“Wie zoekt naar geluk, vindt als eerste zijn ongeluk”

Op de radio een reeks over geluk, in de boekhandel stapels dikke geluksboeken en aan tafel de Belgische geluksambassadeur Leo Bormans en de Nederlandse filosoof Coen Simon die kibbelen over geluk. Simon: “Waarom moeten gewone mensen weten hoe ze gelukkig kunnen worden? Wapens zijn ook beschikbaar en die deel je toch ook niet uit?” Bormans: “Geluksonderzoek is iets helemaal anders.” Simon: “Wat is het verschil? Door het geluk aan gewone mensen te openbaren, maak je ze misschien net ongelukkig.”

 

Eind februari schreef Leo Bormans televisiegeschiedenis door de CANVAS-talkshow Reyers Laat twee minuten lang in absolute stilte onder te dompelen. “We tateren en kwetteren te veel”, zei hij tegen presentator Lieven Van Gils. “Laten we spraakmakende televisie maken door twee minuten te zwijgen.” Waarna gasten en gastheer elkaar 120 seconden lang sprakeloos en onwennig zaten aan te staren. Leo Bormans zat in Reyers Laat in zijn hoedanigheid van ‘geluksambassadeur’ die wereldwijd lezingen geeft over geluk, en als auteur van de internationale bestseller The World Book of Happiness, waarin hij honderd professoren in de positieve psychologie van overal ter wereld ondervraagt over hun kennis over geluk. “Iedere mens is op zoek naar geluk”, zegt hij. “Vraag aan om het even wie op om het even welke plaats ter wereld: ‘Waarom doe je de dingen die je doet?’ Het antwoord is bijna altijd: ‘Ik wil gelukkig zijn’, of: ‘Ik wil dat mijn kinderen gelukkig zijn.’ De drijfveer van mensen is geluk. In The World Book of Happiness inventariseer ik al het onderzoek en alle kennis over geluk. Toen ik aan het boek begon, was ik me er zelfs niet van bewust dat wereldwijd 3.000 professoren het geluk bestuderen. Aan honderd van hen heb ik gevraagd om hun onderzoek in duizend woorden samen te vatten. Op het internet kun je al die studies vinden, maar het viel me op dat de meeste mensen er nog nooit van gehoord hadden. Ik merkte dat er een immense kloof gaapte tussen Oxford Street en Main Street: de wetenschappelijke kennis over geluk was niet doorgedrongen tot de gewone mensen. Met mijn boek probeer ik die kloof te overbruggen.”

Half april verschijnt Leo Bormans’ nieuwe boek The World Book of Love, waarin hij naar analogie met zijn geluksboek, samen met psychologen, sociologen en antropologen op zoek gaat naar wat liefde is.

De Liefde, zo heet ook het café in het Amsterdamse Bilderdijkpark waar Bormans de degens over het thema geluk kruist met de Nederlandse filosoof Coen Simon. Simon is de auteur van Wachten op geluk, waarin hij stelt dat verlangen naar geluk zinvoller is dan geluk zelf, en hij schreef Schuldgevoel, het pas verschenen essay van de Nederlandse Maand van de Filosofie. Simon is ook een notoir criticus van sociale wetenschappers die kicken op onderzoek dat het menselijke geluk meet. Zo heeft hij een bloedhekel aan het experimenteel wetenschappelijk onderzoek naar geluk van de Rotterdamse hoogleraar sociologie Ruut Veenhoven, alias ‘de geluksprofessor’. Dat treft, want in Leo Bormans’ The World Book of Happiness, is Veenhoven juist één van de geconsulteerde professoren. “Ik zat ooit met Ruut Veenhoven in debat op de jaarlijkse Nacht van de Filosofie hier in Amsterdam”, zegt Coen Simon. “Ik vroeg hem hoe hij op wetenschappelijke wijze het geluk van andere mensen kon meten. ‘Ik vraag het hen gewoon’, antwoordde hij. De mensen in de zaal vonden dat heel grappig. Dat leek dus op een 1-0 voor de geluksprofessor. Maar toen ik begon door te vragen, bleek dat hij helemaal niet aan mensen vroeg of ze gelukkig waren. Hij peilde naar allerlei andere dingen en vermeed zelfs het woord ‘geluk’. Hij stelde vragen als: ‘Hoe geslaagd beschouw je je leven?’ en leidde daar zijn eigen geluksconstructie uit af.”

Leo Bormans: Dat klopt, Veenhovens meest gestelde vraag in zijn onderzoeken, luidt: ‘Ben je in het algemeen tevreden met het leven dat je leidt?’

Coen Simon: Precies. In plaats van naar geluk, peilt Veenhoven dus naar tevredenheid.

 

Verschillen tevredenheid en geluk dan zo erg van elkaar?

Bormans: Niet helemaal. Professoren als Ruut Veenhoven definiëren geluk als een vorm van actieve tevredenheid: kan ik me doelen stellen om mijn leven of dat van anderen te verbeteren? Religies maakten ons vroeger wijs: “Wees maar kalm, je moet tevreden zijn met wat je hebt.” Maar geluk is meer dan passief tevreden zijn met het leven dat je leidt.

