Chinezen krijgen tien keer vaker asiel dan Syriërs

Een Chinees die in België asiel aanvraagt, maakt vier keer zoveel kans op erkenning als een Afghaan, en bijna tien keer zoveel als een Syriër. Uit cijfers van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen blijkt dat in de eerste negen maanden van dit jaar 88,4% van de Chinezen het vluchtelingenstatuut kreeg. Bijna alle Chinese asielaanvragers hebben ‘het Tibetaans profiel’, waardoor ze vlot in aanmerking komen voor erkenning. Ook als ze nooit een voet in China gezet hebben.

 

Van de 1.707 behandelde vluchtelingendossiers van Afghanen, werden er dit jaar door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen 375 of 22% gehonoreerd, van de 1.034 Syriërs slechts 96 of 9,3%. Van de 189 Chinezen kregen er 167 of maar liefst 88,4% asiel. China staat al jaren bovenaan in de top tien van landen met de meest succesvolle asielaanvragen. Terwijl het gemiddelde erkenningspercentage van de meeste andere landen tussen 10 en 20 % schommelt, haalt China steevast vlot 90%.

“Nogal wat Afghanen en Syriërs krijgen subsidiaire bescherming”, zegt Els Cleemput, woordvoerster van staatssecretaris voor Asiel en Migratie Maggie De Block. “Omwille van het geweld in hun land mogen ze tijdelijk blijven. Om de twee jaar wordt dat geëvalueerd. Wij bepalen niet wie erkend wordt als vluchteling: dat is een onafhankelijke beslissing van het Commissariaat-Generaal.”

“De meeste Chinese asielaanvragers zijn Tibetanen die afkomstig zijn uit China”, zegt vluchtelingencommissaris Dirk Van Den Bulck. “Ze krijgen de vluchtelingenstatus omdat ze vervolgd worden voor hun etnische afkomst. Slechts weinig andere Chinezen dienen een asielaanvraag in. De meesten verdwijnen in de illegaliteit.”

Krijgt elke Tibetaan automatisch asiel? “Nee. Elk individueel dossier wordt grondig onderzocht. Het is wel zo dat de meeste Tibetanen een gegronde vrees voor China kunnen aantonen.”

 

Migratie

Niet alle Tibetanen die in België asiel vragen en krijgen, komen uit China. Ze verbleven jarenlang in India, Nepal of Bhutan. Sommigen zijn zelfs niet eens in China geboren en hebben het land nooit bezocht, maar krijgen toch het felbegeerde vluchtelingenstatuut. “We hebben ook vastgesteld dat sommige Tibetanen in India of een ander land geboren en getogen zijn”, geeft Dirk Van Den Bulck toe. “Daarom willen we in de toekomst nagaan of die mensen de reële mogelijkheid hebben om veilig en zonder risico terug naar dat eerste land van asiel te keren. Dat wordt nu pas mogelijk voor ons omdat de wet eind september is aangepast.”

Sommige Tibetanen hebben het vluchtelingenstatuut gekregen, ook al waren ze in de eerste plaats economische vluchtelingen? Dirk Van Den Bulck: “Het klopt dat Tibetanen om economische redenen naar Europa migreren, terwijl ze in India een alternatief hebben. Maar dat geldt zeker niet voor alle Tibetanen. Ons onderzoek is nog niet helemaal rond.”

 

Schuldgevoel

Vandaag heeft België in Europa na Zwitserland de grootste Tibetaanse gemeenschap. Volgens Inge Hermans, voorzitster van de belangenvereniging Vrienden van Tibet, is de welwillende houding van het Vluchtelingencommissariaat misschien te verklaren door het schuldgevoel van Belgische politici. “Een man als de Dalai Lama is nu eenmaal zeer populair”, zegt ze. “Nogal wat politici zijn het geweldloze verzet van de Tibetanen in China genegen. Maar omwille van de lucratieve handelscontracten durven ze de Chinese overheid niet onder druk zetten. Op al die handelsmissies wordt amper over mensenrechten gesproken. Ik kan me voorstellen dat het tolerante asielbeleid dat gebrek aan politieke moed moet compenseren.”

Dirk Van Den Bulck ontkent alle politieke inmenging. “Voor ons telt maar één ding: het echte risico dat een individu loopt in zijn land van herkomst, rekening houdend met wat er in de wet is vastgelegd. Al de rest is van geen belang.”

 

© Jan Stevens

Advertenties

“West-Europa was in de jaren zestig linkser dan het huidige China”

In Slechte elementen bekijkt journalist Ian Buruma China door de ogen van ’s lands meest kritische geesten: de dissidenten en rebellen. ‘China wordt geregeerd door de maffia. De Communistische Partij is een volbloed maffia-organisatie met criminele activiteiten, corruptie en afrekeningen.’

 

De ochtend na de aanslag op de marathon in Boston is alles rustig in het lieflijk groene Annandale-on-Hudson in de staat New York. ‘Ik heb hier helemaal niets van paniek of zo gemerkt’, zegt journalist, essayist en politiek commentator Ian Buruma bijna verontschuldigend. ‘Tijdens de week geef ik diep in het Amerikaanse platteland les en verneem ik alles wat er in de rest van de wereld gebeurt alleen maar via de krant.’

