Levenslang vechten tegen de haat

De Joods-Tsjechische concertpianiste Alice Herz-Sommer werd deze maand 104. Als jong meisje wandelde ze met huisvriend Franz Kafka door Praag, als jonge vrouw beleefde ze concerttriomfen en als jonge moeder werd ze gedeporteerd naar Theresienstadt. Ze verloor haar man en haar moeder in de holocaust. “Toch haat ik niemand.” Een gesprek met Kafka’s laatst levende vriendin.

Een zonnige donderdagmiddag in het residentiële Belsize Grove in het noorden van Londen. Een paar straten verder bewonderen toeristen van op Primrose Hill de skyline van Londen en liggen jonge koppeltjes op het gazon van Regent’s Park te genieten van de najaarszon. Klokslag twee bel ik aan. “Perfect op tijd”, begroet de bijna 104-jarige Alice Herz-Sommer me als ze de deur van haar eenkamerflat opent. “Je komt helemaal uit België om over mijn leven te praten? Wat is er zo speciaal aan mijn bestaan? Mijn carrière als pianiste? Er zijn honderdduizenden muzikanten in de wereld; ik ben niet de enige.” Terwijl ze thee inschenkt en koekjes voorschotelt, vraagt ze: “Hoe oud ben je? 43? Dan ben je nog een baby.”

Alice Sommers bescheidenheid siert haar, maar zij is niet zomaar ‘een van die honderdduizenden andere muzikanten’. In de jaren voor, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog wandelde ze samen met Franz Kafka door de straten van Praag, en in de twintiger jaren beleefde ze triomfen als concertpianiste. De Tweede Wereldoorlog maakte een abrupt einde aan haar carrière. Samen met haar man Leopold en hun zoontje Raphael werd ze in 1943 op transport gezet naar Theresienstadt, ‘modelgetto’ in het noorden van Tsjechië en doorvoerhaven naar vernietigingskampen als Dachau en Auschwitz. Haar man stierf in Dachau; zij en haar zoon overleefden de gruwel. In 1949 emigreerde ze naar Israël. Alice werd hoofd van het conservatorium van Jeruzalem; Raphael Sommer werd een wereldberoemd cellist met Londen als uitvalsbasis. Op haar 84e verhuisde ook Alice naar Londen. In 2001 stierf haar zoon.

Kafka
Alice Herz zag in 1903 als jongste van een tweeling het levenslicht in Praag – een stad die toen tot het Habsburgse Oostenrijk behoorde. Haar vader Friedrich Herz was fabrieksdirecteur en zeer down-to-earth. In tegenstelling tot haar moeder Sofie Schulz, die gepassioneerd was door literatuur en van ’s morgens tot ’s avonds Bach op de piano speelde. “Mijn ouders hadden geen gelukkig huwelijk”, zegt Alice. “Het was gearrangeerd. Dat was de norm in die tijd bij Joodse families. Vader was geobsedeerd door werk – nu zou hij een workaholic genoemd worden. Om zes uur ’s morgens zat hij al in zijn kantoor. In die tijd bestond er nog geen typemachine; hij schreef alles met de hand in de boeken in. Om zes uur ’s avonds kwam hij terug naar huis. Wij, de vijf kinderen, zaten dan rond de tafel, en mama gaf papa de volle laag: ‘Je had dit moeten doen. Je hebt dat verkeerd gedaan.’ Bijna elke avond maakten ze ruzie. Na afloop van hun geruzie zei ik soms: ‘Mama, je zou papa beter eens vastnemen en hem een kus geven.'”

De kinderen Herz kregen geen religieuze opvoeding. De meeste Praagse Joden hadden lak aan religie en leidden een vrijzinnig leven. Alice Herz-Sommer: “Zelfs mijn grootouders hadden het geloof al afgezworen. Een keer per jaar – op Jom Kipoer – ging mijn vader naar de synagoge. Dat was alles. Ik herinner me dat ik naar mijn moeder toe stapte en haar vroeg: ‘Wat zijn wij eigenlijk? Op school spelen we met Duitse, Tsjechische en Joodse kinderen. Zijn wij Duitsers, Tsjechen of Joden?’ ‘Ik weet het niet’, antwoordde ze.”

Alice’ oudere zus Irma werd verliefd op de filosoof Felix Weltsch. Via Weltsch leerde de familie Herz Franz Kafka kennen. “Felix bracht Franz mee naar de tennisclub”, herinnert Alice zich. “Hij was een waardeloze speler.” Franz Kafka liep de deur van de familie Herz plat. Alice Sommer: “Kafka werkte bij een verzekeringsfirma. Mijn zus Irma ergerde zich mateloos aan zijn gewoonte om zich voortdurend te verontschuldigen. Voor alles vroeg hij vergiffenis: voor zijn te laat zijn, voor zijn aanwezigheid, voor zijn afwezigheid… We maakten ons erg vrolijk over zijn geëxcuseer. Kafka was dol op mijn moeder, en hij sprak met haar over zijn geschriften. Wij als kinderen begrepen niet veel van wat hij vertelde, maar we waren erg onder de indruk. In de omgang was Franz Kafka een moeilijk man. Als je zijn verhalen leest, merk je een eigenaardige vorm van humor. Die hanteerde hij ook in zijn conversaties. Het leek wel alsof die humor hem door dit harde bestaan moest leiden. Het dagelijks leven was een zware strijd voor hem. Zijn besluiteloosheid was legendarisch. Hij kon nooit beslissen wat zijn volgende stap in het leven zou zijn. Hij twijfelde over alles en nog wat. Ik denk dat hij voortdurend worstelde met het geloof. Zijn vader was niet religieus, maar zijn moeder was ultra gelovig. Dat zorgde voor veel spanningen in het gezin Kafka. Als kind is hij getuige geweest van zwaar geruzie tussen zijn vader en moeder over haar fanatieke, orthodoxe geloof. Dat heeft Franz getekend voor de rest van zijn leven. Na de Eerste Wereldoorlog kwamen er veel orthodoxe Joden vanuit Polen naar Praag. Op een keer nam hij mijn tweelingzus en mij mee door de oude stad, en we kwamen een hele groep van die orthodoxe Joden tegen. Ik herinner me dat hij hen aansprak en hen zei: ‘Ik behoor tot jullie.'”

Anno 2007 is Alice Herz-Sommer de laatst levende mens die Kafka persoonlijk gekend heeft. “Daardoor krijg ik studenten van over de hele wereld op bezoek”, zegt ze. “Jonge mensen uit Zuid-Amerika of Japan die aan een doctoraal over Kafka werken. Ze willen weten wat voor iemand hij was, en hoe zijn relatie was met zijn latere biograaf en onze gezamenlijke vriend Max Brod. Ik heb urenlang gewandeld met Kafka. Hij vertelde mij en mijn zus dan de meest waanzinnige dierenverhalen. Maar in het algemeen was hij erg somber. Hij was een geboren pessimist. Ik hou nog altijd niet van Kafka als schrijver. Hij zag de schoonheid in het leven niet. Ja, het leven is mooi. Kijk naar buiten, naar de straten van Londen, het leven is toch fantastisch? Londen is prachtig, net als Praag.”

Discipline
Van jongs af was Alice gefascineerd door de piano. “Als kind kreeg ik aandacht als ik een stukje op de piano speelde. Ik had talent, maar talent alleen is niet voldoende als je een carrière in de muziek ambieert. De meest getalenteerde mensen halen het niet zonder discipline. Ik las graag biografieën, en leerde daaruit hoe Schubert elke dag van zeven tot twaalf zat te componeren, ook al had hij geen inspiratie. Balzac, de grote Franse schrijver, zat elke avond van 8 tot 8 uur ’s morgens achter zijn bureau te schrijven. Ik heb mezelf gedisciplineerd door piano te studeren. Ik speelde negen tot tien uur per dag. Als ik concerten had, ging ik zelfs niet slapen. Een van mijn broers was een excellente violist. Hij had een grote carrière kunnen uitbouwen, maar hij had niet zoveel energie als ik. Ik ben geboren in een tijd toen er spanningen waren tussen Tsjechen, Duitsers en Joden. Dat had zijn goede kanten. Buitengewone Joodse muzikanten zoals ik moesten gewoonweg beter zijn dan de anderen. Typisch voor Joodse mensen is dat ze willen laten zien hoe goed ze wel zijn. Ze hebben gelijk, want als je iets erg goed kunt en beheerst, is het leven gemakkelijker. Maar als je middelmatig bent, is het leven moeilijk. Zeker jonge mensen hebben het lastig als ze niet boven de middelmaat uitstijgen.”

In de twintiger jaren beleefde Alice triomf na triomf. ’s Ochtends studeerde ze vier uur piano, ’s middags gaf ze les en ’s avonds speelde ze concerten.

Chopin
In 1925 ontmoette Alice de handelsvertegenwoordiger Leopold Sommer. In het voorjaar van 1931 traden ze in het huwelijk; zes jaar later werd hun zoontje Raphael geboren. “We waren perfect gelukkig.” Aan dat geluk kwam abrupt een einde toen Hitlers troepen op 15 maart 1939 Praag binnentrokken en in het hart van de stad op de Wenzelsplatz massaal werden toegejuicht.

“We moesten de gele ster dragen, alsof het een schande was om Jood te zijn”, zegt Alice Sommer wrang. “We mochten geen telefoon of radio meer hebben, Leopold verloor zijn werk en ik mocht niet langer lesgeven aan niet-Joden. In het begin hadden we geluk dat we onze kleine flat niet moesten verlaten. Andere Joden werden naar een getto gestuurd, wij nog niet. Boven ons leefde een nazi, zijn naam was Hermann. Raphael speelde met zijn zoon. Dat kon, want tot hun zesde moesten Joodse kinderen geen ster dragen.”

