‘Die laatste zeven maanden voerde ik diepe gesprekken met papa. Dat is een luxe die veel mensen jammer genoeg niet hebben’

Weduwe Lieve Seuntjens en zoon Ben Van Duppen blikken terug op hun leven met Dirk Van Duppen. “Het motto hier in huis was: Erst das Fressen und dann die Moral.”

 

Op maandag 30 maart overleed Dirk Van Duppen omringd door zijn geliefden. Zelfs de grootste politieke tegenstander had woorden van lof voor de marxistische dokter die geneesmiddelen goedkoper wou maken met het kiwimodel, een kruis hielp zetten over de Lange Wapperbrug, zijn partij PVDA de weg naar succes wees en lang voor Rutger Bregman tot de conclusie kwam dat alle mensen deugen. “Ik liet nog eens alle kaartjes voor Dirk door mijn handen gaan”, zegt zijn vrouw Lieve Seuntjens (59), eveneens PVDA-dokter. “Mensen uit alle geledingen van de samenleving, van patiënten tot syndicalisten, stuurden een steunbetuiging. Die kaartjes staan symbool voor waar Dirk voor stond: mensen verbinden.”

We zitten in de tuin van de bescheiden rijwoning van doktersfamilie Van Duppen in Deurne. De zon schijnt uitbundig. “Op het einde zei papa dat hij het heel tof vond dat ik ook in de politiek gestapt ben”, zegt zoon Ben Van Duppen (30), onderzoeker in de kwantumfysica aan de Universiteit Antwerpen (UA) en PVDA-districtsschepen in Borgerhout. “Papa vond wetenschappelijk onderzoek ontzettend belangrijk. Toen ik eind vorig jaar de Prijs Robert Oppenheimer van de Onderzoeksraad van de UA won, was hij ontzettend trots.”

 

Hoe gaat het nu met jullie?

Ben Van Duppen: “We mochten de voorbije zeven maanden ontzettend veel verbondenheid ervaren, zowel hier, als in de buitenwereld. Dat heeft ons erg geholpen, ook al was het een vreemde periode. Die verbondenheid is een groot geschenk van papa aan ons om dat verdriet te helpen verwerken. Ik kan daar nu altijd op terugvallen. Wat niet wil zeggen dat er geen verdriet meer is, integendeel.”

 

Toen ik eind januari Dirk kwam interviewen, vroeg ik me voor ik hier binnenstapte af: waarom investeert hij zoveel kostbare tijd in lange gesprekken met wildvreemde journalisten? Toen ik weer buiten stapte, wist ik waarom.

Lieve Seuntjens: “Je moest Dirk aan het woord horen om dat te begrijpen. Veel mensen maken op het einde van hun leven een balans op; Dirks afscheidsinterviews pasten daarin. Toen hij in De afspraak op Canvas te gast was, werden er beelden getoond uit de tijd dat wij in de Palestijnse kampen in Beiroet aan het werk waren. Ik was daar zeer dankbaar voor.”

 

U leerde hem kennen in uw studententijd aan de UA.

Lieve: “Ik was negentien en had op een humaniora gezeten waar de geest van mei ’68 rondwaarde en waar ‘rode nonnen’ de plak zwaaiden. Ze hadden veel aandacht voor solidariteit met de derde wereld.

“De Antwerpse universiteit was toen vrij internationaal, met nogal wat Duitse en Nederlandse medestudenten. Dat sprak mij aan. In het tweede jaar geneeskunde zat ik in een groep van 15 studenten die politiek actief waren. Daar behoorden ook de gebroeders Jan en Dirk Van Duppen toe die allebei een uitgesproken mening hadden. Zij vielen fel op. Dirk was vier jaar ouder dan mij en had al op een fabriek gewerkt. Ze waren lid van de PVDA.”

 

Probeerden ze zieltjes te winnen voor de partij?

Lieve: “Ik heb dat nooit zo aangevoeld. Ze zwengelden discussies aan en nodigden ons uit om over veel thema’s na te denken. Het draaide niet enkel om politiek, maar ging vaak ook over praktische zaken, zoals: hoe pak je best je studies aan? In het derde jaar reden we met een bus vol studenten naar Limburg; de sluiting van de mijnen was in volle gang. Dat was toch iets anders dan de cantussen die Ben in zijn studententijd organiseerde. (lacht) De studentenfilosofie ‘Eins, zwei, zaufen!’, vonden wij maar niets.”

