‘De Belgische negationismewet is een vergissing’

De film Denial reconstrueert de geruchtmakende gerechtszaak die holocaustontkenner David Irving zeventien jaar geleden tegen Deborah Lipstadt aanspande. Irving wou de geschiedenisprofessor laten veroordelen wegens smaad maar beet zelf in het zand. Lipstadt is razend enthousiast over de film. ‘Denial laat zien wat voor een racistische leugenaar en vrouwenhater Irving is.’

 

Op 5 september 1996 viel bij de Amerikaanse professor geschiedenis Deborah Lipstadt een dagvaarding in de bus van de Britse zelfverklaarde historicus David Irving. Hij vervolgde haar voor laster en eerroof omdat ze hem in haar drie jaar eerder verschenen boek Denying the Holocaust omschreven had als ‘Hitler-adept’ en als ‘een gevaarlijke revisionist die historische feiten verdraait zodat ze bij zijn ideologische gedachtengoed passen.’ Het proces startte op 11 januari 2000 in het Hooggerechtshof in Londen en kreeg wereldwijde media-aandacht. Wat op het eerste gezicht een dispuut tussen twee ‘collega-historici’ leek, groeide uit tot ‘het proces van de eeuw’ over de historiciteit van de holocaust. De vraag was niet langer of Lipstadt de excentriek uitgedoste gentleman Irving beledigd had, maar of tijdens de holocaust werkelijk zes miljoen joden vermoord waren. De uitspraak van rechter Charles Gray drie maanden later werd een ijskoude douche voor David Irving. Gray nam geen blad voor de mond en noemde Irving ‘een holocaustontkenner, antisemiet, racist en een bondgenoot van rechtse extremisten die het neonazisme promoten. David Irving heeft voor eigen ideologische motieven aanhoudend en moedwillig historisch bewijs foutief voorgesteld en gemanipuleerd.’

In de uitstekende film Denial reconstrueert regisseur Mick Jackson het uitputtende juridische gevecht tussen Irving, vertolkt door Timothy Spall, en Deborah Lipstadt, vertolkt door Rachel Weisz. De inmiddels zeventigjarige Lipstadt is razend enthousiast over de manier waarop Weisz een zeventien jaar jongere versie van haarzelf neerzet. ‘Tijdens de voorbereiding van Denial heb ik lang met Rachel gepraat over hoe ik dat hele proces emotioneel beleefd heb’, zegt ze. ‘Zij brengt mijn emoties van toen op een wonderbaarlijke wijze op het witte doek weer tot leven. Ik hou zielsveel van de film. In minder dan twee uur slaagt Mick Jackson erin om duidelijk te maken op wat voor een perfide manier David Irving de feiten manipuleerde. Hij laat zien wat voor een racistische leugenaar en vrouwenhater die man is. Maar wat ik minstens even belangrijk vind: Denial vertelt niet enkel mijn persoonlijke verhaal.’

 

De film gaat eigenlijk ook over zeer actuele fenomenen zoals ‘alternatieve feiten’ of ‘nepnieuws’?

Deborah Lipstadt: ‘Zeer juist. De ‘alternatieve feiten’ van onze nieuwe president Donald Trump en zijn entourage zijn niets anders dan ordinaire leugens, even fabelachtig als het revisionisme van David Irving en zijn aanhangers. Sommigen vergelijken Trump nu met Irvings grote idool Adolf Hitler, maar dat vind ik overdreven. Het is niet omdat iemand zich slecht en gevaarlijk gedraagt, dat hij meteen een kloon van de Führer is. Zo is een vreselijke moordpartij ook niet automatisch een genocide. Het klinkt misschien cynisch, maar we moeten altijd de correcte verhoudingen in acht nemen. De belegering van Aleppo was verschrikkelijk: hospitalen, scholen en openbare markten werden door alle partijen en vooral door Assad gebombardeerd, maar dat wil nog niet zeggen dat het een genocide was. Een leider kan zich dus heel erg misdragen zonder Hitler naar de kroon te steken. Dat neemt niet weg dat Donald Trump zowel voor als tijdens zijn presidentschap uitspraken gedaan heeft waar ik me veel zorgen over maak. Zo hoorde ik hem alle problemen opnoemen waar Amerika volgens hem mee te maken heeft. Zijn conclusie luidde: “Ik ben de enige die ze kan oplossen.” Dat klonk als een echo van Mussolini, als onvervalste fascistische praat dus. Daar lig ik wakker van. Veel van de problemen die Trump in onze samenleving ontwaart, zijn trouwens eerder problemen in zijn eigen hoofd.’

 

President Donald Trump en holocaustontkenner David Irving staan voor u op één lijn?

Lipstadt: ‘Ja, samen met de complottheoretici, klimaatontkenners en brexiteers. Er zijn leugens, opinies en feiten. Ik kan u nu zeggen dat ik van mening ben dat de aarde plat is, waarna u zal opmerken dat ik geschift ben. Mijn repliek zal dan zijn: “Nee, ik voel heel sterk dat de aarde zo plat als een pannenkoek is.” (lacht) Onze president zit op die golflengte. Hij haalt zijn kennis bij Fox News en bij een figuur zoals die Steve Bannon die hem de meest gore onzin influistert. Trump is net als David Irving een leugenaar. “America First”, roept hij. Hij kent zijn geschiedenis niet, want hij lijkt nog nooit gehoord te hebben van het vooroorlogse The America First Committee met antisemiet Charles Lindbergh. Zéér beangstigend.’