Sinds 2003 doceert Buruma aan het Bard College democratie, mensenrechten en journalistiek. Daarnaast schrijft hij artikels en opiniestukken voor The New York Review of Books, The New Yorker en NRC Handelsblad. In de jaren zeventig studeerde hij Chinese literatuur en geschiedenis aan de universiteit van Leiden, en Japanse film in Tokio. De voorbije jaren verschenen er heel wat boeken van zijn hand waarin hij, vaak vanuit zijn kennis over China en Japan, heldere beschouwingen neerschreef over cultuur, vrijheid en samenleving. Na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, analyseerde hij haarscherp de steeds harder wordende Nederlandse samenleving in Dood van een gezonde roker. Het boek werd in 2006 genomineerd voor de prestigieuze Samuel Johnson Prize. Twee jaar later kreeg Buruma de Erasmusprijs.

Tussen 1996 en 2001 bezocht hij verschillende Chinese dissidenten zowel in het Westen als in ‘het Moederland’. Hij startte zijn tocht in Los Angeles, reisde vervolgens naar Singapore, Taiwan en Hongkong, en eindigde in het hol van de leeuw, in Beijing. Het boeiende relaas van zijn omzwervingen en ontmoetingen bundelde hij in Slechte elementen. Chinese dissidenten van Los Angeles tot Beijing. De oorspronkelijke Engelstalige uitgave verscheen in 2001. ‘Het boek kwam uit op een ongelukkig tijdstip’, zegt hij. ‘Het was vlak na de aanslagen van 11 september en van het ene moment op het andere was niemand nog geïnteresseerd in China. Ondertussen is de interesse in China gelukkig weer helemaal terug. Mijn uitgever moet gedacht hebben: dit is hét moment om Slechte elementen een tweede kans te geven.’ (lacht)

 

Is de politieke toestand in China sinds 2001 dan niet geëvolueerd?

Ian Buruma: De politieke toestand is min of meer hetzelfde gebleven. Natuurlijk zijn er een paar zaken veranderd: zo is een deel van China nog veel rijker geworden dan het toen al was. Maar je kunt niet zeggen dat er nu meer vrijheid dan vroeger is. De mensenrechten worden er nog steeds met de voeten getreden. Niet zo desastreus als onder Mao, en ook niet even afschuwelijk zoals nu in Congo, maar veel verbetering is er sinds 2001 niet te merken. Op het moment dat ik het boek schreef, leefde ik nog in de overtuiging dat het regime niet zo lang stand zou houden. Dat heb ik dus verkeerd ingeschat.

 

Wat misschien wel sterk veranderd is, is dat de Chinese machthebbers hier in het Westen beter aanvaard worden dan toen?

Buruma: Met ‘het Westen’ bedoelt u waarschijnlijk de Westerse regeringen. Ik ben er niet zo zeker van dat het regime nu beter aanvaard wordt. Het is wel zo dat de meeste Westerse regeringen zich erbij neergelegd hebben dat het zinloos is om met de Chinese overheid over mensenrechten te praten. In de eerste plaats omdat ze bijzonder weinig vat hebben op wat er in China gebeurt, en in de tweede plaats omdat het land economisch veel te belangrijk geworden is om het hard aan te pakken. Hoe sterker, rijker en groter de Chinese economie wordt, hoe meer andere regeringen geneigd zijn het communistische regime te ‘aanvaarden’.

 

Is massale revolte zoals op het Tienanmenplein in 1989 ook nu nog mogelijk?

Buruma: Zeker, wat niet wil zeggen dat het op exact dezelfde manier zal gebeuren. Veel mensen geloven dat de politieke toestand in China momenteel stabiel is, maar dat is niet zo. Na de opstand op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 hebben de machthebbers de stedelijke, redelijk hoog opgeleide middenklasse min of meer afgekocht. De deal tussen de bourgeoisie en de communistische partij is heel simpel: de goedboerende stedelingen bemoeien zich niet met politiek en houden geen demonstraties; in ruil zorgt de regering ervoor dat de bourgeoisie steeds welvarender wordt. Zolang de economie enorm blijft groeien, is er geen vuiltje aan de lucht. Maar de geschiedenis leert dat op termijn een flinke economische terugslag onvermijdelijk is. Op dat moment zal de regering haar deel van de afspraak niet langer kunnen nakomen, waardoor de politieke situatie meteen minder stabiel wordt en er een gevaarlijke toestand kan ontstaan. Er is nu natuurlijk ook al heel wat protest in China, maar het is sporadisch, verspreid over het land en het wordt niet aangestuurd door de welgestelde middenklasse, maar door arbeiders en boeren. Zolang mensen niet op landelijke schaal iets kunnen organiseren, is het heel moeilijk om plaatselijke protesten om te zetten in een echt nationale beweging. De Communistische Partij zorgt er heel slim voor dat het protest gefragmenteerd blijft.

