‘Net als in 1789 is er nu ook oorlog en schaarste’

In het magistrale De Franse Revolutie beschrijft Johan Op de Beeck de geboorte van de Franse republiek door de ogen van de Belgische revolutionair François Robert. “De ingrediënten die de Franse Revolutie lanceerden, beheersen nu ook ons leven.”

Johan Op de Beeck bewijst opnieuw dat hij een meesterverteller is met het eerste deel van zijn duologie over De Franse Revolutie. Met veel schwung voert hij zijn lezers door Frankrijk in het laatste decennium van de 18e eeuw, van de bestorming van de Bastille in 1789 tot de staatsgreep van Napoleon in 1799.

Het pas verschenen eerste deel eindigt aan de vooravond van de bloeddorstige terreur, toen de guillotine overuren maakte. Het tweede deel wordt verwacht tegen oktober van dit jaar. “Daar ben ik nog volop aan bezig”, zegt de auteur. “Tijdens het schrijven duikel ik van de ene verrassing in de andere. Het ene interessante historische document leidt naar alweer een ander intrigerend verhaal. Dat is fascinerend, maar ook zeer arbeidsintensief.”

Op de Beeck vertelt het gekende verhaal van de opstand van het Franse volk tegen de feodale adel en geestelijkheid door de ogen van de Belgische revolutionair en advocaat François Robert (1763-1826). Een gouden vondst. “Ik wou al lang een boek over de Franse Revolutie schrijven. Vijftien jaar lang dacht ik na over hoe ik dat best zou aanpakken. Want het is een complexe geschiedenis en het is een hele uitdaging om het verhaal zo te brengen dat lezers niet na tien bladzijden het spoor bijster zijn. Ik ben blij dat ik met François Robert de juiste invalshoek gevonden heb.”

Ik had nog nooit van de man gehoord.

“Ik kende zijn naam, maar verder wist ik niets over hem. Ik zag zijn geschilderde portret in de ‘Salle de 1792’ in het paleis van Versailles, naast beroemdheden als Marquis de la Fayette en Napoleon Bonaparte. François Robert was een revolutionair van de eerste orde en bleek in het Prinsbisdom Luik geboren te zijn.”

Hij was een boerenzoon?

“Hij komt uit Gimnée, een boerengat. Ik heb dat dorpje bezocht en denk dat het vandaag niet veel verschilt van hoe het er toen bij lag. (lacht) François Roberts vader bezat vier boerderijen en was ook burgemeester. Zijn moeder baatte een herberg uit en verhandelde bier. Roberts ouders waren niet arm; ze lieten hem rechten studeren. Daarna ging hij aan de slag als advocaat in de Franse stad Givet. Door een rechtszaak belandde hij in juli 1789 in Parijs. Hij kwam er in het oog van de storm terecht.

“Robert had de verlichtingsfilosofen gelezen en besloot quasi meteen om mee te doen met die nieuwe beweging. Hij ontpopte zich tot de eerste revolutionair die de monarchie wou vervangen door de republiek. De chauvinistische Fransen zijn ervan overtuigd dat de filosoof, wiskundige en politicus Nicolas de Condorcet de drager van de eerste republikeinse gedachte is. Ik voel grote bewondering voor Condorcet, maar dat is dus niet waar. De eerste republikein blijkt ‘onze’ François Robert te zijn. Al bestond België op dat moment natuurlijk nog niet als staat.”

Er werd wel over ‘de Belgen’ gesproken?

“Zeker. Op landkaarten van die tijd stond ‘La Belgique’. In diplomatieke correspondenties ging het over ‘les Belges’. La Belgique was een begrip. De staat was nog niet ontstaan, maar de naam was er wel al. Tijdens de Franse Tijd (1794-1815) kwam François Robert vaak als commissaris naar België. De laatste elf jaar van zijn leven bracht hij in Brussel door.”

Af en toe maakt u een uitstap naar onze contreien, waar zich in 1789 met de mislukte ‘Brabantse Omwenteling’ een mini-Franse Revolutie voltrok.

“François Robert speelde daar ook een belangrijke rol in. De Brabantse Omwenteling werd een sof. Ze vertrok onder impuls van de reactionaire katholieke advocaat Hendrik van der Noot. Hij wou zo de nieuwe klasse van werklieden en vrije beroepen buiten de macht houden. Zijn medespeler Jan Frans Vonck had ook rechten gestudeerd, maar was verlicht en liberaal. Hij noemde zichzelf ‘democraat’ en hoopte om met zijn revolutie een democratische staat te kunnen oprichten. Maar de Belgische democraten waren zo behoudsgezind dat de Parijse revolutionairen er niets mee te maken wilden hebben.”

U beschrijft de aanloop naar de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789. Die aanval op de Parijse gevangenis staat gemarkeerd als het symbolische beginpunt van de Franse Revolutie. Tijdens het lezen besloop me het ongemakkelijke gevoel dat we vandaag in een gelijkaardig prerevolutionair klimaat zijn aanbeland.

“Ik begrijp wat u bedoelt: net als toen is er oorlog en schaarste. En net als toen rollebollen de veranderingen in een rotvaart over elkaar heen. Het is niet bij te houden: mensen die gisteren nog talk of the town waren en schijnbaar harde standpunten innamen, worden vandaag voorbijgestoken door iemand met een nog grotere mond. De ingrediënten die in 1789 de Franse revolutie lanceerden, beheersen nu ook ons leven, alleen niet tezelfdertijd. Precies die combinatie van gelijktijdigheid van factoren leidde in 1789 tot iets wat we tot nu toe niet meer meemaakten. Eén van die herkenbare factoren is een overheid die niet langer ervaren wordt als legitiem; die zelfs wordt weggezet als onbekwaam.”

Een andere herkenbare factor: de gigantische overheidsschuld.

“Net als het fenomeen van nieuwe politieke spelers die met soms zeer radicale standpunten een publiek aanspreken. Het grote verschil is dat er in 1789 met de verlichting een groot maatschappelijk veranderingsproject was. Dat is er nu veel minder.”

Komt het ecologisme als antwoord op de dreigende klimaatverandering niet in aanmerking?

