‘Het was een pure horroshow’

In De Russische klus reconstrueert Douglas Smith hoe Amerika begin twintigste eeuw tijdens de hongersnood in de Sovjet-Unie ingreep. ‘Zo behoedden we de communistische dictatuur van de ondergang.’

 

De Amerikaanse historicus Douglas Smith blaast in zijn fascinerende boek De Russische klus het stof van een compleet vergeten geschiedenis. Na jaren van revolutie en oorlog was rond 1920 de hongersnood in de prille Sovjet-Unie zo extreem, dat sommigen wanhopig hun toevlucht namen tot kannibalisme. Vladimir Lenin, de leider van de bolsjewistische partij, zag geen andere uitweg dan de aangeboden hulp van kapitalistische aartsvijand Amerika te aanvaarden. In het vroege najaar van 1921 trok een kleine groep Amerikaanse hulpverleners de op instorten staande communistische heilstaat in. De reddingsactie van de American Relief Administration (ARA) onder leiding van de latere Amerikaanse president Herbert Hoover redde miljoenen Russen van de hongerdood. Voor miljoenen anderen kwam alle hulp te laat. Twee jaar lang voedde ARA dagelijks 11 miljoen Russische burgers. Na het stopzetten van de operatie op 15 juni 1923 veegden zowel de Sovjets als de Amerikanen de succesvolle Russische klus zo snel mogelijk onder het tapijt.

 

Het ligt voor de hand dat Lenin de ‘vernederende’ Amerikaanse hulp wou vergeten, maar waarom verdween die geschiedenis ook uit het Amerikaanse collectieve geheugen?

Douglas Smith: ARA-baas Herbert Hoover profiteerde eerst van de populariteit die hij in Rusland als Master of Emergencies had opgebouwd. Daarom won hij 1928 met een overgrote meerderheid de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Maar een jaar later crashte de beurs en brak de Grote Depressie uit. De ‘Meester van Noodgevallen’ slaagde er niet in zijn eigen verpauperde bevolking uit de armoede te tillen en donderde van zijn sokkel. De sloppenwijken in de steden werden ‘Hoovervilles’ genoemd, de oude kranten waaronder de daklozen sliepen ‘Hooverdekens’, en karton om gaten in afgedragen schoenen dicht te stoppen, heette ‘Hooverleer’. Een tweede ambtsermijn zat er voor Herbert Hoover niet meer in. In die donkere jaren voor WO II verdween ‘de Russische klus’ dan ook razendsnel uit de Amerikaanse herinnering.

De ARA-reddingsactie werd in de Sovjet-Unie door Lenin meteen na afloop al op de zwarte lijst gezet. Russische ARA-medewerkers werden gebrandmerkt als spionnen en de operatie werd integraal uit de Sovjetgeschiedenisboeken gegomd. Later verschenen er een paar wetenschappelijke werken over, maar voor het grote publiek bleef de Amerikaanse reddingsoperatie in Rusland tot nu een groot mysterie.

 

De Russische revolutie was nog heel pril toen de Amerikanen de Sovjets te hulp snelden.

Smith: De bolsjewieken grepen in november 1917 de macht. Daarna volgde een burgeroorlog die duurde tot halverwege 1920 en die de Russische bevolking decimeerde. In de jaren 1919 en 1920 waren de Verenigde Staten in de ban van de ‘Rode Schrik’. Na WO I was er heel wat onrust onder arbeiders, met stakingen en oproer. Onder Amerikaanse politici was de angst groot dat de bolsjewisten hun revolutie naar het Westen zouden exporteren. Achter elke straathoek bespeurden ze een bolsjewist die de regering omver wou werpen. De Amerikaanse Senaat stelde zelfs een commissie aan die de dreiging van het ‘Rode Gevaar’ in kaart moest brengen. De ‘Rode Schrik’ van toen is het equivalent van islamofobie vandaag, en van onze niet altijd even rationele angst voor jihadistische terreur.

