‘Systematisch verkrachten is gruwelijk efficiënt’

Oorlogsjournalist Christina Lamb verzamelt in haar verontrustende boek Ons lichaam, jullie slagveld getuigenissen over verkrachting als oorlogswapen. “Systematische verkrachting is gruwelijk efficiënt en spotgoedkoop.”

De voorbije 33 jaar bracht Sunday Times-buitenlandcorrespondent Christina Lamb (55) verslag uit van conflicten over de hele wereld. Ze was amper 22 toen ze in 1987 van Birmingham verhuisde naar Afghanistan. Daar versloeg ze de strijd van de Moedjahedin tegen de troepen van de Sovjet-Unie. Twee jaar later werd ze uitgeroepen tot Young Journalist of the Year.

Lamb was oorlogscorrespondent in onder andere Bosnië, Syrië en Irak. Ze won 15 belangrijke internationale journalistieke onderscheidingen, inclusief de Prix Bayeux, Europa’s belangrijkste prijs voor oorlogsverslaggeving. In 2015 riep Amnesty International haar uit tot Newspaper Journalist of the Year voor haar berichtgeving vanuit detentiecentra voor vluchtelingen in Libië.

In het naar de keel grijpende Ons lichaam, jullie slagveld verzamelt Christina Lamb getuigenissen van vrouwen die wereldwijd slachtoffer werden van verkrachting in oorlogstijd. “Dit boek was héél moeilijk om te schrijven”, zegt ze. “In de inleiding verontschuldig ik me ook bij mijn lezers omdat de inhoud zo hard is.”

Een schrijver die zich bij voorbaat bij zijn lezers verontschuldigt, dat is toch ongewoon?

Christina Lamb: “Ik kan me goed voorstellen dat sommige passages bij veel mensen hard zullen aankomen. Ik schreef eerder al boeken over lastige onderwerpen, maar dit is mijn meest verstorende boek ooit. Om te vermijden dat ik er zelf aan onderdoor zou gaan, kon ik er maar een beperkte tijd van de dag aan werken. Als het voor de schrijver en de lezers al zo lastig is, wat moet het dan wel niet zijn voor al die seksueel misbruikte meisjes en vrouwen die mij hun verhaal toevertrouwden?”

Ze getuigen over hoe ze het slachtoffer werden van stelselmatige verkrachting als oorlogswapen. Daar wordt zelden over bericht?

“Dat is nog een écht taboe. Verkrachting in tijden van oorlog is niet iets nieuws. Je vindt er al sporen van terug bij de oude Grieken en Romeinen die elkaars vrouwen ontvoerden en mishandelden. Intussen zijn we gaan geloven dat we die praktijken achter ons gelaten hebben, maar dat is een illusie. In werkelijkheid gingen we er amper op vooruit. Want vandaag wordt verkrachting tijdens oorlogen systematisch ingezet, terwijl er vroeger helemaal geen systeem inzat. Soms was het niet meer dan profiteren van de chaos door de oorlog.

“De vrouwen in mijn boek zijn slachtoffers van daders met duidelijke instructies om te verkrachten. Ze gebruiken verkrachting als terreurwapen en als een instrument om wraak te nemen en te ontmenselijken.

“Ik was lang een van de weinige vrouwelijke journalisten die naar conflictgebieden trok. Dat is vandaag gelukkig veranderd. Steeds meer vrouwen zijn als oorlogsjournalist actief en dat is goed, want zij kijken met een andere blik naar oorlog dan hun mannelijke collega’s. Het is niet toevallig dat ik als vrouw dit boek over verkrachting als oorlogswapen schreef.”

Het feit dat de oorlogsjournalistiek zolang een mannenzaak was, zorgde ervoor dat er te lang veel te weinig aandacht voor verkrachting was?

“Precies. Oorlogen zijn altijd mannenzaken, net als de onderhandelingen om ze te stoppen. Daarom ook is er in vredesverdragen zo goed als nooit aandacht voor verkrachte en misbruikte vrouwelijke oorlogsslachtoffers. Vandaag wordt geen enkel vredesproces of -onderhandeling geleid door een vrouw. Meestal zijn vrouwen op die gesprekken zelfs niet toegelaten. Mannen nemen verkrachting in oorlogsomstandigheden niet ernstig. We hebben dan ook dringend nood aan vrouwelijke vredesonderhandelaars.

“Wat ook zou kunnen helpen, is een ander soort leiderschap in het westen. De vorige Amerikaanse president Donald Trump werd door 26 vrouwen van ongewenste intimiteiten beschuldigd, inclusief verkrachting. Als de belangrijkste man in het Witte Huis zelf een seksueel roofdier blijkt te zijn, wordt het heel moeilijk om vanuit het westen verkrachting als oorlogswapen aan te pakken. Met Joe Biden is er hoop op een nieuwe wind. Misschien slaagt hij erin van Amerika terug een voorbeeld voor de wereld te maken.”

Ook de nieuwe president wordt van verkrachting beschuldigd. Biden ontkent, maar het verhaal van de vrouw die beweert zijn slachtoffer te zijn, is niet op los zand gebouwd.

“Er is ook nog vice-president Kamala Harris. Als aanklager in Californië schonk zij veel aandacht aan verkrachting. Ze was toen erg doordrongen van de noodzaak aan gerechtigheid voor de slachtoffers van seksueel geweld. Misschien is het inderdaad beter om onze hoop in de eerste plaats op haar te richten.”

Na #MeToo in 2017 kwam er bij ons eindelijk meer aandacht voor seksueel geweld?

“U zegt het juist: bij óns, want die aandacht is er niet voor wat er zich in oorlogsgebied afspeelt. Begrijp me niet verkeerd, ik ben heel blij met #MeToo. Heel wat zaken die ik vroeger als jonge journalist van 21 als ‘normaal’ beschouwde, zijn nu totaal onaanvaardbaar. Ik begon als stagiaire bij de zender Central TV in Birmingham. De nieuwsdienst was een echte mannenclub die heel sceptisch stond tegenover jonge vrouwelijke journalisten. Vrouwen mochten enkel programma’s aankondigen. Ik kwam recht van de universiteit en elke keer als ik de nieuwsstudio binnenstapte, trok de hoofdredacteur zijn broek naar beneden om me zijn blote kont te tonen.”

Pardon?

“Jawel. Elke keer opnieuw toonde hij me zijn achterwerk. Het was mijn eerste job en ik durfde niets tegen die kerel te zeggen. Hij was immers mijn baas. Nu weet ik dat ik toen mijn mond had moeten opentrekken.”

In de zomer van 2016 ontmoette u in een vluchtelingenkamp op een Grieks eiland verschillende Jezidi-meisjes die door IS als sekslaaf waren misbruikt. U werd zich toen voor het eerst erg bewust van seksueel misbruik als oorlogswapen?

“Die ontmoetingen legden de basis voor dit boek, maar halverwege de jaren negentig werd ik al eens met verkrachting als oorlogswapen geconfronteerd toen ik in Bosnië was. In 75 kampen werden toen tussen de 20.000 en 50.000 vrouwen door Servische militairen en paramilitairen systematisch verkracht. Dat zorgde voor grote verontwaardiging in de internationale gemeenschap. Want hoe was het in godsnaam mogelijk dat zoiets zich eind 20e eeuw nog in het hart van Europa kon afspelen? Maar de verontwaardiging ebde weg, tot ik een kwart eeuw later die Jezidi-meisjes op het Griekse eiland Leros ontmoette. Ze verbleven er in een tot vluchtelingenkamp vertimmerd oud krankzinnigengesticht, op een stoffige zaal met roestige bedden. Het beeld van die diep verstoorde, gehavende meisjes is voor altijd op mijn netvlies gebrand.

“Tijdens onze allereerste ontmoeting wist ik niet wat hen was overkomen. Ze zagen er lief, mooi, onschuldig uit. Tot ze begonnen te vertellen over hoe hun vaders en broers gedood werden door IS. En over hoe zij ontvoerd werden en op een tot slavenmarkt vertimmerde oude cinemazaal in Mosul voor twintig euro werden verkocht aan IS-strijders. De jonge vrouwen werden eerst opgedeeld in ‘lelijk’ en ‘knap’ en vervolgens als seksslaven verhandeld. Ik had nog nooit zo’n afschuwelijke verhalen gehoord.”

Rond dezelfde tijd reisde u naar het noordoosten van Nigeria, naar Chibok waar Boko Haram op 14 april 2014 200 schoolmeisjes ontvoerde.

“Ik sprak met ouders, broers en zussen en ontdekte dat Chibok maar het topje van de ijsberg was. Tienduizenden meisjes bleken in dat deel van Nigeria ontvoerd te zijn om als seksslavin misbruikt te worden.

“In augustus 2017 stroomden vanuit Myanmar de Rohingya-vluchtelingen Bangladesh binnen. Ik reisde ernaartoe om verslag uit te brengen voor de krant. Opnieuw hoorde ik afschuwelijke verhalen van gevluchte Rohingya-vrouwen, slachtoffers van groepsverkrachtingen door soldaten.

“In twee jaar tijd kreeg ik een vloedgolf aan gelijkaardige gruwelverhalen te verwerken. Ik wou begrijpen wat er aan de hand is, waarom er nu door strijders, krijgers en soldaten van allerlei pluimage op zo’n grote schaal verkracht wordt. Ook daarom schreef ik dit boek.”

En vond u verklaringen?

“Eén van de voornaamste redenen is dat verkrachting gruwelijk efficiënt en spotgoedkoop is. Een van de vrouwen zei: ‘Verkrachten kost minder dan de kogels voor hun machinegeweer.’ Het is heel handig voor wie een gebied van de vijand wil ‘zuiveren’. Door de vrouwen te verkrachten, wordt een heldere boodschap naar de mannen gestuurd: ‘Jullie slagen er niet eens in jullie vrouwen te beschermen.’ Zo voelt de tegenpartij zich impotent.

“Een andere reden is dat de aard van de oorlog wezenlijk veranderd is. Zowat alle oorlogen van de laatste jaren worden niet langer tussen staten uitgevochten. De Eerste en de Tweede Wereldoorlog waren ‘overzichtelijk’: officiële legers van natiestaten gingen met elkaar in de clinch. In theorie hielden zij zich aan een aantal internationale afspraken, zoals de Conventies van Genève. Maar rebellenlegers, privémilities, terreurgroepen en ideologisch aangedreven milities trekken zich daar niets van aan. Zowat alle strijdgewoel waar ik de voorbije jaren als journalist verslag over uitbracht, vond niet plaats op een afgebakend slagveld, maar in burgergebied, in dorpen en steden. Er vallen nu veel meer slachtoffers onder burgers dan onder militairen. De drempel ligt nu ook lager dan ooit om burgers te terroriseren. Daar komt bij dat de straffeloosheid zeer groot is: de kans dat verkrachtende strijders ooit voor justitie verantwoording moeten afleggen, is miniem. Het handvol succesvolle vervolgingen zijn de uitzonderingen en niet de regel.”

Vanuit België vertrokken nogal wat jonge mannen die hier geboren en getogen zijn naar Syrië en Irak om zich aan te sluiten bij IS. Ze stapten probleemloos mee in de IS-ideologie en kochten ook hun seksslaven op de markt van Mosul.

“Nog eigenaardiger is dat ook veel meisjes en vrouwen die in Engeland of België geboren en getogen zijn, vol overtuiging mee stapten in dat verhaal. Daar begrijp ik helemaal niets van. Veel van die vrouwen geven nu interviews waarin ze beweren dat ze bij hun vertrek geen flauw idee hadden waarin ze zouden belanden. Terwijl ze in volle IS-glorietijd nooit onder stoelen of banken staken waar ze mee bezig waren. Daar is beeldmateriaal genoeg van; de gruwel was een vast onderdeel van de propaganda. Ik kan maar moeilijk geloven dat ze erin geluisd zijn, zoals ze ons proberen wijsmaken. Veel Jezidi-meisjes vertelden me dat ze zeer wreed behandeld werden door de IS-vrouwen. Ik ken slechts een paar gevallen waarin IS-vrouwen een Jezidi-meisje hielpen ontsnappen. Meestal waren ze medeplichtig.”

