De meest gehate instelling van Gent

In oktober 1916 startten zeven flamingante activistische proffen en 138 studenten vol overtuiging de Vlaamsche Hoogeschool, de met de Duitse vijand collaborerende afsplitsing van de universiteit van Gent. “Behalve in de vakgroep geschiedenis liggen weinig mensen daar nu nog wakker van.”

 

Een zonnige lenteochtend in de Sint-Pietersnieuwstraat in Gent. De grote kamers in het statige Herenhuis Veyrac liggen er stil en verlaten bij. Tot voor kort was hier het Universitair Centrum voor Talenonderwijs gehuisvest. “We verhuizen tijdelijk naar de overkant”, zegt coördinator Stefan Meeus. “Dit gebouw is dringend aan renovatie toe.”

96 jaar geleden, op 3 juni 1918, werd datzelfde Herenhuis Veyrac door de studenten van de Vlaamsche Hoogeschool plechtig ingehuldigd als hun studentenhuis ‘Hou ende Trou’. “Met zijn mooie tuin, zijn gezellige gelagkamer, zijn stemmige leeskamer, zijn ruime eetzaal, zijn club-, muziek- en biljartzaaltjes biedt het aan allen gelegenheid tot degelijke ontwikkeling en eerlijk verzet”, jubelde een student van het Gentsch Studentencorps, de overkoepelende studentenvereniging van diezelfde Vlaamsche Hoogeschool. Twee jaar eerder, in oktober 1916, had de Duitse bezetter de bij de start van WO I gesloten Franstalige Gentse universiteit heropend als Nederlandstalige Vlaamsche Hoogeschool, of Von Bissinguniversiteit. De Duitsers gingen daarvoor in zee met welwillende flaminganten.

In die twee jaar Vlaamsche Hoogeschool schreven in totaal 477 studenten zich in. Het eerste academiejaar waren het er nog een schamele 138, maar het volgende jaar steeg het aantal spectaculair tot 407 studenten. Ter vergelijking: in het academiejaar 1913-1914 bedroeg het aantal studenten aan de Université de Gand 1.315.

De Vlaamsche Hoogeschool zou de zomer van 1918 niet overleven en sommige collaborerende studenten van het Gentsch Studentencorps moesten de ‘mooie tuin’ en de ‘gezellige gelagkamer’ van studentenhuis ‘Hou ende Trou’ inruilen voor een kille cel.

“Nu wordt aan de universiteit over de activisten uit de Eerste Wereldoorlog en hun Vlaamsche Hoogeschool amper nog gepraat”, zegt Sefan Meeus. “Dat onderwerp leeft niet meer, net als de collaboratie tijdens WO II. Toen ik zelf in de jaren tachtig aan de universiteit studeerde, was dat enigszins anders. In die tijd gebeurde het wel eens dat professoren met elkaar over de Vlaamse zaak in de clinch lagen. Vandaag is dat voltooid verleden tijd.”

 

Schuldvraag

“Aan de Gentse universiteit liggen inderdaad niet veel mensen nog wakker van het activisme tijdens WO I”, beaamt historicus Ruben Mantels van de Vakgroep Geschiedenis en de Universiteitsbibliotheek. Mantels is medewerker aan UGentMemorie, het voor iedereen op internet toegankelijke ‘virtuele geheugen’ van de universiteit, en hij is auteur van het boek Gent – Een geschiedenis van universiteit en stad 1817-1940. “Het activisme is onderwerp van een aantal scripties, maar er worden geen ethische discussies over gevoerd en niemand ervaart het als een herinnering aan een pijnlijk verleden. Het debat over de collaboratie in de Tweede Wereldoorlog daarentegen is wel zeer levendig.”

Wordt het hoofdstuk van de collaborerende Vlaamsche Hoogeschool bij de UGent dan onder het tapijt geveegd? “Helemaal niet”, reageert Mantels’ collega Fien Danniau. “Alleen was die periode tot voor kort min of meer uit het collectieve bewustzijn verdwenen. In In Vlaamse velden droomde dokter Philippe Boesman van een professoraat gynaecologie aan de Vlaamsche Hoogeschool. Die tv-reeks heeft ertoe bijgedragen dat collega’s van allerlei vakgroepen ons zijn beginnen vragen hoe dat nu eigenlijk zat met die instelling. Tijdens de oorlog leefde de universiteit trouwens in twee parallelle werelden: die van de collaborerende proffen en die van de voormalige professoren van de Université de Gand. Die laatsten ontpopten zich tot spreekbuis tegen de Duitsers.”

