‘De nonnen namen hun geheimen mee in het graf’

In het najaar van 1966 beviel Jeanine Ogiers anoniem in een rijhuis in Rijsel en stond haar kind af voor adoptie. Sindsdien is ze wanhopig op zoek naar haar verdwenen dochter. ‘De mensen zien me nog altijd als een paria omdat ik mijn kind afstond.’

 

Bijna haar leven lang is de inmiddels tachtigjarige Jeanine Ogiers uit Wetteren op zoek naar haar ‘verdwenen dochter’. In oktober 1966 beviel ze anoniem in Frankrijk. ‘Dat was zo geregeld door de blauwe zusters van Gent.’ Haar baby moest ze meteen na de geboorte afgeven. ‘Ik mocht haar niet vastpakken, maar diezelfde nacht nog sloop ik uit mijn bed om haar te knuffelen. Ik noemde haar Regina; ik vond dat een heel mooie naam. Ik heb haar nooit meer gezien.’

Jeanine’s zoon John Verstraeten maakte in oktober 2017 de Facebook-pagina ‘Op zoek naar mijn verloren zus’ aan. ‘Ik zette er foto’s op van ons, haar broers en zussen, en van moeder toen ze nog jong was. Die pagina werd meer dan duizend keer gedeeld en ik hoopte dat mijn verdwenen zus ons zo misschien op het spoor zou komen. Tot hiertoe is dat niet gebeurd. Ik heb intussen bij de Franse overheid een verzoek ingediend om de anonimiteit van moeder op te heffen. Zo komt mijn zus tenminste de naam van haar biologische moeder te weten, als ze op zoek zou zijn. Mijn moeder werd er indertijd door haar moeder van beschuldigd haar kind verkocht te hebben aan de Zusters Kindsheid Jesu, de blauwe zusters in de volksmond. Grootmoeder legde toen ook klacht neer bij de rijkswacht, zonder gevolg.’

 

In de jaren zestig gingen vooral ongehuwde meisjes anoniem in een kliniek in Frankrijk bevallen. Mevrouw Ogiers, u was 27 en had al drie kinderen.

Jeanine Ogiers: Ik kwam bij die nonnen terecht omdat ik materieel en emotioneel volledig aan de grond zat. Mijn toenmalige man had een zwaar drankprobleem en mishandelde ons. Op een nacht gooide hij de bedjes om waarin John en zijn oudere broer en zus lagen te slapen. Toen was de maat vol. Ik vluchtte met de kinderen naar mijn ouders, maar daar waren we niet welkom. Ik stond op straat met drie kleine kinderen, zonder inkomen. Mijn man betaalde het onderhoudsgeld niet en ik kreeg geen kindergeld. Ik wist van geen hout pijlen maken en moest dringend werk vinden. De kinderen werden in een home in Heusden geplaatst en ik vond een job bij de pas geopende Volvo-fabriek in Gent, aan de lopende band.

John Verstraeten: Op mijn 56e heb ik nog steeds vreselijke beelden van die paar maanden in dat tehuis. Ze stopten ons in de kelder omdat onze ouders de rekeningen niet betaalden. Toen ik drie jaar oud was, werden we geplaatst bij onze grootouders.

Ogiers: Mijn vader en moeder aasden eerst en vooral op het geld dat ze daarvoor kregen.

Verstraeten: Dat is jammer genoeg waar. Met die centen kochten ze een nieuwe salon en tv. Wij krikten hun materiële welstand op en in ruil gaven ze ons slaag. Ik hoor mijn grootmoeder nog schreeuwen: ‘Je moeder is een hoer. Ze liet je in de steek. Trap het maar af als het je niet aanstaat.’

 

Dat klinkt alsof u opgroeide aan de zelfkant van de samenleving.

Verstraeten: Toch niet. Mijn grootvader was buschauffeur en verdiende goed zijn boterham. Maar mijn grootouders waren allebei zeer gewelddadig tegenover hun kinderen en kleinkinderen. Ik zie nog hoe opa mijn zus met een stok afranselde. Als de woede uit zijn ogen verdwenen was, zei hij tegen haar: ‘Hier heb je 500 frank.’ De huisdokter speelde een smerige rol in heel ons verhaal. Elke maand kwam hij controleren of mijn veertienjarige zus nog maagd was. Toen ik veertien was, ging hij ook bij mij over tot seksueel grensoverschrijdend gedrag. ‘Dan kan ik je beter onderzoeken’, beweerde hij. Onlangs zat ik in het vliegtuig naast een vriendelijk oud heertje. ‘Waar komt u vandaan?’, vroeg hij. ‘Wetteren’, antwoordde ik. Hij zei: ‘Dat is toevallig, ik woon in de buurt, in Oordegem. Ik ben dokter D.W., aangename kennismaking.’ Ik voelde me misselijk worden; het was onze huisdokter van toen. Ik kon geen woord meer uitbrengen.

 

Mevrouw Ogiers, in 1966 raakte u ongewenst zwanger.

Ogiers: Mijn zes jaar oudere ploegbaas bij Volvo toonde zich erg bezorgd over mijn situatie. Hij troostte me en van het een kwam het ander. Hij was getrouwd en had kinderen. Er wordt vaak gezegd: ‘Een getrouwde kerel verleiden, deugt niet.’ Terwijl ik geen seks zocht, maar warmte, genegenheid en vriendschap. Maar dat beseffen al die mensen niet die met het vingertje staan te zwaaien. Zijn vrouw heeft nooit iets van onze relatie geweten. Toen ik zwanger was, vroeg hij niet of hij kon helpen. Hij heeft later ook nooit naar ons kind gevraagd.

Verstraeten: Ik kan begrijpen dat je in die man zijn armen belandde, want jij zat in de miserie. Maar hij maakte misbruik van je, want jij was de zwakkere partij. Hij was je baas, getrouwd, met kinderen. Als hij je echt graag had gezien, zou hij zijn verantwoordelijkheid genomen hebben en had hij een fatsoenlijke regeling uitgewerkt.

Ogiers: Toen ik wist dat ik zwanger was, raakte ik in paniek. Ik zat er compleet onderdoor, kon geen nieuwe baby aan en zocht hulp in het Bijlokehospitaal in Gent. Zij verwezen me door naar het klooster van de blauwe nonnen in de Nederpolder. Ik tekende een contract dat ik mijn kind afstond. Toen de weeën begonnen, voerden de zusters me met een auto naar Rijsel om te gaan bevallen.

 

Naar een ziekenhuis?

Ogiers: Nee, naar een huis in de rij, bij een vroedvrouw. Ik was niet de enige die daar kwam bevallen; er was nog een hoogzwanger meisje. Zij kwam uit Schellebelle. Ook haar kind, een jongen, werd zonder boe of ba meegenomen, net als mijn dochter. Ik mocht haar zelfs niet even vasthouden. Die nonnen waren keihard. ’s Anderendaags voerden ze me terug naar huis. Op het moment van ons vertrek zag ik een non een andere auto instappen, met mijn pasgeboren baby in haar armen. Ik was murw en alles gebeurde buiten mij om. Ik weet zelfs niet meer waar ze me toen in Gent hebben afgezet. Vannacht lag ik daar urenlang over te piekeren, maar heel die tocht van Rijsel naar Gent is een zwart gat. Die reis is al jaren uit mijn geheugen gewist.

 

Werd u door de zusters onder druk gezet om uw kind af te staan?

Ogiers: Nee. Ik zat diep in de shit en zag geen andere uitweg. Maar zowat meteen na de geboorte stak een overweldigend schuldgevoel op. Een paar maanden later klopte ik opnieuw bij de blauwe zusters aan. Ik wou weten waar mijn kind was. Hun reactie was ijskoud: ‘Daar heb je geen zaken mee.’ Ik had mijn kind definitief afgestaan, was dus geen moeder meer en kon maar beter opkrassen. Ze werden boos omdat ik het lef had naar mijn dochter te vragen. Jaren later hoorde ik dat de non die zich met de ongewenste zwangerschappen bezighield, bijna al haar dossiers verbrand had. ‘Ik neem mijn geheimen mee in het graf’, zei ze. Ook het dossier van mijn dochter ging in vlammen op.

 

Toch wist u dat u uw kind voor adoptie had afgestaan?

Ogiers: Natuurlijk, maar ik kreeg daar zeer snel spijt van. De kinderen werden alleen verkocht aan adoptieouders die er warmpjes inzaten. Dat zeiden de zusters me toen ik dat contract tekende. De handel in baby’s van ‘gevallen vrouwen’ bracht in die tijd een aardige stuiver op.

Verstraeten: In werkelijkheid was het mensenhandel, die dan nog eens netjes geregeld was tussen kerk en staat. Want anoniem bevallen in Frankrijk was volkomen normaal. Ik begrijp de hardheid van die nonnen niet die mijn moeder een paar maanden na de bevalling wegstuurden.

Ogiers: Op school leerde ik dat we respect moesten hebben voor dokters, advocaten, pastoors en nonnen. Sorry, maar vandaag heb ik voor geen enkele geestelijke nog respect. Ik geloof in iets dat ons overstijgt, maar het instituut de kerk kan me gestolen worden. Weet u dat ik het er zeer moeilijk mee heb om mijn verhaal aan u te vertellen? Want ook al is de maatschappij veranderd en is de kerk haar greep kwijt, toch blijft er veel schaamte. Ik word nog altijd als een paria bekeken omdat ik mijn kind heb afgestaan.

 

Mijnheer Verstraeten, wanneer zag u uw moeder voor het eerst terug?

Verstraeten: Op de begrafenis van mijn grootmoeder. Ik was toen veertien. Ik was boos op moeder, want ze had ons in de steek gelaten. Het heeft dertig jaar geduurd voor ik hier over de vloer kwam. Ik kon het woord ‘moeder’ niet uitspreken. Toch raapte ik op een dag al mijn moed bijeen en belde aan. Grootmoeder had bij leven en welzijn de wildste verhalen over mijn moeders handel en wandel verteld. Ik wou haar versie van de feiten horen en heb haar intussen ook vergeven. Ik kan niet oordelen over wat zij indertijd meemaakte.

Ogiers: Mijn moeder zei dikwijls dat ze me liever kwijt dan rijk was. Tegen mijn vader riep ze: ‘Sla Jeanine dood, dan zijn we tenminste van haar verlost.’ Ik was een ongewenst kind en dat heeft me voor de rest van mijn leven getekend. Net als mijn zoektocht naar mijn verdwenen dochter.

 

Zoekt u niet naar een naald in een hooiberg?