“Ecologisme is een zeer belangrijk onderwerp, maar als je heel onze samenleving in ogenschouw neemt, denk ik dat de gewone mensen heel binnenkort met andere zorgen te maken zullen krijgen. Dat zie je nu al. Het gaat dan over bezorgdheden die vergelijkbaar zijn met toen. Zoals: ‘Kan ik morgen mijn kinderen nog veilig naar school laten gaan?’ Maar vooral: ‘Zal ik ze nog een boterham kunnen geven?’

“Het zou me niet verwonderen dat net als in 1789 de toenemende schaarste ontzettend belangrijk wordt, waardoor onze basisnoden onder druk komen. Dan sluipt er angst binnen; de geschiedenis leert dat zo’n scenario faliekant kan aflopen.”

De huidige schaarste zagen we niet aankomen.

“Die komt inderdaad onverwacht. In 1789 werd de ene schaarste van een levensmiddel gevolgd door een andere. Die schaarstes hakten er zeer stevig in. Nu swingen de energieprijzen de pan uit, maar ik vrees dat voor heel wat mensen in de nabije toekomst ook levensmiddelen een schaars goed zullen worden. Misschien neemt dan net als toen de bereidheid toe om geweld te gebruiken. Onze maatschappij werd de voorbije jaren al agressiever en zelfzuchtiger. Ik maak me dus net als u ook zorgen.

“Er ontbreken nog een paar schakels, zoals dat grote begeesterende nieuwe project. Het duurde duizend jaar vooraleer de mens tot nieuwe inzichten kwam die kristalliseerden in de verlichting. Het middeleeuwse feodalisme moest baan ruimen voor democratische instellingen, kerk en staat werden gescheiden en de rede en het individu moesten zegevieren. Zo’n nieuwe grote visie is er vandaag nog niet.

“Al sta ik toch te kijken van wat er zich nu al voor onze ogen voltrekt. De oorlog in Oekraïne, bijvoorbeeld, lijkt onwaarschijnlijk; toch waren er voortekenen. In mijn boeken over Napoleon speelde de Krim al een belangrijke rol. De annexatie door Rusland in 2014 en de huidige invasie in de rest van Oekraïne komen niet zomaar uit de lucht vallen. De Russische leiders koesterden altijd imperialistische plannen, richting het westen. Europeanen schatten dat totaal verkeerd in. De vorige Duitse kanselier Angela Merkel voerde de nucleaire uitstap radicaal door en verving kerncentrales door gas uit Rusland. Vandaag is Duitsland als belangrijkste land van Europa voor zijn energievoorziening afhankelijk van de grootste dictatuur op het continent.”

Ik las onlangs een artikel waarin Vladimir Poetin werd omschreven als een leider die in zijn beginjaren ‘rationeel en pragmatisch’ was. Alsof hij al meteen na zijn aantreden in 1999 in Tsjetsjenië niet exact hetzelfde deed wat hij nu in Oekraïne aan het doen is: steden meedogenloos naar het stenen tijdperk bombarderen.

“U heeft gelijk hoor, maar met geschiedenis moet je toch opletten. Wij kunnen nu feiten uitleggen aan de hand van onze kennis over wat er in het verleden gebeurd is. Zo leggen we verbanden en ontwaren we een patroon. Maar de mensen die op het moment zelf met hun beide voeten in die gebeurtenissen staan, zoals tijdens de Franse Revolutie, hebben vandaag geen benul van wat er morgen zal gebeuren. Wij weten dat nu wel, zij niet.

“Zo vond er in 1789 een steeds groter wordende radicalisering plaats. Dat was echt ongelooflijk. Mensen die bij de start van de revolutie voor radicale verandering opriepen, werden twee jaar later onthoofd omdat ze niet radicaal genoeg waren. Overrompelende vernieuwers werden in een mum van tijd terzijde geschoven en uit de samenleving verbannen.”

François Robert overleefde dat allemaal, wat voor een kopstuk van de Franse Revolutie toch een hele prestatie was? Op het einde van uw boek drukt u een lijstje af met de hoofdrolspelers. Het is opvallend hoeveel er tussen 1792 en 1796 het loodje legden.

“In het tweede deel van De Franse Revolutie zal beschreven staan hoe ook Robert de gitzwarte jaren van de Terreur in 1793 en 1794, toen de guillotine op volle toeren draaide, bijna niet overleefde. Meteen daarna volgde de ‘witte Terreur’, de anti-revolutionaire afrekeningen. François Robert was toen politiek behendig genoeg om zichzelf onzichtbaar te maken. Je zou dat laf kunnen noemen, maar wat doet een mens wanneer hij voor zijn leven vecht? Je kunt je niet voorstellen met hoeveel angst veel mensen toen leefden. Toch vonden ze de moed om door te blijven gaan. François Robert is voor mij de doorsnee revolutionair; de man die radicaal begint.”

Wat wil ‘radicaal’ dan zeggen?

“Radicaal republikeins. Tijdens de eerste revolutiegolf in 1789 was er geen sprake van om koning Louis XVI te liquideren. Frankrijk moest een constitutionele monarchie worden. Twee jaar later werd de koning onthoofd.”

Robert was daar voorstander van?

“Tijdens een zitting van de Nationale Conventie die een nieuwe grondwet moest opstellen, stemde François Robert voor de doodstraf voor de koning. Ik vond dat document terug waarop zijn handtekening prijkt. Ik vond wel meer leuke dingen, zoals zijn huwelijksakte. (lacht)

“Robert trouwde met Louise de Kéralio, een Parijse schrijfster met naam en faam uit een begoede familie. Het huis van haar ouders was een plek waar de revolutionairen graag kwamen discussiëren. Roberts vader moest aan de Kéralio’s een bruidschat betalen: 10.000 Franse ponden en de helft van de familiale bezittingen in Gimnée, Mazée en Dourbes.

“In augustus 1789 richtte Louise de krant Mercure Nationale op. François Robert werd één van de ‘patriottische journalisten’ van die krant en kreeg zo heel wat invloed in revolutionaire middens.”

De krant van het echtpaar Robert-Kéralio maakte veel schulden. Toen de kersverse minister van Justitie Georges Danton in augustus 1792 aan François Robert vroeg om zijn kabinetschef te worden, kwam dat als een godsgeschenk. Enig opportunisme was de revolutionair niet vreemd?

“Opportunisme zou ik dat toch niet noemen. De revolutionairen surften allemaal op een golf waarvan niemand wist hoe lang ze zou duren en waar ze zou stranden. Ze werden geleefd. Als de grote Danton je nodig had, deed je gewoon mee. Oók uit overtuiging.”