Op 5 juli 1943 werd het gezin Sommer op transport naar het getto van Theresienstadt gezet. Alice Sommer: “Mijn moeder was een jaar eerder gedeporteerd. Dat was een verschrikkelijke schok voor mij. Het afscheid van haar is het grootste dieptepunt uit mijn leven. Moeder was oud, 72, ziek, en had alleen een rugzak als bagage. Op 13 juli 1942 is ze naar Theresienstadt gedeporteerd. In oktober van datzelfde jaar is ze naar het vernietigingskamp Treblinka overgebracht. Daar is ze vermoord. Na het afscheid van moeder raakte ik in een zware depressie. Ik herinner me nog als de dag van gisteren de plaats en het moment waarop de wanhoop het grootst was. 24 juli 1942. Ik was op weg naar huis en ik kon niet verder. Een innerlijke stem zei: ‘Nu kan niemand je nog helpen. Niet je man, niet de dokters, niet je fantastische kind. Je staat er helemaal alleen voor.’ Elke pianist speelt in zijn repertoire zes of zeven wonderbaarlijke etudes van Frédéric Chopin. Ik besloot om ze alle vierentwintig te leren spelen, tegen de wanhoop in. Een concert van meer dan twee uur. Wie dat kan, heeft het allerhoogste bereikt, want de etudes zijn aartsmoeilijk. Ik kwam thuis en begon te spelen, van de ochtend tot de avond. Op een keer was ik aan het spelen, en ik hoorde geklop boven mij. Ik dacht: ‘Oei, Herr Hermann maakt zich druk.’ Als Joodse mocht ik geen piano hebben. Toen ik dat gebons hoorde, stopte ik met spelen. Joden mochten slechts een half uur per dag naar de winkels gaan. De vrouw die instond voor het onderhoud van het trappenhuis bracht ons soms iets, en we waren daar blij mee. We moesten haar woekerprijzen betalen, maar dat maakte toen niet uit. En daar stond ze in het deurgat. ‘Frau Sommer, Herr Hermann vroeg me of u gedeporteerd bent, want u bent gestopt met spelen.’ Ze zei dat ik verder kon spelen, want de nazi genoot van de muziek.”

“De avond voor we naar Theresienstadt gedeporteerd werden, zaten ik en Leopold in onze verduisterde kamer. We wilden dat ons kind zijn laatste nacht thuis in een knus, warm bed doorbracht. De deur stond een beetje open, en er kwamen Tsjechen – goede vrienden van ons – binnen. Ze spraken geen woord, maar namen alles mee wat ze konden dragen, terwijl wij daar zaten. Zelfs nu kan ik dat nog altijd niet begrijpen. Diezelfde avond kwam mijnheer Hermann langs. Hij zei: ‘Mevrouw Sommer, ik hoor dat u op transport gezet zal worden. Ik wens u het allerbeste. Ik kom uit een muzikale familie en heb grote bewondering voor uw pianospel. Ik dank u voor die mooie muziek die u gespeeld hebt.’ Hij was een mens. Die Tsjechen niet.”

Theresienstadt
Theresienstadt was oorspronkelijk een garnizoensstad. Alice Sommer: “Er stonden grote barakken waar ooit soldaten gelegerd waren. De oorspronkelijke bewoners moesten er weg toen het een getto voor de Joden werd. In die kleine plaats leefden normaal 9000 zielen, onder Hitler werden er tot 300.000 Joden van over heel Europa samengebracht.”

Het getto werd bewaakt door de SS en de Tsjechische politie. Theresienstadt was een tussenstation in de doorvoer van Joden naar de vernietigingskampen. Eind 1943 gaven de nazi’s aan een onderzoekscommissie van het Internationale Rode Kruis toestemming voor een bezoek aan de stad, om de wereld te laten zien dat de Joden goed behandeld werden. Maar eerst werd er schoon schip gehouden en werd de overbevolking opgelost door het aantal transporten naar Auschwitz op te drijven. De nazi’s bouwden nepwinkels, een café, een kleuterschool en een lagere school. De huizen werden met bloemen getooid. De delegatie van het Rode Kruis tuinde er met haar ogen wijd open in. De nazi’s gaven een aantal inwoners het bevel een propagandafilm te draaien – ‘De Führer schenkt de Joden een stad’. Naderhand werden alle medewerkers aan de film op transport naar Auschwitz gezet.

De interne gang van zaken in het getto werd geregeld door een Raad van Ouderen. De Joodse leiders organiseerden het werk, regelden de voedselverdeling en de huisvesting, organiseerden concerten en toneelopvoeringen en stelden zelf de lijsten samen voor de deportaties. Alice Sommer: “Ons eten bestond ’s ochtends uit zwart water, ‘koffie’, ’s middags uit wit water, ‘soep’, en ’s avonds terug uit zwart water. Mijn zoon huilde vaak van de honger. Niet in staat zijn om je kind iets te geven, is hard voor een moeder. Twee jaar lang sliep ik met mijn zoon op een matras. Dat was goed voor hem. Hij voelde zijn moeder dichtbij. Dat gaf hem veiligheid. Hij werd geselecteerd om mee te zingen in de voorbereidingen voor de kinderopera Brundibár. Daar was ik erg blij mee, want ik wist dat er niets met hem kon gebeuren als hij daar was, en hij raakte er altijd in een goede stemming. Het was hard. We werden verplicht om concerten te spelen. Ik had vijf of zes programma’s, en er was een organisatie die dat regelde: de Freizeitgestaltung. Ik kreeg opdracht om op zondag, woensdag en vrijdag te spelen. De concerten waren in het gemeentehuis, er was plaats voor 150 mensen. Oude, vereenzaamde, hongerige mensen. En toch kwamen ze naar die concerten! Muziek was ons geestelijk voedsel. Theresienstadt was propaganda voor Hitler, maar de muziek hield ons in leven.”

Was Alice Sommer zich toen bewust van wat er met de Joden in de kampen gebeurde? “Op dat moment niet. Na een jaar in Theresienstadt, werden duizend mannen op transport gezet, waaronder mijn man. Hij wist wat hem te wachten stond, en vlak voor hij naar Dachau gevoerd werd, zei hij: ‘Probeer om hier te blijven. Luister niet als ze een oproep doen aan de achtergebleven vrouwen om hun mannen te vervoegen. Doe het niet.’ Drie dagen later werd er weer een transport van duizend mensen georganiseerd onder het motto: ‘Kinderen en vrouwen volgen hun vaders en mannen’. Iedereen wou mee. Ik bleef achter met Raphael. Leopold heeft onze levens gered. Niemand kwam terug. Mijn man stierf in Dachau. Hij stond erg dicht bij onze zoon. Het was een schok voor Raphael, toen zijn vader weg moest uit Theresien. Vanaf die dag vroeg ik me af hoe ik hem zonder haat kon laten opgroeien. Want haat brengt alleen maar haat voort. Ik wou niet dat mijn jongen de rest van zijn leven zou haten. Ik heb met Raphael nooit over Theresienstadt of over de holocaust gesproken. Natuurlijk wist hij wat er gebeurd was. Hij was als cellist erg populair in Duitsland, hij speelde er zeer veel. Hij verweet de Duitsers niets. Een paar jaar voor zijn dood heeft hij een autobiografie geschreven waarin hij me expliciet dankt dat ik hem geen haat opgelepeld heb. Nee, ik haat niet. Ik heb nooit een woord van haat tegenover het naziregime geuit. Geen woord. We komen half goed, half slecht uit de buik van onze moeder. Ik hou van mensen met zowel het slechte als het goede. Ik kijk naar het goede, en ik vergeet het slechte. Spinoza zegt: ‘We kiezen zelf om het goede, of het slechte te doen.’ Ik lees veel, en ik ga naar de Universiteit voor de Derde Leeftijd. Op dinsdag volg ik filosofie; Spinoza is mijn favoriete filosoof. Voor hem is alles god, zijn wij god. Goed en kwaad zijn god. Ja, ook het kwaad. Ik heb geen religie nodig, maar misschien zit er wel een stukje god in alles.”

Democratie
Na de bevrijding keerde Alice met haar zoon terug naar Praag. “We trokken in bij mijn broer. Hij was getrouwd met een niet-Joodse, zij heeft hem beschermd. Na twee maanden kregen we van de Joodse gemeenschap een kleine flat toegewezen, en een beetje geld. Ik begon terug pianolessen te geven. Tot Stalin na de staatsgreep van ’48 Praag helemaal inpalmde. Ik heb anderhalf jaar onder het communistische juk geleefd. Ik verzeker je, de mensen hier in Engeland en in de rest van Europa beseffen niet hoe kostbaar democratie is. Onder de dictatuur van het communisme waren we bang om iets te zeggen – zelfs tegen goede vrienden. Je kon niemand vertrouwen. Na Hitler en Stalin ben ik naar Israël vertrokken. Daar was er geen dag zonder spanning, maar hadden we wel democratie. Je kon er zeggen en lezen wat je wou. Je kon je kind opvoeden zoals jij wou, niet zoals zij het wilden. Democratie. Je kent de negende van Beethoven met Schillers ‘Alle Menschen werden Brüder’?” Alice Sommer neuriet zachtjes. Dan zegt ze: “We leven in een slechte tijd. Een heel slechte tijd. Er is zoveel haat. Het is zelfs nog veel erger dan in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Maar het wordt beter. Misschien moet het eerst nog wat slechter gaan, maar dan wordt het weer beter. Want vanuit het slechte groeit het goede.”

Jarenlang stond Alice Herz-Sommer aan het hoofd van het conservatorium van Jeruzalem. “Daar heb ik honderden leerlingen onder mijn hoede gehad. Ook veel Arabieren. Ze schrijven nu nog naar mij, van over de hele wereld. Fantastische mensen. In Israël heb ik de mooiste tijd van mijn leven beleefd.”