 

Waarom begon David Irving tegen u te procederen? In uw boek had hij slechts een bijrol.

Lipstadt: ‘In november 1994 kwam hij naar het DeKalb College in Atlanta waar ik een lezing gaf over de ontkenning van de holocaust. Hij onderbrak me en zette een grote bek op. Ik wist niet waar ik het had. Tijdens de voorbereiding voor de film vroeg Rachel Weisz me: “Hoe was dat?” Ik antwoordde: “Ik voelde me als een hert gevangen in de koplampen van een auto.” De studenten wisten bitter weinig over de holocaust en plots stond daar iemand recht die riep dat alles wat ik vertelde onzin was. “Kijk, ze beginnen te bekvechten. Cool.” Ik stond daar bedremmeld en stil en Irving voelde zich de overwinnaar. Het was hem gelukt op dat kleine podium in die school, wat moest het dan wel niet worden op dat immense podium van het Hooggerechtshof in Londen?’

 

Het was een publiciteitsstunt?

Lipstadt: ‘Zonder twijfel. Hij zag hoe ik me liet intimideren en verwachtte niet dat ik zou terugvechten. “Die Amerikaanse jodin? Nee toch?” Hij wou bewijzen dat hij het slachtoffer was van een internationaal joods complot. Hij geloofde echt dat een stelletje joden van over de hele wereld rond de tafel was gaan zitten om de grote historicus David Irving te vernietigen. “Hoe gaan we dat aanpakken? Zullen we Deborah inschakelen?” Want ik, een vrouw, kon in de ogen van Irving natuurlijk nooit één van de samenzweerders zijn en was hooguit een marionet.

Toen zijn dagvaarding toekwam, voelde ik me verloren. Ik zei tegen vrienden: “David Irving heeft me gedagvaard”, en ze begonnen te schaterlachen. “Wie gelooft die kerel nu? Negeer dat gedoe.” Maar zo’n dagvaarding kun je niet negeren, ook al ben je ervan overtuigd dat je recht in je schoenen staat. Vlak voor het begin van de rechtszaak bood hij me een minnelijke schikking aan. Als ik vijfhonderd dollar zou geven aan een door hem gekozen liefdadigheidsorganisatie, me op papier verontschuldigde en hem erkende als bonafide holocaustontkenner, wou hij de zaak laten vallen. Ik moest ook alle nog niet verkochte exemplaren van mijn boek laten vernietigen. Mensen uit mijn omgeving drongen erop aan dat ik akkoord ging. Ze waren bang dat het slecht voor mij zou aflopen. Ik vond dat onzin.’

 

Waarom weigerde u een minnelijke schikking?

Lipstadt: ‘Dan had ik nooit nog een overlever in de ogen kunnen zien. Dan had ik ook nooit nog iemand die met de waarheid begaan is, durven aankijken. Ik had geen andere keuze dan dat juridische gevecht aangaan. Achteraf zeiden vrienden me: “Wat jij gedaan hebt, was heroïsch.” Maar ik ben geen held; ik had gewoon geen keuze. De dag na de uitspraak schreef de Britse historicus en journalist John Keegan: “Historici zijn nu aan het bibberen en beven. Want elke keer wanneer ze een fout maken, riskeren ze in een gerechtszaal te belanden.” Ik las dat artikel en ik dacht, zeventien jaar voor de film: “Die kerel leeft in La La-land.” (lacht) Want David Irving had mij vervolgd en ik niet hem. Ik geloof niet in het vervolgen van mensen die het niet nauw nemen met historische feiten. Ik geloof zelfs niet in wetten tegen negationisme.’

 

Sinds 1995 hebben wij zo een wet in België.

Lipstadt: ‘Dat is dan een vergissing. Ik ben tegen dat soort wetten omdat ik een groot verdediger van de vrijheid van meningsuiting ben. Free speech kan enkel gered worden door verstandige more speech. Een wet die negationisme verbiedt, maakt er alleen maar forbidden fruit van. Dan wordt al die onzin pas écht interessant. Mein Kampf was jaren niet te krijgen in Duitsland. Nu is er een heruitgave en is het een gigantisch succes. Ik wil niet dat politici beslissen wat ik wel of niet mag zeggen. Het is niet aan hen om te bepalen wat racistisch, antisemitisch of homofoob is.’

 

In België pleiten sommigen ervoor om het salafistische gedachtengoed te verbieden. Want als we te tolerant voor dat soort van denkbeelden zijn, nemen de intoleranten het misschien ooit over.

Lipstadt: ‘Er is een verschil tussen free speech en hate speech. Als salafistenleiders op een meeting verkondigen dat christenen ongelovige honden zijn wier hoofd afgehakt moet worden en een paar van de toehoorders wil dat in de praktijk brengen, moet er ingegrepen worden. Want dan wordt de wet overtreden.’

 

Zonder afgehakte hoofden kan er niet worden ingegrepen?

Lipstadt: ‘Van zodra er concrete plannen zijn, moet er worden ingegrepen. Daarom is het belangrijk dat de politie voldoende middelen en manschappen heeft om potentiële geweldplegers op tijd te stoppen. Als duidelijk is dat geradicaliseerde individuen van plan zijn om hoofden af te hakken, moeten ze meteen gearresteerd worden. Toch moeten we oppassen dat we niet islamofoob worden. Ik haat de salafisten, maar dat wil niet zeggen dat we daarom de islam moeten verketteren. Ik heb moslimvrienden en zij haten het salafisme even erg als ik.’