Komt verkrachting van mannen ook vaak voor?

“Minder, maar het is nóg een groter taboe dan vrouwenverkrachting. Rond het verkrachten van vrouwen in oorlogen hangt stilte; het verkrachten van mannen is één grote, zwarte leegte.

“Het gebeurt in de door Assad gecontroleerde gevangenissen in Syrië. Volgens mensenrechtenorganisaties wordt 80 % van de mannen in die gevangenissen seksueel misbruikt. In het rapport We keep it in our hearts van 2015 publiceerde het UNHCR getuigenissen van mannelijke vluchtelingen uit de gevangenissen van Assad. Jonge mannen worden er anaal verkracht met frisdrankflesjes en genitaal gemarteld met elektroshocks.

“Onlangs sprak ik iemand die 16 jaar in Guantanamo gevangen zat, zonder ooit aangeklaagd of veroordeeld te zijn. Hij werd onderworpen aan waterboarding en nog een resem andere zogenaamde ‘enhanced interrogation techniques’. Ik vroeg hem wat het ergste was dat hij had meegemaakt. Hij antwoordde: ‘Het seksueel misbruik.’ Hij vertelde me dat hij drie keer aangerand was door Amerikaanse vrouwelijke cipiers. Hij kreeg dat niet verwerkt. ‘Ze maakten me tot object’, zei hij. Hij kon geen seksuele intimiteit meer verdragen.

“Bij verkrachting en misbruik gaat het niet enkel over de fysieke aantasting van iemands integriteit, maar ook over de mentale gevolgen. Daar komt bij dat slachtoffers achteraf vaak met de vinger gewezen worden. Verkrachte vrouwen en mannen zijn soms niet meer welkom in hun eigen gemeenschap.”

Door de verkrachting krijgen ze levenslang?

“Ja. Zowat alle vrouwen die ik sprak, zeiden dat ze liever dood waren geweest. Tijdens al die gesprekken wist ik vaak niet hoe ik moest reageren, of wat ik nog kon zeggen. Veel gruwel was gewoon niet te vatten. Zoals het verhaal van dat Jezidi-meisje dat als 16-jarige als seksslavin gekocht was door een dikke IS-rechter. Elke dag bond hij haar vast op zijn bed en verkrachtte haar. ‘Op een dag bracht hij een meisje van tien mee’, vertelde ze me. Ze hoorde hoe hij dat meisje in de kamer ernaast verkrachtte. ‘Ze schreeuwde om haar moeder.’ Dat was zo afschuwelijk.”

Lopen er programma’s om de Jezidi-vrouwen te helpen bij het verwerken van hun trauma’s?

“De meesten zitten zes jaar na de gebeurtenissen nog steeds in Irak in kampen. Ze kunnen niet terug naar huis; hun dorpen zijn vernietigd. Ze worstelen met zware mentale problemen en het aantal zelfmoorden ligt hoog. In de meeste kampen is er geen psycholoog. Ze vertelden hun traumatische verhaal aan mij in de hoop dat er iets zou veranderen. Maar er gebeurde helemaal niets en ik zit met het wrange gevoel dat ik ze in de steek laat.

“De coronacrisis maakt het allemaal nog erger, want nu is er totaal geen ruimte meer in kranten en journaals voor hun verhaal. Ik ben daar niet goed van. We zijn al onze interesse kwijt in wat er buiten onze grenzen gebeurt. Covid is zowat het enige wat we nog verslaan. Mensen lijken alleen nog geïnteresseerd in wat hen hier en nu overkomt.”

De pandemie is natuurlijk zeer ingrijpend in ons dagelijks leven.

“Zeker, en ik beweer ook niet dat we er als journalisten over moeten zwijgen. Maar de oorlogen in Afghanistan, Syrië en Jemen zijn intussen niet gestopt. Al zijn we wel gestopt met erover te berichten. Er gebeuren op veel plekken vreselijke dingen; door covid verdwijnen ze integraal van de radar.”

Sommigen vergelijken de coronacrisis ook met een oorlog. Terecht?

“Mijn krant stuurt me nu naar de intensieve zorgenafdelingen van ziekenhuizen en vraagt me dan altijd om te vergelijken met mijn oorlogservaringen. Ik vind dat heel vervelend, want het is helemaal niet hetzelfde. De enige gelijkenis is misschien dat ik zowel in oorlogsomstandigheden, als op covid-afdelingen ontzettend veerkrachtige mensen ontmoet. Mensen die in slechte omstandigheden het goede doen. Als iemand ons anderhalf jaar geleden gezegd had dat alle restaurants en cafés zouden sluiten, we opgesloten in ons huis zouden zitten en enkel nog met een mondmasker de straat zouden opgaan, hadden we die man of vrouw gek verklaard. En kijk, we leven nu al bijna een jaar als gemondmaskerde kluizenaars. Wat alleen maar bewijst dat de mens zich snel aan nieuwe, benarde omstandigheden aanpast.

“Maar als buitenlandjournalist met 33 jaar ervaring op de teller ben ik nu doodongelukkig. Ik ontvang op mijn telefoon constant berichten van over de hele wereld over afschuwelijke gebeurtenissen. In mei vorig jaar was er dat vreselijke bloedbad in een kraamkliniek in het centrum van de Afghaanse hoofdstad Kaboel. Zestien moeders en verschillende pasgeboren baby’s en vroedvrouwen werden afgeslacht. Van die extreme gruweldaad werd amper verslag uitgebracht. Ik ging daarover klagen bij mijn hoofdredacteur. ‘Waarom moet corona ook dit vreselijke verhaal overwoekeren?’ Ik bleef maar zeuren, en uiteindelijk liet hij me een column schrijven over waarom we dat nieuws links lieten liggen. Maar de feiten verslaan, dat kon niet.”

Christina Lamb, Ons lichaam, jullie slagveld, Ambo/Anthos, 432 blzn., 25,99 euro, verschijnt op 1 maart

Bio

Christina Lamb

  • Geboren op 5 mei 1965
  • Chef buitenland voor The Sunday Times
  • Studeerde filosofie, politicologie en economie aan de universiteit van Oxford
  • Overleefde in 2006 in Afghanistan ternauwernood een hinderlaag van de Taliban
  • Auteur van o.a. Ik ben Malala (2013) en Het meisje uit Aleppo (2016)

(c) Jan Stevens

Sponsored Post Learn from the experts: Create a successful blog with our brand new courseThe WordPress.com Blog

Are you new to blogging, and do you want step-by-step guidance on how to publish and grow your blog? Learn more about our new Blogging for Beginners course and get 50% off through December 10th.

WordPress.com is excited to announce our newest offering: a course just for beginning bloggers where you’ll learn everything you need to know about blogging from the most trusted experts in the industry. We have helped millions of blogs get up and running, we know what works, and we want you to to know everything we know. This course provides all the fundamental skills and inspiration you need to get your blog started, an interactive community forum, and content updated annually.

‘De groeiende ongelijkheid in de wereld is het meest verontrustende’

Een ramp verhoogt de samenhang in een gemeenschap. Dat stelde de Britse econoom Richard Davies vast op zijn reis langs ‘extreme economieën’. “Onze veerkracht helpt ons na grote tegenslagen weer overeind te krabbelen. Alleen hebben we dat niet door op het moment dat we diep in de shit zitten, zoals in deze coronacrisis.”

Richard Davies wou te weten komen hoe de economie gedijt in extreme omstandigheden. Hij reisde daarom de wereld rond en bezocht onder andere het door de tsunami geteisterde Atjeh in Indonesië, het grootste vluchtelingenkamp ter wereld in Jordanië, de vooral door bejaarden bewoonde regio Akita in Japan en de door ongelijkheid verscheurde Chileense hoofdstad Santiago. Op het einde van de trip stond er 150.000 kilometer op de teller.

“Bij de start van mijn onderzoek maakte ik me zorgen”, zegt hij. “Ik vroeg me af of het wel gepast was om mensen in penibele leefomstandigheden lastig te vallen met vragen over hun economische toestand. Tot mijn grote verrassing vonden ze dat allemaal fantastisch. Ze deelden enthousiast hun hele leven met me.”

Zijn ervaringen schreef Davies neer in het fascinerende boek Extreme Economies. “Het was af net voor de hele wereld door corona op haar grondvesten daverde”, zegt hij. “Velen wachten nu bang af wat het uiteindelijke effect van corona zal zijn op de economie. Misschien kunnen mijn bevindingen de angst een beetje helpen temperen. Want we hebben heel wat natuurlijke veerkracht die ons na grote tegenslagen weer overeind helpt te krabbelen. Alleen hebben we dat meestal niet door op het moment dat we diep in de shit zitten, zoals nu.”

Is dat de belangrijkste les die u trok uit uw reis naar Atjeh in Indonesië?

Richard Davies: “Toch wel. Omdat ik meer inzicht wou in de betekenis van veerkracht voor de economie, trok ik naar Atjeh en andere plekken die getroffen zijn door vreselijke rampspoed. Ik zag er hoe mensen overleven door hun eigen economische systeem te bouwen. Bijna altijd was dat een informele economie, zonder van bovenaf opgelegde regels, vaak ook zonder officiële munten, maar met zelf uitgevonden geld.

“De tsunami van 2004 was totaal onverwacht en verwoeste in één klap grote delen van Atjeh. Maar in de dagen, weken en maanden erna namen de overlevenden hun leven terug in handen. In Lampaseh, een voorstad van Banda Atjeh, sprak ik met de 52-jarige koffiehuisuitbater Sanusi. Bij de tsunami verloor hij zijn vrouw en oudste zoon. Hijzelf overleefde door in de top van een kokosboom te klimmen. Zijn zaak en huis waren totaal vernield. Het kistje met al het geld dat hij gespaard had, spoelde mee met de zee. Sanusi was compleet geruïneerd; zijn leven verwoest. Toch bleef hij niet bij de pakken zitten. Al een paar dagen na de ramp besloot hij zijn koffiehuis herop te bouwen. ‘Want dat is wie ik ben’, zei hij me. ‘Ik draag ook verantwoordelijkheid voor mijn overlevende kinderen en mijn klanten.’ Bij de lokale banken kon hij niet meer voor een lening terecht, want die waren allemaal vernietigd. Maar een klant wou hem helpen: een academicus uit Jakarta die regelmatig in Atjeh op vakantie kwam, leende hem 5 miljoen roepie of 500 euro. Vijf maanden na de ramp opende Sanusi Coffee opnieuw de deuren. Vandaag kun je er van zijn zelfgebrande koffie genieten. Het verhaal van Sanusi is niet uniek, maar illustreert de veerkracht van een individu en een gemeenschap.”

Een ramp kan de solidariteit in een samenleving opkrikken?

“Ze dwingt mensen om samen te werken aan de heropbouw. Studies tonen dat ook aan: na een grote ramp vergroot de sociale cohesie in een land. Het is dus belangrijk dat een overheid ervoor zorgt dat die spontane solidariteit onder burgers gaandeweg niet verloren gaat. Ik weet niet hoe het in België zit, maar precies dat lijkt de Britse regering tijdens deze coronacrisis niet goed begrepen te hebben. Want meteen na de eerste grote coronaschok gingen alle Britten samen in lockdown. De regels waren glashelder voor iedereen en de solidariteit was zeer groot. Tot onze bewindslui op het onzalige idee kwamen om verschillende vormen van lockdowns op te leggen aan verschillende regio’s.”

Daar kunnen toch objectieve redenen voor zijn, zoals het aantal besmettingen en ziekenhuisopnames in een regio?

“Natuurlijk. Ook vanuit puur economisch standpunt is differentiëren perfect verdedigbaar. Een stad als Manchester is nu eenmaal anders dan Londen of Liverpool. Als in één regio het virus onder controle is, kunnen daar wellicht meer bedrijven terug de deuren openen dan in een andere. Alleen is het nefast voor de sociale cohesie in het hele land. Het holt de solidariteit uit en vergroot de jaloezie en het onbegrip.”

Differentiatie verlaagt in sommige regio’s misschien ook de tol aan faillissementen?