Ogiers: Daar lijkt het op, ja. Want weet zij dat ze in Frankrijk geboren is? Niemand heeft zicht op wat die nonnen indertijd aan de adoptieouders wijsmaakten. Wat wisten die mensen over haar afkomst?

Verstraeten: We hopen dat ze ooit onze Facebook-pagina ‘Op zoek naar mijn verloren zus’ bezoekt, al die foto’s van haar broers, zussen, moeder en grootouders ziet en zichzelf daarin herkent.

Ogiers: Ik heb via een website een DNA-staal laten nemen in de hoop dat er ergens een match is met haar. Waarschijnlijk heeft zij intussen kinderen en heb ik zo ook nog kleinkinderen die ik niet ken. Veel jaren resten me niet meer om haar te vinden.

 

Het zou ook kunnen dat ze heel kwaad is op u.

Ogiers: Daar hou ik rekening mee. Ik wil haar heel graag vinden, maar tezelfdertijd ben ik bang voor die eerste ontmoeting. Het kan best dat ze me nooit meer wil zien.

 

U hebt vijf kinderen. Hebben zij allemaal evenveel begrip voor uw zoektocht naar uw verdwenen dochter?

Ogiers: Ik heb zes kinderen, want ik tel mijn verdwenen dochter altijd mee. Drie zonen en drie dochters. Mijn verdwenen dochter was lang een geheim. Veertig jaar lang verzweeg ik haar, nu weten ze het allemaal. Op een bepaald moment was ik niet meer aanspreekbaar. Bij het minste schoot ik uit mijn krammen. Tot mijn dochter Tanja zei: ‘Moeder, het is hoog tijd dat je er iets aan doet, want zo kan het niet verder.’ Ik ging in therapie en dat hielp. Mijn leven was een aaneenschakeling van ellende. De gelukkigste jaren maak ik nu mee, maar elke dag denk ik aan mijn verdwenen kind.

 

 

Anoniem bevallen, het laatste mysterie

 

Met haar vzw Mater Matuta verdedigt Marleen Adriaens onder andere de belangen van slachtoffers van anonieme bevallingen. Zij voerde lang onderzoek naar adopties van de Kindsheid Jesu en weet wel wat er met de dossiers gebeurde. ‘Eind jaren tachtig zijn ze allemaal verbrand. De kloosterordes die zich met anoniem bevallen bezighielden, wisten dat er rond adoptie een strengere wetgeving in de lucht hing en hielden preventief grote kuis. Van begin jaren zestig tot eind jaren tachtig was anoniem bevallen in Frankrijk courante praktijk. Dat stopte pas definitief met die nieuwe adoptiewet van 1989. Vooral de congregatie van de Kindsheid Jesu, met kloosters in Gent en Lommel, was erin gespecialiseerd. Maar ook het seculiere adoptiebureau ‘Thérèse Wante’ uit Schoten hielp vrouwen anoniem bevallen. Wante is inmiddels dood, maar haar adoptiedienst bestaat nog en is nu gevestigd in het Waalse Ottignies. Ook Thérèse Wante stak alle dossiers in de fik.

De meeste anonieme bevallingen waren tienermeisjes in nood. De familie bracht hen naar het klooster, want de nonnen zorgden ervoor dat ze konden bevallen zonder dat iemand het wist. De baby’s werden vervolgens doorverkocht aan adoptieouders.’

 

Was het onvervalste kinderhandel?

Marleen Adriaens: Zonder twijfel, al wordt dat nog steeds ontkend. Adoptieouders moesten zogezegd niet betalen voor hun kind, maar ‘giften’ aan de kloosterorde waren wel verplicht. De nonnen stelden zich ook altijd keihard op tegen vrouwen die later wilden weten wat er met hun kind gebeurd was. Omdat alle papieren sporen gewist zijn, weet nu niemand hoeveel vrouwen er anoniem in Frankrijk gingen bevallen en hoeveel kinderen er ter adoptie werden aangeboden.

 

Is er dan niets terug te vinden in bevolkingsregisters en archieven van gemeenten?

Adriaens: Zelden. Onlangs werd ik gebeld door een vrouw van 58. Zij had nog maar pas ontdekt dat ze geadopteerd was. Niemand had begin jaren zestig haar moeder zwanger gezien en tóch was zij bevallen van een dochter. De vrouw stond geregistreerd als het biologische kind van mensen die in feite haar adoptieouders waren. Die volstrekt illegale praktijk van ‘onderschuivingen’ van kinderen kwam bij anoniem bevallen regelmatig voor. Ziekenhuizen, dokters en verpleegkundigen waren medeplichtig. Sommige veertigers en vijftigers weten vandaag dus nog altijd niet dat ze ooit geadopteerd zijn.

 

© Jan Stevens

‘Ze hebben mijn leven gestolen’

In november 1987 werd de pasgeboren Coline Fanon in een ziekenhuis in Guatemala geroofd voor adoptie. Haar moeder kreeg te horen dat haar baby dood was. Via het inmiddels opgedoekte Hacer Puente kwam Coline in België terecht. “Ze hebben mijn leven gestolen en twee families in de ellende gestort.”

 

Op maandag 13 mei kondigde Unicef België aan dat ze haar pas aangestelde nieuwe directeur Bernard Sintobin alweer wandelen stuurde. Aanleiding was een reeks welgemikte tweets van tv-maker Eric Goens naar aanleiding van Sintobins benoeming. ‘Bernard Sintobin is jarenlang penningmeester geweest van Hacer Puente, de Belgische adoptievereniging die in Guatemala tientallen kinderen heeft verhandeld. Euhm?’ Gevolgd door een tweet met een foto van twee jonge vrouwen. ‘Dit zijn Coline en Sophie: dertig jaar geleden als baby verhandeld in Guatemala, door toedoen van de Belgische adoptievereniging Hacer Puente. De voormalige penningmeester van Hacer Puente is vandaag voorzitter van @UNICEFBELGIE.’

In januari van dit jaar getuigden de Franstalige dames Coline Fanon en Sophie Villers over hun malafide adopties in de reeks Bargoens op Eén. Eric Goens reisde met hen naar Guatemala, onder andere naar de residentie van wijlen Ofelia Rosal de Gamas, regelaar van adopties voor Hacer Puente en schoonzus van Oscar Humberto Mejía Victores, dictator van Guatemala van 1983 tot 1986. In De Morgen van 13 mei ontkende Sintobin ooit meegewerkt te hebben aan frauduleuze adopties. “Het enige wat we deden, was adoptiebemiddeling”, zei hij. “We rekenden zelfs geen administratiekosten aan.” De samenwerking met Ofelia Rosal de Gamas gaf hij wel toe. “Zij zorgde ervoor dat de dossiers op het juiste adres terechtkwamen. Maar het is niet omdat iemand een dictator is, dat de rest van zijn familie ook corrupt is.”

Coline Fanon richtte samen met Sophie Villers Racines Perdues op, een organisatie die in Guatemala op zoek gaat naar de verloren roots van adoptiekinderen. Over Sintobin en Unicef wil Coline het liever niet hebben. Wel over hoe zij als baby door Ofelia de Gamas & co geroofd werd.

Coline Fanon: “Mijn Belgische ouders wilden een kind adopteren en stapten naar het Office de la Naissance et de l’Enfance (ONE), de Franstalige tegenhanger van Kind en Gezin. Ze wilden weten welke adoptiedienst hen het beste kon helpen en werden doorverwezen naar Hacer Puente uit Doornik. Die organisatie werd geleid door Michèle Boucq en was gespecialiseerd in adopties uit Guatemala. Boucq had samen met haar man zelf ook Guatemalteekse kinderen geadopteerd. Mijn ouders doorliepen feilloos alle toen gangbare formaliteiten voor adoptie en in november 1986 kregen ze het bericht dat er in Guatemala een klein meisje op hen lag te wachten. Een maand later liet Hacer Puente weten dat hun baby jammer genoeg gestorven was. Dat nieuws kwam hard aan.”

 

Tot ze in februari ’87 hoorden dat u hun dochter zou worden.

Fanon: “Hun hoop flakkerde op. Mijn ouders vroegen meteen een visum aan voor mij, wat ze trouwens eerder al hadden gedaan voor de eerste baby. Die procedure verliep via Ofelia Rosal de Gamas. Mijn ouders moesten haar voor haar diensten rechtstreeks betalen. Dat werd hen meegedeeld door Hacer Puente. Het geld diende zogezegd om haar kosten te dekken die zij in Guatemala maakte en moest gestort worden op een rekening in de Verenigde Staten.”

 

Op wiens naam stond die rekening?

Fanon: “Ofelia Rosal de Gamas. Van andere kinderen die via dezelfde organisatie geadopteerd zijn, weet ik dat zij niet altijd de rechtstreeks begunstigde was. Soms moest het geld overgeschreven worden naar rekeningen van advocaten in de VS.”

 

Hoeveel betaalden uw ouders?

Fanon: “Dat mag ik niet zeggen; mijn ouders willen dat niet. Niet alle Belgische adoptieouders betaalden evenveel. De bedragen schommelden en er zat geen systeem in. Het kon best dat het ene koppel voor twee Guatemalteekse kinderen vijf keer minder moest neertellen dan een ander koppel voor één kind. Maar altijd ging het over duizenden franken.

“Niet lang nadat mijn ouders het geld hadden overgeschreven, kregen ze van Hacer Puente een brief dat er problemen waren in Guatemala. Alle lopende adopties waren geblokkeerd. Reden: de Guatemalteekse justitie had zware vermoedens over kinderhandel. In de brief stond ook dat er arrestaties verricht waren.”

 

In april van dit jaar schreef het Amerikaanse maandblad Harper’s Magazine dat Ofelia de Gamas twee keer in Guatemala gearresteerd werd voor kinderhandel: een keer in 1983 en een keer in 1987. Ze werd nooit veroordeeld; niemand weet of ze vrijkwam door politieke druk of door het betalen van smeergeld. Toen uw ouders die brief kregen, was dat vermoedelijk nadat De Gamas in ’87 was opgepakt?

Fanon: “Dat zou kunnen. Andere adoptieouders hadden niet veel eerder een brief van Hacer Puente in de bus gevonden met het verzoek om positieve verhalen over de organisatie te delen. ‘Momenteel hebben de negatieve geruchten een hoogtepunt bereikt’, stond erin. ‘De adopties worden sterk in twijfel getrokken. De kinderen zouden niet geadopteerd worden, maar verkocht. Enkel adoptieouders kunnen bewijzen dat die beschuldigingen totaal ongegrond zijn. U mag vermelden dat u Ofelia de Gamas dankbaar bent om wat ze voor uw kind gedaan heeft.’