 

U plaatst antisemitisme en islamofobie op dezelfde lijn?

Lipstadt: ‘Antisemitisme, racisme, homofobie én islamofobie zijn uitingen van vooroordelen. Voor-oordeel: “Ik heb mijn oordeel geveld, breng me nu niet in verwarring met de feiten, alsjeblieft. Ik wéét dat joden niet deugen. Elke jood is een oplichter. Homo’s zijn ziek en zwarte Amerikanen zijn luie donders.” Er zit geen logica in vooroordelen. Ze zijn alleen maar dom.

Er zijn verschillen tussen islamofobie en antisemitisme. Veel gematigde moslims zijn antisemiet. “De joden zijn de satan.” Dat is een heel groot probleem. Gisteren zat ik in een taxi in Londen. De chauffeur was een moslim die al jaren in Engeland leeft. Een sympathieke kerel. Op een bepaald moment zei hij: “De joden hebben Jezus vermoord.” Ik dacht: “O my God, hier gaan we weer.” (lacht) Antisemitisme is eeuwenoud en de katholieke kerk draagt daar een grote verantwoordelijkheid voor. In de 18e en 19e eeuw gebruikten figuren zoals Voltaire en de Europese politici van die tijd het antisemitisme om hun eigen macht en invloed te vergroten. De nazi’s schakelden nog een paar versnellingen hoger. Kent u die mop van een nazi-bons die een grote groep mensen toespreekt? Hij buldert: “De joden deden dit, en de joden deden dat.” Waarop een man uit de menigte roept: “En de fietsers deden dit, en de fietsers deden dat.” De nazi kijkt verbaasd. “Wat is er mis met de fietsers?”, vraagt hij. “Wat is er mis met de joden?”, kaatst de man de bal terug.’

 

David Irving sleurde u in Londen voor het gerecht, terwijl u een Amerikaans staatsburger bent.

Lipstadt: ‘In Amerika had hij moeten bewijzen dat ik een leugenaar was; nu moest ík bewijzen dat ik de waarheid vertelde. Dat is een totaal ander vertrekpunt. In Amerika bestaat ook zoiets als de Public Figure Defence, wat wil zeggen dat een publieke figuur zoals een politicus, auteur, journalist of schrijver niet voor smaad vervolgd kan worden tijdens zijn publieke optreden, tenzij kwaadaardig opzet bewezen kan worden.

De aandacht van de wereldpers voor het proces was compleet geschift. Ik liep in Londen over straat en mensen riepen me toe: “Veel geluk!” In het begin schonken journalisten zeer veel aandacht aan wat Irving te vertellen had. Hij had nogal wat geschiedenisboeken geschreven en hij presenteerde zich ook als een degelijk historicus, gespecialiseerd in Adolf Hitler. Alleen had hij zich die titel van historicus ten onrechte toegeëigend, hij heeft er nooit voor gestudeerd. Het duurde een tijdje voor journalisten in de gaten kregen dat hij een charlatan was. Op een dag kwam een journalist naar me toe. “Ik moet je iets vertellen”, zei hij. “Ik zag daarnet hoe een vrouw tegen Irving zei: ‘Mijnheer, mijn moeder is vermoord in Auschwitz.’ Irving antwoordde: ‘Mevrouw, dan zal u blij zijn om te horen dat ze waarschijnlijk gestorven is aan de gevolgen van tyfus.’” De journalist was er niet goed van. “Waarom zou die vrouw blij moeten zijn dat haar moeder gecrepeerd is aan de tyfus? Waarom zat ze in Auschwitz? We weten toch dat ze zo goed als zeker vergast is? Wat voor een barbaar zegt nu zoiets?”’

 

U hebt het proces glansrijk gewonnen.

Lipstadt: ‘De uitspraak was fantastisch. Mijn enige probleem met de film is dat ik vind dat ze daar iets meer van hadden mogen laten zien. De rechter noemt Irving “een opzettelijke leugenaar, een vervalser van de geschiedenis, een fantast.” Hij zei: “Geen enkel redelijke mens kan eraan twijfelen dat er gaskamers in Auschwitz waren.” Tijdens het proces dineerde ik ergens in Londen bij vrienden en daar was een andere Britse rechter aanwezig. Hij had eerst toestemming aan het Hooggerechtshof moeten vragen of hij wel in mijn aanwezigheid mocht dineren. Ik vond dat hysterisch, want de man behandelde alleen faillissementen. (lacht) Tijdens het diner zei ik hem: “Ik wil die zaak winnen en Irving met de grond gelijk maken.” Hij zei: “Deborah, ik wil je niet teleurstellen, maar dat is niet de manier waarop wij, Britse rechters, oordelen. Wij zullen schrijven: ‘We vonden deze getuige niet behulpzaam.’ Elke Brit weet dat dit een eufemisme is voor: ‘Deze getuige is een leugenaar.’” Ik zei: “Dat is niet goed genoeg voor mij. Want Irving kan dan rondbazuinen: ‘Het is mijn job niet om behulpzaam te zijn.’ De rechter moet hem ronduit een leugenaar noemen.” Dat is gelukkig ook gebeurd. Ik kan me nog heel goed dat gevoel van pure vreugde voor de geest halen toen ik de uitspraak hoorde.’