Hoe zal de universiteit honderd jaar Eerste Wereldoorlog herdenken? Fien Danniau: “Er is geen algemene herdenking voorzien. Eind dit jaar organiseert UGent wel een groot internationaal congres over ‘Intellectuelen en de Grote Oorlog’ en vermoedelijk komt er volgend jaar nog een publiek debat over de Von Bissinguniversiteit.”

 

Université de Gand

Op 9 oktober 1817 opende de universiteit van Gent voor het eerst haar deuren. Willem I, de koning der Nederlanden, vond het hoog tijd dat de zuiderlingen in zijn Verenigd Koninkrijk zich gingen ontwikkelen. Dus richtte hij rijksuniversiteiten op in Luik, Leuven en Gent. De Rijksuniversiteit van Gent kreeg vier faculteiten: letteren, rechten, geneeskunde en wetenschappen, en de professoren gaven er les in het Latijn. Na de Belgische onafhankelijkheid van 1830 werd Frans de voertaal aan de universiteit. “Een zeer beperkt aantal cursussen werd in het Nederlands gedoceerd”, zegt Ruben Mantels. “De elitaire bovenlaag van de stad Gent was Franssprekend en bestond uit de universiteitsprofessoren, het stadsbestuur en de notabelen van de Coupure. In die tijd was de Université de Gand een kleinschalige, elitaire instelling. Tot het eind van de 19e eeuw telde ze jaarlijks ongeveer 600 studenten. 1913 was met 1.315 inschrijvingen een heus recordjaar. Arbeiderskinderen maakten zelden het middelbaar af waardoor ze geen toelating kregen voor universitaire studies.”

In de jaren voor de oorlog begonnen de Vlaamsgezinden zich zowel binnen als buiten de universiteit steeds meer te roeren. Ruben Mantels: “Professor geschiedenis Paul Fredericq was een liberaal met uitgesproken Vlaamsgezinde ideeën. Rond de eeuwwisseling was hij al actief in de strijd voor de vernederlandsing van de universiteit. Ook de nu nog bestaande vrijzinnige studentenvereniging ‘t Zal Wel Gaan was uitgesproken Vlaamsgezind.”

Op 24 maart 1911 dienden de ‘drie kraaiende hanen’, de socialist Camille Huysmans, de katholiek Frans Van Cauwelaert en de liberaal Louis Franck, een wetsvoorstel in om de Gentse universiteit geleidelijk te vernederlandsen. “Dat veroorzaakte enig rumoer, maar de Franstalige bourgeoisie liet zich daar niet door uit het lood slaan.Al bij al bleef dat flamingantisme een vrij beperkt fenomeen dat de academische overheid niet echt verontrustte.”

 

Bezette stad

Op 4 augustus 1914 viel Duitsland België binnen. De oorlogstoestand en de mobilisatie zorgden ervoor dat de universiteit haar deuren tijdelijk moest sluiten. De Duitse troepen rukten op en op 12 oktober was Gent een bezette stad. Ruben Mantels: “Langzaam maar zeker werd duidelijk dat de bezetting en de oorlog veel langer zouden duren dan eerst verwacht. Er zaten nogal wat studenten aan het front en er groeide een consensus dat de universiteit niet terug van start kon gaan terwijl die jongens sneuvelden.”

Op een lange, rumoerige en legendarische vergadering in het fysicalaboratorium van het Instituut voor de Wetenschappen aan de Jozef Plateaustraat werd de knoop doorgehakt: de universiteit zou gedurende de rest van de bezetting dicht blijven. “Paul Fredericq was op die vergadering een van de grootste pleitbezorgers voor sluiting. De Duitse bezetter wou de universiteit graag openhouden, met het Nederlands als voertaal. De Duitse generaal Moritz Ferdinand Freiherr von Bissing werd eind 1914 benoemd tot gouverneur van het Keizerlijke Duitse Generaal Gouvernement van België. Met zijn ‘Flamenpolitik’ voerde hij een bewuste politiek om de radicale Vlamingen te behagen.”

