Tribù

In 1987 nam de Limburgse ondernemer Lode De Cock de tuinmeubelzaak over van zijn vader. In dertien jaar tijd transformeerde hij het importbedrijf van saai, plastic tuinmeubilair tot Tribù, wereldwijde trendsetter in kwaliteitsvol designbuitenmeubilair. “Ik was een van de eersten die doorhad dat tuinmeubelen ook mooi mogen zijn.”

Al van jongs af aan droomde Lode De Cock ervan om zelfstandig ondernemer te worden. “Ik kom uit een familie van zelfstandigen. Misschien zit het wel in ons bloed.” Vader Henri De Cock runde samen met een vennoot een groothandelsbedrijf in verf. “Maar daarnaast wou hij een zaak die helemaal van hem alleen was; een bedrijf waarmee hij zijn eigen ding kon doen.”

In 1966 richtte Henri in Lanaken ‘De Cock NV’ op. “Hij begon met de import van tuinmeubelen. Oorspronkelijk waren dat gelakte beukenhouten meubelen, later plastic. Waarom tuinmeubelen? Geen flauw idee. Ik vermoed dat hij in de jaren zestig al aanvoelde dat er veel potentieel in zat.”

In 1987 stierf Henri De Cock. Zoon Lode nam de zaak over. “Al stond dat niet in de sterren geschreven. Ik ben burgerlijk ingenieur bouwkunde en heb een tijd als architect in Spa gewerkt. Ik woonde in Voeren; Spa ligt daar niet zover van af. Toen mijn vader totaal onverwacht overleed, wou ik zijn bedrijfje wel verder zetten. Alleen nam ik me voor om het anders te gaan aanpakken. ‘De Cock NV’ was een import- en agentuurbedrijf. We importeerden, stockeerden en verkochten tuinmeubelen en vertegenwoordigden daarnaast ook nog buitenlandse bedrijven in de Benelux. Van in het begin hoopte ik ooit zelf meubels te kunnen gaan produceren. Want ik vond dat er verschrikkelijk lelijke tuinmeubels gemaakt werden. Fabrikanten van binnenmeubelen werkten met ontwerpers, maar de bazen in de tuinmeubelensector vonden van zichzelf dat ze grote esthetische lichten waren. Ik wou met een echte ontwerper in zee gaan. In plaats van een tuinmeubel als een meubel voor in de tuin te zien, zag ik het als een buitenmeubel met de tuin als het verlengde van de woning.”

Lode De Cock leerde begin jaren negentig industrieel ontwerper Wim Segers kennen. “Het klikte meteen tussen ons. Hij vulde me perfect aan. Toen ik met hem in zee ging, zaten we middenin de hype van de teakmeubelen. Wim deed net hetzelfde als een ontwerper van een binnenmeubel: hij maakte onze buitenmeubelen zo mooi mogelijk. En dat was meteen ook revolutionair. Mijn inbreng was dan weer van technische aard: hoe dun kun je gaan in teak? Wat is het minimale gewicht, wat zijn de minimale volumes? Hoe moet je het hout zagen om barsten te vermijden? Nu werken we met verschillende ontwerpers, maar we beschouwen Wim nog altijd als onze art director. Vanuit Zutendaal voeren we twee merken: de échte Tribù, buitenmeubelen die helemaal Belgisch zijn en ook in België gefabriceerd worden, met daarnaast Versus, meubelen die in Indonesië geproduceerd worden. Voor Tribù werken we met bekende ontwerpers, zoals de kunstzinnige Italiaan Piergiorgio Cazzaniga, en de Belgen Vincent Van Duysen en Fabiaan Van Severen. Voor Versus gaan we met jongere, minder bekende ontwerpers in zee. Bram Bollen, een jongen uit de streek, heeft indertijd hier zijn stage gelopen toen hij in Genk op school zat. Ondertussen heeft hij al een paar collecties voor ons ontworpen.”

Zit ontwerpen in de genen van de Belgen? “Nee. Natuurlijk zijn er goeie Belgische ontwerpers, maar er is toch een groot verschil met wat er in Italië leeft. Wij hebben een aantal heel goeie architecten en heel goeie ontwerpers, maar ze werken allemaal los van elkaar. In Noord-Italië vormen de ontwerpers een hecht netwerk. Als ik ’s middags in Milaan met Piergiorgio Cazzaniga ging eten, kwamen we veel andere ontwerpers tegen – ze bezochten allemaal hetzelfde restaurant en begroetten elkaar. Zij zitten toch op een hoger niveau dan de Belgische designers. Onze ontwerpers zijn individualisten die af en toe hoge ogen gooien. Maar de Italianen slagen erin om vrijwel continu in de hoogste liga te spelen.”

