Stijlvol afkicken

Na een kwarteeuw keihard werken, nam de Nederlandse textielondernemer Jeroen Fisser een sabbatjaar. Toen pas ontdekte hij dat zijn vrouw een zwaar drankprobleem had. Hij gaf zijn leven radicaal een andere wending en stampte U-Center,de allereerste luxe-afkickkliniek van de Lage Landen uit de grond. Voor een slordige 20.000 euro helpt hij kapitaalkrachtige medemensen van hun cocaïne- of drankverslaving af.

 

Vlakbij het drielandenpunt in Epen bij Maastricht lijkt Nederland verdacht veel op het groene, heuvelachtige Toscane. Van op het stijlvolle terras van zijn luxe-afkickkliniek U-Center – de Betty Fordkliniek van de Lage Landen – kijkt ondernemer Jeroen Fisser (59) uit over een schitterende Limburgse vallei. “De meeste moerasbewoners in Nederland weten niet eens dat deze streek tot hun eigen land behoort”, zegt hij. Naast hem zitten vermoeid ogende zakenlui en managers in sportoutfit. Ze roeren in hun espresso of nippen van een sapje, terwijl een paar honderd meter verder vrolijk kwebbelende toeristen en dagjesmensen van een frisse pint genieten op het terras van het naburige café. De meeste kapitaalkrachtige gasten van Fisser hebben zich in het U-Center voor een kuur van zes weken laten opnemen om komaf te maken met een hardnekkige drank- of drugsverslaving. “Al is dat niet het enige wat we hier doen”, zegt Fisser. “We behandelen ook depressie, burnout en trauma’s zoals seksueel misbruik uit de kindertijd. Veel mensen hebben een ‘dubbele diagnose’: ze komen met een depressie hiernaartoe, terwijl ze eigenlijk een verslavingsprobleem hebben. In een regulier afkickcentrum is er alleen aandacht voor de verslaving, niet voor wat er achter schuilgaat.”

U-Center opende zijn deuren in april 2007 en is volgens Fisser uniek in de Lage Landen. “In geen enkele andere afkickkliniek in België of Nederland wordt zo hard aan de patiënt gewerkt als hier. Onze benadering staat haaks op wat gewone afkickcentra aanbieden. Onze cliënten krijgen 44 uur per week therapie. Geen arbeidstherapie, in de tuin werken of poetsen, maar keihard werken aan zichzelf. Daarnaast logeren ze in een viersterrenhotel. Met zwembad, fitness, Turks bad, sauna… Alles is voorhanden om onze gasten naast hun zware therapie ook uitgebreid te vertroetelen.”

 

Alcoholprobleem

Tot zes jaar geleden wees niets erop dat Jeroen Fisser ooit een luxekliniek voor verslaafden zou stichten en leiden. “Ik stam uit een familie van textielondernemers”, vertelt hij. “Ik ben in deze streek opgegroeid en heb hier tot mijn 18e gewoond. Toen zei mijn vader: ‘Eruit, ik wil je een tijdje niet meer zien.’ Ik werkte bij hem in de zaak en hij wou dat ik praktijkervaring ging opdoen in Duitsland. Ik ben er als 18-jarige textiel gaan verkopen. Toen dat goed ging, mocht ik terugkeren.”

Vader Fisser was een fabrikant van dameskleding. “We verkochten aan grote winkelketens. In de loop der jaren evolueerde het bedrijf naar een eigen label voor de betere speciaalzaak. Op een bepaald moment hadden we kantoren in Brussel, Londen, Manchester, Düsseldorf, Amsterdam en Dublin. Dat was mijn verdienste. Tien jaar geleden ben ik uit de zaak gestapt. Ik verschilde van mening met mijn broers over hoe het bedrijf zich verder moest ontwikkelen.”

