‘Ik ben nog steeds die rebel in leren jekker’

In Rebel met een missie blikt CD&V-politicus Eric Van Rompuy (71) terug op zijn politieke carrière. “Vandaag moet CD&V een dam vormen tegen extremisme en populisme.”

Toen Eric Van Rompuy in 1977 voorzitter van de CVP-jongeren werd, droeg hij een leren jekker. Vandaag is hij voorzitter van de CD&V-senioren en zit hij keurig in het pak. “Toch ben ik nog steeds dezelfde rebel”, zegt hij. “Daar werd ik me tijdens het schrijven van mijn memoires erg van bewust. In 2017 viel ik in de Kamer tijdens de begrotingsbesprekingen geregeld de toenmalige minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) aan. Ook al zaten we in dezelfde regering, toch had ik forse kritiek op zijn niet-gefinancierde taxshift. De zogenaamde kaaimantaks die kapitaal in offshoreconstructies moest belasten, was een lege doos. De opbrengst werd geraamd op 540 miljoen euro, maar bracht hooguit 60 miljoen op. Tot grote ergernis van Van Overtveldt leverde ik daar striemende kritiek op. Op een bepaald moment riep hij: ‘J’en ai marre!’”

U was geen beoefenaar van de ‘rustige vastheid’ van uw oudere broer Herman Van Rompuy?

“Mijn dochter hoort soms van vrienden: ‘Is je papa echt zo boos?’ (lacht) In mijn privéleven maak ik bijna nooit ruzie, maar in de politiek heb ik geleerd: ‘Il faut être dangereux.’

Dat is niet hetzelfde als gemeen zijn?

“Nee. Halverwege de jaren 1980 was de socialistische oppositieleider Louis Tobback gemeen. Hij noemde de christendemocratische premier Wilfried Martens ‘strontvlieg’ en ‘Caligula’. Ik viel ook politieke tegenstanders aan tijdens het parlementaire debat, maar nooit persoonlijk. Nu is zowat alles herleid tot één vraag met één antwoord, het format van Villa Politica. De voorbije jaren werd er zowel in het Vlaamse als het federale parlement veel te weinig gedebatteerd.”

Politiek is u met de paplepel meegegeven?

“Vader Vic was een christendemocraat in hart en nieren, maar had geen politieke ambities. Als doctor economische wetenschappen werkte hij op de studiedienst van de CVP. Hij droomde ervan professor te worden aan de KULeuven, maar er waren amper vacatures. In 1957 kon hij als prof bedrijfseconomie aan de slag aan de pas opgerichte universiteit Lovanium in Belgisch-Kongo. Ik zat in het derde leerjaar; Herman in het vijfde. We stapten aan boord van een vliegtuig, een DC7, en vlogen naar Leopoldstad, het huidige Kinshasa. Van de ene dag op de andere werden we ondergedompeld in een totaal andere beschaving. De witte proffen woonden op de heuvel en hadden allemaal hun eigen villa. Er waren een paar Kongolese assistenten, zoals Joseph Kasavubu die drie jaar later de eerste president van het onafhankelijke Kongo zou worden.”

Na één jaar moesten jullie al terugkeren?

“Het plan was dat we er zes jaar zouden blijven, maar vader kreeg een vorm van malaria. Ook mijn zus Anita en ik kampten met hoge koorts; we lagen zelfs een tijdje in het ziekenhuis. In de zomer van 1958 keerden we noodgedwongen terug. Dat was een zware opdoffer voor papa. In ’65 werd hij uiteindelijk toch benoemd tot prof aan de KULeuven.

“De Kongolese onafhankelijkheidsstrijd maakten we niet mee, maar we waren wel getuige van de eerste schermutselingen nabij Leopoldstad. Ik keerde later nooit terug naar Kongo, Herman wel. Hij ging op zoek naar onze villa. Maar hij herkende niets meer, alles leek anders, met alleen nog verloederde gebouwen.”

U studeerde economie, net als uw vader?

“Ja, net als Herman en zus Anita. We kregen alle drie les van vader. Onze jongste zus Tine werd psychiatrisch verpleegkundige. Zij begon te militeren bij AMADA en is nog steeds actief bij opvolger PVDA.”

Had u daar ook kunnen belanden? In het jaar 1968 studeerde u in Leuven waar veel Vlaamse studentenleiders lid werden van de extreemlinkse Studentenvakbond (SVB). Later zou die vervellen tot AMADA.

