De Machiavelli van Amerika

David Remnick, hoofdredacteur van The New Yorker, schreef een boeiende biografie over de eerste zwarte Amerikaanse president Barack Obama. “Obama heeft zijn eigen identiteit gecreëerd. Dat maakt hem door en door Amerikaans.”

Barack Obama zit amper anderhalf jaar in het Witte Huis en er ligt al een lijvige biografie over de man in de boekhandel. De brug. Leven en opkomst van Barack Obama werd niet geschreven door de eerste de beste, maar door Pulitzer Prize-winnaar David Remnick (1958), de legendarische hoofdredacteur van het minstens even legendarische blad The New Yorker. Hij sprak met niet minder dan 233 mensen en spendeerde een jaar lang al zijn avonden en weekends aan het schrijven van het boek. “Ik heb het heel snel geschreven, omdat ik geen andere keuze had”, zegt hij. “Het hoofdredacteurschap van The New Yorker is meer dan een voltijdse job, met zware verantwoordelijkheden in een moeilijke tijd. Ik wou dit echt wel doen, want het was twaalf jaar geleden dat ik nog eens een volbloed boek geschreven had: King of the World, over Mohammed Ali.”

Remnick vindt niet dat zijn Obamabiografie te vroeg verschijnt. “Je kunt er vergif op innemen dat er binnen honderd jaar nog massa’s biografieën over Obama zullen verschijnen. Er komen nu ook jaarlijks dozijnen boeken over Abraham Lincoln uit. In Amerika bestaat zelfs een Abraham Lincoln Prize voor het beste Lincolnboek van het jaar. Ooit vroeg iemand aan wijlen Tsjoe En-lai, de Chinese premier onder Mao: ‘Wat denkt u over de Franse Revolutie?’ Hij antwoordde: ‘Het is nog te vroeg om daarover uitspraken te doen.’ (lacht). Tsjoe En-lai deed zijn uitspraak tweehonderd jaar na de feiten, mijn biografie verschijnt bij wijze van spreken 10 minuten na de feiten. De Brug stopt heel bewust vóór de deuren van het Witte Huis. Ik ben niet zo gek om over Obama’s presidentschap te schrijven terwijl het nog in volle ontwikkeling is.”

 

De titel van David Remnicks boek verwijst naar de Edmund Pettus Bridge in Selma, Alabama, waarover op zondag 7 maart 1965 een imposante groep zwarten wandelde om in Montgomery, de hoofdstad van de staat Alabama, meer burgerrechten op te eisen. De vreedzame, geknielde en biddende betogers werden onder het oog van de camera’s met bruut geweld neer geknuppeld door de troepen van gouverneur George Wallace. Die schokkende nieuwsbeelden overtuigden de toenmalige president Lyndon B. Johnson ervan om alsnog een aantal segregatiewetten naar de prullenmand te verwijzen. 7 maart 1965 zou de geschiedenisboeken ingaan als ‘Bloody Sunday’. 42 jaar later, op 4 maart 2007, gaf de jonge senator Barack Obama in de Brown Chapel in Selma een speech over zijn zwarte afkomst en zijn exotische achtergrond. Obama had zich net kandidaat gesteld voor het presidentschap, en was naar Alabama gekomen om zichzelf aan de zwarte gemeenschap te tonen als ‘erfgenaam van de Amerikaanse rassenstrijd’.

“Ik weef in mijn boek twee verhalen dooreen”, zegt Remnick. “Ik bed het verhaal van één mens, Barack Obama, in zijn historische context in. Het raciale perspectief maakte Obama al tot een historische figuur vóór hij de presidentsverkiezingen won. Ik vermoed dat veel Europeanen, net als de overgrote meerderheid van mijn eigen landgenoten, de recente geschiedenis van de zwarte burgerrechtenstrijd niet kennen. Martin Luther King werd vermoord in 1968; ik ben zelf 51 en heb daar slechts een vage herinnering aan. Veel jonge mensen zijn geïnteresseerd in Barack Obama, maar beseffen niet hoe historisch zijn verkiezing eigenlijk wel is. Ze weten niets over de strijd voor gelijke rechten van de zwarten, net zoals ze niets weten over de Rozenoorlogen in het Engeland van de vijftiende eeuw.”