Jeroen Fisser vestigde zich als consultant. “Ik was vijftig geworden en kreeg steeds meer behoefte aan wat tijd voor mezelf. Op mijn 52e stapte ik uit de ratrace en nam ik een sabbatjaar. Pas dan merkte ik dat ik thuis een heel groot probleem had. Voor het eerst in mijn leven zag ik dat mijn vrouw zwaar aan de drank zat. In de twintig jaar ervoor had ik daar helemaal niets van gemerkt. We hadden twee huizen, zij werkte bij KLM en ik runde zes kantoren in het buitenland. Af en toe raadpleegden we onze agenda’s en spraken we af: ‘Wanneer zien we elkaar in welk huis?’ Dat was heel decadent en spannend, maar heeft ook zijn tol geëist. Toen ik erachter kwam dat mijn vrouw een alcoholiste was, dacht ik als volbloed ondernemer: ‘Dit los ik zelf wel op.’ Maar dat viel lelijk tegen.”

 

Fisser maakte afspraken met zijn vrouw. “In het begin geloofde ik ook dat ze die nakwam. Dat was natuurlijk niet zo. Daar kwam list en bedrog bij kijken. Ik begon alles over alcoholisme te lezen wat ik maar kon vinden. Ik ging naar praatgroepen, zocht hulp bij mijn huisarts en bij nog andere dokters. Maar huisartsen weten helemaal niets van die ziekte; vaak drinken ze zelf. Als reactie op mijn zoektocht naar hulp, begon mijn vrouw nog meer te drinken. Onze problemen werden alleen maar groter. Tot ik de handdoek in de ring wou gooien en tegen haar zei: ‘Het is over. Ons huwelijk is kapot.'”

Maar Jeroen Fisser bleef. “Als iemand kanker heeft, laat je die ook niet in de steek. Waarom zou je dat dan wel doen bij iemand die een vreselijke ziekte als alcoholisme heeft? Alcoholisme heeft niets met een ‘zwak’ of ‘sterk’ karakter te maken. Het is een emotieziekte, die vaak in de genen zit. Vijf jaar geleden ging het zo slecht met mijn vrouw, dat ik op een ochtend de sleutels op tafel gooide en riep: ‘Eruit!’ Ze is toen naar een vriendin gegaan, kwam ’s avonds terug en vroeg een allerlaatste kans. Ze stelde voor om te gaan afkicken in een privékliniek in het buitenland.”

Mevrouw Fisser liet zich opnemen in de dure, exclusieve Oberbergkliniek in Duitsland. “Zes weken lang werkte ze keihard aan zichzelf. Met succes. Toen ze terugkwam uit Duitsland, vroeg mijn vriend en zakenpartner Antoon Van Balkom: ‘Hoe is het nu bij jullie thuis?’ Ik vertelde hem dat het goed met haar ging, beschreef hem onze lijdensweg en zei: ‘Klinieken zoals Oberberg zijn er jammer genoeg niet in Nederland.’ Antoon sprak de gevleugelde woorden: ‘Wat er niet is, gaan we toch halen?'”

Fisser en Van Balkom zochten contact met het management van Oberberg. “Ze reageerden enthousiast en wilden samen met ons in zee om een privékliniek in Nederland te openen. Ze lieten ons bij hen in de keuken kijken. Een privékliniek moet geld verdienen, anders gaat ze overkop. Overberg heeft niet alleen een goed concept, maar heeft ook een uitmuntend businessplan. Een architect van Oberberg is mee op zoek gegaan naar een locatie. Ik woon in Amsterdam, maar wou de kliniek toch liefst in Limburg vestigen. De regels zijn hier net hetzelfde als in de rest van Nederland, alleen worden ze wat soepeler toegepast – een beetje op zijn Belgisch – menselijker dus.”

In Epen vond Fisser een luxehotel dat te koop stond. “Het was ideaal en lag prachtig. Na heel wat onderhandelen hebben we het in 2007 kunnen kopen.”