 

Waren er in die tijd bolsjewistische terroristen actief in Amerika?

Smith: In de lente van 1919 pleegden anarchisten een reeks bomaanslagen op belangrijke politici, topambtenaren en ondernemers. Op 16 september ontplofte op Wall Street zelfs een bom die 38 mensen het leven kostte. De terreurdreiging zat dus niet helemaal tussen de oren van de burgers, maar ze mondde wel uit in een vorm van massahysterie. Die paranoia was wijdverspreid.

 

De grote hongersnood in de Sovjet-Unie was in de eerste plaats een gevolg van jaren burgeroorlog?

Smith: Jawel, zeven jaar van ononderbroken oorlog tussen het Rode leger van de bolsjewieken en het Witte Leger van de grootgrondbezitters en de adel eiste een loodzware tol. Niet enkel de Roden verspreidden terreur, ook de Witten lieten zich niet onbetuigd. Ze stalen het graan van de boeren die op hun beurt de productie drastisch terugschroefden en enkel nog graan voor eigen gebruik teelden. De wanhopige boeren verstopten het onder de vloer, in putten, tussen de rieten daken of achter schijnmuren. De extreme droogte van 1920 en ’21 was de spreekwoordelijke druppel. Twee jaar lang viel er zo goed als geen regen in zowat de hele vallei rond de rivier de Wolga. De oogsten mislukten, er was geen voedseloverschot en tegen de lente van 1921 was de ramp compleet.

 

Was het Westen zich bewust van de omvang van de Russische hongersnood?

Smith: De Amerikanen wisten dat er ernstige bevoorradingsproblemen waren, maar de ware omvang van de hongersnood drong door nadat de ARA-reddingsoperatie van start ging. Pas dan begonnen kranten en tijdschriften er aandacht aan te besteden. Zelfs de Amerikaanse hulpverleners hadden bij hun vertrek nog niet in de gaten hoe erg het was. De meesten hadden gevochten in de Eerste Wereldoorlog en vreselijke dingen gezien. Maar de toestand in de Sovjet-Unie overtrof alles. Het was een pure horrorshow. De hulpverleners waren daar niet op voorbereid. Na de revolutie was Rusland jarenlang afgesneden van de rest van de wereld. Slechts weinig westerlingen waren er zich van bewust hoe hard de oorlog het land had verwoest. De infrastructuur was vernietigd, net als de landbouw, en de steden lagen in puin. Het was alsof de Apocalyps had plaatsgevonden, met overal stapels uitgemergelde lijken.

 

In uw boek lees ik dat Vladimir Lenin minstens even meedogenloos was als zijn opvolger Jozef Stalin. Zo gaf hij in augustus 1918 het bevel om boeren die te weinig graan produceerden te ontvoeren en terecht te stellen: ‘Knoop minstens 100 rijke klootzakken op. Publiceer hun namen. Neem ze hun graan af. (…) Doe dat allemaal zodat mensen kilometers verderop het zien, het begrijpen, beven.’

Smith: Veel mensen zien Lenin nog steeds als een progressieve humanist, terwijl hij in werkelijkheid uitermate wreed was. De laatste twintig jaar werden steeds meer archieven in Rusland toegankelijk en dat leverde nieuw materiaal over de eerste leider van de Sovjet-Unie op. Recente biografieën tonen aan dat ‘vadertje Stalin’ geen verdorven tegenpool van Lenin was, maar een logische voortzetting. Vladimir Lenin was bereid tot alles om de macht te behouden. Om zijn bolsjewistische experiment te redden, liet hij Amerika, de duivel zelf, binnen. Tegen de lente van 1921 was hij doodsbang dat hij de controle over het land ging verliezen. In februari en maart kwam de marine in de militaire vestingstad Kronstadt tegen de communistische regering in opstand. Ze noemden Lenin de nieuwe tsaar Nikolaas. Dat was heel pijnlijk, want de matrozen hadden de bolsjewieken van in het begin gesteund. Arbeiders staakten massaal in Sint-Petersburg, Moskou en andere grote steden, en boeren kwamen in opstand tegen de inbeslagnames van hun graan. De problemen van de boeren konden Lenin niet veel schelen, maar hij maakte zich wel grote zorgen over de bevoorrading van de steden. Hij was doodsbang dat hij de controle helemaal zou verliezen als de marine en de soldaten van het Rode Leger honger zouden lijden. Hij vertrouwde Herbert Hoover en zijn ARA voor geen haar, maar hij had geen andere keuze dan hun hulp te aanvaarden. Hij zorgde er wel voor dat de organisatie op de voet gevolgd werd door agenten van de geheime dienst Tsjeka.

