“Noord-Korea werkt als onderaannemer voor de CIA”

vincenzo fenili kasperDe Italiaanse spion Vincenzo Fenili dankt zijn codenaam Kasper aan het vriendelijke spookje Casper. Maar nadat zijn opdrachtgever de CIA hem in een Cambodjaanse cel dumpte, veranderde Kasper in een wraakengel. In zijn boek Supernotes beschuldigt hij de Amerikaanse geheime dienst van valsemunterij op grote schaal. “Zo financieren ze hun illegale operaties.”

Woensdag 2 april 2008. “Drie mannen gearresteerd voor verdachte geldtransfer”, kopt The Cambodia Daily. “De politie arresteerde een Amerikaan en een Italiaan en hun Cambodjaanse chauffeur op verdenking van het frauduleus transfereren van 678.000 dollar van een Amerikaanse bankrekening naar een Cambodjaanse. De drie werden vrijdag gearresteerd in de provincie Battambang toen ze de grens met Thailand probeerden over te steken. De Italiaan had 83.158 dollar cash op zak en de Amerikaan 77.100 dollar. Zowel de Amerikaanse als de Italiaanse ambassade weigeren alle commentaar.”

Maart 2014. Het boek Supernotes, geschreven door een man die zichzelf ‘agent Kasper’ noemt, veroorzaakt deining in de Italiaanse media. In Supernotes vertelt ‘agent Kasper’ hoe hij in het voorjaar van 2008 als undercoveragent tijdens een CIA-missie in Cambodja door zijn opdrachtgevers verraden werd en zo in de beruchte gevangenis Prey Sar belandde waar hij 373 dagen lang gemarteld werd. De reden waarom de CIA hem dumpte, is volgens Kasper omdat hij op het spoor gekomen was van een door de Amerikaanse geheime dienst georganiseerde ‘parallelle economie’. Om clandestiene operaties te kunnen financieren, zou de CIA miljoenen perfect nagemaakte dollars, supernotes, hebben laten drukken in Noord-Korea. ‘Agent Kasper’ geeft vermomd interviews aan kranten en tijdschriften en verschijnt van op de rug gefilmd in tv-talkshows. Zijn verhaal klinkt zo spectaculair dat velen hem een iets te levendige fantasie toedichten.

Vandaag is de controverse over de geloofwaardigheid van ‘agent Kasper’ in Italië nog steeds alive and kicking. Nu de Nederlandse vertaling van Supernotes verschijnt, waait die controverse vermoedelijk ook over naar de Lage Landen. “Nochtans is alles wat in mijn boek staat van a tot z waar”, zegt ‘agent Kasper’ op het tuinterras van een hotel in het toeristische hart van Rome. “Soms overstijgt de realiteit nu eenmaal de fictie. Al meer dan twintig jaar circuleren er wereldwijd stapels perfect nagemaakte biljetten van 50 en 100 dollar waarvan de Amerikanen beweren dat de Noord-Koreanen ze drukken. Dat klopt ook: ik heb ze in de kelder van de ambassade in Phnom Penh met eigen ogen gezien. Alleen drukken de Koreanen in opdracht van de CIA. Ik ben niet de enige die dat zegt: de Duitse financiële journalist Klaus Bender schreef daar in 2004 al uitgebreid over in de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Mijn Italiaanse uitgever was ervan overtuigd dat hij na publicatie van Supernotes overspoeld zou worden met gerechtszaken. Er was er niet één. In januari 2016 verschijnt de Engelse editie bij Random House, de grootste uitgeverij ter wereld. Ook zij hebben alle feiten grondig gecheckt. Zij zouden mijn boek nooit uitgeven als hun conclusie was dat ik een fantast ben.”

Gladio

‘Agent Kasper’ heet in het echt Vincenzo Fenili. Hij is 55, heeft de lichaamsbouw van een bokser, de grijnslach van een westernacteur en spreekt perfect Engels. “Ik heb de Amerikaanse en Italiaanse nationaliteit”, zegt hij. “Mijn vader George is geboren in Memphis, Tennessee. Hij verhuisde naar Italië en doceerde er insectenkunde aan de universiteit van Firenze. Mijn moeder Paola was wiskundelerares.”

Het is voor het eerst dat Vincenzo Fenili niet als ‘Kasper’ maar in eigen naam spreekt. Het is ook voor het eerst dat hij zich zonder vermomming laat fotograferen.

