“Wij omarmen de Vlaamse schrijvers”

Nu De Bezige Bij Antwerpen en uitgever Harold Polis van het toneel verdwenen zijn, geldt De Bezige Bij-baas Henk Pröpper als belangrijkste literaire uitgever van zowel Nederland als Vlaanderen. Dé man dus om vooruit te blikken naar de toekomst. “Het ultieme doel voor een schrijver kan toch nooit zijn dat hij uitgegeven wordt? Dat moet toch zijn dat hij gelézen wordt?”

 

Elk jaar in maart publiceert het magazine HP/De Tijd zijn beruchte literaire pikorde van Nederland. Grootste stijger in 2014 was Henk Pröpper (56), directeur-uitgever van De Bezige Bij. Hij maakte een reuzensprong van de achtste naar de tweede plaats en eindigde nipt na Uitgeverij Lebowski-lefgozer Oscar van Gelderen. Amper drie jaar geleden, op 1 december 2011, kwam Pröpper aan het hoofd te staan van misschien wel het meest befaamde literaire uitgeefhuis van Nederland. Daarvoor werkte hij als diplomaat en later als directeur van het Nederlandse Letterenfonds.

Op 12 december jl. vierde De Bezige Bij haar zeventigste verjaardag. Ze deed dat in het statige pand aan de Van Miereveldstraat in Amsterdam waar ze sinds haar ontstaan gehuisvest is. Henk Pröpper en zijn team ontvingen er die vrijdagavond bijna alle nog levende schrijvers met de nodige egards. Ook de meeste Vlaamse auteurs die op dat moment nog tot De Bezige Bij Antwerpen behoorden, zakten naar de Amsterdamse Museumwijk af om er de verjaardag van het eerder door hen verguisde moederhuis met wijn, champagne en gin tonic te vieren. Ze kwamen er meteen ook toosten op het einde van ‘hun’ De Bezige Bij Antwerpen, want vanaf 1 januari 2015 houdt de zelfstandige Vlaamse uitgeverij definitief op te bestaan. “Er zal dan geen bijkantoor in Vlaanderen meer zijn”, zegt Pröpper. “De naam ‘De Bezige Bij Antwerpen’ verdwijnt. Alle Vlaamse en Nederlandse auteurs maken voortaan deel uit van een en hetzelfde uitgeefhuis: De Bezige Bij Amsterdam/Antwerpen.”

Twee maanden geleden leek 2014 voor Henk Pröpper nog te eindigen als een annus horribilis, toen vlak voor de Boekenbeurs uitlekte dat De Bezige Bij Antwerpen opgedoekt zou worden. Aan uitgever Harold Polis werd voorgesteld om verder te werken als ‘scout’, met ‘als taak om Vlaamse auteurs te acquireren en te begeleiden’. Na een maand van stilzwijgen maakte Polis op 1 december bekend dat hij de Bezige Bij definitief verlaat. “Ik ben geen scout, maar een uitgever”, zei hij toen.

“Ik respecteer Harolds besluit, maar ik vind het doodjammer”, reageert Pröpper. “Hij is een erudiete man en ik heb hem een ernstig voorstel gedaan. We gaan nu op zoek naar een nieuwe hoofdredacteur: hij of zij zal voor ons het grootste talent in Vlaanderen opsporen.”

 

Een scout dus.

Henk Pröpper: “Nee, een hoofdredacteur. Hij zal op hetzelfde niveau staan als onze Amsterdamse hoofdredacteuren, Suzanna Holtzer voor Nederlandse literatuur en Haye Koningsveld voor non-fictie. Onderschat die mensen niet: Suzanne en Haye zijn de beste redacteuren van Nederland. Onze nieuwe Vlaamse hoofdredacteur zal dus ook van hoog niveau moeten zijn. Het is vervelend dat onze plannen met dat lek doorkruist zijn.”

 

Dat lek moet toch iemand van De Bezige Bij zelf geweest zijn, of van het management bij het overkoepelende WPG?

“Dat moet wel. De communicatie na het lek door zowel WPG als De Bezige Bij was niet goed. Een bedrijf zoals het onze moet op zoiets voorbereid zijn. Ik ben wel verrast door de kracht van de emoties. De winterstorm die over ons heen raasde, was behoorlijk koud.”

 

Klopt het dat sommige auteurs die op sociale media hun gal spuwden tezelfdertijd een mail naar de WPG-top stuurden met de vraag of De Bezige Bij alsjeblief hun volgende boek zou willen uitgeven?