 

Wat voor iemand was Herbert Hoover?

Smith: Hij was een Republikein, maar als hij vandaag zou leven denk ik niet dat hij lid zou zijn van de Republikeinse Partij. Hij zou zich diep schamen voor wat Donald Trump met de Grand Old Party heeft aangericht. Herbert Hoover was een briljante ingenieur en zakenman die rijk werd in de wereld van de internationale mijnbouw.

 

Ook in Rusland?

Smith: Ja, al verkocht hij zijn Russische mijnconcessies vlak voor de start van de Eerste Wereldoorlog. Hij had het Rusland van de tsaren een paar keer bezocht en was geschokt door de repressie, de stuitende ongelijkheid en het gebrek aan democratie. Hij was ervan overtuigd dat die cocktail ooit zou ontploffen. Hoover groeide op als Quaker, The Religious Society of Friends. Die kerkgemeenschap voert het helpen van de medemens hoog in het vaandel. De Amerikaanse Quakers vochten van in het begin tegen de slavernij. Herbert Hoover had als veertiger fortuin vergaard en wou voortaan als een echte Quaker verder met zijn leven. Tijdens WO I stortte hij zich in de liefdadigheid.

 

Met zijn ‘Comittee for Relief of Belgium’ (CRB) kocht Herbert Hoover vanaf 1914 wereldwijd voedsel aan dat hij vervolgens naar het bezette België en Noord-Frankrijk liet brengen. Hoovers CRB verdeelde twee miljoen ton voedsel onder zeven miljoen Belgen en twee miljoen Fransen. Vóór Rusland redde Hoover België van de hongerdood?

Smith: U hebt gelijk, daar had ik zelf niet eens aan gedacht. (lacht) Hoover staat inderdaad ook bekend als de redder van België. Zijn uw landgenoten zich daar nog van bewust?

 

Ik denk het niet, ook al hebben we dan in verschillende gemeenten Herbert Hooverstraten en -pleinen.

Smith: Na WO I hielp Hoover bij de opstart van de American Relief Administration, of ARA. Hij nam eerst als Amerikaans adviseur deel aan de vredesonderhandelingen in Versailles en was geschokt en triest door de miserie en verwoesting die hij overal in Europa zag. Hij kreeg geld van het Amerikaanse Congres om ARA op te richten en zo de grootste noden van de Europeanen te helpen lenigen. Hij vond dat een flink deel van het geld naar Duitsland en Oostenrijk moest vloeien omdat ook zij geleden hadden. Maar de Amerikaanse overheid zinde in de eerste plaats op wraak en stak daar een stokje voor.

 

Boden de Amerikanen in 1921 hulp aan de Sovjets aan, of werden ze gevraagd?

Smith: In de zomer van 1921 schreef de beroemde Russische schrijver Maxim Gorki een brief om hulp aan de wereld. Het Europese Rode Kruis en de Noorse ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen organiseerden de eerste hulpacties. Maar Europa had in die tijd niet de middelen omdat het continent nog moest herstellen van de gruwel van de wereldoorlog. De Amerikanen hadden wel geld in overvloed, waardoor zij snel verantwoordelijk waren voor 90 procent van alle hulp aan Rusland.