“Ze verlaagt wellicht ook de kosten, en tóch ben ik ertegen. Want door verschillende maten en gewichten te hanteren, ondermijn je de samenhang totaal. Ik werkte vijf jaar als centrale bankier bij de Bank of England en toen dacht ik daar totaal anders over. Maar net door met bijvoorbeeld de overlevenden van de tsunami te praten, kreeg ik oog voor de cohesie in een gemeenschap en voor het grote belang van sociaal kapitaal.

“Waarom mogen mensen met een tuin in de buitenlucht meer bezoekers ontvangen dan wie geen tuin heeft? Op het eerste gezicht lijkt die maatregel oké, want in de tuin is het stukken veiliger dan in een slecht geventileerde woonkamer. In realiteit is het echter een regel die de meer vermogenden met een huis met tuin bevoordeligt tegenover armere flatbewoners. Daarom vind ik dat in deze covidtijd alle regels voor alle burgers van een land gelijk moeten zijn, anders voeden we de verdeeldheid.”

In België krijgen nogal wat bedrijven die door de coronacrisis midscheeps getroffen zijn, financiële steun van de overheid. De werknemers ontvangen een tijdelijke werkloosheidsuitkering. Zijn dat goede maatregelen of ondermijnen ze de veerkracht?

“Ik vind het goede maatregelen, want zo ondersteunt de overheid net die veerkracht. In het Verenigd Koninkrijk krijgen arme gezinnen nu een bedrag dat ze enkel en alleen kunnen spenderen aan voedsel en kledij. Ze mogen er niets anders mee aanvangen. Dat is een klassieke, maar heilloze vorm van hulpverlening. Geen enkele buitenstaander kan de echte behoeften van mensen in nood inschatten. Overlevenden van de tsunami hebben misschien helemaal geen nieuwe kleren nodig. Wat doen ze dan als ze een lading truien en broeken overhandigd krijgen? Ze verkopen die spullen zo snel mogelijk op de zwarte markt om vervolgens met dat geld hun zin te doen. Een tijdelijk gedeeltelijk vervangingsinkomen na een ramp of in een acute crisis, is een uitstekende zaak, zolang mensen vrij blijven om het geld te spenderen zoals zij dat willen. Want zij kennen hun eigen situatie het beste en weten wat ze nodig hebben.

“Het vluchtelingenkamp Zaatari in Jordanië is met 200.000 Syrische vluchtelingen het grootste ter wereld. Er bloeit een informele economie met meer dan 3000 winkels, eetstalletjes en kappers. De internationale organisatie die het kamp runt, vindt dat maar niets. Ze zou veel liever hebben dat de inwoners enkel inkopen doen in de officiële supermarkten vol noodzakelijke, verantwoorde producten. Ondernemende vluchtelingen slaan daar ook goederen in, maar verkopen die vervolgens door op de zwarte markt, net als de tsunami-overlevenden. Met dat geld kopen ze ‘onverantwoorde’ maar zeer gewilde producten die ze in hun winkeltjes doorverkopen aan medekampbewoners.”

Worden veel van die informele economieën niet heel snel gedomineerd door afzetters en ritselaars?

“U onderschat het belang van het begrip ‘reputatie’. Veel mensen die op een informele manier in een vluchtelingenkamp handel beginnen drijven, worden zich snel bewust van hoe belangrijk het is een goede reputatie te hebben. Als andere kampbewoners hen niet vertrouwen, moeten ze hun handeltje snel opdoeken.

“Hulporganisaties houden niet van spontaan gegroeide informele economieën. Ik vind dat een grote vergissing. In elk nieuw vluchtelingenkamp groeien vanzelf voedselmarkten. Die worden best met rust gelaten, want al sinds het ontstaan van de beschaving verhandelen mensen voedsel. Ze weten goed genoeg wat er gezond is en wat niet. Toch willen die hulporganisaties zich altijd bemoeien en regels opleggen. Dat werkt volstrekt contraproductief. Al wil dat niet zeggen dat organisaties of overheden nooit mogen ingrijpen. In Zuid-Amerika zag ik de door illegale houtkap veroorzaakte ecologische rampen. Dat soort van praktijken moet zeer streng bestraft worden. Maar sommige markten verdienen de totale vrijheid. Ik denk dan aan voedsel, maar ook aan softdrugs. Wapenhandel moet dan weer totaal verboden worden.”

U noemt zichzelf een volgeling van de 17e-eeuwse Londense arts-anatoom William Harvey en de 19e-eeuwse Schotse ingenieur David Kirkaldy. Net als u waren ze gefascineerd door het extreme?

“Ja, en met hun fascinatie veranderden ze de koers van de wetenschap. Harvey geloofde dat extreme experimenten tot veel meer inzicht leiden dan braaf onderzoek. Hij kleurde als anatoom en arts voortdurend buiten de lijnen, en ontdekte zo de menselijke bloedsomloop. Dankzij bizarre onderzoeken van mens en dier kwam hij erachter dat ons hart het orgaan is dat bloed door het hele lichaam pompt én dat onze bloedsomloop een gesloten systeem is. Harvey’s tijdgenoten lachten hem uit, ze vonden zijn theorieën onzin, maar jaren later bleken ze te kloppen als een bus.

“David Kirkaldy was als ingenieur gespecialiseerd in de studie van druk op metalen. Hij geloofde dat het meeste vooruitgang geboekt kon worden uit onderzoek van de grootste rampen. In 1879 stortte in Schotland tijdens een storm een monumentale ijzeren spoorwegbrug in waarbij tientallen treinpassagiers het leven lieten. Kirkaldy werd erbij gehaald en dankzij zijn microscopisch onderzoek van honderden stukken ijzer werden de volgende generaties metalen spoorwegbruggen veel veiliger constructies.”

William Harvey en David Kirkaldy zijn vandaag geen klinkende namen meer.

“Dat is doodjammer, want Harvey is wellicht even belangrijk als Isaac Newton. Ik maakte kennis met leven en werk van Harvey toen ik geneeskunde studeerde. Halverwege die studies stapte ik over naar economie, maar de man is me altijd blijven fascineren.

“In 1928 blikte de Britse econoom John Maynard Keynes in The economic possibilities for our grandchildren vooruit hoe de wereld er zou uitzien in 2028. Hij ontwikkelde daarvoor zijn eigen methode. Eerst moet je volgens Keynes op zoek naar die trends in de samenleving die door veel mensen algemeen aanvaard zijn en nog heel lang gevolgd zullen worden. Om de toekomst te kunnen voorspellen, moet je vervolgens die levens onder de loep nemen van de mensen die zich op de meest extreme uiteinden van de trends bevinden. Volgens Keynes waren de langdurige tendenzen van 1928 de verhoging van de materiële welvaart en de vermindering van de arbeidstijd. Om te weten te komen hoe het er binnen honderd jaar aan toe zou gaan, moest dus volgens hem onderzocht worden hoe het tijdgenoten met de grootst mogelijke materiële welvaart en met de meeste vrije tijd verging. De mensen die aan de extremen van de tendenzen leefden, noemde Keynes ‘de voorhoede’. Moderne economen focussen zich zo goed als allemaal op de ‘homo economicus’, de gemiddelde mens, en vragen zich af wat het effect van een maatregel op hem is. Terwijl ik het interessanter vind om te onderzoeken hoe mensen reageren in zeer extreme omstandigheden.”

Omdat wij daar lessen uit kunnen trekken voor ons dagelijkse bestaan?

“Ja, en omdat we ons zo ook beter kunnen voorbereiden op de toekomst. Daarom ging ik na mijn uitstappen naar rampgebieden op zoek naar ‘de voorhoede’ van onze tijd. In de geest van Keynes zocht ik eerst die tendenzen die al een tijd bezig zijn en waarvan de impact alleen maar zal vergroten. Ik kwam uit bij vergrijzing, digitalisering en ongelijkheid. Die drie trends zullen onze economie in de toekomst zwaar op de proef stellen. Om die toekomst beter te doorgronden, moest ik dus die plekken gaan bezoeken waar ze op dit moment al extreem aanwezig zijn.”

Uw zoektocht naar een plek waar vergrijzing extreem toeslaat, bracht u naar Akita, een departement in het noordwesten van Japan.

“In Akita is meer dan de helft van de bevolking ouder dan 50 en meer dan een derde ouder dan 65. In de gelijknamige hoofdstad Akita zijn de treinbestuurders, loketbedienden, winkelende mensen, obers en taxichauffeurs allemaal grijs en oud. De gemiddelde leeftijd is er 53 (de gemiddelde leeftijd van de Belgische bevolking is 41 -J.S.).

“We zijn er ons allemaal van bewust dat de vergrijzing onstopbaar is. Het overkomt ons allemaal, voor de ene wat sneller dan de andere, maar de gestaag voortschrijdende tijd is onverbiddelijk. Vergrijzing is een collectieve schok die voor relatief nieuwe belangrijke debatten over betaalbare pensioenen en ouderenzorg zorgt. Maar vergrijzing heeft ook een compleet nieuwe markt doen ontstaan. Ik onmoette in Japan veel jonge mensen die een start-up runden gespecialiseerd in nieuwe hulpmiddelen voor bejaarden.”

Zoals?

“Gesofisticeerde golfclubs waarmee je makkelijker het balletje kan raken, speciale schoenen die de pijn in de heupen verzachten, computerspelletjes voor ouderlingen, gezelschapsrobots, makkelijker kauwbaar voedsel… de vergrijzingsindustrie is in heel Japan booming business.”

Om de digitale revolutie beter te doorgronden, reisde u naar Talinn, de hoofdstad van Estland.

“Ik onderzocht daar de gevolgen van de digitale technologie in de vorm van automatisering en machine learning, computeralgoritmes die zelfstandig bijleren door de input van data. Ik focuste me op de overheidsadministratie. In Estland wordt zowat àlles geautomatiseerd en verloopt zo goed als alles online. Zonder scrupules zetten ze er webcams en gezichtsherkenningssoftware in waarmee ze zelfs de emoties van de gebruikers lezen. 98 procent van de Estse overheidsdiensten is inmiddels gedigitalliseerd. De rest van de wereld zal binnen afzienbare tijd volgen. Op dit moment is in Downing Street, Londen, een kleine ploeg die totale automatisering voor Groot-Brittannië aan het voorbereiden.”

Volgens Oxford-wetenschappers Carl Frey en Michael Osborne zal door automatisering binnen twintig jaar de helft van de huidige jobs verdwenen zijn.

“Ik twijfel daaraan. Waarom zou de robotrevolutie verschillen van de industriële revolutie? Toen in 1779 James Hargreaves zijn spinmachine Spinning Jenny uitvond, werd er ook moord en brand geschreeuwd over de impact op de tewerkstelling. Want voortaan zouden een paar duizend arbeiders het werk kunnen doen van miljoenen thuiswevende ambachtslui. Maar in plaats van werk te vernietigen, creëerden al die Spinning Jenny’s juist extra werk. De weefindustrie werd een magneet voor betaalde arbeid. Landbouwers die in hun vrije tijd weefden om te kunnen overleven, stopten met de boerenstiel en trokken naar de fabriek om voltijds textielarbeider te worden. Waarom zou de automatisering geen nieuwe jobs kunnen opleveren?

“Door de vergrijzing zal de nood aan robots trouwens alleen maar toenemen. Want voor sommige jobs zullen er te weinig mensen zijn.”

Automatisering zal onze samenleving sowieso ingrijpend veranderen?

“Zeker. Een van de meer kwalijke gevolgen is dat mede door de vergrijzing de digitale kloof alleen maar vergroot tussen wie wel en niet online is. In wezen komt dat neer op de kloof tussen jonge hippe stedelingen en bejaarde plattelanders, de ‘outsiders’. In Estland is die kloof vandaag gigantisch.”

U leefde een tijdje in de Chileense hoofdstad Santiago om er die andere trend, de groeiende ongelijkheid te onderzoeken.

“Van de drie trends die ik onder de loep neem, vind ik ongelijkheid de meest verontrustende. Het economische model van landen als Chili, Nigeria, Peru en Maleisië is een kopie van dat van de VS. Het is gebaseerd op het neoliberalisme van de Chicago School of Economics. De denkbeelden van Chicago-economen als Milton Friedman hebben Santiago, Lagos, Lima en Kuala Lumpur vandaag herschapen in miljoenensteden met de grootste ongelijkheid ter wereld.

