Lawrence Wilkerson, kabinetschef van Colin Powell, betreurt de oorlog in Irak

Jarenlang was kolonel Lawrence Wilkerson (71) de schaduw van Colin Powell. Eerst als assistent toen Powell opperbevelhebber van het Amerikaanse leger was; later als kabinetschef toen hij minister van Buitenlandse Zaken werd. Ze stonden samen aan de wieg van de oorlog in Irak. Daar heeft Wilkerson nu veel spijt van. ‘Ze hebben ons genaaid.’

 

5 februari 2003. Op de plenaire vergadering van de VN-Veiligheidsraad legt minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell het ‘ultieme bewijsmateriaal’ op tafel dat de Iraakse dictator Saddam Hoessein over massavernietigingswapens beschikt. Hij toont er onder meer gedetailleerde tekeningen van mobiele laboratoria voor de aanmaak van biologische wapens. Powells uiteenzetting overtuigt een aantal landen om samen met de VS ruim een maand later Irak binnen te vallen. Op 1 mei roept president George W. Bush van op het dek van de oorlogsbodem USS Abraham Lincoln triomfantelijk de overwinning uit.

Tot vandaag zijn er in Irak geen massavernietigingswapens gevonden. De tekeningen van de labo’s en al de rest van het bewijsmateriaal waren door Powells kabinetschef Lawrence Wilkerson in een mooie presentatie gegoten. Die blunder bezorgt hem nog steeds slapeloze nachten. ‘Ze hebben ons toen genaaid’, zegt hij. ‘We wisten niet dat zowel die mobiele labs, als het Iraakse nucleaire programma, als de link tussen het Saddam-regime en Al Qaida, ordinaire leugens waren. Op 29 januari 2003 stapte Powell mijn kantoor binnen. “Je moet eens langsgaan bij de CIA”, zei hij. “Ze hebben daar alle inlichtingen verzameld die ik nodig heb voor mijn presentatie bij de VN.” Toen ik bij de CIA buiten kwam, was ik er voor honderd procent zeker van dat ik waardevolle, onheilspellende informatie over het regime van Saddam Hoessein in handen had. Nu weet ik dat het geprefabriceerd ‘bewijsmateriaal’ was. De rest van de Bush-administratie heeft ons misbruikt om het Amerikaanse volk en de rest van de wereld om de tuin te leiden.’

Volgens Wilkerson was het geen toeval dat Colin Powell door president George Bush en vicepresident Dick Cheney als lokeend naar de VN gestuurd werd. ‘Powell was het populairste lid van de regering en werd door de hele internationale gemeenschap ernstig genomen. Op het kabinet maakten we grapjes dat zijn populariteit net onder die van Moeder Theresa piekte. Terwijl zij 80 procent in de populariteitspolls haalde, schommelde hij rond de 75 procent. Ik ben momenteel een boek over heel die affaire aan het schrijven en heb de voorbije maanden zelf onderzoek gevoerd en met insiders gepraat. Ik weet met absolute zekerheid dat George Tenet, de toenmalige CIA-directeur, doelbewust loog tegen Colin Powell. Ook vicedirecteur John McLaughlin beloog mijn minister. Ik heb bewijs gevonden dat CIA-analisten en medewerkers van de National Intelligence Council orders ontvingen van Dick Cheney. Veel valse informatie kwam rechtstreeks van het kabinet van de vicepresident.’

 

In 1989 werd u de persoonlijke assistent van generaal Colin Powell, toen hij opperbevelhebber van het Amerikaanse leger was.

Lawrence Wilkerson: Ik was professor ‘strategie’ aan het Naval War College in Newport, Rhode Island, de meest prestigieuze militaire academie in de VS. Begin 1989 kreeg ik telefoon van Colin. Op dat moment was hij nog Nationaal Veiligheidsadviseur van president Ronald Reagan, maar hij stond op het punt benoemd te worden tot opperbevelhebber. Ik kende hem niet en zijn telefoontje verraste me. Hij nodigde me uit in Washington voor een gesprek. Dat duurde twee uur. Hij stelde me vragen als: ‘Zou je een speech voor me kunnen schrijven voor in een zwarte baptistenkerk?’ (lacht) Vlak nadat ik hem na het gesprek gesalueerd had, vroeg hij: ‘Wil je deze baan?’ Ik antwoordde: ‘Niet echt, Sir. Ik geef graag les en ben gelukkig met wat ik doe.’ Hij zei: ‘Bedankt voor je eerlijkheid.’ Ik was al een paar maanden voor hem aan de slag, toen hij me zei: ‘Wil je weten waarom ik je aangenomen heb? Jij was de enige die de job niet wou.’ (bulderlach)

Waarom ik ooit voor het leger gekozen heb? In 1966 studeerde ik filosofie en literatuur. Van de ene dag op de andere gaf ik die studies op om te gaan vechten in Vietnam. Een van mijn beste vrienden uit het middelbaar sneuvelde er. Op mijn universiteit weerklonken de eerste anti-oorlogsprotesten, maar ik zat in tweestrijd. Mijn vader en schoonvader hadden in de Tweede Wereldoorlog gevochten. Op een bepaald moment nam ik een besluit en zei ik tegen mijn kersverse vrouw: ‘Ik neem dienst.’ Ik wist toen niet dat ik ooit zou afzwaaien als kolonel.

 

Toen Colin Powell na zijn pensionering als militair in de politiek ging, volgde u hem.

Wilkerson: Hij is niet echt zelf in de politiek gestapt. Als opperbevelhebber van het leger wist hij perfect hoe het politieke spel ineenzat, maar gedroeg hij zich nooit als een politicus. In 1995 vroegen zowel de Democratische als de Republikeinse partij hem meermaals op te komen voor de presidentsverkiezingen. Zes maanden lang heeft hij daarover nagedacht. In die periode heeft hij met veel mensen over een mogelijk leven in de politiek gepraat, ook met mij. In november ’95 kwam hij tot het inzicht dat hij niet gemotiveerd genoeg was voor een politieke carrière, laat staan voor het presidentschap. Ik weet nog dat hij toen een persconferentie gaf in de Ramada Inn in Alexandria, Virginia, waar hij officieel bekendmaakte dat hij niet zou deelnemen aan de presidentsverkiezingen. Hij heeft het nooit zelf gezegd, maar de échte reden is dat hij walgde van het politieke gekrakeel. Ook toen al waren de voorverkiezingscampagnes van de presidentskandidaten niet echt toonbeelden van verfijnde politieke cultuur.

 

Toch was Colin Powell van januari 2001 tot januari 2005 minister van Buitenlandse Zaken tijdens de eerste termijn van president George W. Bush, met u als kabinetschef.

Wilkerson: De Republikeinen hadden zijn benoeming tot opperste bevelhebber mogelijk gemaakt. Toen ze hem die ministerpost aanboden, wou hij die uit loyaliteit niet weigeren. Hij zag het als een wederdienst. Ik heb hem vaak horen zeggen: ‘Als het op internationale politiek aankomt, ben ik een Republikein. Als het op sociale politiek aankomt, een Democraat.’ Hij vertelde me dat hij in 1964 voor de Democraat Lyndon Johnson stemde. Buitenlandse Zaken is het minst politieke departement. Een minister van Buitenlandse Zaken voert op geen enkel moment campagne voor de president en houdt geen politieke toespraken.

 

Hoe u het ook draait of keert: Colin Powell hielp zijn president wel de door velen gecontesteerde invasie in Irak in gang zetten.

Wilkerson: Weet u, historici zullen zich vertwijfeld blijven afvragen waarom die tweede Golfoorlog überhaupt ooit in gang gezet is. Na mijn ontslag als kabinetschef ging ik terug lesgeven. Elk jaar geef ik mijn studenten nu de opdracht om zelf een diepgaand onderzoek te voeren naar de beweegredenen voor die oorlog. Meestal lijsten ze er zes op, variërend van olie, over terrorisme, potentieel gebruik van massavernietigingswapens, tot een reactie op een vermeende aanval van Saddam Hoessein op vader of zoon Bush. Ze concluderen ook allemaal dat er geen enkel officieel overheids- of regeringsdocument te vinden is dat de beslissing ondersteunt om ten strijde te trekken. Geschiedkundigen zullen daar tot het einde der tijden vergeefs naar blijven zoeken. Want er is nooit een moment geweest waarop president George W. Bush officieel verklaarde: ‘Ik heb iedereen gehoord en neem het besluit om Irak binnen te vallen.’ Nooit. Het was meer sluipende besluitvorming. We stuurden troepen en lieten de VN-wapeninspecteurs weten dat we niet geloofden dat hun inspecties ooit resultaten zouden opleveren. We namen nog andere kleine beslissingen die er op leken te wijzen dat ons einddoel een invasie was. Maar op geen enkel moment belegde de president een vergadering om aan alle leden van de Nationale Veiligheidsraad duidelijk te maken dat hij het bevel zou ondertekenen om Irak binnen te vallen. In alle vorige grote conflicten was dat wél gebeurd. Nu niet.

 

Vicepresident Dick Cheney was degene die echt de touwtjes in handen had?

Wilkerson: Ja. George W. Bush was een zeer gewillige marionet aan Cheney’s hand. Van in het begin van zijn presidentschap smeekte hij bijna om door Dick Cheney bij het handje genomen te worden. Die investeerde elke dag veel tijd en energie om Bush nog hulpelozer te maken dan hij al was.

 

De neoconservatieven waren grote voorstanders van een invasie in Irak. Voerde Cheney hun agenda uit?

Wilkerson: Ik weet niet hoe groot de invloed van de neoconservatieven op Dick Cheney was. Ik had de indruk dat hij in de eerste plaats zelf de agenda wou bepalen. Al is het wel zo dat de plannen van machtige neonconservatieve denkers als Richard Perle en Bill Kristol mooi parallel liepen met die van de vicepresident. Dick Cheney is geen neoconservatief, maar een ‘hypernationalist’, net als de toenmalige minister van Defensie Donald Rumsfeld. Al kunnen we die laatste misschien beter een hyper-Rumsfeldiaan noemen, want het voornaamste element van zijn ideologie was hijzelf. (lacht schamper) Rumsfeld was geobsedeerd door het uitbouwen van zijn persoonlijke macht en kon ook aan niets anders denken. Dick Cheney is er heilig van overtuigd dat alles wat Amerika ooit gedaan heeft en ooit zal doen, per definitie juist is. Als vicepresident probeerde hij die filosofie door ieders strot te duwen. Hij was uitzonderlijk goed in het doordrukken van zijn gedacht, veel beter dan alle andere ministers uit de Bush-administratie. Hell, wat zeg ik? Hij nam gewoon de hele administratie over: meer dan vier jaar lang bepaalde hij het beleid.