Kop-staart

Lode De Cock heeft zijn bedrijf Tribù georganiseerd naar het model van de Italiaanse meubelfabrikanten. “Tribù is een ‘kop-staartbedrijf’, zegt hij. “We maken een ontwerp, de kop, en dat commercialiseren we, de staart. Voor de productie gaan we op zoek naar de beste toeleverancier. Die mag klein zijn. We betalen hem daarvoor een redelijke prijs, want hij moet er ook aan verdienen. We blijven met hem werken gedurende de hele tijd dat het product op de markt is. Zo zijn we er zeker van dat de kwaliteit bewaard blijft. Onze partners beschikken over een heel machinepark. We investeren zelf in speciale machines die alleen voor onze meubelen gebruikt kunnen worden. Zo vangen we twee vliegen in een klap: we bereiken veel met een relatief lage investering en kunnen een veel grotere vrijheid aan onze ontwerpers geven. Dat is heel belangrijk als je vernieuwend wil zijn. We hebben minder geld nodig dan een bedrijf dat alles zelf doet. Rond 1999 zijn we roestvrij stalen tuinmeubelen beginnen maken. Dat was nooit vertoond. Die meubels worden nog steeds geproduceerd in een beschutte werkplaats in Kinrooi.”

“Milaan heeft een uitgestrekt gebied van ambachtelijke bedrijfjes. Wij hebben niet echt die traditie en dat vormt soms een probleem. We zijn verplicht om sommige dingen in Italië te laten maken. Gelukkig is er in Limburg een heel netwerk van bedrijfjes die voor de auto-industrie werken. Ze hebben een uitstekende technische kennis. Als de auto-industrie op volle toeren draait, werken ze het liefst alleen daarvoor. Maar als het minder goed gaat, werken ze graag voor ondernemingen zoals Tribù. Ik hoop dat dat netwerk zal blijven bestaan. Alleen ziet het er de laatste tijd niet rooskleurig uit. Ik maak me daar eerlijk gezegd een beetje zorgen over.”

“Ik ben met Tribù van start gegaan in een periode van enorme hoogconjunctuur. Daarenboven heb ik in de jaren negentig ook nog eens kunnen meeprofiteren van die gigantische ‘teakgolf’. Onze inkomsten waren zodanig dat de banken veel vertrouwen in ons hadden. Nu is niet alleen de teakgolf verdwenen, maar is ook de hoogconjunctuur weg. De luxesector lijdt serieus onder de huidige crisis. Vorig jaar is onze omzet met ongeveer 10% gedaald. We hebben nog geluk gehad dat het zuidelijke halfrond uitzonderlijk goed gedraaid heeft, anders was de omzetdaling meer dan tien procent geweest. We zaten in een stijgende markt en plots stuikte die ineen. Het budget van 2009 was gemaakt in augustus 2008; we gingen toen nog uit van groei. Maar uiteindelijk hebben we vorig jaar enkele mensen moeten ontslaan. Dat was niet gemakkelijk. Elk jaar groeiden we, en dat tien jaar lang. Niet alleen qua omzet, maar ook qua personeel. Economische werkloosheid kenden we niet. Dat kwam gewoon niet in mijn hoofd op. In 2009 ging het dan plots minder goed. Je kunt niet anders dan de waarheid onder ogen zien. We zitten in een economische crisis en niemand weet hoelang die zal duren. Maar ik ben er zeker van dat we er terug in zullen slagen om op het oude niveau te geraken. Want ik heb nog steeds een sterk team rond me en ook de middelen om te vernieuwen. Ondanks de crisis slaap ik goed. Het heeft geen zin om er van wakker te liggen. Je moet er gewoon voor zorgen dat je nieuwe producten maakt die beantwoorden aan deze moeilijke periode. Wij zitten in het absolute topsegment: we hebben een paar stoelen die 900 euro het stuk kosten. In Amerika werd er vroeger veel met geleend geld gekocht. Dat is nu weggevallen. In Europa is het minder erg dan in Amerika. Je hebt hier nog altijd de superrijken, maar de groep van de would-be rijken zal misschien in plaats van het beste van het beste, iets kopen dat minder prijzig is en kwalitatief ook goed. Dus proberen we daar nu op in te spelen en maken we producten met hetzelfde oog voor detail, maar uit een minder duurdere grondstof. Aluminium in plaats van roestvrij staal bijvoorbeeld. Maar de details blijven belangrijk. Dat is plezierig, hoor, dat oog voor details. Ik vind het leuk om, samen met een ontwerper, iets wat mooi is nog mooier te maken. Tribù blijft Tribù, alleen komen er slimmere, subtielere producten die in het juiste budget zitten. Daar bestaat nog wel een publiek voor. De concurrentie is misschien groter, want iedereen zit in dat segment. Alleen hebben wij een groot voordeel: ons oog voor detail. En onze samenwerking met uitstekende ontwerpers.”

