Groene levenskunst

De Duitse filosoof Wilhelm Schmid blies met zijn succesrijke boeken over levenskunst een oeroude tak van de filosofie nieuw leven in. “Mijn levenskunstfilosofie wil mensen ertoe aanzetten het mooie leven te omarmen.” In het pas verschenen Groene levenskunst schetst Schmid waarom en hoe we in dreigende tijden van klimaatverandering onze levensstijl moeten vergroenen. “Onze ouders wilden ons een plaats om beter te leven nalaten. Nu gaat het om de essentie: wij moeten voor onze kinderen een plaats om te leven nalaten.”

Precies tien jaar geleden verscheen de Nederlandstalige editie van het boek Filosofie van de levenskunst van de Duitse filosoof Wilhelm Schmid (°1953). Schmid vond dat zijn vakbroeders de levenskunst, een van de basisthema’s uit de filosofie, uit het oog verloren waren. “Waarom zou niet iedereen een kunstwerk van zijn leven kunnen maken?”, vroeg hij zich af. “Waarom is die lamp en dit huis wel een kunstwerk, en mijn leven niet?” Met Filosofie van de levenskunst probeerde hij, met de hulp van de oude filosofen zoals Aristoteles en Socrates, een blauwdruk te maken van wat de fundamenten voor een goed leven zouden kunnen zijn voor mensen aan het begin van de 21e eeuw. In het laatste hoofdstuk schonk Schmid al aandacht aan een ‘goede’ ecologische levensstijl. “Op het moment dat de Duitse editie in 1998 verscheen, waren er duidelijke voortekenen dat het met ons klimaat niet goed zat”, zegt hij. “Maar de geëngageerde enkelingen riepen toen nog in de woestijn. Dat veranderde helemaal met de VN-klimaatconferentie van Bali in 2007. Sindsdien staat het thema van de klimaatverandering vooraan en groeit de aandacht bij massaal veel mensen over hoe ze hun eigen leven en dat van de samenleving op een duurzame wijze vorm kunnen geven.”

Dus vond Schmid het de hoogste tijd voor een ecologische update van zijn levenskunstfilosofie. In het pas verschenen Groene levenskunst gaat hij op zoek naar wat ieder van ons in zijn eigen dagelijkse leven kan doen om het milieu te redden. Ik ontmoet Wilhelm Schmid op een vrijdagavond in Brussel, waar hij net met het vliegtuig vanuit Berlijn gearriveerd is voor een citytrip met zijn vrouw. “Vliegen is zeker niet de meest ecologische manier van reizen”, verontschuldigt hij zich. “En ik gebruik het vliegtuig heel vaak. Maar het is niet verstandig om op een fundamentalistische manier een groene levenswijze na te streven. Ik ben een groot voorstander van pragmatisme. Om mijn vele vliegtuigreizen te compenseren, heb ik de energievoorzieningen in mijn huis radicaal veranderd. Ik haal niet langer energie uit atoomkracht, kolen of olie, maar uit hernieuwbare energiebronnen. Sommigen roepen hard en nemen sterke posities in, terwijl ze in hun dagelijkse leven geen poot uitsteken. Ik verkies een pragmatische visie, en maak compromissen met mezelf en met anderen. Mijn vrouw is niet erg geïnteresseerd in ecologie, dus zoeken we telkens weer overeenstemming. Elk compromis is beter dan helemaal niets doen.”

Groene levenskunst wil bijgevolg niet zeggen dat we allemaal milieuactivisten moeten worden en in bomen moeten klimmen om een bos te redden?

Wilhelm Schmid: “Dat soort van actievoerders geeft de groene levenskunst alleszins op een zeer geëngageerde manier vorm. Groene levenskunst begint thuis, bij je dagelijkse gewoonten. Want onze ingesleten verkeerde ecologische handelingen vormen een groot probleem. We hebben onszelf de verkeerde attitudes aangeleerd. Het allereerste waar je als ecologisch bewust wezen over moet nadenken, is: ‘Wat zijn mijn gewoonten?’ Ik heb net hetzelfde gedaan, en heb in kaart proberen brengen hoe ik omga met elektriciteit en verwarming. Het zit hem soms in kleine gedragsveranderingen die op jouw kleine schaal een vrij grote impact kunnen hebben. Waarom zou je het licht laten branden als je je werkkamer voor een uur verlaat? Misschien kom je ook met een graadje minder de winter door. Praktisch handelen is zeer belangrijk. In Groene levenskunst bied ik een aantal opties aan om ecologischer te gaan leven. ‘Weet je waar je voedsel vandaan komt? Zou het niet verstandiger zijn om lokaal groenten te kopen in plaats van boontjes in de supermarkt die uit Afrika geïmporteerd worden?’ Het is vervolgens aan jou om te kiezen of je voedsel zal consumeren dat van duizenden kilometers ver komt of van bij de boer vlakbij.”