“Heel de strijd rond ‘Leuven Vlaams’ ging aan mij voorbij omdat ik niet op kot zat. De democratisering vond ik positief, maar dat ultralinkse communisme lagen zowel mij als Herman niet. Wij engageerden ons bij de CVP-jongeren. Ik was gecharmeerd door de charismatische Leo Tindemans toen die in 1974 premier werd. Hij was een échte christendemocraat. Hij had een scherpe, rechtlijnige overtuiging. Hij lag ook vaak in de clinch met Wilfried Martens die toen partijvoorzitter was. Maar als hij ging spreken, kwam hij warm en emotioneel over. Hij nam Herman aan als hoofd van de studiedienst, terwijl ik voorzitter van de CVP-jongeren werd. Wij waren Tindemans-boys.”

Wijlen Johan Anthierens noemde u ‘de buikspreker van Tindemans’.

“Paul Goossens van De Morgen noemde me ‘Het verwaand professorszoontje.’ (lacht) De CVP-jongeren hadden in die tijd grote autonomie in de partij. In de nasleep van mei ’68 werkten CVP-jongeren zoals Martens en Jean-Luc Dehaene aan frontvorming met de socialisten. Hun ultieme doel was: één progressieve partij. Wij vonden dat maar niets. Onder Tindemans konden we eindelijk de eigenheid van de christendemocratie herstellen.”

Wat is die eigenheid?

“De CD&V is een waardenpartij met christelijke inspiratie. Onze positieve waarden zoals verbondenheid tussen mensen, samenwerking, verdraagzaamheid, dialoog en respect stonden lang onder druk. Tijdens de coronacrisis kwamen die opnieuw bovendrijven. Al is de samenleving intussen wel totaal veranderd. Het katholieke Vlaanderen werd pluralistisch en multicultureel; het platteland verstedelijkte. CD&V moest zich daaraan aanpassen en dat lukte niet zo goed.

“Rik Torfs zei ooit: ‘De christendemocratie is enerzijds-anderzijds.’ Hij zag de CD&V als een partij van het compromis. Ik debatteerde daar met hem over op tv. Niet veel later kreeg ik een brief van de toen hoogbejaarde Leo Tindemans. Hij schreef: ‘Eric, een partij van het compromis eindigt als een partij zonder opvattingen.’ Door telkens weer de synthese van links en rechts te maken, weet niemand nog waar wij voor staan. Wat bedoelen we precies met: ‘Wij zijn het centrum’? We moeten véél duidelijker durven zeggen wat onze standpunten zijn.”

Dat gebeurt nu te weinig?

“Op dit moment vertroebelt corona het plaatje voor alle partijen. Alexander De Croo en Frank Vandenbroucke zijn zowat de enigen die zich kunnen profileren. Maar de volgende maanden moeten wij, CD&V’ers, duidelijk uiteenzetten hoe wij willen dat onze samenleving evolueert. De digitalisering dringt nu heel diep door in ons bestaan. Ik vind dat echt niet gezond. Leven online bevordert enkel het individualisme. De CD&V moet de leiding van de gematigde krachten nemen in een samenleving die steeds meer gepolariseerd raakt. We moéten een dam vormen tegen het oprukkende extremisme en populisme. Waarom dienen wij Bart De Wever niet van antwoord als hij het smalend heeft over ‘Gutmensch Angela Merkel’?”

Uw relatie met Wilfried Martens was niet zo goed als die met Tindemans.

“Als voorzitter van de CVP-jongeren liet ik twee van zijn regeringen vallen. De eerste keer in 1979 over het communautaire, de tweede keer over het sociaaleconomische. In 1980 pleitte ik op ons congres voor een beleid van saneringen. ‘CVP-ministers zitten niet in de regering voor zichzelf, maar om onze opvattingen te verdedigen. Denk niet dat jullie onvervangbaar zijn.’”

Dat klinkt als oppositietaal tegen uw eigen eerste minister.

“Ik voérde ook oppositie, want ik was het niet eens met het totaal ontspoorde begrotingsbeleid. De geschiedenis gaf me later gelijk, toen Jean-Luc Dehaene de broeksriem stevig moest aanhalen om de Maastrichtnormen te halen.

“Wilfried Martens ging uithuilen bij Hugo Camps en noemde me ‘een demagoog’. Hij aanvaardde niet dat een anti-establishmentsfiguur zoals ik hem het vuur aan de schenen legde. Maar bij de verkiezingen van 1981 leidden we onze grootste nederlaag ooit: we duikelden van 43 procent naar 31.”