Op haar 84e verhuisde ze naar Londen. “Ik wou bij mijn zoon en mijn kleinkinderen zijn. Raphael is dood, maar een van mijn kleinkinderen leeft en werkt hier. Of ik nog plannen maak voor de toekomst? Nee. Ik kan elk moment sterven. Als er iets gebeurt, bel ik mijn kleinzoon en in vijf minuten is hij hier. Maar ik speel nog alle dagen piano, met acht vingers – mijn twee wijsvingers willen niet meer mee. Discipline!”

Hoe kijkt Alice Herz-Sommer terug op haar leven? “Ik heb er een erg goed gevoel over. De vrienden van mijn generatie zijn dood. Maar hun kinderen komen mij nog altijd opzoeken. Max Brod was een levenslange vriend. Op de dag dat Wereldoorlog II uitbrak, is hij samen met mijn zus en Felix Weltsch op de laatste trein naar Israël gestapt. Mijn leven was moeilijk. Maar dat komt ook deels voort uit mijn karakter. Veel jonge Engelse journalisten hebben gezeten waar jij nu zit. In het begin vroeg ik hen: ‘Waarom komen jullie? Wat willen jullie van mij?’ ‘Wij willen schrijven over hoe het leven is als een mens zo oud is als u.’ Ik wou daar eerst niet op ingaan, want ik wilde niet dat die jonge mensen bang werden. Maar het inspireerde me. Als ze nu komen, zeg ik altijd: ‘De ouderdom is de mooiste periode uit ons leven.’ Alleen als je zo oud bent als ik, raak je echt doordrongen van de schoonheid van het bestaan.”

Etudes van troost, de biografie van Alice Herz-Sommer, is geschreven door Melissa Müller en Reinhard Piechocki en uitgegeven door Artemis & co.

© jan@janstevens.be

Ondertussen in Burcht…

Van zijn vijfde tot zijn zestiende was Marcel Van Der Vloet het favoriete speeltje van Burchtse pedofielen. Op zijn zeventiende verwekte hij een kind bij een getrouwde vrouw. Achttien jaar later kwam de toen achttienjarige Oscar Segers bij hem inwonen. Vanuit hun huis ‘soigneert’ gigolo en worstelkampioen Oscar de vrouwtjes. “Toch denkt heel Burcht en omstreken dat wij een homokoppel zijn. Ze moesten eens weten.”

Een zwoele herfstochtend. Marcel Van Der Vloet (65) en Oscar Segers (47) zitten broederlijk naast elkaar in de gelagzaal annex living van hun huis Den Yzer in de Kloosterstraat in Burcht: een jonggepensioneerde naast een (niet meer zo) jonge blonde oppergod. Marcel Van Der Vloet was in een vorig leven nationaal secretaris van wijlen de libertijnse partij ROSSEM; Oscar Segers was ooit wereldkampioen worstelen en is nu bodybuilder, stripper en gigolo – “bekend van Jambers en Goedele”. In de hal staan paletten vol boeken. Tweeduizend exemplaren van Marcels autobiografie Het bloot van toen; het relaas van de eerste negentien jaren van zijn bewogen leven in Burcht. “Zoals ik het beschreven heb, was het”, zegt Marcel. “Alleen sommige namen heb ik veranderd.”

Schoon jongetje

Een rijhuis in de binnenstad van Antwerpen, juni 1947. “De dikke, vriendelijke mijnheer had me uitgekleed. Ik stond bloot in het midden van de kamer. Er schenen lichten. Gele, groene en rode. Een man vroeg me om naar daar en daar te kijken. Ik zag vanuit mijn ooghoek hoe hij in een bruin peertje aan een draad kneep. Ik mocht van alles doen. Met mijn handjes in mijn nekje, mijn vuistjes in mijn zij. Ik mocht zelfs mijn fluitje vasthouden. Met een handje en dan met beide. Het enige wat niet mocht was met mijn rug naar die meneer gaan staan. Dan kneep hij niet in zijn bruine peer.” – uit: Het bloot van toen.

In 1947 sloot de moeder van de toen vijfjarige Marcel Van Der Vloet een deal met een paar ‘Amerikanen’ van een ‘reclamebureau’. Van Der Vloet: “Ik had vlasblonde krullen en een fijn gezichtje. Iedereen noemde me een ‘schoon jongetje’. Moeder paradeerde graag rond met mij, maar ik vond dat niet leuk. Op een dag stonden die kerels in onze bakkerij in Burcht. Ze draaiden moeder rond hun vinger en maakten haar wijs dat ze veel geld aan mij kon verdienen. ‘Reclamefotografie is dé toekomst!’ In ruil voor centen wilden ze me in nieuwe kleren stoppen en reclamefoto’s van me nemen. We zijn maar één keer moeten gaan – voor ‘proefopnames’. Ik weet niet meer waar die fotostudio precies was; ik weet wel dat we met de bus door de tunnel – de konijnenpijp – reden. Dat vond ik fantastisch. Al die ronde oranje lichten tegen de muur. Na de fotosessie hebben ze ons nog blikken koekendozen bezorgd waar een ‘reclamefoto’ van mij op gedrukt stond. Een foto met mijn kleren aan. De naaktfoto’s trokken ze snel voor mijn moeder terug binnen kwam. Ze stond in de gang; ik kon de hele tijd haar stem horen.”

Het strand van het Galgenweel op Linkeroever, juli 1954. “De onderpastoor ging rechtop zitten. Hij drukte met de hand op de kont van mijn elfjarige vriend Luc, nam met de andere een handvol wit, fijn zand en liet het tussen Lucs billen vloeien. Het duurde eeuwen voor zijn hand leeg was. Dan plaatste hij zijn grote wijsvinger in het midden van het hoopje zand en duwde zijn vinger traag in Luc zijn kontgaatje. Nog eens en nog eens. ‘Het zand is de Calvarieberg’, sprak de onderpastoor plechtig. ‘Nu brengen we de Calvarieberg, waarop de zoon van god geleden heeft en gestorven is, diep in je lichaam. Opdat je ook deel zou uitmaken van het lijden van de heer.'” – uit: Het bloot van toen.

Van 149 tot 1960 was Frans De Meersman (1911-1994) onderpastoor van Burcht. Van 1967 tot 1977 was hij er pastoor. E.H. De Meersman was wild van jonge jongetjes. Hoeveel Burchtse jongens als Luc heeft hij in zijn carrière gemolesteerd? Van Der Vloet: “Dat weet ik niet. Ik weet wel dat hij zijn interesse in jongens verloor na hun plechtige communie. Wij durfden thuis niets te zeggen, ook al was mijnheer de onderpastoor een sadist. Later, toen ik volwassen was, heb ik vaak gedacht: ‘Waarom heb ik dat toen niet naar buiten gebracht?’ Nu, na Dutroux, pikt niemand dat nog. Maar toen… 85% van de mensen stemden op de CVP. Het woord van de pastoor was wet. Hij dirigeerde al die grote vrome katholieke huishoudens. Op zeker moment is die onderpastoor uit mijn gezichtsveld verdwenen, en ik heb er verder geen onderzoek naar gedaan. Misschien omdat ik bang was van hem.”

Burcht, december 1954. “Ik mocht op vakantie bij pa Jean, de schoonvader van mijn zus.(…) Pa Jean zelf had mij naar boven gebracht. ‘Ik kom bij je liggen’, fluisterde hij. ‘Het bed is toch veel te groot voor zo’n kleine jongen. Wat ben je toch zacht. Niet één haartje staat er op je schitterende lijfje. Schoon is dat.'” – uit: Het bloot van toen.

Marcel Van Der Vloet: “Mijn zus heeft altijd geweten dat haar schoonvader niet met zijn fikken van de jongens kon blijven. Ik ben haar gaan opzoeken toen mijn boek bijna af was. ‘Pa Jean heeft me als jongetje van twaalf misbruikt’, zei ik haar. ‘Ja, wij wisten dat hij zot was van jongetjes’, repliceerde ze. Het was alsof ik het in Keulen hoorde donderen. Hoe kun je nu een kleine jongen willens wetens op vakantie sturen bij een pedofiel?

Ik zin niet op wraak. Waarom zou ik? Wat brengt dat op? Stel je voor dat ik een groot schandaal over die pastoor ontketen. Wie heeft daar baat bij? Het kwaad dat die kerels aangericht hebben, kun je toch niet meer herstellen. Ik vraag me wel af waarom ik dat allemaal moest meemaken? Want pa Jean en de onderpastoor waren niet de enigen.”

De verloren zoon

Burcht, feestmarkt 1960. “Die 10e januari 1960. Een dag die 38 weken of 267 dagen vooraf ging aan die andere datum, die mij opzettelijk niet werd meegedeeld. Pas jaren later zou ik die te weten komen.” – uit: Het bloot van toen.

De eerste zondag na Driekoningen is het feest in Burcht. Dan staat het marktplein afgeladen vol met markt- en foorkramen. Op de kermis van 1960 raakte de zeventienjarige Marcel Van Der Vloet aan de praat met de pasgetrouwde, vijf jaar oudere Maria. Ze vertelde over haar man – een beroepsmilitair met losse handjes, en zocht troost in de armen van Marcel. Van Der Vloet: “Van het een kwam het ander. Een half jaar later zag ik haar terug in een winkel. Ze zag er onverzorgd en moe uit. Ik vroeg of ze ziek was. Toen pas zag ik haar dikke buik. Ze was zwanger. Ik vroeg of het kind van mij was. ‘Ik weet het niet’, zei ze. ‘Ik weet alleen dat ik getrouwd ben en dat niemand het hoeft te weten. Het is beter dat we erover zwijgen.'”