Dreams from my Father

Barack Hussein Obama zag op 4 augustus 1961 het levenslicht in Honolulu, Hawaï, als zoon van Barack Obama sr., een Keniaanse beursstudent, en Ann Dunham, een vrijgevochten antropologiestudente uit Kansas. In 1964 ging het koppel uiteen. Vader Obama keerde terug naar Kenia, liet niets meer van zich horen en zou later na gefnuikte politieke ambities aan lager wal geraken. Moeder Dunham verhuisde met Obama jr. en haar nieuwe lief naar Indonesië. Maar ook die relatie liep op de klippen. Op zijn tiende keerde Barack Obama terug naar Hawaï. Hij werd verder opgevoed door zijn blanke grootouders en ging naar een middelbare privéschool, waar hij een van de ‘drie of vier zwarte scholieren’ was op een totaal van 3500 leerlingen. Na zijn studies politicologie aan de Columbia-universiteit in New York en een eerste job als onderzoeker bij de New York Public Interest Research Group, verhuisde hij midden jaren tachtig naar Chicago waar hij als buurtwerker aan de slag ging in de zwarte, arme South Side. Eind jaren tachtig bezocht hij zijn familie in Kenia. In ’88 schreef hij zich in als rechtenstudent aan de universiteit van Harvard. Twee jaar later werd hij de allereerste zwarte hoofdredacteur van de internationaal befaamde Harvard Law Review. In de zomer van 1989 leerde hij tijdens een studentenjob in Chicago Michelle Robinson kennen. Nadat hij in 1991 als advocaat afstudeerde, verhuisde hij terug naar Chicago, om er deeltijds in een advocatenpraktijk en deeltijds als docent aan de universiteit te gaan werken. In ’92 stapten Barack Obama en Michelle Robinson in het huwelijksbootje. In dezelfde periode schreef hij zijn memoires: Dreams from my Father, waarin hij op zoek ging naar zijn roots.

“Ik vond het lastig om te schrijven over een andere schrijver”, zegt David Remnick. “Want Barack Obama is een volbloed schrijver. Dat heeft hij bewezen met Dreams of my Father. Als hij geen politieke aspiraties gekoesterd had, was hij nu waarschijnlijk bezig aan een zoveelste boek.”

Sommige oerconservatieve Republikeinen beweren dat Obama Dreams of my Father niet zelf geschreven heeft, en dat een extreemlinkse activist zijn pen vasthield.

David Remnick: “In de laatste maanden van de presidentscampagne van 2008 kwam Jack Cashill, een zeer rechtse schrijver en journalist, als eerste met die theorie op de proppen. Een aantal van Cashills geestesgenoten uit de Republikeinse Partij heeft dat verhaal dankbaar overgenomen en is een lastercampagne gestart in de hoop Obama zo van de overwinning af te houden. Ze verkondigden dat de echte auteur Bill Ayers is, een beruchte radicaal uit de zestiger jaren in Chicago. Ayers was medeoprichter van de Weathermen, een communistische revolutionaire groep die als protest tegen de oorlog in Vietnam een paar bomaanslagen pleegde. Hij is nu professor pedagogiek aan de Universiteit van Chicago. Middenin de presidentscampagne beschuldigde Sarah Palin Obama ervan nauwe banden te hebben met Ayers, iets wat door de laatste zelf ontkend werd. Jack Cashill beweerde dat hij een nauwgezette studie had gemaakt van Ayers’ boeken en dat hij ontdekt had dat er opvallend veel overeenkomsten waren met de stijl waarin Dreams of my Father geschreven was. ‘Ayers is gefixeerd op ogen’, schreef Cashill. ‘Hij heeft het over”sprankelende ogen” en “ogen als ijs.” Net als Obama. Ook hij schrijft over “sprankelende ogen” en gebruikt de uitdrukking “als ijs”.’ De beweringen van figuren als Cashill passen in een niet al te frisse historische traditie: in de negentiende eeuw verhief geletterdheid een slaaf van koopwaar tot een mens. Anno 2008 was er voor Caswell en konsoorten blijkbaar nog niet veel veranderd. Maar in wezen zijn zij verwaarloosbare idioten; een zender als Fox News is veel invloedrijker. Fox is sterk aanwezig in het Amerikaanse openbaar leven. Ik heb het moeilijk met de oneerlijke manier waarop Fox aan verslaggeving doet. Vaak is het niet meer dan louter propaganda. Het uitbazuinen van meningen is goedkoop; aan verslaggeving doen is duur. Eén van de coryfeeën van Fox News is Glenn Beck. Hij is een dommere versie van de extreem-rechtse Jean-Marie Le Pen die geschiedenislessen geeft. Meer entertainend, en daardoor ook veel invloedrijker. Hij praat slechts zelden op een platte racistische manier over Obama. Er lopen trouwens niet zoveel Amerikanen meer rond die het over ‘niggers’ hebben. Iedereen heeft geleerd van het begrip ‘politieke correctheid’, zelfs degenen die er lak aan hebben. Dat is goed, maar de keerzijde van de medaille is dat het er nu veel subtieler aan toegaat.