Brol

Tijdens de boom van de teak werd de tuinmeubelenmarkt overvoerd met minderwaardige teakhouten meubels. Van in het begin mikte Lode De Cock op kwaliteit. Hij distantieerde zich daarmee van een flink deel van de tuinmeubelensector. “Het produceren van brol is in onze sector iets van alle tijden”, zegt hij. “De instapkost om tuinmeubilair te gaan produceren, is heel klein. De kopers zijn zich er dikwijls ook niet bewust van dat ze rommel kopen. Ze zien het verschil niet tussen brol en kwaliteit. Teakhout van een stam van een oude boom, kost natuurlijk veel meer dan hout uit een wegwerptak. De fabricatie kan op een goed georganiseerde manier gebeuren, maar ook in een sweatshop. Onze Versusmeubelen worden uitsluitend in Indonesië geproduceerd. Indonesië is een van de weinige landen met teakplantages. Het enige alternatief is Birma of de streek van China die aan Birma grenst. Maar omwille van de mensenrechtenschendingen in die landen willen wij daar niet werken. In Birma worden de bomen gekapt in het woud. Dat is ecologisch totaal onverantwoord. Daar komt bij dat je er enorm veel kinderarbeid hebt. Ik vind dat een bedrijf daarover bekommerd moet zijn. Tuinmeubelfabrikanten die hun hout uit Indonesische plantages halen, schrijven dat heel discreet in hun catalogus. Degenen die in alle talen zwijgen, zitten meestal in Birma. Het is moeilijk om in een winkel kwaliteitsteak van brol te onderscheiden, maar meestal geldt: hoe rustiger de tekening in het hout, hoe beter. Als er veel knopen inzitten, zijn de meubels gemaakt uit takkenhout. We hebben in 1997 een eigen dochterbedrijfje in Indonesië opgericht. We werken er ook al jaren met dezelfde industriële partner. Hij moet aan een aantal voorwaarden voldoen zoals: geen kinderarbeid, een behoorlijke verloning, middageten voor het personeel en geventileerde ateliers. We hebben die normen zwart op wit op papier gezet. Ik heb het met Tribù totaal anders gedaan dan mijn concurrenten. En daar ben ik fier op. Iedereen laat alles in het buitenland maken. Wij slagen erin om de helft van onze meubels in België te laten maken en kunnen die dan nog succesvol wereldwijd verkopen ook. Dankzij ons uniek design hebben we zo goed als in elk land ooit wel eens iets geleverd. Dat vind ik heel fijn. Dat zullen we niet kunnen blijven doen als er hier in Limburg geen industrieel netwerk meer zou zijn. Dan zullen we wel verplicht zijn om alles elders te gaan produceren.”

Hoe belangrijk is het dat de meubels van Tribù wereldwijd verkocht worden? “Het internationale wint elk jaar aan belang. 22% van onze omzet halen we buiten de Europese Gemeenschap. Die export blijft sterk stijgen. Al was dat niet onze eerste bedoeling. In het begin was ik blij dat ik met hart en ziel tuinmeubelen kon maken. Toen dat ook nog een succes binnen de Benelux bleek te zijn, kon ik mijn geluk niet op. Op de eerste beurs waar ik aan deelnam, maakte ik kennis met een Fransman, een Duitser en een Israëli. Naderhand bleven ze maar bellen. Ik vond dat wel leuk en dacht: ‘Verdomme, misschien moet ik ook eens naar Parijs.’ Ze begonnen dan ook nog te bestellen, en zo ging de bal aan het rollen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik daardoor wel ambitieus werd. De eerste keer dat ik meubels verkocht in Singapore, liep ik op wolkjes. Vorig jaar moest een hotel in Thailand per se onze roestvrij stalen stoelen hebben. Ze betaalden zelfs een vlucht om ze over te vliegen. Dat geeft toch een heel aparte kick.”