Marcel Van Der Vloet verloor Maria uit het oog. Een paar jaar later trouwde hij met iemand anders. Samen kregen ze een zoon. De Van Der Vloets leidden het leven van een doorsnee gezin. Tot in 1978 Oscar Segers – Maria’s oudste zoon – radeloos op hun drempel stond. Oscar Segers: “Ik had voortdurend ruzie met mijn ‘officiële’ vader. Hij was een ongelooflijk gewelddadige alcoholist. Als mijn broer slechte punten had, sleurde hij hem mee naar de slaapkamer om hem af te rossen met zijn riem. Dan stampte ik de deur in, want ik kon dat niet verdragen. Als hij mijn moeder sloeg, brulde ik de hele buurt bijeen. Ik heb altijd geprotesteerd. Vanaf mijn tiende ben ik beginnen worstelen. Ik was een natuurtalent, en werd ontzettend sterk. Als hij weer eens door het lint ging, sloeg ik gewoon mijn armen om hem heen en hield hem in bedwang tot hij uitgeraasd was. Dat kon hij niet verkroppen.
“Op mijn achttiende ben ik weggegaan. Mijn moeder was bang dat vader me kapot ging maken en heeft me toen aangeraden om bij Marcel onderdak te zoeken. Vader was woest omdat ik moeder verdedigd had. Op een dag hoorde ik haar kelen. Hij zat met zijn knie op haar. Ik heb hem toen in de zetel gesmeten en afgedreigd: ‘Waag het niet om dat nog eens te doen!’ Toen vloog ik eruit. Vorig jaar is hij gestorven. Hij heeft zich letterlijk dood gezopen.”

Marcel Van Der Vloet: “Toen Oscar bij ons kwam, kreeg hij direct een ander leven. Hij kon zijn capaciteiten als worstelaar ontwikkelen en de hele wereld afreizen. Hij is 34 keer kampioen van België geweest, twee keer wereldkampioen en één keer tweede. We koesteren schitterende herinneringen aan Madrid, Boedapest, Amerika… Oscar won alles; het was plezant om hem zo te zien winnen.”

U was zijn manager?
Marcel Van Der Vloet: “Zijn coach, ja. Rond mijn veertiende heb ik ook een tijdje geworsteld. Ik was vrij goed, maar vocht nooit graag wedstrijden. Oscar heeft nooit anders gekend. Hij was al kampioen van België op zijn elfde en heeft die titel nooit meer afgegeven.”

Wat vonden de inwoners van Burcht ervan dat Oscar bij u kwam wonen?
Marcel: “Die vonden dat erg verdacht. Zelfs nu nog worden er indianenverhalen over ons verteld. Na mijn scheiding in ’88 is het roddelcircuit pas echt op gang gekomen: ‘Die twee venten zijn toch geen familie?’ Jaren lang hebben ze achter onze rug gefluisterd dat we een homokoppel waren. Dat gebeurt nu trouwens nog.”
Oscar Segers: “Eigenlijk had ik al lang dood moeten zijn, want vijftien jaar geleden ging als een lopend vuurtje rond dat ik aids had.”
Marcel: “Het feit dat Oscar vrouwen ontvangt en dat hij daar op tv bij Jambers rond voor uitkwam, heeft aan al dat geroddel geen deugd gedaan. Toen hoorden we voor het eerst dat de goegemeente ons als een homokoppel bestempelde.”

Terwijl jullie eigenlijk vader en zoon zijn. Want Marcel is Oscars ‘officieuze’ vader?
Marcel: “Dat zeg jij. Wie mijn boek leest, en een en ander narekent, kan zelf zijn conclusies trekken.”
Oscar: “We willen daar eigenlijk niet mee te koop lopen. Ik heb daar nog nooit tegen iemand iets over gezegd. Ik wist dat niet toen ik hier in ’78 voor de deur stond. Natuurlijk waren er tijdens de ruzies tussen mijn ouders wel uitspraken, bedekte toespelingen.”
Marcel: “Ik had daar toen ook geen vermoeden van. Maar in de loop van de jaren merk je aan sommige details… Ach, laat ons maar niet teveel in dat potje roeren. Ik wil Maria niet kwetsen.”

Waarom is Oscar dames beginnen ontvangen?
Oscar: “Uit noodzaak. Ik zat middenin die worstelcarrière, moest altijd maar trainen en kon me geen vaste relatie veroorloven. We zijn eerst begonnen met ladies nights. ”
Marcel: “Eigenlijk hadden we dat beter ook stilgehouden, in plaats van er in Jambers mee uit te pakken. Sommige mannen weten immers niet dat hun vrouw naast de pot pist. Het is echt niet onze bedoeling om huishoudens uiteen te trekken, integendeel! Wij lossen hun seksproblemen op.”
Oscar: “Eigenlijk zijn die damesbezoeken een heel goeie oplossing. No strings attached. Ik ben trouwens heel kieskeurig.”
Marcel: “Ja, eerst maken we kennis met het potentiële clientèle. Daarom ook heeft Oscar nooit escort willen doen, want dan word je opgebeld, en wat er achter de deur staat, moet je pakken. Dat heeft hij nooit gewild. Eerst maakt hij hier een afspraak: een beetje blabla met een tasje koffie en een stukje vla. En als het hem aanstaat, wordt het boemboem.”

Was eerwaarde Frans De Meersman een grote kindervriend?

In Het Bloot van toen getuigt Marcel Van Der Vloet dat onderpastoor Frans De Meersman (in zijn boek geeft hij hem het pseudoniem ‘Meerschout’) in de jaren vijftig graag jonge jongetjes molesteerde. Volgens kanunnik-archivaris Ludo Collin van het bisdom van Gent is er bij het bisdom nooit een klacht over De Meersman geweest. “Waarmee ik niet wil zeggen dat er niets gebeurd zou zijn. In 1960 werd De Meersman pastoor in Doel, en in ’67 keerde hij terug naar Burcht, als pastoor. Als er in die tijd klachten over kindermisbruik binnenkwamen, werd de priester in kwestie overgeplaatst naar een klooster in een verre uithoek van het bisdom. Er is niets in De Meersmans carrière dat erop wijst dat er ooit een klacht tegen hem is ingediend. Integendeel, het feit dat hij later pastoor geworden is in hetzelfde Burcht, wijst erop dat hij toen een vlekkeloze reputatie genoot.”

© jan@janstevens.be

Wie vermoordde David Kelly?

In de zomer van 2003 werd de Britse wapendeskundige David Kelly dood in een bosje gevonden, nadat uitlekte dat hij de BBC getipt had dat Tony Blair de publieke opinie voorgelogen had over Saddam Hoesseins massavernietigingswapens. “Zelfmoord”, concludeerde de officiële onderzoekscommissie. “Bullshit”, zegt parlementslid Norman Baker. “Kelly is vermoord. En ik weet door wie.”

Het liberaal-democratisch parlementslid Norman Baker uit het kiesdistrict Lewes in Sussex is geen ‘samenzweringsdeskundige’, maar een kritisch volksvertegenwoordiger die de voorbije jaren menig schandaal in de Britse politiek naar boven bracht. Sinds vorig jaar onderzoekt Baker de vermeende zelfmoord van de wapendeskundige David Kelly. In november verschijnt zijn boek The Strange Death of David Kelly waarin hij zijn hele onderzoek presenteert. Zijn conclusies liegen er niet om: David Kelly is vermoord. “Ik weet ook door wie”, zegt Baker. “Een aantal mensen zitten nu met dichtgeknepen billen te wachten op de publicatie van mijn boek.”

Kroniek van een onaangekondigde dood
Donderdag, 22 mei 2003. De bar van het Charing Cross Hotel in het hart van Londen is de favoriete pleisterplaats van spionnen, informanten en journalisten. Misschien omdat het hoogpolig kamerbreed tapijt de gefluisterde geheimen absorbeert, of omdat de obers er even discreet zijn als de butlers in Her Majesty’s Service in Windsor Castle. Vooraan in de bar, met zicht op The Strand, zitten BBC-journalist Andrew Gilligan en microbioloog David Kelly thee te drinken. Als VN-wapeninspecteur in Irak en als ambtenaar bij het ministerie van Defensie, gespecialiseerd in biologische wapens, voert doctor David Kelly wel vaker gesprekken met journalisten. Het verschil is dat hij zijn bazen nu niet ingelicht heeft, maar dat hij Gilligan in het geheim ontmoet. George Bush en Tony Blair zijn volop bezig met de voorbereiding van de inval in Irak, en David Kelly is de leugens van Blair over de vermeende Irakese massavernietigingswapens meer dan beu. Eind september 2002 publiceerde de Britse regering een rapport waarin beweerd werd dat Irak aan een nucleair programma werkt, en waarin Tony Blair himself schreef dat Saddam Hoessein in staat is om binnen 45 minuten een heel arsenaal aan chemische en biologische wapens in werking te zetten. David Kelly vertelt Gilligan in het Charing Cross onder andere dat Blairs ’45 minute claim’ totaal uit de lucht gegrepen is.

Donderdagochtend, 29 mei. In het BBC-radioprogramma Today maakt Andrew Gilligan brandhout van de ’45 minute claim’. “Een belangrijk ambtenaar verzekert ons dat de regering haar septemberrapport bewust vervalst heeft”, zegt Gilligan. “Een week voor de publicatie van het rapport gaf Downing Street 10 de opdracht om het rapport ‘sexyer’ te maken, om zo de publieke opinie ervan te overtuigen dat een inval in Irak onontbeerlijk is. Vervolgens werd de verzonnen ’45 minute claim’ eraan toegevoegd.”

Donderdag, 8 juli. Het Britse ministerie van Defensie meldt in een verklaring dat één van zijn ambtenaren de mogelijke bron is voor het BBC-bericht over het opleuken van het septemberrapport. Op basis van hints van Defensie, hebben drie kranten in een mum van tijd achterhaald dat die ambtenaar David Kelly is.

Dinsdag, 15 juli. David Kelly verschijnt voor de buitenlandcommissie van het Lagerhuis. Hij spreekt zo zacht dat de ventilatoren moeten worden uitgezet om hem te kunnen verstaan. Sommige Labourparlementsleden pakken hem bijzonder hard aan en noemen hem ‘chaff’ – uitschot. Kelly zegt dat hij niet de enige bron voor het BBC-verhaal was.