 

Ben Van Duppen deed daar als student wel aan mee?

Lieve: “Als wij ’s morgens naar het werk vertrokken, kwam Ben thuis. We vonden dat best grappig.”

Ben: “In 2010 was ik praeses van studentenclub WINAK, de wiskunde-, informatica- en natuurkundekring van de UA. Ik organiseerde onder andere cantussen en nam daar ook aan deel. Mama en papa dachten: ‘Waar houdt Ben zich nu mee bezig?’ We probeerden vooral de studenten van de campus te bereiken. Akkoord, er werd gedronken, maar dat was niet ons ultieme doel. Ja, wij organiseerden fantastische feestjes, maar we lieten ook de studenten die geen fuifnummers waren niet in de steek. We wilden eerst en vooral mensen bij elkaar brengen, liefst op de campus.

“Tijdens de praesesverkiezingen worden alle kandidaten schriftelijk ondervraagd. Een van de vragen tijdens mijn verkiezing was: ‘Naar wie kijk je op?’ Ik schreef: ‘Mijn vader. Want hij blijft altijd vechten voor verandering in de samenleving. Soms lijkt zijn strijd onmogelijk. Maar altijd gaat hij ervoor en zo verzet hij bakens.’ Dat kwam recht uit het hart. Achteraf pestten mijn studiemakkers me daar mee: ‘Papa, papa, papa…’ Het is en blijft een studentenclub, hé. (lacht)”

 

In oktober 1985 vertrok het pas afgestudeerde dokterspaar Lieve Seuntjens en Dirk Van Duppen naar Beiroet. Wie trok toen het hardst aan de kar om het veilige België in te ruilen voor het door burgeroorlog verscheurde Libanon?

Lieve: “Dat zal ik wel geweest zijn. We praatten toen veel over wat we met ons leven wilden aanvangen: worden we dokter in België of in het buitenland? Ik wou weg. Wij waren niet de enige studenten geneeskunde die daarover discussieerden. In een van de laatste jaren richtten we met gelijkgezinden een ‘werkgroep derde wereld’ op. In die tijd kon je als pas afgestudeerde dokter nog vrij makkelijk in een project in het zuiden stappen. Goeie vrienden van ons trokken naar Nicaragua en El Salvador.

“In de nasleep van de slachtingen in de Palestijnse vluchtelingenkampen van Sabra en Shatila in Beiroet in 1982 was de Palestijnse Rode Halve Maan op zoek naar hulpverleners die ook wilden getuigen. Onder de hoede van de Noorse NGO Norwegian Aid Committee (NORWAC) kwamen wij als enige twee Belgen in de kampen in Beiroet terecht. Er woedde een burgeroorlog en wij belandden er in een wespennest van fracties. Gelukkig werden we heel goed door NORWAC begeleid. Die organisatie zette projecten op voor zowel Libanezen als Palestijnen, en gold daarom als neutraal. Wij hielpen zowel in de Libanese dorpen in Zuid-Beiroet, als in de Palestijnse kampen.”

 

Hoe ingrijpend was dat jaar in Beiroet?

Lieve: “Ik was 26, een beetje jonger dan Ben nu, en had nooit oorlog meegemaakt. We voerden in Libanon zeer veel discussies met collega’s. Wij zagen onszelf als ambassadeurs van de Palestijnse zaak. Niet al onze internationale collega’s hadden zoals Dirk Van Duppen een duidelijke politieke visie op medisch solidariteitswerk. Sommigen hadden louter humanitaire drijfveren. Maar dat zorgde niet voor wrevel, want over de meeste kwesties waren we het eens.

“Tijdens een belegering van 40 dagen vielen er in ons kamp 65 doden op een bevolking van 10.000 mensen. Dat is gigantisch, maar op dat moment had ik dat niet in de gaten. We waren dag in, dag uit op de spoedafdeling in de weer, en de doden hoorden erbij. De corona-crisis duurt inmiddels ook iets van een 40 dagen en brengt bij mij de herinneringen van toen naar boven. Mensen sterven nu ook heel snel.”

 

Na Beiroet hadden jullie geen last van posttraumatische stress?

Lieve: “Nee, dat komt omdat we er een boek over schreven, Dagboek uit Beiroet, en omdat we honderden lezingen over de Palestijnen gaven. Dat was meteen ook ons verwerkingsproces.”