Als uw partij die uitslag nu zou halen, was het groot feest.

“Zeker. (lacht) Toen was het tijdens die vreselijk treurige verkiezingscampagne écht ruzie tussen Martens en Tindemans. Wij, CVP-jongeren, kregen de schuld dat we verdeeldheid hadden gezaaid. Wilfried Martens is me altijd blijven verwijten dat ik hem verantwoordelijk stelde voor de groei van de Belgische staatsschuld. Toen hij premier werd, bedroeg de Belgische schuld 37 miljard euro. Toen hij in 1992 vertrok, was ze opgelopen tot 198 miljard euro. Die cijfers liegen niet. We zijn nooit vrienden geworden, al had ik wel respect voor zijn lange carrière. Met een aantal staatshervormingen hielp hij het huidige België in de plooi leggen. Toen ik in 2013 een openhartoperatie moest ondergaan, stuurde hij me een brief. Dertig jaar eerder had hij exact dezelfde zware operatie ondergaan. Zijn brief raakte me. Ik heb nooit de kans gehad hem te bedanken, want drie weken later stierf hij.”

Op Yves Leterme bent u nog steeds boos?

“In 2011 verdween Leterme uit mijn leven; ik heb hem sindsdien niet gehoord of gezien. Ik denk ook niet dat we elkaar nog iets te vertellen hebben.

“Na de dioxinecrisis kwam in 1999 paarsgroen aan de macht. Ik was fractieleider en legde de socialistische, groene en liberale potverteerders het vuur aan de schenen. De pers was ons niet gunstig gezind; zij vond dat de christendemocraten beter een tijdje hun mond zouden houden. Wijlen Paul Van Grembergen van de Volksunie was een minzaam man. Maar tijdens het debat over de regeringsverklaring van de kersverse paarsgroene regering Dewael, zei hij: ‘Ik voel me net als Nelson Mandela: eindelijk bevrijd van de CVP-staat.’ Progressief Vlaanderen genoot ervan dat wij niet meer aan de macht waren. Die hele periode voerde ik op een correcte en moedige manier oppositie. Yves Leterme was fractieleider in de Kamer en we hadden een uitstekende relatie. Hij werd partijvoorzitter en smeedde het kartel CD&V/N-VA.”

Waar u geen fan van was, terwijl u nochtans Vlaamsgezind bent?

“Ik ben inderdaad Vlaamsgezind, maar ik hou niet van het confederalisme van N-VA. Samen met de socialisten en de liberalen hebben wij er de voorbije decennia met de staatshervormingen voor gezorgd dat onze regio’s de meeste bevoegdheden hebben van heel Europa. De Vlaamse Beweging heeft die staatshervormingen nooit goedgekeurd, terwijl zo hun eisen wel ingewilligd raakten.

“In 2004 vroeg Leterme me mee te onderhandelen voor de nieuwe Vlaamse regering. Ik voelde toen al afstandelijkheid. Vervolgens vroeg hij Unizo-topman Kris Peeters om minister te worden. Onze fractieleden werden gewoon genegeerd, terwijl ze jarenlang keihard gewerkt hadden en bewezen hadden wat ze waard waren. We moesten voor de nieuwe ministers Kris Peeters en Inge Vervotte stemmen. Zij haalden het niet. Leterme dreigde: ‘Als jullie ze in de tweede ronde opnieuw wegstemmen, is er geen regering.’ Met tegenzin werden Peeters en Vervotte aanvaard.”

U zag het ministerschap aan uw neus voorbijgaan terwijl u zelf ervaring had? Van 1995 tot 1999 was u Vlaams minister; u hervormde toen de VRT.

“Volgens Siegfried Bracke verdien ik voor die hervorming zelfs een standbeeld. (lacht) Broer Herman schreef me na het débacle met Leterme een brief: ‘Be Free, Eric. Herontdek de strijdbaarheid van je jonge jaren.’ Daarom begon ik mijn blog ‘Be Free’, waarin ik geen blad voor de mond nam. Ik bleef niet bij de pakken zitten, stortte me op de strijd voor de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde en werd commissievoorzitter. Volgens diezelfde Siegfried Bracke zelfs de meest gevreesde.”

Eric Van Rompuy, Rebel met een missie, Lannoo, 240 blzn., 24,99 euro

© Jan Stevens