Soldaten

Tijdens de Tweede Wereldoorlog luisterden de Britten en Amerikanen hun gevangen genomen Duitse soldaten af. Harald Welzer en Sönke Neitzel gebruikten 150.000 pagina’s afluisterverslagen als basis voor hun boek Soldaten, waarin ze op zoek gaan naar de mens achter de moordmachine.

 

Dinsdag 30 april 1940. Luitenant Meyer en luitenant Pohl, respectievelijk piloot en verkenner bij de Duitse Luftwaffe, zijn een paar dagen eerder krijgsgevangen genomen door de geallieerden. In hun cel halen ze samen herinneringen aan hun recente oorlogsbelevenissen op. Ze weten niet dat een verdieping hoger Britse inlichtingenofficieren hun gesprek op band zetten. “Op de tweede dag van de inval in Polen moest ik een station in Poznan bombarderen”, zegt Pohl. “Acht van de zestien bommen vielen op huizen in de stad. Daar beleefde ik niet veel vreugde aan. Maar de derde dag kon het me niets meer schelen en de vierde dag genoot ik ervan. Vlak voor het ontbijt amuseerden we ons door vanuit de lucht met machinegeweervuur op soldaten te jagen en ze in het veld met een paar kogels in hun kruis te laten liggen.” “Alleen maar soldaten?” vraagt Meyer. “Ook burgers”, antwoordt Pohl. “We vielen ook vluchtelingencolonnes aan. Het leidende vliegtuig stortte zich op de mensen op straat, de twee andere vliegtuigen uit de ketting namen de grachten voor hun rekening. We schoten met onze machinegeweren op alles wat bewoog. Ik zag de paarden rondvliegen. Van die paarden heb ik tot de laatste dag spijt gehad. Van de mensen helemaal niet.”

De Britten en Amerikanen luisterden tijdens WO II duizenden gesprekken zoals die tussen de Duitse officieren Meyer en Pohl af. Na de oorlog werden de verslagen van die afluistersessies opgeborgen in archieven, waar ze in de vergetelheid raakten. Tot historicus Sönke Neitzel en sociaalpsycholoog Harald Welzer ze van onder het stof haalden. “Sönke kwam de afluisterverslagen toevallig op het spoor, nadat hij Black May van de Amerikaanse historicus Michael Gannon gelezen had, over de zeeslag in mei 1943 tussen de geallieerde marine en Duitse onderzeeërs”, zegt Harald Welzer. “Gannon schreef over Duitse matrozen die in gevangenschap afgeluisterd werden en die passage prikkelde Sönkes nieuwsgierigheid.”

In de herfst van 2001 vond Sönke Neitzel in The National Archives in Londen 100.000 nog nooit geraadpleegde bladzijden afluisterverslagen van krijgsgevangen genomen Wehrmachtsoldaten. Twee jaar later ontdekte hij een bijna even omvangrijke stapel verslagen in het Amerikaanse nationale archief. Op dat moment riep hij de hulp van Harald Welzer in voor de interpretatie. Welzer geldt in Duitsland als autoriteit in onderzoek naar hoe doodgewone mensen kunnen evolueren tot massamoordenaars. “De afluisterverslagen zijn uniek omdat ze ons voor het eerst rechtstreeks en ongecensureerd inkijk geven in de denkwereld van moderne soldaten”, stelt Welzer. “De krijgsgevangenen leven in de overtuiging dat niemand aan het luistervinken is en kletsen over hun oorlogservaringen van een paar dagen geleden, alsof ze gezellig samen in een café of de sauna zitten.”

 

Verkrachten om lol te trappen

Volgens Harald Welzer zouden de Wehrmachtsoldaten net zo goed hedendaagse Britse, Amerikaanse of Belgische soldaten in Afghanistan kunnen zijn. “Ze zitten in hetzelfde schuitje en hun moraal en mentaliteit is dezelfde. Natuurlijk had de oorlog van het Derde Rijk zijn eigen kenmerken en motieven, denk maar aan het racisme, de verheerlijking van het ‘superieure’ Herrenrasse of de vernietiging van de Joden. De oorlog die de Wehrmacht voerde is niet die van de Britten of de Amerikanen in Afghanistan. Maar het dagelijkse werk is voor de soldaten wel zeer gelijklopend, net als de soms gruwelijke daden die ze moeten stellen om succesvol te zijn en te overleven, en de uitleg die ze geven om die daden te vergoelijken.”