Met Dreams of my Father schreef Obama een memoir: een verhaal dat hij over zichzelf vertelt. Geen essay, geen reportage, maar zijn herinneringen. Op een bepaald moment in mijn biografie ben ik even gestopt met het verhalen van Obama’s leven en heb ik een literaire kritiek geschreven over zijn boek. Ik heb Dreams of my Father uiteen gehaald, in een poging te achterhalen uit welke bronnen hij geput heeft. Obama was een zwart kind in Amerika, opgebracht door blanke grootouders en een blanke moeder, met een afwezige, mysterieuze vader waar de grootouders niet veel over vertelden en die door de moeder geromantiseerd werd. Hij moest niet alleen op zoek naar de waarheid over zijn eigen vader, maar ook naar de waarheid over zijn eigen achtergrond. Hij groeide op in Hawaï, waar helemaal geen zwarten leefden. Ik kreeg mijn etnische achtergrond en identiteit mee aan de keukentafel. Ik kende Joodse grappen voor ik naar de kleuterschool ging; ik ken er nu honderden, veel meer dan Philip Roth. Obama wist niets. Hij vertrok op een odyssee naar Los Angeles, Europa, Kenia, Chicago, New York… Identiteit is niet zomaar iets dat je in een kant-en-klaar-pakket erft; je kunt er later iets mee doen of aan veranderen. In de figuur van Obama zit een groot element van ‘zelfcreatie’, wat zeer Amerikaans is. Mohammed Ali was een complete zelfcreatie. Als jongentje uit het gesegregeerde Louisville, Kentucky droeg hij de naam Cassius Clay. Hij nam een element van Gorgious George, de grote professionele worstelaar, pikte een deel van Sugar Ray Robinson en hij creëerde Mohammed Ali. Of neem Bob Dylan: hij werd geboren als de Joodse jongen Robert Zimmerman in het noorden van Minnesota. Ben je daar ooit geweest? Het is net als het noorden van Zweden. Robert begon te luisteren naar Elvis Presley, Gene Vincent en Hank Williams. (Zet een perfect neuzelende imitatie van Dylan neer) ‘He started talking like this’, en las Allen Ginsburg. Hij ving al die invloeden uit de lucht en creëerde de figuur Bob Dylan. Obama deed net hetzelfde: van overal pikte hij wat mee en creëerde hij zichzelf. Hij begon zijn echte naam Barack pas te gebruiken toen hij naar de universiteit ging. Daarvoor stelde hij zich aan iedereen voor als ‘Barrie’.”

Stelt die zelfcreatie van zijn eigen identiteit Obama niet bloot aan kritiek van de zwarte gemeenschap?

Remnick: “Zij vinden hem niet zwart genoeg: hij heeft niet de typische Afro-Amerikaanse achtergrond. Hij bezocht elitescholen zoals Harvard, terwijl dat eigenlijk niet meer zo uitzonderlijk is: 10% van de zwarte Amerikanen gaat nu naar dat soort van scholen. Wat meteen bewijst dat positieve discriminatie werkt. Ik beweer niet dat het hedendaagse Amerika een postraciaal paradijs is. Momenteel beleven we, net als Europa, een lang, intensief immigratiedrama. Maar we hebben nu wel een zwarte president, en dat is geen klein bier. Toen hij verkozen werd, kon ik het niet geloven. Dat heeft me veel geld gekost. (lacht) Tijdens de campagne sloot ik weddenschappen af met mijn collega’s van The New Yorker. Twintig dollar hier, vijftig dollar daar… ‘Barack Hussein Obama? No way.’ Vooral zijn middennaam ‘Hussein’ zou hem volgens mij parten spelen. Ik zag ook wel dat hij een briljante performer en redenaar was, maar Amerika is meer dan Manhattan, of de hippe wijken van LA en Chicago. Het land kent veel uitgestrekte conservatieve gebieden, met regio’s die gruwden van de gedachte dat een zwarte ooit het land zou leiden. Ik heb mijn land zwaar onderschat.”

De stad Chicago was heel belangrijk in de ontwikkeling van Obama?