 

Heeft het proces David Irving geruïneerd?

Lipstadt: ‘Compleet. Maar nu loopt hij rond te bazuinen dat duizenden mensen hem geschreven en gesteund hebben. “Ik leef in een huis met veertig kamers en rijd rond in een Rolls Royce.’ Een journalist vertelde me dat hij na een interview Irvings Rolls te zien kreeg. Ik adviseerde hem: ‘Ga volgende week nog eens onaangekondigd kijken. Wedden dat ‘zijn’ Rolls terug bij de verhuurder is?’ Een andere journalist vertelde me gisteren dat hij naar een van Irvings lezingen geweest was en dat er vier mensen in de zaal zaten, inclusief die journalist.’ (lacht)

 

U lijkt daar van te genieten, terwijl het toch iets zieligs heeft?

Lipstadt: ‘David Irving is helemaal niet zielig: hij is kwaadaardig. Weet u door wie hij na het proces het meest verketterd werd? Door andere holocaustontkenners. “Hij heeft de kans van zijn leven verknald om in de rechtbank brandhout van Lipstadt te maken.” Het stond in de sterren geschreven dat hij het zelf om zeep zou helpen. Onze strategie was om de bronnen uit te vlooien die hij vermelde in de voetnoten van zijn negationistische teksten. Irving schrijft: “Tijdens de Kristallnacht hoorde Hitler wat er aan het gebeuren was en werd hij woest. Hij verstuurde een telex: ‘Stop met de waanzin.’” In de voetnoot staat een verwijzing naar die telex. Wij snorden de originele telex op en lazen: “Stop het brandstichten”, want hele woonblokken stonden in de fik en de brandweerlui konden het niet meer aan. Er stond niet: “Stop met joden in elkaar te slaan”, of: “Stop met het vernielen van synagoges”, of: ‘Stop met joden uit de ramen te gooien.” Er stond alleen: “Stop met brandstichten.” Als je die telex citeert als “Stop met de waanzin”, geef je wel een heel ingrijpende draai aan de geschiedenis. David Irving doet dat continu. Veel mensen die zijn geschriften lazen, zagen de ellenlange voetnoten en vonden: “Hij heeft zich goed gedocumenteerd.” Door dat proces zagen wij ons genoodzaakt om àlle voetnoten te checken. Dat was bijzonder ontluisterend voor zijn geloofwaardigheid.’

 

Door u te dagvaarden, schoot Irving in eigen voet?

Lipstadt: ‘Ja. Op een bepaald moment tijdens het proces ondervroeg hij een getuige, want hij speelde zijn eigen advocaat. “Volgens dit document ging het zus en zo.” Tot de rechter hem onderbrak. “Mijnheer Irving, in dat document staat helemaal niet wat u daarnet zei.” Irving keek heel even verstoord en repliceerde: “O, dank u, your lordship.” Hij stelde de getuige een paar vragen en zei daarna opnieuw: “Volgens dit document…” En opnieuw werd hij onderbroken door de rechter. “Mijnheer Irving…” Zelfde scenario. De derde keer zei de rechter: “Mijnheer Irving, move on.” Tegen die stem van autoriteit kon Irving niet zomaar verder zijn leugens blijven herhalen. Tegen de rechter kon hij niet op.’

 

Had u toen niet een klein beetje medelijden met hem?

Lipstadt: ‘Geen sikkepit. Hij had het zelf gezocht. Hij dagvaardde me met opzet om me te vernietigen en hoopte zo zijn reputatie te vergroten. Hij koos mij uit om publiciteit te genereren en stal zes jaar van mijn leven. Geen medelijden. Mensen spreken me soms aan: “Deborah, heb je gelezen wat hij nu weer op zijn website over je geschreven heeft?” Nee, ik verspil geen tijd aan zijn onzin. Ik heb dat gevecht met Irving niet zelf gekozen. Het was als stappen in een hondendrol op straat. Dat stelt niets voor, tenzij je de stront je huis binnen brengt en je het tapijt naar de droogkuis moet brengen. Maar als je op tijd je schoen buiten uitdoet en proper en geduldig reinigt, is er niets aan de hand. De enige manier om kwaadaardige haters te bestrijden, is ervoor zorgen dat ze niet aan belang kunnen winnen.’

 

 

 

 

 

 

Deborah Lipstadt

1947 geboren in New York.

1976 studeert af aan de Brandeis University als doctor in de joodse geschiedenis en wordt geschiedenisprof aan verschillende universiteiten.

1993 publiceert Denying the Holocaust, The Growing Assault on Truth & Memory waarin ze ontkenners van de holocaust in kaart brengt.

1996 wordt samen met haar uitgever Penguin door David Irving voor het Britse Hooggerechtshof gedagvaard voor smaad.

2000 Irvings dagvaarding komt als een boemerang terug in zijn gezicht. De rechter noemt hem een leugenaar en een holocaustontkenner.

2005 schrijft History on Trial: My Day in Court with a Holocaust Denier, haar memoires over het proces.