“Dat heb ik ook gehoord. Ik geef eerlijk toe dat ik geschrokken ben van de hevige reacties van een aantal auteurs in de pers en op sociale media, zonder dat ze eerst contact met mij zochten. Naderhand hebben we met alle schrijvers goede gesprekken gevoerd, ook met degenen die het belangrijk vonden om zich ‘ludiek’ te uiten. Alle lopende contracten zijn bekeken en met iedereen zijn er afspraken gemaakt.”

 

Hebt u van schrijvers afscheid genomen?

“Ik respecteer alles wat eerder afgesproken was. Verder zullen we alle werk beoordelen op zijn literaire kracht. Al speelt het commerciële natuurlijk altijd mee. Joost Vandecasteele heeft geen gesprek met mij willen voeren. Het is goed dat mensen hun eigen koers varen.”

 

U verwacht nu dat schrijvers terug loyaal worden aan hun uitgever?

“Precies. Wij willen verder met hen, want er zitten schitterende auteurs bij De Bezige Bij Antwerpen. Ken je de filosofe Alicja Gescinska? Zij woont in Rome en werkt daar aan de biografie van paus Johannes Paulus II. Een maand na ‘het gedoe’ heeft ze me een mail gestuurd. Ze heeft de storm eerst laten passeren. Rustig en beheerst vroeg ze: ‘Hoe denken jullie over mij en over mijn werk?’ Ik heb geantwoord: ‘Ik ben blij dat je je zonder boosheid meldt.’ Ik vond dat indrukwekkend. Sindsdien heb ik een uitstekend contact met haar en ben ik met haar aan het werk. Zo zal ik dat ook met andere Vlaamse schrijvers gaan doen, samen met mijn collega’s. Ik wil dat ze het gevoel hebben dat ik hun uitgever ben. De afgelopen maanden hebben we hard gewerkt om aan iedereen te laten voelen dat De Bezige Bij een veilig huis is waar inhoud primeert. Bijna alle auteurs zijn er ondertussen van overtuigd dat ze nu voor het eerst wél in Nederland zichtbaar zullen worden.”

 

De B-ploeg treedt toe tot de A-ploeg?

“Voor ons heeft dat onderscheid nooit bestaan.”

 

Hoe komt het dan dat auteurs van De Bezige Bij Antwerpen, zoals bijvoorbeeld Johan de Boose, verschillende pogingen ondernomen hebben om uitgegeven te worden door De Bezige Bij Amsterdam?

“Ik heb een paar keer met Johan gepraat. Hij is nu het derde deel van zijn trilogie Het vloekhout aan het schrijven, hij stond ervan te kijken dat ik de eerste twee delen gelezen had. Maar ik ben de meest lezende uitgever van Nederland.”

 

Er wordt gezegd dat u meer marketeer dan uitgever bent.

“Echt? Dat zou ik mezelf niet zo snel toedichten. Elke week lees ik vier boeken. Van alle teksten die ik gelezen heb, krijgt de auteur een verslag. Ik denk niet dat veel andere uitgevers met een managementfunctie me dat nadoen. Ik neem mijn vak heel ernstig: het begint en eindigt bij lezen. Ik aanvaard ook niet dat mensen beweren dat het die lui bij De Bezige Bij niet kan schelen wat er nu gebeurd is. Onder anderen Haye, Suzanne en ikzelf hebben niets anders gedaan dan ons in dienst stellen van de nieuw ontstane situatie. Wij omarmen de Vlaamse schrijvers.”

 

Volgens uw voorganger Robbert Ammerlaan vond u het niet leuk dat hij als directeur van de De Bezige Bij Antwerpen ook internationale boeken begon te kopen. U zag dat als concurrentie. Het zou zelfs ontaard zijn in ruzie op het moment dat hij bood op Alles wat is van James Salter.

“Dat is simpelweg niet waar. Wij hebben er alles op ingezet om De Bezige Bij Antwerpen zo sterk mogelijk te maken. We hebben Robberts opvolger Harold zelfs geholpen bij het acquireren van buitenlandse literatuur. Ammerlaan heeft gelijk als hij stelt dat een Vlaamse literaire uitgeverij alleen op eigen poten kan staan als ze ook goede internationale fictie en non-fictie kan aanbieden. Maar er spelen ook commerciële motieven. Robbert wilde James Salter uitgeven, wij ook. Zowel Antwerpen als Amsterdam werden daarvoor benaderd. Ik heb toen tegen Robbert gezegd: ‘Wij zullen Salter uitgeven.’ Op dat moment was ik zijn baas, wat hij lastig vond.”