Ben: “Ik las Dagboek uit Beiroet als scholier. Na de humaniora ging ikzelf met een groep jongeren een paar weken meehelpen in Palestijnse kampen in Libanon. Dat was in 2007; ik zal die reis nooit vergeten. We bouwden een centrum voor de kinderen van de kampen. Ze groeien er op een vierkante kilometer op. We konden regelen dat een groep kinderen van zeven en acht mee mocht op uitstap naar de Bekavallei. Voor het eerst in hun leven zagen ze bomen en een rivier. Dan vraag je je toch af hoe het mogelijk is dat kinderen in zo’n omstandigheden moeten opgroeien. Voor zo’n onrecht kun je toch nooit je ogen sluiten?”

Lieve: “Wij kwamen in Libanon als vreemdelingen toe en een jaar later zeiden onze Palestijnse vrienden bij het afscheid: ‘Ons huis is jullie huis.’ Veel Belgen slagen er vandaag nog niet in om dat te zeggen tegen mensen met vreemde roots die hier al jaren leven en werken.

“Als koppel praatten wij veel over onze common ground. Veertig jaar samen met datzelfde engagement is toch iets apart. Op een bepaald moment ging de PVDA met Abou Jahjah onder de vlag Resist in zee. ‘Is dat wel verstandig?’, vroegen wij ons dan aan de keukentafel af. Dat debat tussen ons beiden vond ik altijd heel boeiend. Wij hadden geen blind engagement, en er waren uiteraard periodes dat we twijfelden. We zagen ook veel mensen komen en gaan. Als je een engagement niet vernieuwt of er niet langer warm van wordt, stopt het. Ik vond het fijn om te zien hoe Dirk zijn engagement telkens opnieuw onderbouwde. Het ene moment was dat met de strijd rond het kiwimodel, het andere rond het fijn stof of de Lange Wapperbrug. Of dan spitte hij zijn mensbeeld helemaal uit. Dirk inspireerde zo niet alleen mij, maar ook veel anderen.”

 

Op 30 augustus vorig jaar kreeg hij de diagnose terminale pancreaskanker. In het half jaar dat daarop volgde, schreef hij het boekje Zo verliep de tijd die me toegemeten was, gaf hij al die afscheidsinterviews en was er dat grote afscheidsfeest in de Roma. Net zoals na Beiroet begonnen jullie ook na Dirks doodvonnis bijna meteen aan de verwerking?

Lieve: “Eigenlijk wel. Dat boekje van 120 bladzijden en die afscheidsinterviews vertellen dat samengebalde krachtige verhaal van Dirks leven en dat maakt het zo speciaal. Maar zijn leven speelde zich natuurlijk over veel langere tijd af.”

Ben: “We moesten papa veel te vroeg afgeven, maar het is alsof de laatste 25 jaren van zijn leven geconcentreerd werden in dat laatste halve jaar. Ik had hem veel liever nu nog bij ons gehad en vlak na die diagnose was het vreselijk zwaar. In het begin kon ik dat niet aanvaarden. Ik ben mama en andere mensen uit mijn omgeving dankbaar die zeiden: ‘Ben, je moet hier nu de tijd voor nemen.’ Die laatste zeven maanden voerde ik diepe gesprekken met papa. Dat is een luxe die veel mensen jammer genoeg niet hebben of zich zelfs niet eens kunnen permitteren.

“Op het einde van zijn leven beklemtoonde papa dat we geen wolven voor elkaar zijn. Hij vroeg zich af waar die gedachte vandaan komt dat beschaving niet meer is dan een dun laagje vernis. En dat, van zodra je eraan begint te krabben, de zogezegd ‘ware’ zelfzuchtige aard van de mens naar boven komt. Hij had dat zelf nooit zo ervaren, maar misschien was hij een uitzondering op de regel. Hij begon dat nauwgezet en wetenschappelijk te onderzoeken, en vond overvloedig bewijs dat de mens van nature solidair en behulpzaam is. Solidariteit is datgene wat ons precies tot mensen maakt. Hij schreef dat in 2016 neer in De supersamenwerker en was erg fier op dat boek. In deze corona-crisis wordt toch heel duidelijk dat papa gelijk heeft? Ontzettend veel mensen zijn solidair en volgen spontaan de regels om zichzelf en anderen te beschermen. Hulpinitiatieven schieten als paddenstoelen uit de grond, met bijvoorbeeld al die mensen die mondmaskertjes naaien voor de zorg. Zelfs de hamsteraars waren solidair. Ik ken nogal wat mensen die stapels WC-papier insloegen, maar nu wel mondmaskers aan het naaien zijn. In mijn laatste gesprek met papa zei hij dat ook de coronacrisis ons laat zien dat de mens intrinsiek goed is.”