In het najaar van 1979 werd Fenili gerekruteerd door de Italiaanse geheime dienst SISMI. “In die tijd was legerdienst nog verplicht. Mijn moeder had me ingeschreven bij de carabinieri, de militaire politie, en op het einde werd ik ‘opgemerkt’ door officier Olinto Dell’Amico die vroeg of ik interesse had om aan te sluiten bij een ultrageheime eenheid, het stay-behind-netwerk van SISMI.”

Dat netwerk was het door de Navo opgerichte beruchte Gladio?

Vincenzo Fenili: “Inderdaad. Ik werd ‘gekozen’ omdat mijn vader een Amerikaan was en omdat ik een pilotenopleiding achter de rug had. Ze deden me een voorstel dat ik met beide handen aannam. Ik was amper 20, maar het waren andere tijden. We zaten middenin de koude oorlog, met het Westen als ‘de goeden’ en de Sovjetunie en haar satellietlanden als ‘de slechteriken’. Zeker in Italië heerste een grimmige sfeer, met terroristische aanslagen van de Rode Brigades, maar we hadden ook te maken met geweld uit extreemrechtse hoek.”

U had er op dat moment zelf een extreemrechts verleden opzitten als lid van de Italiaanse fascisten.

“Dat klopt, op mijn zestiende werd ik lid van de fascistische jongerenorganisatie Fronte della Gioventù. Ik was waarschijnlijk in dat milieu blijven hangen, als mijn moeder daar geen stokje had voorgestoken. Zij schreef me na het middelbaar meteen bij de carabinieri in om me van straat te houden. Daar kenden ze mijn politieke sympathieën, maar vertrouwden ze erop dat ik ouder en wijzer zou worden.

“De rest van SISMI wist niets van Gladio en heel wat leden van het netwerk kenden zelfs elkaar niet. Van zodra het Rode Leger met zijn tanks de grens overstak, moesten wij in gang schieten. Niet als soldaten, maar als een verzetsbeweging. We stikten in het gesofisticeerde materiaal, hadden onze eigen advocaten, dokters en tandartsen. Elke twee maanden trainden we in verschillende basissen. Na de Russische invasie moesten wij de subversie organiseren en de leiders van de marionettenregeringen vermoorden.”

Terroristische activiteiten dus?

“Ja, wij werden opgeleid tot terroristen. Ons stay-behind-netwerk moest de vijand en zijn collaborateurs saboteren.”

In België heeft Gladio een bijzonder slechte reputatie: het netwerk is vaak gelinkt aan de aanslagen van de Bende van Nijvel.

“Over wat mijn Belgische collega’s uitspookten, weet ik niets, maar wat ik wel weet, is dat de val van de muur voor opperste verwarring zorgde. De bestaansreden van het stay-behind-netwerk viel weg, toch bleef het tot lang na 1989 actief. Gladio was geen remake van Les gendarmes van Louis de Funès: de leden waren zeer goed getraind en we kregen alles wat we verlangden. De Amerikanen gaven ons een blanco cheque. Officieel werd Gladio na het einde van de koude oorlog ontbonden, terwijl het in werkelijkheid nooit opgekuist is. De reden is simpel: er was te veel in de organisatie geïnvesteerd om ze op te doeken. Ongeveer 1.600 mensen kregen hun ontslag, anderen zoals ik werden op ‘active standby’ gezet. Ik werd ingezet in anti-terreuracties en in de strijd tegen drugs.”

Heel die tijd leidde u een dubbelleven?

“Ja, 31 jaar lang. Ik had een coverjob als piloot. In het begin vloog ik met een Falcon Learjet hier in Rome voor een luchtvaarbedrijfje dat in werkelijkheid als ‘onderaannemer’ transporten uitvoerde voor het ministerie van Binnenlandse Zaken. Tijdens de oorlog tussen Iran en Irak vloog ik vooral op die landen. We probeerden hen allebei zoveel mogelijk wapens te verkopen. In de jaren tachtig vloog ik voor Alitalia en kreeg ik losse opdrachten van SISMI. Alitalia was een perfecte cover. Ik kon er makkelijk voor een tijdje verdwijnen.”