 

 

(c) Jan Stevens

Advertenties

Levenslang vechten tegen de haat

De Joods-Tsjechische concertpianiste Alice Herz-Sommer werd deze maand 104. Als jong meisje wandelde ze met huisvriend Franz Kafka door Praag, als jonge vrouw beleefde ze concerttriomfen en als jonge moeder werd ze gedeporteerd naar Theresienstadt. Ze verloor haar man en haar moeder in de holocaust. “Toch haat ik niemand.” Een gesprek met Kafka’s laatst levende vriendin.

Een zonnige donderdagmiddag in het residentiële Belsize Grove in het noorden van Londen. Een paar straten verder bewonderen toeristen van op Primrose Hill de skyline van Londen en liggen jonge koppeltjes op het gazon van Regent’s Park te genieten van de najaarszon. Klokslag twee bel ik aan. “Perfect op tijd”, begroet de bijna 104-jarige Alice Herz-Sommer me als ze de deur van haar eenkamerflat opent. “Je komt helemaal uit België om over mijn leven te praten? Wat is er zo speciaal aan mijn bestaan? Mijn carrière als pianiste? Er zijn honderdduizenden muzikanten in de wereld; ik ben niet de enige.” Terwijl ze thee inschenkt en koekjes voorschotelt, vraagt ze: “Hoe oud ben je? 43? Dan ben je nog een baby.”

Alice Sommers bescheidenheid siert haar, maar zij is niet zomaar ‘een van die honderdduizenden andere muzikanten’. In de jaren voor, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog wandelde ze samen met Franz Kafka door de straten van Praag, en in de twintiger jaren beleefde ze triomfen als concertpianiste. De Tweede Wereldoorlog maakte een abrupt einde aan haar carrière. Samen met haar man Leopold en hun zoontje Raphael werd ze in 1943 op transport gezet naar Theresienstadt, ‘modelgetto’ in het noorden van Tsjechië en doorvoerhaven naar vernietigingskampen als Dachau en Auschwitz. Haar man stierf in Dachau; zij en haar zoon overleefden de gruwel. In 1949 emigreerde ze naar Israël. Alice werd hoofd van het conservatorium van Jeruzalem; Raphael Sommer werd een wereldberoemd cellist met Londen als uitvalsbasis. Op haar 84e verhuisde ook Alice naar Londen. In 2001 stierf haar zoon.

Kafka
Alice Herz zag in 1903 als jongste van een tweeling het levenslicht in Praag – een stad die toen tot het Habsburgse Oostenrijk behoorde. Haar vader Friedrich Herz was fabrieksdirecteur en zeer down-to-earth. In tegenstelling tot haar moeder Sofie Schulz, die gepassioneerd was door literatuur en van ’s morgens tot ’s avonds Bach op de piano speelde. “Mijn ouders hadden geen gelukkig huwelijk”, zegt Alice. “Het was gearrangeerd. Dat was de norm in die tijd bij Joodse families. Vader was geobsedeerd door werk – nu zou hij een workaholic genoemd worden. Om zes uur ’s morgens zat hij al in zijn kantoor. In die tijd bestond er nog geen typemachine; hij schreef alles met de hand in de boeken in. Om zes uur ’s avonds kwam hij terug naar huis. Wij, de vijf kinderen, zaten dan rond de tafel, en mama gaf papa de volle laag: ‘Je had dit moeten doen. Je hebt dat verkeerd gedaan.’ Bijna elke avond maakten ze ruzie. Na afloop van hun geruzie zei ik soms: ‘Mama, je zou papa beter eens vastnemen en hem een kus geven.'”

De kinderen Herz kregen geen religieuze opvoeding. De meeste Praagse Joden hadden lak aan religie en leidden een vrijzinnig leven. Alice Herz-Sommer: “Zelfs mijn grootouders hadden het geloof al afgezworen. Een keer per jaar – op Jom Kipoer – ging mijn vader naar de synagoge. Dat was alles. Ik herinner me dat ik naar mijn moeder toe stapte en haar vroeg: ‘Wat zijn wij eigenlijk? Op school spelen we met Duitse, Tsjechische en Joodse kinderen. Zijn wij Duitsers, Tsjechen of Joden?’ ‘Ik weet het niet’, antwoordde ze.”

Alice’ oudere zus Irma werd verliefd op de filosoof Felix Weltsch. Via Weltsch leerde de familie Herz Franz Kafka kennen. “Felix bracht Franz mee naar de tennisclub”, herinnert Alice zich. “Hij was een waardeloze speler.” Franz Kafka liep de deur van de familie Herz plat. Alice Sommer: “Kafka werkte bij een verzekeringsfirma. Mijn zus Irma ergerde zich mateloos aan zijn gewoonte om zich voortdurend te verontschuldigen. Voor alles vroeg hij vergiffenis: voor zijn te laat zijn, voor zijn aanwezigheid, voor zijn afwezigheid… We maakten ons erg vrolijk over zijn geëxcuseer. Kafka was dol op mijn moeder, en hij sprak met haar over zijn geschriften. Wij als kinderen begrepen niet veel van wat hij vertelde, maar we waren erg onder de indruk. In de omgang was Franz Kafka een moeilijk man. Als je zijn verhalen leest, merk je een eigenaardige vorm van humor. Die hanteerde hij ook in zijn conversaties. Het leek wel alsof die humor hem door dit harde bestaan moest leiden. Het dagelijks leven was een zware strijd voor hem. Zijn besluiteloosheid was legendarisch. Hij kon nooit beslissen wat zijn volgende stap in het leven zou zijn. Hij twijfelde over alles en nog wat. Ik denk dat hij voortdurend worstelde met het geloof. Zijn vader was niet religieus, maar zijn moeder was ultra gelovig. Dat zorgde voor veel spanningen in het gezin Kafka. Als kind is hij getuige geweest van zwaar geruzie tussen zijn vader en moeder over haar fanatieke, orthodoxe geloof. Dat heeft Franz getekend voor de rest van zijn leven. Na de Eerste Wereldoorlog kwamen er veel orthodoxe Joden vanuit Polen naar Praag. Op een keer nam hij mijn tweelingzus en mij mee door de oude stad, en we kwamen een hele groep van die orthodoxe Joden tegen. Ik herinner me dat hij hen aansprak en hen zei: ‘Ik behoor tot jullie.'”