Het kwam Robert toch ook goed uit? Hij had minstens 24.000 pond schuld, volgens een krant uit die tijd zelfs 200.000 pond.

“Alles wat de revolutionairen ondernamen, was een mengeling van hoge idealen, pragmatisme en opportunisme. Precies daarom is François Robert voor mij dé doorsnee Franse revolutionair. Met opportunisme bedoel ik: ‘Het gebeurt, ik heb geen andere keuze, ik moét mee aan boord springen.’ Met pragmatisme: ‘Hoe word ik er zelf beter van?’, waarbij sommige revolutionairen aardig uit de bol gingen. Daarom was een man als Maximilien de Robbespierre in die eerste jaren zo populair. Hij kon nooit verdacht worden van zakkenvullerij of corruptie. Het leek zelfs alsof hij niet rijk was, want hij woonde in een eenvoudige huurkamer. Aan zo goed als alle andere hoofdrolspelers van de revolutie zat wel een geurtje: ofwel lieten ze zich omkopen, ofwel hadden ze amoureuze besognes. Danton, bijvoorbeeld, was een wellusteling. Maar de advocaat Robespierre, de Onkreukbare of l’Incorruptible, gedroeg zich als een man van het volk en leek daarom ook te vertrouwen. In werkelijkheid was hij niet ‘onkreukbaar’ omdat hij voor het gewone volk was, maar omdat hij ‘deugdzaam’ was. Voor het ideaal moest elke emotie wijken. Ook vandaag hoor ik in naam van een legitiem ideaal soms akelige uitspraken. Die zuiveren of fundi’s vind je in zowat alle politieke stromingen, of het nu over ecologisme, nationalisme of socialisme gaat.”

Misschien is die hang naar zuiverheid een reactie op onze democratische besluitvorming die traag maalt en vaak eindigt met een verwaterd compromis?

“Dat was toen ook al zo. Van 2 tot 6 september 1792 trok een groep van een honderdtal ‘deugdzame’ burgers van de ene naar de andere gevangenis om opgesloten tegenstanders van de Franse Revolutie over de kling te jagen. François Robert was nog maar pas aangesteld tot kabinetschef van Danton. Meer dan duizend mensen werden op beestachtige wijze vermoord. Vlak na de slachting durfde niemand de Septembermoorden te veroordelen.

“De Franse justitie werd door de Nationale Conventie hervormd en gedemocratiseerd; op die basis zou Napoleon later zijn Code Civil bouwen. Er werd al snel gemord: ‘Wat is dat toch met die rechtbanken? Ze werken te traag en niemand begrijpt er iets van.’ De roep om uitzonderingsrechtspraak werd steeds groter. In maart 1793 praatte minister van Justitie Danton de Nationale Conventie een uitzonderingsrechtbank aan: de ‘Tribunal Révolutionaire’. Hij baseerde zich daarvoor op ideeën van Robespierre. Dat snelrecht ging heel ver: beklaagden werden zelfs het recht op een advocaat ontzegd. Er waren maar twee straffen meer mogelijk: schuldig of onschuldig. Schuldig betekende de doodstraf, binnen de 24 uur. Wie luidop zei: ‘Het brood wordt toch wel duur’, was niet verdacht maar schuldig. Je kon dan aangeklaagd worden en de kans was zéér groot dat je onder de guillotine eindigde. Je kreeg de doodstraf niet voor daden, maar voor uitspraken of gedragingen. Zo waagde een prostituée het om te lachen met het kostuum van Robbespierre. Haar hoofd moest rollen.

“Ik verdenk sommigen ervan dat ze vandaag ook graag zo’n uitzonderingsrechtank zouden willen installeren. Een studentenblad riep een tijdje geleden op om niet langer het woord te geven aan klimaatsceptici. Ik ben zelf geen klimaatscepticus en wil een snelle oplossing voor het klimaatprobleem, maar ik ben óók een groot voorstander van vrijheid van meningsuiting. Iedereen mag nonsens vertellen; hij of zij zal weggehoond worden en met tegenargumenten het pleit verliezen. Wat we nooit mogen doen, is het debat vernietigen of onmogelijk maken. Het is aan niemand om te bepalen wie wel of niet geïnterviewd mag worden. Dat is exact wat de ‘zuivere’ Robbespierre wou én ook gedaan kreeg. Mensen met afwijkende meningen werden geëlimineerd. Gelukkig zijn we daar nog niet aan toe.”

Een heel hoofdstuk in uw boek gaat over nepnieuws. Wij geloven dat fake news iets van onze tijd is, maar eind 18e eeuw floreerde dat ook al?

“In het landelijke Frankrijk, in Marseille, Dijon en alle kleine dorpen, kregen de inwoners soms pas weken na Parijs de krant te lezen. Ze waren slecht geïnformeerd en kenden nooit goed de politieke achtergronden. Ze lieten zich makkelijk meesleuren in draaikolken van vermoedens en nepnieuws. Ze werden bang en namen soms op onzin gebaseerde beslissingen. In het dorp Ruffec zagen ze hoe een stofwolk in de verte het dorp naderde. De boeren dachten: ‘Daar is de roversbende die ons voorspeld is! We jagen ze vannacht over de kling.’ Achteraf bleken dat dan bedelmonniken te zijn.

“De verspreiding van nepnieuws werkte als een brandversneller. Niet alleen in Parijs, maar over het hele land waren er uitbarstingen van geweld. ‘Le grand peur’ beïnvloedde het werk in de Wetgevende Vergadering, het eerste modern functionerende parlement van Frankrijk. Sommige leden jammerden: ‘De gangsterbendes zullen onze kastelen platbranden.’ Dus werd er naast vooruitstrevende wetgeving ook een heus repressieapparaat op poten gezet. Die Nationale Garde werd een wapen in de handen van de burgerij om iedereen onder de knoet te houden. Dat maakte de Franse Revolutie zo paradoxaal.”

Want te midden van het vele geweld en de grote onzekerheid werd intussen wel de feodale monarchie hervormd tot een democratische republiek?