 

Is geluk louter een filosofisch concept of is het een van onze primaire gevoelens?

Simon: Geluk definiëren vind ik heel moeilijk. Veel situaties in je leven associeer je met gevoelens van geluk zonder dat de gebeurtenissen of plekken die eraan vasthangen met elkaar te vergelijken zijn. Ik ben bijvoorbeeld al eens heel erg gelukkig geweest op deze plaats hier, toen dit café er nog niet was en er in dit park een buurthuis stond. Ik was student in Amsterdam en mocht hier met een bandje spelen. Dat was een fantastische ervaring: toen voelde ik me gelukkig.

De mens zit vol uiteenlopende, tegenstrijdige hartstochten en op momenten dat we ons vervelen steken al die verlangens de kop op. Als je kinderen zich vervelen, mag je gerust een hele lijst opsommen met: “Wil je dit? Wil je dat? Wil je zus? Wil je zo?” Alleen zal die lijst hen nooit voldoening schenken, omdat het verlangen van een mens die zich verveelt, onbepaald is. Om gelukkig te zijn, is het essentieel dat je een spel kan spelen waarin je verlangens een bepaalde vorm krijgen. Die spellen kunnen zowel letterlijk als figuurlijk zijn, maar het spelen zelf is belangrijk. In heel ons bestaan zijn er allerlei vormen van spel die een zekere vorm geven aan ons leven. Muziek, voetbal of biljart horen daar ook bij.

Bormans: Jouw spel is eigenlijk hetzelfde als wat Ruut Veenhoven bedoelt met actie, met iets willen doen om gelukkig te worden.

Simon: Nee, mijn spel is een zelf opgelegde structuur die we volgen. Je kunt het vergelijken met samen muziek spelen: het maakt niet uit wanneer je start of hoe je start, maar op het moment dat er een maat is, volg je die. Zo zitten mensen nu eenmaal in elkaar en dat is ook de manier waarop ze proberen gelukkig te worden.

 

Het Vlaamse Christelijke ziekenfonds CM, meet sinds een paar jaar het geluk onder haar leden. In 2012 noemde 46% van de aangeslotenen zich gelukkig, twee jaar eerder was dat nog 59%. Waarom onderzoeken en meten we zo graag ons eigen geluk?

Simon: Ik heb het heel moeilijk met al dat sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar geluk. Je kunt gewoon niet meten hoe gelukkig we zijn. Het grote probleem is dat de inhoud van het begrip ‘geluk’ langzamerhand bepaald wordt door al die onderzoeken naar geluk. Door geluk te onderzoeken en mensen te vragen hoe gelukkig ze zijn, ga je als onderzoeker zelf sturen en geef je op voorhand een deel van het antwoord.

Bormans: Mensen worden niet door die onderzoeken gestuurd, maar door het economische denken: door wat de reclame en de media ons proberen wijs te maken over hoe we gelukkig kunnen worden.

Simon: Ons geluksbeeld wordt niet alleen door de reclame bepaald, maar ook door sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Wat is er trouwens mis met een verlangen dat ontstaat uit marketing?

Bormans: Dat is toch heel erg fout? Een tijd geleden hoorde ik een ouder vertellen: “Mijn kinderen mogen voor Sinterklaas alles vragen wat ze willen. Ze krijgen de folder van de speelgoedwinkel en daar mogen ze uit kiezen wat hun hart verlangt.” Rond dezelfde tijd zag ik op tv een reportage waarin aan kinderen gevraagd werd: “Wat wil je het liefst?” Hun antwoorden waren ontnuchterend. “Dat mijn papa verstoppertje met mij speelt”, en: “Met ons gezin blootsvoets over het strand lopen”, of: “Een boomhut bouwen.” Die opties vind je niet in een speelgoedfolder. Ik geloof niet in het “Wat wil je het liefst?’-geluk dat ons wordt opgelegd door puur economisch denken en door de reclame, met de bedoeling om ons alleen nog consumerend door het leven te laten stappen.

Simon: Ik vind het bizar dat je zo tegen dat ‘economisch denken’ fulmineert, want de economie is gefundeerd op hetzelfde sociaal-wetenschappelijk onderzoek waar jij bij jouw bepaling van geluk zo hoog mee oploopt.

Bormans: Jouw ‘verlangen’ heeft vooral met verlangen naar een ander, of naar een ander object of een andere situatie te maken, terwijl geluk eigenlijk een manier van zijn is. In de liefde gaat het ook niet over ‘I love you’, maar ‘I love’. Als je in staat bent om je ouders, je kinderen, de natuur, je hond lief te hebben, zit je in het stadium ‘I love’. ‘I love you’, van één welbepaalde mens houden, is pas mogelijk als de basisvoorwaarde ‘I love’ vervuld is. Ik heb de indruk dat in het Oosten de nadruk ligt op ‘I love’, terwijl het in het Westen vooral gaat over ‘I love you’, de Hollywoodversie van de liefde. Dezelfde verschillen zijn er in onze benadering van geluk: de Westerse visie op geluk is meer gericht op het individu en de Oosterse op het ‘wij’. Een Chinese psychiater vertelde me: “Als ik aan mijn patiënten vraag: ‘Bent u gelukkig?’, kunnen ze daar niet eens antwoord op geven. Maar als ik vraag: ‘Is uw familie gelukkig?’, praten ze daar een uur over.” Vraag aan een Amerikaan of hij gelukkig is en hij zal je een uur lang over zijn individuele geluk onderhouden. Vraag hem of zijn familieleden gelukkig zijn, en hij zal ze niet eens weten wonen.