“Ik kwam aan in de luchthaven van Santiago en ik zei tegen de taxichauffeur: ‘Breng me naar de stad, alsjeblieft.’ Hij vroeg: ‘Welke stad? Santiago telt vijf verschillende steden.’ Je inkomen of vermogen bepaalt in welke stad je leeft. Solidariteit, samenwerking, vertrouwen zijn er zoek. Van sociale cohesie is er geen sprake. Terwijl dat net broodnodig is in tijden van extreme crisis, of wanneer een samenleving getroffen wordt door een grote ramp. Santiago staat haaks op Atjeh of Zaatari, waar mensen sámen hun bestaan terug leefbaarder proberen maken.”

In Santiago is het ieder voor zich?

“De rijkelui uit het noorden zullen nooit afzakken naar het zuiden waar de armere dompelaars wonen. De zuiderlingen trekken enkel naar het noorden om er villa’s te gaan poetsen of weelderige gazons te maaien. De ongelijkheid is stuitend en burgers haten elkaar. De straten van Santiago waren de voorbije maanden niet voor niets het decor voor rellen. Die groeiende ongelijkheid in de wereld is iets om ons écht grote zorgen over te maken.”

Richard Davies, Extreme economies, Black Swan, 416 blzn. 11,95 euro

Bio

Richard Davies

  • Studeerde filosofie en economie in Oxford en aan de London School of Economics
  • Werkte van 2006 tot 2012 als economist bij de Bank of England
  • Was van 2012 tot 2015 journalist economie bij The Economist
  • Was van 2015 tot 2016 economisch adviseur van de voormalige conservatieve minister van Financiën George Osborne
  • Is professor economie aan de London School of Economics en aan de universiteiten van Londen en Bristol

(c) Jan Stevens

‘Het regime in Wit-Rusland is ten dode opgeschreven’

Op 9 augustus 2020 kwamen de Wit-Russen in opstand tegen de zesde ‘verkiezing’ van Aleksandr Loekasjenko tot president. Een half jaar later zitten duizenden actievoerders in de cel en houdt de laatste dictator van Europa de teugels stevig in handen. ‘Wit-Rusland is de Sovjet-Unie op sterk water.’

Op de zonovergoten ochtend van zondag 9 augustus 2020 slenterde tv-maker Christophe Brackx (50) samen met de Wit-Russische jonge vrouw Valentina door de straten van Minsk. Het was de dag van de presidentsverkiezingen: de Wit-Russen konden stemmen op ofwel zittend president Aleksandr Loekasjenko, ofwel de belangrijkste oppositiekandidaat Svetlana Tichanovskaja ofwel een paar mindere goden. “Ik had daarvoor al veel bezoeken aan Wit-Rusland gebracht”, zegt Brackx. “Ik ben gefascineerd door Oost-Europa en enkele jaren geleden ontdekte ik via Valentina Wit-Rusland. Ik bezocht haar en haar vrienden regelmatig in Minsk. In het begin had ik niet door in wat voor een dictatuur ze leefden, ook al was ik in heel wat dictaturen geweest. Midden jaren 80 kwam ik voor het eerst in Moskou, en toen werd er gefluisterd dat de KGB ons continu volgde. In het modern ogende Minsk voelde ik me helemaal niet bespioneerd. Gaandeweg vertelden mijn Wit-Russische vrienden over het gebrek aan vrijheid. Toch bleef ik Wit-Rusland beschouwen als een ‘softe dictatuur’. Tot die avond van de verkiezingen: toen vielen de schellen van mijn ogen.”

In zijn boek De laatste dictator in Europa brengt Christophe Brackx naast de recente geschiedenis van Wit-Rusland, een uitvoerig gedocumenteerd ooggetuigenverslag van de opstand die volgde na de verkiezingen van 9 augustus. “Vijf dagen eerder was ik aangekomen in Minsk. Die zondagavond laat zat ik samen met vrienden in een appartement toen Lydia Yarmoshyna, de voorzitster van de kiescommissie, stralend op tv aankondigde dat Aleksandr Loekasjenko gewonnen had met meer dan 80 % van de stemmen. Het werd direct muisstil in de kamer.”

Een kwartier later begonnen de rellen. “We hoorden getoeter van auto’s, gegil, ontploffingen en schoten. We besloten de straat op te gaan. Valentina waarschuwde me: ‘Als wij roepen dat je moet rennen, ren je. Want het gevaar komt niet alleen van de geüniformeerde oproerpolitie OMON. Er zijn ook nog de tikhari, Loekasjenko’s niet-geüniformeerde knokploegen. Zij houden zich aan geen enkele wet en slaan je verrot.’ Ik zag de OMON-agenten chargeren, en besefte: zij takelen de demonstranten toe zoals in een harde dictatuur. Niet veel later kwamen al die vreselijke verhalen over martelingen en verkrachtingen naar buiten.”

Christophe Brackx bleef tot dinsdag, 11 augustus, tussen de demonstranten in Minsk. “Die 48 uur beleefde ik als in een roes. We sliepen amper en moesten ons vaak verschuilen. Valentina probeerde vermiste medestanders terug te vinden; ik volgde in haar kielzog.”

Brackx was één van de weinige westerse ooggetuigen. “Ik ging undercover en droeg geen pershesje”, zegt hij. “Ik ontmoette één Spaanse journalist. Een als journalist herkenbare Zwitserse vrouw met Wit-Russische roots werd neergeschoten met een rubberkogel. Ook een Amerikaan van Wit-Russische origine werd zwaar toegetakeld. Op een bepaald moment zette de OMON gericht de jacht op journalisten in. Ik heb toen een vlucht naar Warschau geboekt en ben vertrokken.”

Een half jaar later zit Aleksandr Loekasjenko alias de laatste dictator van Europa nog steeds in het zadel. Eind januari publiceerde Amnesty International (AI) haar rapport Belarus: ‘You are not human beings’. De internationale mensenrechtenorganisatie brengt daarin in kaart hoe sinds 9 augustus in Wit-Rusland duizenden mensen door de ordediensten willekeurig worden opgepakt, gefolterd en soms gedood. In de vier dagen na de verkiezing verdwenen volgens AI 6.700 mensen achter de tralies. In de maanden erna volgden nog duizenden arrestaties. 900 slachtoffers dienden formeel klacht in bij de Wit-Russische overheid. Tot hiertoe is er geen enkele onderzocht.

Jan Stasuk (33) kent de gevangenissen van Loekasjenko van binnenuit. Bij zijn eerste arrestatie was hij amper 15. Tijdens een protestactie in zijn geboortestad Brest droeg hij op straat een spandoek met de slogan: ‘Music against racism’. “Dat was mijn enige ‘misdaad’”, zegt hij. “Ze namen mijn vingerafdrukken en sloten me zes uur lang op. Mijn ouders werden niet ingelicht. Ik besefte: er is iets grondig mis in dit land.”

Stasuk was mensenrechtenactivist voor Amnesty International, het Helsinki Comittee for Human Rights en Human Rights Watch. “Talloze keren werd ik gearresteerd en soms mishandeld. Ik stond op de barricaden tijdens het protest tegen de vervalste presidentsverkiezingen van 2006. Met als gevolg dat ik op geen enkele universiteit in Wit-Rusland nog welkom was. Ik wou graag geschiedenis studeren, maar raakte nergens ingeschreven. Dus week ik uit naar Rzeszów in Polen, waar ik mijn diploma haalde.”

Vier jaar geleden vluchtte Jan Stasuk naar België waar hij politiek asiel kreeg. Over de aanleiding voor zijn vlucht wil hij niets kwijt. “Dan breng ik medestanders in Wit-Rusland in gevaar. Ik zet de strijd tegen Loekasjenko verder via sociale media.”

Jan Stasuk is erg onder de indruk van het aanhoudende protest tegen de dictator. “Ik had nooit verwacht dat zoveel mensen op straat zouden durven komen. Nog steeds protesteren ze elke zondag vreedzaam, ook al gedragen de OMON-agenten zich als SS’ers. Want zij hullen zich in sportkledij, infiltreren de betogingen en slaan ongewapende, vreedzame betogers in elkaar. Ze gaan zelfs argeloze voorbijgangers te lijf. De dictator en zijn kliek zijn bang om hun macht te verliezen, vandaar de meedogenloze repressie.”

Stasuk vindt dat de internationale gemeenschap zijn landgenoten in de steek laat. “De grote baas van de internationale ijshockeybond IFH René Fasel ging vijf weken geleden nog bij Loekasjenko op de koffie. Ze knuffelden elkaar en namen selfies alsof ze de beste vrienden zijn. Fasel zegde zijn volle steun aan Loekasjenko toe voor de organisatie van het WK ijshockey. Op dat moment zaten honderden mensen zonder vorm van proces gevangen. Pas twee weken geleden, nadat hoofdsponsor Skoda zich terugtrok, kondigde het IHF aan dat Wit-Rusland het wereldkampioenschap toch niet mocht organiseren. Een half jaar keiharde repressie maakte geen indruk op de organisatie. Alleen de taal van het grote geld bracht hen tot inzicht.”

Eugenia Andreyuk (31) nam eind augustus één keer deel aan een zondagse betoging in Minsk. “Ik was op bezoek bij mijn familie. Het was indrukwekkend om al die gewone Wit-Russen zo waardig door de straten van de hoofdstad te zien protesteren. Duizenden mensen die vóór 9 augustus nooit politiek actief waren, kwamen nu op straat. De politie stelde zich vrij terughoudend op en regelde het verkeer. Maar dat is radicaal veranderd: nu ontbinden ze al hun duivels. De laatste maand gaat de repressie in overdrive. Op 22 december 2020 werd het bestuur van de Press Club Belarus in Minsk aangehouden. Stichter en voorzitster Julia Slutskaya werd samen met haar directieleden door het regime van financieel gesjoemel beschuldigd. De Press Club was na 9 augustus uitgegroeid tot dé ontmoetingsplaats voor journalisten en burgers. Slutskaya en co. werden beschuldigd van het betalen van boetes van opgepakte journalisten. Een andere beschuldiging luidde dat ze ook de honoraria betaalden van de advocaten van die journalisten. De journalistenbond wordt dus door het regime vervolgd omdat ze haar leden bijstaat. Ook mensenrechtenorganisaties en NGO’s worden op exact dezelfde manier aangepakt. Het doel is de hele burgermaatschappij op de knieën krijgen.”

Eugenia Andreyuk woont sinds vorig jaar in Brussel waar ze als jurist aan de slag is voor de Russische mensenrechtenorganisatie Memorial. Net als Stasuk is zij geboren in Brest. “Mijn ouders leven er nu nog. Op mijn achttiende verhuisde ik naar Minsk, om er aan de universiteit te gaan studeren.”

Was Eugenia er zich tijdens haar jeugd van bewust dat ze in de laatste dictatuur van Europa leefde? “Zeker. Als jonge tiener was ik al geïnteresseerd in politiek. In 2006 zwaaide ik af aan de middelbare school en in datzelfde jaar waren er presidentsverkiezingen. Loekasjenko won met 82,5 % van de stemmen. Natuurlijk waren ook die vervalst en jonge mensen bouwden een protestkamp in het centrum van Minsk. Na een paar dagen werd dat kamp door de politie brutaal opgebroken. Veel jongeren belandden in de cel. Er werd een brief van een meisje van mijn leeftijd naar buiten gesmokkeld waarin ze beschreef hoe ze gemarteld werd. Ik was zwaar onder de indruk: ik besloot jurist te worden en me te specialiseren in mensenrechten.”

Na haar rechtenstudies werkte Eugenia Andreyuk in Minsk bij een NGO als advocaat voor vluchtelingen en asielzoekers. “Vooral Oekraïners en Afghanen. Ik kwam in contact met verschillende ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Ik kreeg de indruk dat sommigen onder hen heel normale mensen waren.” Tot ze zag hoe betogers in Minsk aangepakt werden tijdens protesten tegen de uitslag van de presidentsverkiezingen van 2010. “Toen besefte ik dat al die ‘normale ambtenaren’ ooit bewust ervoor gekozen hadden te collaboreren met het regime. In de dagelijkse omgang waren ze dan misschien geen monsters; ze maakten het wel mee mogelijk dat opposanten en mensenrechtenactivisten vernederd en gefolterd werden in de cellen van Loekasjenko.”