“Ja, maar voor een verarmde edelman die zijn kasteel zag afbranden, moet dat toch niet makkelijk geweest zijn. (lacht) Zoals altijd was ook tijdens de Franse Revolutie de mens niet zwart-wit. Robbespierre was niet hét boegbeeld van satanische slechtheid en Danton was niet dé heilige die sommigen van hem maakten. Het was een paradoxale periode met zeer idealistische mensen die tezelfdertijd bereid waren om de grootste gruweldaden te plegen in naam van ‘het ideaal’ en hun grote gelijk.

“Dat ‘grote gelijk’ is er ook vandaag. Ik denk vaak: al een geluk dat we in een democratisch systeem leven dat met haken en ogen aaneen hangt. Winston Churchill zei: ‘Democratie is de slechtste vorm van bestuur. Maar in vergelijking met al de rest, is het het beste wat er bestaat.’ Hij heeft gelijk.”

Met de grote idealen van de Franse Revolutie, ‘gelijkheid, vrijheid en broederlijkheid’ en de ‘Verklaring van de rechten van de mens’ was toch niets mis?

“Ze vormen zonder enige twijfel de grondslagen van onze huidige maatschappij. Een paar miljard mensen op deze planeet benijdt ons omwille van onze vrijheden en rechten. In de tijd van de Franse Revolutie werden die idealen verschillend geïnterpreteerd. Het was Napoleon die die idealen in de plooi legde, vooral dan de gelijkheid. Robbespierre beschouwde de republiek niet zozeer als het rijk van de gelijkheid, maar van de deugdzaamheid. Met alle vreselijke gevolgen van dien.”

Nog een parallel met deze tijd is het oprukkende populisme.

“Ik gebruik dat woord in mijn boek bewust niet, omdat het uit de pen van François Robert als een anachronisme klinkt. Jean-Paul Marat was als journalist van het populistische L’Ami du Peuple enorm invloedrijk. Hij had massaal veel aanhang bij het gewone volk, maar vertegenwoordigde geen enkel politiek project. Marat had geen idee welke richting het land uitmoest. Hij schreef in slogans: ‘Gooi alles omver! Le peuple aan de macht!’ Zo kennen we er vandaag nog. In naam van le peuple was volgens Marat alles gepermitteerd. Wie als ‘vijand van het volk’ of ‘verrader’ gestigmatiseerd werd; kon het wel schudden. Marat is verantwoordelijk voor de dood van duizenden.”

Wordt er in het huidige Frankrijk tijdens deze presidentsverkiezingen ook geschermd met termen zoals ‘verrader’ en ‘vijand van het volk’?

“Ik denk het niet, maar in een groot deel van West-Europa wel. Er worden etiketten geplakt zoals ‘klimaatontkenner’ of ‘klimaatfundamentalist’, zodat de grote meerderheid weet: met die idioot valt niet te praten. Dat geldt niet alleen in de discussie over de klimaatverandering, maar op talloos veel terreinen.

“De erfenis van de Franse Revolutie blijft tot vandaag zeer belangrijk in Frankrijk. De laïcisering zit er ingebakken; dat is een rechtsreeks gevolg van de republiek. Radicaalrechtse politici als Éric Zemmour en Marine Le Pen proberen zich dat republikeinse ideaal toe te eigenen: ‘Wij zijn de republiek! Het Frankrijk van 1789, van de revolutie, dat zijn wij!’ Wat een leugen is. Met als gevolg dat politici van de linkerzijde met de vinger gewezen worden als ook zij roepen: ‘Wij zijn de republiek!’ Want zij omarmen dan zogezegd een ideaal van radicaalrechts. Zo raakt het debat totaal vergiftigd.”

Waar situeert president Emmanuel Macron zich?

“Nergens. (lacht)”

Hij gedroeg zich als een staatsman door de voorbije weken met Poetin te blijven bellen en praten?

“Ja, maar naar het schijnt was hij over de kansen op oorlog in Oekraïne slecht ingelicht door zijn militaire inlichtingendienst. De Amerikanen voorspelden een totale invasie en kregen gelijk.

“De Fransen lezen Rusland verkeerd. Ze hebben nog altijd niet door dat de Russen anders denken. Om over de Chinezen nog maar te zwijgen. Want die willen in 2049 de absolute supermacht worden omdat ze dan een eeuw volksrepubliek vieren.

“De Fransen stemden nu voor Macron uit armoede, omdat er niets beter voorhanden is. Ze kozen niet voor hem omdat hij de uitstraling van De Gaulle of Mitterand heeft.”

Ligt aan de basis daarvan Macrons voorganger, de weinig begeesterende François Hollande?

“Ik denk het wel. Al begon het al onder Nicolas Sarkozy. Maar Hollande had inderdaad de uitstraling van een saaie boekhouder. Het presidentschap heeft een klein beetje zonnekoninggehalte nodig. Grandeur, maar ook ambitie en durf. De president moet van aanpakken weten. De Fransen kunnen iemand enthousiast verkiezen, om hem met hetzelfde gemak vier jaar later te verguizen. Hollande beroerde geen enkele emotie.”

Heeft Macron wel dat aura van Zonnekoning?

“Hij probeert dat toch, al komt hij in mijn ogen niet tot aan de enkels van de échte Zonnekoning. Louis XIV had natuurlijk wel 60 jaar meer tijd. (lacht)”

Johan Op de Beeck, De Franse Revolutie I, Horizon, 544 blzn., 34,99 euro

Bio

  • geboren in Duffel in 1957
  • studeerde communicatiewetenschappen
  • begon in 1980 te werken als journalist en nieuwslezer bij de VRT
  • verliet 10 jaar later de VRT en richtte zijn eigen mediabedrijf op
  • keerde in 2003 terug naar de VRT als netmanager van Ketnet en Canvas
  • maakte verschillende tv-documentaires zoals Masters of the Game en Atlantik Wall
  • schreef historische bestsellers over o.a. Napoleon en De Zonnekoning

© Jan Stevens

De koning der koningen

Na vijf bestsellers over le petit caporal Napoleon schreef voormalig tv-journalist Johan Op de Beeck De Zonnekoning, een heerlijke vuistdikke biografie over Frankrijks koning der koningen Louis XIV. “Eerst zette hij Frankrijk op de kaart, om het daarna terug te katapulteren naar de donkerste tijden uit de Europese geschiedenis.”