 

In de wilde jaren zestig en zeventig was geluk vooral het hedonistisch nastreven van genot. Hebben we daar voorgoed afscheid van genomen?

Bormans: Geluksonderzoek leert ons dat geluk niets met genot te maken heeft. Vroeger associeerden we geluk inderdaad met sex and drugs and rock ‘n roll. Coca-Cola gebruikte niet voor niets de slogan ‘Enjoy Coca-Cola’: ze gingen ervan uit dat genot onze drijfveer was. Nieuw onderzoek door de psychologen van Coca-Cola zelf bracht aan het licht dat mensen niet naar genot zoeken, maar naar ‘hope and happiness’. Dus heeft Coca-Cola wereldwijd haar slogan veranderd in ‘Open Happiness’. Zo maken ze je wijs dat je in plaats van een flesje ongezond, een flesje ‘happiness’ opent. Geluk gaat niet over hedonisme, maar over hoe tevreden iemand met zijn leven is.

 

Wat is er eigenlijk mis met ontevredenheid?

Bormans: Niks. (lacht) Niemand verplicht je om gelukkig te zijn, want dan word je pas erg ongelukkig. Met die overvloed aan boeken over geluk zou je nog gaan denken dat je per se gelukkig moét zijn. Dat is niet zo. Ik kan je niet verplichten tot gelukkig zijn, maar dankzij het geluksonderzoek ken ik wel een aantal zaken die kunnen bijdragen tot je geluk.

Simon: Je stelt dat geluksonderzoek nu wel heel vrijblijvend voor, terwijl het dat niet is. Van zodra je wetenschappelijk onderzoek voert naar geluk, mensen voorhoudt hoe ze gelukkig kunnen worden en geluk koppelt aan het beeld van ‘de gezonde mens’, zullen mensen die niet aan dat beeld voldoen zich op een of andere manier verplicht voelen om volgens bepaalde voorschriften te gaan leven. Weet je wat je bewerkstelligt met je geluksonderzoek? Dat je door te vragen of ze gelukkig zijn, mensen bewust laat worden van hun ongeluk. Zou het niet veel verstandiger zijn om alleen die mensen te helpen die een pleister komen vragen om het bloeden te stoppen? Ik vermoed dat we op die manier de wereld veel gelukkiger kunnen maken, in plaats van aan iedereen met wie niets aan de hand is, te vragen: “Is er misschien iets aan de hand met u?” Mijn oude huisarts zei al: “Als we zoeken, meneer, vinden we altijd iets.” We moeten juist niets zoeken. Want als je zoekt naar geluk, vind je als eerste je ongeluk.

 

In Toen wisten we alles schrijft Coen Simon over “het geluk dat uit ‘gelukken’ voortkomt – het gelukzalige gevoel dat hoort bij het behalen van een doel.” Is dat niet de simpele essentie van huis- tuin- en keukengeluk?

Bormans: Voor sommige mensen zal dat bereiken van doelen een gelukservaring opleveren, terwijl anderen dan misschien weer genoeg zullen hebben aan mediteren, aan het loskomen van de werkelijkheid. Er zijn mensen die heel gelukkig zijn als ze mediteren, als ze bewust in het hier en nu staan.

Simon: Mensen die ‘loskomen van de werkelijkheid’, doen dat in deze wereld, in deze werkelijkheid. Zij hebben altijd publiek. Ook de kluizenaar die zich van de wereld terugtrekt, is kluizenaar bij gratie van de rest, misschien nog meer dan degene die opgaat in de massa. Ik zie veel meer heil in dat idee van het geluk uit ‘gelukken’. Daarom vind ik dat ons geluk in het spelen ligt. Als we naar een voetbalmatch kijken, interpreteren we vaak winst als doel van het spel, terwijl winst er alleen een noodzakelijk onderdeel van is. Je moet kunnen en willen winnen, anders kun je geen spel spelen, maar de overwinning kan nooit het doel zijn. Het doel is altijd het spel zelf, en niet de winst. Als het wel de winst zou zijn, zou niemand op zaterdag of zondag nog gaan sjotten om na de match aan te sluiten bij de grote rij verliezers. Want in een spel zijn er altijd meer verliezers dan winnaars.

 

Bij geluk is het verlangen ernaar, belangrijker dan het uiteindelijke doel, het geluk?