 

Bananenrepublik

In diezelfde periode kwam Jeroen Fisser in contact met een luxe-afkickkliniek in Engeland. “Ze werkten er helemaal anders dan de Duitsers. Als je in Oberberg binnenstapt, kom je echt binnen in een kliniek. Het is er ijskoud. In zo’n Engelse privékliniek kom je binnen in een huiskamer. Op het moment dat we dit hotel kochten, haakten de Duitsers af. Zij wilden dat we eerst van de Nederlandse staat een vergunning voor het uitbaten van de kliniek kregen. Wij zeiden steeds: ‘We kopen eerst het gebouw, die vergunning komt wel.’ De Duitsers konden met die aanpak niet overweg – zij werken met lijstjes, het ene moet voor het andere, anders raken ze helemaal in de war. We schakelden het allerbeste advocatenkantoor in om hen uit te leggen dat alles in orde zou komen – er was net een nieuwe wet gestemd waardoor het privé-initiatief in de zorg meer kansen kreeg. Maar het antwoord van de Duitsers was: ‘Ir lebt in einer Bananenrepublik!’ (lacht). Het huilen stond ons toen nader dan het lachen, maar achteraf zijn we blij dat de samenwerking met Oberberg niet doorgegaan is.”

 

Op 12 april 2007 opende U-Center haar deuren. “We zijn gestart met zes patiënten. Het werden er twaalf, veertien, achttien… In maart van dit jaar draaiden we breakeven. We hebben 50 mensen in dienst, en hebben plaats voor 50 patiënten. Een verblijf kost gemiddeld tussen de 450 en 500 euro per dag.”

Wat voor mensen laten zich opnemen in U-Center? Jeroen Fisser: “Ken je de Bijenkorf en de Aldi? Wij zijn de Bijenkorf. Je kan de Bijenkorf vergelijken met de Belgische Inno. In de Inno of de Bijenkorf loopt een directeur te winkelen, maar ook de eigenaar van een tuinaanlegbedrijfje. Ons cliënteel hoeft niet direct van zeer rijke komaf zijn, maar het moet wel een beetje beschaafd zijn. Een verslaafde is iemand met een laag zelfbeeld. We werken daar van in het begin van de behandeling heel sterk aan. Daarom ook komen ze hier in zo’n mooie omgeving terecht. Waarom zouden ze deze luxe niet waard zijn? Het zijn goeie mensen, ook al zijn ze ziek. Daar kunnen ze niets aan doen. Maar ze moeten er wel hard aan werken.”

“De gemiddelde leeftijd van onze cliënten is een jaar of 40. Er zitten ondernemers tussen, managers, advocaten, rechters, maar we hebben ook een piloot met een drankverslaving. En een schoolhoofd. Seksverslaafden zijn hier ook welkom. Net als mensen met een koopverslaving. In feite komen al die verslavingen op hetzelfde neer, alleen het middel is telkens anders. Vroeger was heroïne dé drug, nu is het vooral cocaïne. Ik ben in Amsterdam op feestjes geweest waar vaders voor hun dochters cocaïne kochten onder het mom van: ‘Dan weet ik dat ze goed spul krijgt.’ Daar kan ik ontzettend kwaad van worden. Nederlands oudjaar wordt altijd gevierd met oliebollen. Zo vet mogelijk, met veel poedersuiker op. Ik ben op feestjes geweest waar de poedersuiker vervangen was door cocaïne. Op zo’n avond werd er voor 60.000 euro aan cocaïne opgesnoven. Gewoon voor de fun. Cocaïne is overal. Ik woon in een nette buurt in Amsterdam met drie scholen. In alle portieken van de huizen vind je ’s morgens weedzakjes. Als ik de politie erop aanspreek, zeggen ze: ‘Fijn dat u ons dat meldt, maar we kunnen er niets aan doen.’ Weed wordt zwaar onderschat. Als je langdurig weed gebruikt, loert schizofrenie om de hoek. Dat wordt een zeer ernstig probleem.”

Al blijft de allergrootste drug alcohol. “In Nederland heeft 1,2 miljoen mensen een alcoholprobleem. Sommigen beweren dat het mogelijk is om als verslaafde gecontroleerd te drinken. Dat is natuurlijk niet waar, want als je gecontroleerd kunt drinken, ben je niet verslaafd. In onze maatschappij floreert alcoholisme. Het is bonton om op een receptie een glaasje champagne te nemen, anders ben je een saai mens. Het functionele alcoholisme is de basis voor het echte alcoholisme. Van een burnout of een trauma genees je, van een verslaving niet. Die blijf je je hele leven houden.”