 

In mei 2003 interviewde ik Richard Perle. Hij zag de inval in Irak vooral als een manier om de oorlog naar de terroristen te brengen. Na 9/11 wou hij het slagveld van de Twin Towers verleggen naar het Midden-Oosten.

Wilkerson: Ik heb Perle in die tijd verschillende keren ontmoet en hij vertelde me exact hetzelfde. Zijn kompaan Bill Kristol had concrete plannen om chaos te creëren in heel Zuidwest-Azië. Door daar boots on the ground te droppen, zouden de terroristen bijna vanzelf toestromen om de satan te bestrijden. Wat ons dan weer goed uit kwam, want dan konden we hen allemaal samen in de pan hakken. Tezelfdertijd hielden we Israël veilig. Tot zover de totaal van de pot gerukte neocon-theorie. Ik vermoed dat Israël de echte motivatie voor de neocons was om Irak binnen te vallen. Dat gold zeker voor een man als Douglas Feith, op dat moment viceminister voor Defensie. Zolang Syrië, Irak en zelfs Iran in chaos verkeerden en aan elkaars strot hingen, was Israël veilig.

 

De huidige oorlog in Syrië, de terreur van de IS, de aanslagen in Parijs en Brussel hebben allemaal hun oorsprong in de invasie in Irak van 2003?

Wilkerson: De huidige ellende heeft nog veel diepere wortels. Het begon al in 1991, bij de eerste Golfoorlog, toen Paul Wolfowitz en een paar andere neoconservatieve hardliners in het Pentagon die compleet geschifte strategie van de chaos in het Midden-Oosten uitdachten. Hun baas, toenmalig minister van Defensie Dick Cheney, was daar razend enthousiast over. Hij trok ermee naar het Witte Huis en probeerde ze te verkopen aan president George H. Bush. Uit zeer betrouwbare bron weet ik dat vader Bush bleek wegtrok toen hij het plan las. Hij zei letterlijk: ’Stuur dit onding terug naar de gekken in de kelder van het Pentagon.’ Het plan lag daarna stof te vergaren, tot George W. aan de macht kwam met Dick Cheney als zijn vicepresident. Van zodra de kans zich voordeed, blies die laatste het gekkenplan weer leven in.

 

Hoe kijkt Colin Powell nu op die hele periode terug?

Wilkerson: Ik zie hem nog regelmatig, maar ik wil niet meer in zijn naam spreken. U zal hem dat zelf moeten vragen.

 

Hoe kijkt uzelf er op terug?

Wilkerson: De invasie in Irak in 2003 is waarschijnlijk de meest catastrofale beslissing die na Wereldoorlog Twee genomen is. Wij hebben ons daarvoor laten misbruiken. De oorlog in Vietnam was al een afschuwelijke vergissing met gigantisch veel slachtoffers; Irak heeft een nog catastrofaler scenario in gang gezet. Wij hebben de duistere machten vrijgemaakt die Zuidwest-Azië in de goorste ellende storten. We hebben geen Arabische Lente gestart, maar een Arabische winter. Ik vrees dat die winter meer dan een generatie zal duren. We veroorzaakten een onwaarschijnlijke poel van ellende waar we zelf in dreigen te verzuipen. Voor 2003 speelde de tegenstelling tussen sjiieten en soennieten in de regio nauwelijks een rol. Vandaag lusten die twee grote moslimgroepen elkaar rauw. Die oude tegenstelling hebben wij met onze invasie op scherp gezet.

We leven nu in extreem gevaarlijke tijden waar alleen het militair-industriële complex van profiteert. 44 miljard dollar verdienden het olie- en gaswinningsbedrijf Halliburton en de private military contractor Kellogg, Brown and Root (KBR) aan Afghanistan en Irak. Tot 2007 was KBR onderdeel van Halliburton. 44 miljard.

 

Van 1995 tot 2000 was Dick Cheney CEO van Halliburton.

Wilkerson: Precies. Hij heeft er nog steeds belangen. Cheney profiteerde op financieel vlak het meest van de oorlogen die hij zelf in gang gezet heeft. Het ziet ernaar uit dat de kassa nog heel lang zal blijven rinkelen.

 

Eind 2005 nam u in verschillende interviews de folterpraktijken van de CIA op de korrel. Waarom deed u dat niet toen u nog in de regering zat?

Wilkerson: Omdat we er toen niets van afwisten. Nadat in april 2004 de martelingen door Amerikaanse soldaten in de Abu Ghraibgevangenis in Bagdad bekend raakten, vroeg Colin Powell me om op zoek te gaan naar alles wat met foltering te maken had. Het kostte me negen maanden om alle documenten, zowel geheime als niet-geheime, over de ‘speciale ondervragingstechnieken’ te verzamelen. Toen we in januari 2005 afscheid namen van de macht, had ik alles netjes in kaart gebracht. In mei 2004 noemde Donald Rumsfeld Abu Ghraib het werk van een paar ‘rotte appels’. Begin 2005 was het voor mij duidelijk dat het allesbehalve om een paar rotte appels ging, maar dat voor het eerst in onze geschiedenis marteling een systeem geworden was, besteld door de president en beheerd door de vicepresident en zijn advocaat David Addington. Toen wist ik dat ik niet langer mocht zwijgen. Ik kreeg meteen als reactie dat de ‘speciale interviewtechnieken’ een klein kwaad waren, bedoeld om het veel grotere terroristische kwaad aan te pakken of te verhinderen. Dat ‘kleine kwaad’ heeft wel onze democratie de genadeslag gegeven, en ons moreel aanzien in de wereld.

 

De Verenigde Staten zijn vandaag geen democratie meer?

Wilkerson: Nee. Misschien is die er wel nooit geweest, want onze founding fathers stichtten indertijd geen democratie, maar een federale republiek. In het begin werden senatoren gekozen door de staten en niet door het volk. Op dit moment is Amerika geen democratie zoals Frankrijk, Groot-Brittannië of Duitsland. Omdat we nog steeds die federale republiek zijn, met ondertussen iets meer democratische aspecten, zijn we ontzettend kwetsbaar voor politici met kwade bedoelingen. Er moeten dringend hervormingen doorgevoerd worden, waardoor het parlement meer macht krijgt en de administratie minder.

 

Bent u nog lid van de Republikeinse Partij?

Wilkerson: Zeker, ik probeer mijn partij terug op het juiste spoor te zetten. Donald Trump drijft de Grand Old Party bijna tot zelfmoord, al weet ik niet of dat een weldoordachte strategie van hem is. Ik ben wel benieuwd hoe er na de conventie puin geruimd zal worden.

 

De voormalige ambassadeur Howard Gutman is ervan overtuigd dat Trump nooit genomineerd zal worden.

Wilkerson: Ik zou daar maar niet te zeker van zijn. De Donald Trump die we tot voor kort te zien en te horen kregen, is niet dezelfde als de Donald Trump die we op de conventie zullen leren kennen, of de Donald Trump die misschien zal meedingen naar het presidentschap. Op dit moment staat er een totaal andere Trump te trappelen in de coulissen. De rebel met zijn ongezouten meningen zal plaats ruimen voor een terughoudende presidentskandidaat met staatsmanallures. Trump is geen idioot. Hij weet zijn kansen heel goed in te schatten, al geloof ik niet dat hij Hillary Clinton zal verslaan.

 

Klopt het dat u indertijd voor president Obama gestemd hebt?

Wilkerson: Ja, ik heb toen zelfs campagne voor hem gevoerd. Zijn presidentschap is jammer genoeg uitgedraaid op een grote teleurstelling, wat zeer tragisch is, want hij had heel wat krediet. Hij is slim en had veel hervormingen kunnen doordrukken, maar zijn grote probleem is dat hij niet van confrontaties houdt. Hij had een hekel aan ruzie met de wetgevende macht en gooide daarom snel de handdoek in de ring.

 

Hebt u ooit overwogen om zelf in de politiek te stappen?

Wilkerson: Nee, net als mijn vorige baas Colin Powell zou ik zo’n job niet eens met handschoenen aan willen aanraken. (lacht)

 

© Jan Stevens

Advertenties

“Oorlog is mijn natuurlijke staat van zijn”

De Britse dansleraar Mike Rosa trok in zijn eentje naar Irak om er te gaan vechten tegen Islamitische Staat. Twee maanden lang zat hij als sluipschutter op de berg Sinjar. “Weet u waar ik het ergste van schrok? Anderhalf jaar lang liet de internationale coalitie de grote autoweg ongemoeid tussen Raqqa en Mosoel, de Syrische en Iraakse ‘hoofdsteden’ van het kalifaat. Ik zag de jets overvliegen; nooit dropten ze een bom.”

 

Begin 2015 verdween Londenaar Mike Rosa (54) spoorloos van de radar, om in juni van dit jaar weer op te duiken in Iraaks-Koerdistan met een Kalasjnikov in de aanslag, vechtend tegen Islamitische Staat. “Mijn vrienden waren in shock”, zegt hij. “Ze kennen me als een West Coast Swing-dansinstructeur. Toen ik op Facebook begon te posten over mijn ervaringen in Irak, reageerden ze vol ongeloof: ‘O my God! Wat bezielt je? Keep your head down.’”

Van juni tot september was Rosa actief als vrijwilliger bij Shadows of Hope, een Amerikaanse ngo die niet alleen veldziekenhuizen op slagvelden bouwt, maar ook deelneemt aan de gewapende strijd. In september trok hij vervolgens naar de berg Sinjar, waar hij in het leger van Jezidi-generaal Qasim Shesho als sluipschutter de stellingen van IS in de bezette stad Sinjar in het vizier nam.

Toen de Koerden op 12 november hun grote offensief voor de herovering van Sinjar startten, werd Rosa verplicht om op te krassen. “De Jezidi-soldaten mochten van de Koerden niet als eersten hun eigen stad bevrijden”, zegt hij. “Eerst gingen de soldaten van de PKK naar binnen, gevolgd door die van de YPG, het leger van de Syrische Koerden. Daarna volgden de Peshmerga, de soldaten van Iraaks-Koerdistan. De herovering van Sinjar was tien dagen eerder al gepland, maar werd uitgesteld omdat er op dat moment een heuse mini-burgeroorlog dreigde tussen de Jezidi’s en de Koerden. Sinjar is geen deel van Iraaks-Koerdistan en de Jezidi’s wilden de leiding over de aanval op hun eigen stad.” Maar de Koerden stelden hun veto. “In het verleden werkten Jezidi-generaals samen met de vorige sjiitische premier Maliki. Daarom zijn de Jezidi’s nu niet alleen vijanden van soennieten als IS, maar ook van de Koerden. In Irak heeft iedereen met iedereen een eitje te pellen, waardoor het evenwicht tussen de huidige ‘coalitiepartners’ uiterst fragiel is.”