Waarom zou je moeite doen om op een ecologisch verantwoorde manier te leven? Misschien is het toch al te laat?

“Er zijn twee grote redenen. Het eerste motief is uit onversneden egoïsme, uit ‘zelfliefde’. In het christendom bestaat een regel die iedereen kent, maar slechts weinigen ter harte nemen, ‘Heb uw naaste lief zoals uzelf’, zelfliefde als basis voor naastenliefde. Onze relaties met anderen winnen aan rijkdom als ze vrij zijn van direct eigenbelang. Helemaal onzelfzuchtig zijn we natuurlijk nooit: via een omweg komt de relatie met de ander toch weer onszelf ten goede. Innerlijke rijkdom verwerf je in het leven niet door jezelf, maar door de anderen. Als zelfliefde alleen zichzelf als doel heeft, is ze puur narcistisch, maar als ze vriendschap en liefde voor anderen mogelijk maakt, is ze een vorm van altruïsme. We zijn het dus aan onszelf en aan de anderen verplicht om onszelf graag te zien. Het gaat om mijn leven en dat speelt zich niet af op een geïsoleerd eilandje. Mijn leven is verbonden met de hele wereld: sociologisch en ecologisch. Het sociologische beseffen we heel goed, het ecologische niet. En als we er ons wel van bewust zijn, trekken we er ons vaak niets van aan. Ik heb veel respect voor het egoïstische motief. Het brengt mensen tot inzicht dat een betere ecologische levensstijl hun eigen vege lijf kan redden. Het tweede motief is idealisme: ik wil een ecologisch leven leiden omdat ik het de juiste weg vind. Niet alleen omwille van mezelf, maar omwille van de wereld waarin ik leef. Ik heb twee kinderen en ik wil hen een plaats om te leven nalaten. Mijn ouders wilden voor mij een plaats nalaten waar het economisch beter was om te leven. Anno 2010 stellen we het bijna allemaal materieel zeer goed. Nu hoeven we niet langer een plaats om beter te leven nalaten, maar gaat het om de essentie: om een plaats om te leven. Ik maak me veel zorgen over de klimaatverandering. Ik ben er eerlijk gezegd een beetje pessimistisch over. En dat ligt niet in mijn aard. Alle waarschuwingen van wetenschappers dat er met ons klimaat iets mis is, zijn de voorbije vijftien jaar ook uitgekomen. Dat zou ons droef moeten stemmen. Want misschien is het inderdaad al te laat. Ik haat die gedachte, maar het is niet ondenkbaar dat het worstcasescenario zich momenteel aan het voltrekken is.”

“Ik probeer de oude levenskunstfilosofie te herpropageren, maar het gaat me niet alleen over de filosofie. Ik wil als filosoof ook handelen, politiek actief zijn. Onze omgeving kan niet zonder politieke daden. Levenskunst is niet mogelijk zonder interesse in, en engagement voor de stad en het land waarin ik leef. Levenskunst is een keuze voor zin: erkennen dat het leven meer is dan eten, drinken en tv kijken. Veel mensen herleiden levenskunst tot een domme manier van hedonisme, want ze stellen zich geen vragen over wat hun pleziertjes zullen zijn de dag na morgen. Het is belangrijk dat je politiek bewust door het leven stapt. Kijk naar de recente gemeenteraadsverkiezingen in Nederland, naar welke partij er aan stemmen gewonnen heeft. Als je je kop in het zand steekt en alleen maar geïnteresseerd bent in het snelle plezier hier en nu, zou je op een dag wel eens kunnen ontwaken in een nachtmerrie waar een ‘mooi leven’ niet langer meer mogelijk is. In plaats van het over hedonisme te hebben en genot als het hoogste goed te zien, definieer ik levenskunst liever als het leiden van een mooi leven. Met ‘mooi’ bedoel ik: een leven waartegen ik ‘ja’ kan zeggen. Als ik tegen alles en iedereen kan zeggen: ‘Dit is mooi’, zeg ik: ‘Ja.’ Een mooi leven is een leven dat je wil omarmen. Het ecologische leven is voor mij een mooi leven. Ik leef mooi als ik dat leven kan bevestigen. Dat wil niet zeggen dat ik het huidige leven zoals het is kan omarmen, maar wel dat ik een levensrichting uitwil waartegen ik volmondig ja kan zeggen. Het is noodzakelijk om als mens dat doel te hebben. We moeten naar iets streven. Alleen zo krijgt ons leven een zekere zin.”