 

Activisten vs. passivisten

Twee weken na de bezetting van Gent werd door Vlaamsgezinde Gentenaars die van een herenigd Groot-Nederland droomden, de groep Jong-Vlaanderen opgericht. Zij zagen brood in de Duitse bezetting en hoopten via actieve collaboratie hun Vlaamse eisen, waaronder de vernederlandsing van de universiteit, ingewilligd te krijgen. Activisten zoals de leden van Jong-Vlaanderen zagen zichzelf als ‘maximalisten’. Flaminganten die samenwerking met de bezetter niet zagen zitten, noemden ze smalend ‘passivisten’. Ruben Mantels: “Er wordt nu stevig gediscussieerd over de wortels van de Flamenpolitik en hoe die zich verhield tot het activisme. Het was alleszins een wisselwerking. De Duitsers zochten met hun Flamenpolitik bewust toenadering tot de activistische kernen, waarbij de vernederlandsing van de Gentse universiteit een van de grote lokmiddelen was. Het activisme is een onvervalst product van de Eerste Wereldoorlog. Er bestaan geen exacte cijfers over hoeveel activisten Vlaanderen telde, maar sommige bronnen hebben het over tienduizenden mensen. In 1918 riepen de activisten op de Vrijdagsmarkt in Gent zelfs de onafhankelijkheid van Vlaanderen uit.”

Op 15 december 1915 kondigde gouverneur-generaal Von Bissing de oprichting aan van een ‘Vlaamsche Hoogeschool onder Duits toezicht’. De meerderheid van de Gentse professoren weigerde mee te werken aan de ‘Von Bissinguniversiteit’. Paul Fredericq en zijn collega Henri Pirenne werden omwille van hun verzet tegen de Hoogeschool aangehouden en gedeporteerd. Op 21 oktober 1916 droeg de Duitse bezetter de Vlaamsche Hoogeschool officieel over aan de academische overheid en op 24 oktober vond in de Aula aan de Voldersstraat de plechtige opening plaats.

 

‘Terug naar de natuur’

Ruben Mantels: “Bij de start contacteerden de Duitsers alle professoren van de voormalige Université de Gand. Ze vroegen: ‘Wie spreekt er Nederlands?’ Zeven professoren wilden meedoen. Bij sommigen speelde rancune, anderen waren overtuigde activistische flaminganten. De professoren die toetraden tot de Vlaamsche Hoogeschool werden goed betaald en kregen garanties dat ze na de oorlog opgevangen zouden worden. Als je als professor in 1917 tekende, wist je dat je alle bruggen achter je verbrandde en wilde je uiteraard een vangnet voor als het fout zou gaan. De activisten telden veel linkse, vrijzinnige studenten in hun rangen. Ze haalden inspiratie uit de Lebensreform-bewegingen die ‘terug naar de natuur’, vegetarisme en sociaal engagement hoog in het vaandel voerden. Het activisme had iets antiburgerlijk en anarchistisch en kantte zich tegen ‘de Franstalige kliek’.”

De rector van de Vlaamsche Hoogeschool Peter Hoffman was lid van de Lebensreform-beweging en vegetariër. “Zijn eerste redevoering ging over de sociale rol van de universiteit en de verheffing van het Vlaamse volk.”

Wat vonden de niet-collaborerende professoren van hun zeven collaborerende collega’s? “Ze keken ze met de nek aan. Maar ook de rest van de Gentse bevolking lustte de Vlaamsche Hoogeschool rauw: ze groeide snel uit tot de meest gehate instelling van Gent.”

 

Nieuwlichterij

In 1917 vierde de Vlaamsche Hoogeschool ‘honderd jaar universiteit’ met een ‘volksfeest’ en een banket in de chique salons van De Groote Schouwburg, de huidige Vlaamse Opera. De festiviteiten leverden de instelling in de eerste plaats nog meer haat en misprijzen van de hongerende Gentse bevolking op. “Toch was die Vlaamsche Hoogeschool veel moderner dan de vooroorlogse Franstalige universiteit”, zegt Mantels. “In de elitaire Université de Gand telde enkel de klassieke faculteit.”

De Vlaamsche Hoogeschool had vier faculteiten: wijsbegeerte en letteren, rechten, wiskunde en natuurwetenschappen en geneeskunde. Daarnaast waren ook drie hogescholen aan de universiteit verbonden waar technische vakken, handelswetenschappen en land- en tuinbouw onderwezen werden. “De Duitse universiteiten waren in Europa toonaangevend en importeerden bij ons hun kennis en methoden. In 1918 werd al die ‘nieuwlichterij’ natuurlijk meteen afgeschaft en ingeruild voor de aloude Université de Gand.” Het zou duren tot begin jaren dertig vooraleer de vernieuwingen opnieuw werden opgepikt.