Donderdagnamiddag, 17 juli. David Kelly verlaat rond drie uur zijn huis in Southmoor, bij Oxford, voor een wandelingetje. Onderweg glimlacht hij naar zijn buurman Paul Weaver. Als Kelly rond middernacht nog niet terug is, slaat zijn vrouw alarm.

Vrijdag, 18 juli. De politie vindt het lichaam van Kelly in het bos van Harrowdown Hill op enkele kilometers van zijn woning. Zijn linkerpols is doorgesneden. Naast zijn lijk ligt een zakmes en een doosje pijnstillers.

De zelfmoord van David Kelly jaagt een schok door de Britse samenleving. Tony Blair belast Lord Justice Brian Hutton met een onderzoek. Maanden later, in januari 2004, presenteert Hutton zijn rapport. Hij concludeert dat premier Blair en de regering niets te verwijten valt, en dat alleen de BBC en Andrew Gilligan in de fout gegaan zijn. “De regering-Blair heeft de bedreiging van Saddams massavernietigingswapens niet opgeschroefd”, stelt Lord Hutton. “Gilligans bewering dat de regering een rapport over Iraks vermeende arsenaal aan massavernietigingswapens ‘sexyer’ heeft gemaakt, is ongefundeerd en tast de integriteit van de regering aan.” Hutton stelt ook nog ‘blij’ te zijn dat wapendeskundige Kelly zelfmoord heeft gepleegd, en dat er geen derden bij de dood van de defensieambtenaar betrokken zijn.

Unieke zelfmoordenaar
“Lord Hutton kletst uit zijn nek”, zegt Norman Baker. “Zijn rapport is een schande. Het nagelt alleen de BBC aan de schandpaal en wast de regering wit. Lord Hutton is een groot voorstander van het status-quo. Het is zijn natuurlijke staat van zijn om alle regeringen rugdekking te bieden. Eigenlijk maakt het hem niet uit wie er aan de macht is – degene die de touwtjes in handen heeft, is heilig. Hutton was een bewuste keuze van Tony Blair. Hutton had geen enkele ervaring met het soort onderzoek waarvoor hij ingeschakeld werd. Ik zeg niet dat Lord Hutton zijn ziel verkocht, maar zijn staat van dienst liet vermoeden dat hij een gewillige marionet zou zijn. Zo verdedigde hij de Britse regering voor het mensenrechtenhof in Straatsburg toen ze ervan beschuldigd werd Noord-Ierse gevangenen te folteren, en leidde hij in 1999 de campagne om wijlen de Chileense ex-dicator Pinochet een vrije aftocht te garanderen.”

De politie heeft toch een onderzoek naar de dood van David Kelly gevoerd? De conclusie van de lijkschouwer en de rechercheurs was eensluidend: zelfmoord.
Norman Baker: “En mijn conclusie is dat David Kelly vermoord is. De manier waarop hij zijn pols doorgesneden zou hebben, is uniek. Een doorsnee zelfmoordenaar probeert zijn slagader dwars over de pols door te snijden, waarbij hij in de spaakbeenslagader, de arteria radialis, kerft. Zelfmoordenaars die iets van biologie afweten, snijden van onder naar boven. David Kelly is er in 2003 op miraculeuze wijze als enige zelfmoordenaar in Groot-Brittannië in geslaagd om zijn ellepijpslagader, de arteria ulnaris, door te snijden. En hij heeft dat gedaan zoals een precisiechirurg dat zou doen, op een plaats waar die ader amper een lucifer dik is, diep in de pols onder de pink. Als je zo diep snijdt, moet je heel wat kracht gebruiken om door zenuwen en pezen te geraken, zeker met het bot zakmes dat Kelly voor zijn zelfdoding gebruikt zou hebben. Op die manier een einde aan je leven maken, is ontzettend pijnlijk en duurt erg lang. Ik geloof nooit dat Kelly daar zelf toe in staat was. En ook al zou hij het gedaan hebben, dan nog had hem dat nooit het leven gekost. Experts zeggen me dat zelfs de diepste snede op die plaats nooit de dood als gevolg heeft. De chirurg David Halpin verzekerde me dat een compleet doorgesneden slagader zich intrekt en spontaan stopt met bloeden. Doctor Kelly’s ader was helemaal doorgesneden. Uit de getuigenissen van de ambulanciers blijkt dat er slechts een minieme hoeveelheid bloed naast het lijk lag.”

Maar de politie heeft toch ook een leeg doosje pijnstillers gevonden? Volgens het Huttonrapport stierf Kelly aan de verwondingen aan zijn pols in combinatie met een overdosis Coproxamol.
Norman Baker: “Volgens Hutton nam Kelly in totaal 30 Coproxamoltabletten in doordrukstrips van thuis mee. Van al die tabletten vond de politie er een terug. De conclusie van Lord Hutton was: overdosis. Terwijl uit het toxicologisch onderzoek van de lijkschouwer blijkt dat David Kelly geen enkel tablet geslikt had en dat zijn maag leeg was. Kelly had zelfs een gigantische hekel aan het slikken van tabletten. Zijn vrienden getuigen dat hij geen pil door zijn keel kreeg. Als hij ziek was, nam hij zijn toevlucht tot drankjes. David Kelly was niet de eerste, de beste. Hij betekende ontzettend veel in de wereldwijde strijd tegen biologische en chemische wapens. Hij wist alles over biologische oorlogsvoering, en had alle mogelijkheden om op een pijnloze, snelle manier een einde aan zijn leven te maken. Waarom zou hij dan deze onhandige methode kiezen?”

Depressieve, suïcidale mensen trekken zich misschien niet veel aan van de methode?
Norman Baker: “Was David Kelly wel depressief? Zijn zus Sarah is arts. Tijdens het Huttononderzoek verklaarde ze dat ze geen enkele aanwijzing had dat haar broer levensmoe was. Ze zei: ‘Ik ben erop getraind om sporen van depressie bij mensen op te sporen. Vlak voor zijn dood heb ik een paar keer met hem gepraat, en niets wees erop dat hij eruit wou stappen, alleen dat hij moe was.’ Daar komt bij dat Kelly erg uitkeek naar het nakende huwelijk van zijn dochter, en dat hij praktiserend lid was van Baha’i, een religie die zeer sterk tegen zelfmoord gekant is.

De e-mails die Kelly de ochtend van zijn dood verstuurde, zijn vrolijk. In een paar mails schrijft hij enthousiast over zijn nakende terugkeer naar Irak als wapeninspecteur – hij had net een vliegtuig geboekt. Maar er is ook die ene mail naar een Amerikaanse journalist waarin hij het heeft over ‘donkere figuren die spelletjes spelen.’ Lord Hutton heeft geen onderzoek laten verrichten naar wie die donkere figuren zouden kunnen zijn, laat staan naar wat voor soort spelletjes ze speelden.”

U hebt dat onderzoek dan maar zelf gevoerd?
Norman Baker: “Ja. Ik heb een jaar lang mijn politieke activiteiten stilgelegd om alle toegankelijke bronnen te kunnen analyseren. Ik heb met sleutelfiguren gepraat, parlementaire vragen gesteld en mijn gezond verstand gebruikt. Mijn conclusie is onweerlegbaar: David Kelly is vermoord. Wij vinden onze westerse democratie beschaafd, terwijl die respectabiliteit eigenlijk niet meer is dan wat vernis. Krab dat laagje weg, en je schrikt van wat er tevoorschijn komt. We gedragen ons als superdemocraten en spellen landen met totalitaire regimes de les, terwijl er grotere gelijkenissen zijn dan we willen toegeven.

David Kelly was de ‘inspecteur van de inspecteurs’. Op het moment dat hij dood in dat bosje lag, kreeg Tony Blair in het Amerikaanse Congres uit de handen van Bush de Congressional Medal. Op het vliegtuig naar huis werd Blair gebrieft over de dood van Kelly. Het parlement was net in vakantie, en Blair profiteerde daarvan om quasi onmiddellijk een regeringsvriendelijk ‘onderzoek’ te bestellen bij Lord Hutton.”

Op zoek naar de opdrachtgever
Is David Kelly in opdracht van Tony Blair vermoord door de Britse geheime dienst?

Norman Baker: “Je zal moeten wachten tot het boek uitkomt. (lacht) Ik weet vrij precies wat er gebeurd is, maar ik mag je dat nu niet vertellen. Ik heb instructies van mijn uitgever om te zwijgen over hoe de moord gepleegd is, of over wie de opdrachtgevers zijn. Kelly is alleszins niet doodgebloed, of gestorven door een overdosis pijnstillers.”

Had alleen de regering Blair er voordeel mee om Kelly uit de weg te laten ruimen?
Norman Baker: “In mijn boek maak ik een lijstje van alle mogelijke actoren die voordeel hadden bij de dood van David Kelly. Omdat hij zo een toegewijde, belangrijke wapeninspecteur was, hadden ook de Verenigde Staten, Israël, Rusland, en Irak er belang bij.”

Hebben ze geprobeerd om u tegen te werken in uw onderzoek?
Norman Baker: “Nee. Als parlementslid zit ik natuurlijk in een geprivilegieerde positie. Het establishment reageert voorzichtig als ik iets vraag of zeg. Een volksvertegenwoordiger wordt met meer egards behandeld dan een doodgewone journalist.”

Na verschijning van uw boek zal u waarschijnlijk het verwijt krijgen dat u in complottheorieën gelooft.
Norman Baker: “Aan die aanval verwacht ik me, ja.”

En? Gelooft u in een samenzweringstheorie?
Norman Baker: “Een complot is de combinatie van twee of meer mensen die samenspannen om een gezamenlijk doel te bereiken. Een complot kan gesmeed worden om iemand in diskrediet te brengen of om iemand te vermoorden. Een samenzweringstheorie is een theorie dat zulk een samenzwering heeft plaatsgevonden. Ik heb ontdekt dat er een complot gesmeed en uitgevoerd is om Kelly te doden. Ik ben dus geen gelovige, maar iemand die weet.”