 

Als die crisis lang blijft duren en het economische weefsel zware averij oploopt, zou het misschien wel eens kunnen tegenvallen met die solidariteit?

Ben: “Dat zal afhangen van hoe die economische schade zal gefinancierd worden. Wordt het business as usual en gaan we er met z’n allen op achteruit? Of durven we het aan om ons systeem zo te wijzigen dat die kleine rijke toplaag die al decennia van de economie profiteert, eindelijk haar bijdrage levert? Omdat de mens van nature solidair is, wordt volgens papa de samenleving best opgebouwd volgens een model dat die solidariteit laat bloeien. Zo raken we allemaal samen vooruit.”

Lieve: “Dat is dus het marxisme. Dirk bekeek de werkelijkheid altijd door een wetenschappelijke bril en trok zelf op onderzoek. Daarnaast analyseerde hij ook op wetenschappelijke wijze de economische tegenstellingen in de samenleving. De essentie is: draait het in de economie om het verhogen van de winst of in het voorzien van de basisbehoeften van de mens? Dirk kon niet anders dan de kant kiezen van de werkende mens.”

 

De Sovjet-Unie was een praktische uitwerking van dat marxisme. Een groot succes kunnen we dat experiment toch niet noemen? En dan hebben we het nog niet over het stalinisme, waar de PVDA lang mee flirtte.

Ben: “Het imago van het marxisme is sterk aan het veranderen. Denk maar aan de beweging rond Bernie Sanders. Mensen kijken naar de nieuwe voorbeelden en niet naar de oude. We onderzoeken de tegenstellingen in onze huidige maatschappij en zoeken manieren hoe we nú stap voor stap kunnen vooruitgaan.”

 

Maar zoiets als het sovjetcommunisme bewees het marxisme toch geen dienst?

Ben: “Papa heeft op het einde ook heel duidelijk geantwoord dat dat problematisch was.”

Lieve: “Er vonden dingen plaats die niet te verdedigen zijn.”

Ben: “Voor de PVDA is dat sinds 2008 een afgesloten hoofdstuk. Toen stelde de partij zich open en een paar jaar later raakte ik ook écht in haar geïnteresseerd.”

 

Werd er in dit huis altijd veel gediscussieerd?

Ben: “Nee. (Kijkt naar zijn moeder) Jij vindt van wel? Jullie twee misschien wel, maar wij niet echt. Ik heb jullie ook nooit tegen ons horen zeggen: ‘Kom, we gaan nu Marx lezen.’ We waren het trouwens vaak niet met jullie eens. Dat is net heel gezond. Als ik met een vraag bij papa kwam, zei hij: ‘Daar ligt een boek over dat onderwerp. Lees het eens.’ Papa is een groot voorstander van het organische: wijsheid en inzicht moeten vanzelf groeien. Je kan niet aan iemand doceren hoe het precies moet. Aan dat dogmatische had hij een hekel. Je moet zelf ontdekken hoe iets ineenzit. Ik ben daar ongelooflijk dankbaar voor.”

Lieve: “Hij bracht ook thema’s aan: ‘Zoek dit maar eens uit.’ Hij is de zoon van twee leerkrachten en was een groot aanhanger van de socratische bevraging. Daar hadden we het vaak over. ‘Door de juiste vragen te stellen, prikkel je mensen.’ We deden dat ook met onze kinderen, maar niet bewust. We gaven ze vertrouwen en dat werkte.”

Ben: “Papa’s socratische bevragingen op vakantie vonden we soms heel fijn, maar ook soms vreselijk vervelend. We waren niet voor niets pubers. Jullie zorgden er wel voor dat we ons op materieel vlak nooit zorgen moesten maken. Tot aan het einde van het middelbaar smeerde papa elke ochtend onze boterhammen. Dat was toch beschamend lang. Het motto hier in huis was: Erst das Fressen und dann die Moral. (lacht)”

 

© Jan Stevens

“Niet iedereen heeft het geluk op deze manier te kunnen sterven”

Sinds 30 augustus vorig jaar weet dokter en PVDA-politicus Dirk Van Duppen (63) dat hij terminaal is. In Zo verliep de tijd die mij toegemeten was maakt hij de balans op van leven en werk. 