Onmiddellijk na de bevrijding verklaarden de Gentse hoogwaardigheidsbekleders en de nieuwe academische overheid plechtig dat het eeuwfeest van 1917 nooit had mogen plaatsvinden. “De Vlaamsche Hoogeschool was een schandvlek die zo snel mogelijk uitgewist moest worden. De studentenleiders werden opgepakt, aangeklaagd en kregen boetes en celstraffen.” Maar vrij snel werden die veroordelingen afgezwakt. “In 1921 waren ze terug welkom aan de Gentse universiteit.”

 

Eerherstel

Waar kwam die plotse mildheid vandaan? Ruben Mantels: “Vanuit de studentenbewegingen klonk meteen na de oorlog al de roep om eerherstel. In 1919 vroeg de grootste studentenvereniging amnestie voor de activisten. De nieuwe rector Henri Pirenne verzette zich daar hevig tegen. Zijn zoon was gesneuveld en al wie als student met de Vlaamsche Hoogeschool geassocieerd kon worden, werd door hem resoluut afgewezen.”

In de jaren twintig kwamen er richtlijnen vanuit het ministerie van Onderwijs in Brussel dat studenten die op de Hoogeschool gezeten hadden, toch toegelaten moesten worden. “Leon Elaut schreef zich in 1918 in aan de Vlaamsche Hoogeschool. Het gevolg was dat hij na de oorlog eerst drie jaar op non-actief geplaatst werd eer hij verder kon studeren. In de jaren dertig werd hij dan professor anatomie en urologie aan de universiteit van Gent, om tijdens de Tweede Wereldoorlog terug in de collaboratie te belanden. We zijn nu snel geneigd om alle activisten in radicaal rechtse hoek te situeren, maar het was veel complexer dan dat. Professor Marcel Minnaert was uitgesproken progressief. Voor de Eerste Wereldoorlog was hij lid van ’t Zal Wel Gaan en een voorvechter van vrouwenrechten. Als activist vocht hij voor de Vlaamse idealen, maar hij stond mijlenver af van het beeld van de rechtse Vlaamsgezinde collaborateur dat we uit de Tweede Wereldoorlog kennen. Na WO I zijn een aantal activisten naar Nederland gevlucht waar ze een bloeiende carrière uitbouwden. Minnaert was een uitmuntende geleerde die na de oorlog in Utrecht baanbrekend werk in de fysica verrichtte. Willem De Vreeze, de hoofdbibliothecaris van de Gentse universiteitsbibliotheek, werd in 1919 voor activisme ter dood veroordeeld en schopte het een jaar later tot hoofdbibliothecaris in Rotterdam.”

 

Vernederlandsing

Heeft het activisme de vernederlandsing van de universiteit vertraagd? Mantels: “Het heeft ze alleszins ingewikkelder gemaakt. Voor de oorlog werd binnen België een felle strijd voor Nederlandstalig hoger onderwijs in Vlaanderen gevoerd. In 1911 was er dan dat wetsvoorstel van ‘de drie kraaiende hanen’ dat strandde in de Kamer. Zonder de activistische collaboratie was dat voorstel waarschijnlijk uiteindelijk ook goedgekeurd. Onmiddellijk na de oorlog vroeg de pacifistische vleugel van de Vlaamse Beweging om het activisme zo snel mogelijk met de mantel der liefde te bedekken. De studenten waren zeer radicaal: ze wilden meteen amnestie én de vernederlandsing doordrukken. Ook politici raakten ervan overtuigd dat er iets moest gebeuren, maar het grote struikelblok bleef de Franstalige Gentse bourgeoisie. Het zou nog tot 1930 duren eer de universiteit tegen de zin van die elite vernederlandst werd. Om de vernederlandsing er door te krijgen, werd de Belgische context in de verf gezet en mocht er onder geen beding een link gelegd worden met het Vlaams nationalisme, laat staan met het activisme.”

Is de UGent vandaag nog altijd meer een Belgische dan een Vlaamse universiteit? “De ideologische tegenstellingen zijn de voorbije jaren serieus veranderd. Tijdens rectorverkiezingen blijkt er onder professoren vooral een scheidslijn te lopen tussen katholieken en vrijzinnigen. De taalkwestie is totaal verdwenen.”

 

Ruben Mantels, Gent – Een geschiedenis van universiteit en stad, Mercatorfonds, 27,95 euro, 288 blz.