© Jan Stevens

Advertenties

Alessi

In 1970 kwam Alberto Alessi aan het hoofd van het Italiaanse designbedrijf Alessi. “Het was toen een grijze en saaie onderneming.” Het zou nog 15 jaar duren vooraleer hij Alessi eindelijk kon laten swingen. “Mijn vader hield niet van geëxperimenteer. Maar ik ben een heel geduldig man. Dat is meteen ook mijn grootste handicap.”

De prille twintiger Alberto Alessi (62) liep niet over van enthousiasme toen hij in 1970 aan de top kwam van het familiebedrijf Alessi. “Ik had rechten gestudeerd en was niet geïnteresseerd in de metalen huis-, tuin- en keukenvoorwerpen die in het bedrijf geproduceerd werden. Ik was vooral bezig met kunst, architectuur, psychologie en filosofie. Alessi was een heel traditioneel Italiaans familiebedrijf. In de jaren zestig en zeventig was het vanzelfsprekend dat je als oudste zoon het bedrijf van je ouders voortzette. Je had geen andere keuze. Dochters kwamen daar niet voor in aanmerking. Nu is dat gelukkig niet langer zo. Misschien neemt mijn jongste dochter Emma later wel de zaak over. Maar als ze daar geen zin in heeft, zal ik er niet van wakker liggen. Ik wist al van heel jong dat het mijn lot was om de fabriek over te nemen. Dat drukte echt op mijn gemoed.”

Het metaalverwerkende bedrijf Alessi werd in 1921 gesticht door grootvader Giovanni Alessi in Crusinallo, een klein stadje in Noord-Italië vlakbij het Ortameer. In de jaren vijftig nam Alberto’s vader Carlo het roer over. Hij trok vormgevers aan en introduceerde design. “Toch vond ik Alessi een grijs en saai bedrijf toen ik aan het hoofd kwam”, zegt Alberto Alessi. “We produceerden alleen die metalen voorwerpen. Daar werd ik niet direct wild van. Ik wou veel meer fun binnenbrengen in de hele onderneming. Als jonge ceo zocht ik al toenadering tot meer provocerende designers. De schilder Salvador Dalí was een van de eersten waarmee ik in zee ging, maar zijn ontwerpen waren geen groot succes. Mijn vader vond het flauwekul en gebood me om ermee te stoppen.”

Alberto Alessi gehoorzaamde en hield zich vijftien jaar lang gedeisd. “In 1970 wist ik perfect wat me te doen stond om de grijsheid van Alessi te doorbreken. Design was hot in Milaan. Er was zoveel te doen, er hing zoveel creativiteit in de lucht. Ik popelde om de deuren van Alessi wijd open te zetten, maar vader wou me de sleutel niet geven. Ik heb 15 jaar gewacht vooraleer ik vrij beslissingen kon nemen.”

Heeft hij daar spijt van? “Nee. Ik ben heel fier dat ik het die eerste 15 jaar geduldig heb volgehouden. Mijn grenzeloze geduld is meteen mijn voornaamste handicap. Soms grijp ik naast interessante projecten omdat ik te lang wacht. Toen ik jonger was, begreep ik helemaal niet wat er mis was met geduld hebben. Nu weet ik dat het soms verstandiger is niet te lang te treuzelen en snel toe te happen.”

Wat heeft Alberto Alessi dan gemist door een geduldig man te zijn? “Dat is te privé. Laat het ons erop houden dat ik door geduld uit te oefenen veel afgezien heb. Vijftien jaar afwachten was geen lachertje. Misschien had Alessi als bedrijf nu nog verder gestaan als ik toen meer mijn plaats had opgeëist en mijn visie had proberen doordrukken. Ik ben helemaal geen harde ceo. Ik ben heel zacht. Misschien wel té. Soms wou ik dat ik op een harde, sterke manier kon reageren. Want zo zou ik mezelf kunnen ontladen en raak ik een aantal opgekropte frustraties kwijt.”