Volgens Eugenia Andreyuk telt Wit-Rusland minstens 100.000 ‘collaborerende’ ambtenaren. Ze maakt zich grote zorgen over hoe zij zich na de val van Loekasjenko zullen gedragen. “Ik vrees dat velen niet kunnen functioneren in een democratische rechtstaat. Die ambtenaren denken nog net als in de hoogdagen van de Sovjet-Unie. Ze volgen enkel bevelen op en nemen nooit initiatief. Als je wilt weten hoe het er tijdens het sovjetcommunisme aan toe ging, moét je Wit-Rusland bezoeken.”

Sovjet-Unie op sterk water

“Het huidige Wit-Rusland is er iets beter aan toe dan het Wit-Rusland uit mijn jeugd”, vindt schrijver Aleksandr Skorobogatov (57). “Vandaag kun je het land tenminste nog verlaten, dat was toen onmogelijk. Maar voor de rest is het huidige Wit-Rusland inderdaad de Sovjet-Unie op sterk water.”

Skorobogatov zag het levenslicht in 1963 in Grodno, een Wit-Russisch stadje niet ver van Polen en Litouwen. Na de middelbare school trok hij naar de hoofdstad Minsk, naar het theaterinstituut. Twee jaar later verhuisde hij naar Moskou, om er literatuur te gaan studeren. In 1992 verhuisde hij naar België. “Tijdens de Sovjet-Unie gebeurde er in Wit-Rusland helemaal niets: er was geen vrijheid en geen perspectief. Het was een moeras waar de mensen langzaam stierven.”

In Minsk raakte Skorobogatov bevriend met een dissident. “We voerden intense gesprekken en zo kreeg ik glimpen van hoe het er in het Westen aan toeging.”

Aleksandr Skorobogatov keerde na zijn verhuis naar België twee keer terug naar zijn geboorteland. “De laatste keer was in 2013, voor de begrafenis van mijn moeder. De volgende dag vertrok mijn nichtje terug naar Moskou en samen met mijn broer bracht ik haar naar het station van Grodno. Die plek heeft een emotionele waarde voor mij, ik had mijn fototoestel bij om er een paar foto’s te maken. Mijn moeder bezocht me af en toe in België en het station van Grodno was hét vertrekpunt voor haar reis: daar nam ze de trein naar Polen, het eerste tussenstation op weg naar haar zoon. Ik nam foto’s van ‘moeders trein’ en zag twee politieagenten passeren. Meteen kreeg ik een onaangenaam gevoel. Ik hoorde de ene tegen de andere zeggen: ‘Waarom neemt hij een foto van die trein?’ Ik voelde me teruggeslingerd in de tijd, alsof ik 30 jaar in Grodno had liggen slapen en pas ontwaakt was. De agenten hielden me tegen. ‘Hebt u een vergunning om die trein te fotograferen?’ Ik legde hen uit dat mijn moeder net gestorven was en hoe belangrijk die trein voor me was, maar ze waren onverbiddelijk: ik moest alle foto’s wissen.”

Neostalinist

De Sovjet-Unie stortte in 1991 in en drie jaar later kwam Aleksandr Loekasjenko in Wit-Rusland op democratische wijze aan de macht. “Het is zijn enige presidentsverkiezing die waarschijnlijk niet vervalst is”, zegt Christophe Brackx. “In ’91 vielen alle Sovjetstaten uit elkaar en werd Wit-Rusland onafhankelijk. Er volgden een paar woelige jaren, met westersgezinde politici die wilden breken met de oude Sovjetpolitiek en communistische hardliners zoals Loekasjenko. Tot 1986 was Wit-Rusland de meest welvarende van alle Sovjetrepublieken. Toen kwam de kernramp in Tsjernobyl in het naburige Oekraïene, en werd Wit-Rusland plots de armste der republieken. De Wit-Russen hadden het economisch heel slecht en stelden tot hun afgrijzen vast dat zelfs het traditioneel armere Oekraïne beter boerde. Ook alle naburige Baltische staten presteerden beter. Loekasjenko speelde daar in 1994 handig op in met een van populisme doordrenkte anti-corruptieretoriek. Zo raakte hij voor het eerst verkozen. Hij koos ervoor om in de jaren erna de desastreuze gevolgen van de kernramp van Tsjernobyl voor zijn land keihard te ontkennen.”

Olga* is geboren in het voorjaar van 1986 in het zuiden van Wit-Rusland, op een boogscheut van Tsjernobyl. Op 26 april van dat jaar explodeerde Reactor 4. Urenlang waren de omwonenden onwetend over wat er aan de hand was. Jaren later hoorde Olga van vrienden dat hun vaders tot de ‘liquidators’ behoorden, de groep die meteen na de explosie eropuit gestuurd werd om de branden rond de centrale te blussen en het radioactief materiaal op te ruimen. Een paar dagen na de ramp moesten duizenden families verplicht verhuizen. Olga’s gezin niet, tot jaren later duidelijk werd dat zij geïnfecteerd was. Vandaag is Olga actief in de oppositie tegen Loekasjenko. In de week voor publicatie laat ze weten dat ze toch niet met haar naam in de krant wil. Ze wil haar familie niet in problemen brengen.

Christophe Brackx ziet gelijkenissen tussen Aleksandr Loekasjenko en Donald Trump. “Ze zijn allebei extreem narcistisch en ijdel. Alleen kon Trump enkel van totalitaire macht dromen, terwijl Loekasjenko die al ruim een kwarteeuw in de praktijk brengt. Geen enkele andere Wit-Rus mag zich ‘president’ noemen, zelfs niet de voorzitters van de voetbal- of de hockeybond.”

Brackx noemt Loekasjenko een ‘neostalinist’. “Net als rond Stalin hangt ook rond hem een personencultus. Hij is een fan van show- en schijnprocessen en produceert aan de lopende band surrealistische wetten en draconische decreten. Net als Stalin zuivert hij ook graag mensen weg. Bij voorkeur maakt hij ze monddood. In Wit-Rusland ligt het aantal vermeende kinderpornomisdadigers ontzettend hoog. De politie vindt altijd kinderporno tijdens huiszoekingen bij oppositieleden, journalisten of mensenrechtenactivisten. Sommigen worden ‘gezelfmoord’ teruggevonden of verdwijnen voorgoed. Loekasjenko maakt er na elke verkiezing een spelletje van om burgers op te sluiten als ‘pasmunt’. Wanneer Europa dan met sancties komt, laat hij ze in ruil voor versoepelingen weer vrij.”

Voor Yuliya Miadzvetskaya (30) is Aleksandr Loekasjenko een windvaan. “Het ene moment is hij voor de onafhankelijkheid van Wit-Rusland, het andere wil hij een versmelting met Rusland. Het ene moment zingt hij de lof van de oude Sovjet-Unie, het andere zingt hij de lof van de Verenigde Staten.” Miadzvetskaya is juriste en werkt als onderzoekster aan het Centre for IT & IP Law (CiTiP) van de KULeuven. Ze is geboren in Vitebsk in het noorden van Wit-Rusland en verhuisde zes jaar geleden naar België om er te studeren en te werken. Ze vat Loekasjenko’s ideologie in één woord samen: “Eigenbelang. Hij is een lege politicus zonder overtuiging, behalve zichzelf. Ik vind het verbazingwekkend dat er nog steeds Wit-Russen zijn die hem steunen.”

Witte woede

Op 19 december 2010 liet Aleksandr Loekasjenko zich voor de vierde maal tot president kronen met de stalinistische score van 80 %. Yuliya Miadsvetskaya was er getuige van hoe ook toen dezelfde avond nog het volk in Minsk op straat kwam. “Ook toen werd de demonstrerende oppositie met veel geweld uiteen geranseld”, herinnert ze zich. “Toenmalig presidentskandidaat Andrei Sannikov en zijn vrouw, de journaliste Iryna Khalip, werden gemolesteerd. Honderden journalisten, mensenrechtenactivisten en vooraanstaande intellectuelen vlogen achter de tralies.”

Na een gevangenisstraf van twee jaar kreeg Sannikov van Loekasjenko gratie. Andrei Sannikov vertrouwde de dictator voor geen haar en vluchtte meteen naar Londen waar hij politiek asiel kreeg. Tot verbazing van velen begon Loekasjenko in eigen land de teugels te vieren. Hij sloot een soort van sociaal contract met de Wit-Russische burgers. Als charismatische populist presenteerde hij zich als één van hen. “Ik zorg voor jobs, pensioenen en sociale zekerheid. In ruil vraag ik dat jullie je niet bemoeien met de politiek.” De burgerij die nooit iets anders dan het sovjetcommunisme en Loekasjenko gekend had, stemde daar vlot mee in.

“Loekasjenko verzekerde zich het voorbije decennium zo van zijn populariteit bij veel oudere burgers”, zegt Eugenia Andreyuk. “Maar mijn generatie van kritische dertigers kon hij niet om de vinger winden. De voorbije zeven jaar gaf hij meer vrijheid waardoor de IT-industrie boomde. Zo groeide er een middenklasse. Stel je daar niet té veel van voor: in vergelijking met de Belgische middenklassers zijn Wit-Russen armoezaaiers. Maar toch, het leven is voor veel ondernemende dertigers en veertigers niet langer overleven. Zij pikken de onderdrukking niet meer en voeren sinds augustus het verzet aan.”

Het coronavirus gaf Loekasjenko de genadeslag. “Zijn advies om covid te lijf te gaan met wodka en de sauna choqueerde veel Wit-Russen”, zegt Jan Stasuk. “Zijn weigering om fatsoenlijke maatregelen tegen de epidemie te nemen, maakte voor velen duidelijk dat het lot van de bevolking hem geen zier kan schelen.”

Nogal wat nieuwe middenklassers ontvluchtten inmiddels het land, waaronder verschillende vrienden van Chistophe Brackx. “Zij werken als IT-er voor Amerikaanse en Canadese bedrijven en vertrokken met hun hebben en houden naar Cyprus, Oekraïne, Polen of Litouwen. Die braindrain is trouwens al langer bezig: meer dan 630.000 mensen zwaaiden de voorbije tien jaar Wit-Rusland vaarwel. In het buitenland verdienen ze tot acht keer meer en zijn ze vrij.”

Klopt de indruk dat de opstand tegen Loekasjenko vooral geleid wordt door jonge vrouwen zoals Eugenia, Olga en Yuliya? “De Wit-Russische jonge vrouwen nemen inderdaad het voortouw in deze strijd”, knikt een zichtbaar ontroerde Jan Stasuk, terwijl hij zich met de vuist op het hart klopt. “Die eerste dagen van de opstand zag ik toch vooral mannen”, relativeert Christophe Brackx. “In het begin was slechts één op tien demonstranten een vrouw. Vervolgens kwamen vrij snel in het wit gehulde vrouwen, met bloemen en guirlandes, massaal op straat. Toen werden ze niet gearresteerd, nu wel. Wit-Rusland is een redelijk matriarchale maatschappij; het is geen toeval dat de presidentskandidaat van de oppositie een vrouw is. Loekasjenko is extreem seksistisch en heeft een zeer lage dunk van vrouwen. Door de inmiddels naar Litouwen gevluchte Svetlana Tichanovskaja naar voor te schuiven, verzekerde de oppositie zich ervan dat haar kandidatuur niet geweigerd zou worden. In de ogen van de macho-dictator stelde zij niets voor. Hij noemde haar steevast ‘dat domme meisje’.”