Veel moderne mensen zijn die zin kwijtgespeeld?

“Ze kampen met een verschrikkelijk gebrek aan zin in hun leven. We moeten opnieuw zin brengen in ons leven en dat is niet hetzelfde als jagen op geluk. Alleen als je leven zin heeft, kun je gelukkig worden. Niet omgekeerd. Een moment van geluk creëert misschien zin voor een dag, maar niet voor alle andere dagen die erop volgen. Onze voortdurende jacht op geluk is gedoemd om te mislukken. Teveel mensen associëren geluk met genot. Begrijp me niet verkeerd: ik heb geen enkel probleem met genot. Genieten is fantastisch. Maar genot is vluchtig. Het ene moment geniet je met volle teugen, een paar seconden later is het alweer voorbij. Wie een echt gelukkig leven wil leiden, moet niet alleen met genot en plezier kunnen omgaan, maar ook met pijn en lijden. Als je voortdurend het genot najaagt, eindig je als een uitgeput wrak. Zin maakt het mogelijk om moeilijke momenten te overwinnen. Als je een relatie met iemand begint waar je razend verliefd op bent, beleef je de eerste jaren veel gelukkige momenten. Waarna die gelukkige momenten zeldzaam worden. Die perioden van ‘ongeluk’ hoeven geen probleem te zijn zolang je de zin van die relatie maar blijft zien. Zolang je relatie een zin en een doel heeft, kun je de ongelukkige momenten de baas. ‘Dit is de man of vrouw waar ik een deel van mijn leven wil mee slijten. Met hem of haar wil ik kinderen. Die kinderen wil ik samen met hem of haar opvoeden. En van zodra de kinderen groot genoeg geworden zijn, wil ik met hem of haar een weekend in Brussel doorbrengen.’ (lacht)”

Recycleer jezelf

In Groene levenskunst beschrijft u hoe de eerste reis naar de maan van Joeri Gagarin in 1961 onze blik op de aarde en op onszelf radicaal veranderde.

“Dat was een belangrijk moment. Iedereen kent nu die foto van de aarde, genomen vanuit het heelal. Maar toen de mens voor het eerst naar de maan reisde, zagen we voor het allereerst in onze geschiedenis onze planeet als een geheel, als een diamant in een gitzwart universum. We werden er ons meteen van bewust dat dit een heel speciale plek is om op te mogen leven. De filosofen uit de Oudheid fantaseerden er al over om de aarde in zijn geheel te kunnen zien. Moderne mensen willen een foto van de realiteit zien: reality-tv. Die eerste beelden van de aarde vanuit de ruimte was een vorm van reality-tv: dit is jouw huis. Een blauwe planeet in een zwart heelal. We zagen toen ook hoe kwetsbaar de aarde is. Als we hier op een zonnige dag op aarde rondlopen, denken we: ‘Waar maken we ons zorgen over? Er is zoveel plaats.’ We hebben dan de grote blauwe hemel boven ons, maar vanuit het heelal zien we pas hoe dun die atmosfeer is, en hoe makkelijk het voor ons is om hem te beschadigen. Ecologie is trouwens eigenlijk een heel recente wetenschap: ze dateert uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Natuurlijk waren er veel wetenschappers en auteurs die daarvoor al aandacht hadden voor het milieu, maar pas in de tweede helft van vorige eeuw werd de graad van vervuiling zo belangrijk dat wetenschappers het de moeite vonden om dat hele fenomeen op een meer systematische manier te gaan onderzoeken.”

Begonnen we tezelfdertijd ook niet te beseffen dat we de controle over de technologie aan het verliezen waren?

