om in de bestanden van de Democratische Partij te gaan rondneuzen. Dat lukte wonderwel, waarna de Russen beslisten om Unit 74455, ook bekend als Fancy Bear, in te schakelen. Fancy Bear is onderdeel van de Russische militaire geheime dienst GROe en is berucht voor online saboteren en ontwrichten.”

 

Wanneer en hoe ontdekte de AIVD dat de Democratische Partij door de Russen gehackt was?

Modderkolk: “2013 was in Nederland het ‘Nederland-Ruslandjaar’. Bedoeling was om de samenwerking tussen beide landen het hele jaar door te vieren, maar dat liep snel in de soep. Het ene incident volgde op het andere: een Russische diplomaat werd aangehouden omdat hij zijn kinderen molesteerde. Als ‘represaille’ werd in Rusland een Nederlandse diplomaat in zijn huis in Moskou aangevallen en mishandeld. 2013 was het jaar waarin Rusland zich in het algemeen op het wereldtoneel agressiever begon te gedragen. In februari 2014 vonden in Sotsji de winterspelen plaats en vlak daarna namen de Russen met militair geweld de Krim over van Oekraïne. Russische trolaccounts probeerden bij ons op sociale media het debat rond de annexatie van de Krim en de oorlog in Oekraïne te beïnvloeden. Net op dat moment ontdekten leden van het hackteam van de AIVD in Zoetermeer de plek waar Cozy Bear in Moskou aan het werk was.”

 

Dat bleek in een universiteitsgebouw aan het Rode Plein te zijn?

Modderkolk: “Ja. Via een Russisch netwerk kwamen ze in dat gebouw terecht. Eerst dachten ze dat ze in een studentenruimte beland waren bij een stelletje hackende studenten. De hackers van de AIVD ontdekten dat aan het computernetwerk een beveiligingscamera was gekoppeld. Ze konden die overnemen en vervolgens door het oog van de camera kijken. Zo merkten ze dat de camera in de gang hing en gericht was op de toegangsdeur. Iedereen die de ruimte betrad, werd gefilmd. De AIVD-hackers stelden de camera zo in dat hij elke bezoeker fotografeerde. Die screenshots werden in kleine bestandjes teruggestuurd naar Zoetermeer. De volgende weken zagen ze hoge Russische inlichtingenofficieren en bekende hackers de revue passeren. Aan de hand van de camerabeelden en de analyse van het gedrag van de groep, kwamen de AIVD’ers erachter dat ze Cozy Bear aan het observeren waren. Ze hielden dat lang vol en waren er zo live getuige van hoe Cozy Bear in de zomer van 2015 binnenviel in het computernetwerk van de Amerikaanse Democratische Partij. In maart 2016 werd broertje Fancy Bear ingeschakeld om in die democratische servers op zoek te gaan naar belastende informatie over Hillary Clinton. De Russische hackers stalen 20.000 e-mails die tijdens de verkiezingscampagne in 2016 via WikiLeaks gepubliceerd werden.”

 

Sloeg de AIVD dan nooit alarm?

Modderkolk: “Toch wel: in de zomer van 2015 lichtte de AIVD al de Amerikanen in. In september belde een FBI-agent naar het bestuur van de Democratische Partij om hen ervoor te waarschuwen dat er Russen in hun netwerk zaten. Maar die man werd niet ernstig genomen. Ze wilden niet geloven dat hij van de FBI was. De gevolgen van dat ongeloof werden een jaar later na de doortocht van Fancy Bear duidelijk.”

 

In het beruchte Mueller-rapport is geen spoor van de AIVD terug te vinden.

Modderkolk: “Dat komt omdat het team van speciaal aanklager Robert Mueller zich vooral richtte op Fancy Bear: zij stalen de mails en bezorgden die aan WikiLeaks. Die acties waren belangrijker bij het ontwrichten van de Amerikaanse verkiezingen dan de voorafgaande spionage door Cozy Bear waar de AIVD getuige van was.