Een fatsoenlijk man

Een half jaar na de verkiezingen is Loekasjenko nog steeds aan de macht. Heeft hij de strijd gewonnen? “Tactisch lijkt dat inderdaad zo”, antwoordt Yuliya Miadzvetskaya. “Met zijn keiharde repressie onderdrukte hij de opstand, maar op strategisch vlak verloor hij grandioos. Zijn meedogenloze optreden leverde hem geen enkele nieuwe supporter op. Integendeel, hij verliest nu ook de gedoogsteun van de ‘onverschilligen’, van degenen die geen fan van Loekasjenko zijn en de kandidaat van de oppositie ook maar niets vonden. Jarenlang slaagde hij erin om voor veel Wit-Russische burgers een schijn van normaliteit op te houden. ‘Hij lijkt toch een fatsoenlijk man?’ Dat imago ligt aan diggelen. Zijn regime is ten dode opgeschreven, alleen weten we niet wanneer dat zal zijn. Intussen verliezen we kostbare tijd. Hoe langer Loekasjenko blijft, hoe meer hij het land in een concentratiekamp verandert. 26 jaar dictatuur zorgt voor een loodzware erfenis. De democratisch verkozen regering die na hem komt, wacht een immense taak. Ik ben bang dat de Wit-Russen teleurgesteld zullen zijn en zich later misschien zullen laten verleiden door de sirenenzang van populisten. Kijk naar wat er in Oekraïne gebeurt, of zelfs naar landen als Hongarije en Bulgarije.”

Christophe Brackx koestert weinig hoop over een snelle machtsovergang. “Loekasjenko is al lang een luis in de pels van Rusland. Zij willen liefst van hem af, want hij is allesbehalve loyaal aan het Kremlin. Tezelfdertijd is hij een prima bliksemafleider voor Vladimir Poetin. De redenering is: hoe groter de problemen en de repressie in Wit-Rusland, hoe minder aandacht voor wat Poetin uitspookt in Rusland, zeker na de arrestatie van oppositieleider Alexei Navalny.”

Brackx vreest dat het nog lang zal duren vooraleer hij zijn Wit-Russische vriendin Valentina terug in Minsk kan opzoeken. Hij maakt zich zelfs zorgen over zijn eigen veiligheid in België. “De dictator heeft een lange arm. De Wit-Russische journalist Pavel Sheremet is de laatste die een kritische biografie over Aleksandr Loekasjenko schreef. In 2016 werd hij in zijn auto opgeblazen in de Oekraïense hoofdstad Kiev.”

*Olga is een schuilnaam

Christophe Brackx, De laatste dictator in Europa – De opstand tegen Loekasjenko, Kritak, 304 blzn., 22,99 euro

(c) Jan Stevens

‘Corona is de chaperonne van de 21e eeuw’

Filosoof Jan Drost zoekt doordachte antwoorden op prangende vragen over liefde. ‘Onze huidige smetvrees kan ontsporen waarbij aanraken iets weerzinwekkends wordt.

Drie jaar geleden begon relatiefilosoof Jan Drost in de Nederlandse krant Algemeen Dagblad (AD) vragen van lezers over liefde te beantwoorden. ‘Het format van mijn rubriek dwong me tot het schrijven van teksten van slechts 200 woorden’, zegt hij. ‘In het begin werd ik daar moedeloos van. Maar na een tijd leerde ik die vastomlijnde korte vorm te waarderen. Want doordat ik me geen overgewicht aan woorden kon permitteren, kwam ik veel sneller tot de kern van de zaak.’

De meest prikkelende vragen en antwoorden bundelde hij in hét boekje voor Valentijn Waarom is het dat de liefde zo is.

Is een relatiefilosoof ook een therapeut?

Jan Drost: Meestal wordt voor dit soort van rubrieken beroep gedaan op psychologen of seksuologen. Zij geven dan vaak praktische tips en leggen minder nadruk op nadenken waarover het precies gaat. Het AD wou óók een filosoof en dat charmeerde me. Ik had altijd al veel aandacht voor het relationele mensbeeld. ‘Relatiefilosoof’ dekt dus de lading, al hadden ze me ook ‘wij-geer’ kunnen noemen. (lacht)

De vragen worden gesteld door de AD-lezers?

Drost: De meeste wel. Sommige vragen werden me via mail verzonden, of ik pikte ze op een van mijn lezingen op. Bij zowat elke vraag die me gesteld wordt, schiet spontaan door mijn hoofd: waar gaat dit in wezen over? Je zou dat de ‘beroepsmisvorming’ van de filosoof kunnen noemen. Op dezelfde manier benaderde ik al die vragen over relaties en liefde.

Mensen hanteren zelden dezelfde betekenissen voor op het eerste gezicht eenvoudige begrippen. Zo was er die vrouw die haar nakende huwelijk niet wou laten doorgaan. Ze vertelde dat ze ontdekt had dat haar verloofde ontrouw was en al lang vreemdging. Hij stelde dan weer dat hij wél trouw was gebleven, al definieerde hij die als ‘emotioneel trouw’. Hij geloofde dus echt dat hij nooit ontrouw was, ook al had hij seks met vele andere vrouwen.

Welke filosofen zijn uw leidmeesters bij het beantwoorden van die vragen over liefde?

Drost: Vroeger stond ik erg onder de invloed van Sartre en Nietzsche. Ik geloofde toen al snel dat anderen me beperken in mijn vrijheid. Vandaag weet ik dat ik niemand ben zonder andere mensen in mijn leven. Dat inzicht heb ik te danken aan Emmanuel Levinas en Aristoteles. Zij zetten de bakens uit. In deze tijden van corona komen daar ook nog de stoïcijnen bij. Zij leren me dat ik op sommige gebeurtenissen totaal geen vat heb, maar dat ik wel mijn gedachten daarover enigszins onder controle kan houden.

Sommige vragen zijn zeer rechttoe-rechtaan, zoals: ‘Mijn vriend wil niet dat ik een vibrator gebruik. Dat maakt hem onzeker.’ Hoe geeft u daar een filosofisch antwoord op?

Drost: Mijn eerste gedachte was om die vraag door te schuiven naar de seksuoloog. Maar intussen weet ik dat dat soort vragen best interessante antwoorden kan opleveren. Zo zou die afkeer van de man voor haar vibrator best wel eens een uiting kunnen zijn van zijn vrees dat hij op seksueel gebied overbodig is. Mijn advies aan haar was om de vibrator een tijdje in zijn bijzijn achterwege te laten. Tot het voor allebei duidelijk is dat er een verschil is tussen masturbatie, of tijd voor jezelf, en vrijen, of tijd voor elkaar. Dan groeit wellicht ook het besef dat het ene geen bedreiging hoeft te vormen voor het andere. Na een tijd kunnen vriend en vibrator dan misschien samengaan.

De eerste vraag die u behandelt in Waarom is het dat de liefde zo is, is misschien wel de belangrijkste: wat is liefde?

Drost: Eigenlijk wel. Veel andere vragen over iets heel specifieks als ontrouw, liefdesverdriet of jaloezie zijn in werkelijkheid terug te voeren tot die ene vraag: is het liefde wat ik hier en nu beleef? Het subjectieve antwoord zou dan kunnen zijn: dat bepaal je zelf. Maar zo eenvoudig is het meestal niet.

Voor de meeste mensen moet liefde meer zijn dan vriendschap?

Drost: Ze delen hun vriendschapsrelaties in volgens een hiërarchie, met de geliefde aan de top van de piramide. De brede basis wordt dan gevormd door veel kennissen, met daarboven een kleiner aantal vrienden, daarboven beste vrienden en naaste familie, met als kroon op het werk: die ene geliefde. Meestal toch is dat er één.

Door de geliefde helemaal bovenaan de piramide te plaatsen, wordt de verwachting van exclusiviteit gekoesterd. Ook het idee van trouw volgt daaruit, net als wederkerigheid: ‘Jij bent de enige voor mij en ik de enige voor jou.’ We vinden het niet fijn als we ontdekken dat wij niet de top van de piramide voor de ander blijken te zijn. Of als die ander ontrouw is geweest. ‘Ik moet je iets bekennen: ik heb iets met iemand gedaan wat ik alleen maar met jou zou doen.’ Dat komt keihard aan.

Volgens de filosoof Arthur Schopenhauer is vriendschap de hoogste vorm van liefde.

Drost: Mensen met een romantisch beeld van de liefde doen vriendschap inderdaad oneer aan door haar lager in de piramide te plaatsen. Met zijn prikkelende uitspraak daagt Schopenhauer ons uit meer waarde toe te kennen aan onze vriendschapsrelaties. Is het wel zo wijs om liefde en vriendschap in onze hiërarchie zo ver uit elkaar te zetten? Misschien maken we onze liefdesrelaties net duurzamer door vriendschap hoger in te schatten.

Als je wilt trouwen, moet je je volgens Schopenhauer eerst afvragen waaraan je samen de meeste tijd zal besteden. Dat zal waarschijnlijk niet vrijen zijn, maar het voeren van gesprekken. ‘Daarom trouw je best met een man of vrouw met wie je goed bevriend bent’, concludeert de filosoof.

U hebt geen hoge pet op van ons romantisch beeld van de liefde?

Drost: Neem de romantische gedachte dat de een bij wijze van spreken al van voor de geboorte toegewezen is aan de ander. Zo scheppen we voor onszelf onrealistische, torenhoge verwachtingen. Toch hou ik er ook van dat we in staat zijn om iemand als een uniek, onvervangbaar persoon te beschouwen. Niet dat we dan heiligen voor elkaar worden, maar we beginnen elkaar wel te ‘heiligen’. Die ander wordt een ‘uitverkorene’.

Dat klinkt heel bijbels.

Drost: Ja, en dat komt natuurlijk ook omdat een liefdesrelatie sowieso iets zeer bijzonders is. De liefde intensifieert je blik en je gevoelens.

Ik krijg vaak de vraag: ‘Is monogamie gedoemd te verdwijnen?’ Ik geloof dat niet, net omdat liefde zo een bijzondere vorm is van naar elkaar kijken en met elkaar omgaan.

We horen toch heel vaak dat de mens van nature niet monogaam is?

Drost: Wat wordt er bedoeld met ‘van nature’? Dat we genetisch geprogrammeerd zijn om seks met veel verschillende mensen te hebben? Ik heb het daar eerlijk gezegd moeilijk mee. Want dat zou betekenen dat alle gedrag dat in de natuur voorkomt, gerechtvaardigd is. Iets is goed omdat het zo is. ‘Ik heb een lief, toch vrij ik met elke mogelijke andere partner en dat gaat vanzelf. Daarom mag ik dat gerust blijven doen.’ Ik heb de indruk dat het zoeken naar een fundament in onze natuur vaak niet meer is dan zoeken naar een vrijbrief. Wordt stelen dan ook aanvaard zodra wetenschappelijk is aangetoond dat mensen van nature hebzuchtig zijn? Mag ik jou slaan omdat ik gewelddadig van aard ben? Mag je geliefde met iedereen de koffer induiken omdat hij of zij geile genen heeft? Het is niet omdat iemand iets doet, dat het vanzelf goed is. Het is ook niet omdat monogamie niet in onze genen zou zitten dat gevoeligheden zoals jaloezie als sneeuw voor de zon verdwijnen. We hebben altijd een keuze.

Steeds meer geliefden vinden elkaar via datingapps. Ook daar krijgt u vragen over?

Drost: Mensen willen weten hoe verstandig zo’n datingapp is als ze op zoek zijn naar een serieuze liefdesrelatie. We hebben dan allemaal de neiging om in ons datingprofiel het fraaist mogelijke beeld van onszelf te borstelen. Ook tijdens chatsessies doen we vervolgens ons uiterste best om de grappigste, slimste en knapste versie van onszelf te zijn. Dat vergroot de romantiek, maar zorgt tegelijkertijd voor een vertekend beeld. Het beste is om zo snel mogelijk in levenden lijve af te spreken als je allebei denkt dat er een match is.

Ik heb meerdere vrijgezellenavonden meegemaakt van bruiden die hun bruidegom via een datingapp leerden kennen. Ze stopten allemaal met de app zodra hun liefde begon. Een datingapp kan dus de start zijn van iets moois. Maar zo’n app kan er natuurlijk nooit voor zorgen dat je liefdesrelatie uitgroeit tot een groot succes. Het is ook geen goed idee om na de start van een nieuwe relatie in het geniep te blijven shoppen op Tinder. Samen op hetzelfde moment die app van de telefoon verwijderen, zou wel eens kunnen uitgroeien tot hét liefdesritueel van de 21e eeuw.

Werkt een datingapp ook niet erg drempelverlagend om op zoek te gaan naar iemand anders als de relatie aan het slabakken is?