 

Een biertje van 40.000 euro

Hoeveel kans op slagen hebben de patiënten van het U-Center? “Tussen de 60 en 70% staat na één jaar nog droog. Dat is heel hoog. Een goede nabehandeling is van levensbelang. Mensen komen na hun behandeling van 6 weken om de zoveel tijd een dagje terug. We zorgen er ook voor dat ze in hun eigen geboortestad opgevangen worden door een therapeut, ook in België. De nazorg begint thuis, bij de familie. Dat is de basis waar je je veilig kunt voelen en een nieuw leven kunt starten. Daarom organiseren we tijdens de behandeling ‘Family Weekends’, waarop de familieleden uitgenodigd worden.”

Hoe gaat het nu met Jeroen Fissers vrouw? “Prima. Ze heeft niet het gevoel dat ze iets mist. Integendeel, we vinden allebei dat ons leven ongelooflijk verdiept is. Toen mijn vrouw uit de kliniek kwam, gaven veel vrienden ons nog nauwelijks een hand. Ze waren bang om in de spiegel te kijken, hadden schrik voor de confrontatie. Ik drink zelf soms wel eens een glaasje wijn. We zijn nu zover dat de wijn gewoon in de ijskast staat. Als mijn vrouw een vriendin op bezoek krijgt, schenkt ze een glas in en drinkt ze zelf niet. Knap hoor, ik heb erg veel respect voor haar. Want er wordt altijd om ons heen gedronken.”

Zoals op het terras van het café, vlak naast het U-Center. “Ach, dat vinden we helemaal niet erg”, lacht Fisser. “Mijn vrouw zegt altijd: ‘Terugval is een armlengte verwijderd.’ Ik heb in Dover mensen op de ferry zien stappen die net een kuur van 40.000 euro in een dure afkickkliniek achter de rug hadden. Het eerste waar ze op de boot naartoe liepen, was de bar om een pilsje te bestellen. Een biertje van 40.000 euro.”

 

 

Toppers van Jeroen Fisser

 

–          Jan Timmer, ceo van Philips van 1990 tot 1996. “Jan Timmer zei altijd waar het op stond. Hij sprak nooit in een wolk. Hij was recht door zee. Veel mensen vonden dat natuurlijk helemaal verkeerd. Een harde boodschap mag je blijkbaar nooit vertellen. Dat deed hij wel. Hij is een goeie vent.”

–          Quick-Step. “Ik neem mijn petje af voor de West-Vlaamse families die Quick-Step uit de grond gestampt hebben. Dat is zo een groot bedrijf geworden. Hun poulain Tom Boonen zou eigenlijk hier moeten zitten. Dat meen ik echt. Natuurlijk heeft hij een probleem met coke. In zes weken brengen wij hem weer op het juiste spoor.”

 

©jan@janstevens.be

Advertenties

Hebzucht, cash en cocaïne

Seth FreedmanJarenlang werkte Seth Freedman als trader in de Londense City. Zes jaar lang gokte hij overdag met andermans geld op de beurs. ’s Avonds dook hij in de cocaïne en snoof hij zich een bloedneus in poepchique clubs, net als het merendeel van zijn collega’s. “In het financiële hart van Europa telt maar een ding: hebzucht. De kredietcrisis was onvermijdelijk.”

 

Londen, donderdagochtend, 20 september 2007. Na een nacht vol cocaïne en alcohol springt de 26-jarige trader Darren Liddle voor de ogen van zijn vriendin van de negentiende verdieping van het Hilton. Liddle werkte voor de zakenbank Credit Suisse, en gold als een van de meest beloftevolle handelaars in de City. Maar de druk van zijn werkgever en zijn cliënteel om steeds meer geld op te brengen, werd de jonge financiële whizzkid te groot. Hij zocht troost in de favoriete Citydrug cocaïne, raakte hopeloos verslaafd, tot de stoppen op die fatale donderdagochtend doorsloegen.