‘No canta’

Halverwege de jaren tachtig kreeg Alberto Alessi de teugels eindelijk stevig in handen. Hij introduceerde snel nieuwe materialen zoals plastic, hout en porselein. En hij zocht toenadering tot gerenommeerde ontwerpers als Giacon, Sapper, Graves, Rossi en Stark. “Onze producten zijn écht. Ze zijn als een gedicht, als een goeie film, als een mooie song. Ze zijn de beste expressie van creativiteit, en hebben niets te maken met slechte industriële massaproductie. Wij ontwerpen producten die zingen. Alessi is nog steeds een industrieel bedrijf, maar er zit een cultureel project achter. Dat is uniek. Fabrieken worden verondersteld om alleen maar voorwerpen te produceren en daarmee zaken te doen. Dat is bij ons niet het geval. Onze producten geven een culturele meerwaarde aan de consumptiemaatschappij. Natuurlijk produceren en verkopen we, maar we zorgen tegelijkertijd voor een klein beetje meer transcendentie. Onze producten stijgen uit boven al die andere, banale troep. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat schoonheid de wereld kan redden. Het klinkt heel naïef, maar het is mijn geloof. Een goed gedesigned product geeft de echte geest weer van de tijd waarin het is gecreëerd. De zetels waarin we nu zitten, zijn niet echt toonbeelden van goed design. Ze zingen niet. No canta. Maar ik word niet triest als ik iets zie dat slecht gedesigned is. Het zou erg zijn als ik bij elke aanblik van een lelijk ding depressief zou worden. Ik moet nog kunnen overleven.”

Is tijdloosheid dan geen kenmerk van goed design? Alessi: “Niet noodzakelijk. Goed design heeft veel te maken met de periode waarin het gecreëerd is. Al kan ik niet precies omschrijven waarom. Neem de jaren vijftig: uit die tijd dateren veel dingen die we nog steeds als tijdloos ervaren. Waarom? Geen idee. In de zeventiger jaren zijn er ontzettend weinig producten ontworpen die de toets ‘tijdloosheid’ doorstaan. En toch wordt er nu door designers soms naar teruggegrepen. Goed design uit de fifties straalt het geloof en de hoop van die periode uit. In de seventies was de tijdsgeest totaal anders – en dat merk je aan de producten. Toch werden er toen ook fijne dingen ontworpen. Het design van een bepaalde tijd weerspiegelt altijd hoe het klimaat toen was.”

Wat zegt het hedendaagse design over de tijd waarin wij leven? “Het voorbije decennium is heel moeilijk om te definiëren. Waarschijnlijk omdat het huidige design zoveel verschillende stijlen met elkaar vermengt en een beetje gekunsteld is. De hele designscene is in de war en is zo een weerspiegeling van de verwarrende tijd waarin we leven. Wat niet wil zeggen dat er geen goeie ontwerpen meer gemaakt worden.”

Milaan

Italië geldt al jaren als het mekka van de goede smaak. “De stad Milaan heeft daarin een stuwende rol gespeeld”, zegt Alessi. “Italiaanse designbedrijven concentreren zich vooral op meubels, verlichting en accessoires. Tezelfdertijd zijn ze allemaal een soort van researchlaboratorium. Wie vandaag op zoek is naar het neusje van de designzalm hoeft alleen maar de catalogi van de Italiaanse designfabrikanten te openen. Wij hebben die vaardigheden ontwikkeld omdat we geleerd hebben creativiteit in productontwikkeling te verzoenen met de markt. Toen Italiaanse design in de jaren vijftig startte, was er bij toeval een sterke generatie van architecten en designers actief. Dat was echt uniek en heeft zich daarna nooit meer herhaald. Giò Ponti, de geboeders Castiglioni, Vico Magistretti, Marco Zanuso en veel anderen waren erg sterk en zeer invloedrijk. Alle designfabrikanten zaten rond Milaan. Kleine, ambachtelijke fabriekjes die elk hun eigen specialisatie hadden. Onze werknemers waren goeie ambachtslui, maar het gebeurde allemaal op kleine schaal. Die kleinschaligheid koesteren we nog steeds, en laat toe dat er veel geëxperimenteerd wordt. Als er dan iets misgaat, weegt dat niet zwaar door. Stap voor stap ontstond er in Milaan een centrum van elkaar ‘bevruchtende’ fabriekjes en designers. Tijdschriften zoals Domus, Abitare, Casa Vogue speelden daarin een cruciale rol. Net als de befaamde, grote Milanese beurzen. Al die dingen samen vormen een verklaring voor het succes van de Italiaanse design. Ik zou er ook nog kunnen aan toevoegen dat de queeste naar schoonheid waarschijnlijk gewoon al sinds de renaissance in onze genen zit. Maar misschien klinkt dat iets te romantisch.”