Remnick: “Obama ontdekte zichzelf pas echt in raciale termen toen hij in de zwarte South Side van Chicago als buurtwerker aan de slag ging. Hij vond er ook zijn politieke roots, een kerk en zijn vrouw. Ik weet dat het voor Europeanen heel Amerikaans klinkt dat hij er ‘zijn kerk’ vond, vooral ook omdat hij een areligieuze opvoeding gehad heeft. Ik aarzel een beetje om diep in iemands ziel te wroeten, maar de kerk speelde voor hem in de eerste plaats een grote rol als bindmiddel voor een gemeenschap. Een buurtwerker geraakt in South Side Chicago nergens als hij zich niet identificeert met een kerk. Zwarten uit de lagere en de middenklasse zijn kerkgangers, zeker de vrouwen; zij zijn ook de voortrekkers in de gezinnen. De Trinity United Church of Christ van dominee Jeremiah Wright stond bekend voor haar uitgesproken progressieve standpunten rond thema’s als aids en homoseksualiteit. Later zou het lidmaatschap van die kerk Obama in de problemen brengen. Maar Obama voelde zich van bij de eerste kennismaking sterk aangetrokken door een dominee die een kerk had opgebouwd van scratch tot 6000 politiek bewuste gelovigen. Hij geeft zelf toe dat Jeremiah Wright een grote invloed op hem heeft uitgeoefend en hij gebruikte diens gedachtegoed voor het stofferen van zijn toespraken. Ik vind het dan ook niet zo verwonderlijk dat mensen zich afvragen hoe radicaal Obama zelf is. Zo had Wright van op de kansel gepreekt dat de Verenigde Staten 9/11 aan zichzelf te danken hadden, noemde hij de Amerikaanse samenleving racistisch en verkondigde hij dat Bill Clinton hetzelfde met de Afro-Amerikaanse gemeenschap gedaan had als met Monica Lewinsky. Stel dat ik zelf een gelovige ben en dat mijn rabbijn de Arabieren naar de hel wenst en maar blijft doordrammen dat de Westbank en Gaza een deel van Israël moeten worden, als ik dan aan de volgende presidentsverkiezingen meedoe, moet ik toch niet verwonderd zijn als mensen daar vragen over stellen? Zelfs niet als mijn politieke praktijk niet overeen stemt met die van mijn rabbijn.”

Hoe zien mensen Obama nu als president?

Remnick: “Dat is natuurlijk de hamvraag. Het raciale aspect is totaal verdwenen en zo hoort het ook. In discussies over zijn aanpak van de perikelen in de Golf van Mexico, de oorlog in Afghanistan of de terugtrekking uit Irak, heeft niemand het over zijn kleur. Desalniettemin speelt ras bewust of onbewust een rol bij de rechtse oppositie, wat niet wil zeggen dat al zijn tegenstanders latente racisten zijn. Toch zijn er een aantal die zich zeer oncomfortabel voelen met de gedachte dat hun land niet langer ‘blank’ is. Er is een demografische verandering bezig, die wordt belichaamd door een zwarte president die resideert in een huis dat ooit door slaven gebouwd is. De retoriek over ‘Take America Back’ van The Tea Party is allesbehalve onschuldig.”

Hoe progressief is Obama? Veel Europese fans willen graag geloven dat hij links is, maar is hij niet eerder centrumrechts?

Remnick: “Hij is centrumlinks en zit in de hoofdstroom van de Democratische Partij. Je maakt geen kans om tot president verkozen te worden als je links van het centrum zit. Nooit. George McGovern was de laatste échte linkse, de laatste volbloed ‘liberal’, die voor de Democraten presidentskandidaat was: in 1972 verloor hij tegen Richard Nixon in elke staat, behalve in Massachusetts. Amerikanen houden niet zo van ‘radicals’. Maar Obama is zeker niet centrumrechts: hij heeft net 32 miljoen mensen een ziekteverzekering gegeven. Ik weet ook wel dat het in vergelijking met het Belgische systeem niets voorstelt, maar wij zijn al over verplichte ziekteverzekering aan het bakkeleien sinds de New Deal van Franklin Roosevelt uit de dertiger jaren. Geen enkele president is er ooit in geslaagd om er een fundament voor te leggen. Obama nu wel, omdat hij er ontzettend veel energie in gestopt heeft, omdat hij geleerd heeft uit de fouten van zijn voorgangers en omdat er voldoende mensen in de senaat bereid waren om ja te stemmen. Hij is er ook in geslaagd om de automobielindustrie te redden, om een pakket gestemd te krijgen om de economie opnieuw aan te zwengelen en om vrouwen benoemd te krijgen in het Hooggerechtshof. In de Amerikaanse context is dat allesbehalve centrumrechts. Oké, ik ben niet naïef: hij is geen socialist in de Europese betekenis van het woord of in de geest van de Italiaanse marxist Antonio Gramsci, maar in onze ogen is hij toch centrumlinks. Het meest radicale deel van Barack Obama is dat hij zwart is en tezelfdertijd president van de Verenigde Staten. Het Amerika van nu is niet hetzelfde Amerika van 1965. Daarom ook is de verkiezing van Obama zo belangrijk: ze helpt mee de politieke psychologie van het land te veranderen. Jonge zwarten hebben nu een totaal ander beeld van wat hun toekomst zou kunnen zijn. Dat radicale aspect van Obama raakt in Europa misschien een beetje vertroebeld omdat hij conservatieve middelen gebruikt om er belangrijke progressieve thema’s door te drukken. Of hij een soort van Machiavelli is? Ja. En Machiavelli wint altijd.”