Bormans: Nee. Een kind dat met de blokken speelt en een toren bouwt, is gelukkig. Dat bouwen van die toren zelf is nochtans zinloos, want het kind breekt hem af en begint aan iets anders. Het spel maakt dat kind gelukkig omdat het intern gemotiveerd is. Als je werk je roeping is, en je vertrekt niet elke ochtend naar kantoor omdat het moet, maar omdat je het zelf wil, ben je een gelukkig mens, want je bent intern gemotiveerd. Maar je kan niemand verplichten tot interne motivatie. Er zijn drie parameters die ertoe kunnen bijdragen dat mensen hun eigen leven in handen nemen en zo hun geluk vergroten: autonomie, competentie en connection. Autonomie wil zeggen dat mensen zelfstandig kunnen beslissen over wanneer ze beginnen werken, bijvoorbeeld. Of over welke doelstellingen ze willen nastreven. Competentie is: de juiste man op de juiste plaats. Veel mensen hebben het gevoel dat op het werk hun competenties niet juist worden ingeschat. En het derde is connection: we worden gelukkig door verbonden te zijn met een groter geheel, met andere mensen.

 

Volgens Jean-Paul Sartre waren de anderen juist de hel.

Bormans: Ik geloof niet in ‘L’ enfer, c’ est les autres’. Integendeel, ‘L’ enfer, c’ est l’ abscence des autres’.

 

Hebben veel mensen het niet heel moeilijk met autonomie? Mensen die op het werk liever zelf niet beslissen, maar zich beter in hun vel voelen als ze het voor hen keurig uitgestippelde pad kunnen volgen? En zijn echt zoveel mensen in staat om hun competenties juist in te schatten?

Simon: Dat is een terechte opmerking. Als ik naar mezelf kijk, kan ik niet anders dan vaststellen dat ik af en toe naar gezag verlang. Natuurlijk zijn er mensen die daar lak aan hebben en zich veel beter in hun vel voelen als ze hun lot zoveel mogelijk in eigen handen kunnen nemen. Maar we zijn niet allemaal ‘onze eigen schepper’. Het allergrootste probleem vind ik dat al die geluksonderzoekers het ongewisse van de wereld gewoon negeren. De wereld bepaalt minstens voor de helft ons lot. Je kunt jezelf niet identificeren zonder de wereld. Als het geluksonderzoek je dan aanpraat dat de omstandigheden waarin je beland bent, je ongelukkig maken, zal je je misschien ook zo gaan voelen. Terwijl dat helemaal niet zo hoeft te zijn.

 

De Duitse filosoof Peter Bieri praat nooit over geluk. Hij zegt: “Er bestaat een gigantische geluksindustrie, en toch blijft geluk een zeer oppervlakkig concept. Het leven draait niet om geluk maar om wat belangrijk is, om wat er echt toe doet. De dingen die belangrijk zijn in een leven, dragen niet noodzakelijkerwijze bij aan het geluk. Pijn kan belangrijk zijn, net als teleurstelling. Die ervaringen maken het leven dieper, rijker en interessanter.”

Bormans: We hebben allemaal recht op verdriet en pijn. Ik ben geen geluksprediker, hé. Ik rij niet met mijn auto vol ballonnen door het land en ik sta ook niet met pluimen in mijn gat op tafel te dansen. Natuurlijk hebben we recht op onze pijn en ons verdriet. Maar dat belet niet dat wij ook kunnen proberen om, ondanks alles, toch gelukkig te zijn. Ik geloof helemaal niet in dat liedje: ‘Don’t worry, be happy.’ Ik heb buttons laten maken waarop staat: ‘Do worry, be happy.’ Trek het je aan, want er gaat veel fout in de samenleving, maar dat mag ons niet beletten om gelukkig te zijn. Zeg ik daarmee dat je gelukkig moét zijn? Helemaal niet, maar we kunnen wel met z’n allen nadenken hoe we zelf gelukkig kunnen worden, en hoe we kunnen werken aan het geluk van anderen.

Simon: Toch beweer jij dat je weet hoe wij gelukkig kunnen worden. Je neemt nog net het woord ‘geluksformule’ niet in de mond.

Bormans: Nee, die ene weg naar geluk bestaat niet. Er zijn altijd veel meer mogelijkheden. Ik geloof in ‘possibilisme’, wat iets totaal anders is dan optimisme. Possibilisme wil zeggen dat er veel meer mogelijkheden zijn dan degene die de reclame, de politiek of het gangbare denken ons voorhouden. Kijk na hoeveel methoden er zijn, verken ze, en maak dan een keuze die voor jou geschikt is. Possibilisme is een combinatie van geloof en gedrag: geloof eerst dat er meer mogelijkheden zijn en gedraag je daarnaar. Ik heb chirurgen horen zeggen: “Als een zwaar zieke patiënt ‘Ik ga dood’ jammert voor een operatie, is de kans groot dat hij de ingreep niet overleeft. Als hij daarentegen zegt: ‘Ik wil leven’, is zijn kans op overleven veel groter.” Mensen die in een goede afloop geloven, gedragen zich ook zo, en gaan dus een gelukkiger leven tegemoet.

 

U verplicht ons niet om gelukkig te worden?