Londen, vrijdag 15 februari 2008. De 41-jarige broker Stephen Crumb wordt veroordeeld tot een werkstraf voor dealen van drugs. Een paar maanden ervoor was hij samen met drie anderen gearresteerd in een pub in de Square Mile terwijl ze cocaïne aan het slijten waren aan hun collega’s. Crumb vertelde op zijn proces hoe hij als jongen van 17 op zijn allereerste baantje in een investeringsbank al cocaïne aangeboden kreeg. Hij groeide uit tot een succesvolle beursmakelaar, verdiende vlotjes 250.000 pond per jaar, spendeerde even vlotjes dagelijks 400 pond aan cocaïne en dronk elke dag twee flessen Pomerol, 10 pinten bier en een fles wodka. “Iedereen op mijn kantoor zat aan de cocaïne”, zei hij tegen de rechter. “In de toiletten hoorde je ze snuiven. We namen ons eerste lijntje van de dag altijd om half twaalf, net zoals iemand anders een aperitiefje nuttigt.”

 

Het scheelde niet veel, of Seth Freedman was geëindigd zoals Darren Liddle of Stephen Crumb. Eind jaren negentig begon hij te werken als beurshandelaar in de City, het financiële district van Londen. Van in het begin vloeide de drank rijkelijk, en ging de familieverpakking cocaïne vrolijk rond. Naarmate Freedmans succes toenam, vergrootte zijn cocaïneconsumptie. “In de City ben je alleen maar succesrijk als je veel geld opbrengt”, zegt hij. “Na verloop van tijd begon ik te walgen van dat steeds weerkerende zinnetje: ‘Seth, wat ben jij toch een fijne kerel, je hebt weer eens 20.000 pond verdiend.'”

In 2004 zei Freedman de City vaarwel om dienst te nemen in het Israëlische leger. “Ik had genoeg van de cocaïne en van de leegheid van een leven gebaseerd op louter geld. Van het financiële front trok ik voor 15 maanden naar het oorlogsfront.”

Nu werkt hij vanuit Jeruzalem als correspondent voor de Britse krant The Guardian en schrijft hij kritische stukken over de Israëlische politiek. Onlangs verscheen zijn boek Binge Trading: The Real Inside Story of Cash, Cocaine and Corruption in the City, waarin hij verslag doet van zijn jaren als beurshandelaar, en het financiële hart van Europa ontmaskert als een groot casino, waar bankiers en handelaars hun eigen geld en dat van hun klanten op het spel zetten.

 

Regel nummer één: blijf cool

In 1998 rolde Freedman op zijn achttiende eerder toevallig de City in. “Vlak voor ik naar de universiteit zou gaan, wou ik wat geld verdienen. Een vriend van mijn grootvader was een broker. Hij nam me voor zes maanden aan. In het begin werkte ik in de postkamer en droeg ik brieven rond voor de beurshandelaars. Blijkbaar stelde ik de juiste vragen, want vrij snel kreeg ik meer verantwoordelijkheden. Ik deed mee aan het examen om zelf als trader te mogen werken en ik slaagde. De City zat middenin de dotcomboom en de financiële bedrijven wilden zoveel mogelijk mensen aan boord houden. Dus kreeg ik een nieuw contract aangeboden. Voortaan mocht ik zelf op de beurs spelen.”

 

U liet de universiteit links liggen en koos voor het snelle geld?