“Cozy Bear en Fancy Bear hebben inmiddels als het op digitale oorlogsvoering aankomt een stevig palmares opgebouwd. Zo legden ze op 27 juni 2017 met een gigantische cyberaanval heel Oekraïne plat. Ik ben er naderhand geweest. De verhalen die ik over die bewuste dag hoorde, waren hallucinant. De luchthaven van Kiev, de metro, de ziekenhuizen… alles lag plat. Een paar jaar eerder hadden de Russen al laten zien waartoe ze in staat waren. Op 23 december 2015 zag een medewerker in de controlekamer van een Oekraïnse energieleverancier de cursor op zijn beeldscherm in beweging komen. Zonder dat die man zijn muis aanraakte, zag hij hoe de cursor een scherm openklikte en een elektriciteitsstation offline haalde. Duizenden Oekraïners kwamen zonder stroom en water te zitten. Het Amerikaanse tijdschrift Wired beschreef een paar maanden later hoe de man wanhopig tevergeefs de computermuis in bedwang probeerde te houden. Al zijn handelingen waren vergeefs, want de cursor ging rustig verder met het offline halen van elektriciteitsstations. En telkens wanneer een station werd uitgeschakeld, doofde in duizenden huizen het licht.”

 

 

Huib Modderkolk

  • Geboren in 1982
  • Studeerde politieke wetenschappen en journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam
  • Werkte van 2008 tot en met 2014 als onderzoeksjournalist bij NRC Handelsblad
  • Stapte begin 2015 over naar De Volkskrant
  • Is vaste gast bij het praatprogramma De Wereld Draait Door als expert geheime diensten en digitalisering
  • Won de prestigieuze journalistieke prijzen De Tegel (2016) en De Loep (2018)

 

Huib Modderkolk, Het is oorlog maar niemand die het ziet, Uitgeverij Podium, 272 blz., 20,50 euro

 

(c) Jan Stevens

“Terzake is iets te veel talkshow geworden”

Een kwart eeuw geleden stonden Dirk Sterckx en Alain Coninx aan de wieg van Terzake. “Nu krijgen politici een microfoon onder de neus geduwd. ‘Zijn er breekpunten? Ja of nee.’ Wij interviewden ook kritisch, maar altijd over de inhoud. Zonder het zelf te beseffen, laten journalisten zich inlijven in een politiek spel.”

 

Exact 25 jaar geleden om tien uur ’s avonds zei Dirk Sterckx voor het allereerst tegen de camera: “Goeienavond, dit is Terzake.” Die maandag 5 september 1994 heette de openbare omroep nog BRTN en was TV2 nog niet herdoopt tot Canvas. “TV2 was op dat moment een woestijn”, herinnert Alain Coninx zich. “Ons gloednieuwe duidingsprogramma Terzake moest hét ankerpunt worden van waaruit eindelijk een waardevolle tweede net gebouwd kon worden. Veel mensen twijfelden eraan of dat zou lukken. Een van die ongelovigen was Guy Polspoel. Hij was nochtans samen met mij, Dirk Sterckx en Dirk Tieleman ‘uitverkoren’ om Terzake te presenteren.”

Dirk Sterckx: “Tot hij het aanbod kreeg van het toenmalige FilmNet om voetbalcommentator te worden. Toen was Guy weg en waren wij nog met drie.”

 

Hoe goed boterde het in die beginjaren tussen Sterckx, Coninx en Tieleman?

Coninx: “We kenden elkaar van op de nieuwsdienst en er was wederzijds respect. We hebben nooit woorden gehad.”

Sterckx: “We vormden een uitstekend team.”

 

Jullie waren geen drie grote ego’s samen?

Sterckx: “Toch wel.”

Coninx: “Maar we hadden een slimme samenwerkingsformule bedacht. De ene week verzorgde je de eindredactie, de andere week presenteerde je. Dat was nieuw en werkte zeer goed. We gingen vriendschappelijk met elkaar om. Dat viel op, want plots wou iedereen bij ons komen werken. We groetten elkaar ’s morgens. De nieuwsredactie leek dan weer een koelkast. Je stapte er binnen en niemand keek op.”

 

Op dat moment was de openbare omroep in crisis?