 

In De Zonnekoning noemt Johan Op de Beeck zijn hoofdpersonage consequent Louis XIV en niet Lodewijk de Veertiende. ‘We spreken vandaag toch ook niet over “Karel van Wales” als we het over prins Charles hebben of over “Filip” als we de Spaanse koning Felipe bedoelen?’, zegt hij. ‘Ik begrijp niet goed waarom dat plots niet meer geldt als het over een Franse koning uit de zeventiende eeuw gaat. In de van verzinsels en halve waarheden aaneenhangende tv-reeks Versailles praat Louis XIV Engels. Dat klinkt als gevloek in mijn oren. Ik hoorde de producent in een interview zeggen: “De Zonnekoning was zo’n universeel figuur dat hij Engels zou spreken als hij vandaag zou leven.” Alleen een Brit kan zoiets over de grootste Franse vorst ooit beweren.’ (lacht)

 

Waar komt uw fascinatie voor de Zonnekoning vandaan?

Johan Op de Beeck: Ik heb Versailles verschillende keren bezocht en ervoer dat telkens als een heel speciale plek. Ondanks het feit dat Louis XIV bigger than life is en zichzelf ook graag verheven voorstelde, is hij toch zeer menselijk. Zo was er zijn gevecht om in het leven iets te bereiken en na zijn dood iets achter te laten. Hij reikte naar de sterrenhemel en belandde in de goot.

Als koning had hij een goddelijke status. Van toen hij nog heel klein was, werd hem voorgehouden dat hij het centrum van alles was. In de geschiedenis van de mensheid zijn er maar een paar andere figuren van zijn kaliber: Alexander de Grote, Napoleon en Frederik I Barbarossa. Ze namen de herculische taak op hun schouders om de wereld te veranderen.

Louis XIV had een middelmatige intelligentie, maar was op politiek vlak zeer sluw. De eerste tientallen jaren van zijn koningschap stonden in het teken van explosieve vernieuwing. Hij voerde maatschappelijke veranderingen door en stimuleerde de kunsten. Tot hij de verandering op een verstikkende manier stopte omdat hij zijn verwezenlijkingen koste wat kost wou consolideren. Hij vond dat zijn doel bereikt was: hij had de feodaliteit beëindigd en Frankrijk gecentraliseerd. Hij regeerde niet langer met mensen die minister waren omdat er blauw bloed door hun aderen stroomde, maar omdat ze onder zijn absolute dictatuur uitvoerden wat hij wou. Maar hij moest zijn veranderingen ook stopzetten omdat Frankrijk blut was. Hij was verwikkeld geraakt in te veel oorlogen die handenvol geld kosten. De laatste tien jaar van zijn bewind voerde hij een pure overlevingsstrijd.

Vier generaties lang bleef hij aan de macht. Hij wou alles stevig in handen houden en kon er geen afstand van nemen. Zijn absolutisme zou ervoor zorgen dat er een eeuw lang zo goed als geen hervormingen mogelijk waren. Die domper op de vernieuwing maakte volgens mij de Verlichting mogelijk. Hij heeft die nooit gewild, maar wel mee veroorzaakt. Dat is dus positief, al hij had schaduwkanten. Zo voerde hij veel te graag oorlog, wat hij op zijn sterfbed ook toegaf. Misschien wel de zwartste bladzijde uit zijn koningschap is de intrekking van de geloofsvrijheid met het Edict van Fontainebleau uit 1685. Hij zette toen de deur open voor de genadeloze vervolging van andersdenkenden. Protestanten en atheïsten werden vogelvrij. Dat was een erg domme beslissing, want hij joeg hooggeschoolden op de vlucht en amputeerde zo zijn eigen economie. Eerst zette hij Frankrijk op de kaart, om het daarna terug te katapulteren naar de donkerste tijden uit de Europese geschiedenis.

 

In wat voor een Frankrijk kwam Louis XIV in 1638 ter wereld?

Op de Beeck: Het land was toen op alle vlakken achterlijk. De Italianen noemden de Fransen niet voor niets ‘de barbaren’. De Engelsen, Hollanders en Duitsers stelden met veel genoegen vast dat de Fransen van handeldrijven geen kaas gegeten hadden.

Frankrijk was een lappendeken van baronieën. De adel zwaaide de plak en de koning werd getolereerd. Hij mocht op zijn troon zitten van God, maar moest vooral niet te vaak denken dat hij ook nog iets te zeggen had. Het verfijnde Frans zoals wij dat nu kennen, werd nog niet gesproken. De doorsnee Fransman bediende zich van een erbarmelijk taaltje. De prachtige Franse taal zou pas in de eeuw van de Zonnekoning tot volle wasdom komen en bepaalde mee de uitstraling van Frankrijk over de rest van de wereld.

 

Het zag er lang naar uit dat de Zonnekoning nooit geboren zou worden?

Op de Beeck: Zijn vader Louis XIII was niet echt voor de vrouwen. Hij speelde liever ondeugende spelletjes met wufte edellieden en met zijn koetsier. Het duurde achttien jaar voor Louis XIII en zijn vrouw Anna van Oostenrijk met succes de liefde bedreven. Niet omdat de vorst er plots zoveel zin in had, maar omdat kardinaal Richelieu, de eerste minister, vond dat het de hoogste tijd was dat er voor een troonsopvolger gezorgd werd. Richelieu wou de centrale macht in handen van de koning brengen. Om dat plan door te voeren, had hij een geschikte dauphin nodig. Op bevel van de kardinaal maakten Louis XIII en Anna vervolgens een kleine. Twee jaar later volgde nog een zoon: Philippe. Die groeide op in de schaduw van zijn oudere broer.

Louis XIV cijferde zichzelf als mens volledig weg in functie van ‘l’état’, het staatsbelang, het koningschap. Er wordt gezegd dat hij ooit zou uitgeroepen hebben: ‘L’État, c’est moi!’, maar dat is niet meer dan een historisch verzinsel. Hij cijferde niet alleen zichzelf, maar ook alle anderen weg, inclusief zijn eigen broer. Philippe d’Orléans had niets te zeggen. Toen bleek dat Philippe een betere veldheer was dan Louis, werd hij onmiddellijk uit het leger gehaald.

 

Philippe werd aan het hof als meisje opgevoed.