“Mijn ouders schrokken zeer erg toen ze lazen dat hun adoptiekind voorlopig niet naar België kon komen. Ze schreven naar de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Leo Tindemans en vroegen hem om diplomatieke hulp. ‘Wij hebben alle adoptieregels strikt gevolgd en willen ons kind bij ons.’ Hun verzoek kwam niet uit de lucht vallen: Frankrijk had eerder al in adoptiedossiers diplomaten ingeschakeld. Ze schreven ook naar de Belgische ambassadeur in Guatemala, maar die heeft nooit gereageerd.”

 

Wisten ze waar u ergens in Guatemala was?

Fanon: “Hacer Puente had hen wijsgemaakt dat ik ondergebracht was bij het Rode Kruis. Daarom schreven mijn ouders ook naar prins Albert, onze latere koning. Hij was voorzitter van het Belgische Rode Kruis en zij vroegen hem of hij meer te weten kon komen over de omstandigheden waarin ik was ondergebracht.”

 

Hoe oud was u toen?

Fanon: “Een maand of drie, vier. Mijn ouders kregen antwoord van de stafchef van Albert: ‘De prins heeft uw verzoek doorgestuurd naar de algemene directie van het Rode Kruis België. Hij vraagt hen uw zaak te onderzoeken en u indien mogelijk te helpen.’ Vervolgens gebeurde er een hele tijd niets. Mijn vader en moeder wachtten, maar kregen intussen wel een factuur van Hacer Puente toegestuurd die ze netjes betaalden. De organisatie rekende hen de kosten aan voor mijn verzorging, voeding en kledij, en voor mijn babysitters.”

 

Was u op dat moment ook veilig ondergebracht bij het Rode Kruis?

Fanon: “Nee. Er zijn sporen van mij teruggevonden in Guatemala City in een clandestien huis waar adoptiekinderen verzameld werden. Ze hebben toen ook foto’s van mij genomen, onder andere één waarop mijn voeten zijn samengebonden. Maar waar ik precies al die tijd verbleef, weet ik nog steeds niet. Waar ik wel zeker van ben, is dat ik eind juli 1987 nog opgesloten zat, terwijl mijn adoptiedossier in gang gezet was in november ’86.”

 

Uw biologische moeder had u toen afgestaan voor adoptie?

Fanon: “Nee, op geen enkel moment. Niet lang na mijn geboorte kreeg ik hevige koorts en mijn mama keerde met mij terug naar het ziekenhuis waar ze bevallen was. ‘Mijn pasgeboren baby is ziek’, zei ze. Twee dagen later vertelden ze haar in het hospitaal dat ik gestorven was. In werkelijkheid hadden ze me overgebracht naar een ander ziekenhuis.”

 

U bent dus ontvoerd door dokters en verplegers?

Fanon: “Vermoedelijk wel. Of ze waren op zijn minst medeplichtig.”

 

In de jaren zeventig en tachtig gebeurde net hetzelfde in Sri Lanka. Daar werden ook baby’s in ziekenhuizen door verplegend personeel geroofd.

Fanon: “In India ook. Mijn moeder vroeg aan de dokter: ‘Mag ik mijn dochtertje zien?’ Hij zei: ‘Nee, dat kan niet. We moesten haar begraven. Ze ligt in een massagraf.’ Mijn Guatemalteekse mama heeft later ter nagedachtenis aan mij een grafsteen op het kerkhof geplaatst.”

 

Wat vertelden de mensen van Hacer Puente aan uw adoptieouders?

Fanon: “Dat een straatarme vrouw haar baby tegen betaling had afgestaan. Mijn biologische ouders waren niet arm. Mijn biologische vader zat in het Guatemalteekse leger op het moment van mijn geboorte. Ze hadden samen al een zoon. Toen mijn moeder zwanger was van mij, zijn ze gescheiden. Maar ze bleven in contact met elkaar. Mijn vader heeft altijd voor zijn zoon gezorgd; hij liet mijn moeder niet aan haar lot over. Nadat ze in het hospitaal te horen gekregen had dat ik gestorven was, zakte ze een tijdje weg in een depressie. Later hertrouwde ze en kreeg ze nog andere kinderen.”

 

In oktober 1987 vertrokken uw adoptieouders naar Guatemala om u eindelijk te gaan ophalen.

Fanon: “Die reis werd georganiseerd door Hacer Puente-voorzitster Michèle Boucq. Op de luchthaven stond Ofelia Rosal de Gamas hen met haar chauffeur op te wachten. Mijn ouders werden naar een hotel gebracht dat vol bleek te zitten met andere adoptieouders. Er waren zo twee hotels in Guatemala City, gespecialiseerd in het te slapen leggen van buitenlanders die hun nieuwe kinderen kwamen ophalen. Tik op Google de naam in van het hotel waar mijn ouders verbleven, en één van de eerste foto’s die je te zien krijgt, is van een witte mevrouw met een bruine baby op de arm.”

 

Hoe heette dat hotel?

Fanon: “Casa Grande in Guatemala City. De avond van hun aankomst bracht Ofelia mij naar het hotel. Vijf dagen later kwam ze terug om samen met mijn ouders de administratie af te werken. Vader en moeder spraken geen woord Spaans, dus regelde zij alles. Ze toonde foto’s van het huis in de krottenwijk waar mijn biologische moeder zou geleefd hebben. ‘Kijk eens in wat voor vreselijke armoedige omstandigheden de moeder van jullie dochtertje probeert te overleven.’ Nu moet u weten, mijn biologische moeder heeft nooit op die plek gewoond. Sterker nog, de foto van datzelfde krot zit ook in een totaal ander adoptiedossier.

“Ofelia de Gamas nam mijn adoptieouders mee op uitstap naar haar residentie in de stad Antigua, waar ze hen voorstelde aan haar schoonbroer. ‘Hij is een gepensioneerde officier.’ Mijn ouders waren er zich op dat moment totaal niet van bewust dat ze met ex-dictator en notoir schender van de mensenrechten Óscar Humberto Mejía Victores gezellig koffie zaten te drinken. Toen ik hen een jaar geleden een foto van die man liet zien, schrokken ze: ‘Maar dat is die vriendelijke mijnheer van toen.’”

 

Wanneer besloot u uw eigen verleden uit te spitten?

Fanon: “Ik was twintig. Daarvoor had ik me ook al vragen gesteld over mijn verleden, zeker in mijn puberteit. Het verschil met veel andere geadopteerden, is dat je het aan mij niet echt ziet. Ik bedoel: ik val hier op straat niet op. Ik kan best Spaanse of Marokkaanse roots hebben, zoals ontzettend veel andere Belgen. Heel af en toe vroeg wel eens iemand: ‘Waar kom jij vandaan?’ ‘Uit Latijns-Amerika.’ En daar hield het dan mee op.

“Ik heb een zus die ook geadopteerd is. Onze ouders hebben al heel lang uitstekend contact met haar biologische familie. We hebben echt fantastische adoptieouders. Ze deden nooit geheimzinnig over onze adopties. Ik was achttien toen ik hen vroeg of ik mijn dossier mocht inkijken. Geen probleem, alleen was dat dossier flinterdun.

“Ik heb intussen zelf twee kinderen, een meisje en een jongen. Toen ze nog heel klein waren, had ik geen tijd meer om op zoek te gaan. Binnenkort wordt mijn dochter zeven. Toen zij zei: ‘Mama, ik wil het eigenlijk wel eens weten’, wou ik dat ook.”

 

Dus ging u op zoek naar ouders waarvan u overtuigd was dat ze u ooit weggegeven hadden?

Fanon: “Ik had er nooit aan getwijfeld dat zij me gedumpt hadden. Toch wou ik weten hoe ze eruitzagen.”

 

Was u boos op hen?

Fanon: “Nee, dat ben ik nooit geweest. Ik kon begrijpen dat mijn moeder me uit armoede had weggegeven. Mijn adoptiemoeder hield me altijd voor: ‘Ze heeft dat waarschijnlijk gedaan omdat ze geen andere keuze had.’ Dat leek ook zo uit mijn dossier: ze stond me af om mij een betere toekomst te garanderen. Ik was terechtgekomen in een warm nest, met liefhebbende ouders. Ik leidde een zalig leven, en ben trouwens nog steeds gelukkig met wat ik heb. Ik hou van mijn adoptieouders en zij van mij. Zij hebben het zeer moeilijk met wat er nu allemaal boven water komt. (stilte)

“In december 2017 begon ik mijn dossier zeer nauwgezet uit te pluizen. Ik tikte de naam ‘Hacer Puente’ in op het internet en kwam terecht bij het getuigenis van de bekende Franse zangeres Carmen Maria Vega. In 2011 had zij ontdekt dat haar adoptie in 1984 via Hacer Puente allesbehalve fatsoenlijk verlopen was. Ik belde haar. ‘Ofelia Rosal de Gamas regelde mijn adoptie.’ Ze zei: ‘Je weet toch dat Rosal de Gamas handel dreef in kinderen?’ Het was alsof de grond onder mijn voeten wegzonk. Toen wou ik àlles over Hacer Puente en mijn adoptie te weten komen. Ik ging zelfs Spaans studeren om alle paperassen goed te kunnen begrijpen en met Guatemalteken te kunnen communiceren.”

 

Hoe vond u uw biologische ouders?

Fanon: “Ik speurde het internet af en kwam zo bij de Guatamalteekse onderzoeksjournalist Sebastiàn Escalón terecht. In 2015 legde hij samen met zijn collega Pilar Crespo een netwerk in kinderhandel uit de jaren zeventig en tachtig bloot. Eén van de spillen was de advocaat Edmond Mulet, die het inmiddels geschopt had tot hoge pief bij de Verenigde Naties. Ik mailde Sebastiàn: ‘Ik ben geadopteerd in 1987 via bemiddeling door Ofelia de Gamas’. Hij antwoordde direct: ‘Dan ziet het er niet goed uit.’ Hij bracht me in contact met Marco Garavito van La Liga Guatemalteca de Higiene Mental. Marco voert onderzoek naar de verdwenen kinderen van Guatemala.”

 

Zijn er dan zoveel kinderen spoorloos verdwenen?