International Freedom Foundation

Begin jaren negentig nam Vincenzo Fenili ontslag bij Alitalia om ‘onrechtstreeks’ voor de CIA te gaan werken. “Vanuit de States runde de CIA de International Freedom Foundation (IFF), een multinationaal ‘bedrijf’ met hoofdkwartieren in verschillende steden. Ik kreeg de leiding van het hoofdkwartier in Rome. IFF was in eerste instantie opgericht om het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime te steunen. De VS trokken zich onder druk van de publieke opinie officieel uit Zuid-Afrika terug. Ondertussen trachtten de Sovjets via het ANC de macht te grijpen. Daarom werd achter de coulissen beslist tot oprichting van IFF. In de raad van bestuur zat William Colby, ex-directeur van de CIA. IFF was openlijk een CIA-spinoff. We verzamelden inlichtingen over het ANC en zijn sympathisanten in Europa en probeerden de pers te beïnvloeden.”

Waarom verhuisde u in 1994 naar Cambodja?

Vincenzo Fenili: “Ik had ondertussen ook ervaring opgebouwd als undercoveragent in de strijd tegen drugs. In 1993 infiltreerde ik in een groep Colombiaanse drugsmokkelaars. Dat mollenwerk resulteerde in de grootste drugsvangst ooit in Italië en is nu nog altijd bekend als ‘Operatie Piloot’. In die tijd begon het de Italiaanse autoriteiten te dagen dat de maffia een gigantische witwasmachine in Cambodja had opgezet. De economie draait er op drugs, wapens en witwassen. Toeristen zijn tegenwoordig dol op Cambodja, en het is waar: Angkor Wat is schitterend en Phnom Penh is een fascinerende stad. Maar schraap die laag vernis eraf en wat overblijft is een groot rovershol.

“Na de vrijlating van Mandela werd IFF opgedoekt. Ik werd door onze geheime dienst ‘gerecycleerd’ en verhuisde naar Phnom Penh. Ik moest de geldstromen van de Italiaanse maffia via Cambodjaanse banken in en uit het land in kaart brengen. ‘Onze’ maffia voerde er vrachtwagens vol cash binnen en liet tegen een billijke vergoeding van 15% al dat drugsgeld netjes witwassen.”

Sharky’s

In Phnom Penh zocht Fenili contact met zijn oude Amerikaanse vriend ‘Clancy’. “Ik kende Clancy uit de jaren tachtig, toen hij in Seattle een ‘reisagentschap’ had. In werkelijkheid smokkelde hij als CIA-agent wapens naar rebellen in Birma. In Phnom Penh opende ik samen met hem de Sharky’s, een chique, trendy bar, die nog steeds bestaat. De bar diende als lokaas, en ik kan u verzekeren: Sharky’s was als een pot honing waar de bijen naartoe zoemden. Er kwamen niet alleen drughandelaars over de vloer, maar ook Iraniërs die zich bezighielden met de smokkel van nucleair materiaal. Het was de plaats bij uitstek om inlichtingen te verzamelen. Na een paar jaar begonnen we ons af te vragen waarom niemand iets met die inlichtingen deed. In het begin dacht ik: ‘Misschien hebben we niet voldoende materiaal verzameld.’ Je kunt jezelf niet eeuwig blaasjes wijsmaken, want ik maakte mijn rapporten altijd gedetailleerd op. Er gebeurde niets en iedereen bleef de boel belazeren. Na een tijd dacht ik: ‘Fuck it’, en besloot met volle teugen te genieten van het gemakkelijke leven in Phnom Penh.”

Tot u samen met Clancy in de nacht van 27 op 28 maart 2008 gearresteerd werd?

Vincenzo Fenili: “’Gearresteerd’ zou ik dat niet noemen, wel gekidnapt. Kijk, ik ben nooit een heilig boontje geweest en om dat te compenseren, vertegenwoordigde ik samen met Clancy in Cambodja een Italiaanse liefdadigheidsinstelling die wereldwijd gevangenen bijstaat. U kunt zich het leven in een gevangenis in Cambodja niet voorstellen. Het zijn vieze vergeetputten. U zou het moeten zien, het is walgelijk. (aarzelt) Ik heb er zelf 373 dagen gezeten en vind het nog altijd moeilijk om erover te praten. Maar de ironie wil dat ik in de jaren voor ik er zelf in belandde, probeerde het gevangenisleven voor anderen draaglijker te maken. Onze liefdadigheidsorganisatie werkte samen met Cambodjaanse politici en met geestelijken zoals de bisschop van Phnom Penh. We brachten voedsel naar de gevangenis en verdeelden t shirts waarop stond: ‘If you don’t want to serve the time, don’t do the crime.’ (lacht) Een bijkomend voordeel van die liefdadigheidsorganisatie was dat we meteen ook belangrijke Cambodjaanse notabelen in onze zak hadden. In onze raad van bestuur zat een senator die lid was van de commissie die de inlichtingendiensten opvolgde. Op een dag nodigde hij me uit om te gaan eten in het Noord-Koreaanse Pyongyang restaurant in Phnom Penh. Dat ligt niet ver van de Noord-Koreaanse ambassade en is de favoriete pleisterplaats van Cambodjaanse, Noord-Koreaanse én Westerse spionnen. Noord-Korea heeft niet zoveel ambassades in de rest van de wereld, waardoor de vestiging in Phnom Penh belangrijk is. Er zijn ook innige banden tussen Cambodja en Noord-Korea: de familie van wijlen koning Norodom Sihanouk had haar zomerverblijf in Noord-Korea en zijn bodyguards waren Noord-Koreaans.