Op de Beeck: Het was in die tijd niet ongebruikelijk dat kleine jongens tot hun zesde in meisjeskleren rondliepen. Bij Philippe bleef dat maar duren. Richelieu en diens opvolger kardinaal Jules Mazarin wilden hem verwijfd maken. Zo probeerden ze te vermijden dat Philippe ooit ambities zou krijgen om zijn broer van de troon te stoten. Ze vertrouwden hem als kind toe aan een notoire pedofiel. Veel later zou Philippe zich aan het hof van Versailles manifesteren als vrouw. In die tijd kon een gewone burger voor homoseksuele betrekkingen veroordeeld worden tot branden aan de staak. Maar in Versailles nam niemand daar aanstoot aan. Mannelijke edellieden mochten probleemloos met elkaar van bil gaan. Tot Louis XIV vond dat ze te veel een kliek vormden. Hij vertrouwde geen kliekjes en wou daarom alle homo’s weg uit de top van het leger. Dat plan werd weer opgeborgen toen hij erachter kwam dat hij dan de helft van de legertop zou verliezen. (lacht)

Ik twijfel er trouwens niet aan dat de beide broers elkaar graag zagen. Louis werd net geen 77, wat in die tijd erg oud was. In de loop der jaren zag de koning de ene na de andere sterven. Zijn zoon, zijn kleinzoon, zijn achterkleinkind… Ze gingen allemaal dood. Ook zijn broer. Er zijn talloze getuigenissen dat hij daaronder leed en met depressies kampte. Louis had ook nogal wat fysieke problemen, met een fistel aan de anus die hij ten einde raad op 17 november 1686 zonder verdoving liet wegsnijden. Een jaar eerder kwam zijn linkerbovenkaak mee toen de tandartsen zonder verdoving zijn rottende tanden aan het trekken waren. Het gat dat zo tussen neus en mondholte ontstond, probeerden ze verschillende keren dicht te schroeien met gloeiende ijzers en hete kolen. Ook zonder verdoving, want van anesthesie was in de 17e eeuw jammer genoeg geen sprake.

Er werd nauwgezet bijgehouden wat Louis at, dronk, hoeveel keer hij naar het toilet ging, hoe vaak hij ziek was en aan welke kwalen hij leed. We weten echt alles over hem en we weten ook wat en hoe de absolutist der absolutisten dacht. Vóór zijn veertigste schreef hij al zijn memoires, want hij was ervan overtuigd dat hij net als de doorsnee Fransman niet veel ouder zou worden. Die geschriften zijn meer dan louter memoires: het is een handleiding voor de volgende koning: zó leid je dit land, zó moet je je gedragen en zó voer je politiek.

 

Hoe belangrijk was kardinaal Jules Mazarin in de vorming van Louis XIV?

Op de Beeck: Zijn belang kan niet onderschat worden. Kardinaal Richelieu duidde op zijn sterfbed Jules Mazarin als zijn opvolger aan. Richelieu leerde Mazarin hoe je tezelfdertijd het land en jezelf kunt verrijken. Beide kardinalen waren financiële genieën. Mazarin slaagde er als eerste minister in om de staatskas te vullen én om tegelijkertijd een van de rijkste mensen van Europa te worden. Hij was niet alleen kardinaal en eerste minister, maar ook de minnaar van Louis’ moeder Anna. Daarnaast was hij wapenhandelaar, smokkelaar, sjoemelaar en fraudeur op grote schaal.

Zijn grootste uitvinding is zonder twijfel Louis XIV. Mazarin had heel vroeg door dat de Dauphin niet de zoveelste koning zou worden, maar de potentie had om uit te groeien toe een heel grote vorst. Mazarin wist ook: regeren is communiceren. Een van de grote middelen daarvoor was toen de kunst. Hij leerde Louis niet alleen kunst appreciëren, maar er ook de macht van ontdekken. De Galerie des Glaces in Versailles is een van de mooiste zalen in Europa. Het plafond is beschilderd met prachtige fresco’s van Charles Le Brun. Die zijn stuk voor stuk ondertiteld in het Frans en niet in het Latijn zoals toen de gewoonte was. Ze werden gebruikt als propagandamiddel, net als al die andere kunst- en cultuuruitingen die fors ondersteund werden. Met kunst propageerden Mazarin en Louis het koningschap niet alleen in Frankrijk, maar in heel Europa.

 

Is dat een van de redenen waarom de Zonnekoning het paleis en de tuinen van Versailles bouwde?

Op de Beeck: Zonder twijfel. Maar er zijn ook andere redenen: Versailles was een overwinning van de mens op de chaos. Eerst lagen er enkel moerassen. Iedereen verklaarde Louis gek. Zijn minister van Financiën Jean-Baptiste Colbert zat met de handen in het haar. De tuinen en het paleis van Versailles zouden elk jaar zes procent van het totale nationale budget opsouperen. ‘Laat ons het Louvre uitbouwen’, suggereerde Colbert. Louis dreef toch zijn wil door: hij overwon het moeras en de vijandigheid. Versailles was een persoonlijk statement van de vorst: ‘De mensheid, ons land, ons volk, de koning: wij kunnen hogerop.’ Versailles vatte ook de drie grote principes van de architectuur van de klassieke oudheid samen in één gebouw: de venustas – de schoonheid, de soliditas – de sterkte van de constructie, en de commoditas – je moest er comfortabel in kunnen leven. Al mislukte dat laatste ietwat, want er waren amper toiletten en de koning was de enige die een badkamer had. De duizenden andere bewoners en bezoekers moesten het stellen met een waskommetje.

Met Versailles had Louis ook een politieke bedoeling: hij wou zo zijn grip vergroten op de verschillende baronieën. Hij lokte de edellieden uit de departementen met belastingvoordelen en privileges naar Versailles. Daar bevond zich voortaan het centrum van de macht waar het echte politieke leven zich afspeelde. ‘Als je het wil maken, moet je dicht bij de koning zijn.’ Louis XIV was de zon en Versailles the place to be. Louis ontpopte zich tot een meester in het het verlenen van gunsten en privileges. De edellieden gingen er helemaal in op. Als hertog bereikte je het summum als je de nachtkaars mocht vasthouden wanneer de koning in bed kroop. Een etentje met de vorst in Château de Marly gold als opperste erkenning. Edellieden lobbyden zich suf om op de lijst van genodigden te komen. Tijdens Louis’ dagelijkse wandeling door de Galerie des Glaces smeekten ze met gebogen ruggen: ‘Sire, Marly?’ De meesten kwamen er nooit.