Bormans: Absoluut niet. Maar als je beslist om ongelukkig te zijn, is dat maar voor een deel jouw keuze. Veel wordt bepaald door je genen en door de maatschappij waarin je leeft. Denk je dat drugverslaafden bewust ongelukkig willen zijn? Die streven ook naar het geluk, alleen zoeken ze het in de verkeerde middelen. Het gaat me echt niet over happiness voor de happy few. Het enige wat ik wil, is die brug slaan tussen Oxford Street en Main Street.

Simon: Waarom moet Main Street eigenlijk weten hoe ze gelukkig kan worden? Wapens zijn ook beschikbaar en die deel je toch ook niet uit?

Bormans: Ik vind geluksonderzoek iets helemaal anders dan wapens.

Simon: Wat is het verschil? Door het geluk aan Main Street te openbaren, maak je al die gewone mensen misschien juist ongelukkig, want dan zullen ze denken: “Oei, wat is er mis met mij?”

Bormans: Ik heb op lezingen duizenden mensen ontmoet, en ik heb niemand ongelukkig zien buitenstappen. Integendeel.

 

Kunnen mensen zichzelf geluk wijsmaken: dat ze denken dat ze gelukkig zijn, terwijl ze in werkelijkheid ongelukkig zijn?

Simon: Dat gaat niet, nee. Een vast onderdeel van geluk is natuurlijk dat je denkt dat je gelukkig bent.

Bormans: Daar ben ik het mee eens. Ik kan me wel inbeelden dat sommige mensen ongelukkig worden doordat ze te veel nadenken over hoe ze gelukkig zouden willen worden. Net zoals sommige mensen de liefde niet willen ontmaskeren en een mysterie willen laten zijn. Fijn, maar dan moeten ze vooral de onderzoekskennis in mijn boeken niet lezen.

Simon: Ach, mensen mogen dat gerust lezen, want het mystieke blijft altijd bestaan. Ik zal jouw nieuwe boek over liefde overigens graag lezen, hoor. Vooral om er dan achteraf heel hard op te kunnen afgeven. (algemene hilariteit)

 

 

 

Leo Bormans

Geboren in 1954.

Studeerde Germaanse filologie.

Gaf in de jaren zeventig en tachtig les.

Werkte in de jaren tachtig en negentig als freelancer voor Het Nieuwsblad en vtm.

1990: stampt het onderwijstijdschrift Klasse uit de grond en wordt er hoofdredacteur van.

2008: publiceert het jeugdboek Alle dagen feest dat genomineerd wordt voor de Boekenleeuw.

2010: publiceert The World Book of Happiness in het Engels, Nederlands, Frans en Duits.

2012: verlaat Klasse en gaat lezingen geven als ‘internationaal geluksambassadeur’.

2013: publiceert The World Book of Love.

 

 

Coen Simon

Geboren in 1972.

Studeerde wijsbegeerte.

Publiceerde in kranten en tijdschriften en was redacteur bij Filosofie Magazine.

2003: debuteert met De wereld tussen haakjes, een verzameling filosofische beschouwingen.

2005 – 2006: hoofdredacteur van Bres, ‘tijdschrift voor wetenschap en verwondering’.

2006: Kijk de mens, filosofische etiquette.

2007: Lachen om niets.

2009: Waarom we onszelf zoeken maar niet vinden.

2010: Zo begint iedere ziener.

2011: publiceert En toen wisten we alles, waarmee hij in 2012 de Socrates Wisselbeker wint voor ‘het meest prikkelende filosofieboek’.

2012: Wachten op geluk.

2013: schrijft met Schuldgevoel het essay voor de Maand van de Filosofie.

 

 

 

© Jan Stevens

Advertenties

Gen voor geluk

Stel dat geluk een kwestie is van genetica. Stel dat er iemand op aarde rondloopt wiens gen voor geluk optimaal ontwikkeld is. Stel dat een wetenschapper erin slaagt om aan de hand van zijn of haar DNA de ultieme gelukspil te ontwikkelen. Zou u die pil dan slikken? Auteur Richard Powers denkt van niet: “We zijn niet in de eerste plaats op zoek naar geluk, wel naar zingeving.”

In zijn briljante roman Een gen voor geluk duikt de Amerikaanse auteur Richard Powers (52) diep in onze genenpoel. Hij vraagt zich af wat er zal gebeuren als er ooit een wetenschapper opstaat die beweert dat hij de genetische basis voor geluk ontsluierd heeft. In schitterend proza stelt Powers pertinente vragen over onze verwachtingen en over de rol van wetenschappers in onze queeste naar geluk. In Een gen voor geluk gaat Powers ook op zoek naar de zin of onzin van het schrijverschap. En passant geeft hij bikkelharde kritiek op de ranzige manier waarop al dan niet anonieme bloggers de persoonlijke levenssfeer van individuen op het net te grabbel gooien. “We zijn op een punt aanbeland waarop het persoonlijke en het publieke totaal in de war geraakt zijn. Het lijkt steeds meer alsof privacy een anachronisme geworden is.”