“Een paar maanden later kreeg Clancy telefoon van een oude CIA-kennis, John Muller, die op dat moment in Bangkok werkte. Hij vroeg of we langs wilden komen. Hij vertelde ons dat de Noord-Koreanen geheime faciliteiten hadden waar ze perfecte valse dollars drukten.”

De zogenaamde supernotes?

“Inderdaad. Volgens Muller verscheepten de Koreanen scheepsladingen geld. ‘We zijn ervan overtuigd dat de Noord-Koreaanse ambassade in Phnom Penh een van hun belangrijkste distributiepunten is. Zien jullie een mogelijkheid om daarover inlichtingen te verzamelen?’ Ik dacht meteen aan mijn senator en aan ons bezoek aan het Noord-Koreaanse restaurant. Het heeft me maanden gekost om die man te ‘bewerken’, maar uiteindelijk raakte ik via hem tot bij de Noord-Koreaanse ambassadeur. Langzaam maar zeker raakten we ‘bevriend’. Ik nodigde hem bij mij thuis uit en hij mij bij hem. Toen hij me op een bepaald moment vroeg of ik met mijn ervaring als piloot Noord-Korea aan een paar tweedehandsvliegtuigen kon helpen, wist ik dat ik goed zat.”

Waarom vroeg hij dat aan u?

“De Noord-Koreaanse vloot bestond uit stokoude Tupolevs en omdat het land totaal geïsoleerd was, geraakten ze niet aan luchtwaardige vliegtuigen. Een tijd later zag ik de ambassadeur opnieuw: ‘Ik kan de vliegtuigen leveren, maar hoe ga je betalen?’ ‘Cash’, antwoordde hij. De prijs van een vliegtuig schommelde rond 100 miljoen dollar. Ik wou het geld zien. ‘Geen probleem’, zei hij. Hij nam me mee naar een gigantische kelder onder zijn ambassade. Daar stonden paletten vol dollars. Ik kreeg een voorschot van een miljoen mee. Gloednieuwe dollarbriefjes.

“Geheime diensten werken graag met dubbele agenda’s. De CIA gebruikte mij en mijn partner om te testen hoe ‘veilig’ de kelder van de ambassade was. Niet dus, want ik raakte er vrij snel in én ik kwam er ook snel achter dat het een VS-operatie was. Ik belde Muller: ‘Ik moet je dringend spreken, de Noord-Koreanen zijn onderaannemers van de CIA.’ Hij klonk verrast: ‘Ik bel je terug.’ Ik heb nooit nog iets van hem vernomen. Een paar dagen later belde de senator. ‘Verlaat de stad nu’, zei hij. Dat hebben we ook gedaan. ’s Nachts probeerden we de grens met Thailand over te steken, maar we werden op bevel van de Amerikanen opgepakt door een bijzondere divisie van de Cambodjaanse politie.”

Prey Sar

Fenili is er heilig van overtuigd: de CIA drukt valse dollars in Noord-Korea om zo wereldwijd clandestiene operaties te kunnen financieren. “De CIA heeft een lange traditie in het uitvoeren van grote illegale operaties”, zegt hij. “Die moeten op een af andere manier bekostigd worden. Je vindt daar geen spoor van terug in de officiële boekhouding. Een CIA-directeur kan niet naar de bevoegde parlementscommissie stappen en zeggen: ‘Ik heb 300 miljoen dollar nodig voor aanslagen in Mosoel.’”

Maar waarom Noord-Korea?