De Partij doet op zeer bescheiden niveau pogingen om de mensen de illusie te geven dat ze een soort van ‘keuzevrijheid’ hebben. Zo worden er op lokaal niveau ‘verkiezingen’ georganiseerd. Alle verschillende kandidaten zijn dan natuurlijk wel allemaal lid van de Communistische Partij. Het gaat de partijbonzen daarbij niet om democratisering, maar om het scheppen van een betere band tussen de Communistische Partij en de bevolking. Op een hoger niveau zijn er helemaal geen verkiezingen: alle partij- en regeringsleiders zijn op hoogst ondemocratische wijze aan de macht gekomen.

 

Volgens sommigen is China veel te groot voor een democratisch regime.

Buruma: Ja, dat wordt gezegd, maar ik ben daar niet van overtuigd. India is ook een immens land met waarschijnlijk nog meer verscheidenheid dan China, en toch heeft dat land wel een democratisch verkozen regering. De Indiase democratische instellingen werken niet altijd even gestroomlijnd, maar ze bestaan én ze functioneren.

 

Hoe ideologisch gestuurd zijn de huidige generatie Chinese machthebbers?

Buruma: Na Mao is ideologie weggedeemsterd en is politieke macht synoniem van financiële, materiële en economische macht. Het huidige Chinese economische systeem is vergelijkbaar met het Zuid-Koreaanse en het Japanse. Het is een kluwen van door de staat geleide bedrijven met een sterke industriële bureaucratie, en daarnaast een soort van private ondernemingen. Het grote verschil is de omvang van de corruptie: in Zuid-Korea en Japan is er ook een vorm van corruptie met politici die samenwerken met bureaucraten en grote bedrijven om hun belangen te behartigen; in China swingt die corruptie echt de pan uit. Daar hangt alles uiteindelijk alleen af van de Communistische Partij. Ook privé-ondernemers moeten er steeds voor zorgen dat ze op goede voet staan bij de Partij, anders riskeren ze snel weggedrukt te worden.

 

Mag ik de Communistische Partij vergelijken met de maffia?

Buruma: Ja. En dat mag u heel letterlijk nemen. De Partij is een volbloed maffia-organisatie met criminele activiteiten, corruptie, afrekeningen en machtspelletjes.

 

In maart vorig jaar kreeg België het bezoek van een Chinese delegatie van 63 potentiële investeerders. Ze werden door onze ministers met open armen ontvangen. Volgens de Spaanse Chinacorrespondent Juan Pablo Cardenal maken onze regeringsleiders een vergissing door de rode loper uit te rollen voor dat soort van delegaties, omdat dat hetzelfde is als “zakendoen met communistische hardliners voor wie mensenrechten, milieubescherming en duurzaamheid loze begrippen zijn.”

Buruma: Ik durf niet zo expliciet te stellen dat je als Westerse minister op zo’n moment ook automatisch met de hardliners aan het onderhandelen bent, maar het is wel juist dat er niet veel afspraken gemaakt worden waar de Partij haar toestemming niet voor gegeven heeft. Het is dus heel onwaarschijnlijk dat Chinese zakenlieden volkomen onafhankelijk kunnen optreden als ze onderhandelen in het buitenland. Zo hebben Westerse regeringsonderhandelaars indirect altijd met de Partij te maken. Buitenlandse regeringen gaan natuurlijk graag om met Chinese zakenlui en delegaties omdat er altijd wel deals te sluiten zijn en er veel geld te verdienen is.

 

Leggen onze regeringen te weinig de nadruk op het eerbiedigen van mensenrechten als ze met de Chinezen onderhandelen?

Buruma: Wellicht, maar ik vrees dat ze niet veel speelruimte hebben. China is groot en machtig en Belgen, Nederlanders en zelfs Amerikanen kunnen zoveel zeggen wat ze willen, veel indruk maakt dat niet. Uiteindelijk moet het van de Chinezen zelf komen. Dus is het onze verdomde plicht om van hieruit dissidenten te steunen. Al moeten we daar ook voorzichtig mee zijn, want een dissident wil in China niet de reputatie hebben dat hij een speelpop van buitenlandse belangen is. Behalve preken, kunnen buitenlandse regeringen echt niet zoveel doen. We weten dat de impact van al dat gepreek niet zo bijzonder groot is.

 

Nu China een flink deel van de Amerikaanse schuld in handen heeft, wordt het voor Amerikaanse politici nog moeilijker om druk uit te oefenen?

Buruma: Ja, al kan er natuurlijk wel nog veel indirect worden gedaan. Net als de maffia is ook de Chinese overheid per definitie conservatief; dat geldt eigenlijk voor alle criminele organisaties. Ze profiteren van de toestand zoals die is en willen die daarom liefst zo houden. Maffiabazen willen gerespecteerd worden en doen daarom vaak aan liefdadigheid. Ook de Chinese regeringsleden en partijbonzen willen respectabele heren zijn. Met die wijsheid in het achterhoofd kun je als buitenlandse investeerder wel degelijk een beetje het verschil proberen te maken door op de ‘gevoelens’ van de leiders in te spelen. Als zo’n buitenlandse investeerder een fabriek in China uitbouwt, kan hij heel veel aandacht schenken aan goede arbeidsomstandigheden en zo ook Chinese ondernemers er misschien toe aanzetten om ook hun arbeidscondities op te krikken.

