“Leven is altijd lastig”

In november vorig jaar vierde de Joods-Tsjechische concertpianiste Alice Herz-Sommer haar 108e verjaardag. Als klein meisje wandelde ze met Franz Kafka door Praag; in de jaren twintig beleefde ze concerttriomfen. Tot ze als jonge moeder gedeporteerd werd naar Theresienstadt. Ze verloor haar man in de Holocaust en haar enige zoon stierf tien jaar geleden. Toch klaagt ze niet. “Ik kan gerust sterven want ik heb mijn best gedaan.”

 

“Komt u voor Alice?” vraagt de man die een minuut geleden samen met mij door de voordeur van het appartementencomplex aan het statige Belsize in Noord-Londen naar binnen stapte. “U moet hard kloppen, want ze is een beetje doof.” Hij voegt de daad bij het woord, roffelt op de deur en roept: “Alice, een bezoeker voor je!”

De 108-jarige Alice Herz-Sommer zit aan een tafeltje in het midden van haar eenkamerflat, met haar ene hand op de knop van de automatische deuropener en haar andere aan de volumeknop van een kleine transistor. “Ik luister de hele dag naar muziek”, zegt ze. “Het maakt niet uit welke zender; als er maar geluid uit de radio komt. Muziek is mijn leven. Dat is altijd zo geweest.”

Binnenkort verschijnt De pianiste van Theresienstadt, waarin Alice Herz-Sommer met hulp van de Amerikaanse concertpianiste Caroline Stoessinger haar levensverhaal vertelt. Anno 2012 is Alice Herz-Sommer de laatste levende ziel op aarde die Franz Kafka persoonlijk gekend heeft. Tot op de dag van vandaag zakken professoren en studenten van overal ter wereld naar haar flatje in Londen af om haar te bevragen over het zielenleven van de beroemde schrijver. Maar haar statuut van ‘laatste levende vriendin van Kafka’ is niet het enige wat haar bijzonder maakt: in de twintiger jaren maakte ze naam als beloftevolle pianiste en beleefde ze in concertzalen de ene triomf na de andere. De Tweede Wereldoorlog maakte een einde aan haar carrière. In 1943 werd ze samen met haar man Leopold en hun zoontje Raphael op transport gezet naar Theresienstadt, ‘modelconcentratiekamp’ en doorvoerhaven naar vernietigingskampen als Auschwitz en Dachau. Leopold Sommer stierf in Dachau; Alice en Raphael overleefden de gruwel. In 1949 emigreerde Alice naar Israël en werd er hoofd van het conservatorium van Jeruzalem. Raphael Sommer werd een wereldberoemd cellist met Londen als uitvalsbasis. Op haar 84e verhuisde ook Alice naar Londen. In 2001 stierf haar zoon op 64-jarige leeftijd aan een hartaderbreuk. “Ik kijk elke dag naar dvd’s van zijn concerten”, zegt Alice. “Het is alsof de technologie de dood verslagen heeft. De beelden van een levende, concerterende Raphael maken me niet verdrietig. Integendeel, ze vervullen me met trots.”

 

Kafka

Alice Herz zag in 1903 als jongste van een tweeling in Praag het levenslicht. “Toen ik jong was, behoorde Praag nog tot het Habsburgse Oostenrijk”, zegt ze. “Er leefden toen meer dan een miljoen Tsjechen, Südetenduitsers en Joden in de stad. Dat was niet altijd even eenvoudig. Overal waar veel mensen samenleven, gaat het fout. Als je alleen leeft, is het lastig en als je met anderen samenleeft is het ook lastig. Ach, eigenlijk maakt het niet zoveel uit: leven is altijd lastig.”

Alice’ vader Friedrich Herz was fabrieksdirecteur en een workaholic; haar moeder Sofie Schulz was gepassioneerd door literatuur en speelde van ’s ochtends tot ’s avonds Bach op de piano. “Mijn vader had net als zijn vader lak aan religie. Mijn voorouders waren geen religieuze Joden en ik ben het ook nooit geweest. Ik ben een groot aanhanger van de filosoof Spinoza: Voor hem is alles god, zijn wij god. Goed en kwaad zijn god. Ja, ook het kwaad.”