 

Ammerlaan zegt dat De Bezige Bij Antwerpen onder zijn bewind een jaar uit de rode cijfers geweest is. Alle jaren ervoor werd telkens voor honderdduizenden euro’s verlies opgetekend. Voor 2014 zou het verlies 700.000 euro bedragen.

“Gelukkig heeft het fonds op dit moment een paar titels die ongelooflijk goed lopen, zoals Napoleon van Bart Van Loo en Aan de rand van de wereld van Michael Pye, waardoor dat verlies afneemt. Ik had het Harold van harte gegund dat hij zelf die vruchten had kunnen plukken. Hij heeft geweldige acquisities gedaan, maar hij had 140 auteurs onder zijn hoede, wat te veel is. Dat is niet verwonderlijk, want in Vlaanderen had De Bezige Bij Antwerpen nauwelijks concurrentie. In Nederland is die er wel: hier zitten literaire uitgevers op elkaars auteurs te azen. Harold was zowat de enige echte literaire uitgever in Vlaanderen waardoor hij geen strijd met andere uitgevers hoefde te voeren. Een uitgever moet willen vechten voor auteurs en heilig in hen geloven. Laat er geen misverstand over bestaan: Harold had wel degelijk dat heilige geloof, alleen is er in Vlaanderen geen speelveld waarop uitgevers auteurs wegkapen. Zonder concurrentie wordt alles vanzelfsprekend. Een schrijver wordt dan uitgegeven. Maar het gaat er niet om dat je uitgegeven wordt, de essentie is dat er in jouw talent wordt geloofd. Het ultieme doel voor een schrijver kan toch nooit zijn dat hij uitgegeven wordt? Dat moet toch zijn dat hij gelézen wordt?”

 

U bent ook schrijver. In 1991 verscheen de roman Het zwaard van de krab waarin u het verhaal vertelt van een man en een vrouw die erg van elkaar houden. Het noodlot slaat toe als de vrouw kanker krijgt en sterft. Die vrouw was uw eerste vrouw. Dat moet veel invloed gehad hebben op uw verdere leven?

“Ja. Ik ben toen uit Nederland vertrokken en in New York gaan wonen. Na de dood van mijn eerste vrouw wou ik weg. Ik had geen zin in allerlei plichtplegingen en moeizaam medelijden. Ik wilde alleen zijn. Ik heb die roman in New York geschreven; daar had ik afstand. Door wat toen gebeurd is, ga ik nu misschien anders met crisissen om dan anderen. Ze destabiliseren me niet meer.”

 

Want u hebt iets meegemaakt dat veel erger is dan de doorsnee huis-tuin- en keukencrisis?

“Juist. Ik blijf rustig nadenken over hoe ik een situatie kan verbeteren. Dat was ook zo met de Bezige Bij Antwerpen. Ik begin dan te investeren in mijn mensen en krijg ontzettend veel van hen terug. Ik probeer ervoor te zorgen dat er iets ontstaat waar mensen opnieuw in gaan geloven. Daarom ook ben ik met al die auteurs gaan praten. Als iemand zich daaraan wil onttrekken, staat hem dat vrij. Ik blijf rustig als mensen gaan roepen en schreeuwen. Maar ik kan ook afstand nemen. Dat is dan niet hard, maar rechtvaardig.”

 

Uw vader was militair?

“Ja, later werd hij burgemeester en volksvertegenwoordiger. Toen hij nog in het leger was, verhuisden we vaak, want hij werd overgeplaatst van kazerne naar kazerne. Tot mijn 18e heb ik nooit lang ergens gewoond en ook nooit echt ergens geaard. Toen ik aan de universiteit Nederlandse en later Italiaanse literatuur ging studeren, was Amsterdam de stad waar ik opnieuw geboren werd.

“Mijn vader was gestationeerd in het oosten van Nederland, in puur protestants gebied. Als katholieke kinderen moesten wij naar een school buiten het dorpscentrum. Elke dag opnieuw was het rennen en vechten om voorbij de protestantse scholen te geraken waar jongens ons stonden op te wachten om ons in elkaar te slaan. Toen ik in de derde klas van de lagere school zat, lag ik ’s avonds te huilen in bed en zei ik tegen mijn moeder dat ik niet meer naar school wou. De volgende ochtend vertrok ik dan toch weer. Samen met mijn vier broers liepen we in een wigvorm door de straten van het dorp. Ik liep voorop, want ik was de grootste. We sloegen om ons heen om ons een weg te banen.”

 

Heeft dat mee uw karakter gevormd?