In de nacht van 11 op 12 november werd Mike Rosa samen met zeven Amerikanen en een Fin in de laadbak van een Toyota-truck vanuit Sinjar op transport naar de 170 kilometer verder gelegen stad Dohuk gezet. “De Koerdische Peshmerga vertrouwden ons niet omdat we bij de Jezidi’s ‘hoorden’; voor hen zaten we aan de ‘verkeerde kant’. Ik had geen geld meer, en wou niet via de luchthaven van Erbil naar huis reizen. Ik was bang dat de Peshmerga me zouden oppakken.” Dus mengde hij zich onder de vluchtelingenstroom. “Via Turkije stak ik naar Griekenland over. Vanuit Athene reisde ik op verschillende bussen naar Salzburg. Ik zat tussen vluchtelingen uit Syrië, Irak en Afghanistan. Veel alleenstaande jonge mannen, fighting aged males zoals ze hier in Engeland genoemd worden. Dat zorgt voor ongerustheid, want Europeanen zijn bang dat het IS-strijders zijn. Die jonge mannen vonden het raar dat ik met hen meereisde. ‘Waar kom jij vandaan?’ Ik hoorde telkens hetzelfde verhaal. ‘Assad vermoordde de helft van mijn familie en met IS wil ik niets te maken hebben. Alles wat ik wil is een fatsoenlijk leven.’ In hun plaats deed ik net hetzelfde.”

 

Shadows of Hope

Vandaag woont Mike Rosa tijdelijk bij zijn zus in de Zuid-Engelse havenstad Portsmouth. Hij ziet er allesbehalve als een door testosteron gedreven vechtmachine uit; eerder als een bankier uit de Londense City. “Ik heb ook jarenlang in de City als kredietrisico-analist gewerkt”, zegt hij. “Op het einde had ik twee Maserati’s. Acht jaar geleden blies ik dat sprookje op en werd ik professioneel dansleraar. Dansen maakte me niet rijker, integendeel. Toen ik naar Irak vertrok, was ik terug een arme man.”

 

Dat vertrek was meteen uw tweede midlifecrisis?

Mike Rosa: “Nee, ik had maar één midlifecrisis: toen ik dansleraar werd. Ik ben een ex-militair: van 1980 tot 1984 zat ik in het Franse Vreemdelingenlegioen. Ik was 19 toen ik me aansloot en had geen idee in wat voor een organisatie ik terecht zou komen. Het werd een uitstekende ervaring. Na vier jaar moest ik er noodgedwongen de brui aan geven. Bij een foute parachutesprong verbrijzelde ik een knie. Na een lange revalidatieperiode begon ik aan een leven als brave burgerman, maar het verleden bleef knagen. Toen ik in de zomer van vorig jaar de gruwelbeelden uit Sinjar zag, was dat de trigger om terug te gaan vechten.

“Het Westen heeft alles wat er misgaat in het Midden-Oosten zelf veroorzaakt. De slachting van Jezidi’s door IS is onze fout. We lieten het allemaal gebeuren, terwijl we met de invasie van Irak aan de basis van de ellende liggen. In 2003 liep ik door de straten van Londen mee te betogen tegen de nakende oorlog van Blair en Bush. Terecht. Toen ik Sinjar zag, werd het voor mij duidelijk dat ik de historische fout die we gemaakt hadden, moest helpen rechtzetten. Ik sloot mijn leven hier af en vertrok zonder iemand iets te zeggen eerst naar Thailand en later naar Birma, waar ik ter voorbereiding van mijn militaire avontuur keihard aan mijn conditie werkte.”

 

Begin juni van dit jaar reisde u dan helemaal alleen naar Irak om er te gaan vechten?

“Ik trok naar Suleimaniya, een stad in de Koerdische Autonome Regio. Ik had me vermomd als arbeider uit de olie-industrie. Mijn haar was lang, ik droeg een baard en deed mijn uiterste best om er vooral niet als een militair uit te zien. (lacht) Mijn oorspronkelijke plan was om aansluiting te zoeken bij de YPG, het leger van de Syrische Koerden, maar ik vertrouwde hun ronselaar niet. Toevallig ontmoette ik de Amerikaanse dokter Robert Hoey. Hij is stichter van de ngo Shadows of Hope en was op dat moment aan het werk in Shorsh, een militair ziekenhuis waar uitsluitend soldaten van de Peshmerga verzorgd worden. Hij gaf er soldaten en dokters medische training voor op het slagveld. Dokter Hoey kon mijn hulp goed gebruiken, en samen met een Amerikaanse ex-marinier vormden we een medisch opleidingsteam. Wij leerden de Peshmerga overleven op het slagveld.”

 

U leerde hen ook vechten?

“Ja. Na Suleimaniya verhuisden we naar Beşiir ten zuiden van Kirkuk, waar we deel uitmaakten van een ‘Special Operations Group’. Eerst gaf ik er medische training en later werd dat gevechtstraining, want de opleiding van de Peshmerga laat veel te wensen over. Mijn tolk was twintig jaar oud, en al drie keer gewond geraakt. Zijn verwondingen waren een gevolg van een stuitend gebrek aan basistraining. Wij concentreerden ons op overlevingstechnieken, eerste hulp bij schotwonden en gevechtstraining.”

 

Begrijpt u dat ik Shadows of Hope een bizarre ngo vind? Dokter Robert Hoey is duidelijk geen Arts Zonder Grenzen.

“In een oorlog worden mensenlevens op zeer verschillende manieren gered. Shadows of Hope hielp in het militair ziekenhuis in Suleimaniya, waar dokter Hoey opereerde, en we hielpen ook op allerlei manieren aan de frontlinie. We waren allemaal zwaar bewapend en draaiden in Beşiir mee in de verdediging van de Peshmerga-basis. Shadows of Hope verricht uitstekend werk.”

 

Sniper

Begin september ontmoette Mike Rosa in de Noord-Iraakse stad Erbil bij toeval acht andere Westerse vrijwilligers met militaire achtergrond. Ze besloten samen naar de berg Sinjar te reizen om er te gaan vechten aan de zijde van de Jezidi’s. “We wilden er de Islamitische Staat helpen verslaan. Generaal Shesho verwelkomde ons met open armen.”

 

Kreeg u soldij?

“Nee,via mijn Facebook-account organiseerde ik een crowdfundactie. Als internationaal actieve dansleraar verzamelde ik in de loop der jaren wereldwijd drieduizend Facebook-vrienden. Een aantal onder hen heeft ook geld gestort, al was dat geen vetpot. Maar op een legerbasis aan het front heb je niet veel nodig: je krijgt er kost en inwoon en er valt zo weinig te beleven dat je er eenvoudigweg geen geld kunt opdoen.”

 

Moest u zelf uw wapens kopen?

“Toen ik bij Shadows of Hope aan de slag ging, kocht ik mijn eigen Kalasjnikov. Ik betaalde 450.000 Iraakse dinar (372 euro – JS). Voor mijn pistool betaalde ik 300.000 Iraakse dinar (248 euro – JS).

“Op de berg Sinjar was ik sniper, sluipschutter. Overdag observeerde ik de stad door een verrekijker. We deelden onze stellingen met soldaten van de PKK. De eerste vijfhonderd meter voor ons leken op het verwoeste Stalingrad uit de Tweede Wereldoorlog. Maar verderop liepen er mensen op straat. Ze bevonden zich net buiten sniper range. Het grootste deel van Sinjar was niet gebombardeerd door de vliegtuigen van de coalitie tegen IS. Er reden bussen, auto’s, vrachtwagens. Het leven leek bijna normaal. Dat was bevreemdend, want dit was wel de frontlinie. Wat ik nog bevreemdender vond, was dat we tegengehouden werden om actie te ondernemen tegen IS.”

 

Wie hield u tegen?

“De Koerdische officieren. Zij stonden in contact met het opperbevel van de coalitie, en dat verliep niet van een leien dakje. Ik drong tóch verschillende keren door in IS-gebied; op die momenten maakte ik me meer zorgen om geraakt te worden door coalitievuur vanuit de lucht dan door een IS-strijder.”

 

U ondernam die acties tegen IS op eigen houtje?

“Ja, samen met de andere Westerlingen, in kleine groepjes.”

 

Hebt u toen IS-strijders uitgeschakeld?

“Ik kan dat niet bevestigen. (lachje) Die acties waren vooral vuurgevechten ‘s nachts in de straten van Sinjar. Overdag kwam er niemand buiten en zat ik uren te wachten. Er was amper beweging. IS-strijders hadden de stad ondertunneld: zo raakten ze ondergronds van het ene gebouw naar het andere. Ook wij hadden doorgangen gemaakt tussen verschillende gebouwen en tunnels gegraven.

“Weet u waar ik het meeste van geschrokken ben? Ik stond aan de zuidkant van de berg Sinjar in IS-gebied en zag in de verte de oliekonvooien van Raqqa in Syrië naar Mosoel in Irak rijden. Anderhalf jaar lang liet de coalitie de grote autoweg tussen de Syrische en Iraakse ‘hoofdsteden’ van het kalifaat ongemoeid. Ik zag de jets overvliegen; nooit dropten ze een bom.”

 

De door de Verenigde Staten geleide internationale coalitie liet IS ongestoord pendelen tussen Raqqa en Mosoel?

“Ja. Een van de redenen daarvoor is dat zo goed als alle ‘tegenstanders’ van IS zaken doen met datzelfde IS. De Islamitische Staat is uitgegroeid tot een grote producent van goedkope olie. De kerels die met hun tankwagens op de weg tussen Raqqa en Mosoel rijden, zijn tussenpersonen. Ze tanken in het door IS bezette Mosoel en rijden vervolgens naar Dohuk in Koerdistan waar ze de olie doorverkopen aan de Koerdische regering. Maar ze verkopen ook aan de Syrische regering en aan de centrale Iraakse regering. Vóór de herovering van Sinjar reden er dagelijks honderden trucks met in Mosoel getankte IS-olie naar Irak en Syrië. De weg tussen Raqqa en Mosoel was een levensbelangrijke bevoorradingsroute voor IS. Die weg bombarderen, is niet meer dan militaire basistactiek. Omwille van de olie is het anderhalf jaar lang niet gebeurd.”

 

Door de bevoorradingsroute met rust te laten, heeft de coalitie ertoe bijgedragen dat de terreurgroep zich in het sinds augustus 2014 veroverde Mosoel stevig kon ingraven?

“Zeker. De olie zorgt ervoor dat er in Irak en Syrië allerlei schimmige deals worden gesloten waar het Westen geen zicht op heeft. De toestand is er oneindig veel complexer dan het gekende zwart/wit-verhaal van de barbaren van IS tegen de rest van de wereld. Islamitische Staat is geen standaardterreurgroep, maar is uitgegroeid tot een bijna-staat, waar in de bezette steden overheidsdiensten werken, straten hersteld worden en handel wordt gedreven.”