Alice’ oudere zus Irma werd verliefd op de filosoof Felix Weltsch. “Ze trouwden in 1914 en via Weltsch leerden wij Franz Kafka kennen. Kafka was Felix’ beste vriend. Hij liep onze deur plat, maar ik vond hem niet echt een aangename man. Kafka was een pessimist. Volgens mij had dat te maken met zijn afkomst: zijn vader had een hekel aan religie, maar zijn moeder was ultragelovig en een echte kwezel. Als kleine jongen wist Kafka niet of hij nu naar moeder of vader moest luisteren: hij was daardoor helemaal in de war en twijfelde voortdurend. Samen met mijn zuster heb ik urenlang met hem door de straten van Praag gewandeld. Ik heb ook al zijn boeken gelezen, maar hij heeft geen enkel gevoel voor humor. Toen hij bij ons op bezoek kwam, kon er nooit een lach af. Mijn tweelingzus Mizzi was net als Kafka een afschuwelijke pessimist. Ze is jong (in 1974 – JS) gestorven. Ze zat gewoon te wachten op catastrofes. Soms kreeg ze gelijk en voltrok de catastrofe zich ook.” (lacht)

Alice Herz-Sommer zwijgt even en tilt met een trillende hand de koekjesschaal omhoog. “Neem een biscuitje. Weet u wie mijn favoriete schrijver is? Stefan Zweig. Hij is de allerbeste schrijver ter wereld. Hij heeft alles. Hij kwam ook bij ons over de vloer. In Die Welt von gestern schrijft Zweig over zijn wereldberoemde vrienden Rilke, Goethe en al die anderen. Prachtig. Buitengewoon. Wat zouden we doen zonder die grote mensen? Muzikanten, schilders, schrijvers, acteurs… Zij maken ons leven de moeite waard.”

 

Theresienstadt

Van jongsaf was Alice gefascineerd door de piano. “Ik had talent, maar dat is niet genoeg als je de top wil bereiken. Zonder discipline haal je het niet.” De jonge Alice studeerde ’s ochtends vier uur piano, gaf na de middag les en speelde ’s avonds concerten. In de twintiger jaren groeide haar naam en faam als concertpianiste.

In 1925 ontmoette ze de handelsvertegenwoordiger Leopold Sommer. Ze trouwden in het voorjaar van 1931 en zes jaar later werd hun zoontje Raphael geboren. “We waren gelukkig.” Aan dat geluk kwam abrupt een einde toen Hitlers troepen op 15 maart 1939 Praag binnentrokken. Leopold Sommer verloor zijn werk en Alice mocht niet langer pianoles geven aan niet-Joden. De Sommers zagen hoe steeds meer Joden gedeporteerd werden. Op 13 juli 1942 werd Alice’ moeder Sofie naar Theresienstadt gestuurd. “Dat was een afschuwelijke schok”, zegt ze. “Moeder was oud en ziek en had alleen een rugzak als bagage. Het afscheid van haar is het grootste dieptepunt uit mijn leven.” In oktober ’42 werd Sofie Schulz vermoord in het vernietigingskamp Treblinka. Op 5 juli 1943 werden Leopold, Alice en de vijfjarige Raphael op transport naar het getto van Theresienstadt gezet. “We hadden geen enkele keuze.”

Theresienstadt was oorspronkelijk een garnizoensstad. Alice Herz-Sommer: “Er stonden grote barakken waar ooit soldaten gelegerd waren. De oorspronkelijke bewoners moesten er weg toen het een getto werd. In die kleine plaats leefden normaal 9000 zielen, onder Hitler werden er tot 300.000 Joden samengebracht.”

Het getto werd bewaakt door de SS en de Tsjechische politie en was een tussenstation in de doorvoer van Joden naar de vernietigingskampen. Eind 1943 gaven de nazi’s aan een onderzoekscommissie van het Internationale Rode Kruis toestemming voor een bezoek aan de stad, om de wereld te laten zien dat de Joden goed behandeld werden. Maar eerst werd er schoon schip gehouden en werd de overbevolking opgelost door het aantal transporten naar Auschwitz op te drijven. De nazi’s bouwden nepwinkels, een café, een kleuterschool en een lagere school. De huizen werden met bloemen getooid. De delegatie van het Rode Kruis tuinde er met haar ogen wijd open in. De nazi’s gaven een aantal inwoners het bevel een propagandafilm te draaien – ‘De Führer schenkt de Joden een stad’. Naderhand werden alle medewerkers aan de film op transport naar Auschwitz gezet.