“We zijn erachter gekomen dat ons bewustzijn niet langer op hetzelfde niveau staat als onze technologische mogelijkheden. Niemand dacht dat het gebruik van olie om auto’s aan te drijven tot zo’n immense vervuiling zou leiden. Nu weten we wat de consequenties zijn. Zelfs de op het eerste gezicht veilige technologie kan na verloop van tijd ontsporen. Het is niet simpel voor ons om de gevolgen op langere termijn van sommige toepassingen te begrijpen, laat staan in te schatten. Het echte probleem is eigenlijk niet de technologie, maar de energie die nodig is om technologie te produceren en aan de praat te houden. We moeten op zoek naar een nieuwe duurzame en CO2-neutrale energievorm. Daar wordt gelukkig hard aan gewerkt. Dé energie van de toekomst wordt waterstof en de brandstofcel die daarop werkt. Binnen een aantal jaren zullen auto’s op waterstof rijden en werken onze gsm’s op brandstofcellen. Waterstof kan ons redden. Er is geen alternatief. Dus moet daar nu veel in geïnvesteerd worden.”

Moeten we terug naar de natuur?

“Dat zouden we misschien moeten doen als we er een benul zouden van hebben wat de natuur objectief gezien is. Dat komen we echter nooit meer te weten. Duizenden jaren lang is de natuur veranderd door mensen. Niemand kan nu nog reconstrueren wat ‘puur natuur’ precies inhoudt. Onze ‘natuur’ zijn landschappen die dat door mensenhanden zijn aangelegd. Pure natuur hebben we trouwens niet nodig, wel een natuur waarin we kunnen leven. De cradle-to-cradlefilosofie van chemieprofessor Michaël Braungart, alles wat we produceren moet kunnen dienen als grondstof voor een nieuw product, vind ik een fantastische gedachte. Recycleren is prima. Alleen is er een klein probleem: we ademen. Daardoor stoten we zelf CO2 uit en veranderen we ongewild het klimaat. Totale recyclage is dus ondenkbaar. Ik ben erg enthousiast over recycleren, maar we moeten realistisch blijven en erkennen dat er altijd ‘afval’ zal blijven bestaan.”

“Recycleren wil ook zeggen dat je jezelf bewust bent van het principe van de kringloop, van de cyclus. We kunnen onszelf voorstellen dat we zelf deel zijn van een kringloop. We komen van ergens, we leven, sterven, en gaan naar ergens. Misschien zijn wij ook gerecycleerd. Natuurlijk is er geen enkele wetenschappelijke manier om dat te bewijzen. Dan zou het mogelijk moeten zijn om terug te keren naar het stadium voor onze geboorte, en om vooruit te snellen naar het stadium na onze dood. Dat lukt natuurlijk nooit. De gedachte dat we zelf gerecycleerd worden, kan alleen maar een manier van denken en voelen zijn. Voor je persoonlijke leven is het goed om jezelf en anderen te beschouwen als deel van een cyclus. Ik zie het zo. Ik ben er zeker van dat ik deel uitmaak van een kringloop.”

Sommigen zullen die gedachte onder het hoofdstuk ‘new age’ catalogeren.

“New age, old age, middle age, wat maakt het uit? (lacht) Ik ben alleen geïnteresseerd in filosofie: in nadenken, reflecteren over het leven en mezelf afvragen: is dit mogelijk? Ik ben op zoek naar waarschijnlijkheid, niet naar objectiviteit en ook niet naar pure subjectiviteit. Wel naar waarschijnlijkheid. Zijn er redenen om te geloven dat iets waar is? Zijn die redenen beter dan andere? Je kunt nooit alle redenen kennen, maar je kan er wel veel op het spoor komen. Ik ontdek veel redenen door veel te discussiëren met andere mensen. Zij kunnen me wijzen op dingen die ik vergeten ben, of nog niet ken. Na een hele tijd kan ik dan voor mezelf een conclusie trekken: vanuit mijn gezichtspunt ziet die waarschijnlijkheid er zus of zo uit. Wat niet wil zeggen dat ik mijn medemensen ervan wil overtuigen om mijn waarschijnlijkheden voor waar aan te nemen. Filosofie is niet het privilege van academisch geschoolden; we zijn allemaal filosofen. Natuurlijk zijn er professionele filosofen zoals ik, maar dat wil alleen zeggen dat wij veel meer tijd hebben om na te denken. Elke mens kan zich over alle aspecten van zijn leven afvragen of hij het juiste doet, of het verkeerde. Ik ben er trouwens van overtuigd dat er geen absoluut foute en absoluut juiste dingen zijn. We kunnen er wel over discussiëren over wat we verkeerd zouden kunnen vinden en wat niet. Zeker als het over ecologie gaat.”