 

Wat vinden de gewone Chinezen zelf van hun dissidenten?

Buruma: De dissidenten buiten China hebben zeer weinig vat op wat er in hun thuisland gebeurt. De meeste Chinezen vinden hen maar obscure figuren. Daarom ook heeft de Chinese regering er geen enkel probleem mee om af en toe dissidenten te ‘lozen’ en ze met veel publiciteit te laten vertrekken naar de Verenigde Staten. Binnen China zelf zijn wel wat intellectuele dissidenten actief. Tegenwoordig voeren zij vooral actie via het internet, waardoor ze niet echt een grote aanhang hebben. Maar er zijn ook mensen die op andere, meer praktische manieren ‘oppositie’ voeren. Zo zijn er advocaten die mensen verdedigen die op een of andere manier ingegaan zijn tegen de criminele of politieke belangen van de Partij en daarvoor juridisch vervolgd worden. Je mag de invloed op de publieke opinie van een man als Ai Weiwei niet onderschatten. Zijn uitspraken op Twitter worden echt wel door veel Chinezen gevolgd. Maar de overgrote meerderheid van de gewone Chinezen is bezig met elke dag te overleven en heeft niet veel boodschap aan al dat dissidente gedoe. De enige plaats in China waar je vrij ongestoord kan zeggen wat je denkt, is Hongkong. Daar merk je nu nog heel duidelijk de sporen van het vroegere kapitalistische verleden. Na de overname door de Volksrepubliek zijn Chinezen van het vasteland zich er komen vestigen, waardoor de verschillen in welvaart tussen Hongkong en de rest van China steeds kleiner worden. In sommige opzichten is Sjanghai nu even modern als Hongkong.

 

Hebt u nog contact met de dissidenten die u in 2001 bezocht hebt?

Buruma: Heel weinig. Ik heb me een beetje teruggetrokken uit dat milieu. Het probleem met overzeese dissidentenkringen – niet alleen met Chinese – is dat ze na verloop van tijd enorme onderlinge vetes ontwikkelen. Ik had niet veel zin om daarin betrokken te raken. Dat zijn dan vetes waarbij het politieke en het persoonlijke vaak samenvallen. Al dat geharrewar tussen die verschillende dissidenten is natuurlijk ontstaan uit pure frustratie, omdat die mensen in hun eigen land zo weinig kunnen doen, en daarom willen ze in het buitenland dolgraag allemaal haantje-de-voorste zijn. Als je als buitenstaander te betrokken raakt, loop je het risico dat je door één groep of één persoon geadopteerd wordt en ingezet wordt tegen de anderen. Daar had ik geen zin in.

 

Is de Chinese overheid blij met het spierballengerol van bondgenoot Noord-Korea?

Buruma: De Chinese leiders zijn daar helemaal niet blij mee, want omdat ze zo conservatief zijn, willen ze geen chaos aan hun grens. Ze willen ook niet dat Noord-Korea instort, want het vormt de perfecte bufferstaat met Zuid-Korea, wat voor hen gelijkstaat met de Verenigde Staten. Ze hebben ook geen zin in de opvang van honderdduizenden, misschien wel miljoenen vluchtelingen. Dus willen ze het liefst de stabiliteit, of het status-quo, bewaren en zijn ze nu erg verstoord door de Noord-Koreaanse regering die de zaak op de spits probeert te drijven.

 

Wat bezielt de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un dan?

Buruma: Hij is heel jong en moet zichzelf bewijzen. Ik denk dat al dat spierballengerol vooral voor zijn eigen militairen bedoeld is. Na de val van de Sovjet-Unie is Noord-Korea nu haast geheel afhankelijk van China. Vroeger speelden de Noord-Koreaanse machthebbers graag China en de Sovjet-Unie tegen elkaar uit. Kim Jong-un kan dat nu niet meer en probeert de totale afhankelijkheid van China te verdoezelen door vijandig te doen tegenover Zuid-Korea, de Verenigde Staten en Japan. Ik denk niet dat dit zal escaleren tot een oorlog, al kun je dat nooit helemaal uitsluiten, want soms lopen dit soort dingen uit de hand.

 

Noord-Korea heeft kernwapens.

Buruma: In hoeverre ze die wapens echt al hebben, is niet helemaal duidelijk. Al hebben ze zeker de capaciteiten om kernwapens te maken. Als het toch mis gaat, denk ik niet dat het conflict zal escaleren tot een Derde Wereldoorlog, want China is niet bereid om voor Noord-Korea oorlog te gaan voeren met de VS en Japan. Als Noord-Korea een raket afvuurt, isoleert het land zich meteen volledig, waarna het snel verslagen zal worden door de Zuid-Koreaans-Amerikaanse troepen. De ellende is alleen dat zo’n conflict ongelooflijk veel schade zal toebrengen en dat er honderdduizenden mensen in de beide Korea’s zullen sterven.