De interne gang van zaken in het getto werd geregeld door een Raad van Ouderen. De Joodse leiders organiseerden het werk, regelden de voedselverdeling en de huisvesting, organiseerden concerten en toneelopvoeringen en stelden zelf de lijsten voor de deportaties samen. Alice Herz-Sommer: “Twee jaar lang sliep ik met mijn zoon op een matras op de grond. Hij stelde moeilijke vragen: ‘Wat is oorlog? Waarom is het oorlog? Waarom hebben we niets te eten?’ We waren ontzettend bang, maar we konden dat niet aan hem laten zien. Hij voelde zijn moeder dichtbij en dat gaf hem veiligheid. Hij werd geselecteerd om mee te zingen in de kinderopera Brundibár. Daar was ik blij mee, want dat beurde hem op. We werden verplicht om concerten te spelen. De Freizeitgestaltung, de organisatie die dat regelde, gaf me opdracht om op zondag, woensdag en vrijdag in het gemeentehuis te spelen. In totaal speelde ik zo’n 700 concerten voor telkens 150 uitgeteerde mensen. Die concerten waren eten en drinken voor hen. Theresienstadt was propaganda voor Hitler, maar de muziek hield ons in leven. Ik vluchtte weg in het pianospelen – in oefenen en oefenen en oefenen. Ik had geen god nodig om Theresienstadt te overleven. De muziek heeft me er doorgesleurd. ’s Avonds speelde ik een concert en ik vond dat goddelijk. In Theresienstadt oefende ik de etudes van Chopin. Telkens opnieuw, tot ik ze perfect onder de knie had.”

In 1944 werden duizend mannen vanuit Theresienstadt naar de vernietigingskampen op transport gezet, waaronder Leopold Sommer. “Ik vermoed dat hij wist wat hem te wachten stond. Een dag voor hij naar Dachau gevoerd werd, zei hij: ‘Ga nooit mee als de Duitsers vrijwilligers zoeken. Doe alsof je het niet hoort als ze een oproep doen aan de achtergebleven vrouwen om hun mannen te vervoegen.’ Een week later werd er weer een transport georganiseerd onder het motto: ‘Kinderen en vrouwen volgen hun vaders en mannen’. Geen van hen heeft het overleefd. Ik was achtergebleven met Raphael. Leopold is gestorven in Dachau maar heeft onze levens gered.”

Na de bevrijding keerde Alice met haar zoon terug naar Praag. “Praag onder het communisme riep teveel associaties op met het nazisme.” Ze emigreerden in 1949 naar Israël. “Daar waren we echt vrij. Ik werd hoofd van het conservatorium van Jeruzalem en speelde er veel concerten met grote orkesten. Ik beleefde er de mooiste tijd van mijn leven. Alleen het Hebreeuws was lastig om te leren. Ik heb een jaar bijna niet geslapen: ik was voortdurend bezig met die taal. Maar het is me gelukt, want Hebreeuws zit heel logisch in elkaar, een beetje zoals Latijn. Het vervelendste is dat je van rechts naar links moet schrijven. Weet u wat het belangrijkste in het leven is? Dat je heel goed bent in iets. Je moet uitmunten en dan gaat alles vanzelf. En dat je een optimist bent. Er is goed en slecht in deze wereld. Ik heb de slechte dingen aan den lijve ondervonden en al heel vroeg besloten om alleen aandacht te besteden aan de goede. Je moet dankbaar zijn voor elke minuut, wat er ook gebeurt, waar je ook bent. Te veel mensen klagen en zeuren. Zolang je zonder pijn bent, moet je dankbaar zijn. Alleen wie pijn heeft, mag klagen.”

 

Raphael Sommer

Alice Herz-Sommers zoon Raphael bouwde in de tweede helft van de twintigste eeuw een indrukwekkende carrière uit als cellist. Alice volgde hem van Israël naar Londen. “Hij stierf op 13 november 2001 toen hij op tournee was. Mijn zoon speelde twee keer per week in een kwartet kamermuziek bij hem thuis. Dat was zo mooi. Theresienstadt was een afschuwelijke ervaring, maar ze heeft me heel dicht bij Raphael gebracht. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat speelde ik spelletjes met hem. Ik wou hem behoeden voor de horror en deed alsof ik net als hij vijf jaar oud was. De dag voor zijn dood gaf Raphael nog een mooi concert. Hij wist niet dat de volgende dag zijn laatste zou zijn. Hij heeft geen pijn gehad. Gisteren heeft mijn kleinzoon Ariel me naar het kerkhof gebracht waar mijn zoon begraven ligt. Het duurde even voor ik in de auto geraakte: eerst voorzichtig de ene voet, dan de andere. Ariel vond op het kerkhof een stoel voor mij en op weg naar huis luisterden we samen naar muziek. Dat was zo fijn.”

Als alles goed gaat, wordt Alice Herz-Sommer in het najaar 109. “Ik leef nu van dag tot dag”, zegt ze. “Ik heb geen plannen meer. Dat ik zo oud geworden ben, is puur toeval. Mijn hersenen werken niet meer zo goed: ik vergeet veel. Met het ouder worden lijkt het alsof ik meer en meer ‘achterstevoren’ ben gaan leven. Jonge mensen willen vooruit. Ik zit voortdurend te denken: ‘Hoe ging het ook alweer in die of die tijd? Hoe heette die of die ook weer?’ Vaak is het alsof ik terug op stap ben met mijn moeder; soms zelfs met mijn grootmoeder. Af en toe zit ik als meisje van vijf terug met grootmoeder aan de piano.”