In het begin stond Lenin erg sceptisch tegenover ARA. Hij sprak zeer cynisch over Hoover, maar dat veranderde toen hij zag hoe efficiënt de Amerikanen te werk gingen. Het duurde niet lang of Lenin vond Herbert Hoover een geweldige kerel. ‘We hebben Hoover en zijn manschappen broodnodig’, verkondigde hij aan al wie het horen wou. Jozef Stalin heeft de Amerikanen nooit vertrouwd. Sommigen binnen de Tsjeka probeerden de operatie te dwarsbomen. Het bizarre is dat Feliks Dzerzjinski, het toenmalige nietsontziende hoofd van de Tsjeka, de Amerikanen wél gunstig gezind was.

 

Dzerzjinski alias ‘IJzeren Felix’, had toch een zeer slechte reputatie?

Smith: De Amerikanen hadden de Russische spoorwegen nodig om voedsel over het land te transporteren. Als hoofd van het Volkscommissariaat van het Vervoer had de machtige Dzerzjinski alles te zeggen over de treinen. William Haskell leidde de ARA-operatie en ontmoette Dzerjinski meermaals. Bij problemen liet IJzeren Felix spoorwegbeambten koudweg executeren. Haskell zei daarover: ‘Ik weet dat Dzerjinski’s handen druipen van het bloed, maar dat is oké want hij zorgt ervoor dat onze goederentreinen rijden.’

 

Een van de sleutelfiguren in de ARA-reddingsoperatie is de Amerikaanse diplomaat en gesjeesde schrijver James Rives Childs. Hij was in de eerste plaats een avonturier?

Smith: Childs was een merkwaardig man. Zijn schrijverschap kwam nooit van de grond, maar hij gold wel als een van ’s werelds grootste kenners van Giacomo Casanova. Dat zegt misschien veel over hemzelf. (lacht) Childs was inderdaad een avonturier, maar ook een idealist. Amerika vond hij te saai en te normaal. Hij had gevochten in WO I en was geheim agent geweest. Als student op Harvard ging hij naar een lezing van John Reed, een radicale Amerikaanse journalist die de Russische revolutie had meegemaakt. De jonge Childs werd op slag socialist en wou het arbeidersparadijs in de Sovjet-Unie met eigen ogen aanschouwen. Hij geloofde in de waarden van de revolutie en had het hart op de juiste plaats. Hij wou zijn Russische broeders helpen. Maar hij schrok van wat hij in Rusland aantrof.

 

Een andere schilderachtige figuur is Henry Wolfe. U volgt hem op zijn kannibalenjacht.

Smith: Wolfe was leraar geschiedenis in de staat Ohio en verveelde zich te pletter. Dus sloot hij zich aan bij ARA en vertrok op avontuur naar Russisch hongergebied. Hij zocht actie en opwinding. Veel Russen konden niet begrijpen waarom jongemannen zoals Wolfe uit een rustig, stabiel land aan de andere kant van de wereld, de chaos en de gruwel opzochten. Henry Wolfe ving geruchten op dat wanhopige Russen hun gestorven medeburgers opaten. Zo was er het verhaal van twaalf uitgehongerde mannen en vrouwen die het lijk van een recent overleden man op een kerkhof hadden opgegraven en er zijn rauwe vlees meteen hadden verslonden. Er was ook het sensationele verhaal van een dode man die door een restaurantuitbater versneden was tot koteletten en gehakt. Henry Wolfe wou die kannibalen ontmoeten en dat lukte hem uiteindelijk ook. Er is een foto bewaard gebleven waarop hij poseert met de resten van een kannibalenmaal: twee opengekliefde vrouwenhoofden, een deel van een ribbenkast, een hand en de schedel van een kind. De Sovjetautoriteiten wisten niet goed hoe ze met hun kannibalen moesten omgaan. Want meestal waren het wanhopige mensen en geen criminelen.