In 1995 heb ik Noord-Korea bezocht en behalve een paar straten in de hoofdstad Pyongyang heb ik toen bijzonder weinig van het land te zien gekregen. Ik zat gevangen in een strak geregisseerd programma, waarin niets aan het toeval was overgelaten. Ik werd me er toen heel erg van bewust dat ik in een onvervalste totalitaire staat op bezoek was. Het was er uiterst griezelig en onaangenaam.

 

U woont al geruime tijd in New York. Hoe kijkt u naar uw geboorteland Nederland?

Buruma: Toen ik er in de vroege jaren zeventig woonde, was Nederland nog een toonbeeld van progressie en van sociaal-democratie. Alles was er moderner en vooruitstrevender. Althans, zo zagen de Nederlanders hun land zelf graag en gedeeltelijk hadden ze ook gelijk. Dat is nu natuurlijk veranderd: er is een reactie gekomen waardoor de slinger de andere kant uitgeslagen is. Die ruk naar rechts en de opkomst van het nationalisme gelden niet alleen voor Nederland: de meeste landen in Europa zijn erg veranderd. Maar door dat progressieve verleden is het in Nederland wel veel heftiger verlopen.

 

Moet Europa zich zorgen maken over dat oprukkende nationalisme?

Buruma: Ja, dat vind ik wel. Het belooft alleszins meer spanningen met migranten op te leveren. Maar migranten gaan niet weg en landen hebben nu eenmaal immigratie nodig. De publieke opinie heeft op dit moment ook absoluut geen boodschap aan de Europese eenheidsdroom.

 

De eurocrisis heeft die Europese gedachte natuurlijk geen deugd gedaan.

Buruma: Nee, en daardoor zie je nu ook allerlei historische wonden weer opengaan. Griekenland werd in de jaren veertig geteisterd door een ernstige burgeroorlog en had daarna dat afschuwelijke kolonelsregime. Mede door de slechte economische toestand gaat diezelfde wonde weer open en marcheren de fascisten van de Gouden Dageraad door de straten van Athene.

 

Volgens sommigen zijn ook bij ons de jaren dertig terug.

Buruma: Ik weet het, maar een partij als jullie N-VA kun je toch niet vergelijken met de vooroorlogse fascistische partijen. Het rechtse populisme in Europa, ook in Nederland en België, is in sommige opzichten natuurlijk wel te vergelijken met de jaren dertig, zo exploiteren de populisten ook nu rancunegevoelens. Aan de andere kant zijn er ook grote verschillen: de N-VA heeft geen militaire trekken, er zijn geen uniformen, er wordt niet met geweld gedreigd en het is nog steeds een democratische partij.

 

De partij heeft intussen wel een aantal politici van het Vlaams Belang met open armen verwelkomd.

Buruma: Het is alleszins beter dat een democratische partij probeert de mensen te vertegenwoordigen die anders op extreemrechts zouden stemmen. Ik vind Geert Wilders en zijn ‘beweging’ in Nederland veel zorgelijker: hij onderneemt bewust pogingen om de autoriteit van de rechterlijke macht te ondermijnen. Dat is gevaarlijk. Ik maak me sowieso zorgen als mensen zichzelf presenteren als een beweging in plaats van als een partij. Zo’n ‘beweging’ geeft de indruk dat ze zichzelf verheven voelt boven de rest.

 

Leven we nu in moeilijker tijden dan voor de val van de Muur?

Buruma: Het was toen in ieder geval eenvoudiger. In de jaren zestig en zeventig leefde in West-Europa, ondanks de crisis, toch het idee dat het economisch steeds beter ging, en dat de kinderen het beter zouden hebben dan hun ouders. Tijdens de koude oorlog was het duidelijk wie bij wie hoorde. Maar in sommige delen van de wereld werd ook toen hard gevochten, denk maar aan Vietnam en aan de Koreaanse oorlog. Ik weet eerlijk gezegd niet of het nu zoveel slechter is.

 

Dat gouden zestiger jaren-gevoel, ervaren de Chinezen dat nu ook?

Buruma: Niet allemaal: met de grote meerderheid gaat het helemaal niet zo goed. In sommige delen, bijvoorbeeld in de steden aan de kust, gaat het wel steeds beter. Daar vind je dan ook nogal wat triomfalistische nationalisten. Maar bij de Chinezen op het platteland en in de industriegebieden is weinig triomfalisme te bespeuren. In West-Europa ging het in de zestiger jaren eigenlijk voor iedereen min of meer beter. Dat was niet alleen dankzij de zegeningen van het kapitalisme, maar vooral dankzij de zegeningen van de sociaal-democratie en de christen-democratie. Toen was er veel meer gelijkheid in West-Europa dan nu. In China wordt de ongelijkheid alleen maar groter. Weet u wat zo ironisch is? Dat West-Europa in de jaren zestig veel linkser was dan het huidige China. (lacht)

 

Ian Buruma, Slechte elementen. Chinese dissidenten van los Angeles tot Beijing, Atlas Contact, 464 blz., 24,95 euro

 

Ian Buruma

 

Geboren in 1951.

Zoon van een Britse moeder en een Nederlandse vader.

Studeert Chinese literatuur en geschiedenis in Leiden en Japanse film in Tokio.