Fanon: “Guatemala heeft een bijzonder kwalijke adoptiereputatie. Dat begon in 1954, toen een staatsgreep de eerste van een lange reeks militaire dictators aan de macht bracht. Burgers gingen in verzet en de dictators en hun doodseskaders traden keihard op. Volgens een onderzoekscommissie van de VN werden tussen 1954 en 1996 minstens tweehonderdduizend mensen vermoord. Bij klaarlichte dag werden ze door militairen, agenten of huurlingen van de straat geplukt, in busjes afgevoerd, gefolterd, afgemaakt en in massagraven gedumpt. Kinderen werden massaal gestolen, in staatsweeshuizen ondergebracht en met vervalste papieren ter adoptie aangeboden. Die grote kinderrroof wordt nu als een oorlogsmisdaad beschouwd. Het is tegen die achtergrond dat Ofelia de Gamas actief was. La Liga van Marco Garavito helpt ouders met het opsporen van hun verdwenen kinderen. Mijn eerste echte brief in het Spaans schreef ik naar Marco. (lacht) Sebastiàn Escalón gaf me intussen een snelcursus in online-onderzoekstechnieken. Met hun hulp vond ik mijn Guatemalteekse ouders en familie terug. Negen dagen en negen nachten bracht ik continu door op het internet.

“Uiteindelijk vond ik hen op Facebook. Ik durfde mijn biologische moeder niet aan te spreken. Op haar profiel stond elke zevende november van elk jaar een gebedje naast een foto van een baby.”

 

Dat was ter nagedachtenis aan u, haar gestorven dochtertje?

Fanon: “Ja. Volgens de papieren van Hacer Puentes die ik in mijn bezit heb, ben ik geboren op 7 november. Toen mijn adoptieouders me kwamen halen, was mijn geboortedatum op de officiële documenten veranderd in 4 november. ‘Het was oorlog en er was chaos’, zeggen mama en papa. ‘Die verkeerde datum was gewoon een vergissing.’ Dat is best mogelijk. Mijn ouders waren in ‘87 trouwens erg bang om naar Guatemala te vertrekken. Het zijn gewone mensen en geen avonturiers, militairen of oorlogsjournalisten. (lacht)”

 

U stuurde eerst een van uw gloednieuwe zussen een bericht via Facebook?

Fanon: “Zij dacht dat ik een gekkin of een oplichtster was. Later belden we en ze ratelde zo snel in het Spaans dat ik haar nauwelijks kon volgen. Een andere zus vroeg: ‘Welke informatie heb je over je adoptie?’ Ik stuurde haar alles wat ik had. Meteen daarna reageerde ze: ‘Hoe is het mogelijk dat je nog leeft?’ Toen zag ik een vriendschapsverzoek van mijn mama. (stilte) Vervolgens stuurde ze een bericht dat ik niet meteen durfde te openen. ‘Dag mijn mooi lief meisje, mijn schat’, schreef ze. ‘Ik geloof dat ik je mama ben.’”

 

Haar dertig jaar dode dochter was plots springlevend.

Fanon: “Al die jaren was ze er rotsvast van overtuigd dat ik dood was. Daar heeft ze nooit aan getwijfeld. Elk jaar brandde ze een kaarsje op mijn verjaardag. Mijn biologische mama had me Mariela Sindy genoemd. Mijn biologische papa noemde zijn eerste dochter die na mij geboren is, Mariela en zijn tweede dochter Cindy.”

 

Wanneer ontmoette u uw moeder in levende lijve?

Fanon: “In januari 2018, anderhalve maand na ons eerste contact. Ik moést haar zien en nam in mijn eentje het vliegtuig naar Guatemala. Heel de familie stond me op de luchthaven op te wachten.

“Ik vond mijn mama zo mooi. Ze rende naar me toe en nam me in haar armen. Ze was zacht en rook zo lekker. Haar geur vergeet ik nooit meer.”

 

Uw biologische vader ontmoette u later samen met Eric Goens voor Bargoens?

Fanon: “Papa woont in de Verenigde Staten. Hij is een succesrijk ondernemer en kwam speciaal voor ons over naar Guatemala. Mijn biologische mama is mijn adoptieouders ontzettend dankbaar. Ze kan niet ophouden met hen te bedanken omdat ze al die jaren zo goed voor haar dochter gezorgd hebben. Mijn beide mama’s hebben elkaar gesproken, en zouden graag samen tijd doorbrengen met mij. Maar ik kan dat op dit moment emotioneel niet aan. Zij kijken daar heel erg naar uit; voor mij lukt dat voorlopig niet.”

 

U zit nu met uw identiteit zwaar in de knoop?

Fanon: “Het is ingewikkeld. Als ik daar ben, zien de mensen me als één van hen. Ik ben dan ook één van hen, want op die momenten werken de toeristen me even hard op de zenuwen. (lacht) Daar ben ik thuis, maar hier ben ik ook thuis. Dat is zo raar. Als ik hier geen gezin had, was ik al lang weg naar Guatemala. Daar ben ik zeker van. Ik had de oversteek eerlijk gezegd bijna geregeld. Ik had zelfs een school gevonden waar de kinderen ook Frans konden blijven spreken. Mijn Guatemalteekse mama wil zo graag dat ik terugkom. Maar mijn man ziet een verhuis niet zitten. Mijn Guatemalteekse papa zou liefst hebben dat ik naar de VS verhuis. Maar ik raak dat land niet binnen omdat mijn papieren vervalst zijn. Officieel woon ik nog steeds in Guatemala.

“Ik ben verdrietig over wat mijn vaders en moeders moesten meemaken. Ik ben ook kwaad over wat er gebeurd is. Ze hebben mijn leven gestolen en twee families in de ellende gestort. Ik was amper een paar dagen oud toen ze me roofden. Het federaal parket voert nu sinds enkele maanden een onderzoek naar alle adopties van Hacer Puente. Ik hoop dat duidelijk zal worden wie in België verantwoordelijk was.”

 

Kwam dat gerechtelijk onderzoek er door u of door uw organisatie Racines Perdues?

Fanon: “Nee, het kwam er na een klacht van een slachtoffer uit Vlaanderen. Zij stapte met haar adoptieverhaal naar de politie. Via Racines Perdues heb ik contact met alle geadopteerden van Hacer Puente. Ook met de Vlaamse vrouw Dolores Maria Preat die in 2014 voor een stevig schandaal zorgde in Guatemala. Ook zij had ontdekt dat haar moeder haar niet uit armoede had afgestaan, maar dat ze was ontvoerd. Haar kidnapster gaf zichzelf uit voor haar biologische moeder. Die vrouw is daar in Guatemala voor veroordeeld.”

 

Preats adoptie verliep via Hacer Puente?

Fanon: “Ja. Ik zeg niet dat er een geurtje hangt aan alle adopties die Hacer Puente ooit regelde. Maar de lijst van onregelmatigheden die we via Racines Perdues in Guatemala verzamelden, oogt indrukwekkend. Met nummers van identiteitskaarten van biologische ouders die niet kloppen, mannen die vrouwen blijken te zijn, enzoverder… Het was één knoeiboel.”

 

In Vlaanderen is er op dit moment ook flink wat heisa over interlandelijke adoptie. Er bestaan ernstige vermoedens van fraude over adopties uit onder andere Sri Lanka, Ethiopië en Congo.

Fanon: “Franstalige en Nederlandstalige adoptiekinderen staan nu in nauw contact met elkaar. Want interlandelijke adoptiefraude is geen communautaire materie: in heel dit land liep het vaak grondig fout. Daarom is het meer dan de hoogste tijd voor een landelijke waarheidscommissie over adoptie. Álles moet op tafel komen. Zonder taboes.

“Sophie Villers en ikzelf willen graag als vertegenwoordigers van Racines Perdues door de toekomstige premier van België ontvangen worden. Want omdat we als baby ontvoerd zijn, raken wij nu de VS niet binnen. Daar beschouwen ze ons nog steeds als Guatemalteken. We zouden graag hebben dat onze toestand via diplomatieke weg geregulariseerd wordt. Dan kan ik mijn biologische papa bij hem thuis opzoeken. De nieuwe Belgische regering moet ook werk maken van een DNA-bank waar alle geadopteerden terechtkunnen.”

 

Heeft Michèle Boucq van Hacer Puente intussen contact met u gezocht?

Fanon: “Nee. In 2016 belde ik haar omdat ik meer informatie wou over mijn dossier. ‘Wij regelden enkel de overhandiging’, zei ze. ‘Ik heb geen archief.’”

 

(c) Jan Stevens

“Te vaak is internationale adoptie vermomde kinderhandel”

“Onder het mom van adoptie werd ik in 1980 als baby in India ontvoerd”, zegt Rani T’Kindt. Opdrachtgever was adoptiebureau De Vreugdezaaiers. In 2011 verloor die organisatie haar erkenning; een half jaar later nam het nu in opspraak gekomen Ray of Hope alle dossiers over. “Zolang er met adoptie geld te verdienen valt, zál er gefraudeerd worden.”

 

“Ik ben illegaal geadopteerd en heb dus ook op een illegale manier verblijfspapieren gekregen”, stelt Rani T’Kindt (40). “Toch riep niemand tot hiertoe op om mij uit te wijzen, zelfs het Vlaams Belang niet.”

Op 5 juli 1980 kwam de toen anderhalf jaar oude Rani met het vliegtuig vanuit India in België aan. “Mijn biologische ouders behoorden tot de laagste kaste in de stad Puducherry”, vertelt ze. “Mijn moeder beviel van een meisje en mijn vader was daar niet gelukkig mee. Hij liet haar in de steek. Mama stond met haar pasgeboren dochter op straat en wist van geen hout pijlen maken. De nonnen van het katholieke weeshuis boden haar een job als kokkin aan. Als kleine baby groeide ik op tussen de weesjes. ‘s Nachts moest mama op straat slapen; ik kreeg een bedje tussen de andere kinderen. Mijn Indiaase moeder kon niet lezen of schrijven, maar net als veel andere analfabeten kon ze wel haar naam op papier zetten. De nonnen lieten haar formulieren tekenen waardoor ze zonder het te beseffen mij afstond. Op een ochtend kwam ze in het weeshuis aan en was ik verdwenen. Ik ben nu zelf mama; ik kan me niet voorstellen dat ik mijn dochter van anderhalf zonder morren aan een paar nonnen zou hebben afgestaan. Mijn mama was in paniek. ‘Je hebt zelf getekend’, zeiden de nonnen. ‘Maak je geen zorgen: je dochter is in Parijs. Daar zal ze geneeskunde studeren. Later komt ze terug als dokter.’ Niet lang na mijn ontvoering, keerde mijn biologische vader terug naar zijn vrouw. Zijn geweten knaagde omdat hij mij in de steek had gelaten. Maar ik was verdwenen. Hij was razend. Mijn ouders werden bij de nonnen ontboden en kregen te horen dat ik gestorven was.”