 

ARA heeft de Russen daadwerkelijk helpen overleven?

Smith: Zonder twijfel. In het begin van de operatie dachten de Amerikanen dat ze grofweg een miljoen mensen per dag zouden moeten voeden. Op het toppunt een jaar later gaven ze elf miljoen mensen te eten. Daarnaast verscheepten ze tonnen medisch materiaal, knapten ze ziekenhuizen op en herstelden ze vernielde wegen in dorpen en steden. Ze brachten kleding en schoenen mee en zetten zelfs een speciaal programma op om de hoogopgeleide Russische wetenschappers, dokters en academici terug aan de bak te helpen.

 

De Amerikanen hebben de Russische revolutie gered?

Smith: Een Amerikaans recensent merkte op dat zonder ARA de Sovjet-Unie in elkaar gezakt zou zijn en we de terreur van Stalin nooit hadden moeten meemaken. Misschien heeft hij gelijk, toch vind ik het onze morele plicht om mensen die in de shit zitten altijd te helpen. In 1921 kon niemand de latere capriolen van dictator Stalin voorspellen. Veel Amerikaanse hulpverleners geloofden dat door ARA de Russen wel zouden inzien dat communisme een vergissing was. Dat bleek een illusie te zijn.

 

Is in het huidige Amerika een reddingsactie zoals ‘de Russische klus’ nog mogelijk?

Smith: De ARA-redding van Rusland staat haaks op wat er nu in mijn land plaatsvindt. De VS isoleren zich in sneltreinvaart van de rest van de wereld. Ik begon dit boek te schrijven vóór Trump president werd en ‘America First’ de kop opstak. Ik hoop dat De Russische klus sommige landgenoten laat inzien dat het als welvarende samenleving onze verdomde plicht is mensen in nood te helpen. Voor een échte Republikein zou niet Donald Trump de gids mogen zijn, maar Herbert Hoover uit 1921.

 

Douglas Smith, De Russische klus, Spectrum, 328 blz., 27,99 euro

 

Douglas Smith

  • 1962 geboren in Minnesota
  • Studie Russisch aan de universiteit van Vermont en geschiedenis aan de universiteit van Californië
  • Schrijft verschillende historische werken over Rusland
  • 2012 debuteert als schrijver van populair-wetenschappellijke boeken over Rusland met Verloren adel, de laatste dagen van de Russische aristocratie

 

 

© Jan Stevens

“De vernietiging van de adel was een vorm van collectieve zelfmoord”

In Verloren adel vertelt Douglas Smith voor het eerst de vergeten geschiedenis van de verliezers van de Russische revolutie uit 1917: de aristocraten. “Door de adel te vernietigen, vernietigden de bolsjewieken meteen ook het brein van de samenleving.”

 

Eind vorige eeuw bezocht de Amerikaanse historicus Douglas Smith in Moskou een landhuis dat ooit toebehoorde aan de familie Sjeremetev, een van de rijkste Russische adellijke families van voor de Oktoberrevolutie. Smith was op zoek naar informatie over de 18e-eeuwse excentrieke graaf Nicolas Sjeremetev. “Ik wou een boek schrijven over zijn liefdesrelatie met zijn bediende Praskovia Kovaljova. Later zou zij het schoppen tot operadiva, maar in die tijd zorgde een verloving tussen een aristocraat en een meisje uit een lagere klasse voor grote ophef. Tijdens mijn zoektocht in het archief van de Sjeremetevs viel het me op dat veel nazaten van de graaf tijdens de revolutie van 1917 naar de Verenigde Staten gevlucht waren.”