Drost: Zonder twijfel. Na een lezing vertelde een vrouw me hoe ze na de zoveelste ruzie met haar man ’s avonds mokkend in bed met de rug naar elkaar toelagen. ‘Ik had mijn telefoon bij me’, zei ze. ‘Ik hield die onder het kussen en opende de datingapp Happn.’

Veel daters lijken te verwachten dat er op hun eerste afspraak meteen een vonk overslaat. Dat valt mij toch op als ik naar het datingprogramma First Dates kijk. Terwijl liefde misschien beter langzaam groeit?

Drost: Natuurlijk moet liefde groeien, maar die overslaande vonk blijft vaak onze romantische eis nummer één. Zo wordt de druk tijdens een eerste ontmoeting stevig opgevoerd.

Een goede vriend werd lang geleden van zijn sokken geblazen door een meisje. Hun eerste afspraak was voor hem als een donderslag bij heldere hemel. Het draaide op niets uit, maar hij raakte niet meer van haar hersteld en heeft sindsdien geen ander lief gehad. Hij blijft die ervaring vergeefs zoeken en maakt zichzelf zo diepongelukkig. Die ene vonk van weleer bepaalt zijn hele werkelijkheid. Hij spreekt met niemand meer dan één keer af. Het moét meteen raak zijn.

Krijgt u nu veel door de lockdown beïnvloede vragen over de liefde?

Drost: Zeker. Een van die vragen is: ‘hoe voorkom ik dat ik mijn geliefde achter het behang plak?’ (lacht) Een andere: ‘Hoe vind ik iemand in deze tijd van afstand houden en smetvrees?’ Mijn raad is: ga naar buiten, al wandelend ontmoet je misschien nieuwe mensen. Dat is exact wat er nu aan het gebeuren is. Ik woon in Amsterdam en in de straten en parken is het drukker dan ooit. Een paar vrouwen lieten me weten dat ze zich minder onveilig voelen dan vroeger. Als onbekende mannen hen nu aanspreken, is er altijd die anderhalve meter sociale afstand. De angst voor het virus zorgt ervoor dat die heren hun handen thuishouden en zich beleefd gedragen. De dames vinden dat zeer fijn. Corona wordt zo de chaperonne van de 21e eeuw.

Maar ik wil deze tijd niet romantiseren, want voor jonge mensen is het afschuwelijk. Ik doceer filosofie aan de Hogeschool van Amsterdam. Tot half december vorig jaar had ik nog het geluk dat ik om de twee weken een paar uur in een lokaal kon lesgeven aan acht studenten. Het was hun enige uitstap in de week. Toen ik die ene keer ziek was, kreeg ik het ene teleurgestelde berichtje na het andere. Heel deze toestand waarin we aanbeland zijn, zal nog zware gevolgen hebben. In onze strijd tegen dat virus laten we alle wapens los. Tezelfdertijd vergeten we dat ons lichaam niet alleen besmet kan raken, maar ook aanraking nodig heeft. Lichamelijke affectie is óók goed voor onze gezondheid.

Zal corona onze samenleving fundamenteel veranderen?

Drost: Als het van onze politici afhangt niet, want van zodra het virus bedwongen is, willen zij liefst zo snel mogelijk terug naar business as usual. Ik ben bang dat de goedkope vliegtickets ons snel opnieuw om de oren zullen vliegen. Het verwoesten van de planeet wordt gewoon hervat.

Hoopgevend is dan weer dat veel mensen goede voornemens maken. Sommigen zijn blij met de lockdown, omdat ze zo verlost zijn van de druk en rust herontdekken. Een aantal onder hen zal na de pandemie zeker een nieuw, duurzamer leven trachten op te bouwen.

Volgens de Amerikaanse viroloog Anthony Fauci schudden we best nooit nog de handen. Onze viroloog Marc Van Ranst is het daarmee eens. Zijn we nu een permanente smetvrees voor elkaar aan het ontwikkelen?

Drost: In het verleden kreeg ik af en toe wel eens een handdruk die ik liever had vermeden. (lacht) Er zijn ook heel leuke, andere manieren om elkaar te begroeten, zoals bijvoorbeeld een boeddhistische buiging. Maar het klopt inderdaad dat onze huidige smetvrees kan ontsporen waarbij aanraken iets weerzinwekkends wordt. Wij zijn ons lichaam. We moeten dat goed verzorgen, of we gaan ten onder. Het coronavirus bedreigt ons lichaam, we moeten ons dus daartegen beschermen. Alleen dreigen we nu in de val van de complete isolatie te trappen. Dat zou zeer tragisch zijn.

Mensen die elkaar in deze tijd ontmoeten en verliefd worden, staan al meteen voor een barrière als ze voor het eerst willen kussen. Die eerste zoen is niet onbelangrijk en krijgt door het virus extra waarde en betekenis. Want hij houdt nóg meer dan vroeger de belofte van exclusiviteit in. Als je ook anderen gaat zoenen, vergroot het risico dat je je pas veroverde geliefde besmet.

Die eerste zoen kan een kus des doods zijn?

Drost: Net uit angst daarvoor wordt die eerste kus vaak uitgesteld. Of de kersverse geliefden spreken af om zich eerst te laten testen. Van zodra ze allebei een negatieve uitslag hebben, mogen alle remmen los.

Wat is de meest intrigerende vraag van de voorbije drie jaar?

Drost: Vorig jaar vroeg iemand: ‘Is het gezien de klimaatcrisis nog verantwoord om kinderen te krijgen?’ Drie maanden geleden bleek dat mijn vriendin zwanger was. Ik ben daar heel blij mee, maar merk ook bij mezelf dat ik door die vraag in de war ben. Ze drukt me met de neus op de werkelijkheid, ook al wil ik dolgraag vader worden. Als iemand die vraag uitspreekt, volgen er reacties als: ‘Dat vroegen ze zich tijdens de Tweede Wereldoorlog ook af. Het kwam toen toch goed?’ Terwijl deze crisis van een totaal andere orde is. Een oorlog gaat voorbij, maar de gevolgen van de klimaatverandering bedreigen de grondvesten van ons bestaan.

Liefde voor je kinderen staat niet los van liefde voor de aarde. Daarom moet je in elk geval proberen een leven te leiden dat zowel goed is voor je kind als voor de aarde. Alleen dan zal je later je kind in de ogen kunnen kijken als het vraagt: ‘Wat heb jij gedaan om ervoor te zorgen dat er een toekomst voor ons is?’

Jan Drost

– 1975: geboren in Vroomshoop, Nederland

– 2002: studeert af in filosofie en Nederlands aan de universiteit van Amsterdam

– 2005: werkt als docent filosofie aan de Hogeschool van Amsterdam, publiceert essays en geeft lezingen over de liefde

– 2011: debuteert met Het romantisch misverstand, in 2015 gevolgd door Denken helpt en in 2017 door Als de liefde voorbij is.

– Is verbonden aan The School of Life en schrijft voor verschillende media, waaronder Algemeen DagbladNRC Handelsblad, Trouwde Volkskrant en Filosofie Magazine.

Jan Drost, Waarom is het dat de liefde zo is, Querido, 88 blzn., 10 euro

(c) Jan Stevens

‘We hebben méér chaos nodig in de politiek’

In zijn essay Alles kapot! houdt jurist en mensenrechtenlobbyist Anton Van Dyck een vurig pleidooi voor meer natiebouw. Maar eerst moeten we volgens hem na de coronacrisis collectief afrekenen met onze demonen uit het verleden. ‘Het is tijd voor een Waarheids- en Verzoeningscommissie.’

‘Jarenlang worstelde ik met mijn eigen identiteit’, zegt Anton Van Dyck. ‘Net als veel mensen vroeg ik me af: “Wie ben ik?”’

Dus begon hij een individuele zoektocht naar wat identiteit precies is. ‘Ik stootte daarbij vooral op boeken die zich aan de rechterzijde van het politieke spectrum bevinden. Zo las ik Generatie identiteit, een oorlogsverklaring aan de ‘68’ers van de jonge Oostenrijker Markus Willinger. Met dat manifest uit 2013 geldt hij als de kernideoloog van de extreemrechtse indentitaire beweging. Ik vond het zowel angstaanjagend als fascinerend. Volgens Willinger installeerden de babyboomers in West-Europa een cultuur van zelfhaat. De Soixant-Huitards zouden opzettelijk de eigen cultuur afschilderen als conservatief en barbaars en de multiculterele samenleving propageren met als ultieme doel: een grijze identiteitsloze monocultuur. Als tegenwicht pleit Willinger voor een nationale identiteit, die hij zeer expliciet linkt aan etniciteit. Met die inhoud kon ik me totaal niet vereenzelvigen.’

Ook in Over identiteit van Bart De Wever vond Van Dyck zijn gading niet. ‘Het boekje van de N-VA-voorzitter is best interessant, alleen heeft hij het eigenlijk niet over identiteit, maar over modaliteit, over de manier waarop we onze identiteit beleven.’

Anton Van Dyck besloot dan maar zelf de hand aan de ploeg te slaan en schreef Alles kapot!, een prikkelend essay over de rol van identiteit in een superdiverse samenleving. ‘In de eerste plaats wil ik een verandering op gang brengen in hoe we naar identiteit kijken’, zegt hij. ‘Maar ook hoe we met die nieuwe visie op identiteit onze samenleving en democratie kunnen versterken.’

Van Dyck werkt als mensenrechtenlobbyist in de Wetstraat voor Demens.nu, de koepelorganisatie van de Belgische vrijzinnige verenigingen. Zo brengt hij momenteel het lot van de in Iran terdoodveroordeelde VUB-gastprofessor Ahmadreza Djalali bij politici onder de aandacht.

‘Lobbyist’ is geen scheldwoord?

Anton Van Dyck: Integendeel. Elke individuele burger kan zich niet bezighouden met alle aspecten van het dagelijkse politieke beleid van een land. Het is dan ook heel normaal dat mensen zich verenigen en professionals zoals ik afvaardigen om hun belangen in de Wetstraat te verdedigen. Op voorwaarde natuurlijk dat dat in volle openheid gebeurt.

Wat vaak niet zo is?

Van Dyck: Nee, en dat is een groot probleem. Mijn organisatie was de allereerste om zich in de Kamer van Volksvertegenwoordigers te registreren als lobbygroep. Na ons volgde er geen stormloop van andere lobbyisten. Ik vermoed dat de meesten bang zijn dat hun vrijheid aan banden gelegd zal worden. Maar die registratie en bijhorende transparantie is broodnodig. Want dan komt er meteen zicht op welke politici later lobbyisten worden. Die overstap gaat nu soms snel en geruisloos en dat is niet gezond.

Zal u uw essay nu meenemen naar het parlement als u daar gaat lobbyen?

Van Dyck: Zeker. Het kan interessante discussies opleveren, zeker in de senaat. (lacht)

Want u pleit ervoor om alle senatoren te vervangen door gelote burgers?

Van Dyck: Ik ben een grote fan van David Van Reybrouck en zijn boek Tegen verkiezingen waarin hij een lans breekt voor de deliberatieve democratie. Hij wil dat het onderscheid tussen bestuurders en bestuurden vervaagt. Dat kan door willekeurig gelote burgers rechtstreeks aan het bestuur te laten deelnemen. Zo raken ze opnieuw betrokken bij wat in de eerste plaats hen aangaat. Waarom vervangen we de verkozen senatoren niet integraal door gelote burgers? Het ene deel van het parlement is dan samengesteld door willekeur en het andere door verkiezingen. Dat zou ook de chaos in de politiek ten goede komen, want we hebben net méér chaos nodig.

Hebben we in deze hectische tijd niet in de eerste plaats meer rust in de politiek nodig?

Van Dyck: Toch niet. We proberen voortdurend alles te bedaren en vast te metselen in robuuste systemen. Maar die zijn bestand tegen slechts één vorm van stress, waardoor op termijn het hele kaartenhuis dreigt ineen te storten.