Speelt Alice nu nog altijd piano? “Natuurlijk. Met acht vingers, want twee willen niet meer mee. Elke dag speel ik ’s morgens twee uur en ‘s avonds nog eens twee uur. Mijn dokter zegt: ‘Piano spelen is beter voor je hersenen dan 100 pillen slikken.’ (lacht) Zal ik een stukje voor u spelen?”

Ze staat op, neemt haar looprekje, schuifelt voorzichtig tot bij de piano en begint een etude van Chopin te spelen. Na de laatste noot klapt ze het klavier dicht en zegt: “Weet u, ik ben niet bang om te sterven. Sterven is een goede zaak. Echt waar. Ik heb in mijn leven veel mensen geholpen en dat geeft me nu een voldaan gevoel. Ik kan gerust sterven want ik heb mijn best gedaan.”

 

© Jan Stevens

 

Alice Herz-Sommer, Caroline Stoessinger, De pianiste van Theresienstadt, De Boekerij, 208 blz., 18,95 euro, ISBN: 978-90-225-6109-6, verschijnt op 5 maart.

Advertenties

Levenslang vechten tegen de haat

De Joods-Tsjechische concertpianiste Alice Herz-Sommer werd deze maand 104. Als jong meisje wandelde ze met huisvriend Franz Kafka door Praag, als jonge vrouw beleefde ze concerttriomfen en als jonge moeder werd ze gedeporteerd naar Theresienstadt. Ze verloor haar man en haar moeder in de holocaust. “Toch haat ik niemand.” Een gesprek met Kafka’s laatst levende vriendin.

Een zonnige donderdagmiddag in het residentiële Belsize Grove in het noorden van Londen. Een paar straten verder bewonderen toeristen van op Primrose Hill de skyline van Londen en liggen jonge koppeltjes op het gazon van Regent’s Park te genieten van de najaarszon. Klokslag twee bel ik aan. “Perfect op tijd”, begroet de bijna 104-jarige Alice Herz-Sommer me als ze de deur van haar eenkamerflat opent. “Je komt helemaal uit België om over mijn leven te praten? Wat is er zo speciaal aan mijn bestaan? Mijn carrière als pianiste? Er zijn honderdduizenden muzikanten in de wereld; ik ben niet de enige.” Terwijl ze thee inschenkt en koekjes voorschotelt, vraagt ze: “Hoe oud ben je? 43? Dan ben je nog een baby.”

Alice Sommers bescheidenheid siert haar, maar zij is niet zomaar ‘een van die honderdduizenden andere muzikanten’. In de jaren voor, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog wandelde ze samen met Franz Kafka door de straten van Praag, en in de twintiger jaren beleefde ze triomfen als concertpianiste. De Tweede Wereldoorlog maakte een abrupt einde aan haar carrière. Samen met haar man Leopold en hun zoontje Raphael werd ze in 1943 op transport gezet naar Theresienstadt, ‘modelgetto’ in het noorden van Tsjechië en doorvoerhaven naar vernietigingskampen als Dachau en Auschwitz. Haar man stierf in Dachau; zij en haar zoon overleefden de gruwel. In 1949 emigreerde ze naar Israël. Alice werd hoofd van het conservatorium van Jeruzalem; Raphael Sommer werd een wereldberoemd cellist met Londen als uitvalsbasis. Op haar 84e verhuisde ook Alice naar Londen. In 2001 stierf haar zoon.

Kafka
Alice Herz zag in 1903 als jongste van een tweeling het levenslicht in Praag – een stad die toen tot het Habsburgse Oostenrijk behoorde. Haar vader Friedrich Herz was fabrieksdirecteur en zeer down-to-earth. In tegenstelling tot haar moeder Sofie Schulz, die gepassioneerd was door literatuur en van ’s morgens tot ’s avonds Bach op de piano speelde. “Mijn ouders hadden geen gelukkig huwelijk”, zegt Alice. “Het was gearrangeerd. Dat was de norm in die tijd bij Joodse families. Vader was geobsedeerd door werk – nu zou hij een workaholic genoemd worden. Om zes uur ’s morgens zat hij al in zijn kantoor. In die tijd bestond er nog geen typemachine; hij schreef alles met de hand in de boeken in. Om zes uur ’s avonds kwam hij terug naar huis. Wij, de vijf kinderen, zaten dan rond de tafel, en mama gaf papa de volle laag: ‘Je had dit moeten doen. Je hebt dat verkeerd gedaan.’ Bijna elke avond maakten ze ruzie. Na afloop van hun geruzie zei ik soms: ‘Mama, je zou papa beter eens vastnemen en hem een kus geven.'”