Door Duitse krijgsgevangenen af te luisteren, hoopten de geallieerden in het begin van de oorlog aan relevante strategische informatie te geraken. “Later wilden ze door het afluisteren ook meer te weten te komen over de psychologie van de Duitse soldaten. Het is een eenvoudig, briljant idee: wanneer een Duitse piloot wordt neergehaald en in een kamp geplaatst met collega’s die er al een poosje zitten, is het aannemelijk dat hij hen over nieuwe technologische ontwikkelingen zal vertellen of recente informatie over het Duitse leger zal geven.”

In bijna alle gesprekken spreken de soldaten op nonchalante toon over de gruwelen die ze zelf hebben aangericht. Harald Welzer: “Maanden- en zelfs jarenlang was vechten en doden hun voornaamste ervaring. In de soldatenwereld is geweld, moord en doodslag part of the job; ze zitten in een referentiekader dat hun gedrag mogelijk maakt, ondersteunt en zelfs nog versterkt. Want geweld brengt altijd een dynamiek van nog meer geweld op gang.”

Geweld wordt hun normale staat van zijn? Welzer: “Niet helemaal, want er zijn ook periodes waarin niet gevochten wordt. Oorlog bestaat niet alleen uit extreme gewelddadige activiteiten, maar ook uit verveling, dwalen door vreemde steden en naar de hoeren gaan. Ze vergelijken de hoertjes van Bordeaux met die van Parijs, hebben het over de gangbare prijzen en over hun persoonlijke ervaringen met de meisjes van plezier.”

Ze hebben het ook bijna achteloos over het verkrachten van vrouwen. “Verkrachting is voor hen geen oorlogswapen, maar een heel courante praktijk. Ze hebben er geen morele bezwaren tegen en zien het als een manier om lol te trappen, als een mogelijkheid om dingen te doen die ze als gewoon burgermannetje nooit zouden durven of mogen.”

Over hun gevoelens spreken de soldaten niet met elkaar. “Emoties zijn taboe. Ze hebben het niet over walging, angst, paniek, over willen wegvluchten. Ze praten over hard en slim zijn. Ze beschrijven hun acties, maar niet wat die met hun gevoelswereld aanrichten. Een paar soldaten vertellen over de eerste mensen die ze gedood hebben, maar nooit over hoe dat aanvoelde.”

 

Goeden en slechten

Uit de afluisterverslagen blijkt volgens Harald Welzer dat de overgrote meerderheid van de Wehrmachtsoldaten a-politiek is. “Minder dan 10% zijn overtuigde nazi’s; bijna 10% is zelfs uitgesproken antinazi. Een ding hebben ze gemeen: ze hebben allemaal medemensen om het leven gebracht. In oorlogsomstandigheden wordt door het voetvolk niet om ideologische redenen gedood. De Duitse soldaten maakten deel uit van een specifiek leger met een specifieke traditie. Natuurlijk stamden ze uit een antisemitische samenleving, maar dat maakte op het slagveld weinig verschil. Ik heb ook onderzoek gevoerd naar de Einsatzgruppen, de échte koudbloedige killers, en ook bij hen kwam ik tot een gelijkaardige conclusie: zij schoten Joden niet dood omwille van antisemitische motieven, maar omdat het hun ‘taak’ was tegenstanders uit de weg te ruimen en omdat dat voor hen beslist was door leden die hoger in de hiërarchie van de groep stonden. De afluisterverslagen maken duidelijk dat zo goed als alle Duitse soldaten het lastig hadden met de uitroeiing van de Joden, zeker als het om vrouwen of kinderen ging. Een van de soldaten zegt: ‘Zo’n dingen doe je niet, zelfs als het Joden zijn.’ Ze staan kritisch tegenover de manier waarop ze de Joden moeten aanpakken, maar ze staan helemaal niet kritisch tegenover de manier waarop ze tegen leden van het verzet moeten optreden. Dan wordt het doden van vrouwen en kinderen plots geen probleem meer en wordt het gerechtvaardigd omdat het om een ‘militaire actie’ gaat. Er is trouwens niet zoveel verschil tussen de manier waarop de Wehrmacht en onze huidige legers hiërarchisch ingericht zijn. In het normale burgerleven maken we allemaal deel uit van meerdere groepen: van de familie, van de collega’s op het werk of van de sportclub. Als gewone burger spelen we verschillende rollen van geliefde, vader, moeder, collega of vriend. In het leger is dat pluralisme weg. Zeker in een oorlogssituatie heb je als soldaat alleen nog die ene groep mensen van dezelfde leeftijd die in een identieke oorlogsretoriek zijn ondergedompeld. De soldaten denken en leven volgens het strikte onderscheid van ‘goeden en slechten’. Wie goed is, blijft gespaard, maar wie slecht is, verdient de kogel. Ook als het een weerloos kind is.”