“Ja, zeker in combinatie met ons gezin. Mijn moeder was beslist militaristischer dan mijn vader. (lacht) Zij zorgde voor de echte discipline in huis. Zij was lerares, streng, maar ook sociaal en daardoor erg geliefd. Elke dag moesten wij onze schoenen poetsen. Dat is toch heel militair, niet? Ik maakte zo al heel vroeg kennis met discipline en doorzettingsvermogen.

“Op mijn veertiende had ik alle jeugdboeken uit de openbare bibliotheek uit en gaf mijn moeder me De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans. Die roman blies me van mijn sokken. In de jeugdboeken die ik daarvoor las, waren de personages eendimensionaal: ofwel waren ze goed, ofwel slecht. Toen ik Hermans las, besefte ik voor het eerst dat de wereld niet eenduidig is, maar gelaagd en dat mensen niet altijd zeggen wat ze doen of doen wat ze zeggen.”

 

Via De donkere kamer van Damokles ontdekte u dat mensen vaak een verborgen agenda hanteren?

“Mensen beseffen dat zelf soms niet; ze laten zich leiden door gebeurtenissen waar ze geen vat op hebben maar die wel invloed hebben op hun gedrag. Ik heb een tijdlang als diplomaat gewerkt en dan is dat soort van kennis niet onbelangrijk.

“Na de oorlog woedde bij ons en bij jullie de discussie: wie was goed of fout? Vaak werd dan gezegd: het gaat niet om zwart of wit, maar om grijs. In het voorjaar geven we een boek uit van Ad Fransen wiens vader in de SS zat. Ad werd geboren op 20 april 1955. Zijn vader noemde hem Adolf. In Vaderskind laat Ad dat idee van ‘grijs’ los. Volgens hem sparen we de kool en de geit door de foute daden van mensen te vergoelijken met ‘grijs’. Er zijn wel degelijk mensen die meer bij zwart aanleunen, en anderen meer bij wit. De manier waarop Ad zijn familiegeschiedenis vertelt, is fenomenaal. Hij wil niemand van zijn familie kapot maken, maar hij beschrijft wel hoe er posters van Hitler en Goebbels aan de muren hingen en hoe zijn familieleden schaamteloos en overtuigd collaboreerden, vaak om er zelf rijker van te worden.”

 

Vindt u dat we ons ook nu nog te veel focussen op het grijs en dat we zwart-wit uit het oog verloren zijn?

“Ik heb al een tijd een hekel aan dat grijs. Zo kunnen we alles gladstrijken, is er geen moreel reliëf meer en is het alsof we allemaal uit dezelfde oersoep van ellende voortkomen. Alsof we geen keuzes kunnen maken. Van mensen die door een ideologie gegrepen zijn, kun je toch niet zeggen dat ze in ‘grijs’ geloven?”

 

Volgens Christopher Clark, auteur van Slaapwandelaars, zijn er heel wat gelijkenissen tussen 1914 en 2014 en is de wereld nu minstens even onzeker en onvoorspelbaar als toen. Wat voor gevoel houdt u over aan het voorbije jaar?

“Ik begrijp Clark wel. In veel landen in Europa overheerst een gevoel van onveiligheid en van grote politieke spanning. In Nederland heeft de vliegtuigramp met de MH17 in Oekraïne verschrikkelijk veel invloed gehad. Ik kijk nu al erg uit naar de nieuwe roman van A.F.Th. van der Heijden. Hij is altijd met verschillende boeken tegelijkertijd bezig. De dag na de ramp is hij aan een ander bureau gaan zitten om er een roman over te schrijven. Zijn overleden zoon Tonio zal er levend in figureren als oorlogsfotograaf.

“Of 2014 zo erg was als 1914 is op dit moment moeilijk in te schatten. We zitten te dicht met onze neus op deze tijd. Veel later zal pas blijken wat de gevolgen zullen zijn van gebeurtenissen uit het voorbije jaar. Al valt het niet te ontkennen dat er dreiging is. Ik ben voorzitter van het Prins Claus Fonds, een organisatie die vergelijkbaar is met jullie Koning Boudewijnstichting. Elk jaar reikt het Fonds een aantal internationale culturele onderscheidingen uit. Dat evenement is nog maar pas achter de rug. Er waren 200 gasten uit alle werelddelen en ik voelde grote onrust bij de meesten. Zo spraken ze zeer bezorgd over de gevolgen van de klimaatverandering.”

 

Vertaalt die dreiging zich in het huidige en toekomstige boekenaanbod?