De kinderen Herz kregen geen religieuze opvoeding. De meeste Praagse Joden hadden lak aan religie en leidden een vrijzinnig leven. Alice Herz-Sommer: “Zelfs mijn grootouders hadden het geloof al afgezworen. Een keer per jaar – op Jom Kipoer – ging mijn vader naar de synagoge. Dat was alles. Ik herinner me dat ik naar mijn moeder toe stapte en haar vroeg: ‘Wat zijn wij eigenlijk? Op school spelen we met Duitse, Tsjechische en Joodse kinderen. Zijn wij Duitsers, Tsjechen of Joden?’ ‘Ik weet het niet’, antwoordde ze.”

Alice’ oudere zus Irma werd verliefd op de filosoof Felix Weltsch. Via Weltsch leerde de familie Herz Franz Kafka kennen. “Felix bracht Franz mee naar de tennisclub”, herinnert Alice zich. “Hij was een waardeloze speler.” Franz Kafka liep de deur van de familie Herz plat. Alice Sommer: “Kafka werkte bij een verzekeringsfirma. Mijn zus Irma ergerde zich mateloos aan zijn gewoonte om zich voortdurend te verontschuldigen. Voor alles vroeg hij vergiffenis: voor zijn te laat zijn, voor zijn aanwezigheid, voor zijn afwezigheid… We maakten ons erg vrolijk over zijn geëxcuseer. Kafka was dol op mijn moeder, en hij sprak met haar over zijn geschriften. Wij als kinderen begrepen niet veel van wat hij vertelde, maar we waren erg onder de indruk. In de omgang was Franz Kafka een moeilijk man. Als je zijn verhalen leest, merk je een eigenaardige vorm van humor. Die hanteerde hij ook in zijn conversaties. Het leek wel alsof die humor hem door dit harde bestaan moest leiden. Het dagelijks leven was een zware strijd voor hem. Zijn besluiteloosheid was legendarisch. Hij kon nooit beslissen wat zijn volgende stap in het leven zou zijn. Hij twijfelde over alles en nog wat. Ik denk dat hij voortdurend worstelde met het geloof. Zijn vader was niet religieus, maar zijn moeder was ultra gelovig. Dat zorgde voor veel spanningen in het gezin Kafka. Als kind is hij getuige geweest van zwaar geruzie tussen zijn vader en moeder over haar fanatieke, orthodoxe geloof. Dat heeft Franz getekend voor de rest van zijn leven. Na de Eerste Wereldoorlog kwamen er veel orthodoxe Joden vanuit Polen naar Praag. Op een keer nam hij mijn tweelingzus en mij mee door de oude stad, en we kwamen een hele groep van die orthodoxe Joden tegen. Ik herinner me dat hij hen aansprak en hen zei: ‘Ik behoor tot jullie.'”

Anno 2007 is Alice Herz-Sommer de laatst levende mens die Kafka persoonlijk gekend heeft. “Daardoor krijg ik studenten van over de hele wereld op bezoek”, zegt ze. “Jonge mensen uit Zuid-Amerika of Japan die aan een doctoraal over Kafka werken. Ze willen weten wat voor iemand hij was, en hoe zijn relatie was met zijn latere biograaf en onze gezamenlijke vriend Max Brod. Ik heb urenlang gewandeld met Kafka. Hij vertelde mij en mijn zus dan de meest waanzinnige dierenverhalen. Maar in het algemeen was hij erg somber. Hij was een geboren pessimist. Ik hou nog altijd niet van Kafka als schrijver. Hij zag de schoonheid in het leven niet. Ja, het leven is mooi. Kijk naar buiten, naar de straten van Londen, het leven is toch fantastisch? Londen is prachtig, net als Praag.”