Smith was benieuwd naar wat er met die mensen gebeurd was, en ging in Amerika op zoek naar nabestaanden. “Tijdens gesprekken met hen drong het pas goed tot me door hoe desastreus de jaren van de revolutie en de daaropvolgende burgeroorlog waren voor heel de Russische aristocratie. Later ontdekte ik dat er amper onderzoek verricht was naar die sociale klasse die van de ene dag op de andere alles kwijt was.”

Dus trok Smith zelf op onderzoek. Het resultaat is het fascinerende Verloren adel.

 

Rond 1900 werkte 80% van de Russische bevolking als boer op het land van de aristocratische grootgrondbezitters. Douglas Smith: “De adel bezat het land. Rusland leek toen sterk op Europa tijdens de middeleeuwen. De rijkdom van een individu werd afgemeten aan de hoeveelheid land dat het bezat. De aristocraten vormden de top van de elite en waren waanzinnig rijk. In de jaren voor de revolutie hadden ze een begin gemaakt met het diversifiëren van hun rijkdom: ze investeerden niet langer uitsluitend in land, maar ook in bedrijven en belegden op de beurs. In Rusland vormde de adel meteen ook de intellectuele elite: het land had geen middenklasse, en alleen de kinderen van aristocraten liepen school. Dokters, advocaten of landbouwkundigen stamden allemaal uit adellijke families. Tijdens en na de revolutie rekenden de bolsjewieken genadeloos af met de adel als vertegenwoordigers van de macht. De vernietiging van de aristocratie was niets meer of minder dan een vorm van collectieve zelfmoord, want de nieuwe machthebbers vernietigden juist de mensen die de vaardigheden hadden om de revolutie te doen slagen. De Russische aristocraten vluchtten weg, werden gevangen gezet of gedood, waardoor de samenleving totaal ontwricht raakte. Na een tijd hadden de bolsjewieken geen andere keuze dan een aantal edellieden opnieuw als dokter of ingenieur te laten functioneren. In de jaren dertig kwamen er bevelen uit Moskou dat de plaatselijke KGB-afdelingen een aantal van die edellieden moesten arresteren als spionnen. Sommige afdelingshoofden schreven terug: ‘We kunnen die mensen niet oppakken want zonder hen draait alles vierkant.’”

 

Konden aristocraten tijdens de Oktoberrevolutie hun hachje redden door de kant te kiezen van de bolsjewieken?

Douglas Smith: “Een aantal steunde de gedwongen troonsafstand van tsaar Nicolas II op 2 maart 1917 en de poging die daarop volgde om een republiek te stichten. De meerderheid van de adel beschouwde het oude tsaarregime trouwens als moreel bankroet. De tsaar had zwaar gefaald in het moderniseren en industrialiseren van de feodale samenleving die Rusland toen was. Veel aristocraten droomden van een republiek met een soort van democratisch bestuur. In de herfst van 1917 stonden verkiezingen voor een kiesraad gepland, die zo’n nieuw democratisch bestuur moest helpen installeren. De bolsjewieken lieten die verkiezingen na hun machtsovername plaatsvinden, maar ze scoorden zelf heel slecht. Ze gaven de kiesraad toestemming om samen te komen en hadden al snel door dat de leden vijandig tegenover hen stonden. Dus sloten ze die eerste dag al meteen het gebouw waar de raad samen kwam.”