 

Sönke Neitzel & Harald Welzer, Soldaten. Over vechten, doden en sterven, Ambo, 592 blz., 29,95 euro

 

© Jan Stevens

Advertenties

I’ve seen the future: it is murder

In zijn boek De klimaatoorlogen schetst Harald Welzer een somber beeld van onze nabije toekomst. Volgens Welzer zal de klimaatverandering voor bruut geweld, totale chaos en massale vluchtelingenstromen zorgen. “Alleen radicale verandering kan ons misschien nog redden.”

 

Van de lectuur van De klimaatoorlogen van de Duitse sociaalpsycholoog Harald Welzer wordt een mens niet vrolijker. Volgens Welzer zal de opwarming van de aarde verstrekkender gevolgen hebben dan iemand tot hiertoe voor mogelijk hield. Door de klimaatverandering wordt overleven quasi onmogelijk in delen van Afrika, Azië, Oost-Europa, Zuid-Amerika, het noordpoolgebied en op eilanden in de Stille Oceaan. In grote gebieden zullen steeds meer mensen steeds minder toegang hebben tot hulpbronnen zoals drinkbaar water. Welzer voorspelt dat die primaire overlevingsstrijd binnen afzienbare tijd zal uitmonden in meedogenloze geweldconflicten, met miljoenen klimaat- en oorlogsvluchtelingen tot gevolg. Hij ziet één grote winnaar: geweld in al zijn vormen en facetten, met een boomende economische sector van huurlingenlegers en beveiligingsfirma’s. “Geweld dreigt in de 21e eeuw onze natuurlijke staat van zijn te worden. Westerse staten zullen er alles aan doen om de klimaatvluchtelingen buiten hun grenzen te houden, zijn zich daar volop op aan het voorbereiden, en zullen niet aarzelen om have en goed met geweld te verdedigen.”

Welzer eindigt zijn boek met een citaat van de Duitse theaterauteur Heiner Müller: “Optimisme is slechts een gebrek aan informatie.” Wie De klimaatoorlogen gelezen heeft, zal alleen maar kunnen hopen dat Harald Welzer zich verkeerd geïnformeerd heeft. Maar die kans is miniem, want Welzer heeft als sociaal wetenschapper een ijzersterke reputatie.