Weet u of hij uw biografie gelezen heeft?

Remnick: “Ik hoop van niet. Hij heeft waarschijnlijk betere dingen te doen. Ik heb hem zelf twee keer gesproken, maar niet voor dit boek. Hij is uiterst cool, heeft de uitstraling van een marathonloper met een hartslag van 40 slagen per minuut. Kalm. Afgemeten. Ik heb Bill Clinton ook geïnterviewd, en die ging maar door en door. Als ik een pijnlijke zenuw raakte, verloor hij zijn zelfbeheersing. Clinton is heel emotioneel én briljant. Obama heeft er geen behoefte aan om je voortdurend te laten zien hoe briljant hij is. Hij gaat ervan uit dat je dat weet.”

David Remnick, De brug. leven en opkomst van Barack Obama, De Bezige Bij, ISBN: 978-90-234-6316-0, 29,90 euro.

 

© Jan Stevens

Advertenties

De man die de wereld wou redden

 Harvard-professor Samantha Power schreef de biografie van de Braziliaanse VN-gezant Sergio Vieira de Mello, die in 2003 in Bagdad omkwam bij een bomaanslag. “Zonder die aanslag was Sergio nu misschien secretaris-generaal.” Power zelf wordt getipt als de volgende minister van Buitenlandse Zaken onder Barack Obama. Zelf houdt ze de boot af: “Een onervaren meid zoals ik zou slecht zijn voor de wereldvrede.”  

 

Dinsdag, 19 augustus 2003, vijf uur in de namiddag. De Braziliaan Sergio Vieira de Mello, de speciale gezant voor Irak van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, ontvangt in het VN-hoofdkwartier in Bagdad twee Amerikanen die onderzoek doen naar de humanitaire kosten van de oorlog. Samen met twee leden van Vieira de Mello’s eigen team – zijn stafchef en zijn medewerkster politieke zaken – installeren ze zich voor de laatste vergadering van de dag. Vlak nadat iedereen is gaan zitten, weerklinkt er een oorverdovende explosie. Een ooggetuige verklaarde later dat het leek “alsof een miljoen camera’s tegelijkertijd flitsten”. De ruiten vliegen aan gruzelementen en glasscherven vliegen door de kamer. Het plafond, de muren en de vloer storten in. Die 19e augustus komt VN-gezant Sergio Vieira de Mello samen met 22 medewerkers om bij de eerste grote zelfmoordaanslag in Bagdad na de Amerikaanse invasie.

 

Een zomerse avond in 1994 in Zagreb, de hoofdstad van Kroatië. De jonge Amerikaanse verslaggeefster Samantha Power (°1970) ontmoet voor het eerst de VN-functionaris Sergio Vieira de Mello. “Ik was nog maar pas gearriveerd in het voormalige Joegoslavië, en vrienden hadden me aangeraden om contact te zoeken met Vieira de Mello: hij stond bekend als de meest dynamische en politiek gewiekste VN’er in de regio.” Tijdens hun etentje in een visrestaurant aan de rand van de stad, raakt Power danig onder de indruk van het politieke inzicht van de Braziliaan. “Ik vroeg hem hoe hij ooit bij de VN verzeild geraakt was. Hij vertelde dat hij een kind van 1968 was, en dat hij tijdens zijn studies filosofie aan de Parijse Sorbonne samen met zijn medestudenten in opstand gekomen was. In zijn beginjaren was hij in de ban van het marxisme. Zijn linkse idealen zijn in de loop der tijden afgezwakt, maar zijn maatschappelijke bewogenheid is hij nooit verloren. Pas na zijn dood besefte ik hoe hard we hem nodig hadden. Toen wist ik: ‘Sergio was de go-to guy.’ En nu kunnen we niet meer naar hem toe. Ik wou de lessen van zijn leven niet bij hem onder het puin laten, en besloot daarom om zijn verhaal te schrijven.”

 

Power bevroor al haar lopende schrijfprojecten, en begon aan De man die de wereld wilde redden, de vuistdikke biografie van Vieira de Mello. Samantha Power zelf is niet de eerste de beste. Ze werkte als oorlogscorrespondente in onder andere Rwanda, Cambodja en Kosovo, leidt het Carr Center for Human Rights Policy aan de universiteit van Harvard, en won met haar vorige boek Een probleem uit de hel in 2003 de prestigieuze Pulitzer Prize. Tot begin maart van dit jaar was ze de belangrijkste adviseur buitenlandse politiek van Barack Obama. Die zesde maart zei ze off the record aan een journalist van The Scotsman: “Hillary Clinton is een monster. Om te winnen is ze tot alles in staat.” De krant publiceerde haar uitspraak, Power kwam in het oog van een mediastorm terecht en nam onmiddellijk ontslag.