“De meeste Russische aristocraten voelden geen greintje sympathie voor de bolsjewieken die de klassenstrijd propageerden en de adel van zijn voetstuk wilden halen. Van zodra de communisten de macht gegrepen hadden, werd het lastig voor leden van aristocratische families om de revolutionairen te steunen of aan de revolutie deel te nemen. Lenin was nochtans zelf de zoon van een edelman en Feliks Dzerzjinski, het hoofd van de geheime dienst Tsjeka, voorloper van de KGB, stamde uit een Poolse aristocratenfamilie. Maar de doorsnee aristocraat stond mijlenver verwijderd van het bolsjewistische gedachtegoed. Rond 1922, aan het einde van de Russische burgeroorlog, hadden veel aristocratische families het land verlaten. Voor ik aan Verloren adel begon te werken, leefde ik in de overtuiging dat de mensen uit de opperklasse keurig hun koffers gepakt hadden en goed voorbereid Rusland verlaten hadden. Maar de werkelijkheid was anders: in de eerste dagen van de revolutie probeerden ze zo snel mogelijk weg te raken uit Moskou en Sint-Petersburg, de steden van de macht. Ze vluchtten naar de grensgebieden, naar de noordelijke Kaukasus, de Krim of Oekraïne. Niemand geloofde dat de bolsjewieken aan de macht zouden blijven. Ze zouden na een paar maanden roemloos van het toneel verdwijnen. De aristocraten waren ervan overtuigd dat ze in de grensgebieden even gingen schuilen tot het Witte Leger het Rode in de pan gehakt had. Naarmate duidelijker werd dat de Roden gingen winnen, steeg de paniek. Vaak wachtten de edellieden tot het allerlaatste moment om de grens over te steken en de meesten bleven in de overtuiging leven dat hun afscheid van Rusland slechts tijdelijk zou zijn. Ze waren extreem patriottisch: hun land verlaten was een ware nachtmerrie. Het duurde jaren voor ze beseften dat ze nooit zouden terugkeren.”

 

Leven de nazaten van die oude aristocratische families nu in armoede, of waren hun voorouders er in geslaagd om tijdens hun vlucht het familiefortuin in veiligheid te brengen?

“Geen enkele gevluchte familie heeft haar fortuin buiten Rusland kunnen onderbrengen. Bijna alle bezittingen werden geconfisqueerd door de nieuwe machthebbers. De meesten zijn gevlucht met wat ze konden dragen. Toen ze dan uiteindelijk in Europa of in de Verenigde Staten belandden, brachten ze niet hun geld, maar hun opleiding, hun intellectuele kapitaal, mee. De vluchtelingen gingen in het Westen eerst door moeilijke jaren, en slaagden er dankzij hun scholing na verloop van tijd in weer overeind te krabbelen.”

 

Waren er aristocraten die collaboreerden met de communisten?

“Ja, en dat liep niet voor iedereen even goed af. De meeste ‘collaborateurs’ zaten in het leger. Tijdens het regime van de tsaar was Michail Toechatsjevski luitenant in het Russische leger. Na de revolutie koos hij de kant van het Rode Leger. In 1920 werd hij zelfs opperbevelhebber, tot hij bij Stalin in ongenade viel en na een geheim proces in 1937 geëxecuteerd werd. Voor Aleksej Broesilov liep het beter af. Hij was een van de grote Russische generaals tijdens de Eerste Wereldoorlog en sloot zich tijdens de burgeroorlog bij de Roden aan. Op zijn staatsbegrafenis in 1924 werd hij ten grave gedragen door zowel bolsjewieken als oude aristocraten.”

 

Hadden de bolsjewieken een masterplan om de aristocratie te elimineren?

“Nee, maar ze hadden wel een ‘meestervisie’. De volkswoede tegen de elite in de dagen van de revolutie was niet gecreëerd door de bolsjewieken, maar was een logisch gevolg van de geschiedenis. Honderden jaren lang bestond de overgrote meerderheid van de Russische bevolking uit straatarme boeren, die behandeld werden als slaven. Er zat ontzettend veel woede in de samenleving. De Eerste Wereldoorlog had al verschrikkelijk veel mensenlevens gekost; de meeste slachtoffers waren soldaten van boerenafkomst. Rusland was licht ontvlambaar gebied; de bolsjewieken waren degenen die de brandende lucifer lieten vallen.”