1977-80: werkt als filmmaker en fotograaf in Japan.

1983-86: werkt als cultuurjournalist in Hongkong.

Werkt daarna voor verschillende bladen en schrijft ook diverse boeken.

Is sinds 2003 hoogleraar democratie, mensenrechten en journalistiek aan het Bard College in New York.

 

 

 

© Jan Stevens

“De Chinese overheid beseft dat ze een probleem heeft”

Terwijl Europa braaf afval sorteert, windmolens bouwt, hybride auto’s koopt en zonnepanelen installeert, lozen 1,3 miljard Chinezen zorgeloos hun afval en stoten ze tonnen CO2 de lucht in. Dat is toch wat wij graag geloven. Maar is dat ook werkelijk zo?

 

Tussen 2001 en 2011 groeide de Chinese energieconsumptie met 136%. Volgens berekeningen van de onderzoeksgroep The Economist Intelligent Unit van het tijdschrift The Economist werd vorig jaar 66% van de totale Chinese energie door steenkoolcentrales geleverd. Het resultaat liegt er niet om: anno 2012 is China de allergrootste CO2-vervuiler en behoren megasteden als Bejing en Shanghai tot de zwaarst vervuilde ter wereld. “De inwoners hebben er ontzettend veel last van smog en stof”, zegt Herman Sioen, ervaren chinareiziger en directeur Waste en New Energy van het milieutechnologiebedrijf Waterleau dat in China waterzuiveringsinstallaties en hoogtechnologische afvalverbrandingsovens bouwt. “De vervuiling in de steden is een gevolg van de industrialisering en van het feit dat massaal veel mensen die op een kleine oppervlakte samen wonen, allemaal dromen van een auto, centrale verwarming en elektriciteit. De kolencentrales die oorspronkelijk aan de rand van de stad stonden, zitten nu ingekapseld door wolkenkrabbers: de fabrieksschoorstenen zijn vaak lager dan de flatgebouwen. Die bizarre ruimtelijke ordening komt omdat de Chinese overheid achter de immense groei aanholt. Naast de economie laten draaien en de mensen een beter leven garanderen, komt daar nu ook nog eens de zorg voor het milieu bij.”

Bij veel westerlingen leeft de overtuiging dat het met die ‘Chinese zorg voor het milieu’ helemaal fout gaat en dat zowel de machthebbers als de modale Chinees niet wakker liggen van een paar ton CO2 extra. “Dat is een misvatting”, zegt Herman Sioen. “Zeker bij de overheid is er bekommernis over de milieuproblematiek. Momenteel is China een van de grootste investeerders in de bouw van windmolens en zijn bijna alle zonnepanelen over de hele wereld ‘made in China’. Veel huizen in Zuid-China zijn uitgerust met zonneboilers. Er wordt nu echt wel werk van milieubescherming gemaakt, alleen zou alles nóg sneller moeten gebeuren.”

Raf Vermeire was in een vorig leven voorzitter van de CVP-jongeren, nu is hij ‘serieel ondernemer’ en CEO van het in een buitenwijk van Bejing gevestigde White Pavilion, een ingenieursbureau gespecialiseerd in cleantech en hernieuwbare energie. Vermeire woont en werkt bijna het hele jaar rond in China. “Om de zes weken kom ik voor een week terug naar België.” Zijn kantoor ligt vlak naast het atelier van kunstenaar Ai Weiwei. “Ik leef nu drie jaar in het land en ik voel dat er iets aan het veranderen is: de autoriteiten lijken vast van plan om de vervuiling terug te dringen. Al is er bij de man in de straat nog steeds zeer weinig belangstelling voor zoiets als de klimaatverandering. Maar in een stad als Bejing beginnen de inwoners echt wel te klagen over de luchtvervuiling. Ze vinden de smog vervelend en lastig, alleen gaan ze nog niet op zoek naar de oorzaken. Ze zijn opgegroeid in een cultuur van ongebreidelde groei: meer produceren betekent meer verdienen en meer consumeren. Het land moet de omslag maken van massaal produceren naar kwaliteitsvol produceren en dat is niet zo eenvoudig. Ons milieubewustzijn is ook nog maar 25 jaar geleden op gang gekomen, met dank aan een politicus zoals Norbert De Batselier die toen tegen de stroom in voor een properder landbouw pleitte. Nu zijn we er allemaal van doordrongen dat zelfs een op het eerste gezicht propere activiteit als landbouw zeer vervuilend kan zijn. In China moet dat besef nog groeien.”