 

© Jan Stevens

Advertenties

Thee, toast en marmelade

In zijn boek Adolf Hitler en de Eerste Wereldoorlog maakt Thomas Weber brandhout van de mythe dat Hitler tijdens WOI een dappere frontsoldaat was. “Als ordonnans was hij kilometers achter de frontlijn actief. Terwijl zijn medesoldaten in de loopgraven kniehoog in de modder tussen de ratten en de rottende lijken zaten te verkommeren, slurpte Adolf thee en at hij toast met marmelade in een warme kamer. Zijn medesoldaten noemden hem minachtend een ‘Etappenschwein’, een ‘achterlandvarken’.”

 

“De universiteit van mijn leven”, zo omschreef Adolf Hitler zijn jaren als jonge soldaat aan het Westelijke Front tijdens de Eerste Wereldoorlog. Van 1914 tot 1918 vocht hij in het 16e Beierse reserve-infanterieregiment in de streek rond Ieper en aan de Somme. Jaren later beschreef hij in Mein Kampf zijn glorieuze belevenissen als dappere ordonnans die op gevaar voor eigen leven onder zwaar artillerievuur brieven van loopgraaf naar loopgraaf bracht. Hij stelde het regiment waartoe hij behoorde voor als een verzameling idealisten die er vrijwillig en bewust voor gekozen hadden hun leven te geven voor het vaderland. “Tijdens onze vuurdoop in oktober 1914 stormden we naar voor met het lied ‘Deutschland, Deutschland über alles, über alles in der Welt!’”, schreef de latere Führer. “Met de brandende liefde voor het thuisland in onze harten gooiden we ons in de strijd, alsof we naar een dansfeest trokken.”

In zijn redevoeringen in de jaren twintig en dertig verwees Hitler vaak naar zijn leven als eenvoudige frontsoldaat tussen de andere frontsoldaten. Met veel pathos verkondigde hij dat zijn nationaal-socialistische overtuiging en die van zijn medesoldaten in de loopgraven tot volle wasdom gekomen was. Hij beweerde ook dat zijn antisemitisme wortelde in ‘slechte ervaringen’ met de Joodse officier Hugo Gutmann, zijn directe overste. “Jarenlang hebben prominente Hitlerbiografen die beweringen voor waar aangenomen”, zegt Thomas Weber, professor geschiedenis aan de universiteit van het Schotse Aberdeen. “Zelfs de voortreffelijke historicus Ian Kershaw schreef in zijn Hitlerbiografie dat Hugo Gutmann ‘onpopulair was bij de mannen van het regiment en gehaat door Hitler.’ Maar niets is minder waar. Adolf Hitler heeft zijn belevenissen als ordonnans tijdens de Eerste Wereldoorlog vervalst. Tot op de dag van vandaag is iedereen hem daarin kritiekloos gevolgd.”

 

De onbekende soldaat

Uw boek Adolf Hitler en de Eerste Wereldoorlog is voor 70% gebaseerd op nieuw bronnenmateriaal. Hoe en waar hebt u dat gevonden?

THOMAS WEBER: Ik dacht lang dat over Hitler alles al gezegd en geschreven was. Alleen had ik het gevoel dat de geschiedschrijving over zijn soldatenjaren tijdens de Eerste Wereldoorlog niet echt deugde. Ze putte vooral uit bronnen als Mein Kampf en de propaganda van Hitlers nazipartij NSDAP. Historici waren zich daarvan bewust, maar legden zich erbij neer omdat ze dachten dat er niets anders voorhanden was. Tot een collega-historicus me begin 2004 suggereerde om dieper te gaan graven in het regiment waar Hitler deel van uitmaakte. Ik besloot me onder te dompelen in het 16e Beierse reserve-infanterieregiment (RIR16), bijgenaamd het List Regiment, en onderzoek te voeren naar de soldaten en officieren die rond Hitler cirkelden. Vanuit die nieuwe bronnen kon ik dan gaan vergelijken met wat in de bekende, vervuilde bronnen door en over Hitler verteld werd. Tot mijn grote verrassing was niemand eerder op dat idee gekomen. In december 2004 boekte ik een reis naar München, waar in het Bayerisches Kriegsarchiv alle documenten over Hitlers regiment bewaard worden. Net voor mijn vertrek stuurde een vriend me een e-mail met als onderwerp: ‘Slecht nieuws’. Hij had gelezen dat bij een kleine Engelse uitgever een boek over Hitlers regiment zou verschijnen, geschreven door ene John F. Williams. Die mail voelde als een koude douche, maar ik had mijn vlucht al geboekt, dus stapte ik toch maar op het vliegtuig naar München. In het archief vroeg ik de archivarissen of ze John Williams kenden. Ze hadden nooit van hem gehoord. In 2005 verscheen van zijn hand Corporal Hitler and the Great War 1914-1918: the List Regiment. Williams had zijn boek geschreven zonder een bezoek te brengen aan het archief waar alle stukken over RIR16 of het List Regiment liggen. Hij heeft geen enkel Duits archief bezocht, maar zich gebaseerd op bestaande biografieën over Hitler en op militaire geschiedenissen uit de jaren twintig en dertig. Hij haalde zijn informatie uit al die boeken die deel uitmaakten van de grote mythe die tussen de twee oorlogen door de nazi’s rond Hitler gebouwd werd. Die grote mythe kwam erop neer dat het nationaal-socialisme geboren was in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, dat Hitler een uiterst dappere soldaat was en dat de oorlogservaring hem van een gewone man veranderd had in een politiek leider. In de jaren dertig verkondigden de nazi’s: “Wij hebben geen standbeeld nodig voor de onbekende soldaat zoals de Fransen of de Britten. Hitler is onze onbekende soldaat.”