Miss Generosity

In Een gen voor geluk vertelt Richard Powers het verhaal van de tweeëndertigjarige mislukte schrijver Russell Stone. Stone werkt als eindredacteur voor een ‘zelfhulptijdschrift’ waarvan alle teksten geleverd worden door de abonnees. Toen hij pas als master in de kunst afgestudeerd was, leek het even alsof hij een succesvol schrijver zou worden. In een paar weken tijd slaagde hij erin om drie essays over bestaande mensen aan evenveel gerenommeerde tijdschriften te verkopen. Maar nadat zijn hoofdpersonages zich tegen hem keerden en een van hen zelfs een mislukte zelfmoordpoging ondernam, kreeg hij geen beklijvende zin meer op papier.

Op een dag krijgt Russell Stone het aanbod om tijdelijk aan de universiteit van Chicago een avondcursus ‘creatieve non-fictie’ te doceren. In die cursus maakt hij kennis met de jonge Algerijnse vluchtelinge Thassa Amzwar. Ondanks alle gruwelen die ze in haar geboorteland meegemaakt heeft, straalt Thassa van levensvreugde. Haar medestudenten raken in de ban van haar gelukzaligheid en noemen haar Miss Generosity – Miss Mildheid. Russell maakt zich zorgen over Thassa’s permanente opgewektheid. Hij vraagt zich af of ze aan een vorm van posttraumatische stress lijdt en gaat te rade bij de universiteitspsychologe Candace Weld. Ook zij laat zich overrompelen door Thassa’s levensvreugde.

De befaamde geneticus en gehaaide zakenman Thomas Kurton is al geruime tijd op zoek naar het gen voor geluk. Als hij hoort over het immer gelukkige Algerijnse meisje, wil hij haar genetisch materiaal onderzoeken. Zij gaat ermee akkoord, waarna Kurton fier aan de wereld laat weten dat hij het geluksgen op het spoor is. Russell en Candace moeten daarna lijdzaam toezien hoe Thassa vermalen lijkt te worden in een steeds hysterischer wordende mediahype.

Depressiegen

Richard Powers heeft een ijzersterke reputatie als het op het verweven van wetenschap in literatuur aankomt. In 1991 schreef hij The Gold Bug Variations, een eerste roman waarin genetica centraal stond. “Ik wou dolgraag dat onderwerp nu opnieuw behandelen”, zegt hij. “Want achttien jaar is een eeuwigheid in de genetica. Begin jaren negentig dachten we dat de mens over ontelbaar veel genen beschikt en dat elk gen één proteïne synthetiseert. We wilden de genendoos openen in de hoop een deterministisch model te ontdekken. Nu die doos voor ons open ligt, is genetica geëvolueerd naar genomica, de studie van genomen. We zijn geëvolueerd van een geloof dat we erfelijkheid kunnen begrijpen aan de hand van individueel gecodeerde genen, naar het besef dat we te maken hebben met een complex genenkluwen. De wetenschappers zijn erachter gekomen dat genetica allesbehalve eenvoudig en voorspelbaar is. Ze weten nu dat er veel turbulentie is die veroorzaakt wordt door massale prikkels van buitenaf.”

Een paar jaar geleden hebt u uw eigen genoom in kaart laten brengen.

“Ik ben de negende persoon op aarde die zijn genoom heeft laten sequencen. Eén van de conclusies was dat ik drager ben van het in 2003 door wetenschappers ontdekte depressiegen. Uit hun onderzoek bleek dat de werking van een bepaald gen het risico op depressie serieus vergroot. Nadat ik dat te horen kreeg, begon ik mezelf voortdurend te observeren en in vraag te stellen. Ik raakte er zelfs van overtuigd dat ik al heel mijn leven min of meer depressief was, maar dat ik het nooit zo had durven benoemen. Ik begon ook te geloven dat mijn schrijverschap een poging was om die donkere wolk te verdrijven. Tijdens het schrijven van mijn vorige roman, De echomaker, werd ik me bij mezelf bewust van een verlangen naar duisternis. Een gen voor geluk ben ik als een vorm van therapie beginnen schrijven. Toen dit boek in Amerika in de zomer van 2009 gedrukt werd, verscheen een nieuwe gezaghebbende studie die alle voorgaande studies over het depressiegen naar de prullenbak verwees. Ze stelde dat het veel te vroeg was om het betreffende gen aan depressie te koppelen. Van de ene op de andere dag voelde ik me stukken beter. (lacht) Op het einde van Een gen voor geluk komt Russell Stone tot een gelijkaardige conclusie: ‘Had Thassa Amzwar eigenlijk wel iets uitzonderlijks in haar genen waardoor ze steeds zo vrolijk door het leven huppelde? Of was haar eigen wil er misschien verantwoordelijk voor dat ze de stress uit haar omgeving het hoofd kon bieden?’ Het is nog veel te vroeg om te geloven dat gemoed en temperament gevat kunnen worden in een of andere genetische formule. De relatie tussen nature (aanleg) en nurture (opvoeding) is en blijft ongelooflijk gecompliceerd.