 

Anders gaan leven

“De klimaatoorlogen is inderdaad geen optimistisch boek”, zegt Harald Welzer met gevoel voor understatement, terwijl hij koffie inschenkt. We zitten in de bibliotheek van het Kulturwissenschaftliches Institut in Essen, waar Welzer directeur is van de onderzoeksgroep Interdisciplinary Memory Research. Buiten valt de regen in bakken neer, en lijkt het alsof de Apocalyps al losgebarsten is. “Toen ik uw boek las”, zeg ik, “bleef dat ene zinnetje uit The Future van Leonard Cohen door mijn hoofd spoken: ‘I’ve seen the future, brother: it is murder.'” Welzer knikt bedachtzaam. “Ik vrees dat Cohen gelijk heeft. De vooruitzichten zijn allesbehalve schitterend. Zeker omdat er tot hiertoe niet echt ingrijpende maatregelen genomen zijn om de klimaatverandering te lijf te gaan. De huidige economische crisis kleurt het plaatje nog zwarter. Je hoort bewindslui nu verklaren: ‘We moeten de recessie bestrijden, en misschien blijven er dan nog middelen over om ons met de opwarming van de aarde bezig te houden.’ Als je dan ziet waar ze hun geld aan spenderen, is het zonneklaar dat er later geen cent meer zal overschieten om die opwarming tegen te gaan. Veel liever stoppen ze zomaar geld in de bank- en de autosector, in plaats van het te gebruiken om fundamentele veranderingen in onze industrie en in onze manier van leven door te voeren. Dat belooft niet veel goeds.”

 

Terwijl de economische crisis een uitgelezen kans is om onze manier van leven te herdenken?

“Zeker. We moeten radicaal op zoek naar een nieuwe manier van politiek voeren. Maar laat me eerst stellen dat ik van nature niet al te pessimistisch ben. Ik leef graag. En in vergelijking met andere plaatsen in de wereld is de toestand voor West-Europa op het eerste gezicht niet zo dramatisch. Mijn pessimisme is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek; mijn optimisme op burgerzin. Wat ik zeker niet wou, is een boek schrijven met de valse optimistische ondertoon: ‘Het klimaat gaat naar de haaien, maar als je wat minder met de auto rijdt en meer de trein neemt, komt het allemaal wel goed.’ Ik haat dat soort van loze praat. 98% van alle klimaatwetenschappers zijn het erover eens dat we met een ernstig probleem zitten. Maar alle prognoses die in het verleden gemaakt zijn, hinken de realiteit achterna. Alles gebeurt veel sneller dan ooit voorspeld was, en alle fenomenen versnellen zichzelf. Wetenschappers geven ons nog zeven jaar voor het ‘point of no return’ bereikt is. Maar er zijn er steeds meer die vrezen dat we er al voorbij zijn. Het grootste probleem is niet individueel gedrag, het grootste probleem is ons economisch systeem, onze manier van leven. Mensen kunnen kritisch zijn en zichzelf uitroepen tot ‘low impact man’, maar ze blijven sowieso ‘part of the game’. Het verkleinen van individuele ecologische voetafdrukken kan lollig zijn, en kan zelfs omgezet worden in een hype, maar is natuurlijk niet dé oplossing om de klimaatverandering tegen te gaan. ‘Dé oplossing’ kan nooit gelinkt zijn aan een economie die groei als enige adagium kent. Het grote probleem is dat het Westerse kapitalistische systeem altijd bedoeld was als een particulier systeem, en nooit uitgedacht is om uit te groeien tot iets universeel. Tot hiertoe leefden we in een extreem veilige omgeving met extreme welvaart, maar de prijs is altijd door anderen betaald. Sommigen stellen dat de markt alles wel zal regelen. We kunnen nu met onze eigen ogen zien dat de markt helemaal niets regelt. Al die neoliberale bullshit… Zie hoe snel alles instort, dat is toch verbazingwekkend? Wie had zes maanden geleden durven voorspellen dat banken staatseigendom zouden worden, of dat bedrijven gesubsidieerd zouden worden door de overheid? Wie waagde het toen om kapitalisme te zien als een systeem met grote defecten? Dat was als vloeken in de kerk. Kijk waar we nu staan.”

 

Niet wij, maar onze voorgangers hebben de klimaatverandering veroorzaakt. De oorzaken liggen in de industriële revolutie. Wij moeten het nu oplossen, maar zullen er zelf misschien nooit de vruchten van plukken. Misschien hebben we het daardoor zo lastig om ingrijpende maatregelen te nemen?