 

Het Plan

Sinds begin jaren vijftig van de vorige eeuw verloopt de ontwikkeling van de centraal geleide Chinese economie volgens vijfjarenplannen zoals die uitgetekend worden door de Chinese Communistische Partij. Voor het elfde vijfjarenplan van 2006 tot 2010 wijzigden de planners de terminologie: voortaan was er niet langer sprake van ‘het plan’, maar van ‘de richtlijn’. Daarmee wilden ze te kennen geven dat de tijd van het strikt geleide stalinistische plannenmaken voorbij was en dat het land rijp was voor de overgang naar een ‘socialistische markteconomie’. “Toch wordt de economie tot op de dag van vandaag nog steeds strak gepland”, zegt Herman Sioen. “In de twee laatste ‘vijfjarenrichtlijnen’ zitten ook de milieubeschermingsmaatregelen opgelijst en die zijn behoorlijk streng. Zo hanteert de Chinese overheid voor emissies nu bijna even strenge normen als de Europese Unie. Alleen zijn de instanties die de uitstoot van fabrieken controleren allesbehalve onafhankelijk. Controleurs kondigen vaak hun bezoek aan waardoor de fabriek in kwestie de uitstoot voor een dag kan aanpassen. Veel Belgische industrieën tonen online hun dagelijkse emissies aan het grote publiek. Dat soort van transparantie heb ik in China nog nooit gezien.”

Volgens Raf Vermeire was de planeconomie tot 2005 uitsluitend gericht op productie ten koste van alles. “De manier waarop er geproduceerd werd, was niet zo belangrijk. De Chinese overheid erkent nu dat ze met een serieus ecologisch probleem zit, en is van start gegaan met het stilleggen van zwaar vervuilende fabrieken en met het opleggen van regels voor uitstoot en waterzuivering. Bedrijven die jarenlang gestimuleerd werden om zich alleen te focussen op productie, worden zelfs tot een radicale ommekeer gedwongen. Voor de machthebbers is het natuurlijk gemakkelijk om al die nieuwe milieuregels vanuit Bejing te decreteren; alleen moeten ze ook nog ingang vinden bij al die managers en partijleiders honderden en duizenden kilometers verder. De diep ingesleten mentaliteit op de werkvloer verander je niet van de ene dag op de andere. Zo maakte ik een tijd geleden voor een fabriek een lijvige studie van wat er op energievlak allemaal beter kon. Met een paar verstandige ingrepen konden ze makkelijk duizenden euro’s per dag aan energiekosten besparen. Ik gaf mijn dossier aan een ingenieur die er al jaren werkte; later kwam ik erachter dat de brave man het nooit had doorgegeven aan zijn manager. Hij was bang voor de verandering en die angst voel je op veel plaatsen. Ik juich het toe dat in de laatste twee vijfjarenplannen duidelijke ecologische doelstellingen staan: ze vormen een breekijzer die de mentaliteit kunnen helpen wijzigen.”

 

Wind, zon, water en afval

In 2005 vaardigde de Chinese overheid als onderdeel van haar elfde ‘vijfjarenrichtlijn’ (2006-2010) met veel toeters en bellen de ‘duurzame energiewet’ uit, die decreteerde dat tegen 2020 15% van alle energie door zon, wind of water zou moeten worden voortgebracht. In 2009 werd de wet in alle stilte aangepast en werd 15% hernieuwbare energie omgezet in “energie die opgewekt wordt door niet-fossiele energiebronnen”, inclusief kernenergie. Toch miste de ‘duurzame energiewet’ haar doel niet en gaf ze een boost aan de hernieuwbare energiesectoren wind, zon en water.

In 2005 werd in heel China door alle operationele windmolens samen amper 1 gigawatt aan energie geproduceerd; vijf jaar later stootte het land de VS van de troon als grootste ‘windkrachtmacht’ ter wereld. Eind vorig jaar wekten alle Chinese windmolenparken samen 60 gigawatt op. In dezelfde periode klommen ‘s lands grootste windmolenbouwers, Sinovel en Xinjiang Goldwind, op tot de top vijf van de belangrijkste windmolenproducenten ter wereld.

Chinese zonnepanelenbouwers surften de voorbije jaren mee op de groene golf in Europa. De subsidies en premies die Europese regeringen, waaronder de Vlaamse, aan hun burgers en ondernemingen gaven om daken vol te leggen met zonnepanelen in alle maten en gewichten, kwamen vooral ‘goedkope’ Chinese producenten zoals Suntech, Yingli of LDK ten goede. Hun dolgedraaide overproductie zorgde er volgens het financiële persbureau Bloomberg voor dat de prijs van zonnepanelen vorig jaar met 47% daalde. De eigen thuismarkt lieten ze links liggen. Vorig jaar besliste de Chinese overheid om daar iets aan te doen. In haar twaalfde ‘vijfjarenrichtlijn’ (2011-2015) introduceerde ze een ‘terugleververgoeding’, waarbij bedrijven of huishoudens een vergoeding krijgen voor de groene stroom die ze met eigen zonnepanelen opwekken. Eind 2010 haalde China minder dan 1 gigawatt elektriciteit uit zonne-energie; een jaar later was dat al opgelopen tot 3,2 gigawatt. Tegen 2015 moet dat 15 gigawatt worden en tegen 2050 zelfs 50 gigawatt.

Naast wind en zon zet China al vanouds in op waterkracht. Het land is beroemd én berucht voor zijn grote, vaak megalomane projecten voor het afdammen van rivieren. Een vijfde van alle elektriciteit wordt opgewekt door waterkrachtcentrales, terwijl zon en wind samen goed zijn voor 5%. Vandaag levert de Chinese waterkracht 220 gigawatt; tegen 2015 moet de productie oplopen tot 325 gigawatt.