Nu, na de nominatie van Obama lijkt het ergste leed geleden. Samantha Power: “Eindelijk kunnen we ons volop focussen op de presidentsverkiezingen in november. Obama zal winnen. Het wordt lastig, want hij moet de hearts and minds van de Clintonsupporters terugwinnen, maar zijn organisatie is buitengewoon, en er zijn veel staten waar hij meer dan ooit kans maakt omdat de Afro-Amerikanen en de jonge mensen voor hem zullen stemmen. Hij heeft zelfs aanhang in meer vooruitstrevende republikeinse kringen die de blunders van de huidige regering zat zijn.”

 

Uw naam wordt genoemd als de volgende minister van Buitenlandse Zaken onder president Obama.

SAMANTHA POWER: Toch liever niet. Een onervaren meid zoals ik zou slecht zijn voor de wereldvrede. Want de Bush-jaren hebben ons alleszins een ding geleerd: dat een gebrek aan ervaring tot grote rampen leidt.

 

De voormalige minister van Defensie Donald Rumsfeld was een man met veel ervaring, net als de huidige vice-president Cheney.

POWER: Oké, ervaring is één ding, je moet natuurlijk ook nog over de juiste capaciteiten beschikken. Barack Obama heeft dan misschien geen ervaring opgedaan in Washington, hij heeft wel jarenlang als advocaat gewerkt, heeft ontzettend veel levenswijsheid en ijvert er oprecht voor om de dingen ten goede te veranderen.

 

Volgens u huist in Obama dezelfde ‘geest’ als in Sergio Vieira de Mello?

POWER: Van alle politici die ik ken, lijkt Obama qua gedrevenheid en compassie het sterkst op Sergio. Wat Sergio zo speciaal maakte, was dat hij zijn hele leven gezocht heeft naar ‘de waarheid’, naar een doctrine, naar leidraden. Als jonge man koos hij ervoor om filosofie te gaan studeren omdat die queeste naar waarheid gewoon bij hem ingebakken zat. Ik vind het zo jammer dat hij na alle gruwel die hij gezien heeft, na alle gebroken plaatsen waar hij geweest is, nooit de kans gekregen heeft om zijn visie, zijn filosofie uiteen te zetten over hoe we de wereldproblemen moeten aanpakken. Hij heeft dat met stukjes en beetjes gedaan, maar er is geen doorwrochte ‘leer’ overgebleven. Met mijn boek probeer ik dat hiaat een beetje op te vullen.

 

De man die de wereld wilde redden is naast het levensverhaal van Sergio Vieira de Mello ook het verhaal van de veranderende rol van de Verenigde Naties in de laatste decennia.

POWER: Het is het verhaal van de VN-blauwhelmen die als buffer tussen twee partijen gezet werden, tot de VN-blauwhelmen die vermengd raken met de bevolking, ja. Maar meer nog dan een geschiedenis van de VN, vertelt dit boek de geschiedenis van de meest gevaarlijke plaatsen van de laatste 35 jaar. Ik probeer te beschrijven hoe regeringen, de VN, NGO’s en wij daarop geantwoord hebben. De Verenigde Naties zijn belangrijk, maar ze zijn en blijven één actor tussen vele andere.

 

Als Vieira de Mello als speciale gezant van UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN, naar Cambodja reist, gaat hij met de killers van de Rode Khmer praten. Als hij naar Joegoslavië gaat, koopt hij cadeautjes voor Milosevic of praat hij met figuren als Mladic en Karadzic – die gesprekken leverden hem de bijnaam ‘Serbio’ op. In Rwanda praat hij met de génocidaires. Telkens weer ‘konkelfoest’ hij met oorlogsmisdadigers. Waarom?

POWER: Hij werkte in gebieden waar hij niet moest rekenen op de steun van machtige regeringen. Hij stond er bijna altijd alleen voor. In veel gevallen probeerde hij het lijden in de vluchtelingenkampen te milderen. Op een bepaald moment besloot Sergio dat het roekeloos zou zijn om niet met de Rode Khmer te praten als er maar een schijn van kans was om iets uit de onderhandelingen te sleuren dat de vluchtelingen kon helpen. Het isolement waarin de Rode Khmer zich bevonden, maakte het bijzonder lastig om afspraken te maken over het repatriëren van vluchtelingen. Sergio speculeerde erop dat praten een mogelijkheid op samenwerking kon opleveren. Hij kreeg daarvoor ontzettend veel kritiek van zijn oversten en collega’s. En hij ging soms ook best ver: in juli 1992 schreef hij een interne memo waarin hij het UNHCR-personeel opdroeg af te zien van kritiek in de pers op de Rode Khmer. Zijn redenering was: “Wat bereiken we door de Rode Khmer publiekelijk te bekritiseren? Voor hen worden we dan gewoon een van de talloze vijanden.”