 

U was de allereerste historicus die de archieven van het List Regiment onderzocht heeft?

WEBER: Ja. Niemand had ze eerder bekeken. Negentig jaar lang hebben ze stof liggen verzamelen in de kelders van het Bayerisches Kriegsarchiv. Alle onderzoekers die er voor mij gepasseerd waren, zochten naar documenten over Hitler tijdens de Eerste Wereldoorlog, nooit naar documenten over zijn regiment. Ze vonden amper iets en gaven het snel op. Daardoor hebben ze de belangrijkste informatie gemist en is Hitlers grote mythe al die jaren kunnen blijven verder bestaan. Een deel van het RIR16-archief was niet eens gecatalogeerd. In de juridische dossiers van het regiment zaten in beslag genomen brieven van militairen, getuigenissen van officieren. Papieren die goud waard zijn en waar niemand in gekeken had, zelfs niet de archivarissen.

Het Bayerisches Kriegsarchiv in München was niet mijn enige grote bron. Ik ben ook gaan zoeken in archieven in andere landen, waaronder stads- en dorpsarchieven in West-Vlaanderen, en ik heb ook heel wat materiaal gevonden bij de nakomelingen van soldaten die tot Hitlers regiment behoorden.

 

Hoe kwam Hitler als Oostenrijker in het Duitse leger terecht?

WEBER: In 1913 verhuisde hij van Wenen naar München. Hij was toen 24. Hij verliet Oostenrijk om aan de dienstplicht te ontsnappen. Hij wou niet in het Oostenrijkse leger dienen omdat hij als pan-germaanse nationalist het Habsburgse rijk verachtte. Maar de Oostenrijkse politie kon hem toch traceren. Hij koos eieren voor zijn geld en kwam met hen overeen dat hij zich medisch zou laten keuren in Salzburg. Daar werd hij afgekeurd voor de militaire dienst. Toen WOI uitbrak, leefde hij in München. Hij schreef zich vrijwillig in voor het Duitse leger. Later zou hij verkondigen dat hij een brief geschreven had naar de koning van Beieren waarin hij zijn diensten aanbood en dat de koning hem een brief terugstuurde om hem in het Duitse leger te verwelkomen. Hij liet het uitschijnen alsof hij de enige Oostenrijker was die in het Duitse leger mocht gaan vechten. Dat is absolute nonsens. De koning had wel andere dingen aan zijn hoofd dan te antwoorden op een brief van ene Adolf, postkaartenschilder uit Oostenrijk. Hitler is gewoon het dichtstbijzijnde rekruteringsbureau binnengestapt en werd aangenomen. Vermoedelijk stelde niemand vragen over zijn Oostenrijkse afkomst en waren ze blij met elke nieuwe vrijwilliger die zich aandiende. Hij was trouwens niet de enige soldaat met de Oostenrijkse identiteit in het List Regiment.

 

Waar komt de benaming List Regiment vandaan?