“Dat is het geniale: niemand verwacht dat je intens ‘samenwerkt’ met de baarlijke duivel zelf. Na mijn arrestatie verloor ik alle contact met Clancy en werd ik uitgeleverd aan de locals en opgesloten in het ‘heropvoedingskamp’ Prey Sar, waar vooral politieke gevangenen zitten. ‘Ben je rijk?’, vroegen ze. Vervolgens is mijn moeder de Cambodjanen beginnen betalen om mij in leven te houden. Zij geloofde dat het chantagegeld me vrij zou krijgen, terwijl het alleen de hebzucht aanwakkerde. Ze heeft 200.000 euro voor me opgehoest.”

Werd u geholpen door de Italiaanse overheid?

“Die had me afgeschreven. De Amerikanen kwamen me in het strafkamp opzoeken en beloofden me hulp als ik mee zou gaan naar de VS. De keuze was simpel: sterven in Amerika of sterven in Cambodja. In het door en door corrupte Cambodja kon ik mezelf nog tijd kopen. Ik heb er drie keer proberen ontsnappen. Met de hulp van een Franse diplomaat is me dat uiteindelijk ook gelukt.”

Is uw leven nu in gevaar?

“Ik beschouw de media-aandacht als een soort levensverzekering. Ik heb gebroken met alle oude kameraden en leef teruggetrokken met vrouw en kind op een boerderij op het platteland niet zo ver van Rome. Zolang ik in Italië blijf, ben ik relatief veilig. Van zodra ik de grens oversteek, ben ik vogelvrij.”

Epiloog

Vandaag is CIA-agent John Muller in Bangkok CEO van de beveiligingsfirma Muller & Associates. Mails worden niet beantwoord, de telefoon schakelt over op fax en faxen van een nieuwsgierige journalist belanden vermoedelijk meteen in de papiermand.

CIA-agent ‘Clancy’ heet in het echt Gale ‘Coke’ Mead en werkt vandaag in Washington als ‘business development manager’ voor de ‘private contractor’ DBM Global Services. Zijn specialiteit: het leveren van niet-dodelijke wapens en militaire apparatuur aan buitenlandse regeringen. In het beantwoorden van een paar vragen over zijn oude vriend Vincenzo Fenili heeft Coke geen zin. ‘I have nothing to say’, mailt hij.

Op 17 april verschijnt de Nederlandse vertaling van Supernotes bij uitgeverij Spectrum

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto: © Veerle Van Hoey

Advertenties

Ali Soufan

Jarenlang speelde Ali Soufan als FBI-agent een belangrijke rol in de strijd tegen Al-Qaeda. Als ondervrager haalde hij cruciale informatie uit gearresteerde terroristen. Tot de CIA zich met de ondervragingen ging bemoeien en waterboarding en andere martelpraktijken introduceerde. “Die harde ondervragingstechnieken hebben niets opgeleverd.”

Van 1997 tot 2005 werkte Ali Soufan (37) als specialist in antiterreur voor het FBI. Als zoon van een Libanese journalist groeide Soufan op in Beiroet. Later verhuisde hij samen met zijn ouders naar de VS. Hij startte zijn carrière als jonge politieagent in de straten van New York. Het FBI rekruteerde hem als antiterreuragent, onder andere omwille van zijn perfecte kennis van het Arabisch. Soufan verdiende zijn sporen als onderzoeker naar, en ondervrager van de verantwoordelijken achter de zelfmoordaanslag op de Amerikaanse torpedojager USS Cole in oktober 2000. Na 9/11 ondervroeg hij verschillende verdachten in Guantánamo. Soufan: “Guantánamo was opgericht als basis voor het verzamelen van inlichtingen. Opgepakte strijders van op het slagveld in Afghanistan werden er ondervraagd. In die tijd wisten we nog niet wie ‘goed’ of ‘slecht’ was. Dus werden ze ‘verzameld’ op een plaats, waar de goeden van de slechten gescheiden zouden worden. Jammer genoeg werd er na het ondervragen geen werk gemaakt van de noodzakelijke tweede stap: vervolgen of vrijlaten.”

Ali Soufan bood de verdachten die hij ondervroeg thee aan, discussieerde met hen in vloeiend Arabisch over religie en politiek en slaagde er na urenlange sessies in om hen waardevolle informatie te ontfutselen. In de zomer van 2005 verliet Soufan het FBI. Hij richtte een beveiligingsfirma op en hulde zich in stilzwijgen, zoals het een ex-FBI-agent betaamt.

Tot de Amerikaanse minister van Justitie Eric Holden in april van dit jaar voor opschudding zorgde door de zogenaamde Torture Memos of folternota’s vrij te geven. In die vier nota’s beschrijven Holdens voorgangers tot in detail de ‘harde methoden’ die de CIA mocht gebruiken om terrorismeverdachten te ondervragen. De memo’s gaven CIA-agenten en contractors van de CIA toestemming om gevangenen tot 180 uur na elkaar van hun slaap te beroven, of urenlang naakt tegen een muur te laten staan. Er werden technieken in beschreven zoals waterboarding en walling.