Seth Freedman: “De verleiding was te groot. Ik was toen een onschuldige achttienjarige jongen. Ik weet nog hoe ik met open mond naar de luxe op straat keek toen ik voor de allereerste keer vanuit het metrostation Moorgate de Londense City instapte. Knalrode Ferrari’s zoefden voorbij en voor elk verkeerslicht stonden Bentley’s-met-chauffeur. Het leek alsof ik in het paradijs beland was. Veel later pas zou ik ontdekken dat het eigenlijk de hel is. Ik zat vrij snel tot over mijn oren in de drugs. Eerst weed, en dan cocaïne. Het was 1998, en de dotcomzeepbel moest nog barsten. Iedereen wilde geld verdienen met het internet en investeren in de snel groeiende onlinebusiness. Een jaar later kreeg ik de leiding over een klein team van beurshandelaars gespecialiseerd in dat nieuwe ‘goud’. Mijn job bestond uit praten met cliënten, hen op stijgers en dalers wijzen, en hen advies verschaffen. Sommigen gaven me een flinke zak geld, en zeiden: ‘Doe ermee wat je wil, maar probeer het onderste uit de kan te halen. Rapporteer terug op het einde van de maand.’ Afhankelijk van het risico dat een cliënt wou nemen, deed ik met zijn geld wat ik wou. Het bedrag waarmee ik als jonge snaak kon jongleren, hing af van cliënt tot cliënt en varieerde van tweeduizend pond tot een paar miljoen.”

 

Hoe succesvol was u?

“Soms bracht ik massa’s geld op, soms verloor ik een klein fortuin – dat is the nature of the game. Ik was succesvol in die zin dat mijn cliënteel toch verder met mij in zee wilde. Als beurshandelaar bouw je een relatie met je cliënten op die volledig gebaseerd is op vertrouwen. Mijn cliënten vertrouwden me vaak blindelings. Ik herinner me een face-to-face-gesprek met een van mijn eerste klanten. Ik wist van toeten of blazen. Ik pikte gewoon de adviezen in van de analisten van Merrill Lynch en gedroeg me tijdens het gesprek als een ervaren, door de wol geverfde trader. Mijn cliënt volgde en zette een paar duizenden ponden in op aandelen die ik hem aanraadde. Twee maanden later incasseerde hij vlotjes 20% winst per aandeel. In amper een half uur tijd had ik zelf duizend pond commissie verdiend. Om mijn succes te vieren, trakteerden mijn collega’s me op een drankovergoten feestje en een flinke snuif coke. Succes in de City werd nu eenmaal altijd met cocaïne gevierd.”

 

Is lef hebben de belangrijkste eigenschap voor een goeie beurshandelaar?

“Een trader moet vooreerst een gokker zijn. Want de City is een groot casino. Maar met goktalent alleen zul je het niet maken. De job van beurshandelaar vereist ook enig psychologisch doorzicht. ‘Zal dit aandeel te pakken zijn in een opwaartse trend, of zullen mensen in paniek schieten en al hun aandelen dumpen?’ Er is geen kunst aan om getalletjes op een scherm te lezen; als trader wordt er meer van je verwacht, zoals praten met collega’s, in de gaten houden wat andere investeerders doen en je oordeel baseren op een mix van zoveel mogelijk factoren. Regel nummer een is dat je in alle omstandigheden je cool bewaart. Voor elke transactie moet je bereid zijn om je korte termijnreputatie op het spel te zetten. Je mag nooit panikeren en beginnen twijfelen: ‘Wordt dit aandeel nu een winner? Of wordt het een loser? Doe ik er wel goed aan om nu te kopen?’ Twijfel helpt je geen ene moer vooruit. Je moet gewoon bereid zijn om klappen te krijgen als je een slechte deal sluit.”

 

Cocaïne als statussymbool

Werd u als jonge beurshandelaar strikt gecontroleerd?

“Intern was er heel wat controle. Onze bazen hielden in de gaten wat we uitspookten en controleerden of we de criteria respecteerden die onze cliënten ons vooropstelden. Ach, eigenlijk kwam het hierop neer: zolang onze bazen het gevoel hadden dat we geld opbrachten, zaten we op rozen. Er hingen geen lijstjes uit met rangschikkingen van wie wat opbracht, maar binnenin het bedrijf wist iedereen wie uitzonderlijk goed presteerde. Als je alle dagen op de Trading Floor dicht opeen zit, merk je snel wie door de bazen opgehemeld wordt of geviseerd wordt, en wie een goeie of een slechte maand gehad heeft. De Britse media speelden dat spelletje graag mee: elk jaar rond kerst, dé bonustijd, werden de kranten gek. ‘Een bankier bij Goldman Sachs streek als bonus 40 miljoen pond op, wauw, wat een kerel!’ Wie veel geld opbracht en daardoor ook veel geld verdiende, moest bewonderd worden. In de City hangt heel je status samen met het geld dat je vertegenwoordigt.”