Worden filosofen zoals u gehoord in onze samenleving?

“Vanuit het publiek is er veel interesse voor filosofie. Het probleem is dat er maar bijzonder weinig filosofen zijn die het publiek dienen. Filosofen hanteren een jargon, net als dokters, politici en advocaten. Maar door alleen maar dat jargon te gebruiken, sluit je als filosoof anderen uit. Dan ben je niet echt op een democratische manier aan het filosoferen. Ik probeer om mijn gedachten in een verstaanbare taal te formuleren, zodat iedereen deel kan nemen aan de discussie. Ik heb al heel wat gesprekken gevoerd in verschillende landen, en het is mijn ervaring dat veel mensen geïnteresseerd zijn om in debat met mij te treden. Of ik ook gehoord word door politici? Dat hangt er een beetje vanaf. Een tijdje geleden praatte ik met de Duitse president en ik ben ook een paar keer ontvangen door Duitse ministers, maar daar is het tot hiertoe bij gebleven. Er zijn jammer genoeg maar weinig professionele filosofen die zich inlaten met politiek. De meeste van mijn collega’s zijn er helemaal niet in geïnteresseerd. Het is alsof ze vergeten zijn dat er ooit een figuur geleefd heeft als Socrates, die van in het prille begin van zijn bestaan als filosoof politiek actief was.”

Hij komt ook opnieuw tot leven op het einde van uw boek: als Socrates 2x die terugblikt op het derde millennium.

“Socrates 2x ben ikzelf. (lacht) Ik neem de filosoof Socrates heel serieus. Ik heb hem intens bestudeerd. De manier waarop hij filosofie bedreef, is een voorbeeld voor mij. Hij claimde niet in het bezit te zijn van de waarheid, maar zocht samen met anderen naar de waarheid. Niet in zijn eentje op een zolderkamertje, maar samen met anderen. Voor politici is die zoektocht naar de waarheid niet vanzelfsprekend; zij denken vaak dat ze de waarheid in pacht hebben. Dat is ook hun job, maar het is onze job als filosofen om hen te vertellen dat het allemaal niet zo eenvoudig is als zij denken.”

U hebt een tijd als filosoof gewerkt in een ziekenhuis in Berlijn. Wat was uw taak?

“Praten, zowel met de patiënten als met het verplegend personeel. Iedereen in een ziekenhuis stelt zich vragen over het leven en over de wereld. Toen ik er begon te werken, vroeg ik me zelf af wat ik als filosoof in zo’n hospitaal zou kunnen gaan doen. Op het einde vroeg ik me af hoe het mogelijk is dat er niet in elk ziekenhuis een filosoof actief is. Het bulkt er van de filosofische vragen over leven en dood, van iedereen. En er is niemand die mee naar antwoorden zoekt. Geloof me vrij: filosoof is een job met toekomst.”

Wilhelm Schmid, Groene levenskunst, Ambo – Amsterdam, uit het Duits vertaald door Willem Visser, 143 blz., 19,95 euro

 

© Jan Stevens

Advertenties

Ode aan de arbeid

27_09_2005_02Begin volgend jaar verschijnt ‘Ode aan de arbeid’, de langverwachte nieuwe Alain de Botton. “Dit boek is mijn manier om na te denken over mijn eigen beroep. Ik wou leren van anderen om mijn vak beter te begrijpen.”

  

Elke ochtend om klokslag acht verlaat schrijver en filosoof Alain de Botton (1969) zijn huis in een rustige straat in het westen van Londen. Hij kijkt eerst rechts, vervolgens links, steekt de straat over, zoekt aan zijn sleutelbos de passende sleutel, draait het slot van het huis rechtover zijn huis open, beklimt de trap tot op het kantoortje in de nok van het dak, zet zijn computer aan en begint te schrijven. “Dit doe ik elke werkdag opnieuw, van acht tot vijf.” Alain de Bottons dagelijkse routine lijkt niet meteen op het romantische, avontuurlijke leven van een bevlogen schrijver, maar eerder op dat van een doorsnee saaie kantoorklerk – al werkt De Botton wel aan zijn oeuvre op een klein zolderkamertje. Verwarmd, helaas!