“Dat is juist. Als we er toch in zouden slagen om onze manier van leven totaal anders te organiseren, mogen we zelfs onze handen in onschuld wassen. Niet onze generatie heeft deze ellende veroorzaakt. Integendeel, wij hebben de vinger op de wonde gelegd, en al vroeg de milieuproblemen gesignaleerd. Jaren geleden betoogden we tegen kernenergie. Vijfentwintig jaar geleden was ik actief in de anti-atoombeweging. We organiseerden manifestaties en waarschuwden voor doemscenario’s, en dan was er dat vreselijke ongeluk in Tsjernobil en er gebeurde helemaal niets. De wereld bleef gewoon doordraaien. Dat was een rare ervaring.”

 

Misschien loopt het ook nu met een sisser af?

Ik denk het niet. De klimaatverandering zal drastische veranderingen teweeg brengen. Droogte, overstromingen en natuurrampen zullen voor een acuut gebrek aan primaire hulpbronnen zorgen. Klimaatwetenschappers maken hun fantastische computermodellen en scenario’s voor de toekomst. Als sociaal wetenschapper voeg ik daaraan toe: waarom kijken we niet naar de geschiedenis? En wat kunnen we daaruit leren over de voorwaarden voor gewelddadige conflicten? Als iets overleving onmogelijk maakt, of het gevoel geeft dat overleven onmogelijk wordt, is geweld altijd een optie. In 2050 zullen twee miljard mensen onder de waterschaarste lijden. De somberste prognoses hebben het zelfs over zeven miljard. Wat voor gevolgen zal dat hebben? Ook in onze moderne, meer gesofisticeerde wereld is geweld dan een optie. Niemand kan je de verzekering geven dat de inwoners van onze ‘fantastische’, democratische samenleving er nooit hun toevlucht toe zullen nemen. We hebben genoeg voorbeelden van het tegendeel gezien, zelfs na de Tweede Wereldoorlog.”

 

De opwarming van de aarde zal voor een nieuwe, massale stroom van klimaatvluchtelingen zorgen?

“Ja, en snel. Er is al zoveel tegenstand tegen de huidige stroom van politieke en economische vluchtelingen. De meeste Europeanen willen geen vluchtelingen opvangen. Ze ‘storen’, en brengen zogezegd kleine criminaliteit, drugs en overlast met zich mee. Degenen die dat beweren, zijn natuurlijk ordinaire racisten. ‘Het is zo fijn hier zonder al die vreemdelingen.’ Het idee dat wij op een eiland van gelukzaligheid leven en dat alle buitenstaanders daar deel van willen uitmaken of het willen vernietigen, is springlevend. De visie van de overgrote meerderheid van de westerlingen is dat de problemen buiten hen liggen, dus willen ze de anderen ten koste van alles ook buiten houden. Het Verdrag van Schengen heeft voor een open ruimte binnen de Europese grenzen gezorgd, met als gevolg dat de noodzaak gegroeid is om de buitengrenzen nog beter af te sluiten. In 2005 heeft de Europese Unie daarvoor zelfs een organisatie opgericht: Frontex, wat staat voor Frontières Extérieures. Frontex klinkt cool, niet? (lacht) Het agentschap heeft een hoog James Bondgehalte. Op dit moment werken er een honderdtal mensen, die bezig zijn met het rekruteren en trainen van meer dan vijfhonderd mobiele grenspolitieagenten uit de verschillende lidstaten. Zij zullen de buitengrenzen van de EU gaan bewaken. Frontex heeft de beschikking over twintig vliegtuigen, dertig helikopters, ruim honderd schepen en verfijnde technologische snufjes, zoals nachtkijkers. Je kan er vergif op innemen dat de grensbeveiliging nog verder zal evolueren. Zeker als de economische crisis dieper wordt, met massale werkloosheid en met regeringen die tot op het tandvlees zitten en geen geld meer kunnen uitgeven. Net op dat moment zullen klimaatvluchtelingen naar ons toe komen. Wie zegt dat overheden op dat moment niet hun toevlucht zullen nemen tot meer ‘radicale’ oplossingen? De Noord-Afrikanen die nu naar het Italiaanse Lampedusa overvaren, worden gecatalogeerd onder ‘een humanitaire ramp’. Maar wat als er nóg meer komen, en wij niet meer over de middelen beschikken om ze op te vangen? Zal het dan nog een humanitaire catastrofe zijn of een probleem dat we op een andere manier moeten oplossen?”