 

Werd u bewonderd?

“Zeker. Het is bizar om als prille twintiger bakken geld te verdienen, terwijl al je vrienden aan de universiteit studeren en allerlei parttime strontjobs moeten doen om te kunnen overleven. Ik weet niet of ze afgunstig waren, of me bewonderden, maar ze zagen me wel als een rare vogel. Rond de millenniumwissel was ik flink bezig met het uitbouwen van een solide carrière in de geldindustrie. Ik bracht nog geen miljoenen ponden binnen zoals sommige dertigers, maar ik was wel goed op weg.”

 

Hoeveel verdiende u?

“Daar geef ik liever geen antwoord op. Sommige klanten leverden me in een goede maand duizenden ponden commissie op. Ik kocht een flat met twee slaapkamers op mijn 18e en een tweede met vier slaapkamers op mijn 21e, allebei in het dure centrum van Londen. Als beurshandelaar was je het aan je status verplicht om te laten zien dat je er warmpjes inzat. We droegen de allerbeste designerpakken van Armani en gingen elke avond dineren in de chique bistro’s van de wijk St. John’s Wood. ’s Middags lunchten we op het werk: onze lunches werden geleverd op porseleinen borden, met zilveren bestek. Ik wil geen medelijden, maar achteraf gezien, was het niet eenvoudig voor mij om overweg te kunnen met al dat geld en al die luxe. Ik spendeerde steeds meer aan drank en drugs. Samen met mijn werkmakkers snoof ik cocaïne zoals kerels uit de working class pinten drinken in de pub. Voor traders en brokers gold coke als een statussymbool. Ik raakte bevriend met een stinkend rijke financier met een Master in Internationaal Bankieren, die meteen ook mijn cokedealer werd.”

 

Hoe groot is de druk van de cliënten?

“Sommigen willen resultaten zien op korte termijn. Ze verlangen van je dat je om de paar uur hun aandelenhandel omploegt: ‘Koop een aandeel, verkoop het, incasseer de winst en move on!’ Anderen opteren voor de langere termijn: ‘Koop me een aandeel, en we zien wel wat het doet binnen een half jaar.’ Ik was verzot op shorten, op speculeren op een sterk dalende markt. Een gewone trader probeert geld te verdienen met stijgende aandelen; een shorter ‘leent’ aandelen waarvan hij verwacht dat ze het slecht zullen doen. Het geleende aandeel verkoopt hij aan de beurskoers. Hij koopt het aandeel daarna snel weer terug, want hij moet het teruggeven aan de oorspronkelijke eigenaar. Als de koers daalt, steekt de shorter de winst in zijn zak; als de koers stijgt, heeft hij dikke pech. Shorten was echt mijn ding. Ik kreeg er een gigantische kick van. Van shorten werd ik high.”

 

Voor een shorter is slecht nieuws vaak goed nieuws?

“Slecht en goed spelen niet mee. Cliënten op de financiële markt zien hun beurshandelaar niet als hun morele baken in hun leven. Ze geven je geld en willen alleen dat je meer geld opbrengt. Ongeacht wat er gebeurt. Een beurshandelaar heeft maar één missie: geld slaan uit goed en slecht nieuws. Zo was 9/11 een hoogdag voor shorters zoals ik. De aanslagen op de Twin Towers waren afschuwelijk, en wij hadden een missie: haal er zoveel mogelijk geld uit. We werden niet betaald om een potje te gaan zitten janken, maar om het onderste uit de financiële kan te halen. De aandelenmarkt heeft geen tijd voor moraliteit of sentimentaliteit.”

 

Werden er vragen gesteld over wie jullie cliënten waren? Of was misdaadgeld en zwart geld van harte welkom?