 

U vocht samen met de PKK. De Turkse regering beschouwt ook hen als terroristen.

“Ik heb met veel PKK-strijders gesproken en hun doctrine is sociaal-democratisch. Ze willen Koerdische autonomie in Turkije en zijn bereid om daarvoor te sterven. Voor de Turkse president Erdogan geldt: ‘De vijand van mijn vijand is mijn vriend.’ Zolang IS de Syrische Koerden bekampt en hen het recht op een staat ontzegt, zal Erdogan de terreurgroep niets in de weg leggen. Ik hoorde vaak dat er Turkse gespecialiseerde troepen in het door IS bezette Sinjar aanwezig waren. We kregen die inlichtingen van Jezidi’s die undercover voor Qasim Shesho in de stad werkten. Ik heb die inlichtingenrapporten met eigen ogen gezien.”

 

Koele kikker

Jihadisten gaan er prat op dat ze de dood verkiezen boven het leven en dat ze verlangen naar het martelaarschap. Volgens Mike Rosa is dat ideologisch gezwets. “Ze vielen wel veel én hevig aan, maar leken tezelfdertijd altijd precies te weten wanneer en waar de coalitievliegtuigen ons luchtsteun kwamen geven. Ze trokken zich dan netjes op tijd terug, zo gek op de dood leken ze niet. IS is een van de rijkste terroristenorganisaties ter wereld, waardoor ze ook over de meest gesofisticeerde afluisterapparatuur beschikken. Alleen zo valt te verklaren waarom ze perfect op de hoogte waren van àlle bombardementen. Tenzij ze spionnen hebben op de militaire vliegtuigbasissen.

“Toen de Peshmerga op 12 november Sinjar heroverden, kwamen ze amper IS-strijders tegen. Dat was niet verwonderlijk, want de voorafgaande gigantische militaire opbouw was te volgen op Facebook. Journalisten werden uitgenodigd om de herovering van Sinjar live mee te maken. Je moet al een ongelooflijke idioot zijn om stil te zitten wachten op een vooraf aangekondigde militaire pletwals. Ook dat toont aan dat de strijders van IS iets minder naar de dood verlangen dan ze in hun propaganda doen uitschijnen. De échte idioten zijn degenen die hun naam zetten op de lijsten voor zelfmoordaanslagen.”

 

Hebt u veel strijdmakkers verloren?

“Ik heb een paar collega’s van de PKK en de YPG zien sneuvelen. Westerlingen niet, al scheelde het soms een haar. We hebben veel geluk gehad. Aan de top van IS zitten generaals die hun sporen verdiend hebben in het leger van Saddam. Zij hebben kaas gegeten van militaire tactiek. ’s Nachts zagen we af en toe aan hun kant van de frontlinie vuurtjes opflakkeren. Ze deden dat met opzet, want er was bij de Koerden altijd wel iemand die zijn zenuwen niet de baas kon en naar zo’n vuurtje begon te schieten. Zo gaf hij zijn eigen plaats vrij en kreeg hij vervolgens de volle laag.”

 

Was u bereid om te sterven?

“Ik ken de risico’s en weet heel goed dat er niets romantisch aan sneuvelen is. Lijken krijgen afschuwelijke kleuren en kogels blazen stukken van het gezicht weg. Het klinkt misschien cru, maar in conflictzones ben ik een koele kikker. Dat is een gevolg van de doorgedreven training. Ik heb drie jaar in Centraal-Afrika gevochten; mijn basis lag in Djibouti. Ik was bij twee interventies in Tsjaad, vocht in Sierra Leone, zat in undercovermissies in het zuiden van Jemen. Het Franse vreemdelingenlegioen is een uitstekende leerschool voor een actief strijdende soldaat. Oorlog is mijn natuurlijke staat van zijn.”

 

Wilt u dan zo snel mogelijk terug?

“Ja. Bombarderen zonder boots on the ground is niet verstandig. De IS-strijders trekken zich terug in hun tunnels en hun grotten; vervolgens worden er alleen lege gebouwen gebombardeerd. Dat is toch zinloos? Wat we nodig hebben is gerichte luchtsteun voor grondtroepen. Alleen zo is IS te verslaan. Van de aan de coalitie verbonden ‘gematigde troepen’ moeten we niets verwachten. Het getal van 70.000 ‘Syrische strijders’ waar onze premier David Cameron op schijnt te vertrouwen, is bullshit. De Peshmerga willen niet buiten Iraaks-Koerdistan vechten en de YPG is alleen geïnteresseerd in Syrisch-Koerdistan. Het Iraakse leger heeft de handen dan weer vol met de herovering van Ramadi. Alleen Assad blijft over, maar blijkbaar houden wij niet van hem. Ik stel voor om wereldwijd een vrijwilligersleger te rekruteren. Ik ben er zeker van dat er 10.000 ervaren manschappen zoals ik, staan popelen om te gaan vechten.”

 

Hier in Groot-Brittannië lopen ook IS-sympathisanten rond. U bent niet bang dat ze u zullen weten te vinden?

“Ik ben op mijn hoede. Voor ik in dit café naar binnen stapte, heb ik het eerst een tijd geobserveerd. Ik vind het niet makkelijk om opnieuw te wennen aan dit ‘normale leven’. Als er niets is wat mij hier houdt, keer ik liefst terug naar Irak.”

 

Wat vindt uw familie daarvan?

“Zij vinden me een nutcase. Ik heb twee zonen, de ene is 30 en de andere 28. Toen ik hen liet weten dat ik in Irak zat, zeiden ze: ‘Laat jezelf niet doodschieten, papa. En vergeet geen selfies met je geweren te posten.’ (lacht) Het zijn en blijven jongens.”

 

© Jan Stevens

“Ik had niet gedacht dat het zo erg was”

Van 17 tot 21 september trokken drie Belgische bisschoppen op solidariteitsmissie naar de vervolgde christenen en jezidi’s in Noord-Irak. Wij reisden met hen mee.

Welcome to the cradle of civilization’, sms’t een Iraakse gsm-operator als we de zoveelste controlepost op de gehavende weg van Erbil naar Dohuk in Iraaks-Koerdistan passeren. Achter de bergen schuilen de jihadisten van IS; aan deze kant hebben de soldaten van de Peshmerga, het Koerdische leger, zich ingegraven. Samen met Jozef De Kesel (68), bisschop van Brugge, Leon Lemmens (61), hulpbisschop van Mechelen-Brussel, en Guy Harpigny (67), bisschop van Doornik, rijden we naar een voormalig vakantiedorp net buiten Dohuk. Tot 2003 was het de geliefkoosde pleisterplaats van de Iraakse high society. Ook Saddam Hoessein had er zijn optrekje: hoog op de berg staan de ruïnes van zijn zomerpaleis. In de opgekalefaterde huizen leven nu 358 jezidi-gezinnen. In augustus 2014 viel hun stad Sinjar in handen van IS. Duizenden werden vermoord en 40.000 mensen vluchtten de bergen in, waar ze dagenlang zonder eten of drinken geïsoleerd zaten. Een van hen is Ismaïl. Hij heeft twee vrouwen en is de trotse vader van dertien kinderen. “Na twee wanhopige weken op de berg, werden we bevrijd door de Peshmerga en konden we vluchten”, zegt hij. “Veel families hebben vaders, moeders en kinderen verloren op de 150 kilometer lange tocht naar hier. We overleven met de hulp van de regering. Er is geen werk, maar ik heb geld nodig om mijn gezin te onderhouden. Daarom heb ik heb me als vrijwilliger aangemeld bij de Peshmerga. Volgende maand keer ik terug naar Sinjar om er tegen IS te gaan vechten.”

De 21-jarige Mehsen is al een jaar soldaat. “Tien dagen vecht ik aan het front, daarna ben ik 20 dagen thuis. Meteen nadat we hier vorig jaar aankwamen, heb ik me gemeld als vrijwilliger. De terroristen van IS schoten mijn vader in de schouder. Voor vluchtelingen is er geen werk, maar als soldaat krijg ik een salaris en kan ik voor papa, mama en mijn broer zorgen.” Toch zit Mehsen al drie maanden op droog zaad. “De regering van de Koerdische Autonome Regio is blut. De centrale regering in Bagdad weigert het geld door te storten dat Iraaks-Koerdistan verdient aan de oliehandel met Turkije. De soldaten zijn daar de dupe van en krijgen geen loon.”

35-jarige oorlog

Abbas komt er bij staan. “Wij zijn gevlucht uit Karakosh, een stad in de vlakte van Niniveh. Ik werkte er als veearts. In de nacht van 5 op 6 augustus 2014 kwam IS. Met mijn vrouw en vier kinderen zijn we in paniek met de auto vertrokken. IS had toen al Mosoel en andere steden en dorpen veroverd waar christenen en jezidi’s woonden. In de Islamitische Staat kun je kiezen tussen je bekeren of de dood. Voor de minderheden is er in Irak geen plaats meer. Het is extreem moeilijk geworden om samen te leven met moslims. Misschien dat het binnen twintig of dertig jaar opnieuw lukt, al vrees ik dat het nog minstens een eeuw zal duren.”

Abbas is het wapengekletter moe. “We zijn al 35 jaar in oorlog. Het begon met de oorlog tegen Iran in 1980. Daarna volgde de desastreuze annexatie van Koeweit. De eerste golfoorlog heeft het Iraakse leger totaal verwoest. Onze economie is nu om zeep en onze samenleving ontwricht. Mijn kinderen hebben alleen een toekomst in Amerika, Europa of Canada. Maar ik wil niet zoals die honderdduizenden andere vluchtelingen op een illegale manier naar het Westen vertrekken. Ik wil legaal emigreren.”

Het 13-jarige jezidi-meisje Faizia zat acht maanden lang gevangen bij IS. In april kon ze ontsnappen. Vader en moeder liet ze bij IS achter. Ze ziet er kwetsbaar uit. “Ze behandelden ons slecht”, zegt ze. “Ze bedreigden en sloegen ons. Ik was heel bang. Het waren slechte mannen, met lelijke gezichten.”

Guy Harpigny heeft het zichtbaar moeilijk. De bisschop kan zijn tranen amper onderdrukken. “Het is niet de eerste keer dat ik in een vluchtelingenkamp kom”, zegt hij later. “Maar ik zie hier al die kinderen en vraag me af: ‘Wat is hun toekomst?’ Het lot van die kinderen emotioneert me. Dit is de ideale voedingsbodem voor toekomstig terrorisme.”

Gevangenis

In het vluchtelingenkamp Dawudiya in Dohuk staan duizend containers van 3 op 6 meter. De bisschoppen schudden handen, luisteren en troosten. Jozef De Kesel ziet er bedrukt uit. “Ik had niet gedacht dat het zo erg was”, zegt hij. “We kennen allemaal de beelden van kampen op tv, maar de werkelijkheid is toch anders. Mensen kunnen niet jarenlang in deze omstandigheden blijven leven. Ik vind dit zo lastig: nu zeggen we goeiedag en straks zijn we weer weg.”