Bij waterboarding wordt de gevangene aan handen en voeten op een aflopende plank vastgebonden, met zijn hoofd onderaan. Er wordt een dweil over zijn hoofd gelegd, waarover water wordt gegoten. Als de dweil vol water zit, krijgt de gevangene 40 seconden lang geen lucht. De gevangene denkt dat hij aan het verdrinken is en raakt in paniek.

Bij walling wordt de gevangene tegen een flexibele, valse muur geplaatst, waarna hij “snel en stevig” tegen de muur wordt geslagen. De muur is zo geconstrueerd dat ze het geluid van elke slag versterkt. De gevangene krijgt daardoor het gevoel dat hij harder geslagen wordt dan in de realiteit, en raakt – opnieuw – in paniek.

Toen Ali Soufan de folternota’s onder ogen kreeg, vond hij de tijd rijp om zijn stilzwijgen te doorbreken. Hij reageerde op 23 april 2009 met een vlammende open brief in de New York Times. “Zeven jaar lang heb ik gezwegen”, schreef hij. “Maar door de publicatie van de foltermemo’s is de tijd rijp om de puntjes op de i te zetten. De vier memo’s claimen dat harde technieken zoals waterboarding effectief waren en heel wat informatie opgeleverd hebben. Daar is niets van waar. Ze hebben er alleen voor gezorgd dat de CIA en het FBI lange tijd niet on speaking terms waren en ze hebben het imago van de VS in de wereld zware schade toegebracht.”

Een maand later, op 13 mei, legde Soufan een getuigenis af voor de Commissie Justitie van de Amerikaanse Senaat, waarin hij opnieuw uitdrukkelijk stelde dat de harde ondervragingstechnieken van de CIA niets dan schade en schande opgeleverd hebben. “Alleen de eerste fatsoenlijke ondervragingen door het FBI hebben resultaat gehad.”

Abu Zubaydah

In maart 2002 werd de Saoedische Al-Qaeda-terrorist Zayn al-Abidin Muhammad Husayn, alias Abu Zubaydah, door FBI en CIA-agenten gearresteerd in Pakistan. Zubaydah stond geboekstaafd als een naaste vertrouweling van Osama bin Laden en als Chief Operating Officer van Al-Qaeda. Tijdens zijn arrestatie raakte Zubaydah zwaar gewond. De FBI-agenten Ali Soufan en Steve Gaudin waren de eersten die hem op een geheime locatie ondervroegen. Ali Soufan: “We hadden veel ervaring in het ondervragen van Al-Qaedaterroristen. We werkten samen met de plaatselijke CIA-agenten en hielden ons volledig aan het boekje – de Informed Interrogation Approach uit het Army Field Manual. Die benadering wortelt vooral in de ervaringen die het Amerikaanse leger opgedaan heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog en tijdens de oorlog in Vietnam. Het komt erop neer dat je je als ondervrager moet inwerken in de details van een zaak, de cultuur van de ondervraagde moet kennen en zijn ideologie en denkwijze moet doorgronden. Al die dingen speel je tijdens de ondervraging voortdurend tegen elkaar uit. Als ondervrager ben je de enige waarmee de gevangene kan communiceren. Door hem op een familiaire, vriendelijke, respectvolle manier te benaderen, breng je hem in verwarring. Want dat is niet direct wat hij van een ‘vijandige’ ondervrager verwacht.”

Het eerste wat Soufan aan Zubaydah vroeg was zijn echte naam. Soufan: “Zubaydah antwoordde met zijn alias. ‘Vind je het erg als ik je Hani noem?’ vroeg ik hem. Dat was de troetelnaam die zijn moeder hem als kind gaf. Hij keek me geschrokken aan en zei: ‘Oké.’ Binnen het uur haalden we belangrijke informatie uit hem. De toenmalige CIA-directeur George Tennet was zo zwaar van onze resultaten onder de indruk dat hij instructies gaf om ons te feliciteren. Maar van zodra hij hoorde dat we FBI-agenten waren, trok hij die felicitaties in en stuurde hij vanuit Washington CIA-agenten en contractors van CTC (een privébeveiligingsfirma van voormalige CIA-agenten – JS) overzee om de ondervragingen van ons over te nemen.”