© jan@janstevens.be

Boerewors gordyn

De Zuid-Afrikaanse chirurg Dirk Nell groeide op in een oerconservatief blank gezin. Apartheid was ‘reg’: in Gods schepping torende de blanke ver boven de zwarte uit. Anno 2007 wil Dirk een voorbeeldige nieuwe Zuid-Afrikaan zijn. “Al is dat niet gemakkelijk. Want nu zijn de rollen omgedraaid en worden wij soms gediscrimineerd.”

Welgemoed, een voorstad ten noorden van Kaapstad. Tussen het overdadige groen liggen pittoreske huizen, protserige villa’s en uitgestrekte landerijen te blinken in de heerlijke avondzon. Dit is Boerenland, het rijk van de rijke Zuid-Afrikaanse blanken. Het contrast met het multiculturele, liberale en swingende Kaapstad veertig kilometer verder kan niet groter zijn: hier in de ‘Northern Suburbs’ regeert law and order. Stadjes als Welgemoed, Bellville, Parow of Durbanville zijn sinds oudsher de favoriete pleisterplaatsen van conservatieve, diepreligieuze, kapitaalkrachtige blanke ‘Boeren’ – de rechtstreekse afstammelingen van de Nederlandse kolonisten en de bedenkers van apartheid of ‘gescheiden ontwikkeling’. Apartheid is dood in het nieuwe Zuid-Afrika, maar tussen Kaapstad en de Northern Suburbs is het Boerewors Gordyn – de figuurlijke scheidslijn tussen het progressieve Kaapstad en de behoudsgezinde noordelijke voorsteden – realiteit. ‘Boerewors’ staat voor boerenworst, traditionele Zuid-Afrikaanse barbecueworst als symbool voor de nationalistische Afrikanercultuur.

Cubaanse dokters

In Welgemoed kost een bescheiden lapje bouwgrond snel een paar miljoen rand. Orthopedisch chirurg Dirk Nell woont er samen met vrouw, zoontje en zwarte huismeid in een knappe oude villa. “Ik heb dit huis niet zelf gebouwd”, zegt hij bijna verontschuldigend. “Dit is mijn ouderlijk huis. Ik heb het gekocht van de familie en het een beetje verbouwd.”

Zoals alle andere jonge Afrikaners uit de Northern Suburbs groeide Dirk in de jaren zeventig en tachtig op in de overtuiging dat het Zuid-Afrikaanse apartheidssysteem rechtvaardig en voor eeuwig was. In het begin van de twintigste eeuw stonden zijn Afrikanervoorouders helemaal onderaan de maatschappelijke ladder. Als reactie op de Engelse hegemonie ontwikkelden ze hun Afrikanernationalisme. Hun partij, de Nasionale Party, kwam in 1948 aan de macht. De bange blanke Boerenminderheid zag met lede ogen hoe steeds meer zwarte medemensen naar de steden kwamen, op zoek naar werk en een fatsoenlijk leven. Ze vreesden hun economische en politieke macht te verliezen. Vanuit die angst ontwierpen de Afrikaners hun racistische apartheidssysteem. Alle verschillende rassen moesten in aparte wijken wonen. De zwarten en de kleurlingen werden verbannen naar townships aan de rand van de stad, of werden gedwongen om in een ‘thuisland’ te gaan wonen. Na een lange strijd en onder grote internationale druk kwam er in 1994 eindelijk een einde aan apartheid, en werd de macht na de allereerste democratische verkiezingen overgedragen aan de zwarte verzetsbeweging ANC. “Die eerste jaren waren we zeer ongerust”, zegt Dirk Nell. “Het ANC is een socialistische organisatie waarin de communisten een flinke vinger in de pap hebben. Ik ben opgegroeid met de overtuiging dat communisme slecht is. Begin 1996 werd ik als pas afgestudeerde dokter door de nieuwe Zuid-Afrikaanse overheid naar het voormalige zwarte thuisland Qwaqwa gestuurd om er een jaar veldervaring op te doen. Qwaqwa ligt in het oosten, in de provincie Freestate, en was tijdens de apartheid de verplichte pleisterplaats voor het Basothovolk. Ik werkte er samen met een vrouwelijke collega en een paar Cubaanse dokters. Wij waren de enige blanken in een zee van zwarten. Die Cubaanse dokters waren erg controversieel. Blanke Zuid-Afrikaanse dokters wilden niet in de plattelandsgemeenten werken. Daarom plaatste het ministerie van Volksgezondheid er stagiairs zoals ik, en communistische dokters uit het bevriende Cuba van Castro. Ik was eerst erg pessimistisch over de Cubanen. Maar het bleken uitstekende artsen te zijn. Die ene kerel was een uitmuntend orthopedisch chirurg; hij heeft me de knepen van het vak geleerd. Ik heb nog altijd contact met hem.”

Nu werkt Nell als orthopedisch chirurg in een privéhospitaal in Bellville. “De medische privésector in Zuid-Afrika is vrij groot. Dertig procent van alle aangeboden diensten is in private handen. Met de openbare gezondheidssector gaat het van kwaad naar erger. De overheid investeert er niet genoeg in. Er is een enorm tekort aan middelen en aan infrastructuur. Als je als patiënt geen geld hebt, krijg je geen zorg. De regering heeft een aantal maatregelen genomen waardoor moeders, baby’s en traumapatiënten in principe vrije toegang tot de gezondheidszorg krijgen, en ook de privéhospitalen houden zich daaraan. Maar als chirurg is het frustrerend om telkens weer te moeten zien hoe mensen die al weken of maanden op een noodzakelijke heelkundige ingreep wachten, van de lijst gehaald worden omdat iemand anders voorrang krijgt. Als er veel noodgevallen zijn, moeten alle patiënten op de wachtlijst een paar weken meer geduld oefenen. En geloof me, door het geweld in de Zuid-Afrikaanse samenleving zijn er heel wat noodgevallen. Ik heb nog een tijdje op de spoed gewerkt. Op een nacht had ik twee Duitse studenten als stagairs, en de ene na de andere patiënt met een schotwond werd binnengebracht. Op een bepaald moment vroegen de Duitsers me: ‘Is het oorlog daarbuiten?’ Ze hadden natuurlijk geen ongelijk, want in en rond Kaapstad woedt er wel degelijk een oorlog tussen zwarte criminele bendes. Zuid-Afrikaanse dokters zijn dan ook excellent getraind in het behandelen van lichamelijke verwondingen. Veel collega’s gebruiken die ervaring om later een lucratieve praktijk als plastisch chirurg in Engeland of Australië uit de grond te stampen.”

Positieve discriminatie

Ik vertel Dirk Nell het verhaal van een vriendin die in 2004 in Zuid-Afrika op vakantie was, uitgleed in de straten van Johannesburg, en met een flinke hoofdwond in de spoedafdeling van een ziekenhuis terechtkwam. De eerste vraag die haar gesteld werd, was: “Wat wilt u: een blanke of een zwarte dokter?” “Het is me om het even”, antwoordde ze. En de zwarte receptionist riep de blanke dokter voor haar op. Apartheid zit blijkbaar nog in de geesten van de mensen ingebakken? Dirk schudt zijn hoofd. “Ik geloof echt dat jouw verhaal een uitzondering is in het nieuwe Zuid-Afrika. We hebben het apartheidsdenken van ons afgezet, en ‘de transformatie’ gaat met rasse schreden vooruit. Wat mij verontrust is dat de balans naar de andere kant doorslaat. Ik hoop dat er een moment komt waarop een nieuwe generatie zwarten zich zal schamen over al die positieve discriminatiemaatregelen. Akkoord, het beleid van positieve discriminatie was noodzakelijk in de eerste jaren na de apartheid. Het ‘Black Economic Empowerment Program’ (BEE) van de regering om ook zwarten economische macht te geven, heeft zijn vruchten afgeworpen. De overheid heeft dat op een erg intelligente manier geïntroduceerd, want BEE heeft onmiskenbaar voor een boost in onze economie gezorgd. Maar BEE is ten koste gegaan van de jonge blanken. Zij geraken moeilijk aan een job, of als student aan een plaats op de universiteit. Veel blanken willen weg. Zolang Zuid-Afrika voor mij en mijn gezin een omgeving creëert waarin we kunnen floreren, blijf ik. Maar veel vrienden vertrekken. Ze vergissen zich, want dit land heeft genoeg te bieden. Wie innovatief is en bereid om hard te werken, kan het hier maken. Nogal wat blanken zijn ondernemend, en proberen kleine bedrijfjes uit de grond te stampen. In de grote ondernemingen maken ze toch geen schijn van kans, want die zijn Black Empowered. De blanke eis om BEE te herzien, is helemaal terecht.”

De kapitalisten van het ANC

Onder veel Afrikaners in de Northern Suburbs leeft de angst dat ze ooit zullen eindigen als hun blanke soortgenoten in buurland Zimbabwe. Dirk Nell: “President Mugabe is een afschrikwekkend voorbeeld. Hij helpt zijn hele land naar de verdoemenis. Wat hij de blanken aandoet, is geen transformatie, maar onversneden racisme. Gelukkig zitten er een paar uitmuntende, hoogopgeleide zwarten in de Zuid-Afrikaanse regering, die op een gezonde kapitalistische manier denken. Ik ben erg bang van de ‘socialistische toets’. De roots van het ANC zijn onmiskenbaar socialistisch en zelfs communistisch, maar anno 2007 is het duidelijk dat de ANC-regering het kapitalisme omarmd heeft. En dat moet zo blijven. Toch blijft de dreiging van een machtsgreep door de massale groep van amper gestudeerde zwarten bestaan. Zij pushen de regering, en popelen van ongeduld om de macht in handen te geven aan een figuur als Jacob Zuma, de extreemlinkse populistische ex-vicepresident. Zuma is in 2005 aan de kant geschoven nadat een dochter van een van zijn vrienden hem beschuldigde van verkrachting. Zuma heeft veel aanhang onder de armste armen. Ik ben bang dat hij bij de volgende presidentsverkiezingen een goeie beurt zal maken. Ik begrijp de wanhoop van de armen, maar het populisme van Zuma is niet de oplossing. Die ligt in de manier waarop het ANC nu de dingen managet. Dankzij de regering groeit langzaam maar zeker een grote zwarte middenklasse. Die middenklasse zal een buffer vormen tegen kerels als Zuma. Ik hoop dat ook de armen snel de voordelen van een vrijemarkteconomie zullen inzien.”