Discipline
Van jongs af was Alice gefascineerd door de piano. “Als kind kreeg ik aandacht als ik een stukje op de piano speelde. Ik had talent, maar talent alleen is niet voldoende als je een carrière in de muziek ambieert. De meest getalenteerde mensen halen het niet zonder discipline. Ik las graag biografieën, en leerde daaruit hoe Schubert elke dag van zeven tot twaalf zat te componeren, ook al had hij geen inspiratie. Balzac, de grote Franse schrijver, zat elke avond van 8 tot 8 uur ’s morgens achter zijn bureau te schrijven. Ik heb mezelf gedisciplineerd door piano te studeren. Ik speelde negen tot tien uur per dag. Als ik concerten had, ging ik zelfs niet slapen. Een van mijn broers was een excellente violist. Hij had een grote carrière kunnen uitbouwen, maar hij had niet zoveel energie als ik. Ik ben geboren in een tijd toen er spanningen waren tussen Tsjechen, Duitsers en Joden. Dat had zijn goede kanten. Buitengewone Joodse muzikanten zoals ik moesten gewoonweg beter zijn dan de anderen. Typisch voor Joodse mensen is dat ze willen laten zien hoe goed ze wel zijn. Ze hebben gelijk, want als je iets erg goed kunt en beheerst, is het leven gemakkelijker. Maar als je middelmatig bent, is het leven moeilijk. Zeker jonge mensen hebben het lastig als ze niet boven de middelmaat uitstijgen.”

In de twintiger jaren beleefde Alice triomf na triomf. ’s Ochtends studeerde ze vier uur piano, ’s middags gaf ze les en ’s avonds speelde ze concerten.

Chopin
In 1925 ontmoette Alice de handelsvertegenwoordiger Leopold Sommer. In het voorjaar van 1931 traden ze in het huwelijk; zes jaar later werd hun zoontje Raphael geboren. “We waren perfect gelukkig.” Aan dat geluk kwam abrupt een einde toen Hitlers troepen op 15 maart 1939 Praag binnentrokken en in het hart van de stad op de Wenzelsplatz massaal werden toegejuicht.

“We moesten de gele ster dragen, alsof het een schande was om Jood te zijn”, zegt Alice Sommer wrang. “We mochten geen telefoon of radio meer hebben, Leopold verloor zijn werk en ik mocht niet langer lesgeven aan niet-Joden. In het begin hadden we geluk dat we onze kleine flat niet moesten verlaten. Andere Joden werden naar een getto gestuurd, wij nog niet. Boven ons leefde een nazi, zijn naam was Hermann. Raphael speelde met zijn zoon. Dat kon, want tot hun zesde moesten Joodse kinderen geen ster dragen.”

Op 5 juli 1943 werd het gezin Sommer op transport naar het getto van Theresienstadt gezet. Alice Sommer: “Mijn moeder was een jaar eerder gedeporteerd. Dat was een verschrikkelijke schok voor mij. Het afscheid van haar is het grootste dieptepunt uit mijn leven. Moeder was oud, 72, ziek, en had alleen een rugzak als bagage. Op 13 juli 1942 is ze naar Theresienstadt gedeporteerd. In oktober van datzelfde jaar is ze naar het vernietigingskamp Treblinka overgebracht. Daar is ze vermoord. Na het afscheid van moeder raakte ik in een zware depressie. Ik herinner me nog als de dag van gisteren de plaats en het moment waarop de wanhoop het grootst was. 24 juli 1942. Ik was op weg naar huis en ik kon niet verder. Een innerlijke stem zei: ‘Nu kan niemand je nog helpen. Niet je man, niet de dokters, niet je fantastische kind. Je staat er helemaal alleen voor.’ Elke pianist speelt in zijn repertoire zes of zeven wonderbaarlijke etudes van Frédéric Chopin. Ik besloot om ze alle vierentwintig te leren spelen, tegen de wanhoop in. Een concert van meer dan twee uur. Wie dat kan, heeft het allerhoogste bereikt, want de etudes zijn aartsmoeilijk. Ik kwam thuis en begon te spelen, van de ochtend tot de avond. Op een keer was ik aan het spelen, en ik hoorde geklop boven mij. Ik dacht: ‘Oei, Herr Hermann maakt zich druk.’ Als Joodse mocht ik geen piano hebben. Toen ik dat gebons hoorde, stopte ik met spelen. Joden mochten slechts een half uur per dag naar de winkels gaan. De vrouw die instond voor het onderhoud van het trappenhuis bracht ons soms iets, en we waren daar blij mee. We moesten haar woekerprijzen betalen, maar dat maakte toen niet uit. En daar stond ze in het deurgat. ‘Frau Sommer, Herr Hermann vroeg me of u gedeporteerd bent, want u bent gestopt met spelen.’ Ze zei dat ik verder kon spelen, want de nazi genoot van de muziek.”