Sterckx: “In 1994 zat de VRT alias BRTN in één van de diepste dalen ooit. Dat zou pas in 1996 keren na de komst van Bert De Graeve als nieuwe gedelegeerd bestuurder. In 1989 ging de commerciële omroep VTM van start. De openbare omroep beleefde zowat zijn moeilijkste moment toen VTM halverwege de jaren negentig een contract aan VRT-coryfée Bart Peeters aanbood.”

Coninx: “Maar ook het voetbalcontract ging in ’94 naar VTM. Dat was een heel groot crisismoment. VTM vroeg mij toen of ik hoofd wou worden van hun sportdienst.”

 

U had al ervaring als sportjournalist.

Coninx: “In de jaren tachtig zat ik tien jaar lang op de sportredactie. In 1991 stapte ik over naar het actualiteitenmagazine Panorama. Nadat VTM dat voetbalcontract had binnengehaald, wilde hun hoofdredacteur met mij praten. Dat gesprek vond in het geheim plaats in een hotel in de buurt van Zaventem. Ik trok er met frisse tegenzin naartoe. We zaten middenin de voorbereidingen voor Terzake en de goesting om dat programma te gaan maken, was groot. Mijn gesprekspartner vroeg wat ik bij de VRT verdiende. Ze schrok van het bedrag. Ik had meteen door dat ik met een overstap geen financiële potten zou breken. Dat gesprek was snel voorbij.”

Sterckx: “In ’94 waren er ook Europese verkiezingen. Guy Verhofstadt was toen voorzitter van de VLD en vroeg mij of ik op de lijst wou staan. Ik zei nee.”

Coninx: “Weet je wie mij toen vroeg om bij de federale verkiezingen de lijst van de senaat te trekken? Wijlen Steve Stevaert, voorzitter van de sp.a. Ik heb beleefd geweigerd.”

Sterckx: “Ik heb toen lang getwijfeld. Uiteindelijk koos ik vol overtuiging voor Terzake. Want hoe lang hebben wij niet moeten zeuren om zo’n programma te mogen maken?”

 

Jullie waren vragende partij?

Sterckx: “Iedereen op de nieuwsredactie. Op de radio liep al jaren Actueel; dat was ons voorbeeld. Vóór de start van Terzake hadden we op de televisie dagelijks het journaal, wekelijks Panorama en op zondag De zevende dag. In die tijd was dat nog een frivool programma met streekbieren.”

Coninx: “De veel te vroeg gestorven Kris Borms was toen onze hoofdredacteur. Hij was de grote kracht achter Terzake.”

Sterckx: “Samen met Jan Ceuleers, de toenmalige directeur televisie.”

 

Klopt het dat ze bij Panorama geld weghaalden voor Terzake en zo de doodsteek gaven aan wat ooit hét vlaggenschip van de openbare omroep was?

Sterckx: “Er was extra budget voor Terzake, maar er werd inderdaad een deel van de middelen weggehaald bij Panorama. Getalenteerde mensen zoals Paul Muys konden zich daar niet bij neerleggen en verlieten de BRTN. Het blijft jammer dat de openbare omroep toen geen middelen kon of wou vrijmaken om zowel een dagelijks duidingsprogramma als een wekelijks achtergrondprogramma te maken.”

Coninx: “De kans was reëel dat Terzake de mist zou ingaan. Aan de vooravond van 5 september 1994 werd dat ook door velen voorspeld. Gelukkig waren de reacties zeer positief.”

Sterckx: “Een week later was het feest en in december kregen we de Ha! van Humo.”

 

Waarom was er zo lang zoveel weerstand tegen een dagelijks duidingsprogramma?

Sterckx: “Vanuit politieke hoek was de angst groot dat zo de evenwichten verstoord zouden raken. De hoofdredacteur van Panorama was een vertrouweling van de CVP en de hoofdredacteur van Het journaal was een socialist. Niemand durfde te bewegen, bang dat het kaartenhuis ineen zou storten. Als de ene een frank kreeg, moest de andere er ook een hebben. De komst van VTM maakte die politieke verkaveling totaal irrelevant.”

 

De start van VTM was een zegen voor de VRT?

Sterckx: “In 1995 werd Eric Van Rompuy (CD&V) als minister van Media bevoegd voor de openbare omroep. Via-via hoorden wij dat hij Terzake zag als het bewijs van nieuwe dynamiek in de VRT.”