WEBER: RIR16 werd List Regiment genoemd naar Julius von List, de eerste commandant. Het regiment werd aan het begin van de oorlog in sneltreinvaart opgericht. Hitler en de nazipropaganda stelden het List Regiment later voor als een vrijwilligersregiment vol idealisten. Dat is een flagrante leugen. Slechts een kleine minderheid had zich vrijwillig aangesloten. De meerderheid bestond uit oude reservisten of ‘Ersatzreservisten’. In vredestijd werden ze niet geschikt bevonden om in het leger te dienen, maar blijkbaar waren ze wel nog goed genoeg om te gaan meevechten in de Grote Oorlog. Het List Regiment was een operetteleger. De meerderheid van de 3000 soldaten had nooit enige militaire training gekregen. In een paar weken tijd werden de soldaten ‘klaargestoomd’. Hitler had eerder nooit een wapen aangeraakt, net als de meeste andere rekruten. Er waren zelfs niet genoeg uniformen. Tijdens hun supersnelle opleiding overheerste bij de soldaten het gevoel dat ze weldra naar een groot feest zouden vertrekken. Toen ze eind oktober 1914 aan het front in de buurt van Ieper aankwamen, juichten ze bij het horen van de explosies. Ze arriveerden aan het front als kleine schooljongens die op weekend trokken. In de eerste slag waarin RIR16 op 29 oktober betrokken raakte, sneuvelden meteen 349 soldaten. De pover getrainde rekruten van het List Regiment maakten geen schijn van kans: ze stonden tegenover professionele Britse soldaten die in koloniale oorlogen gevochten hadden.

 

Etappenschwein

In de eerste dagen aan het Westelijk Front vocht Adolf Hitler ook mee?

WEBER: Daar bestaat geen enkele twijfel over. Het grootste deel van de oorlog zat hij niet in de loopgraven, maar die eerste dagen was ook hij een gewone infanterist. Vrij snel schopte hij het tot ordonnans, koerier, achter de frontlinie, wat hem de bijnaam ‘Etappenschwein’, of ‘achterlandvarken’ opleverde. Veel soldaten droomden van zo’n job. We weten niet waarom Hitler ordonnans werd: hengelde hij er zelf naar of werd hij erin benoemd? De eerste dagen aan het front leed het List Regiment massale verliezen. Gruwelijk veel soldaten én officieren waren ofwel dood, ofwel gewond. Het regiment moest heel snel heropgebouwd worden. Er werden officieren van andere onderdelen van het Duitse leger naar het List Regiment overgeplaatst. Gewone soldaten werden van de ene op de andere dag gepromoveerd tot onderofficieren – zonder dat er naar hun staat van dienst gekeken werd. Andere soldaten werden overgeheveld naar de ondersteunende diensten. Het staat vast dat de meeste soldaten die tot ordonnans achter de frontlinie gebombardeerd werden, niet echt deugden voor een leven in de loopgraven. De officieren dumpten zo de waardeloze vechters en de lastige karakters. Als ordonnans ‘pendelde’ Hitler tussen de hoofdkwartieren van het regiment in Fournes en in het kasteel van Fromelles. Hij bleef kilometers ver verwijderd van de loopgraven.

Natuurlijk was de baan van een ordonnans achter de frontlinie niet zonder risico’s. Het is alleszins geen job die ik zou willen doen, maar de frontsoldaten vonden het een echte luizenbaan. De ordonnansen hadden een dak boven hun hoofd en lagen ’s nachts in een warm bed. Ze werden met de nek aangekeken en uitgemaakt voor lafaards. Van zodra Hitler een ordonnans werd, deelde hij niet langer de ervaringen van de frontsoldaten en wist hij ook niet meer wat zij over de oorlog dachten. Dat zet zijn eigen theorie en die van de nazipropaganda dat de Duitse soldaten door hun ervaringen aan het front tot nationaal-socialisten gevormd werden, op losse schroeven. Het nationaal-socialisme was zogezegd gegroeid uit de mythische broederschap tussen de Duitse frontsoldaten. In werkelijkheid heeft die broederschap aan het front nooit bestaan. Het leven in de loopgraven was afschuwelijk, met vernieling, kou, lange perioden van verveling en bang afwachten op de volgende aanval. Wanhopige, uitgehongerde soldaten bestolen hun makkers en stonden elkaar naar het leven. Er was geen heroïsche Kameradschaft. In de jaren twintig werd die Kameradschaft uit WOI zowel voor links als rechts dé populaire slogan. Linkse politici gebruikten de Kameradschaft om de tegenstellingen in de Duitse maatschappij te overwinnen en zo een beter, pacifistisch Duitsland op te bouwen. Rechts gebruikte dezelfde retoriek, alleen was het einddoel niet pacifistisch. Hitler is op die kar gesprongen en is samen met de NSDAP zijn eigen oorlogservaringen in functie daarvan gaan herschrijven.

 

Werd hij dan door niemand van zijn vroegere regiment tegengesproken?