 

In de woonkamer van doktersechtpaar Dirk Van Duppen en Lieve Seuntjens in Deurne staat een wiegje voor als hun eerste kleinkind Louis op bezoek is. “Hij is geboren op 30 december”, zegt Dirk. “Onze oudste zoon Ward had het er moeilijk mee dat Louis zijn opa niet zal leren kennen. Ward had een uitstekende band met zijn opa, mijn in 2009 overleden vader Louis. Mijn boek Zo verliep de tijd die mij toegemeten was is daarom ook bedoeld voor mijn kleinkind dat ik nooit zal zien opgroeien. Zo leert hij later de betekenis van het leven van zijn opa kennen.”

PVDA-dokter Dirk Van Duppen raakte de voorbije veertig jaar bij het grote publiek bekend als boegbeeld van Geneeskunde voor het Volk (GVHV) en als onvermoeibaar strijder tegen de farma-industrie en het fijnstof in Antwerpen. Samen met actievoerders zoals Wim Van Hees en Manu Claeys hield hij de bouw van de Lange Wapper tegen. Tot voor kort was Van Duppen een stevig gebouwde man met een weelderige haardos. Vandaag oogt hij mager en frêle en is hij bijna kaal. Zijn lichaam takelt snel af, maar zijn geest blijft alert.

“Na de verkiezingen van mei vorig jaar was ik moe”, zegt hij. “We hadden hard campagne gevoerd en die vermoeidheid leek een logisch gevolg. Maar ik voelde me ook down en dat vond ik raar, want de PVDA behaalde een uitstekende uitslag. (lachje) Mijn suikerwaarden waren hoog. Ik had overgewicht en we dachten aan diabetes type 2. Dus nam ik medicatie, ging ik op dieet en begon ik stevig te fietsen, tien weken lang. Na afloop was ik tien kilo kwijt, maar mijn suikerwaarden bleven hoog.

“Er werd een CT-scan gemaakt. Op vrijdag 30 augustus zat ik hier in de zetel op telefoon van de radioloog te wachten. Die kwam maar niet. Ik belde naar het ziekenhuis en kreeg niemand te pakken. Ik werd steeds ongeruster. Als dokter heb ik toegang tot mijn eigen medisch dossier. Ik klapte mijn laptop open en las: ‘terminale pancreaskanker’. Ik wist meteen: dit is het einde.”

 

Het lijkt me verschrikkelijk om zo uw doodvonnis te moeten lezen.

“Het was alsof iemand met een voorhamer op mijn hoofd sloeg. Ik belde Lieve. Zij liet alles op de groepspraktijk vallen en kwam meteen naar huis. We zaten hier samen te huilen. ’s Anderendaags lichtten we onze drie kinderen en hun partners in. Dat was zwaar. Iemand opperde om allemaal samen een weekend weg te gaan, naar een vakantiepark in Limburg. Daar hebben we veel gepraat. Dat deed deugd. Geen enkele vraag gingen we uit de weg en er werd niets verdoezeld. Er was groot verdriet, maar ook verbondenheid.”

 

Er is geen behandeling mogelijk?

“Nee. Er wordt weinig onderzoek gevoerd naar de behandeling van pancreaskanker. Big pharma is daar niet in geïnteresseerd. De tumor is te complex en er zijn te weinig zieken. De chemotherapie die ik nu krijg, is al meer dan 25 jaar dezelfde. Ze remt de groei van kankercellen en vernietigt ze, maar ze maakt geen onderscheid tussen gezonde en zieke cellen.”

 

Een groot deel van uw leven streed u net tegen die Big Pharma.

“Ja, dat komt nu op een bizarre manier naar me terug, net als mijn strijd tegen luchtvervuiling. Ik sprak met de oncoloog over de mogelijke oorzaken van pancreaskanker: roken, morbide obesitas, alcoholisme, weerkerende alvleesklierontstekingen en familiale vatbaarheid. Geen enkele risicofactor geldt voor mij. Toen zei hij: ‘Er is ook nog luchtvervuiling.’ Wie binnen vijfhonderd meter van een snelweg woont, krijgt de meeste vervuiling te slikken. De ring ligt vlakbij en er razen een paar honderdduizend voertuigen per dag voorbij. In Antwerpen ligt het aantal kankers en hartinfarcten niet voor niets significant hoger dan in de rest van Vlaanderen.”