“In het begin van mijn carrière werden er geen vragen gesteld over de oorsprong van het geld van het cliënteel. Maar een paar grote witwasoperaties die in de pers weerklank kregen, vormden een domper op die totale vrijheid. Er werden ‘Know Your Client Regulations’ opgesteld: we moesten elke klant in levende lijve ontmoeten, en hem vragen waar hij zijn geld mee verdiende. In het bedrijf waar ik werkte, waren de cliënten gekend, maar bij veel andere investeringsbanken en brokers in de City wordt er niet zo nauw gekeken. Er gaat zeer zeker veel misdaadgeld om in het financiële hart van Londen. Overal waar er geld in het spel is, vind je de maffia.”

 

Hebzucht als motor

Hoe belangrijk is hebzucht in de City?

“De beurs gaat uitsluitend over hebzucht: hoeveel geld kan ik creëren, hoeveel rijkdom levert de handel me op? Niemand in de City vindt hebzucht een verwijt, of een slechte eigenschap. Het is de motor van het hele systeem. De City heeft een raar effect op al wie er werkt: geld maken is als een virus dat iedereen besmet. Geld maken is ook het enige criterium waarop bankiers en traders beoordeeld worden. Wie veel opbrengt, staat op het hoogste schavot. Je mag een vriendelijke kerel zijn, of fortuinen wegschenken aan liefdadigheid, dat is totaal onbelangrijk. Het enige wat telt, is het geld dat je opbrengt. ‘Shit, hij verdiende 100.000 pond commissie deze maand, en ik amper 80.000. Wat een fantastische kerel is hij toch, en wat voor een loser ben ik.'”

“De kredietcrisis is een logisch gevolg van de hebzucht in de City. Na de millenniumwissel geloofde iedereen in de financiële wereld dat de bomen tot in de hemel groeiden. De rest van de samenleving was er trouwens ook van overtuigd dat de gouden tijden nooit zouden eindigen. Gewone arbeiders namen er nog een extra kredietkaart bij, en leenden zoveel mogelijk geld, ongeacht aan welke prijs. Schulden afbetalen was een probleem voor later. De City reageerde net hetzelfde. In plaats van aandelen te verhandelen met geld dat we hadden, speelden we met geleend geld. Zo begon de hele zaak steeds meer uit de hand te lopen. Onze verliezen werden veel groter dan de cash die we hadden om alles terug te betalen. Geen enkele instelling reageerde, of zwaaide met een vermanend vingertje. De spelers in de City hadden het gevoel dat ze carte blanche hadden. De regulators en de politici bleven allemaal stom. Niemand reageerde toen de markt beresterk leek en iedereen bergen geld verdiende. Pas nu de boel ontploft, hoor je van alle kanten verontwaardigde reacties: ‘We wisten niet dat het zo erg was. Die kerels van de City hebben ons belogen.’ Terwijl eigenlijk iedereen medeplichtig is. Natuurlijk waren er een paar roependen in de woestijn. Maar hun stemmen werden genegeerd of belachelijk gemaakt. ‘Waar maken jullie je zorgen over? We leven in een nieuw tijdperk waarin welvaart gecreëerd wordt, dus shut up.’ Achteraf gezien hebben ze gelijk gekregen.”

 

Voelt u zich medeverantwoordelijk voor de economische puinhoop waarin we nu zitten?

“We leven in een ‘kredietkaartenmaatschappij’ die nog heel onaangename gevolgen zal hebben. Op het moment dat niemand zijn schulden kan terugbetalen, valt het hele systeem omver. De City heeft dat allemaal mogelijk gemaakt. Je mag degenen die daaraan meegewerkt hebben zoals ik gerust met de vinger wijzen, op voorwaarde dat je meteen ook iedereen die boven zijn stand leeft op zijn verantwoordelijkheden wijst. Want niemand werd gedwongen om een kast van een huis te kopen zonder zelf een cent te bezitten. We betalen nu cash omdat we met ons biersalaris een champagneleven wilden leiden.”

 Seth Freedman, Binge Trading: The Real Inside Story of Cash, Cocaine and Corruption in the City, Penguin, 192 blz., 15 euro

©jan@janstevens.be