 

Het gevaar is groot dat we dan kiezen voor een ‘drastische oplossing’?

“Waarschijnlijk. Misschien noemen we hen dan wel piraten, en geven we onszelf zo een vrijgeleide om hen af te knallen. We leven in een tijdperk waarin geweld meer en meer aanvaard wordt, en spreken er in newspeak over. We hebben het dan waarschijnlijk niet over een humanitaire catastrofe, maar over een ‘humanitaire actie’.”

“We zullen dan natuurlijk niet zelf onze handen vuil maken, maar het geweld uitbesteden aan een ‘beveiligingsfirma’ of een Private Military Contractor, zoals dat nu al massaal gebeurd in Afghanistan en Irak. Onze democratische staten willen vermijden dat ze in situaties terecht komen waarin ze zich zelf aan geweld bezondigen. Ze delegeren het liever.”

“We kunnen niet langer een onderscheid maken tussen economische en politieke vluchtelingen, klimaat- of oorlogsvluchtelingen. De verschillende motieven om op de vlucht te slaan, infecteren elkaar. Eilanden zoals de Malediven dreigen te verdwijnen. Niemand weet wat er met mensen moet gebeuren die hun samenleving dreigen te verliezen.”

 

Soedan

U noemt het gewelddadige conflict in Darfur ‘de eerste klimaatoorlog’. U schrijft: “Kijken naar Soedan, is kijken naar onze toekomst.” Soedan is een case study voor wat er ons te wachten staat?

“De mogelijkheid is zeer reëel dat het schrikbeeld van Darfur wijdverspreid geraakt. Wij leven in de illusie dat we in tegenstelling tot Soedan in een stabiele maatschappij leven met wet en orde, maar eigenlijk hebben we geen enkele garantie dat onze condities zo stabiel zijn. In de sociale theorie bestaat er geen theorie over snelle maatschappelijke veranderingen, maar maatschappijen kunnen wel degelijk extreem snel veranderen.”

“We weten niet hoe we rampscenario’s moeten aanpakken, want niemand heeft ze ooit bestudeerd. We hebben er gewoon geen benul van hoe we best omgaan met de economische crisis en onze milieuproblemen. We zitten in een heel bizarre situatie. Ons huidige tijdsgewricht staat haaks op ons beeld van ‘onze perfecte samenleving’. Het is interessant om te zien hoe politici zich in deze omstandigheden gedragen. Ze doen alsof ze rationeel reageren, maar eigenlijk weten ze helemaal niet wat te doen. Niemand weet het. Niets werkt. De werkloosheid stijgt schrikbarend, binnen een jaar gaan grote bedrijven over kop, en uiteindelijk zullen staten failliet gaan. Wie heeft een concept? Wie weet hoe we hiermee moeten omgaan? Praten we binnen een paar maanden of een paar jaar nog over stabiele samenlevingen? Het ziet ernaar uit dat we een totale crash tegemoet gaan, want politici proberen de uitslaande brand te blussen met zuurstof. Ze zeggen dat ze van de Grote Depressie in de jaren dertig geleerd hebben en dat ze geld in het systeem moeten pompen om het te redden. Maar is dat wel waar? De crisis heeft zijn oorzaak in teveel virtueel geld; nu pompen ze er nog eens extra virtueel geld in. Volgens mij wordt de toestand zo alleen maar erger.”