Marly was de plek waar Louis helemaal zichzelf was. Aan het begin van de 19e eeuw is dat kasteel jammer genoeg vernield. Te paard lag het op een uur rijden van Versailles. Volgens de schrijver Racine gedroeg hij zich in Marly veel vrijer dan in Versailles. ‘De koning laat de remmen hier los en is lief’, schreef hij. Louis’ moeder Anna van Oostenrijk en kardinaal Mazarin hadden hem geleerd dat hij een masker moest opzetten als hij als vorst wou overleven. Hij moest ‘ondoordringbaar’ zijn en mocht geen emoties tonen. Zijn plannen en werkelijke intenties moesten verborgen blijven.

 

Hij was nog heel jong toen hij die levenslessen opgelepeld kreeg?

Op de Beeck: Zeker. Hij was tien toen de troon wankelde en er oproer in Parijs was. De edellieden hadden het in die tijd niet begrepen op het streven van kardinaal Mazarin naar ‘potestas absoluta’, de absolute heerschappij van de kroon én de eerste minister, die alleen de wetten stelden en geen rekenschap hoefden af te leggen aan andere instellingen. De opstand daartegen, of de Fronde, bestond uit een warrige combinatie van parlementairen en geestelijken die het volk bespeelden. In het holst van de nacht van 5 op 6 januari 1649 werd de kleine Louis van zijn bed getild en moest hij samen met zijn familie voor de opstandelingen op de vlucht. Het plebs plunderde de stad en Louis voelde zich vreselijk vernederd toen hij hoorde dat zijn moeder haar juwelen had moeten verpanden om de soldij van de soldaten te kunnen betalen. In Engeland werd koning Charles I op bevel van het parlement onthoofd. Anna van Oostenrijk zag al hetzelfde met haar zoon gebeuren en in overleg met Mazarin sloot ze een akkoord met het Franse parlement. Het koningshuis was gered, maar tezelfdertijd werden zowat alle eisen van de tegenstanders ingewilligd. Al wie zich tegen de kroon had gekeerd kreeg amnestie. Louis zwoer dat zoiets nooit meer mocht gebeuren. De koning moest daarom alle macht in handen krijgen. Hij wou die absolute macht niet omdat hij een soort van Hitler was. Nee, hij wou die absolute macht omdat hij de maatschappij wou laten vooruitgaan. ‘Dat kunnen we toch niet langer overlaten aan die “vertegenwoordigers van het volk”?’, vond hij. ‘Want die edellieden zijn zakkenvullers die enkel geïnteresseerd zijn in hun eigenbelang. Ik ben de garantie voor de welvaart en het welzijn van mijn volk.’ Louis XIV had dus zeker de eerste decennia van zijn koningschap een echte missie.

 

Hij verwekte heel wat kinderen, niet alleen bij zijn echtgenote Maria Theresia van Oostenrijk. Ik leer uit uw boek dat hij naast zes reguliere kinderen ook nog zestien bastaardkinderen bij verschillende minnaressen had.

Op de Beeck: Veel van die kinderen stierven heel jong. De kindersterfte was in die tijd enorm; we kunnen ons dat nu niet meer voorstellen. Louis koesterde al zijn overlevende kinderen, óók de bastaarden die hij erkende, en hij was een echte papa voor hen. Dat staat compleet haaks op zijn keiharde imago. Hij was ook een opa met een peperkoeken hart. Toen hij zijn kleinzoon naar Spanje stuurde om daar koning te worden, stond het huilen hem nader dan het lachen.

Louis XIV werd in zijn puberteit ontmaagd op bevel van zijn moeder. Zij zag hoe de vrouwen in bosjes voor hem vielen en maakte zich daar zorgen over. Hij mocht zeker niet verliefd worden en zich binden aan een vrouw die niet paste binnen de politiek van de staat. Dus besloot Anna van Oostenrijk dat haar zoon zo snel mogelijk met seks kennis moest maken, in de hoop dat hij daarna voorgoed van zijn driften verlost zou zijn. Ze schakelde de veertigjarige schele hofdame Catherine Bellier in. Chroniqueur Primi Visconti beschrijft wat er gebeurde: ‘De vorst was nog zeer jong toen ze hem in een uithoek van het Louvre terzijde nam en verkrachtte, of toch tenminste derwijze verraste dat ze van hem kreeg wat ze verlangde.’ De ontmaagding had een totaal tegengesteld effect: het betekende voor Louis de start van een gevuld liefdesleven met talloze minnaressen.

 

Bepaalden die minnaressen achter de schermen mee zijn politieke beleid?

Op de Beeck: Er zijn notulen van een ministerraad waarin hij toegaf dat hij iets te veel naar de vrouwen keek. Hij zei tot zijn ministers: ‘Als u ooit merkt dat een vrouw ook maar de geringste macht over mij uitoefent, dan beveel ik u om mij te waarschuwen.’

Zijn minnaressen hadden geen politieke invloed, maar sommige beïnvloedden hem wel op andere manieren. Marie Mancini, een nicht van kardinaal Mazarin, en Athénaïs de Montespan, de vleesgeworden erotiek, wekten bij hem de zin voor het esthetische op. Maar het veelvuldige overspel speelde hem ook parten. Als diepchristelijke koning was hij de behoeder van het katholieke geloof. Naarmate hij ouder werd, werd hij gevoeliger voor de kritiek van de devoten aan het hof. Zijn lange relatie met de eveneens getrouwde De Montespan vonden zij not done. Een dubbel overspelige katholieke vorst met de uitstraling van Louis XIV was in Frankrijk en de rest van Europa niet meteen reclame voor de kerk. Een nieuwe maîtresse, de katholieke Françoise Scarron bracht soelaas. Hij werd dolverliefd op haar, terwijl zij onder een hoedje met de kerk speelde. Ze wordt door de geschiedschrijving heiliger voorgesteld dan ze was, want uit haar brieven blijkt dat ook zij verliefd was op Louis, niet alleen geestelijk. Terwijl ze met hem sliep, trok ze hem weg van De Montespan en overtuigde ze hem er zelfs van om terug met zijn vrouw naar bed te gaan. Na de dood van Marie Theresia hertrouwde Louis met Scarron. Zo groeide zij als Madame de Maintenon uit tot één van de machtigste vrouwen van Frankrijk. Dat huwelijk betekende meteen ook het einde van Versailles met de vele feesten. Langzaam maar zeker veranderde het ooit zo liederlijke paleis in een museum.