Leon Lemmens lijkt onvermoeibaar, stapt van container naar container, praat meelevend met mensen en aait kinderen liefdevol over de bol. Maar onderhuids woedt de verontwaardiging. “Europeanen mogen niet langer onverschillig blijven terwijl er zich voor hun ogen een tragedie afspeelt”, zegt hij. “In tegenstelling tot de miljoenen moslimvluchtelingen hebben de jezidi’s en de christenen geen plek meer waar ze naartoe kunnen. Al hun veilige dorpen en steden zijn ze kwijt en ze zijn veroordeeld tot een uitzichtloos leven in barakken. Ofwel dringen we IS terug en creëren we veilige zones waar ze terecht kunnen, ofwel vinden ook zij de weg naar het Westen.”

Mehd is een gepensioneerd luchtmachtgeneraal uit het leger van Saddam. Met zijn twee zonen, schoondochter en kleinzoon deelt hij een container. “Om bij het leger aan de slag te kunnen, heb ik als jonge man mijn paspoort vervalst. Mijn christelijke naam Matthew veranderde ik in het Arabische Mehd. Nu wil ik een paspoort op mijn echte naam omdat ik het land uit wil, maar dat lukt niet.”

Hoe kijkt hij terug op het Saddam-tijdperk? “Ik was geen fan van Saddam; veel mensen werkten toen voor de overheid. Nu hebben we de ene ellende ingeruild voor de andere. Al onze politici zijn dikke nullen, op elk niveau. Er is niets veranderd. U hebt in Europa vrijheid en mag alles zeggen wat u wilt. Wij moeten hier nog steeds onze mond houden.”

Mehd is het leven in het kamp spuugzat. “Als wij het woord ‘duivel’ durven uitspreken, hebben we ruzie met de jezidi’s. Als de twee bovenste knopen van mijn hemd openstaan, worden ze boos. Zo rollen we van het ene conflict in het andere. Als iemand u zegt dat wij hier in vrede samenleven, is dat een leugen. Dit kamp is een gevangenis.”

Father Douglas

In november 2006 werd Father Douglas in Bagdad gekidnapt door islamisten. Ze braken zijn neus en tanden, sloegen met een hamer op zijn vingers, gezicht en knieën en gaven hem dagenlang niets te drinken. Hij kan nog steeds niet slapen als er ’s nachts geen flesje water naast zijn bed staat. Nadat de kerk 170.000 dollar losgeld betaald had, werd hij vrijgelaten. Vandaag is hij pastoor van de Mar Elia-parochie in de christelijke Ankawa–wijk in Erbil. “Na de val van Mosoel vingen we hier aan de kerk 200 families in grote legertenten op”, zegt hij. “Nu zijn de tenten vervangen door containers. Ik noem deze plek geen kamp, maar een centrum. Onze werking verschilt totaal van andere vluchtelingenkampen. We focussen ons op onderwijs. In het begin voelden de kinderen zich hier ontheemd en verloren. Dat had invloed op hun gedrag. Na een jaar op onze schoolbanken zijn het engeltjes. Direct na hun aankomst zijn we hen beginnen onderwijzen. Wij bereiden hen voor om leiders te worden. Ze worden onze wraak. Want in dit land hebben we veel bazen, maar geen leiders.”

Bereidt hij ze niet eerder voor om te vertrekken? “Misschien wel. De geschiedenis heeft mij geleerd dat er in Irak geen dialoog met moslims mogelijk is. Ze zijn doof.”

Televisie en airco

Petros had tot vorig jaar een apotheek in Karakosh. Nu woont hij met zijn gezin in een container in het kamp van Father Douglas. “In de nacht van 5 op 6 augustus 2014 vluchtten we net als alle andere christenen voor de barbaren van IS. We hadden het verschrikkelijke nieuws over Sinjar en over het lot van de jezidi’s gehoord.”

Petros neemt zijn smartphone. “Ik heb de uittocht gefilmd. Duizenden auto’s wilden gelijktijdig de stad uit. Het was chaos. We vluchtten naar Erbil omdat deze plek dichtst bij Karakosh ligt. Wij hebben geluk in dit kamp: mijn tienjarige kleindochter Nur kan dankzij Father Douglas Engels leren. We klagen niet, maar het valt niet mee om je hele leven achter te moeten laten en te moeten inruilen voor dat van een vluchteling. We zitten hier nu meer dan een jaar en ik weet niet hoe lang we het nog kunnen volhouden. Amerika, Duitsland en Frankrijk moeten het Iraakse leger nog meer helpen om die levensgevaarlijke kerels van IS op te ruimen.”

Ook Petros heeft genoeg van de oorlog. “Ik begrijp niet waarom er maar geen einde aan komt. Veel gewone mensen zijn depressief geworden door het nooit stoppende geweld. Er rest ons maar een alternatief: migreren naar een ander land. Hier is geen toekomst. Karakosh was een christelijke stad, met een moslimminderheid. Sommigen zijn gebleven toen IS kwam en collaboreren nu met hen. Natuurlijk zijn niet alle moslims jihadisten. We hadden moslimburen waar we een goede verstandhouding mee hadden. Maar na de komst van IS hebben de armsten onder hen hun principes ingeruild voor een televisie en een airco.”

Collatoral dammage

De Belgische bisschoppen zijn uitgenodigd op de thee bij Bashar Warda, de Chaldeeuws-katholieke aartsbisschop van Erbil. Warda studeerde eind jaren negentig aan de KULeuven en onderzocht er het jihadisme. Het portret dat hij voor zijn Belgische collega’s van Irak en het Midden-Oosten schetst, klinkt rauw en grimmig. “Alle oorlogen van de voorbije jaren in het Midden-Oosten zijn volgens mij het voorspel van een grote oorlog tussen de soennieten en sjiieten. Christenen zullen daarvan het eerste slachtoffer zijn, zij zijn de collatoral dammage.”

Bisschop Warda ziet maar een mogelijk antwoord op IS: totale oorlog. “Met hen is geen dialoog mogelijk. Alleen is het probleem niet enkel IS, maar ook hun ideologie die over de hele regio verspreid is. We horen nogal wat pro-IS-stemmen bij jonge moslims in dit land. We kunnen dat alleen tegengaan met onderwijs. De kerk investeert daar veel in. Ik ben niet van plan om op te geven en ik zal hier blijven. Maar we kunnen dat niet van alle christenen verlangen.”

Wat vindt Warda van de vluchtelingenstroom naar Europa? “Jullie moeten zeker mededogen hebben met vluchtelingen die in de kampen in Turkije, Libanon en Jordanië geregistreerd zijn door de Verenigde Naties. Maar hoe meer vluchtelingen Europa toelaat, hoe meer andere mensen aangemoedigd worden om ook te vertrekken. Dat is een ideaal scenario voor IS-strijders om zo ook het Westen binnen te geraken. Ze zijn er trouwens nu al. Wij volgen de jihadisten op het internet. De boodschappen die sommige van die ‘migranten’ vanuit Europa in het Arabisch versturen, zijn zeer verontrustend. IS zit tussen de vluchtelingenstroom.”

Hoe hoopvol is onze bisschop Guy Harpigny over de toekomst van Irak? “Binnen zes maanden zal er voor Irak geen oplossing zijn, maar misschien wel binnen vijftig jaar. Soms vinden er door een samenloop van omstandigheden zelfs veranderingen plaats in twee weken tijd. De Iraakse Koerden vragen ons niet om militair in te grijpen, maar zijn wel vragende partij voor wapens. Misschien is het ook wel beter dat de Koerden zelf sterk genoeg zijn om een militaire oplossing te forceren.”

Moet er dan niet gepraat worden? “Natuurlijk is dialoog heel belangrijk. De kerk kan daarin bemiddelen. Op een dag zal er trouwens ook met IS gesproken moeten worden. Het zijn fanatici, maar generaals van het leger van Saddam Hoessein trekken mee aan de touwtjes. Die mensen zullen toch niet helemaal gek zijn?”

Mar Mattai

Onder escorte van zwaarbewapende Peshmerga rijden we de berg op, naar het eeuwenoude klooster van Mar Mattai. In de vallei ligt de door IS bezette stad Mosoel. De frontlinie is amper twee kilometer hiervandaan. De kettingrokende Peshmerga-commandant liet er daarnet geen twijfel over bestaan: de bevrijding van Mosoel is nog niet voor morgen. “Eerst moeten we een akkoord over de strategie onderhandelen met de regering in Bagdad.”

Father Joseph verwelkomt de bisschoppen in Mar Mattai met een kus. Joseph is een van de achtergebleven zeven monniken. Ze geven onderdak aan vijf vluchtelingenfamilies. Josephs broer is in 2006 in Mosoel vermoord. “Ze schoten hem neer op straat. Ze hadden hem uitgekozen als een waarschuwing voor alle christenen: ‘Ga hier weg.’”

“Is het nog mogelijk voor christenen om met moslims samen te leven?”, vraagt bisschop Lemmens. “In Mosoel niet. Elke christen wil weg uit Irak, terwijl net hier de geboorteplaats van het christendom ligt.”

In de tuin van het klooster poseren de bisschoppen voor een foto. In de verte dropt een vliegtuig zijn dodelijke lading.

© Jan Stevens

De man die de wereld wou redden

 Harvard-professor Samantha Power schreef de biografie van de Braziliaanse VN-gezant Sergio Vieira de Mello, die in 2003 in Bagdad omkwam bij een bomaanslag. “Zonder die aanslag was Sergio nu misschien secretaris-generaal.” Power zelf wordt getipt als de volgende minister van Buitenlandse Zaken onder Barack Obama. Zelf houdt ze de boot af: “Een onervaren meid zoals ik zou slecht zijn voor de wereldvrede.”  

 

Dinsdag, 19 augustus 2003, vijf uur in de namiddag. De Braziliaan Sergio Vieira de Mello, de speciale gezant voor Irak van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, ontvangt in het VN-hoofdkwartier in Bagdad twee Amerikanen die onderzoek doen naar de humanitaire kosten van de oorlog. Samen met twee leden van Vieira de Mello’s eigen team – zijn stafchef en zijn medewerkster politieke zaken – installeren ze zich voor de laatste vergadering van de dag. Vlak nadat iedereen is gaan zitten, weerklinkt er een oorverdovende explosie. Een ooggetuige verklaarde later dat het leek “alsof een miljoen camera’s tegelijkertijd flitsten”. De ruiten vliegen aan gruzelementen en glasscherven vliegen door de kamer. Het plafond, de muren en de vloer storten in. Die 19e augustus komt VN-gezant Sergio Vieira de Mello samen met 22 medewerkers om bij de eerste grote zelfmoordaanslag in Bagdad na de Amerikaanse invasie.