Moeten er dan niet dringend sociale correcties komen? Sociale zekerheid is in Zuid-Afrika toch zo goed als onbestaande? Dirk Nell: “Er moet een minimumloon komen, en een vangnet voor de werklozen. Daar ben ik het mee eens. Maar we moeten tezelfdertijd alle kansen laten aan mensen die willen ondernemen. Wij, Zuid-Afrikanen, zijn competitieve mensen, en we willen dat zo houden. Een socialistische staat waar iedereen gelijk is, overleven we niet. Maar je hebt gelijk: 70% werkloosheid in de townships is op termijn onhoudbaar. Er gaat veel mis in dit land en mensen klagen vaak terecht. Toch heb ik geen zin om te zeuren over het ANC. De mensen in de regering zitten tussen hamer en aambeeld. Ze gaan dwars tegen hun ideologie in en hun achterban pikt het niet dat ze de markt vrij spel geven. Maar de ministers hebben gelijk: het is de enige manier om dit land er bovenop te krijgen.”

De Zuid-Afrikaanse droom

Dirk Nell voelt geen schaamte over het verleden van de Afrikaners. “Ik ben trots op mijn afkomst”, zegt hij. “Ik koop altijd bewust Zuid-Afrikaanse producten. Ik wil ons land graag volledig zien loskomen van de naweeën van apartheid. Zo kunnen we een echte macht in de wereld worden. Apartheid is niet iets uniek Zuid-Afrikaans. Praat met Duitsers over de toestand van hun Turkse gastarbeiders, of met om het even welke Europeaan over de behandeling van minderheden – racisme vind je overal. Wij proberen er tenminste actief iets aan te doen. Elke Zuid-Afrikaan zou een droom moeten nastreven. Wat je ook doet, er moet altijd een doel in je leven zijn. Ik zeg niet dat het oeroude Britse klassensysteem het allerbeste ter wereld is, maar misschien is het toch niet zo verkeerd om een plaatsje in een betere klasse te ambiëren. Mooiere kleren, betere schoenen en een dikkere auto zijn prijzenswaardige dingen om na te streven. Tot hiertoe respecteert het ANC de droom die welgestelde blanken zoals ik najagen. Al zijn er kapers op de kust. De criminaliteit loopt uit de hand. De oplossing op korte termijn ligt in een fatsoenlijk sociaal zekerheidssysteem. De lange termijnoplossing ligt in het dempen van de kloof tussen rijk en arm. Dit is natuurlijk de kern van het probleem: mensen zoals ik wonen in luxe, terwijl ontzettend veel medeburgers in een krot leven. Zij zien mijn villa, en ze willen hun deel van de koek, dus komen ze die halen. Ook Europa heeft zijn problemen met rijk en arm. Akkoord, je ziet in jullie steden geen sloppenwijken zoals de ‘Circle of Steel’ rond Kaapstad, maar in Parijs, Londen of Brussel slapen ook veel arme dompelaars op straat, in een station of onder een brug.”

The nanny

Net als de meeste rijke blanke Zuid-Afrikaanse gezinnen heeft de familie Nell een zwarte huisbode in dienst. “We zijn een beetje verwend, ja”, geeft Dirk toe. “Onze huisbode is tegelijkertijd onze kinderjuf, onze poetsvrouw en onze kok. Ze leeft dag en nacht in ons huis. Haar man heeft haar een paar jaar geleden laten zitten. Ze heeft zelf een kind, maar dat is niet hier. Het woonde eerst bij haar moeder. Onlangs kwam onze nanny er achter dat het geld dat ze naar haar moeder stuurde, niet uitsluitend voor haar kind, maar ook voor andere kinderen van de familie gebruikt werd. Nu betaalt ze iemand om voor haar kind te zorgen. Wist je dat steeds meer rijken een witte huishoudelijke hulp hebben? Ja, de groep van arme blanken groeit. Die arme, slecht opgeleide blanken zijn boos op de zwarten en verlangen terug naar de tijd van de apartheid. Zij zien de zwarten als minderwaardige schepsels. Er is nog steeds veel haat. Maar de meerderheid van blanke Zuid-Afrikanen uit mijn kennissenkring, de beter opgeleiden en de meer bevoorrechte mensen, zijn voorstanders van transformatie en multiculturalisme, en zijn geen racisten. Racisme hangt jammer genoeg samen met educatie en sociale status, zowel bij blank als bij zwart.”

Hoeveel verdient een Zuid-Afrikaanse chirurg?

Dirk Nell: “Als ik als chirurg in een openbaar ziekenhuis zou werken, verdiende ik dertigduizend rand (3025 euro) per maand. Als privéchirurg verdien ik zeventigduizend rand (7055 euro). Daarop wordt nog belasting geheven, die bedraagt maximum 48%. Het gemiddelde Zuid-Afrikaanse loon schommelt rond 2500 rand (250 euro). Wie dat verdient, hoeft helemaal geen belastingen te betalen.”

© jan@janstevens.be

Enfant terrible

Gil ‘Butch’ Carungay blies in 2000 het kwakkelende kralenmakersbedrijfje van zijn vader nieuw leven in. Zeven jaar later is Avatar Accessories Inc. de grootste Filippijnse producent van modeaccessoires, en draagt ceo Gil de titel van ‘Manager van het Jaar’. “Waarom ze daarvoor bij mij terechtgekomen zijn? Hun voorraadje Filippino-ondernemers was op.”

Lapu-Lapu City op het kleine Mactan Island vlakbij het grote ‘moedereiland’ Cebu, is gewijde grond voor de Filippino’s. Hier vond in 1521 de Portugees Ferdinand Magellaan de dood. Een goed gemikte gifpijl van stamleider Lapu-Lapu werd de voor Spanje werkende ontdekkingsreiziger fataal. De liquidatie van Magellaan leverde Lapu-Lapu eeuwige roem en een flink uit de kluiten gewassen standbeeld op het noordelijke punt van Mactan Island op, maar kon toch niet verhinderen dat de Filippijnen een kolonie van Spanje werden.

Vijfhonderd jaar later herinneren alleen het diepgewortelde katholieke geloof en de familienamen van veel Filippino’s nog aan de Spaanse bezetting. Na de kolonisatie door de Verenigde Staten focust de Filippijnse economie en de politiek zich in het begin van de eenentwintigste eeuw volledig op het Amerikaanse model, waarbij zowel politici als ondernemers zich eerder baseren op de regels van het Wilde Westen, dan op die van een sociaal gecorrigeerde vrije markt. Al zijn er uitzonderingen. In het zuiden van Lapu-Lapu City, in de wijk Marigondon, liggen de bedrijfsgebouwen van Avatar Accessories Inc., de belangrijkste Filippijnse producent van modeaccessoires. De tweeëndertigjarige ceo en creatief directeur Gil ‘Butch’ Carungay is sinds hij in 2000 met Avatar van start ging, bedolven onder de prijzen. In 2000 werd zijn ontwerp voor het sieraad Ina bekroond met de Grote Prijs Swarovski. Zijn kralenontwerp Fruit Salad won in 2005 de Etoile de Mode in Parijs. Carungay is de enige Aziaat die erin geslaagd is om die prestigieuze Franse prijs voor modeaccessoires driemaal in de wacht te slepen. Zijn trofeeënkast bulkt van de bijna twintig onderscheidingen. Als klap op de vuurpijl verkoos de Kamer van Koophandel hem in juni van dit jaar tot ‘Manager van het Jaar’. Zelf blijft hij daar vrij nuchter onder. “Het blik Filippino-ondernemers van de Kamer was leeg”, zegt hij met een cynisch lachje. “Dus zijn ze bij mij terechtgekomen. Ach, de ware reden waarom ik die titel gekregen heb, zal wel zijn omdat Avatar een van de weinige ondernemingen in de Filippijnen is die voldoet aan alle minimumvoorwaarden. Ik ben zowat de enige bedrijfsleider die zijn arbeiders op een fatsoenlijke manier behandelt. In onze sector is het de norm om met sweatshops en kinderarbeid te werken. Ik doe dat bewust niet, betaal mijn werknemers waar ze recht op hebben en zorg ervoor dat ze niet in een zompig achtertuintje, maar in een fatsoenlijk atelier hun werk kunnen doen.”

Selfmade ontwerper

In normale omstandigheden is Gil Carungay een vrolijke losbol, maar vandaag voelt hij zich bedrukt. “Het gaat niet goed met mijn vader”, verontschuldigt hij zich. “Een hersenbloeding. Hij ligt sinds eergisteren in coma. Het is hard. But life goes on.” Hij steekt een zoveelste Japanse sigaret op, duwt zijn rinkelende gsm uit – “Mijn moeder” – leunt achterover in zijn vintage-bureaustoel en kijkt me door de kringelende rook doordringend aan. “Vader is erg trots op me”, zegt hij. “Pa was de grootste in zijn tijd. Vijfendertig jaar geleden begon hij een bedrijfje dat zeeschelpen polierde en strandjuwelen verkocht. Herinner je je Bo Derek in de seventies? Ze droeg alleen een slipje en een paar schelpenkralen rond haar nek en in haar haar. Mijn vader was toen de trendsetter: hij was ongeveer de enige die dat soort van juwelen produceerde. In de tachtiger jaren begon hij te diversifiëren. Hij investeerde in de hotelsector en de accessoiretak raakte in de verdrukking. Eind jaren negentig werkten er amper dertig mensen in de modejuwelendivisie.”