 

Lang voor de Engelse editie van De Bottons nieuwste boek ‘Ode aan de arbeid’ in april uitkomt, verschijnt begin volgend jaar de Nederlandse uitgave al. “De Nederlandse uitgever denkt dat hij snel is, maar de Turken zijn nog sneller. De Turkse versie ligt naar het schijnt nu al in de boekhandels.” Die race om wie als eerste met de nieuwe Alain de Botton kan uitpakken, zegt veel over de internationale populariteit van de in Zwitserland geboren Britse schrijver. In februari 2003 werd De Botton niet voor niets door de Franse minister van Cultuur tot Chevalier de l’Ordre des Arts et des Lettres geslagen.

Twee jaar geleden begon Alain de Botton vanuit ‘therapeutische overwegingen’ aan zijn ‘Ode aan de arbeid’ te werken. “Ik vraag me voortdurend af waarom ik schrijver geworden ben”, zegt hij. “Op een slechte dag verlang ik soms naar een andere baan, en op een goeie dag denk ik: ‘Waarom is niet iedereen een schrijver?’ Dit boek is mijn manier om te reflecteren over mijn eigen beroep. Ik wou leren van anderen om mijn vak beter te begrijpen.”

Alain de Botton besloot om de veilige cocon van zijn zolderkamer te verlaten. Hij trok de wijde wereld in om voor hem totaal onbekende beroepen te ontdekken – want de wereld van het échte werk, daar wist hij niks van. “Ik ben opgegroeid tussen dokters en advocaten”, vergoelijkt hij zijn onwetendheid. “En na mijn studies ben ik direct als schrijver beginnen werken. Tijdens de voorbereidingsperiode voor ‘Ode aan de arbeid’ las ik elke dag trouw de Financial Times. Telkens wanneer ik een artikel over een interessant bedrijf tegenkwam, knipte ik het uit en gooide het in een grote doos. Later stelde ik daar mijn ‘reisroute’ uit samen.”

Voor veel moderne mensen is hun werk het allerbelangrijkste in hun leven. Alain de Botton kan daar begrip voor opbrengen. “De oeroude Engelse working class-attitude tegenover werk, was dat je een week lang in ruil voor geld je nestel keihard moest afdraaien. In het weekend ging je dan op de lappen, ontmoette je vrienden en familie, oefende je een hobby uit en ging je naar het voetbal. En dat was je leven. De bourgeoisie had daar een andere mening over. Zij vonden ledigheid het oorkussen des duivels: teveel vrije tijd leidde alleen maar tot losbandigheid. Zij zagen hard werken als dé zaligmakende weg naar een goed leven. Vandaag is onze hele samenleving in de ban van die bourgeoisfilosofie. Prima, alleen mogen we niet vergeten dat veel jobs ondraaglijk hard zijn. Het moet geen pretje zijn om de zin van je leven te moeten distilleren uit ongezonde monotone arbeid. Ik kan me best voorstellen dat voor een arbeider aan de lopende band die theorie over ‘zingeving door werk’ op niets meer dan een wrede grap lijkt. Een mens haalt zin uit zijn arbeid door iets te maken wat iemand anders nodig heeft. Een bakker transformeert bloem in brood, een schrijver transformeert het alfabet in woorden en zinnen… Ze voldoen daarmee aan de behoefte van iemand anders. Een hartchirurg zal meer zin aan zijn werk ontlenen dan een magazijnier. Ik ben ervan overtuigd dat geld verdienen niet onze eerste drive is. We halen zin en plezier uit ons werk door anderen te helpen. Van zodra we niet meer kunnen zien hoe ons werk het bestaan van anderen verbetert, worden we depressief. Dat is een van dé grote problemen van onze moderne samenleving.”