“Door de herdenking van de start van WO I zat er het voorbije jaar al veel oorlog in het aanbod, en volgend jaar zal dat niet echt veranderen, want dan is het 75 jaar geleden dat de Tweede Wereldoorlog losbarstte. Waar ik heel trots op ben, is dat wij Kapitaal in de 21e eeuw van Thomas Piketty uitgegeven hebben. Ik heb Piketty binnengehaald bij De Bezige Bij omdat ik vind dat die man een ongelooflijk belangrijke bijdrage levert aan het huidige publieke debat. Veel mensen die nu met Piketty staan zwaaien, hebben trouwens geen woord van zijn boek gelezen. (lacht) Piketty wordt ook gekaapt door politieke partijen die denken dat hij hun programma legitimeert. Wie Piketty echt leest, zal ontdekken dat hij door geen enkele partij geclaimd kan worden. Hij is geen goeroe, maar een denker die aanbevelingen doet over hoe we met z’n allen tot overeenstemming kunnen komen in deze onzekere wereld. Hij is zeer begaan met de democratie en wil vermijden dat arm en rijk in de samenleving steeds verder uit elkaar gespeeld worden.”

 

Heeft de economische crisis het voorbije jaar de dingen op scherp gezet voor uitgevers?

“Ja. De Nederlandse boekenmarkt is in 2014 met 12 procent gedaald. In 2013 was het 7 procent, het jaar daarvoor ook. 2013 was toch een topjaar voor De Bezige Bij, op het einde van dat jaar hadden we een ongelooflijke winst. 2014 was veel lastiger, ook al sluiten we het jaar behoorlijk goed af.

“Toen ik drie jaar geleden bij De Bezige Bij begon, werd 1,4 procent van de omzet gerealiseerd met digitale projecten. Inmiddels schommelt dat rond de 8 procent. De digitalisering zet zich bijlange niet zo hard door als lang gedacht werd. Wat goed is, maar het hele proces tezelfdertijd ook veel moeilijker maakt. Er is nood aan nieuwe verdienmodellen. We zijn met een aantal grote Nederlandse uitgevers in gesprek om een streamingdienst op te zetten. Mensen die anders minder bereid zijn om veel geld voor een beperkt aantal boeken neer te tellen, willen misschien wel voor een redelijk bedrag toegang tot een heuse e-bibliotheek. Je kan als uitgever iets nieuws bedenken, maar dat zal alleen werken als ook de schrijver dat waardeert. Hij moet ervan overtuigd zijn dat ook hij er beter van wordt en dat het niet de bedoeling is om zijn inkomen te laten dalen. Technisch is een Netflix of Spotify voor boeken zo te realiseren, de technici staan te popelen om online te gaan, maar wij willen dat ook de auteurs er gelukkig mee zijn.”

 

Wordt 2015 een goed jaar?

“Ik ben ervan overtuigd dat het voor De Bezige Bij Amsterdam/Antwerpen een uitstekend jaar wordt. 2014 was lastig, maar nu is alles uitgekristalliseerd. Vroeger waren Vlaanderen en Nederland gescheiden en was alles onduidelijk. Nu is het helder: Vlaamse schrijvers kunnen eindelijk geloven dat er echt iets voor hen in Nederland gebeurt. Als het dan toch niet werkt, kan er meteen ook over gepraat worden: ligt het aan de steun vanuit Amsterdam of ligt het aan het schrijverschap? Tot nu was alles diffuus, kon iedereen de schuld geven aan iedereen en intussen gebeurde er niets. Die cirkel hebben we eindelijk doorbroken.”

 

© Jan Stevens

Advertenties

De ongekroonde koning van het Nederlandse boekenvak

In februari vierde Bezige Bij-directeur en uitgever Robbert Ammerlaan zijn 67e verjaardag. Aan zijn pensioen denkt hij nog lang niet. “Als je zolang betrokken geweest bent bij het leven en werk van schrijvers, is het een rare gedachte om daar opeens afscheid van te moeten nemen. Ooit gebeurt het en ik weet dat het dan niet zal meevallen. Maar voorlopig blijf ik nog een paar jaar deze prachtjob uitoefenen.”