De jonge Gil trok naar Amerika en studeerde er financiën en marketing aan de universiteit van Pennsylvania. Daarna werkte hij een paar jaar in New York voor American Express op de afdeling Strategic Planning. “Ik verveelde me te pletter in New York”, zegt hij. “Dus besloot ik in 1999 om terug te keren naar Cebu, om in de zaak van mijn pa te gaan werken. Zijn kralenmakersbedrijfje was in die tijd gespecialiseerd in goedkope rommel, maar ik wilde hogerop. Ik wilde modeaccessoires gaan maken die getuigden van goede smaak. In 2000 besloten we om de Carungayholding op te splitsen. Ik wou iets van de voorbije glorie herstellen, en ging van start met Avatar. Avatar is Sanskriet voor ‘hergeboorte van een god’. Ik ben niet spiritueel, nee. Ik hield gewoon van dat woord. Het was meteen ook de hergeboorte van een onderneming.”

Anno 2007 werken er 365 mensen in het bedrijf, en is Avatar de grootste producent van modeaccessoires in de Filippijnen. Veertig procent van de totale productie aan kettingen, kralen, sieraden en bijouterie wordt geëxporteerd naar de VS. Dertig procent gaat naar Europa en de rest naar Japan. Gil Carungay ontwerpt zelf elk accessoire. “Ik heb daar niet voor gestudeerd; ik ben een selfmade ontwerper. Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in kunst, architectuur, mode en design. Een getalenteerd ontwerper hoeft geen design gestudeerd te hebben. Ik maak de tekeningen voor alle sieraden en accessoires, en mijn designteam ontwerpt de prototypes. Ik heb vroeger designers in dienst gehad, maar die samenwerking eindigde altijd in een potje geruzie, gejammer en geschreeuw.”

Hun ego’s waren te groot? “Nee, niet die van hen.” Carungay proest het uit. Dan –ernstig: “Voor mijn ontwerpen haal ik inspiratie bij grote meesters uit de schilderkunst zoals Jackson Pollock. Maar ik luister eerst altijd naar de ‘modevoorspellingen’. Ik volg wat er op de markt gebeurt, hoe de kleren er voor het nieuwe seizoen zullen uitzien, welke kleuren het modebeeld zullen bepalen. Ik luister erg goed naar de voorspellingen van de kenners, synthetiseer ze, haal er onze ‘ruwe materialen’ bij, bekijk onze mogelijkheden, ga te rade bij de oude meester Pollock en begin dan met het ontwerpen. Sieraden ontwerpen is geen exacte wetenschap, maar je moet als ontwerper wel rekening houden met een zekere logica. Als je thema ‘de tropen’ is, gebruik je best geen dennenappels.”

Malafide Chinezen

2007 is een slap jaar voor Avatar. “Onze sector is zeer conjunctuurgevoelig”, zegt Gil Carungay. “We zijn een gezond bedrijf en ik hoop dat we nog steeds winst maken, maar de oorlog in Irak doet onze business geen deugd. De mensen zijn onzeker, en de vraag slabakt. We moeten dringend af van die idioot in het Witte Huis. De producten van Avatar situeren zich in het midden van de markt. Maar het centrum is aan het eroderen. Daarom werken we hard aan een nieuwe strategie. In november openen we onze eerste winkel in Manilla, later volgen er nog meer in de rest van de wereld. In onze winkels zullen we alleen dure producten aanbieden. Avatar zal een topmerk voor modeaccessoires worden. Daarnaast gaan we ook een goedkope lijn uitbrengen. We willen weg van het krimpende centrum. De massaproductie van sieraden wordt elke maand lastiger door de oneerlijke concurrentie uit China – de productie moet goedkoper, goedkoper en nog eens goedkoper. Dat is belachelijk, maar zo is de situatie nu eenmaal. We moeten voortdurend naar de kosten kijken. Een paar jaar geleden heb ik geprobeerd om zelf in China te gaan produceren. Ik zat in Shanghai en werd er bijna gek. Nooit wil ik daar gaan leven, nooit. Dus heb ik al mijn China-plannen opgeborgen.”

Je kunt als ondernemer toch in China produceren en in de Filippijnen leven? Gil Carungay: “Dat is onmogelijk. Je moet de productie echt nauwgezet in het oog houden. Je moet er als bedrijfsleider een groot deel van je tijd doorbrengen, of ze plukken je kaal. De Chinezen naaien je bij elke kans die ze krijgen. Vrienden van me hebben er een paar fabrieken geopend, en dat is hen erg slecht bevallen. Ze zijn op een schaamteloze wijze bestolen, en hebben zich nu helemaal uit China teruggetrokken.”

Word je als ondernemer dan niet in de Filippijnen genaaid? Carungay: “Natuurlijk, maar hier ken ik tenminste de taal. Ik geloof echt dat er in dit land een toekomst is. Het enige grote voordeel dat China heeft, is dat het er spotgoedkoop is om goederen in en uit te voeren. In de Filippijnen liggen de transportkosten veel hoger. We proberen het onderste uit de kan te halen door plaatselijke materialen te gebruiken in plaats van ze te importeren, en we stroomlijnen onze productie door onze mensen met goeie apparatuur te laten werken.”

Krijgen Filippijnse ondernemers voldoende steun van de overheid? Gil Carungay lacht schamper. “Wij hebben geleerd om nooit op de overheid te rekenen. In landen als Thailand en Indonesië krijgen de bedrijven wel overheidsteun. Hun overheden sponsoren handelsmissies, en geven technische ondersteuning. Wij krijgen meer steun van buitenlandse ngo’s dan van onze regering. In vergelijking met de rest van de Filippijnen heeft Cebu een erg goede ondernemingsgeest. Dit eiland is altijd een handelsplaats geweest. Omdat er hier zoals in de andere provincies nooit grote plantages geweest zijn, waren we wel verplicht om ons op handel te concentreren. Naast handel wordt ook toerisme belangrijker, al durf ik te betwijfelen of we de juiste toeristen aantrekken. Ik zou willen dat er in Cebu net als in Bhutan een regel ingevoerd wordt die eist dat een toerist minstens 200 dollar per dag moet spenderen, vooraleer hij een visum krijgt. Ik wil niet dat dit eiland door lompe boeren uit het buitenland naar de haaien geholpen wordt. Wij krijgen hier alleen maar figuren zoals de Koreanen op bezoek. Ze spenderen geen peso in de lokale economie, maar openen hun eigen winkels, restaurants en hotels en laten de Filippino’s links liggen.”

Fulfillment

Is veel geld verdienen een voorname drijfveer voor de ondernemer Gil Carungay? “Niet in de eerste plaats. Ik ben vooral op zoek naar ‘fulfillment’, naar voldoening. Voor een architect duurt het maanden of jaren eer hij het resultaat van zijn ontwerp te zien krijgt. Bij sieraden gaat het erg snel: ‘Wow, dat is mooi!’ Als ik echt bakken geld had willen verdienen, was ik in de States gebleven; dan had ik een veel eenvoudiger leven gehad.”

Hoeveel verdient Gil Carungay? “Een paar miljoen dollars per jaar. Genoeg om goed van te kunnen leven. Ik moet oppassen wat ik zeg, want de fiscus luistert mee. En dan is er ook nog het risico op kidnapping. In vergelijking met Manilla is Cebu vrij veilig, maar er is een tijd geweest dat ondernemers een felbegeerde prooi voor criminelen waren. Ze kidnapten goed boerende bedrijfsleiders en vroegen een fors losgeld in ruil. Manilla is nog steeds levensgevaarlijk voor rijke ondernemers. Vooral de Chinese zakenlui zijn gegeerde prooien, want zij zitten op het meeste geld.”

Carungay moet dus voortdurend op zijn hoede zijn? “Ik moet voorzichtig zijn, ja. Ik heb geen lijfwacht, maar wel een chauffeur. Al is hij niet echt een getrainde kleerkast.”

Gil ‘Butch’ Carungay (32), enfant terrible van de Filippijnse sieradenindustrie

De man:

Gil ‘Butch’ Carungay: topman en creatief brein van Avatar Accessories Inc., producent van modeaccessoires

Ongehuwd

Hobby: “Drinken. Net als mijn vrienden ben ik een alcoholicus (lacht). Er zijn nogal wat party animals in Lapu-Lapu City. Het is een kleine plaats waar niet veel te doen is, behalve drinken en lol trappen. Onze katers? Die drinken we gewoon weg. Ik heb vanmorgen al drie gin-tonics naar binnen gewerkt. Ik had een vergadering met een paar lokale politici, en na afloop had ik echt een drankje nodig.”

 

Het bedrijf:

– Avatar is marktleider in de Filippijnen. De hele sector van modeaccessoires is goed voor 250.000 directe en indirecte jobs. Bij Avatar werken 365 mensen. De arbeiders in de ateliers verdienen er 241 pesos (3,8 euro) per dag, het minimumloon in Cebu.

– In november opent de eerste Avatar winkel zijn deuren in Manilla. Carungay: “Het wordt een wereldwijde keten. Onze winkels zullen Ateliers Avatar heten. Ik wist niet dat ‘avatar’ ook een Frans woord was. Onlangs hoorde ik dat het ‘ongeluk’ betekent. Dat is oké, want zo krijgt mijn merk ook iets kinky. Onze eerste winkel zal opengaan in Greenbelt 5, de meest exclusieve mall van het land. We zitten vlak naast Vuitton en Gucci.”

– De accessoires van Avatar worden in België verkocht door de keten ‘Twice as nice’. Carungay is kind aan huis in Brugge. “Mijn beste vriend woont daar. Ik heb hem leren kennen in de States. Ik ben peter van zijn kind. België is klein, hé. Eer je het beseft, ben je er doorgereden.”

© jan@janstevens.be