“De wetenschap levert fantastisch werk: we hebben ongelooflijke dingen bereikt in het ontrafelen en begrijpen van het menselijke genoom. Maar het probleem is dat onze vrije markteconomie ervoor gezorgd heeft dat wetenschap gezien wordt als de zoveelste competitieve business. Om subsidies en fondsen los te weken, moeten wetenschappers telkens weer de nadruk leggen op de potentiële commerciële toepassingen van hun nieuwe ontdekkingen. Wetenschappelijk onderzoek moet passen in ons geloof dat we ons probleem wel zullen kunnen oplossen als we maar de juiste pil nemen of op het juiste knopje drukken. Toeval moet uitgeschakeld worden en ‘kans’ moet vervangen worden door ‘keuze’.

“Ik zeg niet dat de wetenschap niet langer mag zoeken naar middelen om het geluksgevoel van mensen op te vijzelen. Wie met een depressie kampt, vindt vaak heil bij een pil. Maar ik vind wel dat we de leugen moeten doorprikken dat de wetenschap ons tegen betaling voortdurend middelen kan bieden om onze levensvreugde op te krikken. Door het model van ‘geluk-op-basis-van-producten’ te omarmen, vergeten we dat we in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor ons welbevinden. Teveel mensen leven nu in de veronderstelling dat wetenschap de zinsgevingsvragen voor hen zal oplossen. Prozac kan je depressie helpen verdrijven, maar daarnaast weet je ook dat je om een zinvol leven te leiden, genereus moet blijven tegenover andere mensen. Je moet zelf betekenis proberen geven aan elke dag op aarde. Een pil zal dat niet voor jou doen.”

Creatieve non-fictie

Een gen voor geluk begint in een heel bijzondere stijl. U zoomt in en uit op de hoofdpersoon Russell Stone tijdens zijn rit in de metro op weg naar zijn allereerste college creatieve non-fictie. Het moet geen sinecure geweest zijn om op die manier te schrijven?

“Dat is ook niet van de eerste keer gelukt. Ik ben dit verhaal beginnen schrijven op een veel realistischer manier. Rechttoe, rechtaan, in opeenvolgende conventionele scènes. Hoe dieper ik in het boek geraakte, hoe duizeliger ik werd van de gedachte van op welk soort wereld we aan het afstevenen zijn. Ik ervoer steeds meer de nood aan een nieuwe vorm van vertellen die de dingen telkens weer vanuit een ander perspectief bekijkt. Ik besloot de aanpak van mijn roman helemaal te herzien en creëerde een focustechniek om de vorm van het boek meer te laten aansluiten bij de inhoud.”

Voor zijn schrijfcursus gebruikt Russell Stone als leidraad het door u verzonnen boek Make your writing come alive van ene Frederick P. Harmon.

“Ik heb veel plezier beleefd aan het verzinnen van een boek dat de draak steekt met de schrijfindustrie. Creatief schrijven en je eigen boeken uitgeven, is in de VS een hype. Het lijkt op zelfhulp: ‘Hoe kun je een betere schrijver worden?’ Stone had voor zijn cursus creatieve non-fictie een cursusboek nodig, dus heb ik er zelf een verzonnen. Aan de ene kant is het werk van Harmon een parodie op het genre, aan de andere kant zitten er natuurlijk ook bruikbare tips in. In het geval van Russell Stone krijgt die schrijvershandleiding een bijzonder ironische bijklank. Hij heeft zijn schrijverschap aan de wilgen gehangen omdat zijn schrijven echt tot leven kwam, op zo een manier dat hij er bang van werd. Ooit was hij een begenadigd schrijver, maar nu werkt hij als eindredacteur bij een tijdschrift, waar hij ghostwriter is voor amateurs die amper een woord op papier kunnen zetten. Dat is zijn boetedoening voor zijn eigen mislukte schrijverscarrière. Hij wordt verliefd op de psychologe Candace Weld. Zij laat hem inzien wat er van hem geworden is. Dankzij haar neemt hij het drastische besluit om zijn leven een andere wending te geven.”

Waar staat de term creatieve non-fictie voor?

“Het is een vrij nieuwe ‘industrie’. Het staat voor essayistisch schrijven met een sterke verteller. Het creëert non-fictie die aanvoelt als een verhaal. Ken je dat oude boek Zen en de kunst van het motoronderhoud? Het is op het eerste gezicht een verhaal van een vader en zijn zoon, verteld in de derde persoon, terwijl het eigenlijk een meditatie over filosofie is. Het idee is dat je zelf als schrijver kan deelnemen aan een onderwerp waarbij in ‘normale omstandigheden’ de schrijver verborgen blijft. Creatieve non-fictie leest als een verhaal, terwijl het over feiten gaat. Die hele verhouding tussen feit en fictie is hot in de VS, met auteurs als James Frey en JT LeRoy en drukbezochte cursussen creatieve non-fictie aan de universiteiten.”

De zogezegd feitelijke verhalen waarmee Frey en LeRoy furore maakten, bleken tot op zekere hoogte verzonnen te zijn.