Anno 2007 is Alice Herz-Sommer de laatst levende mens die Kafka persoonlijk gekend heeft. “Daardoor krijg ik studenten van over de hele wereld op bezoek”, zegt ze. “Jonge mensen uit Zuid-Amerika of Japan die aan een doctoraal over Kafka werken. Ze willen weten wat voor iemand hij was, en hoe zijn relatie was met zijn latere biograaf en onze gezamenlijke vriend Max Brod. Ik heb urenlang gewandeld met Kafka. Hij vertelde mij en mijn zus dan de meest waanzinnige dierenverhalen. Maar in het algemeen was hij erg somber. Hij was een geboren pessimist. Ik hou nog altijd niet van Kafka als schrijver. Hij zag de schoonheid in het leven niet. Ja, het leven is mooi. Kijk naar buiten, naar de straten van Londen, het leven is toch fantastisch? Londen is prachtig, net als Praag.”

Discipline
Van jongs af was Alice gefascineerd door de piano. “Als kind kreeg ik aandacht als ik een stukje op de piano speelde. Ik had talent, maar talent alleen is niet voldoende als je een carrière in de muziek ambieert. De meest getalenteerde mensen halen het niet zonder discipline. Ik las graag biografieën, en leerde daaruit hoe Schubert elke dag van zeven tot twaalf zat te componeren, ook al had hij geen inspiratie. Balzac, de grote Franse schrijver, zat elke avond van 8 tot 8 uur ’s morgens achter zijn bureau te schrijven. Ik heb mezelf gedisciplineerd door piano te studeren. Ik speelde negen tot tien uur per dag. Als ik concerten had, ging ik zelfs niet slapen. Een van mijn broers was een excellente violist. Hij had een grote carrière kunnen uitbouwen, maar hij had niet zoveel energie als ik. Ik ben geboren in een tijd toen er spanningen waren tussen Tsjechen, Duitsers en Joden. Dat had zijn goede kanten. Buitengewone Joodse muzikanten zoals ik moesten gewoonweg beter zijn dan de anderen. Typisch voor Joodse mensen is dat ze willen laten zien hoe goed ze wel zijn. Ze hebben gelijk, want als je iets erg goed kunt en beheerst, is het leven gemakkelijker. Maar als je middelmatig bent, is het leven moeilijk. Zeker jonge mensen hebben het lastig als ze niet boven de middelmaat uitstijgen.”

In de twintiger jaren beleefde Alice triomf na triomf. ’s Ochtends studeerde ze vier uur piano, ’s middags gaf ze les en ’s avonds speelde ze concerten.

Chopin
In 1925 ontmoette Alice de handelsvertegenwoordiger Leopold Sommer. In het voorjaar van 1931 traden ze in het huwelijk; zes jaar later werd hun zoontje Raphael geboren. “We waren perfect gelukkig.” Aan dat geluk kwam abrupt een einde toen Hitlers troepen op 15 maart 1939 Praag binnentrokken en in het hart van de stad op de Wenzelsplatz massaal werden toegejuicht.

“We moesten de gele ster dragen, alsof het een schande was om Jood te zijn”, zegt Alice Sommer wrang. “We mochten geen telefoon of radio meer hebben, Leopold verloor zijn werk en ik mocht niet langer lesgeven aan niet-Joden. In het begin hadden we geluk dat we onze kleine flat niet moesten verlaten. Andere Joden werden naar een getto gestuurd, wij nog niet. Boven ons leefde een nazi, zijn naam was Hermann. Raphael speelde met zijn zoon. Dat kon, want tot hun zesde moesten Joodse kinderen geen ster dragen.”