En dan is er de steeds belangrijker wordende sector van de afvalverbranding. 1,3 miljard burgers zorgen voor gigantische hopen afval: China produceert een vierde van alle afval ter wereld. Volgens een voorzichtige schatting van The Economist Intelligent Unit laten de Chinese huishoudens elk jaar een berg van 250 miljoen ton troep achter. Tot de dag van vandaag wordt het meeste afval nog steeds gestort, maar de overheid wil dat daar snel verandering in komt: tegen 2030 moet 30% verbrand worden. Die afvalverbrandingsovens zullen meteen ook dienst doen als opwekkers van elektriciteit. “Afvalverbranding is nu onze grootste business”, zegt Herman Sioen van Waterleau. “In de jaren negentig en in het begin van deze eeuw bouwden we hier vooral waterzuiveringsinstallaties. Tegenwoordig bouwen de Chinezen die installaties zelf en hebben ze ons daarvoor niet meer nodig. Ze zijn heel sterk in het zeer goedkoop namaken van producten. Ze zijn minder goed in het creatief omgaan met problemen of in het oplossen van een nieuw probleem. Maar van zodra ze door hebben hoe het moet, zijn ze moeilijk te kloppen. Bij de afvalverbranding zitten we nu in de fase dat China stilaan een eigen capaciteit aan het opbouwen is. Tot voor een paar jaar leverden we de installaties ‘sleutel-op-de-deur’, nu werken we samen met grote Chinese aannemers. Zij besteden alleen nog de dingen uit die ze zelf niet kunnen; ik vermoed dat ze hun afvalverbranding binnen vijf jaar ook volledig in eigen handen zullen hebben.”

 

Meer groene energie, meer CO2

Zullen de recente richtlijnen en de duurzame energiewet van de Chinese overheid de totale CO2-uitstoot drastisch terugdringen en het hele land ‘properder’ maken? “Er is nog een lange weg te gaan”, zegt Raf Vermeire. “Toch ben ik optimistisch over de toekomst, zelfs al hebben de Chinezen zich op de verschillende klimaattoppen in het verleden van hun slechtste kant laten zien. Wij hebben trouwens ook boter op ons hoofd, want wij hebben van China het fabriek van de wereld gemaakt. Natuurlijk waren de Chinezen daar zelf mee akkoord, toch mogen we onze verantwoordelijkheid niet ontlopen. Want we vonden het fijn dat ze voor weinig geld het vuile werk voor ons opknapten, en we zijn er ook welvarender door geworden. Ik kan het begrijpen dat zij nors reageren als wij hen in een klimaatronde willen dwingen hun CO2-uitstoot te reduceren volgens óns schema. Mijn cleantechbedrijf is gespecialiseerd in biogasvergisting, waste heat recovery en geothermie. In het Westen raken die technologieën volop ingeburgerd; China zit ondanks alle inspanningen voor hernieuwbare energie eigenlijk nog volop in het tijdperk van de steenkoolcentrales. Vorige week was ik op bezoek in een papierfabriek. Ze stoken er hun afvalwater veel te warm, waardoor ze onnodig veel energie verspillen. Ze willen nu een extra lijn bijbouwen, maar ik probeerde hen ervan te overtuigen eerst hun bestaande productie te verfijnen. Door op een correcte, ecologisch verantwoorde manier met hun afvalwater om te gaan, kunnen ze per dag 3.500 euro aan energiekosten besparen. Dat soort van gigantische verspilling vind je overal, en is vooral een gevolg van gebrek aan kennis. Binnen een paar jaar zullen er 228 steden in China zijn met minstens 1 miljoen inwoners; in heel Europa zijn er zo amper 33. In al die Chinese megasteden hebben ze vermoedelijk nog nooit over cleantech gehoord. Daar liggen dus veel mogelijkheden voor bedrijven zoals het onze.”

Ook energiespecialist Martin Adams van The Economist Intelligent Unit voorziet een rooskleurige toekomst voor cleantech en duurzame energie in China. “Alle hernieuwbare energiesectoren zullen snel aan belang winnen. Wij denken dat tegen 2020 zon, wind, water, en ook nucleaire energie, zullen instaan voor 20% van alle elektriciteit – in 2010 was dat 13%. Die toename klinkt misschien bescheiden, maar staat wel gelijk met de totale jaarlijkse energieconsumptie van een land als Canada. China zal dus minder afhankelijk worden van steenkool: in 2020 zal, in plaats van 66% nu, de helft van de elektriciteit door steenkoolcentrales opgewekt worden.”

Zal het land tegen dan ook 16% minder CO2 uitstoten? Martin Adams: “Het grote probleem is dat de vraag naar energie in China alleen maar spectaculair zal toenemen, waardoor er in 2020 tot 35% meer kolen verstookt zullen worden dan in 2010 en ook de vraag naar andere fossiele brandstoffen zal toenemen. De vrees is dan ook groot dat, ondanks de relatieve vergroening van de energie, de CO2-uitstoot van China in 2020 met maar liefst 40% zal toenemen.”

 

 

© Jan Stevens