WEBER: Jawel, maar de nazi’s slaagden erin de critici in diskrediet te brengen. Sommige veteranen uit Hitlers regiment hadden artikels geschreven in sociaal-democratische kranten waarin ze Hitlers oorlogsverhalen tot brandhout herleidden en beschreven wat er echt gebeurd was. De nazi’s deden ze af als linkse leugens en anonieme vuilspuiterij. Veel van die artikels waren anoniem, omdat de auteurs bang waren door de nazi’s aangepakt te worden. Tot nu nemen historici ook aan dat die stukken anonieme wraakacties van politieke Hitler-opponenten waren. Ik heb de identiteit van die anonieme schrijvers kunnen achterhalen: het waren wel degelijk allemaal veteranen uit het List Regiment.

 

Hugo Gutmann

Hitler werd gedecoreerd met twee ijzeren kruisen én raakte tweemaal gewond. Een echte lafaard zal hij toch wel niet geweest zijn?

WEBER: Hij was een goeie soldaat die deed wat hem gevraagd werd. Zijn officieren waren tevreden over hem: hij voerde zijn opdrachten perfect uit. Hij raakte twee keer gewond: in 1916 tijdens de slag aan de Somme, waardoor hij verschillende maanden met ziekenverlof kon en de vreselijkste episodes mistte. En hij kreeg ook een dosis mosterdgas te verwerken in 1918 waardoor hij zogezegd blind werd. Er heeft altijd twijfel bestaan of die blindheid echt was of gefaket om zo weg te kunnen geraken van het front. Onlangs ben ik in contact gekomen met een van de nabestaanden van een dokter die Hitler toen onderzocht. Het rapport van die dokter was klaar en duidelijk: Hitlers blindheid was ‘psychosomatisch’.

De realiteit van Hitlers soldatenleven verschilde radicaal van wat hij achteraf beweerde. De heldendaden die hij later over zichzelf rondbazuinde zijn verzonnen. Net als zijn verhaal dat het leven aan het front zijn antisemitisme aangezwengeld heeft. Zijn ‘traditionele’ Oostenrijkse antisemitisme zou door een aantal gebeurtenissen aan het front geradicaliseerd zijn tot extreem-rechts antisemitisme. Ook de andere soldaten in het List Regiment zouden extreem antisemitisch geweest zijn en zouden hun Joodse officieren gehaat hebben. Maar daar is geen enkel bewijs van terug te vinden. Sterker nog: het is complete bullshit. Er zaten nogal wat Joodse soldaten en officieren in het List Regiment. De Joodse officier Hugo Gutmann werd volgens Hitler door iedereen – inclusief de officieren – diep gehaat. Uit het materiaal dat ik gevonden heb, blijkt het tegendeel: hij had een bijzonder goeie relatie met zijn mede-officieren en ondergeschikten. Hij klom snel op en haalde de tweede hoogste graad in het regiment. De officieren waren laaiend enthousiast over zijn kwaliteiten. Als Hitler op voorspraak van Gutmann in 1918 het IJzeren Kruis krijgt, aanvaardt Hitler die onderscheiding zonder morren. De twee kenden elkaar persoonlijk en hadden een goede relatie, ook al beweerde Hitler later dat Gutmann dé oorzaak was van zijn rabiate antisemitisme.

Eind jaren dertig werd Gutmann opgesloten in een Gestapokamp. De gevangenisbewakers waren ook veteranen van het List Regiment. Zij kregen hem met de hulp van een paar andere ex-officieren van het List Regiment vrij. Gutmann vluchtte daarna naar Amerika.

Ik heb pas onlangs een getuigenis toegestuurd gekregen van een Joodse man die in de Eerste Wereldoorlog in het List Regiment diende en later in Israël is gaan wonen. De man had zijn memoires al in 1961 geschreven, maar ze waren in het Hebreeuws en zijn daardoor aan de aandacht van historici ontsnapt. Uit zijn geschriften blijkt dat hij als Joodse soldaat goed geïntegreerd was en een normale relatie met zijn officieren had. Die man had Hitler verschillende keren ontmoet. Hij geeft ook de reden waarom Hitler nooit een hogere rang gekregen heeft: de commandant van RIR16 zag dat niet zitten omdat Hitler volgens hem niet over de nodige leiderscapaciteiten beschikte. Daarenboven vond hij Hitler maar een enge man.

 

Thomas Weber, Hitler en de Eerste Wereldoorlog, Nieuw Amsterdam, 496 blz., ISBN: 978-90-4680-919-8

 

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto: © Veerle Van Hoey