Coninx: “In 1996 haalde hij Bert De Graeve binnen en gaf hem de vrije hand om de openbare omroep te hervormen. Van Rompuy heeft zich politiek nooit bemoeid. Ik vind dat top.”

 

Alle jaren daarvoor was de VRT-nieuwsdienst de speeltuin van politieke partijen en waren sommige journalisten marionetten van politici?

Sterckx: “Toch niet.”

Coninx: “Ik heb nooit een partijkaart gehad.”

Sterckx: “Ik als journalist ook niet. De politieke beïnvloeding en verkaveling vond plaats op een hoger niveau. Op de redactievloer hadden maar een paar mensen een partijkaart.”

 

Tussen 1992 en 1999 schreef VRT-journalist Siegfried Bracke vermomd als Valère De Scherp columns en interviews voor het sp.a-partijblad Doèn. Bracke werd Terzake-anker in 2004.

Coninx: “Wij wisten dat toen niet.”

Sterckx: “Van een paar collega’s wisten we dat ze in ‘de verkaveling’ zaten. Van Siegfried vermoedde ik het, ook al heeft hij me zelf daar nooit iets over gezegd. Ik weet zelfs niet of hij toen een partijkaart had.”

Coninx: “Van zodra je hoger wou klimmen dan het niveau van journalist, moest je kleur bekennen.”

Sterckx: “Wat niet wil zeggen dat je dan ook een partijkaart moest aanschaffen.”

 

Dat is nu veranderd?

Sterckx: “Dat is helemaal weg. Bert De Graeve zette samen met directeur televisie Piet Van Roe de deuren open. Ik zit nu zelf in de raad van bestuur van de VRT en die moeit zich niet met de dagelijkse werking. Ooit was het anders. In 1980 werd ik Europees correspondent en kwam zo op het terrein van collega Guido Naets, die sinds de jaren zestig verslag uitbracht over Europa. Hij was van CVP-signatuur, meer bepaald de Boerenbond. Op een dag riep toenmalig hoofdredacteur Lucien Boussé me op zijn kantoor. Hij vroeg: ‘Dirk, wat is er mis met je stuk van gisteren?’ Ik viel uit de lucht. ‘Geen idee.’ Hij zei: ‘De raad van bestuur heeft je tekst opgevraagd.’ Dat maakte Lucien onrustig, want dat wou zeggen dat er onheil boven zijn hoofd hing. Wijlen Tuur Van Wallendael kende de voorzitter van de raad. Ik vroeg aan Tuur: ‘Wil jij eens vragen wat er aan de hand is?’ Toen hoorde ik: ‘De Boerenbond maakt er zich zorgen over dat jij in Guido Naets’ tuin zit. Vanaf nu laten ze je met rust.’ Dat was ook zo.”

 

Wat vinden jullie van het huidige Terzake?

Coninx: “Het is iets te veel talkshow geworden, met een overvloed aan studiogasten. Wij wilden vooral beeldreportages brengen. Kris Borms had het budget berekend en kwam tot de vaststelling: ‘Jullie moéten elke week drie gasten in de studio halen.’ Want dat kostte niets. Het verschil met nu is dat wij er zeker van wilden zijn dat die gasten de moeite waren. Dus maakten we weloverwogen keuzes; nu lijkt het meer op komen en gaan.”

 

Mochten jullie kritisch zijn?

Sterckx: “Meer dan de gewoonte was. Wij stonden afstandelijker en kritischer tegenover politici.”

Coninx: “Ik herinner me de duizendste aflevering, een feestuitzending. We droegen allemaal een strik en er zat publiek in de zaal. Laat op de avond wilden we naar huis, toen Bert De Graeve op ons afstapte. ‘Mannen’, zei hij, ‘jullie moeten die politici nog veel harder aanpakken.’ (lacht) Wij waren niet op gemakkelijke primeurs uit. Dat is veranderd. Nu krijgen politici een microfoon onder de neus geduwd. ‘Zijn er breekpunten? U moet ja of nee antwoorden.’ Wij interviewden ook kritisch, maar over de inhoud. Zonder het zelf te beseffen, laten journalisten zich nu inlijven in een politiek spel.”