 

Ging hij door met hen te praten niet lijnrecht in tegen de VN-doctrine?

POWER: Vieira de Mello was slim genoeg om de regels niet te overtreden. Want als hij tegen de VN-doctrine in zou handelen, riskeerde hij vrijwel zeker teruggeroepen te worden. Hij brak geen regels, maar ‘gebruikte’ ze, en zocht voortdurend naar achterpoortjes. Hij vond het zijn taak om vluchtelingen terug naar huis te brengen, ook al lag ‘thuis’ in Khmergebied. Een aantal van de vluchtelingen leefde in kampen gecontroleerd door de Rode Khmer, als hij die mensen naar huis wou brengen, moest hij wel praten met degenen die dat konden laten gebeuren. Hij praatte met koelbloedige moordenaars zoals Ieng Sary, tweede in rang na Pol Pot. Sergio was onder de indruk van die ontmoeting. Hij kon in de verfijnde figuur waarmee hij had zitten lunchen, maar moeilijk een koelbloedige massamoordenaar zien. Elke keer wanneer Sergio Rode Khmerfunctionarissen sprak, vermeed hij te praten over hun misdaden. Hij gedroeg zich tijdens die missies als een volbloed Machiavelli, hij vond dat het doel de middelen heiligde, en hij had daar succes mee. Hij slaagde er uiteindelijk in om meer dan 6000 vluchtelingen terug naar huis te brengen.

In Cambodja was hij echt geïntrigeerd door de misdadigers van de Rode Khmer: hij wou ze recht in hun ogen kijken, maar later slaat die fascinatie om in walg. Tot aan zijn missies in Srebrenica en Rwanda heeft hij teveel vertrouwen in moordende machthebbers, en is hij te onderdanig, zelfs tegen het kruiperige af. De massamoord in Srebrenica en de genocide in Rwanda shockeren hem zo erg, dat hij zijn onderhandelingstactiek aanpast. “Als ik een kamer binnenstap om met misdadigers te onderhandelen, laat ik mijn principes niet langer in de gang achter”, besluit hij. “Voortaan neem ik ze mee naar binnen, en pak die schoften harder aan.”

 

Gebruik van geweld was voor hem geen taboe?

POWER: Hij was zeker geen pacifist, al stond hij in het begin van zijn carrière wel erg sceptisch tegenover het gebruik van geweld. Maar door zijn ervaringen in Libanon en Bosnië raakte hij er meer en meer van overtuigd dat geweld soms gerechtvaardigd was om de levens van mensen te beschermen. Je kunt mensen niet in bescherming nemen door alleen maar het charter van de VN aan agressors te tonen. De laffe houding van de Belgische blauwhelmen in Rwanda deed Sergio beseffen dat de VN soms meer kwaad dan goed doet. Als een VN-interventieleger het niet aankan om een land te stabiliseren, heeft de VN er als peacekeeper niets te zoeken. Als generaal Delaire in Rwanda van in het begin op zijn strepen gestaan had, had hij misschien 5000 manschappen gekregen in plaats van de armzalige 2500. Als je met te weinig manschappen, een slap mandaat en een gammele bewapening naar zo’n gebied moet trekken, bewijs je niemand een dienst: je eigen mensen niet wiens leven je in gevaar brengt, en dat van de bevolking niet, want je hebt de middelen niet om hen te beschermen. Als je die inspanningen er niet voor over hebt, kun je maar beter eerlijk zijn en de burgers zeggen dat de wereld geen zier om hen geeft.

 

Er zijn maar weinig peacekeeping operaties van de VN die echt geslaagd te noemen zijn.

POWER: Dat is waar. Maar het is sowieso erg moeilijk om succes te meten in dit soort van plaatsen die zo fucked up zijn. Het is ongelooflijk naïef om ervan uit te gaan dat een groep vreemden zo’n land kan binnenwandelen en de ellende in een jaar of twee kan oplossen. We kennen allemaal de mislukkingen, maar niemand weet hoe die plaatsen er zouden uitzien als er geen vredesmacht geweest zou zijn. Hoeveel erger de toestand er zou zijn – of misschien juist beter. We kunnen het gewoon niet weten. We weten niet hoe Zuid-Libanon er nu zou uitzien als Unifil er nooit was geweest.

 

Vlak voor Vieila de Mello door de VN naar Irak gestuurd werd, ontmoette hij George Bush.

POWER: Ja, en hij charmeerde hem.

 

Wie charmeerde wie?