 

Zaaiers van vreugde

Het katholieke weeshuis van Puducherry leverde tegen vergoeding kinderen aan de Gentse adoptiedienst De Vreugdezaaiers. Die organisatie werd eind jaren 50 opgericht door Franciscaner-pater Eugène Delooz. Hij specialiseerde zich in vakanties voor kinderen uit de Parijse bidonvilles bij Nederlandse en Belgische gezinnen. Eind jaren zestig schakelde hij over op adopties van Indiase weeskinderen. Hij sloot een deal met de weeshuizen van Moeder Theresa en op Kerstmis 1970 verscheepte de pater zijn eerste lading Indiase adoptiekinderen. De vraag van kinderloze Belgische en Nederlandse echtparen steeg en de pater legde contacten met andere Indiase weeshuizen, waaronder dat van Puducherry. “Ik heb een foto uit 1980 waarop ik als meisje van anderhalf tussen de weesjes poseer”, zegt Rani. “Pontificaal in het midden zit zuster Blanche met een baby op haar schoot. Ik zit naast haar op de schoot van een meisje met een witte haarband. Die foto diende om in Nederland en België promotie te maken voor het kinderaanbod van De Vreugdezaaiers. Zuster Blanche was een van de daders die mij in samenspraak met De Vreugdezaaiers ontvoerd en verkocht heeft. Die non werd later naar België uitgenodigd om er gevierd te worden als grote weldoenster.”

In november 2011 trok Kind en Gezin de erkenning van De Vreugdezaaiers in. Reden: ze plaatsten te weinig kinderen. Vandaag is de organisatie nog steeds actief als fondsenwerver voor Indiase schoolkinderen. De lopende adoptiedossiers werden in april 2012 overgenomen door het deze week in opspraak gekomen adoptiebureau Ray of Hope (DM 02/05).

 

Uit de doden opgestaan

In België groeide de jonge Rani op in een warm nest. “Ik heb een innige band met mijn Belgische ouders”, zegt ze. “Mijn papa is gestorven op zijn 65e; hij was net op pensioen. Datzelfde jaar is mijn dochter geboren. Ik herinner me dat ik tien was en in bad zat. Ik vroeg mijn mama: ‘Waarom gaat dat bruin niet van mijn lijf?’ Ze antwoordde: ‘Omdat je in India op de wereld gekomen bent. Je Indiase mama was arm en kon niet voor je zorgen. Daarom stuurde ze je naar hier.’”

Op haar negentiende vertrok Rani met haar toenmalige vriend voor een rondreis van een jaar door India. “Van onze trip wilden we een boek maken. ‘Zullen we op zoek gaan naar je biologische mama?’, suggereerde mijn vriend. Tot dan had ik in de veronderstelling geleefd dat ik als baby was gedumpt door een vrouw die niets om me gaf. En toch wou ik haar vinden. In mijn adoptiedossier stond enkel haar voornaam: Mary. De Vreugdezaaiers kwamen te weten dat ik haar in India aan het zoeken was. Ze namen contact op met mijn Belgische mama: ‘Er is niemand meer in Puducherry. Rani’s vader is lang dood en haar moeder stierf onlangs.’ Ik was helemaal van slag. Eerst overwoog ik die stad links te laten liggen. Toch bleven we zoeken en zo ontdekte ik dat mijn beide ouders nog in leven waren. Een non van dat weeshuis kreeg medelijden en hielp me.”

In 1998 ontmoette Rani voor het allereerst haar biologische ouders. “Dat was hartverscheurend en hakte er zowel bij hen als bij mij diep in. Hun kind was uit de doden opgestaan. Zij wisten niet dat ik geadopteerd was. Mijn mama weende en raakte me constant aan, van top tot teen. Ze wilde dat kind voelen dat ze ooit op de wereld gezet had. Ik worstelde daarmee: een vreemde vrouw die op mij leek, kon niet van me afblijven. Ik was haar enig kind. Nadat ik uit haar leven verdween, was haar verdriet zo groot dat ze geen andere kinderen meer wou. Ze smeekte me om voorgoed te blijven, trof zelfs voorbereidingen voor een huwelijksfeest en ging op zoek naar een bruidegom. Ze maakte kennis met mijn Belgische mama en dat was ontzettend moeilijk. Je hoopt om het ontbrekende puzzelstukje van je leven te vinden, maar dat blijkt toch niet zo goed te passen.”

In 2008 bezocht Rani haar biologische ouders opnieuw. Ze organiseerde toen ook een benefiet voor hen in het Gentse. “Ik gaf een interview in een krant waarin ik kritiek uitte op De Vreugdezaaiers, zonder de organisatie bij naam te noemen. Een paar dagen later zat er een anonieme dreigbrief in de brievenbus van mijn ouders. ‘Wij weten waar jullie mee bezig zijn. Let op, of wij treffen maatregelen!’ Het interview zat erbij, met de passages over de Vreugdezaaiers aangeduid in fluo.”

 

Aanklacht tegen kinderhandel

In oktober vorig jaar zag Rani T’Kindt haar moeder in India voor het laatst. “Vier weken geleden is ze gestorven. Ze was 62. Ik ben blij dat ik haar samen met mijn dochter van zeven nog ben gaan opzoeken. In de lente van vorig jaar liet een Indiase neef me weten dat ze ernstig ziek was. Ik wou dat ze voor haar dood haar enige kleinkind zag. In oktober hielden mijn dochter June en mijn mama Mary elkaars handen vast. Dat laatste bezoek aan mijn Indiase moeder heb ik gefilmd, want ik wil een documentaire maken, een aanklacht tegen kinderhandel. Te vaak is internationale adoptie vermomde handel in kinderen. Er moét een waarheidscommissie komen die alle internationale adopties onderzoekt, én een meldpunt. Het getuigenis vorige week van dat Ethiopische meisje over haar frauduleuze adoptie uit 2009, illustreert dat er bitter weinig veranderd is. Ondanks alle regels en wetten. Want zolang er met adoptie geld te verdienen valt, zál er gefraudeerd worden.”

 

(c) Jan Stevens

“Meer dan ooit is er behoefte aan een waarheidscommissie over adoptie”

Na getuigenissen over fraude met adopties uit Ethiopië, belooft minister van Welzijn Jo Vandeurzen een onderzoek. Adinda Aelvoet en Priyani Libert blijven met een wrang gevoel achter. “Omdat het bijna verkiezingen zijn, schieten onze politici nu in gang. Toen wij anderhalf jaar geleden met ons adoptieverhaal naar buiten kwamen, gebeurde er niets.”

 

Zaterdag getuigde in Het Laatste Nieuws de 17-jarige Thereza De Wannemaeker uit Denderleeuw over haar frauduleuze adoptie uit Ethiopië in 2009. Volgens de officiële documenten was haar biologische moeder verdwenen en haar vader overleden. Later ontdekte Thereza dat er van dat verhaal niets klopte. De voorbije dagen liepen bij de krant nog vijftien getuigenissen binnen over vermoedelijke adoptiefraude. Spin in het web is adoptiebureau Ray of Hope (RoH) dat van 1997 tot 2017 samenwerkte met een volgens de getuigenissen volstrekt onbetrouwbaar Ethiopisch contactpersoon. Vlaams parlementslid Lorin Parys (N-VA) wil nog voor de verkiezingen een extra zitting van het Vlaams parlement over de mogelijk frauduleuze adopties. Hij pleit voor een ‘diepgaand en onafhankelijk onderzoek’. Ook Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) is voorstander van zo’n onderzoek naar adoptiepraktijken uit het verleden. Die plotse daadkracht bezorgt Adinda Aelvoet en Priyani Libert een wrang gevoel. “Nu het bijna verkiezingen zijn, schieten onze politici in gang. Maar toen wij begin vorig jaar met ons adoptieverhaal naar buiten kwamen, gebeurde er helemaal niets.”

 

Stichting FLASH

Op 27 januari 2018 getuigden Priyani en Adinda in weekendbijlage Zeno over hun eigen vermoedelijk frauduleus verlopen adoptie uit Sri Lanka in de jaren 80. Bij hun zoektocht naar hun biologische ouders kwamen ze een paar jaar geleden via Kind & Gezin (K&G) en Steunpunt Adoptie bij RoH’s plaatselijke contactpersoon Sunil Wijewardena terecht. Tussen 1997 en 2011 regelde hij voor RoH alle 49 adopties uit Sri Lanka. In de jaren erna schakelde de adoptiedienst hem ook voor hun ‘nazorg’ in. Adoptiekinderen die zoals Priyani en Adinda naar hun biologische ouders op zoek waren, werden aan Wijewardena toevertrouwd. Op 27 september 2017 bracht deze krant aan het licht dat Wijewardena in de jaren tachtig nauw betrokken was bij grootschalige adoptiefraude van de Nederlandse Stichting FLASH. Van de duizenden Sri Lankaanse baby’s die in de jaren 80 via dat adoptiebureau in Nederland werden geadopteerd, bleek bij 70 procent de papieren vervalst te zijn. Kinderen werden geroofd van hun ouders en voor grof geld doorverkocht. Op babyfarms werden zelfs adoptiekinderen ‘gekweekt’. Wijewardena stond toen in voor het vervoer van de adoptiekinderen van FLASH.

Naar aanleiding van onze berichtgeving vroeg Lorin Parys op 10 oktober 2017 in de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin meer uitleg aan Jo Vandeurzen. De minister antwoordde dat er geen aanwijzing van fraude was en dus geen aanleiding voor een onderzoek.

Adinda Aelvoet: “Een van de argumenten van Jo Vandeurzen was dat volgens hem alles veranderd was. RoH ging in 1994 van start en Vandeurzen stelde dat op dat moment interlandelijke adoptie veel strikter geregeld was dan in de tachtiger jaren. Dat RoH en Steunpunt Adoptie tot minstens 2017 met een figuur als Wijewardena samenwerkten, vond Vandeurzen geen probleem. ‘Er is geen bezwaar tegen dat een Vlaamse dienst samenwerkt met iemand die ook met een Nederlandse vergunde dienst samenwerkt’, stelde hij in de Commissie Welzijn. Die ‘Nederlandse vergunde dienst’ was Stichting FLASH die in de lente van 2017 op de Nederlandse tv ontmaskerd was als grootschalige zwendelaar in adopties. De adoptie van Thereza De Wannemaeker dateert van 2009. In werkelijkheid is er dus sinds de jaren 80 helemaal niets veranderd.”

 

Integriteitsonderzoek

Priyani Libert is in 1984 in Sri Lanka geadopteerd en wilde in 2015 op zoek naar haar biologische ouders.