Jarenlang al heeft Robbert Ammerlaan zijn vaste stek in de jaarlijkse top tien van de ‘Literaire Pikorde’ van het Nederlandse weekblad HP/De Tijd. Op regelmatige tijdstippen bezet hij er zelfs de eerste plaats. Ammerlaan is wellicht de meest invloedrijke en meest bewonderde uitgever van Nederland. Toen hij in 1999 aan het hoofd kwam te staan van de legendarische Bezige Bij, uitgever van literaire monumenten als Harry Mulisch en Hugo Claus, erfde hij een zieltogend bedrijf waar de omzet ingezakt was tot een paar miljoen euro. In vijf jaar tijd zette hij de ooit zo fiere uitgeverij terug op de sporen. Vandaag schommelt de omzet rond de 25 miljoen. Sinds 1 januari van dit jaar is Ammerlaan ook directeur van de De Bezige Bij-Antwerpen, de gloednieuwe Vlaamse poot. “Tien jaar geleden koesterde ik al min of meer serieuze plannen om een vestiging van De Bij in Antwerpen op te richten”, zegt hij. “De toenmalige leiding van moederhuis WPG Uitgevers stond daar huiverig tegenover. Ze twijfelden eraan of er wel plaats was voor een literaire uitgeverij in Vlaanderen. Ik heb daar nooit een seconde aan getwijfeld. Toen Koen Clement in 2008 onze nieuwe ceo werd, sprak ik hem daarover aan. Hij was meteen enthousiast. We hebben een strategie uitgestippeld en zijn een paar maanden geleden ook echt met de Bezige Bij Antwerpen van start gegaan. De Bezige Bij Amsterdam en de Bezige Bij Antwerpen zijn nu twee zussen: de ene verdeelt de boeken van de andere op haar eigen markt.”

Een huis vol boeken

Robbert Ammerlaan werd in 1944 geboren in Pijnacker, een klein dorp in de buurt van Delft. “Mijn ouders waren er in 1940 komen wonen, op de vlucht voor de bombardementen op Rotterdam. Ze zijn er tot hun laatste snik gebleven en wilden niet meer terug naar de grote stad. Mijn vader was boekhandelaar: hij werkte als inkoper voor de boekenafdeling van het grote warenhuis De Bijenkorf. Hij bezocht de uitgevers, besprak met hen de nieuwe boekenoogst en kocht dan boeken in voor wat toen de grootste boekhandel van Nederland was. Mijn moeder bleef thuis: zij heeft mij en mijn twee oudere zussen grootgebracht.”

Als kleine jongen al, zat Robbert Ammerlaan tussen de boeken. “We hadden een enorme goed gevulde boekenkast. Alle wanden in de huiskamer waren bekleed met boeken. Mijn vader was een gepassioneerde boekenliefhebber en een grote voorlezer. Als klein jongetje klom ik bij hem op schoot. Hij kon met een mooie gedragen stem voorlezen. Toen we iets ouder waren en zelf konden lezen, bracht hij zowel voor mijn zussen als voor mij iedere week een stapeltje nieuwe boeken mee. We waren alle drie al vroeg lezers en zijn dat gebleven.”

Na zijn middelbare studies trok Robbert Ammerlaan naar de universiteit van Rotterdam. “Ik ging economie studeren, maar dat beviel me niet echt. Ik wist nog niet zeker welk beroep ik zou kiezen, al koesterde ik wel de vage ambitie ooit zelf schrijver te worden.”

Op een mooie dag in 1966 brak hij zijn studies af en ging hij zijn diensten als redacteur aanbieden bij De Haagsche Courant. “In die tijd was dat een grote krant in Den Haag, een paar jaar geleden is ze opgegaan in het Algemeen Dagblad. Toen ik er solliciteerde, was het nog vrij gemakkelijk om bij een krant binnen te geraken. Ik kreeg een proeftijd van drie maanden, maar heel snel hadden zowel ik als de mensen bij de krant het gevoel dat het een gelukkig huwelijk zou worden. Dus werd ik aangenomen als parlementair redacteur. Ik heb alleen maar goeie herinneringen aan de parlementaire journalistiek. Drie van de vijf werkdagen liep ik in de Tweede Kamer rond en in de weekends trok ik vaak naar partijbijeenkomsten en -congressen.”

“Politiek Nederland beleefde heel spannende tijden: elf dagen nadat ik gestart was als ‘Binnenhofjournalist’ viel de regering. Ik viel als het ware met mijn neus middenin de politieke boter. De Haagsche Courant verscheen elke dag rond half vier in de namiddag; tot 1 uur ’s middags kon ik nog nieuws doorgeven. Er waren geen mobiele telefoons, soms was er een telex, maar meestal holde ik naar een telefooncel en moest dan min of meer uit het hoofd een stukje dicteren dat iemand op de redactie in het lood op een grote plaat zette. Het was de heroïsche, romantische tijd van de bescheiden communicatiemiddelen.”