“Ja, hun verhalen leggen meteen ook de donkere kant van creatieve non-fictie bloot, want het genre wordt totaal onbetrouwbaar als het creatieve de werkelijkheid overwoekert. Je merkt hetzelfde in de media: er komt steeds meer persoonlijke bemoeienis van de journalist in de stukken die hij schrijft of in de reportages die hij voor tv draait. In het begin van Een gen voor geluk tobt Russell erover of het genre van memoir, het persoonlijke verhaal, op hol geslagen is. Hij heeft daar, net als ik, zeer tegenstrijdige gevoelens over. Het persoonlijke en het publieke worden vermengd. Kijk naar wat er gebeurt met Thassa: eerst is ze een anonieme deelneemster aan een wetenschappelijke studie, waarna ze plots het onderwerp wordt van bloggers. Zij raken door haar geobsedeerd en geloven dat haar private verhaal tot het publieke domein behoort. Wat Thassa overkomt, zie je nu voortdurend op het internet gebeuren, over de hele wereld. Vaak zijn die bloggers anoniem, of doen ze zich in commentaren voor als iemand anders. Ze verstoppen zich achter andere karakters, waardoor ze niet getraceerd kunnen worden. Er zijn in de VS heel wat bekende blogs waarin de blogger zich verschuilt achter een fictief personage en zo zijn vitriool rondstuurt. Iedereen verwijst naar dat fictieve personage en citeert hem, zonder dat de man of vrouw in kwestie rekenschap moet afleggen over wat hij of zij schrijft. Ik houd dat soort van bloggers verantwoordelijk voor de grote toename van wrok en haat in onze samenleving. Via hun anonieme karakters verkondigen ze hatelijke boodschappen die ze nooit openlijk in iemands gezicht zouden durven slingeren. De agressieve ondertoon van die berichten sijpelt door naar andere media en naar alledaagse conversaties tussen mensen. Je mag er vergif op innemen dat mensen daardoor binnenkort posters van Obama met Hitlersnor zullen meebrengen naar doordeweekse vergaderingen in achterafzaaltjes.”

Thassa Amzwar heeft afschuwelijke jeugdjaren meegemaakt in Algerije. Waarom Algerije?

“Veel mensen in Noord-Amerika en Europa kennen amper de recente gewelddadige geschiedenis van Algerije. Omwille van die relatieve onbekendheid heb ik Thassa daar ‘geplaatst’. Ik had ook een andere, bekendere brandhaard in de wereld kunnen kiezen, maar dan was het risico te groot dat lezers haar een politieke of religieuze stempel op het hoofd zouden drukken. Mijn vrouw heeft twintig jaar lang in Noord-Afrika geleefd. Haar ervaringen en contacten hebben me geholpen om meer te weten te komen over Algerije en de rest van Noord-Afrika. Ik heb Algerije zelf niet bezocht. Het land is niet echt veilig. Het lijkt alsof het er rustiger geworden is, maar in de periode dat ik het boek aan het schrijven was, hoorde ik van nieuwe incidenten. Het is altijd lastig om te beoordelen of de toestand in zo’n land verbeterd is, of dat de pers gewoon haar belangstelling verloren heeft.”

Ondanks haar afschuwelijke verleden straalt Thassa geluk uit. Mensen uit haar omgeving vinden dat vreemd. Ik vond dat eerlijk gezegd ook.

“Russells eerste indruk is dat ze last heeft van een soort van manische posttraumatische stress en dat ze elk moment kan instorten. Miljoenen zelfhulpboeken proberen ons te leren hoe we in een altijddurende, gelukzalige euforie kunnen geraken. Als we in werkelijkheid zo iemand ontmoeten, denken we meteen: daar moet iets mis mee zijn. Toch noemt driekwart van de mensheid zichzelf gelukkiger dan gemiddeld, wat statistisch gezien natuurlijk onmogelijk is. De meeste mensen denken dat ze gelukkig zijn, maar toch zijn ze niet tevreden. We willen gewoon nog een klein beetje gelukkiger worden dan we al zijn. Dat zal altijd zo blijven, het maakt niet uit of onze geluksbaseline op 5, 7 of op 9 op 10 ligt. Degene met baseline 9 streeft sowieso naar 9,1.

“Herinner je je de scène in de keuken, waar Candace voor Russell twee grafieken op het bedompte keukenraam tekent? Het zijn grafieken die het leven weergeven van de geboorte tot de dood. De ene grafiek start met 10% welbevinden en eindigt met 80%: de levensloop van een ongelukkig kind dat langzaam uitgroeit tot een relatief tevreden oudje. De tweede grafiek start op 90% en eindigt op 90%: ze geeft het leven weer van een uiterst gelukkige pasgeborene die uiterst gelukkig blijft tot in het graf. Onderzoek heeft vastgesteld dat de meeste mensen resoluut kiezen voor de levenslijn die de eerste grafiek weergeeft. Waaruit blijkt dat we niet in de eerste plaats geluk nastreven, maar wel op zoek zijn naar een zinvol bestaan. De eerste grafiek vertelt een zinvol verhaal. De tweede grafiek is de weergave van een vlak mensenleven zonder zin.”

Bent u een gelukkig man?

“Ik ben zonder enige twijfel gelukkiger dan het gemiddelde. (lacht)”

Een gen voor geluk. Vertaald door Jan Pieter van der Sterre. Contact. 397 p., 34,95 euro

 

 ©Jan Stevens