 

Als dokter weet u zeer goed hoe de ziekte evolueert. Alle illusies waren van in het begin weg?

“Zeker. Oncologen waren voorzichtig en probeerden niet al te pessimistisch te klinken. Maar ik kende mijn mediane overleving (maanden of jaren die 50 % van de mensen na diagnose of behandeling nog in leven zijn – red.) Met chemo is dat acht maanden, zonder vier.”

 

U koos voor chemo, met alle daarbijhorende ongemakken.

“Vier maanden vond ik nog de moeite. (lacht) Met die chemo begon inderdaad ook de aftakeling. Ze zorgt voor extreme vermoeidheid die door veel rust of slaap niet verdwijnt.

“Lieve bleef thuis. Dat zette nogal wat druk op de groepspraktijk, want er vielen zo twee dokters van de tien weg. Eerst werd aan de patiënten meegedeeld: ‘Dirk heeft een ernstige ziekte.’ Dat zorgde voor vragen zoals: ‘Komt hij nog terug?’ of: ‘Mogen we hem bezoeken?’ Waarna we in ons patiëntenkrantje duidelijk communiceerden wat er met mij aan de hand is. Dat gaf rust: onze patiënten begrepen het, leefden mee en de druk viel weg. Ze kwamen kaartjes afgeven. Daarna zetten we het op Facebook. Mensen reageerden opnieuw massaal. Ook Bart De Wever. Dat vond ik fijn. Hij schreef samen met het schepencollege een schoon kaartje. In oktober gaf ik een afscheidsinterview aan Humo en daar kwamen nog meer aanmoedigende reacties op.”

 

U zei daarnet dat uw zoon een uitstekende relatie had met zijn opa, uw vader. Dat is ook de man waar u als kind harde klappen van kreeg.

“Tegenover zijn kleinkinderen was vader totaal anders: een heel lieve opa. Veel generatiegenoten die nu op bezoek komen, vertellen gelijkaardige verhalen over hun gewelddadige vaders.”

 

Uw vader was onderwijzer. Was hij op school ook zo streng?

“Zeker. In zo goed als heel de basisschool was geweld de norm. Slechts een paar onderwijzers sloegen niet. Ik was vijftien toen het ophield. Mijn jongste broer Piet gaf een verjaardagsfeestje. Vader haalde uit naar mij, maar ik duwde hem en hij viel op de grond. Piets vriendjes zagen die strenge meester Van Duppen vallen. Na dat incident heeft vader ons nooit meer aangeraakt. Hij veranderde en er kwam een vorm van respect. Daarom voel ik geen rancune tegenover hem. Op de middelbare school politiseerde ik.”

 

Dat wil zeggen: u werd communist en lid van AMADA of ‘Alle Macht Aan De Arbeiders’, de voorganger van de PVDA.

“Precies. Vader liet me doen, ook al spijbelde ik om aan poorten van andere scholen pamfletten uit te delen. Hij kreeg bezoek van de BOB, de bijzondere opsporingsbrigade van de rijkswacht. ‘Uw minderjarige zoon verkoopt opruiende taal. Bent u daarvan op de hoogte?’ Vader werd toen niet boos op mij, maar wel op de BOB’ers.”

 

Eind jaren tachtig nam een vriend me mee naar een lezing van wijlen Ludo Martens, op dat moment voorzitter van de PVDA. Ik hoorde die man de lof van Jozef Stalin zingen. Hij verdedigde de Stalinistische zuiveringen en vond zelfs dat er te weinig ‘reactionairen’ waren weggezuiverd. Ik vond dat schokkend.

“Zoiets heb ik nooit gehoord. Er woedde in de partij wel een hevig debat over het stalinisme. Dat is in 2008 definitief afgesloten. Ludo Martens schreef indertijd het boek Een andere kijk op Stalin. Veel van wat daarin staat, is niet per se verkeerd. Zo schreef hij dat tijdens het bewind van Stalin de Sovjet-Unie veel wetenschappers en ingenieurs telde, en dat voor een land dat net uit de feodale tijd kwam. Maar het boek was eenzijdig en selectief. De repressie onder Stalin was misdadig.”

 

De Sovjet-Unie draaide uit op een compleet fiasco en China en Noord-Korea zijn niet meteen toonbeelden van staten waar de mensenrechten geëerbiedigd worden. De praktische uitvoering van het communisme is geen groot succes.