In tegenstelling tot het FBI mag de CIA geen ondervragers in dienst hebben. Dus maakte ze voor ondervragingen van verdachten gebruik van de diensten van contractors zoals CTC. De voornaamste taak van de geheime dienst CIA is inlichtingen verzamelen. Het FBI heeft politionele bevoegdheid: ze onderzoekt misdrijven, spoort actief vermeende misdadigers op en mag daarvoor mensen ondervragen. Het FBI is binnen en buiten de VS actief; de CIA mag alleen buiten de VS opereren. Daarom richtte de CIA geheime gevangenissen in het buitenland op, waar ze ver van nieuwsgierige blikken terreurverdachten door contractors kon laten ondervragen.

De dagen na zijn arrestatie verslechterde de toestand van de zwaar gewonde Abu Zubaydah zienderogen. Ali Soufan en Steve Gaudin besloten om hem over te brengen naar een ziekenhuis. “Daar bleven we hem ondervragen. We hielden rekening met zijn slechte medische conditie, maar probeerden tezelfdertijd zoveel mogelijk informatie uit hem te halen over acute terroristische dreigingen. Met succes. Zubaydah sprak toen ook voor het eerst over Khalil Sheikh Mohammed als het brein achter de aanslagen van 9/11 en over zijn eigen functie binnen Al-Qaeda.”

Toen de CIA-agenten en de CTC-contractors uit Washington arriveerden, werden Soufan en Gaudin buitenspel gezet. “Bij hun ondervragingen introduceerden de contractors meteen andere, harde verhoortechnieken. Zubaydah werd naakt ondervraagd en werd 48 uur lang wakker gehouden. Op dat moment waren de zogenaamde foltermemo’s zelfs nog niet geschreven. Het resultaat was niet dat Zubaydah begon te praten, maar wel dat hij helemaal dichtklapte.”

Na een week zonder bruikbare informatie van Zubaydah besloot het CIA-hoofdkwartier in Washington om Soufan en Gaudin terug de leiding te geven over de ondervragingen. “Zubaydah vertelde ons toen over de plannen van ‘dirty bomber’ Jose Padilla. Maar een paar dagen later namen de CTC-contractors de ondervraging opnieuw fors in handen. Nu namen ze hun toevlucht tot luide muziek en experimenteerden ze met het extreem manipuleren van de temperatuur in Zubaydahs cel.”

‘Verbeterde verhoortechnieken’

Op 1 augustus 2002 schreef de hooggeplaatste jurist van het Ministerie van Justitie Jay Bybee de eerste foltermemo. In 2005 zouden er nog drie updates volgen. De nota van 2002 was een antwoord op een specifieke vraag van het toenmalige machtige hoofd van de juridische dienst van de CIA, John Rizzo. Rizzo vroeg zich af hoe ver CIA-agenten en CTC-contractors mochten gaan in het ondervragen van Al-Qaeda-terrorist Abu Zubaydah. De memo leest als een gedetailleerde cataloog van inventieve foltertechnieken. In naam van de toenmalige minister van Justitie John Ashcroft en van president Bush, somt Bybee tien ‘Enhanced Interrogation Techniques’ – verbeterde verhoortechnieken – op. Naast waterboarding en walling bestaan de ‘verbeterde technieken’ onder andere uit: gevangenen urenlang van hun slaap beroven, hen 18 uur lang opsluiten in een kleine donkere kist, hen geboeid in lastige houdingen laten staan, hen urenlang naakt opsluiten in een ijskoude cel, hen meermaals in het gezicht slaan (“De ondervrager slaat de verdachte in het gezicht met de vingers licht gespreid. De hand maakt contact met het gebied tussen de top van de kin van de verdachte en de onderkant van de daarmee corresponderende oorlel. Het doel is om de verdachte te shockeren, verrassen en/of vernederen.”). De CIA-ondervragers krijgen ook toestemming om de insectenfobie van Abu Zubaydah maximaal uit te buiten. Ze mogen de geblinddoekte terreurverdachte samen met een (“onschadelijk”) insect in een afgesloten kist plaatsen en hem wijsmaken dat hij op elk moment dodelijk gestoken kan worden.

De CTC-contractors brachten de foltermemo meteen in de praktijk. Abu Zubaydah zou in totaal minstens 83 keer aan de techniek van het waterboarden onderworpen worden. Ali Soufan ontdekte de kist waarin Zubaydah samen met het insect opgesloten zou worden – “het ding zag eruit als een doodskist.” Soufan belde razend naar zijn oversten bij het FBI. “Ik liet hen weten dat ik met dat hele gedoe niets te maken wou hebben. Robert Mueller, de directeur van het FBI, gaf me gelijk. ‘We don’t do that’, reageerde hij. En ik werd helemaal van die zaak af gehaald.”