 

Jullie gingen nooit met politici eten?

Sterckx: “Ik wel.”

Coninx: “Ik ook wel eens. Daar is toch niets mis mee? Wat ik wil zeggen is: sommige politieke journalisten moeten meer focussen op inhoud en minder azen op primeurs. Want voor ze het weten, zitten ze in het spel. Mag ik een voorbeeld geven van een gebrek aan inhoud? De spijbelende klimaatscholieren zetten het klimaat een tijd geleden op de agenda. Prima. Wat mij nu stoort, is dat die jonge mensen intussen een heldenstatus hebben. Ze mogen zeggen wat ze willen, iedereen gaat voor hen op de knieën. Net dan moeten journalisten kritisch worden. Wàt beweren die meisjes precies? Greta Thunbergs zeiltocht naar Amerika bleek belastender voor het milieu dan een retour met een vliegtuig, want er moesten verschillende vluchten voor bemanningslui georganiseerd worden om die boot terug te halen. Ik heb daar geen enkele kritische vraag over gehoord. Bart De Wever zei: ‘Het is niet omdat de puberteit betoogt dat de antwoorden puberaal moeten zijn.’ Hij heeft een punt: om het klimaat te redden, is er inderdaad meer nodig dan onnozel protest. Journalisten surfen liever mee op de hype.”

 

Dan hebt u het over de journalisten die nu Terzake maken?

Coninx: “Niet alleen over hen, maar over de media in het algemeen.”

 

Jullie waren kritischer dan wij nu zijn?

Sterckx: “Wij waren op een andere manier kritisch. Elke periode heeft zijn politici en journalisten. Bij Terzake worden nu de personen alsmaar belangrijker. Door steeds meer mensen in de studio uit te nodigen, gaat het vanzelf minder over inhoud maar meer over strategieën, carrièreplanning en interne verhoudingen.”

Coninx: “In plaats van met Groen-politicus Kristof Calvo continu het conflict over salariswagens te zoeken, zouden ze hem beter diepgravend interviewen. Op den duur weten we niet meer wat die mensen ons écht te bieden hebben. Zag je in de aanloop van de verkiezingen op VTM de reportages van Paul Jambers over Almaci, Calvo, De Wever en Francken? Die waren schitterend: Jambers praatte onbevooroordeeld met hen en ontdekte zo hun diepere gedachten.”

Sterckx: “Jambers sprak hen niet in een studio, maar draaide beeldreportages. Televisie heeft nood aan beelden, alleen zie ik steeds meer talking heads.”

Coninx: “Omdat dat goedkoop is.”

 

Terzake wordt gevolgd door De Afspraak, een talkshow met gasten die ook regelmatig terugkeren.

Sterckx: “Vlaanderen is geen bodemloze vijver vol sprekend talent. Dat ondervonden wij indertijd ook. Al is er beterschap: zo worden professoren door hun universiteiten aangemoedigd om de media te woord te staan. Soms is dan het probleem dat politicologen journalist worden. Steeds vaker worden de specialisten van de redactie ingeruild voor een externe politicoloog. Wat is er mis met een redactie die haar eigen talent en kennis maximaal inzet?”

 

Journalisten moeten meer andere journalisten interviewen?

Sterckx: “In de aanloop naar de verkiezingen keek ik het liefst naar Zinzen en Van Cauwelaert bij Ivan. Weet je wat het grote probleem is? Dat er beknibbeld wordt op redacties waardoor steeds minder mensen steeds meer taken op hun bord krijgen.”

Coninx: “Journalisten van de geschreven pers staan toch ook onder druk om meer en sneller stukken te leveren? Ze moeten niet alleen artikels voor de krant schrijven, maar ook video’s draaien voor de website.”

Sterckx: “De digitalisering zet een extra turbo op die versnelling, waardoor de kwaliteit in het gedrang komt. Het is nu zelfs zo ver gekomen dat ik me bij berichten op reguliere media soms afvraag: is dit wel waar?”

 

En dat in tijden van nepnieuws.