Priyani Libert: “Ik vroeg hulp aan Kind & Gezin. Zij stuurden mijn dossier door naar Ray of Hope, want die adoptiedienst had een contactpersoon in Sri Lanka, gespecialiseerd in het traceren van biologische ouders: Sunil Wijewardena. In twee weken tijd vond hij mijn vermeende biologische ouders. K&G nodigde me uit om Sunils onderzoek te bekijken. Dat bestond uit een paar foto’s waarop mijn zogenaamde biologische ouders samen met hem poseerden. Kopieën van identiteitsbewijzen of andere officiële documenten ontbraken. Sunils rekening bedroeg 450 euro, of twee Sri Lankaanse maandlonen. Die betaalde ik via K&G. Eerst beweerde Sunil dat mijn negen nieuwe broers en zussen van mijn bestaan op de hoogte waren. Later zei hij dat ze niet van mijn bestaan afwisten. Een DNA-onderzoek werd afgewimpeld. ‘Money’ was het enige waarin mijn zogenaamde biologische ouders geïnteresseerd leken. Eind 2016 verbrak ik alle contact.”

Adinda Aelvoet: “Ik vind het onbegrijpelijk dat Kind & Gezin én Steunpunt Adoptie minstens tot eind 2017 met Sunil Wijewardena van RoH zijn blijven samenwerken. Misschien werken ze nog steeds samen, want er is nooit een officiële stopzetting aangekondigd. Na mijn bijzonder slechte ervaringen met Sunil in 2013 liet ik weten dat hij totaal ongeschikt was voor het organiseren en begeleiden van rootsreizen. Hij was enkel op geld uit en probeerde ons te manipuleren. De adoptiecoach van Steunpunt Adoptie zei dat ze er niet goed van was. Toch werd er niet ingegrepen en bleven ze met hem in zee gaan. Minister Vandeurzen deelde in oktober 2017 mee dat RoH een integriteitsonderzoek naar Wijewardena zou laten uitvoeren. Is dat er ook écht geweest, wat zijn de resultaten en wordt er nu nog beroep op die man gedaan? Ik zou dat graag willen weten.”

 

Voorzitster met twee petjes

Een paar dagen na haar getuigenis in deze krant kreeg Adinda Aelvoet een mail van de directeur van Steunpunt Adoptie. “Zij bood me nazorggesprekken aan en schreef dat ze werkte aan de opstart van buddywerking voor geadopteerden. ‘Dit komt voor mij veel te laat’, antwoordde ik. Een onderzoek naar mijn eigen dossier kwam er niet: er werd van mij verwacht dat ik zelf eerst de bewijzen voor fraude leverde. Wat de wereld op zijn kop is, want ik wil net een onderzoek om te weten of er fraude gepleegd is.”

Priyani Libert werd door Kind & Gezin uitgenodigd voor een gesprek. “Daar zou ook Vlaams parlementslid Katrien Schryvers (CD&V) bij aanwezig zijn. Zij is voorzitster van de raad van bestuur van RoH en is ondervoorzitster van de Vlaamse parlementaire Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Ik vond het vreemd dat zij als RoH-voorzitster bij mijn gesprek met K&G wou aanschuiven. Ik kreeg het onbehaaglijke gevoel dat ze me wilden paaien. Daarom liet ik dat gesprek aan mij voorbijgaan.”

Adinda Aelvoet: “Omdat Schryvers ook voorzitster is van RoH, moest ze op die bewuste commissievergadering van 10 oktober 2017 haar voorzittershamer even doorgeven aan een collega van de N-VA. De commissie die het adoptiebeleid uitstippelt, wordt dus mede geleid door iemand die voorzitter is van de raad van bestuur van een adoptiebureau. Dat is toch te gek voor woorden?”

Priyani Libert: “K&G stelde voor om mijn dossier te laten uitspitten door de Centrale Adoptieautoriteit in Sri Lanka, maar daar heb ik totaal geen vertrouwen in. Want net daar liep het ooit met mijn adoptie fout: die Centrale Autoriteit was één van de spelers in de fraude. Ik moest dus mijn adoptiedossier laten onderzoeken door een dader. Daar heb ik vriendelijk voor bedankt.”

 

Waarheidscommissie

De problemen met adoptie in Sri Lanka, Congo en Ethiopië zijn volgens Adinda en Priyani geen op zichzelf staande gevallen. Adinda Aelvoet: “Net als in Nederland loopt er ook bij ons van ver in de jaren 70 een rode lijn van bedrog. De Nederlandse overheid neemt dat ernstig en heeft een commissie samengesteld die diepgaand onderzoek naar alle vormen van adoptiezwendel voert. Bij ons worden nu na Ethiopië vage beloften gemaakt. Al dat getreuzel is een gevolg van die innige verstrengeling met de politiek.”

Priyani Libert: “Na onze getuigenissen hoorden we veel gelijkaardige verhalen van kennissen die ook uit Sri Lanka geadopteerd zijn. Maar zij zijn bang voor de impact van de media-aandacht. Na Ethiopië mogen we er van uitgaan dat er aan nog meer interlandelijke adopties van RoH een reukje zit. Dat moet toch op zijn minst onderzocht worden. Wij vroegen een onderzoek naar alle Sri Lanka-dossiers en kregen van de Commissie voor Welzijn en van minister Vandeurzen nul op het rekest. Dat kwam keihard aan. Twee weken geleden had ik de eer om Michelle Obama te ontmoeten in Amsterdam. Als er één ding is dat ik van haar geleerd heb, is het dat iedereen meetelt. Als minister Vandeurzen wél de Ethiopische adoptiedossiers laat onderzoeken, maar de Sri Lankaanse links laat liggen, zal het voor ons zijn alsof niet iedereen hier meetelt.”

Adinda Aelvoet: “Toen anderhalf jaar geleden de adoptiefraude in Sri Lanka aan het licht kwam, zakte de grond onder mijn voeten weg. Als adoptiekind weet je weinig over je oorsprong. Als er dan ernstig adoptiebedrog aan het licht komt, raak je helemaal gedestabiliseerd. Want plots staat álles op losse schroeven. Je identiteit wordt opnieuw een groot vraagteken. Om mezelf te beschermen, probeerde ik dat verhaal af te sluiten. Maar zolang er geen groot onderzoek naar onze adoptiegeschiedenis komt, is dat moeilijk. Want nu is er dat nieuws over Ethiopië en binnen een paar maanden gaat het misschien over adoptiefraude uit een ander land. Telkens weer worden wij ermee geconfronteerd. Dat is zeer pijnlijk en ik wil andere geadopteerden daarvoor behoeden. Daarom is er meer dan ooit behoefte aan een waarheidscommissie over adoptie, zonder taboes. Zolang die er niet is, stopt het nooit.”

 

 

Ray of Hope: van hobbyist tot hoofdspeler in internationale adoptie

 

  • De vzw Ray of Hope werd in 1994 als Children’s Welfare Adoption in Berlare opgericht door Guy De Meester en zijn vrouw. Zij importeerden rotanmeubelen uit Azië en adopteerden zelf zes kinderen. De Meester zetelt nog steeds in de raad van bestuur van RoH.
  • Bij aanvang schreef de inspectie negatieve rapporten omdat RoH zich vooral toelegde op snelle adopties uit Haïti. Maar Kind & Gezin erkende toch. In 2003 gaf Guy De Meester in Knack een verklaring voor die snelle adopties: “Ons eerste kanaal had toevallig meteen veel kinderen ter beschikking.” Dat ‘eerste kanaal’ was Yva Samedy, directrice van de Foyer de la Nouvelle Vie die honderden adoptiekinderen leverde aan verschillende landen.
  • In 1997 trok de inspectie op missie naar Haïti. In haar rapport schreef ze dat de samenwerking met Samedy onmiddellijk moest stoppen. Samedy werd beschuldigd van financiële fraude. Kind & Gezin vond dat RoH met haar mocht blijven samenwerken, op voorwaarde dat ze kinderen leverde die écht in de steek gelaten waren.
  • In 2001 stapten drie families die via RoH een Vietnamees kind geadopteerd hadden, naar de rechter. Hun klachten: de documenten waren niet in orde en de contactpersoon was niet bekwaam.
  • Na een reportage op Telefacts over door RoH geregelde adopties in Vietnam, verloor de organisatie in december 2002 haar erkenning.
  • RoH trok naar de Raad van State en kreeg in 2004 gelijk.
  • Van 2004 tot 2014 was voormalig minister van Welzijn Wivina Demeester (CD&V) voorzitter van de raad van bestuur van RoH. Op 2 januari 2016 nam ze in een opiniestuk in de krant De Standaard afstand van interlandelijke adoptie. Zelf adopteerde ze in 1974 een Indiaas meisje. Buitenlandse adoptie vond ze geen goed idee meer omwille van de wachttijd en de kostprijs. ‘Tussen de beslissing om je als ouders voor te bereiden op een interlandelijke adoptie en de aankomst van je kind verloopt nu vijf tot zeven jaar’, schreef ze. ‘Toen was dat 18 maanden. Ik beschouwde het als een verlengde zwangerschap. De ‘kostprijs’ was redelijk. Vandaag is het vele jaren wachten. Te lang. En de kostprijs is zeer hoog.’ Over de gevolgen op langere termijn voor de geadopteerden repte ze met geen woord. Wel dat de drie nog bestaande interlandelijke adoptiediensten (RoH, FIAC-Horizon en Het kleine mirakel) best tot één dienst voor buitenlandse adoptie zouden fusioneren.
  • Vlaams CD&V-parlementslid Katrien Schryvers nam in 2014 de RoH-voorzittersfakkel van Wivina Demeester over. Schryvers is eveneens ondervoorzitter van de parlementaire Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin die ook adoptie behandelt. In de raad van bestuur van RoH zetelt onder anderen ook Wilfried Verniest. Van 1987 tot aan zijn pensioen in 2012 was hij directielid bij K&G en in 2007 schopte hij het zelfs even tot waarnemend administrateur-generaal. Net als Wivina Demeester pleitte Schryvers voor één eengemaakte gesubsidieerde buitenlandse adoptiedienst.
  • Begin april van dit jaar besliste de Vlaamse regering dat vanaf 1 januari 2023 de drie adoptiediensten tot één dienst zullen samensmelten. De beschikbare financiële middelen, kennis en expertise moeten vanaf dan gebundeld worden. N-VA-parlementslid Lorin Parys juichte die beslissing toe, maar had in de Standaard van 8 april toch een paar bedenkingen. “Elke adoptiedienst vertegenwoordigt een bepaalde levensbeschouwing”, zei hij. “Het is niet de bedoeling dat een van die overtuigingen aan het stuur gaat zitten, wel dat de eengemaakte dienst pluralistisch is. Het kan ook niet dat een volksvertegenwoordiger er voorzitter van wordt. Want in het parlement controleer je dan het Vlaams centrum voor adoptie dat op zijn beurt jou controleert als voorzitter van een adoptieorganisatie.”