“De memo’s van Justitie uit 2005 beweren dat de Enhanced Interrogation Techniques succesvol waren en dat Abu Zubaydah pas begon te praten na 1 augustus 2002. Dat is niet waar. Alle zogenaamde successen zijn in de memo’s opzettelijk verkeerd gedateerd. Zo stelt een memo dat Zubaydah Jose Padilla aan de galg praatte na een waterboardingsessie. Waterboarding werd officieel goedgekeurd met de memo van 1 augustus 2002 en officieus geïntroduceerd midden juli van datzelfde jaar. Terwijl Padilla al gearresteerd werd in mei 2002 als gevolg van de informatie die Zubaydah aan óns gegeven had.”

 

Competitie

Nadat de directie van het FBI zich gedistantieerd had van de door de regering uitgevaardigde eerste foltermemo, kreeg de CIA vrij spel in het hard ondervragen van terreurverdachten. Volgens Ali Soufan waren de meeste CIA-agenten op het terrein het niet mee eens met de koers die hun leiding volgde. “Op ‘de werkvloer’ waren er geen verschillende visies tussen agenten van het FBI en van de CIA. Er is natuurlijk altijd competitie geweest tussen FBI en CIA. Net zoals je dat in Engeland ziet tussen Scotland Yard, MI5 en MI6. Tot op zekere hoogte is dat zelfs gezond. Maar na 9/11 werd alles plots veel gecompliceerder.”

Soufan wijst met een beschuldigende vinger naar de regering Bush die de politieke lijn in de strijd tegen terreur uitzette en de CIA in het folterkeurslijf dwong. Hij vraagt zich ook af of de contractors in hun harde ondervragingen niet nog verder gegaan zijn dan wat door de foltermemo’s was toegestaan.

Leon Panetta, de door president Obama benoemde directeur van de CIA, heeft ondertussen alle contracten met contractors voor ondervragingen stopgezet, de geheime gevangenissen in het buitenland gesloten en een memo uitgevaardigd dat ondervragingen van terreurverdachten moeten gebeuren volgens de regels van het Army Field Manual.

Grote voorstanders van de ‘Enhanced Interrogation Techniques’, zoals de voormalige vice-president Cheney, beweren dat de harde technieken informatie van onschatbare waarde opgeleverd hebben en dat ze Amerika gevrijwaard hebben van nieuwe aanslagen. Michael Hayden, die van mei 2006 tot februari 2009 de CIA leidde, stelt onomwonden dat de harde ondervragingen zijn agenten van de ene grote vis naar de andere leidden. Ali Soufan betwist dat. “Het is hoogst onzeker dat de brute technieken, noem het foltering als je wil, ooit een mensenleven gered hebben of bruikbare informatie opgeleverd hebben. Alle ‘succesvolle’ voorbeelden die door de vorige Amerikaanse regering gegeven zijn, blijken niet te kloppen. Zo beweert ze dat Abu Zubaydah na een sessie waterboarding Khalil Sheikh Mohammed aanduidde als het brein achter de aanslagen van 9/11. Maar Zubaydah heeft ons die naam gegeven in april 2002, drie maanden vóór waterboarding geïntroduceerd werd.”

“We weten dat alle harde technieken – zelfs de meest extreme uit de memo’s van het ministerie van Justitie – niets voorstellen in vergelijking met wat leden van Al-Qaida bereid zijn om te doorstaan. We zijn de verkeerde kant opgegaan in het bestrijden van Al Qaida door onze ondervragingstechnieken te verruwen. Al-Qaida-leden willen gefolterd worden, ze smeken er bijna om. Onze door Justitie goedgekeurde ‘harde technieken’ waren gewoon niet hard genoeg om hen te laten breken. Een ondervrager die succes wil hebben, mag niet meegaan in wat een Al-Qaeda-lid verlangt en verwacht. Hij moet hem slim ondervragen – want daar zijn terroristen niet op voorbereid. Al de successen die wij haalden, waren het gevolg van slimme verhoortechnieken. Alle valse ‘resultaten’ die daarna kwamen, zijn volledig toe te schrijven aan de ‘verbeterde’, harde ondervragingstechnieken.”

©Jan Stevens