Coninx: “Daarom hebben we meer dan ooit nood aan ervaren eindredacteurs. Nepnieuws is trouwens niets nieuws. Wij werden halverwege de jaren negentig journalistiek volwassen in de nasleep van de affaire Dutroux. In het begin volgden we het verhaal dat niet Marc Dutroux, maar de Brusselaar Michel Nihoul de spin in het web was. Later bleek daar niets van aan. Ik herinner me een kerstdag waarop we standby moesten zijn want de politie stond op het punt een rist hooggeplaatsten te arresteren: ceo’s en politici die actief zouden zijn in het netwerk van Dutroux en Nihoul. Er gebeurde helemaal niets. Ik moest in de Terzake-studio een vrouw interviewen, een zogezegde profiler. Vooral na de uitzending vertelde ze klinkklare onzin. Ik stond snel sceptisch tegenover al die verhalen, omdat ik niet lang daarvoor gelezen had over de vermeende ontuchtzaak van 1987 in het Groningse Oude Pekela. Tientallen kinderen zouden toen door als clowns vermomde daders zijn misbruikt. Later bleek het een hype, veroorzaakt door slecht politie-onderzoek en buitensporige media-aandacht.”

 

Ten tijde van Dutroux was de journalistiek verdeeld in twee kampen: believers en non-believers.

Coninx: “Wij behoorden tot de non-believers.”

Sterckx: “In december ’96 ruilde ik Terzake in voor Het journaal. Ik herinner me dat we bericht kregen dat er in volle Dutroux-onderzoek een huiszoeking op stapel stond bij een satanische sekte in een Waals stadje. De speurders vonden in de koelkast zakken bloed. Later bleek het varkensbloed van bij de plaatselijke slager te zijn. Maar intussen had ik dat nieuws tijdens het journaal wel netjes voorgelezen. ‘Dames en heren, in het kader van het onderzoek naar Marc Dutroux was er vandaag een huiszoeking bij satanisten.’”

 

Op 9 januari van dit jaar was Dries Van Langenhove in Terzake te gast bij Kathleen Cools. Zouden jullie hem uitgenodigd hebben?

Sterckx: “Ik vermoed dat er op de redactie aan dat gesprek een lange discussie vooraf ging.”

Coninx: “Wij nodigden geen extreemrechtse policiti van het toenmalige Vlaams Blok uit. Achteraf kregen we gelijk: in 2004 werd die partij veroordeeld wegens racisme. Ik zou Van Langenhove niet uitgenodigd hebben, maar hem in een reportage zijn ideeën hebben laten uitleggen. Dat is minder sensationeel.”

Sterckx: “Er is geen goede kant aan dit verhaal. Als je die man niet uitnodigt, wentelt hij zich in een slachtofferrol. Sommigen vinden dat Kathleen Cools hem slecht aanpakte, anderen vinden dat ze hem ontmaskerde. Ik vond haar zeer moedig. Als je als journalist tegenover een hooligan zit, zijn je mogelijkheden sowieso beperkt. Ofwel breek je op een bepaald moment het gesprek af, ofwel bied je net als Kathleen weerwerk tot het einde.”

 

Bio

 

Dirk Sterckx (72)

  • Studeerde Germaanse filologie aan de Universiteit Gent en gaf een paar jaar les
  • Werd in 1975 journalist bij de toenmalige BRT
  • Werd in 1981 EU-correspondent en vijf jaar later eindredacteur bij Het journaal
  • Presenteerde op 5 september 1994 de allereerste Terzake
  • Werd in december 1996 ankerman van Het journaal
  • Stapte in 1999 over naar de politiek en was tot 2011 Europarlementslid voor Open-VLD

 

 

Alain Coninx (71)

  • Studeerde regentaat moderne talen en gaf een paar jaar les
  • Werd in 1980 sportjournalist bij de toenmalige BRT
  • Stapte in 1990 over naar Panorama
  • Presenteerde vanaf september 1994 tien jaar lang Terzake
  • Presenteerde van 2005 tot 2008 De zevende dag
  • Is sinds 2012 persverantwoordelijke voor de Sint-Truidense voetbalclub STVV

(c) Jan Stevens