In zijn boek Antifragiel stelt de Libanees-Amerikaanse wetenschapper Nassim Nicholas Taleb dat we altijd best systemen bouwen die niet fragiel zijn, die niet ineenzakken bij het eerste gebruik. Maar ‘antifragiel’ is niet hetzelfde als ‘robuust’. Een robuust systeem blijft na een klap overeind, ook al is het beschadigd, denk maar aan een aardbevingsbestendig gebouw. Onze westerse parlementaire democratie is zo’n robuust systeem. Het grote probleem van robuuste systemen is dat ze rigide zijn en zich moeilijk aanpassen aan opeenvolgende bedreigingen. Als het gedurende lange tijd te veel klappen moet incasseren, riskeert het op een bepaald moment toch in te storten. Een antifragiel systeem wordt door de constante druk net sterker. In een antifragiele democratie is er veel ruimte voor kleine crisissen in plaats van voor heel grote. Het systeem wordt zo wendbaarder en kan sneller reageren op onverwachte gebeurtenissen.

Donald Trumps ex-strateeg Steve Bannon is een groot voorstander van het creëren van maximale chaos. Hij zette de bakens uit voor Trumps verstorende, onvoorspelbare beleid. Is dat wat u voor ogen heeft?

Van Dyck: Bannon dreef de chaos en onrust heel ver, maar in essentie heeft hij gelijk. Zijn stelling is: als je een systeem wilt veranderen, moet je het eerst kapot maken. Zelf ben ik ondanks de titel van mijn essay niet zo’n fan van kapotmaken, maar ik ben er wel voorstander van om eerst alle componenten uiteen te halen, om die vervolgens weer ineen te steken.

Het robuuste Amerikaanse democratische systeem staat al jaren onder druk. Door de passage van Trump lijken we het presidentschap van Bush al te zijn vergeten, met die sinistere figuur Dick Cheney. Ook de opkomst van de Tea Party lijkt een vage herinnering. Heel die grote crisis van het systeem culmineerde de voorbije vier jaar in Donald Trump. Het uit de weg gaan van kleine crisissen leidde tot die gigantische politieke crisis.

Toen bij ons de centrumpartijen nog sterk stonden en de lakens uitdeelden, regeerde het compromis en niet de chaos.

Van Dyck: Met compromissen sluiten is niets mis. Dat lukte vroeger inderdaad beter. Maar er werd toen ook veel met de mantel der liefde bedekt. Denk maar aan de sale-and-leaseback-constructies met overheidsvastgoed om de begroting op te poetsen, of aan het Lernout & Hauspie-débacle. Politici lieten de storm overwaaien in de veronderstelling dat hij zo vanzelf voorgoed zou verdwijnen. In werkelijkheid bleef alles onderhuids gisten.

Vandaag krimpt het centrum en groeien de extremen. Dat komt ook omdat veel gematigde mensen niet meer met politiek bezig zijn. Door schandalen zoals Arco en Lernout & Hauspie hebben ze er alle interesse in verloren en haken ze af. Bij de laatste verkiezingen ging een miljoen mensen niet meer stemmen. Anderen kozen op 26 mei 2019 dan weer voor een extreme partij en staken zo hun electorale middelvinger op. Zo raakt onze representatieve democratie steeds meer in het slop. De overwinning van het Vlaams Belang legt bloot dat we veel crisissen helemaal niet achter ons hebben gelaten. Integendeel, het is de som van alle nooit verwerkte problemen uit het verleden.

U bent niet alleen voorstander van een ‘antifragiele democratie’, maar ook van een ‘antifragiele identiteit’?

Van Dyck: Identiteit is voor mij de lens waardoor ik naar de wereld kijk. Die lens wordt bepaald door de waarden die ik belangrijk acht. Mijn persoonlijke levensdoelen zijn: een goed mens zijn en gelukkig worden. Soms is het moeilijk om het evenwicht tussen die twee te vinden. Maar ze bepalen wel hoe ik als vrijzinnig humanist in het leven sta en met anderen omga.

Ik ben geboren en getogen in Dilbeek en in mijn jeugd fietste ik jaarlijks met mijn ouders de gordel rond Brussel. Dat evenement zit in mijn herinnering als een warm feest van verbondenheid, terwijl het voor anderen met een andere lens opgeslagen zit als een bijeenkomst van radicale flaminganten waar andersdenkenden niet welkom zijn.

De waarden die de lens vormen waarmee je naar de werkelijkheid kijkt, zijn dus ontzettend belangrijk. Toen ik Antifragiel van Taleb aan het lezen was, kreeg ik een soort van aha-erlebnis. Ik dacht: waarom passen we Talebs principe van antifragiliteit ook niet toe op het begrip identiteit? Want dan wordt onze lens in het vervolg misschien bepaald door antifragiele waarden, door waarden die alleen maar sterker worden als ze onder druk staan. Ik kwam dan vanzelf uit bij waarden als vrijheid, gelijkheid en solidariteit.

Misschien leidt absolute vrijheid tot een extreem individualistische samenleving, gebaseerd op de principes van het neoliberalisme?

Van Dyck: Ja, en daarom is het belangrijk dat er een wisselwerking is tussen die drie antifragiele waarden. Want als er slechts één primeert, dreigt er een vorm van radicalisering.

Wij zien identiteit nu te veel als een systeem dat robuust moet gemaakt worden om alle dreigingen het hoofd te kunnen bieden. Terwijl zo’n robuust identiteitssysteem allesbehalve opgewassen is tegen onvoorspelbare fenomenen, zoals bijvoorbeeld de exponentieel toenemende diversiteit in onze samenleving. Een antifragiele identiteit van een land wordt dan gevormd door de interactie tussen de miljoenen burgers, met elk hun eigen beleving van hun identiteit. Maar de lens waardoor ze naar de wereld kijken, wordt bepaald door die antifragiele waarden van gelijkheid, vrijheid en solidariteit.

Is het niet veel eenvoudiger om op zoek te gaan naar een grote gemene deler, een leidcultuur waar iedereen die deel van onze gemeenschap wil uitmaken zich aan kan spiegelen?

Van Dyck: Bart De Wever noemt dat in Over identiteit de ‘broncode van de samenleving’. Ik kan dat pleidooi voor een leidcultuur aan de hand van een culturele canon omwille van pragmatische overwegingen goed begrijpen. Zeker als het over taal gaat; we kunnen niet van elke loketbediende verwachten dat hij of zij een talenwonder is. Alleen is de superdiversiteit in onze samenleving inmiddels zover gevorderd dat één culturele canon niet langer volstaat. Ontzettend veel mensen hebben een verschillende culturele identiteit of combineren die zonder complexen. Sommigen voelen zich zowel Belg als Vlaming en vinden noch het ene, noch het andere slecht. Denk aan al die sportliefhebbers die met de driekleur voor de Rode Duivels supporteren en met de Vlaamse Leeuw voor een koersende flandrien. Als er dan toch met culturele canons gewerkt moet worden, kan dat best in samenspraak met de grootste culturele gemeenschappen in ons land, met vooral oog voor jonge creatievelingen.

Om eens en voorgoed komaf te maken met wat er in ons politieke bestel in het verleden misging, pleit u voor een Waarheids- en Verzoeningscommissie naar Zuid-Afrikaans model.

Van Dyck: We kunnen ontzettend veel leren van het Zuid-Afrikaanse concept van natiebouw. Negen jaar geleden verbleef ik in het kader van een uitwisselingsproject in Zuid-Afrika en die reis veranderde mijn leven. Daarvoor stelde ik me al vragen over zoiets als een nationale identiteit, maar hier in België vond ik daar geen antwoorden op. In Zuid-Afrika werd ik meteen opgenomen in een grote Zulu-familie. Ik kreeg een nieuwe naam en werd voorgesteld aan tientallen oma’s en opa’s, vaders en moeders, broers en zussen. Ze namen mij, witte jongen uit een warm Dilbeeks gezin, meteen op in hun gemeenschap. Vrij snel merkte ik hoe belangrijk het voor hen was om in hun dagelijkse leven het verleden een plaats te geven.

In de jaren negentig woedde er in Zuid-Afrika een burgeroorlog. Het is er vandaag nog steeds geen rozengeur en maneschijn, maar van een burgeroorlog is geen sprake meer. Wat toch heel opmerkelijk is, want het is alsof het land met zijn raciale spanningen in een soort van voortdurende manische depressie zit. Het ene moment gaat het heel goed en het andere heel slecht.

Ik was onder de indruk van de manier waarop de Zuid-Afrikanen in hun Waarheids- en Verzoeningscommissie met hun verleden omgingen. Na het einde van het apartheidsregime waren ze er zich erg goed van bewust dat de erfenis van dat racistische systeem de nieuwe staat kon ondermijnen. De commissie onderzocht zowel mensenrechtenschendingen van vrijheidsstrijders als van leden van het apartheidsregime. Wie bereid was om de waarheid over dat bezwaarde verleden te vertellen, kon rekenen op amnestie. Al werden niet alle misdaden met de mantel der liefde bedekt. De hoorzittingen zetten een schijnwerper op dat duistere verleden. De slachtoffers kregen eerherstel en voelden genoegdoening; de daders kregen schuldinzicht en een kans om zich in de nieuwe samenleving te integreren. De toekomst werd zo vrijer.

Onze eigen Waarheids- en Verzoeningscommissie moet ook ons land ‘bevrijden’ en resetten?

Van Dyck: Ja. De bedoeling is om daarna met een propere lei te beginnen, al is het naïef om te verwachten dat die lei brandschoon zal zijn. Dat hoeft ook niet, maar de laatste jaren liep er zoveel fout dat we ons toch moeten afvragen wat de maatschappelijke impact daarvan is. Ik denk dan aan de huidige coronacrisis, maar ook aan de financiële crisis van 2007. We verloren toen ook mensen. Nu heb ik het gevoel dat er na elke crisis opgelucht wordt ademgehaald: ‘Oef, het is voorbij. Laten we dit maar zo snel mogelijk vergeten.’

Die verzoeningscommissie wordt een vorm van collectieve therapie?

Van Dyck: Precies. Het einde van de coronacrisis is misschien het ideale moment om ze in gang te zetten. Het is niet aan mij om te bepalen hoe ver we in het verleden moeten teruggaan. Maar bijvoorbeeld de kolonisatie en de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog zouden thema’s kunnen zijn. In de nasleep van WO II maakte Europa de grootste vluchtelingencrisis uit haar geschiedenis mee. Miljoenen mensen waren toen op de dool. Ook daar is misschien nog niet de onderste steen van bovengehaald. En ook over het verloop van de repressie zijn er wellicht nog belangrijke feiten te achterhalen.

Misschien moeten we mensen ook spontaan onderwerpen laten aanleveren. Wellicht leven er onverwerkte problemen waar we geen weet van hebben.

U pleit er ook voor om in het kader van een betere natiebouw het eerste artikel van de Belgische grondwet te herschrijven.

Van Dyck: Artikel 1 stelt: ‘België is een federale staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten.’ Erg sexy is dat niet. Er staat geen woord over onze gemeenschappelijke maatschappelijke doelstellingen, het gaat enkel over de structuur van de staat. Pas vanaf artikel 7 sluipen er begrippen als ‘duurzaamheid’ en ‘sociale vooruitgang’ in. Waarom vallen we niet meteen met de deur in huis door in artikel 1 te schrijven wat voor soort samenleving we samen willen bouwen? Dat zou dan kunnen luiden als: ‘België streeft in zijn organisatie de maximale uitbouw na van de individuele vrijheid, de maatschappelijke verantwoordelijkheid en de fundamentele gelijkheid van de mens.’ Dat klinkt toch veel meer begeesterd?

Hoe hoog schat u de haalbaarheid van uw voorstellen in?

Van Dyck: Het leuke aan het schrijven van een essay is dat ik me niet hoef af te vragen of mijn voorstellen ook haalbaar zijn. Ik zal al heel blij zijn als ik er een maatschappelijk debat mee op gang kan helpen trekken. Wie weet, krijgen een paar van mijn voorstellen dan later een kans.

Bio

Anton Van Dyck

  • Geboren in 1993
  • Studeerde rechten aan de VUB
  • Directeur juridische zaken en overheidsrelaties bij Demens.nu, koepelorganisatie van de Belgische vrijzinnige verenigingen

Anton Van Dyck, Alles kapot! Pleidooi voor natiebou, VUBPress, 144 blzn., 17,50 euro

(c) Jan Stevens