 

Vis op het droge

Alain de Botton startte zijn reis door de wondere wereld van de arbeid in de haven van Londen. “Tot vlak voor ik aan het boek begon, wist ik zelfs niet dat Londen dokken had”, bekent hij. “Dokken hebben iets ouderwets: door de zware fysieke arbeid die er verricht wordt, zijn ze niet helemaal van deze tijd. Ze leken me dan ook een ideaal vertrekpunt om met een ode aan het hedendaagse werken te beginnen. Ik schaam me diep, maar ik heb in mijn hele leven nog nooit met mijn handen gewerkt. Ik ben ook nooit in dienst geweest op een kantoor met een pensioenplan, een HR-departement en de hele santenboetiek. Ik schreef mijn eerste boek op mijn 21e, vlak nadat ik van school kwam, en de bal ging toen meteen aan het rollen.”

In de Londense dokken kwam hij tussen de scheepsspotters terecht, geobsedeerde mannen die hun dagen vullen met het observeren van schepen. “Ik zag hen direct als een ‘wegwijzer’ voor de rest van mijn boek. Wetenschap en industrie worden vaak in handen gelaten van lichtjes geschifte kerels, van nerds. Ik wou die interesse redden uit de klauwen van de nerds, en er meteen ook op wijzen dat we misschien allemaal een beetje meer nerd moeten worden.”

Later wou De Botton een visfabriek bezoeken waar geïmporteerde warmwatervissen verwerkt worden tot kant en klare supermarktporties. “Ik wou weten waar de tonijnsteak op mijn bord vandaan komt. Ik heb geprobeerd om bij verschillende visfabrieken binnen te geraken, maar de bazen waren zeer achterdochtig. Op een bepaald moment hebben ze zelfs de politie op mijn dak gestuurd. De hele vissector zit in het oog van een storm. De oceanen zijn overbevist. Als je als schrijver of journalist om een rondleiding door een visverwerkend bedrijf vraagt, schieten de visboeren in paniek. Ze zijn bang dat je hen aan de ecologische schandpaal zal nagelen. Ik wou helemaal geen ecologisch verhaal vertellen, maar het menselijke verhaal en alle verschillende fasen van de tonijnvangst tot de verwerking in beeld brengen. Ik ben dan maar op eigen initiatief naar Male, de hoofdstad van de Malediven, gereisd, en kon daar een afspraak versieren met Abdulla Naseer, de minister van visserij. Hij bracht me in contact met een tonijnexporteur en met een groep vissers.”

De Bottons rondvaart op de Indische Oceaan werd niet meteen een pleziertocht. Van het begin tot het einde was hij zeeziek. “Eigenlijk was mijn reis voor het hele boek vrij gênant”, zegt hij. “Of ik nu tussen de vissers op de Malediven zat of tussen de accountants in een kantoorgebouw in Londen: ik voelde me constant als een vis op het droge. ‘Wie is die rare kerel daar in het hoekje?’ las ik op de gezichten van de mensen. Ik heb me twee jaar lang gegeneerd gevoeld. Ik was een toeschouwer die probeerde om niet op te vallen op plaatsen waar mensen me liever kwijt dan rijk waren. Al groeiden we soms toch nader tot elkaar: ik krijg nu nog altijd sms’jes van de vissers van de Malediven. Ze schrijven me dat ze vol ongeduld zitten te wachten op een exemplaar van ‘hun boek’.”

Halen de tonijnvissers voldoening uit hun werk? De Botton: “Ik denk het wel. Ze leiden natuurlijk een heel eenvoudig leven, ver weg van onze westerse verwachtingen en dromen. Veel westerlingen denken dat tonijnen gevangen worden door grote, gesofisticeerde vissersboten, maar dat beeld klopt niet. De verse tonijn die je hier in de winkel koopt, is een paar dagen eerder door iemand van op een gammel bootje de kop ingeslagen. De gegrilde tonijnsteak op je bord is het resultaat van een zeer innige, persoonlijke communicatie tussen een dier en een mens. Het meest bizarre vond ik het moment waarop de vissers begonnen te vloeken, roepen en tieren tegen die arme, weerloze tonijn. ‘Fucking bitch!’ Tegen een vis! (lacht) Waarna ze het beest de kop insloegen.”