“Alles hangt af van welke inhoud je aan het begrip communisme geeft. In De meeste mensen deugen beschrijft Rutger Bregman hoe in het middelbaar een leraar vertelde: ‘Communisme is: iedereen naargelang zijn behoeften en capaciteiten.’ Ik had ook een leraar in het middelbaar die net hetzelfde zei, dertig jaar voor Bregman. Die leraar raadde mij aan Het communistisch manifest van Karl Marx te lezen. Dat sprak mij aan. Ik ben een overtuigd marxist en geen stalinist. Op mijn kamer hing een affiche met een uitspraak van bevrijdingstheoloog Don Helder Camara: ‘Als ik de armen eten geef ben ik een heilige. Vraag ik waarom ze arm zijn, dan ben ik een communist.’ Dat is voor mij de essentie.

“Wij hebben goede banden met de Cubanen. Wat niet wil zeggen dat we Cuba als blauwdruk zien. Maar daar werken we wel concreet aan gezondheidsprojecten in de oude wijken van Havana. We kennen de gezondheidszorg in Cuba inmiddels goed. We hebben daar dingen zien gebeuren die zeer mooi zijn.”

 

Er zitten in Cuba mensen in de gevangenis omwille van hun overtuiging.

“Niet zoveel meer. U moet een onderscheid maken tussen propaganda en de realiteit.”

 

Elke mens die omwille van zijn overtuiging in de cel gestopt wordt, is er toch één te veel?

“De les die wij geleerd hebben, is om zoiets niet te verdedigen en om te stoppen met het dogmatisch kopiëren van buitenlandse voorbeelden. Haar grootste crisis beleefde mijn partij in 2003 na de deelname aan de federale verkiezingen als Resist met Dyab Abou Jahjah.”

 

De verkiezingsuitslag viel toen lelijk tegen en Resist werd een mislukte verruimingsoperatie?

“Een verruimingsoperatie zou ik dat niet noemen, eerder een geval van tunnelvisie. In maart 2003 brak de golfoorlog uit en wij waren actief in het verzet. Maar het was een vergissing om dat terechte verzet te koppelen aan de provocatieve stijl van Abou Jahjah. De mensen vonden dat er ver over. Ik voelde dat heel goed in onze dokterspraktijk. Ik hoorde en zag: met Resist gaan we de boot in. In diezelfde periode schreef ik De cholesteroloorlog, een aanklacht tegen de geldhonger van de farma-industrie. Het patent op een cholesterolverlager was vervallen en ik vroeg aan het RIZIV een terugbetaling voor een generiek middel, identiek aan het origineel, maar 40 % goedkoper. Die aanvraag werd geweigerd. Blijkbaar golden de nieuwe soepele voorwaarden voor de generieken enkel voor het origineel. Ik begon dieper te graven en dat onderzoek resulteerde in De cholesteroloorlog. Mijn boek verscheen in 2004 en sloeg in als een bom. Het ACV en het ziekenfonds CM steunden mij, wat toen heel bijzonder was. Want de PVDA werd nog beschouwd als een sektaire communistische club. Maar nu betoogden die grote katholieke organisaties samen met ons. Ik heb toen geleerd dat we rond heel concrete projecten moeten werken.”

 

U was lang voorzitter van de groepspraktijken van GVHV. Jarenlang werden ze verketterd door de Orde van Geneesheren. In juni vorig jaar keerde de Orde op haar stappen terug. Ondervoorzitter Michel Deneyer zei zelfs dat hij vond dat GVHV kwalitatief sterk werk levert.