 

Een zomerse avond in 1994 in Zagreb, de hoofdstad van Kroatië. De jonge Amerikaanse verslaggeefster Samantha Power (°1970) ontmoet voor het eerst de VN-functionaris Sergio Vieira de Mello. “Ik was nog maar pas gearriveerd in het voormalige Joegoslavië, en vrienden hadden me aangeraden om contact te zoeken met Vieira de Mello: hij stond bekend als de meest dynamische en politiek gewiekste VN’er in de regio.” Tijdens hun etentje in een visrestaurant aan de rand van de stad, raakt Power danig onder de indruk van het politieke inzicht van de Braziliaan. “Ik vroeg hem hoe hij ooit bij de VN verzeild geraakt was. Hij vertelde dat hij een kind van 1968 was, en dat hij tijdens zijn studies filosofie aan de Parijse Sorbonne samen met zijn medestudenten in opstand gekomen was. In zijn beginjaren was hij in de ban van het marxisme. Zijn linkse idealen zijn in de loop der tijden afgezwakt, maar zijn maatschappelijke bewogenheid is hij nooit verloren. Pas na zijn dood besefte ik hoe hard we hem nodig hadden. Toen wist ik: ‘Sergio was de go-to guy.’ En nu kunnen we niet meer naar hem toe. Ik wou de lessen van zijn leven niet bij hem onder het puin laten, en besloot daarom om zijn verhaal te schrijven.”

 

Power bevroor al haar lopende schrijfprojecten, en begon aan De man die de wereld wilde redden, de vuistdikke biografie van Vieira de Mello. Samantha Power zelf is niet de eerste de beste. Ze werkte als oorlogscorrespondente in onder andere Rwanda, Cambodja en Kosovo, leidt het Carr Center for Human Rights Policy aan de universiteit van Harvard, en won met haar vorige boek Een probleem uit de hel in 2003 de prestigieuze Pulitzer Prize. Tot begin maart van dit jaar was ze de belangrijkste adviseur buitenlandse politiek van Barack Obama. Die zesde maart zei ze off the record aan een journalist van The Scotsman: “Hillary Clinton is een monster. Om te winnen is ze tot alles in staat.” De krant publiceerde haar uitspraak, Power kwam in het oog van een mediastorm terecht en nam onmiddellijk ontslag.

Nu, na de nominatie van Obama lijkt het ergste leed geleden. Samantha Power: “Eindelijk kunnen we ons volop focussen op de presidentsverkiezingen in november. Obama zal winnen. Het wordt lastig, want hij moet de hearts and minds van de Clintonsupporters terugwinnen, maar zijn organisatie is buitengewoon, en er zijn veel staten waar hij meer dan ooit kans maakt omdat de Afro-Amerikanen en de jonge mensen voor hem zullen stemmen. Hij heeft zelfs aanhang in meer vooruitstrevende republikeinse kringen die de blunders van de huidige regering zat zijn.”

 

Uw naam wordt genoemd als de volgende minister van Buitenlandse Zaken onder president Obama.

SAMANTHA POWER: Toch liever niet. Een onervaren meid zoals ik zou slecht zijn voor de wereldvrede. Want de Bush-jaren hebben ons alleszins een ding geleerd: dat een gebrek aan ervaring tot grote rampen leidt.

 

De voormalige minister van Defensie Donald Rumsfeld was een man met veel ervaring, net als de huidige vice-president Cheney.

POWER: Oké, ervaring is één ding, je moet natuurlijk ook nog over de juiste capaciteiten beschikken. Barack Obama heeft dan misschien geen ervaring opgedaan in Washington, hij heeft wel jarenlang als advocaat gewerkt, heeft ontzettend veel levenswijsheid en ijvert er oprecht voor om de dingen ten goede te veranderen.

 

Volgens u huist in Obama dezelfde ‘geest’ als in Sergio Vieira de Mello?

POWER: Van alle politici die ik ken, lijkt Obama qua gedrevenheid en compassie het sterkst op Sergio. Wat Sergio zo speciaal maakte, was dat hij zijn hele leven gezocht heeft naar ‘de waarheid’, naar een doctrine, naar leidraden. Als jonge man koos hij ervoor om filosofie te gaan studeren omdat die queeste naar waarheid gewoon bij hem ingebakken zat. Ik vind het zo jammer dat hij na alle gruwel die hij gezien heeft, na alle gebroken plaatsen waar hij geweest is, nooit de kans gekregen heeft om zijn visie, zijn filosofie uiteen te zetten over hoe we de wereldproblemen moeten aanpakken. Hij heeft dat met stukjes en beetjes gedaan, maar er is geen doorwrochte ‘leer’ overgebleven. Met mijn boek probeer ik dat hiaat een beetje op te vullen.

 

De man die de wereld wilde redden is naast het levensverhaal van Sergio Vieira de Mello ook het verhaal van de veranderende rol van de Verenigde Naties in de laatste decennia.

POWER: Het is het verhaal van de VN-blauwhelmen die als buffer tussen twee partijen gezet werden, tot de VN-blauwhelmen die vermengd raken met de bevolking, ja. Maar meer nog dan een geschiedenis van de VN, vertelt dit boek de geschiedenis van de meest gevaarlijke plaatsen van de laatste 35 jaar. Ik probeer te beschrijven hoe regeringen, de VN, NGO’s en wij daarop geantwoord hebben. De Verenigde Naties zijn belangrijk, maar ze zijn en blijven één actor tussen vele andere.

 

Als Vieira de Mello als speciale gezant van UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN, naar Cambodja reist, gaat hij met de killers van de Rode Khmer praten. Als hij naar Joegoslavië gaat, koopt hij cadeautjes voor Milosevic of praat hij met figuren als Mladic en Karadzic – die gesprekken leverden hem de bijnaam ‘Serbio’ op. In Rwanda praat hij met de génocidaires. Telkens weer ‘konkelfoest’ hij met oorlogsmisdadigers. Waarom?

POWER: Hij werkte in gebieden waar hij niet moest rekenen op de steun van machtige regeringen. Hij stond er bijna altijd alleen voor. In veel gevallen probeerde hij het lijden in de vluchtelingenkampen te milderen. Op een bepaald moment besloot Sergio dat het roekeloos zou zijn om niet met de Rode Khmer te praten als er maar een schijn van kans was om iets uit de onderhandelingen te sleuren dat de vluchtelingen kon helpen. Het isolement waarin de Rode Khmer zich bevonden, maakte het bijzonder lastig om afspraken te maken over het repatriëren van vluchtelingen. Sergio speculeerde erop dat praten een mogelijkheid op samenwerking kon opleveren. Hij kreeg daarvoor ontzettend veel kritiek van zijn oversten en collega’s. En hij ging soms ook best ver: in juli 1992 schreef hij een interne memo waarin hij het UNHCR-personeel opdroeg af te zien van kritiek in de pers op de Rode Khmer. Zijn redenering was: “Wat bereiken we door de Rode Khmer publiekelijk te bekritiseren? Voor hen worden we dan gewoon een van de talloze vijanden.”

 

Ging hij door met hen te praten niet lijnrecht in tegen de VN-doctrine?

POWER: Vieira de Mello was slim genoeg om de regels niet te overtreden. Want als hij tegen de VN-doctrine in zou handelen, riskeerde hij vrijwel zeker teruggeroepen te worden. Hij brak geen regels, maar ‘gebruikte’ ze, en zocht voortdurend naar achterpoortjes. Hij vond het zijn taak om vluchtelingen terug naar huis te brengen, ook al lag ‘thuis’ in Khmergebied. Een aantal van de vluchtelingen leefde in kampen gecontroleerd door de Rode Khmer, als hij die mensen naar huis wou brengen, moest hij wel praten met degenen die dat konden laten gebeuren. Hij praatte met koelbloedige moordenaars zoals Ieng Sary, tweede in rang na Pol Pot. Sergio was onder de indruk van die ontmoeting. Hij kon in de verfijnde figuur waarmee hij had zitten lunchen, maar moeilijk een koelbloedige massamoordenaar zien. Elke keer wanneer Sergio Rode Khmerfunctionarissen sprak, vermeed hij te praten over hun misdaden. Hij gedroeg zich tijdens die missies als een volbloed Machiavelli, hij vond dat het doel de middelen heiligde, en hij had daar succes mee. Hij slaagde er uiteindelijk in om meer dan 6000 vluchtelingen terug naar huis te brengen.

In Cambodja was hij echt geïntrigeerd door de misdadigers van de Rode Khmer: hij wou ze recht in hun ogen kijken, maar later slaat die fascinatie om in walg. Tot aan zijn missies in Srebrenica en Rwanda heeft hij teveel vertrouwen in moordende machthebbers, en is hij te onderdanig, zelfs tegen het kruiperige af. De massamoord in Srebrenica en de genocide in Rwanda shockeren hem zo erg, dat hij zijn onderhandelingstactiek aanpast. “Als ik een kamer binnenstap om met misdadigers te onderhandelen, laat ik mijn principes niet langer in de gang achter”, besluit hij. “Voortaan neem ik ze mee naar binnen, en pak die schoften harder aan.”

 

Gebruik van geweld was voor hem geen taboe?

POWER: Hij was zeker geen pacifist, al stond hij in het begin van zijn carrière wel erg sceptisch tegenover het gebruik van geweld. Maar door zijn ervaringen in Libanon en Bosnië raakte hij er meer en meer van overtuigd dat geweld soms gerechtvaardigd was om de levens van mensen te beschermen. Je kunt mensen niet in bescherming nemen door alleen maar het charter van de VN aan agressors te tonen. De laffe houding van de Belgische blauwhelmen in Rwanda deed Sergio beseffen dat de VN soms meer kwaad dan goed doet. Als een VN-interventieleger het niet aankan om een land te stabiliseren, heeft de VN er als peacekeeper niets te zoeken. Als generaal Delaire in Rwanda van in het begin op zijn strepen gestaan had, had hij misschien 5000 manschappen gekregen in plaats van de armzalige 2500. Als je met te weinig manschappen, een slap mandaat en een gammele bewapening naar zo’n gebied moet trekken, bewijs je niemand een dienst: je eigen mensen niet wiens leven je in gevaar brengt, en dat van de bevolking niet, want je hebt de middelen niet om hen te beschermen. Als je die inspanningen er niet voor over hebt, kun je maar beter eerlijk zijn en de burgers zeggen dat de wereld geen zier om hen geeft.

 

Er zijn maar weinig peacekeeping operaties van de VN die echt geslaagd te noemen zijn.