“De avond voor we naar Theresienstadt gedeporteerd werden, zaten ik en Leopold in onze verduisterde kamer. We wilden dat ons kind zijn laatste nacht thuis in een knus, warm bed doorbracht. De deur stond een beetje open, en er kwamen Tsjechen – goede vrienden van ons – binnen. Ze spraken geen woord, maar namen alles mee wat ze konden dragen, terwijl wij daar zaten. Zelfs nu kan ik dat nog altijd niet begrijpen. Diezelfde avond kwam mijnheer Hermann langs. Hij zei: ‘Mevrouw Sommer, ik hoor dat u op transport gezet zal worden. Ik wens u het allerbeste. Ik kom uit een muzikale familie en heb grote bewondering voor uw pianospel. Ik dank u voor die mooie muziek die u gespeeld hebt.’ Hij was een mens. Die Tsjechen niet.”

Theresienstadt
Theresienstadt was oorspronkelijk een garnizoensstad. Alice Sommer: “Er stonden grote barakken waar ooit soldaten gelegerd waren. De oorspronkelijke bewoners moesten er weg toen het een getto voor de Joden werd. In die kleine plaats leefden normaal 9000 zielen, onder Hitler werden er tot 300.000 Joden van over heel Europa samengebracht.”

Het getto werd bewaakt door de SS en de Tsjechische politie. Theresienstadt was een tussenstation in de doorvoer van Joden naar de vernietigingskampen. Eind 1943 gaven de nazi’s aan een onderzoekscommissie van het Internationale Rode Kruis toestemming voor een bezoek aan de stad, om de wereld te laten zien dat de Joden goed behandeld werden. Maar eerst werd er schoon schip gehouden en werd de overbevolking opgelost door het aantal transporten naar Auschwitz op te drijven. De nazi’s bouwden nepwinkels, een café, een kleuterschool en een lagere school. De huizen werden met bloemen getooid. De delegatie van het Rode Kruis tuinde er met haar ogen wijd open in. De nazi’s gaven een aantal inwoners het bevel een propagandafilm te draaien – ‘De Führer schenkt de Joden een stad’. Naderhand werden alle medewerkers aan de film op transport naar Auschwitz gezet.

De interne gang van zaken in het getto werd geregeld door een Raad van Ouderen. De Joodse leiders organiseerden het werk, regelden de voedselverdeling en de huisvesting, organiseerden concerten en toneelopvoeringen en stelden zelf de lijsten samen voor de deportaties. Alice Sommer: “Ons eten bestond ’s ochtends uit zwart water, ‘koffie’, ’s middags uit wit water, ‘soep’, en ’s avonds terug uit zwart water. Mijn zoon huilde vaak van de honger. Niet in staat zijn om je kind iets te geven, is hard voor een moeder. Twee jaar lang sliep ik met mijn zoon op een matras. Dat was goed voor hem. Hij voelde zijn moeder dichtbij. Dat gaf hem veiligheid. Hij werd geselecteerd om mee te zingen in de voorbereidingen voor de kinderopera Brundibár. Daar was ik erg blij mee, want ik wist dat er niets met hem kon gebeuren als hij daar was, en hij raakte er altijd in een goede stemming. Het was hard. We werden verplicht om concerten te spelen. Ik had vijf of zes programma’s, en er was een organisatie die dat regelde: de Freizeitgestaltung. Ik kreeg opdracht om op zondag, woensdag en vrijdag te spelen. De concerten waren in het gemeentehuis, er was plaats voor 150 mensen. Oude, vereenzaamde, hongerige mensen. En toch kwamen ze naar die concerten! Muziek was ons geestelijk voedsel. Theresienstadt was propaganda voor Hitler, maar de muziek hield ons in leven.”

Was Alice Sommer zich toen bewust van wat er met de Joden in de kampen gebeurde? “Op dat moment niet. Na een jaar in Theresienstadt, werden duizend mannen op transport gezet, waaronder mijn man. Hij wist wat hem te wachten stond, en vlak voor hij naar Dachau gevoerd werd, zei hij: ‘Probeer om hier te blijven. Luister niet als ze een oproep doen aan de achtergebleven vrouwen om hun mannen te vervoegen. Doe het niet.’ Drie dagen later werd er weer een transport van duizend mensen georganiseerd onder het motto: ‘Kinderen en vrouwen volgen hun vaders en mannen’. Iedereen wou mee. Ik bleef achter met Raphael. Leopold heeft onze levens gered. Niemand kwam terug. Mijn man stierf in Dachau. Hij stond erg dicht bij onze zoon. Het was een schok voor Raphael, toen zijn vader weg moest uit Theresien. Vanaf die dag vroeg ik me af hoe ik hem zonder haat kon laten opgroeien. Want haat brengt alleen maar haat voort. Ik wou niet dat mijn jongen de rest van zijn leven zou haten. Ik heb met Raphael nooit over Theresienstadt of over de holocaust gesproken. Natuurlijk wist hij wat er gebeurd was. Hij was als cellist erg populair in Duitsland, hij speelde er zeer veel. Hij verweet de Duitsers niets. Een paar jaar voor zijn dood heeft hij een autobiografie geschreven waarin hij me expliciet dankt dat ik hem geen haat opgelepeld heb. Nee, ik haat niet. Ik heb nooit een woord van haat tegenover het naziregime geuit. Geen woord. We komen half goed, half slecht uit de buik van onze moeder. Ik hou van mensen met zowel het slechte als het goede. Ik kijk naar het goede, en ik vergeet het slechte. Spinoza zegt: ‘We kiezen zelf om het goede, of het slechte te doen.’ Ik lees veel, en ik ga naar de Universiteit voor de Derde Leeftijd. Op dinsdag volg ik filosofie; Spinoza is mijn favoriete filosoof. Voor hem is alles god, zijn wij god. Goed en kwaad zijn god. Ja, ook het kwaad. Ik heb geen religie nodig, maar misschien zit er wel een stukje god in alles.”