Ammerlaan werkte vier jaar voor de Haagsche Courant, daarna stapte hij als politiek journalist over naar De Haagse Post. “In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, was dat weekblad in Amsterdam gevestigd. Het was toen een gerespecteerd opinieblad, tegenwoordig heet het HP/De Tijd. In die jaren schreef ik het boek Het verschijnsel Schmelzer, de biografie van Norbert Schmelzer, de belangrijkste Nederlandse politicus van eind jaren zestig. Ik kreeg toegang tot zijn archief en hij liet me zijn dagboeken lezen, waardoor het een vrij sensationeel boek werd, met nogal wat onthullingen erin.”

Het verschijnsel Schmelzer haalde de voorpagina’s en werd uitgebreid besproken op Voor de vuist weg, Nederlands meest bekeken talkshow van de begin jaren zeventig mateloos populaire presentator Willem Duys. “Twee dagen lang was ik een Bekende Nederlander”, lacht Ammerlaan. “Mijn uitgever Sijthoff was zeer blij, want er werden ruim 65.000 exemplaren van het boek verkocht. Op een bepaald moment deed hij me een voorstel: ‘Waarom word je geen drie dagen per week uitgever bij ons en schrijf je de twee andere dagen verder aan een nieuwe biografie?’ Zo ben ik via ‘natuurlijke weg’ de uitgeverij binnengerold. Ik ben toen beginnen werken aan de biografie van prins Bernhard, de vader van koningin Beatrix, met instemming en medeweten van de prins. Bijna twintig jaar lang heb ik intensieve gesprekken met hem gevoerd. Ik heb zo’n 170 interviews op band opgenomen en ik mocht vrij in zijn archief rond snuisteren. Het was de bedoeling dat ik uit al dat materiaal ofwel een geautoriseerde biografie, ofwel zijn memoires zou componeren. Dat hele project is uiteindelijk op een veto van de huidige koningin gestoten, die na het overlijden van haar vader toestemming voor dat boek moest geven. Zij vreesde dat de openhartigheid van haar vader tot schandalen zou leiden. Jammer, want prins Bernhard had het boek graag gepubliceerd gezien.”

 

Literaire thriller

De uitgeverij Sijthoff werd opgeslokt door een paar grotere uitgeverijen. Ammerlaan werd directeur van Unieboek en stapte, na een kort intermezzo als woordvoerder van de vroegere Nederlandse premier Dries van Agt, in 1985 over naar het uitgeefhuis Bosch & Keuning. Twee jaar later werd hij er gepromoveerd tot directeur-uitgever van Ambo-Anthos.

Bijna vanuit het niets bouwde Ammerlaan Ambo-Anthos om tot een uitgeverij van kwaliteitsvolle fictie en non-fictie. “Ik had het geluk dat een aantal van de auteurs die ik in de loop der jaren had leren kennen en met wie ik bevriend was geraakt, samen met mij naar Ambo-Anthos verhuisden. Zij gaven Ambo-Anthos heel snel het gezicht en het literaire gewicht dat de uitgeverij daarvoor niet had. Ik heb toen ook nieuwe auteurs leren kennen die zeer succesvol werden: Donna Tartt met haar De verborgen geschiedenis is daar een van de grote voorbeelden van.”

In die periode stond Robbert Ammerlaan ook aan de wieg van een geheel nieuw genre: de literaire thriller. “Ik kreeg via de Londense literair agent van John Irving het manuscript van The Memory Game van Nicci French toegespeeld. Met John Irving ben ik al lang goed bevriend en ik ben sinds jaar en dag zijn uitgever. Ik vond het heel bijzonder dat zijn literair agent op de Frankfurter Buchmesse met veel nadruk tegen me zei: ‘Ik heb een boek voor jou. Je zal het vast goed vinden.’ Ik las het manuscript tijdens de Buchmesse en ik dacht: ‘Zo’n thriller heb ik nog niet vaak gelezen.’ Het geluid van het schrijversechtpaar Nicci French klonk enorm verfrissend. Ik begon me af te vragen hoe ik, als literaire uitgever van topschrijvers zoals Joseph Heller en John Irving, met succes een spannend boek met een zekere literaire kwaliteit op de markt kon brengen. Langzaam is het idee gegroeid om het thrillerdebuut van Nicci French op een heel bijzondere, ‘andere’ manier te verpakken, met een terughoudend omslag in zwart-wit. Tezelfdertijd rijpte de gedachte dat we die eersteling van French als ‘eerstgeborene’ van een totaal nieuw genre moesten lanceren. Zo is het begrip ‘literaire thriller’ ontstaan. Nu wordt er door andere uitgevers van alles in gestopt wat er niet in thuishoort, maar dat gaat meestal zo.”