Op 5 juli 1943 werd het gezin Sommer op transport naar het getto van Theresienstadt gezet. Alice Sommer: “Mijn moeder was een jaar eerder gedeporteerd. Dat was een verschrikkelijke schok voor mij. Het afscheid van haar is het grootste dieptepunt uit mijn leven. Moeder was oud, 72, ziek, en had alleen een rugzak als bagage. Op 13 juli 1942 is ze naar Theresienstadt gedeporteerd. In oktober van datzelfde jaar is ze naar het vernietigingskamp Treblinka overgebracht. Daar is ze vermoord. Na het afscheid van moeder raakte ik in een zware depressie. Ik herinner me nog als de dag van gisteren de plaats en het moment waarop de wanhoop het grootst was. 24 juli 1942. Ik was op weg naar huis en ik kon niet verder. Een innerlijke stem zei: ‘Nu kan niemand je nog helpen. Niet je man, niet de dokters, niet je fantastische kind. Je staat er helemaal alleen voor.’ Elke pianist speelt in zijn repertoire zes of zeven wonderbaarlijke etudes van Frédéric Chopin. Ik besloot om ze alle vierentwintig te leren spelen, tegen de wanhoop in. Een concert van meer dan twee uur. Wie dat kan, heeft het allerhoogste bereikt, want de etudes zijn aartsmoeilijk. Ik kwam thuis en begon te spelen, van de ochtend tot de avond. Op een keer was ik aan het spelen, en ik hoorde geklop boven mij. Ik dacht: ‘Oei, Herr Hermann maakt zich druk.’ Als Joodse mocht ik geen piano hebben. Toen ik dat gebons hoorde, stopte ik met spelen. Joden mochten slechts een half uur per dag naar de winkels gaan. De vrouw die instond voor het onderhoud van het trappenhuis bracht ons soms iets, en we waren daar blij mee. We moesten haar woekerprijzen betalen, maar dat maakte toen niet uit. En daar stond ze in het deurgat. ‘Frau Sommer, Herr Hermann vroeg me of u gedeporteerd bent, want u bent gestopt met spelen.’ Ze zei dat ik verder kon spelen, want de nazi genoot van de muziek.”

“De avond voor we naar Theresienstadt gedeporteerd werden, zaten ik en Leopold in onze verduisterde kamer. We wilden dat ons kind zijn laatste nacht thuis in een knus, warm bed doorbracht. De deur stond een beetje open, en er kwamen Tsjechen – goede vrienden van ons – binnen. Ze spraken geen woord, maar namen alles mee wat ze konden dragen, terwijl wij daar zaten. Zelfs nu kan ik dat nog altijd niet begrijpen. Diezelfde avond kwam mijnheer Hermann langs. Hij zei: ‘Mevrouw Sommer, ik hoor dat u op transport gezet zal worden. Ik wens u het allerbeste. Ik kom uit een muzikale familie en heb grote bewondering voor uw pianospel. Ik dank u voor die mooie muziek die u gespeeld hebt.’ Hij was een mens. Die Tsjechen niet.”

Theresienstadt
Theresienstadt was oorspronkelijk een garnizoensstad. Alice Sommer: “Er stonden grote barakken waar ooit soldaten gelegerd waren. De oorspronkelijke bewoners moesten er weg toen het een getto voor de Joden werd. In die kleine plaats leefden normaal 9000 zielen, onder Hitler werden er tot 300.000 Joden van over heel Europa samengebracht.”

Het getto werd bewaakt door de SS en de Tsjechische politie. Theresienstadt was een tussenstation in de doorvoer van Joden naar de vernietigingskampen. Eind 1943 gaven de nazi’s aan een onderzoekscommissie van het Internationale Rode Kruis toestemming voor een bezoek aan de stad, om de wereld te laten zien dat de Joden goed behandeld werden. Maar eerst werd er schoon schip gehouden en werd de overbevolking opgelost door het aantal transporten naar Auschwitz op te drijven. De nazi’s bouwden nepwinkels, een café, een kleuterschool en een lagere school. De huizen werden met bloemen getooid. De delegatie van het Rode Kruis tuinde er met haar ogen wijd open in. De nazi’s gaven een aantal inwoners het bevel een propagandafilm te draaien – ‘De Führer schenkt de Joden een stad’. Naderhand werden alle medewerkers aan de film op transport naar Auschwitz gezet.

De interne gang van zaken in het getto werd geregeld door een Raad van Ouderen. De Joodse leiders organiseerden het werk, regelden de voedselverdeling en de huisvesting, organiseerden concerten en toneelopvoeringen en stelden zelf de lijsten samen voor de deportaties. Alice Sommer: “Ons eten bestond ’s ochtends uit zwart water, ‘koffie’, ’s middags uit wit water, ‘soep’, en ’s avonds terug uit zwart water. Mijn zoon huilde vaak van de honger. Niet in staat zijn om je kind iets te geven, is hard voor een moeder. Twee jaar lang sliep ik met mijn zoon op een matras. Dat was goed voor hem. Hij voelde zijn moeder dichtbij. Dat gaf hem veiligheid. Hij werd geselecteerd om mee te zingen in de voorbereidingen voor de kinderopera Brundibár. Daar was ik erg blij mee, want ik wist dat er niets met hem kon gebeuren als hij daar was, en hij raakte er altijd in een goede stemming. Het was hard. We werden verplicht om concerten te spelen. Ik had vijf of zes programma’s, en er was een organisatie die dat regelde: de Freizeitgestaltung. Ik kreeg opdracht om op zondag, woensdag en vrijdag te spelen. De concerten waren in het gemeentehuis, er was plaats voor 150 mensen. Oude, vereenzaamde, hongerige mensen. En toch kwamen ze naar die concerten! Muziek was ons geestelijk voedsel. Theresienstadt was propaganda voor Hitler, maar de muziek hield ons in leven.”