“Soedan leert ons dat gewelddadige conflicten minder te maken hebben met ideologische of raciale aspecten, maar veel meer verbonden zijn met milieufactoren. Klimaatverandering zal conflicten zoals Darfur intensifiëren en uitbreiden. Het conflict in Soedan heeft een ander karakter dan ‘traditionele’ gewelddadige conflicten, het zijn geen twee partijen die tegen elkaar vechten in de hoop dat het niet te lang zal duren. Oorlog is er een staat van zijn geworden. Als de chaos te diep doorgedrongen is, wordt het bijna onmogelijk om terug min of meer orde op zaken te stellen. In het noorden van Soedan heeft de woestijn zich de laatste veertig jaar honderd kilometer in de richting van het vroegere vruchtbare zuiden uitgebreid. Er valt steeds minder regen, en door het massale kappen van bossen heeft de bodemerosie het land onvruchtbaar gemaakt. De klimaatverandering wil voor Soedan zeggen dat tegen 2030 de temperatuur met een halve graad gestegen zal zijn, en dat de regenval elk jaar nog eens met vijf procent zal verminderen. De graanoogst zal daardoor nog eens met 70 procent inzakken. Er wonen 30 miljoen mensen in Soedan, en door de jarenlange oorlog en de klimaatverandering zijn er nu al 5 miljoen interne vluchtelingen. Er is geen plek waar ze heen kunnen, en dat veroorzaakt nog eens extra geweld. In Soedan is overleven een concurrentiestrijd. In Darfur is het geweld omgeslagen in een openlijke oorlog.”

 

Wat voor effect heeft het schrijven van dit boek op uzelf gehad?

“Ik ben er zelf minder optimistisch door geworden. Het schrijven van De klimaatoorlogen heeft me keihard geconfronteerd met mijn eigen manier van leven. Ik vind het niet zo gemakkelijk meer om het vliegtuig te nemen, of om met mijn auto te rijden. Ook al weet ik dat het weinig uitmaakt, toch probeer ik mijn ecologische voetafdruk te verkleinen. Maar wat misschien nog veel belangrijker is, is dat ik na het schrijven van dit boek me steeds gretiger meng in politieke discussies. De klimaatoorlogen heeft veel deining veroorzaakt in Duitsland. Ik word vaak gevraagd voor klimaatdebatten, en heb ondertussen ook met heel wat politici gesproken. Al die gesprekken hebben me gedwongen om positie in te nemen. Dat lijkt gevaarlijk voor een academicus, maar ik vind het interessant om een beetje invloed te kunnen uitoefenen. De relatie tussen klimaatverandering en oorlog en geweld is hier zeer intens bediscussieerd. Ik heb met de minister van Buitenlandse Zaken gesproken, en met andere belangrijke politici. Ze hebben aandachtig geluisterd, en waren onder de indruk.”

“Een eerste goed stap zou zijn dat onze bewindslui de klimaatverandering niet minimaliseren en de gevolgen realistisch leren inschatten. We hebben geen enkele ervaring met een geglobaliseerd probleem als dit, dus is het belangrijk dat we er nuchter naar kijken en onszelf geen blaasjes wijsmaken. We beseffen te weinig dat er ons maar weinig tijd rest. Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) praat over worst case scenario’s tegen het jaar 2100. Niemand ligt daar wakker van. Dat is totaal abstract. Ze zouden eigenlijk gewoon moeten zeggen: ‘We hebben het over de toekomst van jullie kinderen.’ Dan wordt het probleem plots acuut, en schrikken mensen misschien wel wakker.”

 

Harald Welzer

 

          Professor Harald Welzer (°1958) is directeur van het Center for Interdisciplinary Memory Research aan het Kulturwissenschaftliches Institut in Essen en onderzoeker bij het departement Sociale Psychologie van de Universiteit van Witten/Herdecke.

          In 2006 verscheen van hem Daders, Hoe heel normale mensen massamoordenaars worden, waarin hij de omstandigheden onderzocht waarin gewone mensen aangezet werden tot genocide in Nazi-Duitsland, Rwanda en Bosnië.

 

Harald Welzer. De klimaatoorlogen, Waarom in de 21e eeuw gevochten wordt. Oorspronkelijke titel: Klimakriege. Vertaald door Corry van Bree. Ambo, Amsterdam. 304 blzn. 19,95 euro.

© jan@janstevens.be