POWER: (lacht) Da’s een goeie vraag. Eerlijk gezegd denk ik dat Sergio president Bush charmeerde. Al was hij zeker verrast door de warmte die Bush uitstraalde. Na de invasie in Irak wou Sergio als VN-gezant naar Bagdad. Bush moest daarvoor zijn toestemming geven. De president hield niet van de softe VN-aanpak, maar Sergio gedroeg zich heel macho; hij praatte over wapens en over het doden van mensen… Bush reageerde met: “Wow, een VN-gezant met een shoot-to-kill attitude!” Dat klonk als muziek in zijn oren. Hij dacht: “Met deze kerel kan ik zaken doen.” Door die ontmoeting met Bush verzekerde Sergio zich van zijn aanstelling in Irak. En ze deden zaken in die zin dat Sergio dagelijks met Paul Bremer in Irak praatte, en hem probeerde af te brengen van zijn plannen om de staat te de-baathificeren en het Iraakse leger te demobiliseren. Hij probeerde de Amerikanen er ook van te overtuigen om snel de macht aan de Irakezen over te dragen. Maar zijn mening interesseerde Bremer en zijn vrienden niet. Tijdens de invasie had de VS geen enkel plan voor wat er na de afzetting van Saddam moest gebeuren. En de bezetters hadden ook geen enkel plan om mensen te redden die onder het puin van een opgeblazen gebouw terechtkwamen. Het is ongelooflijk, weet je. Ze hadden echt geen enkel plan om te reageren op een terroristische aanval – hun zogezegde reden waarom ze die oorlog in eerste instantie begonnen waren.

 

Had Vieira de Mello van onder het puin van het VN-gebouw gered kunnen worden als er wel een fatsoenlijk reddingsteam geweest was?

POWER: Daar ben ik zeker van. Natuurlijk zou hij er zwaar gewond uitgeraakt zijn, maar na de explosie heeft hij nog urenlang geleefd. Zijn vriendin heeft zijn doodstrijd van zeer nabij moeten meemaken, ze heeft hem met haar blote handen uit het puin proberen graven. Ik heb lang met haar gepraat – ze lijdt nog steeds heel erg. Zij overleefde de bom, en na de aanslag liet de VN haar links liggen en deed alsof ze niet bestond. Akkoord, technisch gesproken was ze niet met Sergio getrouwd. Maar zijn echtscheiding zou twee weken later uitgesproken worden. Waanzin.

 

Was het Vieira de Mello’s ultieme droom en doel om secretaris-generaal van de VN te worden?

POWER: Ik denk het wel. Toen hij stierf was hij nog slecht één promotie verwijderd van het ambt van secretaris-generaal. Zijn dood is een groot verlies. Elke keer als er ergens een crisis uitbreekt, denk ik: “Wat zou Sergio gedaan hebben?”

 

 

 

Laffe Belgen

 

In haar boek beschrijft Samantha Power een bezoek van Sergio Vieila de Mello aan de Don Boscoschool in Kigali waar Belgische blauwhelmen in 1994 tweeduizend Tutsi’s overlieten aan de génocidaires. “Sergio had zich tot dan suf gepiekerd over het verraad van de Nederlandse VN-blauwhelmen in Srebrenica, maar vanaf dat bezoek aan de Don Boscoschool verwees hij naar de Rwandese slachtpartij als de grootste daad van verraad die de VN op zijn geweten had.”

 

Samantha Power: “In 1996 bezocht Sergio samen met zijn vriend en VN-functionaris in Rwanda Omar Bakhet de Ecole Technique Officielle Don Bosco in Kigali. In 1994 hadden de Belgische blauwhelmen daar een basis. Er hadden zo’n tweeduizend wanhopige Rwandese Tutsi’s gezeten, tot de Belgische VN-bevelhebber op 11 april 1994 opdracht kreeg zijn troepen terug te trekken. De school was omsingeld door génocidaires. Ze dronken bananenbier, zwaaiden met hun machetes en scandeerden: ‘Hutu’s aan de macht!’ De Tutsi’s smeekten de Belgische soldaten om de school niet te verlaten. Maar de Belgen joegen de hulpeloze Rwandezen weg en vuurden zelfs boven hun hoofden, zodat ze hun voertuigen niet zouden tegenhouden. Van zodra de Belgische blauwhelmen hun hielen hadden gelicht, gingen de gewapende milities, de interhahamwe, naar binnen en slachtten alle Rwandezen af die zo vermetel geweest waren om bescherming te zoeken onder de vlag van de VN. De laffe houding van de Belgen maakte Sergio erg woest. ‘Shit’, moet hij geroepen hebben, ‘soms doet de VN meer kwaad dan goed.'”

 © jan@janstevens.be