“De bolsjewieken voerden oorlog tegen de oude aristocratie, maar tezelfdertijd groeide er een nieuwe ‘aristocratische’ klasse, de rode adel. Zij namen hun intrek in de paleizen van de oude aristocraten en reden rond met de chique auto’s. In 1918 nam Lenin een vloot auto’s in beslag die aan de koninklijke familie toebehoord had. Op een dag reed hij met de Rolls van de tsaar door Petrograd. Hij werd tegengehouden door bolsjewieken die hem voor een aristocraat hielden. Ze namen de auto af en Lenin mocht te voet verder.”

 

Wat gebeurde er met aristocraten die Rusland niet konden ontvluchten?

“Veel hing af van waar ze zich op welk moment bevonden. Sommigen werden geëxecuteerd, anderen werden in kampen opgesloten zoals de familie Golitsyn. In de begindagen van de revolutie vertrokken de prinsen Golitsyn naar hun landhuis buiten Moskou, waar ze onder de radar probeerden te blijven. Toen het Witte Leger naar Moskou oprukte, besloten de bolsjewieken gijzelaars te nemen. Zo vielen ze ook midden in de nacht bij de Golitsyns binnen, namen mannen van verschillende leeftijden mee en sloten hen op in concentratiekampen. Ze dreigden ermee de gevangenen te vermoorden als de Witten te dicht bij Moskou kwamen.”

“Er waren ook aristocraten die de eerste jaren onder de bolsjewisten vrij probleemloos doorspartelden. De arrestaties kwamen voor hen pas later, in de jaren twintig en dertig. Sommigen werden uiteindelijk vrijgelaten, anderen kregen de kogel of stierven in de goelag. Een kleine groep edellieden werd ongemoeid gelaten en overleed als ouderling in bed. Er is geen verklaring voor waarom de ene wel en de andere niet gearresteerd werd; dat gebeurde totaal willekeurig. Er zijn ook geen cijfers over hoeveel slachtoffers er vielen. Er zat geen systeem in de waanzin, waardoor mensen met blauw bloed in de aderen zich nooit veilig voelden. Onder Stalin kreeg de repressie een nieuwe impuls, zeker tijdens de Grote Terreur in 1937 en ’38. Aristocraten werden ervan beschuldigd spionnen te zijn en werden tegen de muur gezet. Na de invasie door de nazi’s in 1941 volgde er nog één grote repressiegolf waarbij ook stokoude edellieden opgepakt werden, zeventigers en tachtigers, die beschuldigd werden van nazisympathieën.”

 

Zijn er in de Russische archieven nu nog veel sporen terug te vinden van de verdwenen adel?

“De informatie die ik nodig had om dit boek te schrijven, zoals brieven, dagboeken en foto’s, zit niet in de staatsarchieven van Moskou en Sint-Petersburg, maar bij de families zelf. Dus moest ik zoveel mogelijk familieleden verspreid over de hele wereld ontmoeten, en dat heeft toch een paar jaar in beslag genomen. Veel families hebben verschrikkelijk geleden en het duurde een tijd voor ik hun vertrouwen kon winnen. Uiteindelijk waren de meeste nazaten blij dat ze hun familiegeschiedenis konden vertellen, al waren er ook een paar die tot het einde halsstarrig alle medewerking bleven weigeren. Zo is er een graaf Sjeremetev die zijn leven lang nauwgezet dagboeken bijhield. Tot aan zijn dood in 1943 weigerde hij Rusland te verlaten. Zijn dagboeken bevatten een goudmijn aan informatie, maar zijn kleindochter en enige erfgename wou niet dat ik ze las. Ik ben haar een keer of vijf in Moskou gaan bezoeken met bloemen en chocolade. Toen ze uiteindelijk de grote koffer boven haalde waarin ze de dagboeken bewaarde, sloeg mijn hart een slag over. De teleurstelling was groot: ik mocht er alleen even heel vluchtig naar kijken. Ze liet me er geen woord in lezen.”

 

Douglas Smith, Verloren adel, vertaling Gerrit Jan Zwier, Balans, 520 blz. 24,95 euro

 

© Jan Stevens