 

Parels voor de zwijnen

Alain de Bottons zoektocht naar de ware aard van het verschijnsel werk bracht hem ook naar België, naar de chocoladefabriek van United Biscuits in Lambermont bij Verviers. “De Belgische fabriek heeft haar wortels in een artisanale traditie van fijne patisserie. Maar de overname door een Amerikaanse investeringsmaatschappij verplichtte haar om afschuwelijke koekjes van lage kwaliteit te gaan produceren. De fabriek in België maakt nu ook koekjes voor de Engelse markt. De Engelse koekjes van United Biscuits zijn altijd al van twijfelachtige allooi geweest. De Britten zijn dol op vet en suiker: zij houden niet van de echte, bittere smaak van chocola en kicken op zwaar gesuikerde brol. De Belgen maakten in het begin kwaliteitsvolle chocoladekoekjes voor de Britse markt, maar de Britten lustten ze niet. In Engelse koekjes zit 80% meer vet en suiker dan in Belgische. De werknemers van de fabriek in Lambermont raakten gedeprimeerd door de Engelse afwijzing van hun koekjes. Ze wilden trots zijn op hun producten, maar kwamen tot het trieste besef dat ze parels voor de zwijnen produceerden.”

Is dat verhaal niet typisch voor veel kleine, ambachtelijke bedrijven die overgenomen worden door mastodonten? De Botton knikt. “Jammer genoeg wel. We leven in een rare wereld waarin massa’s geld in fabrieken worden geïnvesteerd om minderwaardige producten aan de man te brengen. Terwijl de ambachtslui die schitterende koekjes produceren, of prachtige gedichten schrijven, sterven van de honger of amper het hoofd boven water kunnen houden. Het enige wapen daartegen is onderwijs. We moeten jonge mensen zo opleiden dat ze alleen maar de goeie dingen des levens willen. In de pre-industriële samenleving kon de kleine, ambachtelijke koekjesmaker die zijn klanten persoonlijk kende, wel overleven. De globalisering heeft veel kleinschalige kwaliteitsvolle ambachtslui de das omgedaan. Onze geglobaliseerde economie wordt vooral gedreven door geld. United Biscuits is geen producent van voedsel meer, maar een onderneming die dromen verkoopt. Kleine dromen die door marketeers verkocht worden. De koekjes worden niet langer geproduceerd door bakkers, maar door psychologen van de marketingafdeling.”

Toch houden onze commerciële maatschappijen met hun door marketeers geleide ondernemingen wel onze welvaart en ons welzijn op peil. “Dat klopt”, beaamt De Botton. “Communistische samenlevingen hebben bewezen dat ze in de praktijk weinig welzijn opleveren. Onze westerse decadentie is erg vruchtbaar gebleken. Een stad als Amsterdam is gebouwd op de handel in specerijen, chocolade, koffie, bloemen… op triviale dingen die veel geld opleverden waardoor er mooie huizen, musea en kerken gebouwd konden worden. Er is zeker een nauwe band tussen het hospitaal in Verviers en de koekjesfabriek in Lambermont. “

 

Middenin de heroïsche portretten van dokwerkers, fabrieksarbeiders, raketbouwers of accountants die De Botton in zijn ‘Ode aan de arbeid’ schildert, duikt plots het frêle beeld op van de totaal onbekende kunstschilder Stephen Taylor. “Taylor lijkt haaks te staan op alle andere beroepen waar ik het in mijn boek over heb, maar toch is ook hij een man aan het werk. Alleen ziet zijn werk er – net als dat van een schrijver – totaal verschillend van de anderen uit. Hij zwoegt vijf maanden aan een klein schilderijtje van twintig vierkante centimeter. Hij probeert vast te leggen hoe een blad van een boom eruitziet in de zomer, in de lente, in de herfst, in de winter. In een essay voor een tentoonstelling schreef hij ooit: ‘De afgelopen tien jaar was ik vooral geïnteresseerd in de veranderingen in het licht wanneer je naar de zon, en van de zon weg kijkt.’ Je kunt je afvragen waar zijn werk toe dient. Je kunt met zijn schilderijen je maag niet vullen, ze helpen ook niet tegen de kou. Het enige wat ze doen, is een klein moment van genot opwekken. En op zo’n kleine genotsmomenten is het hele leven van Stephen Taylor gebouwd. Daar verdient hij zijn bescheiden loontje mee. De voorbije twee jaar heeft hij het jaarsalaris van een weinig succesvolle loodgieter verdiend. Hij is een arme, idealistische man. Ik vind dat zeer bewonderenswaardig. Eigenlijk is hij een moderne heilige.”

 

Alain de Botton, Ode aan de arbeid. Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen. Verschijnt in januari 2009.

 

© jan@janstevens.be