“Michel Bafort is de voormalige voorzitter van de Orde van Geneesheren Oost-Vlaanderen. Hij las mijn afscheidsinterview in Humo en stuurde me een pakkende mail. Hij schreef dat ik de geneeskunde in dit land blijvend veranderd heb en menselijker heb gemaakt. ‘De universiteit van Gent zegt: durf te denken. Jij zegt: durf ook iets te doen.’ Dat was heel speciaal, want het conflict met de Orde was veertig jaar oud. Al die tijd betaalde ik geen lidgeld; dit jaar was de eerste keer. Jarenlang stond de Orde onder invloed van het reactionaire artsensyndicaat BVAS van Marc Moens. De codex van de Orde bulkte van het corporatisme en draaide vooral rond de eer en de waardigheid van het beroep. In 2015 bood Michel Bafort tijdens een speech zijn excuses aan GVHV aan. Jarenlang was Bafort een hardliner. In 2014 sleurde hij onze artsen in Zelzate nog voor de rechter. Hij sloeg compleet om. Ik schreef een opiniestuk in de krant tegen de prestatiegeneeskunde. ‘Doe beroep op de motivatie van binnenuit van de artsen.’ Michel Bafort was het met me eens en wou met me praten. Hij vertelde toen dat in zijn provincie de prestatiegeneeskunde een aantal specialisten tot zelfmoord had gedreven. De ziekenhuisdirecties zweepten dokters op om zoveel mogelijk patiënten de revue te laten passeren. Ze knapten daarop af. Sommigen vluchtten weg in de drank of kregen een burn-out, anderen pleegden zelfmoord. Bafort richtte Arts in Nood op, een organisatie die collega’s met psychische problemen bijstaat. Ik vind dat een heel mooi initiatief. We vonden elkaar: de codex van de Orde werd in samenspraak met ons herschreven en de strijdbijl begraven.”

 

Uw broer Jan was in zijn jonge jaren ook lid van Amada. Vandaag heeft hij oor voor Theodore Dalrymple, de Britse oerconservatieve psychiater die vindt dat het de ‘onderklasse’ aan wilskracht ontbreekt.

“Dalrymple is onwaarschijnlijk rechts en dat is dan nog vriendelijk gezegd. Ja, het verliep merkwaardig. Wij zijn nu net zoals Bruno en Bart De Wever.”

 

Een dubbelinterview met uw broer zag u niet zitten.

“Nee, niet op het einde van mijn leven. Jan is oprecht bezorgd over mij en komt zoveel mogelijk langs. Onze broederband is hersteld.”

 

Als jullie samen zijn, spreken jullie niet over politiek?

“Dat heeft moeder ons op haar sterfbed gevraagd. Daarvoor hadden we een paar keer klinkende ruzie. Dat was niet slim van mij. In april 2009 kwam Tine Van Rompuy, de zus van CD&V-politici Herman en Eric, op voor de PVDA. Ondanks hun politieke meningsverschillen, praatten de broers altijd met veel respect over hun zus én omgekeerd. Dat had het voorbeeld voor mij moeten zijn. Al tijdens onze studies groeiden Jan en ik ideologisch uit elkaar. Hij werd in 1999 Vlaams parlementslid voor de sp.a. Hij kreeg ruzie met Patrick Janssens en Steve Stevaert en nam verbitterd afscheid. De laatste tien jaar van zijn carrière werkte hij als huisarts in een achterstandswijk in Rotterdam.”

 

In uw boek schrijft u: ‘Er leven twee opvattingen over de aard van de mens. De eerste luidt: de mens is van nature goed maar in staat tot het kwade. De tweede zegt precies het omgekeerde: de mens is van nature kwaad maar in staat tot het goede.’ U koos voor de eerste opvatting; uw broer voor de tweede?

“Ja, we kozen een verschillend mensbeeld. Volgens sommigen is onze beschaving een dun laagje vernis. Van zodra je eraan begint te krabben, komt de ware, zelfzuchtige aard van de mens naar boven. Die theorie floreerde lang, maar werd de laatste jaren bedolven onder wetenschappelijk bewijs dat de mens vanaf de geboorte de neiging heeft tot empathie, hulpgedrag en samenwerking. De mens is van nature solidair en behulpzaam. Ik schreef daar in 2016 samen met moleculair bioloog Johan Hoebeke De supersamenwerker over. Ik ben heel trots op dat boek en beschouw het als het sluitstuk van mijn levensengagement.”

 

Als dokter kunt uzelf goed inschatten hoe lang u nog heeft?

“Dat zijn niet veel maanden meer, eerder weken. Stilaan raak ik daarmee verzoend. Ik ben blij dat de euthanasiewet bestaat. Want een natuurlijk einde met pancreaskanker is creperen. Nu houd ik de pijn nog met morfine onder controle, maar dat blijft niet duren. Alles is uitgesproken, of toch bijna alles. Ik voerde de voorbije weken ontzettend veel gesprekken. Niet iedereen heeft het geluk op deze manier te kunnen sterven.”

 

Dirk Van Duppen en Thomas Blommaert, Zo verliep de tijd die mij toegemeten was, EPO, 122 blz., 15 euro

(c) Jan Stevens