Wijn

Vandaag werken er 500 mensen bij Alessi. In 2008 draaide het bedrijf een omzet van 100 miljoen euro en exporteerde het 60% van zijn producten naar meer dan zestig landen. Alberto Alessi: “In onze branche zijn we een groot bedrijf. We werken daarnaast ook nog eens samen met 200 onafhankelijke designers. Mijn voornaamste taak is om dat allemaal te coördineren en dat hele netwerk up to date te houden. Elk jaar brengen we tussen de 60 en 80 nieuwe producten op de markt. Ik begeleid heel dat proces, en ga telkens weer op zoek naar de meest geschikte designer. Elk jaar opnieuw beginnen we ook met minstens tien nieuwe designers te werken. Mijn oude ‘meesters’ suggereren me veel beloftevolle ontwerpers. Mensen zoals Andrea Branzi en Cecilia Cassina nemen me dan apart en zeggen: ‘Alberto, er is een jonge Fransman die je zou moeten ontmoeten.’ Zo heb ik Philippe Stark in de tachtiger jaren leren kennen. Journalisten die gespecialiseerd zijn in design en architectuur tippen me soms jonge beloftes. Daarnaast werken we samen met universiteiten. We organiseren een stuk of vijf workshops per jaar om pas afgestudeerd designtalent te ontdekken. En dan zijn er nog de spontane sollicitaties. We ontvangen er zo’n 300 per jaar. Ik neem die allemaal heel serieus. Maar de kwaliteit is niet goed. Heel kieskeurig pik ik er de parels uit. Ik doe dit soort van werk ontzettend graag. Van al de rest hou ik niet, en dat interesseert me ook niet. Doordat ik aan het hoofd van een familiebedrijf sta, kan ik het me veroorloven om als ceo op middellange termijn beoordeeld te worden. Als Alessi op de beurs genoteerd zou staan, zou ik verplicht zijn om elk kwartaal mijn resultaten openbaar te maken. Zo zit ik niet ineen. Het enige waar ik spijt van heb, is dat ik iets te weinig tijd overhoud voor mijn wijngaard. Sinds een paar jaar is wijn maken een van mijn grootste passies. Ik heb mijn eigen wijngaard aan het Ortameer. Die passie komt voort uit mijn liefde voor het degusteren van wijn. Ik heb mijn domein opgestart in 2001. Ik zocht naar een plaats om mijn nieuwe huis neer te poten. Ik vond een fantastische oude boerderij met een spectaculair zicht op het meer. De boerderij was een ruïne. Het terrein beslaat 60.000 m². Ik kocht het hele domein en vroeg me toen af: ‘Wat moet ik met al dat land aanvangen?’ Heel lang geleden had ik al eens vage plannen om wijnboer te worden. Nu had ik alle mogelijkheden om mijn droom waar te maken. Ik heb contact gezocht met enkele oenologen die zweren bij biodynamische wijnbouw. Zij verwerpen het gebruik van chemische stoffen op het land en hechten veel waarde aan een gezonde bodem als basis voor gezonde wijnranken. Biodynamische wijnbouw maakt gebruik van plantaardige, minerale en dierlijke stoffen die de groei stimuleren en de aarde doordrenken met positieve krachten. Ze houdt ook rekening met de stand van de zon en de maan. We hebben de eerste jaren veel geïnvesteerd in het prepareren van de grond. In 2005 en 2006 hebben we de wijnranken geplant. In 2008 hebben we voor het eerst een klein beetje geoogst. 2010 wordt het jaar van de eerste, echte grote oogst. De officiële presentatie van de wijn is voor 2012. Onze wijn heeft nog geen naam. Ik denk niet dat het Château Alessi zal worden, nee. Ik wil mensen op geen enkele manier beïnvloeden door mijn naam op de flessen te zetten.”

Hoe belangrijk is duurzaam ondernemen voor Alberto Alessi? “Heel belangrijk, maar zonder te overdrijven. Mensen zijn bezorgd om het milieu en marketeers hebben dat goed begrepen. Onze producten zijn geen wegwerpproducten. Ze zijn zo goed gemaakt, dat ze bijna eeuwig meegaan. Eens je een fluitketel van Alessi gekocht hebt, moet je nooit nog een andere kopen. Doordat we zo’n fijn ontworpen producten hebben, raken mensen er zeer aan gehecht. Ze kunnen het niet over hun hart krijgen om een oude citruspers van Alessi ooit te vervangen door een nieuwe. Een van onze grootste problemen is misschien wel dat onze producten nooit dood gaan. Onze degelijkheid zorgt voor een limiet op onze groei.”

©Jan Stevens