POWER: Dat is waar. Maar het is sowieso erg moeilijk om succes te meten in dit soort van plaatsen die zo fucked up zijn. Het is ongelooflijk naïef om ervan uit te gaan dat een groep vreemden zo’n land kan binnenwandelen en de ellende in een jaar of twee kan oplossen. We kennen allemaal de mislukkingen, maar niemand weet hoe die plaatsen er zouden uitzien als er geen vredesmacht geweest zou zijn. Hoeveel erger de toestand er zou zijn – of misschien juist beter. We kunnen het gewoon niet weten. We weten niet hoe Zuid-Libanon er nu zou uitzien als Unifil er nooit was geweest.

 

Vlak voor Vieila de Mello door de VN naar Irak gestuurd werd, ontmoette hij George Bush.

POWER: Ja, en hij charmeerde hem.

 

Wie charmeerde wie?

POWER: (lacht) Da’s een goeie vraag. Eerlijk gezegd denk ik dat Sergio president Bush charmeerde. Al was hij zeker verrast door de warmte die Bush uitstraalde. Na de invasie in Irak wou Sergio als VN-gezant naar Bagdad. Bush moest daarvoor zijn toestemming geven. De president hield niet van de softe VN-aanpak, maar Sergio gedroeg zich heel macho; hij praatte over wapens en over het doden van mensen… Bush reageerde met: “Wow, een VN-gezant met een shoot-to-kill attitude!” Dat klonk als muziek in zijn oren. Hij dacht: “Met deze kerel kan ik zaken doen.” Door die ontmoeting met Bush verzekerde Sergio zich van zijn aanstelling in Irak. En ze deden zaken in die zin dat Sergio dagelijks met Paul Bremer in Irak praatte, en hem probeerde af te brengen van zijn plannen om de staat te de-baathificeren en het Iraakse leger te demobiliseren. Hij probeerde de Amerikanen er ook van te overtuigen om snel de macht aan de Irakezen over te dragen. Maar zijn mening interesseerde Bremer en zijn vrienden niet. Tijdens de invasie had de VS geen enkel plan voor wat er na de afzetting van Saddam moest gebeuren. En de bezetters hadden ook geen enkel plan om mensen te redden die onder het puin van een opgeblazen gebouw terechtkwamen. Het is ongelooflijk, weet je. Ze hadden echt geen enkel plan om te reageren op een terroristische aanval – hun zogezegde reden waarom ze die oorlog in eerste instantie begonnen waren.

 

Had Vieira de Mello van onder het puin van het VN-gebouw gered kunnen worden als er wel een fatsoenlijk reddingsteam geweest was?

POWER: Daar ben ik zeker van. Natuurlijk zou hij er zwaar gewond uitgeraakt zijn, maar na de explosie heeft hij nog urenlang geleefd. Zijn vriendin heeft zijn doodstrijd van zeer nabij moeten meemaken, ze heeft hem met haar blote handen uit het puin proberen graven. Ik heb lang met haar gepraat – ze lijdt nog steeds heel erg. Zij overleefde de bom, en na de aanslag liet de VN haar links liggen en deed alsof ze niet bestond. Akkoord, technisch gesproken was ze niet met Sergio getrouwd. Maar zijn echtscheiding zou twee weken later uitgesproken worden. Waanzin.

 

Was het Vieira de Mello’s ultieme droom en doel om secretaris-generaal van de VN te worden?

POWER: Ik denk het wel. Toen hij stierf was hij nog slecht één promotie verwijderd van het ambt van secretaris-generaal. Zijn dood is een groot verlies. Elke keer als er ergens een crisis uitbreekt, denk ik: “Wat zou Sergio gedaan hebben?”

 

 

 

Laffe Belgen

 

In haar boek beschrijft Samantha Power een bezoek van Sergio Vieila de Mello aan de Don Boscoschool in Kigali waar Belgische blauwhelmen in 1994 tweeduizend Tutsi’s overlieten aan de génocidaires. “Sergio had zich tot dan suf gepiekerd over het verraad van de Nederlandse VN-blauwhelmen in Srebrenica, maar vanaf dat bezoek aan de Don Boscoschool verwees hij naar de Rwandese slachtpartij als de grootste daad van verraad die de VN op zijn geweten had.”

 

Samantha Power: “In 1996 bezocht Sergio samen met zijn vriend en VN-functionaris in Rwanda Omar Bakhet de Ecole Technique Officielle Don Bosco in Kigali. In 1994 hadden de Belgische blauwhelmen daar een basis. Er hadden zo’n tweeduizend wanhopige Rwandese Tutsi’s gezeten, tot de Belgische VN-bevelhebber op 11 april 1994 opdracht kreeg zijn troepen terug te trekken. De school was omsingeld door génocidaires. Ze dronken bananenbier, zwaaiden met hun machetes en scandeerden: ‘Hutu’s aan de macht!’ De Tutsi’s smeekten de Belgische soldaten om de school niet te verlaten. Maar de Belgen joegen de hulpeloze Rwandezen weg en vuurden zelfs boven hun hoofden, zodat ze hun voertuigen niet zouden tegenhouden. Van zodra de Belgische blauwhelmen hun hielen hadden gelicht, gingen de gewapende milities, de interhahamwe, naar binnen en slachtten alle Rwandezen af die zo vermetel geweest waren om bescherming te zoeken onder de vlag van de VN. De laffe houding van de Belgen maakte Sergio erg woest. ‘Shit’, moet hij geroepen hebben, ‘soms doet de VN meer kwaad dan goed.'”

 © jan@janstevens.be

Uitzendkantoor voor huurlingen

Vanuit een chique kantoor in de Londense City runt de Britse ex-marinier Mike Rider zijn beveiligingsfirma Assured Risks. Sinds 2005 is hij actief als Private Military Contractor in Irak. Vroeger vochten zijn werknemers als huurlingen in het vreemdelingenlegioen, vandaag vechten ze als dikbetaalde ‘freelancers’ voor de cliënten van Assured Risks.

 

Mike Rider arriveert anderhalf uur te laat op de plaats van afspraak, de bar van het Charing Cross Hotel in het hart van Londen. “Sorry, maar ik moest dringend een paar probleempjes met de Tsjechische overheid oplossen”, verontschuldigt hij zich. “Assured Risks heeft een paar maanden geleden een belangrijk contract met de regering van Nepal binnengehaald. Ze hebben ons gevraagd om de Nepalese VN-troepen in Soedan te bevoorraden en te trainen. Deze maand zouden ze een sector in Darfur moeten gaan ‘beschermen’. De Tsjechische regering doet daar nu moeilijk over. Je zou denken dat er geen problemen zijn als je samenwerkt met een vredesoperatie van de VN, maar vergeet het. Westerse regeringen kunnen het niet laten om te vitten over vergunningen. Een deel van ons materiaal staat nu al twee maand op de tarmac te beschimmelen omdat de Tsjechen dwars liggen.”

De 36-jarige Mike Rider is ceo van Assured Risks, een Britse Private Military Contractor (PMC) die vooral actief is in Irak, Nepal en Nigeria. Een interview over zijn bedrijf zag hij wel zitten, zolang er geen foto’s genomen werden en zolang het gesprek niet plaatsvond in zijn kantoor in het Bucklersbury House in de Londense City. “Mijn cliënten zouden het niet appreciëren als ze daar plots oog in oog staan met een journalist. Discretie is ‘my middle name’.” Dus ontmoeten we elkaar in de bar van het Charing Cross – de favoriete pleisterplaats van spionnen, informanten, private military contractors en journalisten – waar het hoogpolig kamerbreed tapijt de gefluisterde geheimen absorbeert, en waar de obers even discreet zijn als de butlers in Her Majesty’s Service.

 

De laatste 15 jaar zijn Private Military Contractors, of private militaire firma’s, bezig aan een pijlsnelle opmars. Na de Koude Oorlog kwamen veel militairen op straat te staan. Tezelfdertijd vermenigvuldigde het aantal regionale conflicten, net als het geloof in privatisering van de beveiliging. Een nieuwe industrie zag het licht. Momenteel wordt het aantal PMC’s geschat op enkele honderden, hun totale jaarlijkse omzet op een slordige honderd miljard dollar.

Mike Rider begon zijn loopbaan op zijn zeventiende bij de Britse mariniers. “Ik heb negen jaar bij de Royal Marines gediend”, zegt hij. “Ik kom uit een familie waarin ‘het land dienen’ als vanzelfsprekend beschouwd werd. Mijn grootvader vocht in de Tweede Wereldoorlog, mijn oom in de Falklands. Van kleinsaf wou ik bij de mariniers. Ik was een tijd gestationeerd in Noord-Ierland, daarna in Sierra Leone en ik heb gevochten in Irak. Na mijn tijd in het leger heb ik voor verschillende beveiligingsfirma’s in Irak gewerkt. Daar groeide het idee om met Assured Risks van start te gaan. Engeland heeft tegenwoordig veel van zijn identiteit verloren. Vroeger was dit een natie waar patriottisme geen vies woord was. De Britse soldaten zijn oké, alleen werken ze niet met het goede materiaal. De regering laat hen in de steek en beknibbelt op militaire investeringen. Het bizarre is dat er zwaar gesabeld is in het defensiebudget, maar dat er wel steeds meer buitenlandse missies bijkomen. Beveiligingsfirma’s zoals Assured Risks zijn in dat gat in de markt gesprongen.”

 

A living hell

Bagdad, juni 2003. Een maand eerder heeft president Bush triomfantelijk de oorlog in Irak voor beëindigd verklaard. Mike Rider beleeft als gewapend ‘freelancer’ in opdracht van een Britse PMC ‘de tijd van zijn leven’ in de Iraakse hoofdstad. “Ik leidde een team van Britse ex-militairen en lokale huurlingen. We leefden in een villa in Mansur, in die tijd de leukste wijk van Bagdad. De toestand was er toen nog niet zo dramatisch – de invasie was pas voorbij. Bagdad moet voor de oorlog een prachtige stad geweest zijn; dat kon je toen nog erg goed zien. Sommige bedrijven gebruiken niet graag Irakezen omdat ze hen niet vertrouwen. Terecht, maar ik had de ‘locals’ waarmee ik samenwerkte goed onder controle. Als ik met een paar maten eropuit trok, vertelden we hen nooit waar we naartoe gingen. Ik briefte hen altijd pas vlak voordat een actie ging plaatsvinden. Ze hadden geen mobiele telefoons en konden niet communiceren. We reden rond in ‘low profile’-voertuigen, aftandse auto’s met Iraakse nummerplaten. Ik kon terugvallen op mijn ervaring bij het Britse leger. De Britten hebben veel geleerd van de vuile oorlog in Noord-Ierland; mijn marinierstraining was in Bagdad goud waard. Bij de beveiligingsfirma werd ik veel beter betaald dan bij het leger. Ik genoot ervan, en het geld stroomde binnen. Ik verdiende probleemloos 20.000 dollar per maand. Afgezwaaide militairen met oorlogservaring waren interessante partijen voor PMC’s, en Irak was voor ons de plaats waar het geld zat. Tot 2004 was het min of meer leefbaar, maar toen schakelden de opstandelingen en Al-Qaida een paar versnellingen hoger, en sindsdien is het er ‘a living hell’.”