Democratie
Na de bevrijding keerde Alice met haar zoon terug naar Praag. “We trokken in bij mijn broer. Hij was getrouwd met een niet-Joodse, zij heeft hem beschermd. Na twee maanden kregen we van de Joodse gemeenschap een kleine flat toegewezen, en een beetje geld. Ik begon terug pianolessen te geven. Tot Stalin na de staatsgreep van ’48 Praag helemaal inpalmde. Ik heb anderhalf jaar onder het communistische juk geleefd. Ik verzeker je, de mensen hier in Engeland en in de rest van Europa beseffen niet hoe kostbaar democratie is. Onder de dictatuur van het communisme waren we bang om iets te zeggen – zelfs tegen goede vrienden. Je kon niemand vertrouwen. Na Hitler en Stalin ben ik naar Israël vertrokken. Daar was er geen dag zonder spanning, maar hadden we wel democratie. Je kon er zeggen en lezen wat je wou. Je kon je kind opvoeden zoals jij wou, niet zoals zij het wilden. Democratie. Je kent de negende van Beethoven met Schillers ‘Alle Menschen werden Brüder’?” Alice Sommer neuriet zachtjes. Dan zegt ze: “We leven in een slechte tijd. Een heel slechte tijd. Er is zoveel haat. Het is zelfs nog veel erger dan in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Maar het wordt beter. Misschien moet het eerst nog wat slechter gaan, maar dan wordt het weer beter. Want vanuit het slechte groeit het goede.”

Jarenlang stond Alice Herz-Sommer aan het hoofd van het conservatorium van Jeruzalem. “Daar heb ik honderden leerlingen onder mijn hoede gehad. Ook veel Arabieren. Ze schrijven nu nog naar mij, van over de hele wereld. Fantastische mensen. In Israël heb ik de mooiste tijd van mijn leven beleefd.”

Op haar 84e verhuisde ze naar Londen. “Ik wou bij mijn zoon en mijn kleinkinderen zijn. Raphael is dood, maar een van mijn kleinkinderen leeft en werkt hier. Of ik nog plannen maak voor de toekomst? Nee. Ik kan elk moment sterven. Als er iets gebeurt, bel ik mijn kleinzoon en in vijf minuten is hij hier. Maar ik speel nog alle dagen piano, met acht vingers – mijn twee wijsvingers willen niet meer mee. Discipline!”

Hoe kijkt Alice Herz-Sommer terug op haar leven? “Ik heb er een erg goed gevoel over. De vrienden van mijn generatie zijn dood. Maar hun kinderen komen mij nog altijd opzoeken. Max Brod was een levenslange vriend. Op de dag dat Wereldoorlog II uitbrak, is hij samen met mijn zus en Felix Weltsch op de laatste trein naar Israël gestapt. Mijn leven was moeilijk. Maar dat komt ook deels voort uit mijn karakter. Veel jonge Engelse journalisten hebben gezeten waar jij nu zit. In het begin vroeg ik hen: ‘Waarom komen jullie? Wat willen jullie van mij?’ ‘Wij willen schrijven over hoe het leven is als een mens zo oud is als u.’ Ik wou daar eerst niet op ingaan, want ik wilde niet dat die jonge mensen bang werden. Maar het inspireerde me. Als ze nu komen, zeg ik altijd: ‘De ouderdom is de mooiste periode uit ons leven.’ Alleen als je zo oud bent als ik, raak je echt doordrongen van de schoonheid van het bestaan.”

Etudes van troost, de biografie van Alice Herz-Sommer, is geschreven door Melissa Müller en Reinhard Piechocki en uitgegeven door Artemis & co.

© jan@janstevens.be