 

(c) Jan Stevens

“Met liefde alleen redden ze het niet”

Adoptie kan een kind ernstige trauma’s opleveren, zeker als die adoptie het gevolg is van fraude. Professor Nicole Vliegen behandelt al jaren adoptiekinderen met traumatische ervaringen. “Kinderen met een moeilijke achtergrond die zo goed als geen aandacht vragen, zijn even zorgwekkend als kinderen met ernstige gedragsproblemen. Kinderen die vallen, opstaan en verder wandelen zonder te huilen. Zij hebben geleerd om geen troost of hulp meer te vragen.”

 

In ‘Wanneer adoptie zwendel wordt’ getuigde de in 1986 door Vlaamse ouders in Sri Lanka geadopteerde Suleika Van der Jeugdt hoe ze tien jaar geleden op haar rootsreis van de ene verrassing in de andere viel. Haar officiële geboorteakte stond vol fouten, haar adoptie was geregeld door een fixer die er grof geld aan verdiend had en haar geboortemoeder bleek na een dag haar echte moeder niet te zijn. Die echte moeder vond Suleika uiteindelijk toch. Behalve wat kleren en schoenen had zij geen cent verdiend aan het onder dwang afstaan van haar dochter. Interlandelijke adoptie was diep in de jaren tachtig in Vlaanderen de speeltuin van advocaten, idealisten, sjoemelaars en al dan niet goed menende hobbyisten. Dat blijkt ook uit de reeks Adoptie zonder Grenzen die eerder deze maand in Humo liep. “Interlandelijke adoptie is ingewikkelde materie”, zegt professor Nicole Vliegen, hoofddocent klinische psychologie aan de KU Leuven. “Hoe een kind opgroeit, hangt in grote mate af van hoe een kind in het land van herkomst verzorgd werd en hoe het hier opgevangen werd. Het moet zeker schrikken zijn als je ontdekt dat je adoptie indertijd niet al te koosjer verlopen is. De eerste levensperiode is ontzettend belangrijk. Hoe slechter je ervaringen in die eerste fase, hoe groter het risico dat je later minder weerbaar zal zijn.”

Samen met haar collega Patrick Luyten leidt Nicole Vliegen de Leuvense Adoptiestudie (LAS), de tien jaar geleden opgestarte eerste langlopende studie naar de ontwikkeling van adoptiekinderen in Vlaanderen. In het universitaire praktijkcentrum PraxisP in het hart van Leuven behandelt ze samen met twaalf gespecialiseerde therapeuten kinderen die worstelen met onder andere ontwikkelings- of gedragsproblemen. “Wij werken veel met adoptie- en pleegkinderen”, zegt ze. “In de loop der jaren hebben we de reputatie opgebouwd dat we met die jongens en meisjes iets kunnen bereiken.” In oktober publiceert ze samen met Eileen Tang en Patrick Meurs het boek ‘Van kwetsuur naar litteken, hulpverlening aan kinderen met een complex trauma’. Op 20 en 21 oktober vindt rond hetzelfde thema in Leuven een congres plaats.

 

De eerste levensperiode is ontzettend belangrijk, zegt u. Suleika Van der Jeugdt was dertien dagen oud op het moment van haar adoptie. Heel veel kan er in die korte periode toch niet misgelopen zijn?

Nicole Vliegen: “Geadopteerd worden op de leeftijd van dertien dagen, is een behoorlijk goede omstandigheid. Wat niet wil zeggen dat dat helemaal niets is. Adoptie is er ooit gekomen om kinderen die in moeilijke omstandigheden geboren zijn, toch een goed nest te bezorgen. Het moet hard aankomen om als volwassene te ontdekken dat er fraude rond je adoptie hing.”

 

In de jaren tachtig werd er heel wat gefraudeerd bij interlandelijke adoptie, en niet alleen in Sri Lanka.

“Het internationale Adoptieverdrag van Den Haag dat kinderen en hun families tegen de risico’s van illegale adopties naar het buitenland beschermt, dateert van 1993. Dat verdrag vormt een breekpunt met het tijdperk van de minder goed geregelde adopties dat eraan voorafging. In de tachtiger jaren verliepen adopties snel; na het Haags Adoptieverdrag moeten adoptieouders vaak lang wachten omdat er eerst een gedegen onderzoek gevoerd wordt. Dat wachten duurt zelfs zo lang dat sommigen zich luidop afvragen: ‘Waarom mogen kinderen in nood niet sneller gered worden?’ Maar het Haags verdrag is er net gekomen om kwaadaardige praktijken als kinderhandel en adoptiezwendel de wereld uit te helpen. Landen die het verdrag ondertekend hebben, moeten eerst onderzoeken of er in het land van herkomst een oplossing voor het kind voorhanden is. Er moet ook nagegaan worden of de adoptie niet plaatsvindt tegen de wil van de biologische ouders in. In de jaren tachtig werd wellicht niet altijd gezien dat er vaak druk uitgeoefend werd op moeders: ‘Je kind zal in het Westen een veel betere toekomst hebben dan hier.’ Het Adoptieverdrag van Den Haag is een zeer goede zaak en beschermt ook adoptieouders. Want nu kunnen ze een kind in nood een veilige plek geven, zonder ongewild en onbewust mee te werken aan een vorm van mensenhandel.”

 

De kinderen die hier bij u over de vloer komen, worstelen met hun adoptie?

“De overgrote meerderheid waarmee wij werken, worstelt daar inderdaad mee. Sommige adoptiekinderen brachten hun eerste levensmaanden in slechte omstandigheden door, waardoor ze van bij de start ernstig getraumatiseerd raakten. Soms heeft een kind echt honger gekend, of kreeg het te weinig aandacht. Of bleken kinderen bij aankomst veel ouder te zijn dan eerst werd aangenomen. Zij beseften heel goed wat er aan het gebeuren was op het moment dat ze voor adoptie werden afgestaan, maar hun entourage had dat niet in de gaten. Een adoptiekind heeft veel meer onaangename ervaringen in zijn mandje liggen dan een biologisch kind. Natuurlijk kan een biologisch kind òòk anders starten aan zijn ontwikkeling door bijvoorbeeld een genetische aandoening of zuurstoftekort bij de geboorte, maar het risico is kleiner. Elke ouder die een kind krijgt, verwacht dat het gezond zal zijn. Als dat niet zo is, doorprikt dat je verwachtingspatroon. Je verwacht ook dat je biologische kind iets van jezelf zal hebben, liefst een paar van je goede eigenschappen. (lacht) Bij adoptie is dat helemaal niet zo.”

 

Je weet niet waar je kind vandaan komt, of wat er gebeurd is bij de geboorte?

“Je hebt geen genetische informatie. Misschien was een van de ouders mentaal beperkt of had de moeder een alcoholprobleem waardoor haar baby moest afkicken na de geboorte. Die dingen bepalen mee de ontwikkeling van een kind. Wij krijgen de meest gekwetste kinderen in onze praktijk, waardoor mijn beeld zeker gekleurd is. Natuurlijk hebben niet alle kinderen problemen. Er is ook een groot verschil met vroeger: adoptie- en pleegouders zijn nu goed voorbereid waardoor ze zich meer bewust zijn van mogelijke ontwikkelingsproblemen.”

 

Misschien meer dan biologische ouders?

“Misschien wel, ja. Het Adoptieverdrag van Den Haag zorgde bij ons ook voor verstrengde wetgeving rond adoptie. De vereisten waaraan adoptieouders moeten voldoen, liggen nu vrij hoog. Ouders worden op voorhand geëvalueerd en goed voorbereid. Vroeger waren potentiële adoptieouders er zich niet van bewust dat hun kind misschien wel een rugzak vol moeilijke bagage met zich meedroeg; ze verwachtten dat het in de eerste plaats behoefte had aan een warme plek om te wonen. Er was veel minder kennis over wat er al in het rugzakje van adoptiekinderen zat. Vandaag weten ouders dat wel. Ze zijn alerter en zullen ook sneller op consultatie komen als ze signalen opvangen dat de ontwikkeling anders verloopt.

“Een van de moeilijkste aspecten van onze hulpverlening is dat alle kinderen hun adoptie op een verschillende manier ervaren. Er zijn geen wetmatigheden. We kunnen gedrag uit het heden wel begrijpen vanuit vroegere ervaringen, maar we kunnen nooit voorspellen hoe het actuele gedrag verder zal evolueren. We helpen ouders het gedrag van hun kind interpreteren: welke signalen wijzen op een gezonde ontwikkeling? Hoe zien we dat er iets fout loopt? Wat is er nodig om een verstoorde ontwikkeling terug op het juiste spoor te krijgen?”

 

Adoptie- en pleegouders worden gescreend en voorbereid; biologische ouders niet.

“Een Duitse collega zegt soms: ‘Als je een hond wil, moet je naar de hondenschool. Als je een baby wil, vraagt niemand je of je weet hoe je met dat kind moet omgaan.’ Adoptie- en pleegouders zijn inderdaad beter voorbereid op dat nieuwe kind in huis. Pleegouders worden nadien verder begeleid en gecoacht, adoptieouders niet. Van zodra het adoptiekind er is, volgt er wel nog een nazorggesprek, maar daarna valt de omkadering weg.”

 

Zou het kunnen dat mensen met een kinderwens vaak niet goed inschatten wat hen te wachten staat?

“Zeker. Niet iedereen denkt daar even hard over na. Of er dan een soort van cursus zou moeten komen voor toekomstige ouders? Misschien is het belangrijker dat er plekken bestaan waar ouders terecht kunnen, zoals de ‘Huizen van het Kind’. Ouders durven nu wel sneller dan vroeger aangeven dat de opvoeding van hun kind niet van een leien dakje loopt. Maar er is nog werk aan de winkel. Te veel mensen blijven er jammer genoeg van overtuigd dat problemen met hun kinderen binnenshuis gehouden moeten worden.”

 

Waaruit bestaat de screening van adoptieouders?