 

In 2005 hield Mike Rider zijn eigen PMC Assured Risks boven de doopvont. “Het Amerikaanse RCS Consulting bood mij en een paar collega’s een contract aan. Door de dramatisch verslechterende toestand was er plots zoveel werk. Assured Risks viel ons gewoon in onze schoot. RCS Consulting werkt in opdracht van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. We moesten een project rond ‘mensenrechten’ in Bagdad op poten zetten en er de supervisie over houden. We organiseerden en bewaakten safe houses voor Iraakse regeringsleden waar ze konden vergaderen over zaken zoals vrouwenrechten. Dat eerste contract loopt nog steeds.”

“Je kan niemand vertrouwen in Irak. Alles is nu zogezegd ‘gereguleerd’, maar twee jaar geleden was Bagdad écht het wilde westen. Iedereen droeg wapens. Je kon met een raketlanceerder op straat lopen als je daar zin in had. Dat is eerlijk gezegd ook geen overbodige luxe. De Irakezen die we nu in dienst hebben, zijn wel te vertrouwen. Ze behoren tot een en dezelfde soennitische clan. Ze zijn goud waard. We werken ook nog steeds ‘low profile’: met lokale auto’s, en nooit met protserige SUV’s. Als ze me morgen een job aanbieden die met een SUV uitgevoerd moet worden, bedank ik feestelijk. Ik krijg regelmatig zo’n aanbiedingen van Amerikaanse cliënten. Zij kijken echt teveel naar films. Ze kicken op dikke Hollywoodiaanse SUV’s. In Bagdad zie je vaak van die gigantische gepantserde 4X4’s waar geweren uit alle ramen hangen – vooral Amerikaanse PMC’s zijn daar een meester in. De Irakezen haten dat machtsvertoon. Het gevolg is dat al die beveiligingsfirma’s met hun dikke SUV’s vaker de lucht ingeblazen worden dan wij met onze onopvallende burgerauto’s. (lacht)”

“Ik heb vaak onder vuur gelegen. Ik ben een paar keer zelfs bijna opgeblazen. We kwamen uit een checkpoint van een Amerikaanse basis en er stond een zelfmoordterrorist aan de andere kant van de weg. Toen wij passeerden, duwde hij op de knop. Ik zat in een gepantserde SUV, en ik moet eerlijk toegeven dat dat ding toen mijn leven gered heeft. De man blies zichzelf op en doodde 16 mensen. Ik voelde de kracht van de explosie tot in de toppen van mijn tenen. Ik ben ervan af gekomen met een paar vleeswonden.”

“Veel vrienden zijn gedood in Irak. Mijn vroegere instructeur, mijn beste kameraad, begeleidde een konvooi in het zuiden. Ze reden voorbij een uitgebrand voertuig dat daar langs de kant van de weg lag. En plots, ‘Bang!’, vloog het de lucht in. Hij verloor zijn beide armen en benen. Hij leeft nog – dat is het probleem. Als ik zo erg gewond zou geraken, was ik veel liever dood.”

 

Terminator

Het drukke Nisourplein in Bagdad, 16 september 2007. Een legertje zwaarbewapende mannen van de Amerikaanse PMC Blackwater schiet 17 ongewapende Irakezen dood, waaronder vrouwen en kinderen. Ooggetuigen verklaren dat er niet op het SUV-konvooi van Blackwater geschoten was, maar dat er op grote afstand een bom explodeerde, die niet voor het konvooi bestemd kon zijn. “De kerels van Blackwater gebruiken hun automatische geweren als claxons”, zal een Iraakse journalist later schrijven. De Iraakse regering reageert woedend, en wil de licentie van Blackwater intrekken. Maar het bedrijf blijkt die niet te hebben. Vijf dagen later scheuren de Blackwater-konvooien weer ongehinderd door Bagdad, een spoor van vernieling achter zich latend.

“Met firma’s zoals Blackwater willen wij niet geassocieerd worden”, reageert Mike Rider fel. “Zij geven onze business een slechte naam. Blackwater werd groot door de vette Amerikaanse contracten die ze in de wacht sleepten. Tot vorig jaar waren er geen regels in Irak. Je kon een heel dorp uitmoorden, en niemand trok er zich iets van aan. De meeste beveiligingsfirma’s, zeker de Britse, probeerden volgens het boekje te werken. Die gasten van Blackwater denken dat ze terminators zijn en hangen afgeladen vol met wapens. Na het incident op het Nisourplein heeft de Amerikaanse regering hen uit de shit geholpen. Laat er geen misverstand over bestaan: Blackwater is een integraal onderdeel van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Ze kunnen zich evenveel permitteren als de militairen en worden de hand boven het hoofd gehouden door de overheid. Als er bij ons iets misgaat, zal niemand ons uit de wind zetten.”

“Er sneuvelen voortdurend mensen van beveiligingsfirma’s. Niet alleen door vijandelijk vuur, maar ook door ‘friendly fire’ van de Amerikaanse soldaten. Daar hoor je natuurlijk nooit iets over in de media. Er wordt dan ook ontzettend veel onder het tapijt geveegd in deze oorlog. Ze knallen je mensen af en trekken zich er niets van aan. En daar kunnen wij niets tegen ondernemen.”

“Als ooit de geschiedenis van deze oorlog geschreven zal worden, zullen er veel gruwelijke verhalen naar boven komen over de manier waarop sommigen zich misdragen hebben. Wij willen geen avonturiers tewerk stellen, maar alleen ex-militairen met een uitstekende staat van dienst in oorlogszones zoals Sierra Leone, Afghanistan of Irak.”

 

Na het Blackwaterincident barstte de kritiek in de media los op de PMC’s. Ze zouden het equivalent zijn van de vroegere huurlingenlegers en onderdeel van de geprivatiseerde oorlogsvoering. Mike Rider: “Ach, de media hebben dat hele gedoe over ‘geprivatiseerde oorlog’ zwaar opgeklopt. Wij werken nu ook samen met de Japanse overheid om hun ambassade in Bagdad te beveiligen, en ik kan je verzekeren dat zij zeker geen zaken wil doen met wat jij ‘moderne huurlingen’ noemt. Tijdens de onderhandelingen voor het contract ging ik praten met de Japanse minister van Buitenlandse Zaken. Hij vroeg: ‘Zijn jullie zoals Blackwater?’ Ik antwoordde: ‘Natuurlijk niet, wij zijn een deftige firma.’ Kom, laat ons nu eens die grote mediaterm ‘PMC’ tot zijn ware proporties herleiden. Beveiligingsfirma’s werden gehuurd om voor Amerikaanse en Britse cliënten te zorgen. Sof ar, so good. Omdat er zoveel geweld was in Irak en Afghanistan mochten we er wapens dragen. Niemand van ons organiseerde zich in die tijd – en nu ook nog niet – als een leger. We werken louter defensief. Ik ken de meeste beveiligingsfirma’s en geen enkele gedraagt zich als een huurlingenleger, ondanks alles wat de media daarover aan schandaalverhalen menen te moeten vertellen. Terugschieten omdat er op je geschoten wordt, is dat de definitie van geprivatiseerde oorlog? Wat zou jij doen in onze plaats? In principe mogen we schieten als er naar ons geschoten wordt, en als we kunnen lokaliseren waar het vijandelijke geweervuur vandaan komt. In de praktijk loopt het natuurlijk anders en kunnen we vaak niet bepalen waar de andere schutters zitten, dus vuren we er ‘wild’ op los, en proberen we ons een uitweg te schieten. Eerlijk gezegd, als je in Bagdad door een hele troep opstandelingen wordt aangevallen, maak je als contractors weinig kans. We zijn flink bewapend, maar niet zoals de militairen. Op de Amerikaanse soldaten kunnen we niet rekenen. Als een team van Assured Risks hun hulp inroept, sturen ze gewoon hun kat. Tenzij dat team toevallig voor hen aan het werk is.”

 

De man:

– Mike Rider, 36, getrouwd, twee kinderen. “Mijn kinderen van 2 en 3 zorgen ervoor dat ik minder vaak de frontlinies opzoek.”

– Heeft hij in zijn carrière ooit een mens gedood? “No comment.”

 

Het bedrijf:

– Assured Risks, opgericht in 2005.

– Aantal werknemers: “In Irak hebben we tien ex-militairen en een countrymanager in dienst. Routineklussen besteden we uit aan locals. In Nepal baten we een militair trainingskamp in opdracht van de regering uit. In Soedan zitten nu een paar mensen die de boel in de gaten houden. Van zodra de Nepalese VN-soldaten zich op volle sterkte ontplooien, zullen ook wij er met veel meer aanwezig zijn. In Nigeria praten een paar consultants met de regering over mogelijke opdrachten. In totaal werken er 25 Britten in gevaarlijk gebied. Hier op kantoor zijn we met 8.”

– Omzet: “Daar communiceer ik liever niet over, want dan krijg je een vertekend beeld. Het is veel, maar we hebben ook gigantische kosten. Onze winst investeren we bijna integraal terug in het bedrijf.”

 

Hoeveel verdient de moderne huurling?

“Onze mensen in Irak werken twee maanden, en hebben een maand vrij. We vliegen hen in business naar Bagdad, en na twee maanden vliegen we ze voor een maandje vakantie terug naar huis. Wie in Irak werkt, verdient tussen 15 en 20.000 dollar per maand. De verzekering kost ons 60 dollar per dag, per persoon. Als iemand sneuvelt, krijgen zijn nabestaanden 500.000 dollar. Als hij gewond geraakt, is het bedrag afhankelijk van welk ledemaat hij verliest.”

 

Hoe worden de medewerkers van Assured Risk gerecruteerd?

“Ik krijg veel cv’s van ex-militairen uit Rusland en de Balkan. Mensen die gevochten hebben in Afghanistan of in Joegoslavië. Voor een job waarvoor we 30 mensen nodig hebben, krijgen we 1000 sollicitaties. Wij geven de voorkeur aan mensen met wie we vroeger al eens gewerkt hebben.”

 

Waar koopt Assured Risks zijn wapentuig?

“In Irak kochten we vroeger probleemloos onze AK-47’s op de zwarte markt. Nu gaan we naar een firma zoals Heckler & Koch en zeggen we: ‘We willen zoveel wapens, van dat type.’ We zijn daar een graag geziene klant.”

 

Aantal PMC-werknemers in Irak

– 48.000, waarvan 21.000 Britten.

© jan@janstevens.be