De allereerste literaire thriller, Het geheugenspel van Nicci French, was meteen een schot in de roos. “We verkochten er meer dan 100.000 exemplaren van. Ik heb de twee volgende thrillers van het echtpaar French nog gelanceerd, tot ik in 1999 gevraagd werd om De Bezige Bij nieuw leven in te blazen.”

Beste vrienden

Toen Ammerlaan bij de Bezige Bij als uitgeefdirecteur aantrad, lag het vroegere kroonjuweel van de Nederlandse uitgeverijen op apegapen. “De Bij had ernstige verliezen opgestapeld. Maar een instituut als De Bij is eigenlijk meer dan een uitgeverij: ze is gebouwd op stevige fundamenten, met een roemruchte geschiedenis, uitzonderlijke auteurs en een grote traditie. Als ze je zo een baan aanbieden, mag je nooit nee zeggen.”

Hoe maakte hij van een uitgeverij in grote nood in een paar jaar tijd terug een topspeler? “Door me bewust te zijn van de schatkamer die al voorhanden was. De Bezige Bij had ondanks het feit dat het een aantal jaren niet goed ging, nog altijd het mooiste en belangrijkste fonds op het gebied van Nederlandse en Vlaamse literatuur met auteurs als Hugo Claus, Harry Mulisch, Gerard Reve, Jan Wolkers, Remco Campert en Willem Frederik Hermans. In de schatkamer zat nog een overvloed aan materiaal dat dringend afgestoft en met enige glans opnieuw uitgebracht kon worden. Ik ben van start gegaan met het heruitgeven van een aantal grote klassiekers, in fraaie uitvoeringen en voor scherpe prijzen. Een van die eerste heruitgaven was Het verdriet van België, waar we een gebonden editie van gemaakt hebben. Die was er vijftien jaar niet geweest. We hebben het boek voor de spotprijs van 25 gulden (12 euro) in een enorme oplage op de markt gebracht. In essentie komt het er op neer dat een uitgever zich voortdurend bewust moet zijn van de mogelijkheden die het bestaande fonds nog biedt.”

Want bestaande boeken heruitgeven, brengt het meeste geld op? “Als het lukt wel. Daarenboven hebben die mooi uitgegeven klassiekers ook een aanzuigend effect, omdat het succes ervan nieuwe auteurs nieuwsgierig maakt. Ze zien dat de uitgeverij terug succesvol en actief is, en willen daar graag deel van uitmaken. Zo stapten belangrijke auteurs als Erwin Mortier, Charlotte Mutsaers en Oscar van den Boogaard over naar De Bij. Ik heb natuurlijk ook het grote voordeel gehad dat 18 grote auteurs zoals John Irving, Donna Tartt en Karen Armstrong samen met mij van Ambo-Anthos naar de Bezige Bij mee verhuisd zijn. Dat is me toen niet in dank afgenomen. Maar die schrijvers waren vrienden van me en wilden zelf mee overstappen. De kritiek daarop is nu verstomd. Tegenwoordig begrijpen collega’s veel beter dat de goede band tussen auteur en uitgever veel belangrijker is dan die tussen auteur en uitgeverij. Wie met het geestesproduct van een ander aan de slag gaat, ontfermt zich toch over heel intieme dingen. Het kan niet anders dat er na verloop van tijd een hechte band ontstaat tussen een schrijver en zijn uitgever, zeker als je als uitgever het werk van de auteur oprecht bewondert. Karen Armstrong schreef in haar afscheidsbrief aan Ambo-Anthos: ‘Ik hoop dat jullie, ondanks de teleurstelling, er begrip voor hebben, maar een auteur schrijft zijn boeken soms voor iemand. Ik schrijf voor twee ‘iemanden’: mijn Amerikaanse uitgever en mijn Nederlandse uitgever. Zij zijn vrienden van me en zitten in mijn hoofd telkens wanneer ik aan het schrijven ben.’”

Naar wie kijkt Robbert Ammerlaan op?

Philip Roth: “Ieder mens met gezond verstand weet dat Roth de Nobelprijs literatuur al lang had moeten krijgen. Ik vind het fascinerend om te zien hoe hij bijna ieder jaar een boek produceert dat zo aangrijpend en fundamenteel is. Je vraagt je af of zijn reservoir nooit uitgeput raakt. Iedere keer weer treft hij me met zijn ongelooflijke kracht. Het lijkt wel alsof hij nog twintig boeken in zijn hoofd heeft, die er allemaal nog uit moeten.”

Johann Sebastian Bach: “Ik ben het min of meer eens met Harry Mulisch die vond dat van alle kunstvormen de muziek de meest superieure is. En dan is het universum van Bach toch werkelijk de hemel.”

© Jan Stevens