Was Alice Sommer zich toen bewust van wat er met de Joden in de kampen gebeurde? “Op dat moment niet. Na een jaar in Theresienstadt, werden duizend mannen op transport gezet, waaronder mijn man. Hij wist wat hem te wachten stond, en vlak voor hij naar Dachau gevoerd werd, zei hij: ‘Probeer om hier te blijven. Luister niet als ze een oproep doen aan de achtergebleven vrouwen om hun mannen te vervoegen. Doe het niet.’ Drie dagen later werd er weer een transport van duizend mensen georganiseerd onder het motto: ‘Kinderen en vrouwen volgen hun vaders en mannen’. Iedereen wou mee. Ik bleef achter met Raphael. Leopold heeft onze levens gered. Niemand kwam terug. Mijn man stierf in Dachau. Hij stond erg dicht bij onze zoon. Het was een schok voor Raphael, toen zijn vader weg moest uit Theresien. Vanaf die dag vroeg ik me af hoe ik hem zonder haat kon laten opgroeien. Want haat brengt alleen maar haat voort. Ik wou niet dat mijn jongen de rest van zijn leven zou haten. Ik heb met Raphael nooit over Theresienstadt of over de holocaust gesproken. Natuurlijk wist hij wat er gebeurd was. Hij was als cellist erg populair in Duitsland, hij speelde er zeer veel. Hij verweet de Duitsers niets. Een paar jaar voor zijn dood heeft hij een autobiografie geschreven waarin hij me expliciet dankt dat ik hem geen haat opgelepeld heb. Nee, ik haat niet. Ik heb nooit een woord van haat tegenover het naziregime geuit. Geen woord. We komen half goed, half slecht uit de buik van onze moeder. Ik hou van mensen met zowel het slechte als het goede. Ik kijk naar het goede, en ik vergeet het slechte. Spinoza zegt: ‘We kiezen zelf om het goede, of het slechte te doen.’ Ik lees veel, en ik ga naar de Universiteit voor de Derde Leeftijd. Op dinsdag volg ik filosofie; Spinoza is mijn favoriete filosoof. Voor hem is alles god, zijn wij god. Goed en kwaad zijn god. Ja, ook het kwaad. Ik heb geen religie nodig, maar misschien zit er wel een stukje god in alles.”

Democratie
Na de bevrijding keerde Alice met haar zoon terug naar Praag. “We trokken in bij mijn broer. Hij was getrouwd met een niet-Joodse, zij heeft hem beschermd. Na twee maanden kregen we van de Joodse gemeenschap een kleine flat toegewezen, en een beetje geld. Ik begon terug pianolessen te geven. Tot Stalin na de staatsgreep van ’48 Praag helemaal inpalmde. Ik heb anderhalf jaar onder het communistische juk geleefd. Ik verzeker je, de mensen hier in Engeland en in de rest van Europa beseffen niet hoe kostbaar democratie is. Onder de dictatuur van het communisme waren we bang om iets te zeggen – zelfs tegen goede vrienden. Je kon niemand vertrouwen. Na Hitler en Stalin ben ik naar Israël vertrokken. Daar was er geen dag zonder spanning, maar hadden we wel democratie. Je kon er zeggen en lezen wat je wou. Je kon je kind opvoeden zoals jij wou, niet zoals zij het wilden. Democratie. Je kent de negende van Beethoven met Schillers ‘Alle Menschen werden Brüder’?” Alice Sommer neuriet zachtjes. Dan zegt ze: “We leven in een slechte tijd. Een heel slechte tijd. Er is zoveel haat. Het is zelfs nog veel erger dan in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Maar het wordt beter. Misschien moet het eerst nog wat slechter gaan, maar dan wordt het weer beter. Want vanuit het slechte groeit het goede.”

Jarenlang stond Alice Herz-Sommer aan het hoofd van het conservatorium van Jeruzalem. “Daar heb ik honderden leerlingen onder mijn hoede gehad. Ook veel Arabieren. Ze schrijven nu nog naar mij, van over de hele wereld. Fantastische mensen. In Israël heb ik de mooiste tijd van mijn leven beleefd.”

Op haar 84e verhuisde ze naar Londen. “Ik wou bij mijn zoon en mijn kleinkinderen zijn. Raphael is dood, maar een van mijn kleinkinderen leeft en werkt hier. Of ik nog plannen maak voor de toekomst? Nee. Ik kan elk moment sterven. Als er iets gebeurt, bel ik mijn kleinzoon en in vijf minuten is hij hier. Maar ik speel nog alle dagen piano, met acht vingers – mijn twee wijsvingers willen niet meer mee. Discipline!”

Hoe kijkt Alice Herz-Sommer terug op haar leven? “Ik heb er een erg goed gevoel over. De vrienden van mijn generatie zijn dood. Maar hun kinderen komen mij nog altijd opzoeken. Max Brod was een levenslange vriend. Op de dag dat Wereldoorlog II uitbrak, is hij samen met mijn zus en Felix Weltsch op de laatste trein naar Israël gestapt. Mijn leven was moeilijk. Maar dat komt ook deels voort uit mijn karakter. Veel jonge Engelse journalisten hebben gezeten waar jij nu zit. In het begin vroeg ik hen: ‘Waarom komen jullie? Wat willen jullie van mij?’ ‘Wij willen schrijven over hoe het leven is als een mens zo oud is als u.’ Ik wou daar eerst niet op ingaan, want ik wilde niet dat die jonge mensen bang werden. Maar het inspireerde me. Als ze nu komen, zeg ik altijd: ‘De ouderdom is de mooiste periode uit ons leven.’ Alleen als je zo oud bent als ik, raak je echt doordrongen van de schoonheid van het bestaan.”

Etudes van troost, de biografie van Alice Herz-Sommer, is geschreven door Melissa Müller en Reinhard Piechocki en uitgegeven door Artemis & co.

© jan@janstevens.be