“Ze worden onder andere gescreend op hun ‘reflectief vermogen’: of ze in staat zijn om te kunnen blijven nadenken over de redenen waarom een kind bepaald gedrag stelt. ‘Waarom doet mijn kind zoiets? Wat is het achterliggende motief? Hoe kunnen we ons kind helpen zodat het dat soort van gedrag kan loslaten en nieuw gedrag zal durven uitproberen?’ Dat is totaal anders dan de klassieke actie-reactie: ‘Je misdraagt je en daarom straf ik je’, want zo beland je in een systeem van straffen en belonen en dat is bij de meeste kwetsbare adoptiekinderen niet altijd even verstandig. Onderzoek heeft aangetoond dat kinderen met een trauma-rugzakje minder gevoelig zijn voor straffen en belonen. Een woede-uitbarsting bij een adoptiekind kan een uiting zijn van angst: ‘Als iemand achter mijn rug zijn handen op mijn schouders legt, interpreteer ik dat als gevaar en dan sla ik erop.’ Het is dan veel zinvoller om met dat kind op zoek te gaan naar wat er precies gebeurd is. ‘Hoe kunnen we die uitbarsting begrijpen? Hoe zorgen we ervoor dat je de volgende keer niet meer begint te slaan, maar anders reageert?’ Van adoptieouders wordt dus eigenlijk zeer veel gevraagd.”

 

Bij een gezin met adoptiekinderen uit mijn omgeving zag ik dat die ouders op een bepaald moment stevige verwijten van een van hun kinderen moesten incasseren.

“Wanneer kinderen in hun leven ooit op traumatische wijze gekwetst werden, zoeken ze een kapstok voor hun kwetsuren. Vaak krijgen dan de mensen die bij hen blijven de volle laag. Degenen die hen diep gekwetst hebben, zijn er niet meer. Het kan dus een goed teken zijn als je kind zijn boosheid op je richt, maar makkelijk is dat niet. Het wijst er wel op dat je kind zich veilig genoeg voelt om te tonen hoe boos het is, al maken dat soort van woede-uitbarstingen het gezinsleven soms complex en zwaar.

“Het is niet leuk om als ouder te moeten horen: ‘Je zorgt niet goed voor mij’, of als er ook nog een biologisch kind is: ‘Je houdt meer van hem dan van mij.’ Adoptiekinderen gaan soms tegen de leerkracht op school vertellen: ‘Ik krijg van mijn ouders geen woordenboek.’ Of ze zeggen als ze op schoolreis zijn tegen de juf of de meester: ‘Ik heb nog nooit een speeltuin gezien.’ Op het eerstvolgende oudercontact krijgen ouders dan te horen: ‘Jullie kind krijgt dit niet en mag dat niet.’ Waarna die ouders verbaasd reageren: ‘Maar hij mag dat wel.’ Op zo’n momenten is het goed dat je weet dat je kind in werkelijkheid op zoek is naar kapstokken voor ervaringen uit het verleden. Tijdens de therapie hoorde ik een kind zeggen: ‘Ik krijg thuis geen kleren.’ Waarop ik repliceerde: ‘Maar wat je nu toevallig vandaag aanhebt, is heel mooi.’ ‘O ja, dat heb ik wel nog gekregen.’ (lacht) We moeten die kinderen vaak heel erg helpen nadenken over ervaringen uit hun geschiedenis die voortdurend als dia’s voor alle andere beelden schuiven, waardoor ze concluderen: ‘Ze zien die andere liever.’ Die gedachten zitten geworteld in een gevoel dat ze ooit tekort gedaan zijn.”

 

Dat gevoel van tekort gedaan zijn, dateert uit hun babytijd?

“Ja. Kinderen die op dit moment voor adoptie afgestaan worden, zijn doorgaans veel ouder dan de dertien dagen van Suleika. Twee en een half jaar geldt nu zelfs al als behoorlijk jong. Soms zijn kinderen vier jaar of ouder. Hun ervaringen van ‘tekort’ kunnen immens zijn. Elk tekort is een ‘te veel’ voor hun stresssysteem. Vroeger leefde de overtuiging dat die tekorten teniet gedaan konden worden door die kinderen veel liefde te schenken. Maar zo werkt het niet. Een van onze kinderen hier kon jaren niet gaan slapen als er geen eten op zijn nachtkastje lag. ‘Als ik wakker word, moet er eten klaarstaan, anders sla ik in paniek.’ Hij kon ook nergens heen zonder dat er een appel in zijn zak zat. Soms vertellen ouders me over hun adoptiekind: ‘In het begin schrokte hij zijn eigen bord leeg en begon daarna onder tafel de kruimels van de vloer te rapen.’ Sommige kinderen dragen dat gevoel van tekort fundamenteel in hun lijf en hun systeem mee en dat kan zeer lang hun gedrag bepalen.”

 

Hoe los je zoiets op?

“We helpen kinderen dat bij zichzelf te herkennen. Het gaat meestal niet weg. De titel van ons boek, Van kwetsuur naar litteken, is niet toevallig gekozen. De kwetsuren uit het verleden blijven littekens, gevoeligheden voor de rest van hun leven. Als je geleerd hebt om op tijd bij jezelf te voelen wanneer die oude kwetsuren weer de kop dreigen op te steken, zal het je beter lukken om te vermijden dat je in je gedrag weer helemaal door het lint zal gaan. Dan lukt het misschien ook beter om niet opnieuw je omgeving in je ontregeling mee te sleuren.

“Een jongen zei me: ‘Ik stop met school. Er is niets goeds aan.’ Toen ik vroeg wat voor vakken hij kreeg, antwoordde hij: ‘O, maar dat ene vak vind ik tof en dat andere ook.’ Hij was nieuw op die school en in zijn klas zat een jongen uit hetzelfde land van herkomst. In de refter had die jongen hem meteen een high five gegeven. Ik zei al lachend: ‘Goh, dat klinkt inderdaad als een heel slechte school. Nieuwe vrienden, toffe vakken…’ Op dat moment drong tot hem door: ‘Ai, daar ga ik weer.’ Het feit dat hij dat moment herkende, is hoopvol. Want van zodra je als kind daar vat op krijgt, kan je je eigen gedrag bijsturen.”

 

Helpt medicatie?

“Bij deze kinderen zijn geneesmiddelen zoals antidepressiva, antipsychotica of angstremmers soms nodig. Sommigen hebben het in hun leven zeer lastig en worstelen met ernstige problemen. Als pillen helpen vermijden dat je binnenwereld geregeld zo overspoeld wordt dat het lijkt alsof je gek wordt, zijn ze verantwoord. Ook als ze helpen vermijden dat je door je ontregelde gedrag vijf keer na elkaar van school gestuurd wordt. Afgezien daarvan vind ik wel dat kinderen in het algemeen te snel medicijnen slikken.”

 

Van biologische ouders wordt gezegd dat ze van bij de geboorte van hun kind onvoorwaardelijke liefde voelen. Ervaren adoptieouders hetzelfde als ze hun kind gaan ophalen?

“Heel vaak wel. Er zijn best wel wat gezinnen waar vanuit die grote onvoorwaardelijke liefde zeer lang heel moeilijke dingen gedragen worden. Soms gaat dat over zaken waarvan ik denk: in een gewoon gezin was dat kind al lang opgenomen. Veel ouders geven niet op. Als er al biologische kinderen zijn en er wordt een kind geadopteerd omdat er nog plaats in het gezin is, kan het jammer genoeg knap lastig worden. Want als het dan misgaat, krijgen ouders soms het gevoel: ‘We kunnen amper nog goede ouders zijn voor onze biologische kinderen.’ Dat knaagt dan aan die onvoorwaardelijke liefde.”

 

Zou het adoptieouders helpen als ze net als pleegouders hun ouderlijke carrière lang begeleid worden?

“Dat denk ik wel. Een adoptiekind opvoeden is anders. Geadopteerd worden zorgt altijd voor een breuk in je levensverhaal, zelfs als je op je dertiende levensdag door je adoptieouders afgehaald wordt en in een zorgzaam gezin terechtkomt.”

 

Suleika Van der Jeugdt trok op rootsreis, op zoek naar haar biologische moeder. Ze kwam bij een vrouw terecht die na een dag niet haar biologische moeder bleek te zijn. Zo’n ervaringen moeten toch zeer ingrijpend zijn?

“Zonder twijfel. Wie vanuit het buitenland geadopteerd is, weet nooit waar hij tijdens een rootsreis op zal stoten. Het is sowieso al moeilijk om onder ogen te zien dat je biologische ouders je hebben afgestaan. Al kan dat wel voor een deel gecorrigeerd worden als je in een gezin terechtgekomen bent waar ze je net heel graag wensten.

“Ik vraag me af waarom de biologische moeder zo snel uit beeld verdween. Misschien om te vermijden dat ze van adoptie zou afzien? Bij binnenlandse adoptie krijgen biologische ouders twee maanden bedenktijd. Een kind gaat dan eerst naar een pleeggezin of naar het adoptiegezin. De adoptieouders zijn er zich dan wel van bewust dat de kans bestaat dat ze het kind terug zullen moeten geven als de biologische ouders zich bedenken. Dat is heel hard, maar het geeft afstandsouders wel de kans om niet meteen na de bevalling een onomkeerbare beslissing te moeten nemen.”

 

We zien kinderen doorgaans als weerloze, onschuldige wezens. Zou het toch niet kunnen dat er af en toe ook gewoon echte ettertjes tussen zitten?

“(lacht) Ze worden soms ettertjes, want soms is de omgeving manipuleren de enige manier om voor zichzelf veiligheid te creëren. Kinderen hebben dan geleerd: ‘Als ik het zo aanpak, krijg ik mijn zin. Als ik braaf blijf zitten, heb ik niets.’ Alle kinderen worden geboren met een verschil in temperament. Er zijn hevige duiveltjes en rustige jongens en meisjes. De heftigere temperamenten lopen iets meer risico om in slechte omstandigheden uit te groeien tot moeilijke kinderen.”

 

De brave kindertjes lopen dan weer misschien het risico dat ze in hun kindertijd alles lijdzaam ondergaan en daar op latere leeftijd mentaal een prijs voor betalen.

“Dat klopt. De kinderen met een moeilijke achtergrond die het minst aandacht vragen, vind ik minstens even zorgwekkend. Een kind waarvan de ouders zeggen: ‘Hij is zo gemakkelijk.’ Kinderen die vallen en opstaan en verder wandelen zonder te huilen. Zij hebben geleerd om geen troost of hulp meer te vragen. Ze hebben elk contact met zichzelf verloren, weten niet meer wat ze interessant vinden en zijn daardoor soms extra vatbaar voor depressie. Als je niet als baby of peuter geleerd hebt om te tonen wat je nodig hebt, zal je in de lagere school bijvoorbeeld niet zo makkelijk gepassioneerd raken door hobby’s. Ze beginnen aan hun puberteit zonder te weten wat ze willen en raken afgesloten van hun eigen gevoelswereld. Die kinderen zullen niet zo snel vanwege wangedrag op school worden buiten gegooid omdat ze onder de radar blijven.”

 

(c) Jan Stevens