 

Johan Op de Beeck, De Zonnekoning, Horizon, 736 blz., 34,99 euro

 

Johan Op de Beeck

  • 1957 geboren in Duffel
  • Studeerde communicatiewetenschappen aan de VUB
  • 1980 begon te werken als journalist en nieuwslezer bij de VRT
  • 1990 verliet de VRT en richtte zijn eigen mediabedrijf op
  • 1993 werd de eerste hoofdredacteur van TV Limburg
  • 1996 leidde de redactie van nieuwszender Euronews
  • 1999 startte mee Kanaal Z op en werd er directeur informatie
  • 2003 – 2005 netmanager van Ketnet en Canvas
  • Maakte verschillende tv-documentaires zoals Masters of the Game en Atlantik Wall
  • Naast vijf bestsellers over Napoleon en zijn tijd schreef hij ook nog Het verlies van België en De bedreigde vrijheid.

 

 

(c) Jan Stevens

“Napoleon was in alles ambigu”

Napoleon-biografen Bart Van Loo en Johan Op de Beeck nemen de maat van le petit caporal, die precies tweehonderd jaar geleden in Waterloo zijn laatste veldslag verloor. “In het begin was Napoleon getuige op afstand, gaandeweg rolde hij als een snel groeiende sneeuwbal doorheen de geschiedenis, om uiteindelijk alles op te vreten.”

“Echte waarheden zijn moeilijk te vinden in de geschiedenis”, vertrouwde Napoleon in 1816 in zijn ballingsoord Sint-Helena aan zijn biograaf Emmanuel de las Casas toe. “Er bestaan zoveel waarheden! Wat is dan die historische waarheid? Niets meer dan een afgesproken fabel.” Waarna de pas afgezette keizer der Fransen verder ging met het dicteren van zijn versie van de waarheid over zijn eigen leven. In 1823, twee jaar na zijn dood, verschenen Napoleons lijvige, met veel oog voor detail doorspekte memoires Mémorial de Sainte-Hélène. Ze groeiden snel uit tot een uiterst populaire bron van lering en vermaak over een van Frankrijks meest tot de verbeelding sprekende leiders. Na de Mémorial verschenen tot nu wereldwijd nog minstens 300.000 boeken over leven en werk van militair strateeg en verlicht despoot Napoleon Bonaparte (1769-1821).

Eind vorig jaar legde schrijver Bart Van Loo op de top van die stapel zijn vuistdikke kritische biografie Napoleon – de schaduw van de revolutie. Voormalig televisiejournalist Johan Op de Beeck was hem net vooraf gegaan met zijn eveneens vuistdikke tweedelige biografie Napoleon.

De ene biograaf heeft zin in een dubbelinterview, de andere niet. Dus organiseerde Knack een biechtstoelprocedure, ging met elk apart over ‘de kleine korporaal’ praten en verbond achteraf hun visies aan elkaar.

“Tijdens Napoleons ballingschap op Sint-Helena haalden zijn vijanden alles uit de kast om van hem een laffe oorlogsstoker te maken”, zegt Johan Op de Beeck. “Hij was zich daar goed van bewust en besliste zijn eigen geschiedenis te schrijven. Het nageslacht moest weten hoe het ‘echt’ geweest was. In zijn Mémorial de Sainte-Hélène hing hij een fraaier beeld van zichzelf op, omdat hij de talloze foute portretten over hem wou compenseren. Zijn memoires zijn geniaal: je kunt hem nergens op leugens betrappen, maar dé waarheid staat er ook niet helemaal in.”

Volgens Bart Van Loo leverde Napoleon met Mémorial de Sainte-Hélène postuum zijn grootste ‘tour de force’. “Hij herschreef en bewerkte zijn eigen geschiedenis en bepaalde hoe wij hem tot vandaag zien. De verslagen van zijn veldslagen zijn homerische epiek waarbij het werk van Homerus verbleekt. We kennen allemaal dat schilderij van Jacques-Louis David, van Napoleon die met zijn leger over de Alpen trekt. De fiere, van gezondheid blakende leider zit op een briesende hengst, met keurig geklede soldaten op de achtergrond. David schilderde in opdracht van Napoleon voor de hele wereld het beeld van de overwinning. De werkelijkheid is prozaïscher: ziek en verkrampt door de kou sjokte een grauwe Napoleon samen met zijn haveloze troepen de helling op. Van het schilderij van David zijn gravures gemaakt en die werden als propaganda onder de mensheid verspreid. Honderdduizenden maakten zo kennis met de gloriërende veldheer. Op Sint-Helena schilderde hij zichzelf af als de messias van de Franse Revolutie. Grote schrijvers als Victor Hugo en Honoré de Balzac trokken zich op aan het inspirerende Mémorial de Sainte-Hélène en hielpen Napoleons mythe verder in stand houden.”

Waar komt jullie persoonlijke fascinatie voor Napoleon Bonaparte vandaan?

Johan Op de Beeck: Vijf jaar geleden wou ik een boek over de slag bij Waterloo schrijven. Het duurde niet lang of ik besefte dat ik met één van de belangrijkste figuren van de moderne Europese geschiedenis te maken had. Hij leidde een rijk gevuld bestaan en nam graag gewaagde beslissingen. Hij leefde voor tien en overleefde dertig moordaanslagen. Ik moést gewoon zijn verhaal vertellen.

Bart Van Loo: Ik was twaalf en wou mijn stamboom samenstellen. Op mijn fiets reed ik naar alle burgerlijke standen in de buurt. De ambtenaren waren gecharmeerd door zo’n snuffelende snotaap en gaven me toegang tot hun archieven. Toen ik in het begin van de negentiende eeuw aanbelandde, zag ik dat alles in het Frans genoteerd was. Mijn betovergrootvader Joseph Van Loo van Heist-op-den-berg bleek geboren te zijn du deuxième jour du mois de frimaire l’an dix de la République française, à deux heures de relevée. Ik begreep niet waar dat Frans plots vandaan kwam, reed naar huis, dook in onze encyclopedie en ontdekte zo de geschiedenis van de Franse Revolutie. Le deuxième jour du mois de frimaire l’an bleek 23 november 1801 te zijn. Ik las voor het eerst over Napoleon Bonaparte, de man die in 1801 niet alleen in Frankrijk de lakens uitdeelde, maar ook bij ons de plak zwaaide.

Zou er zonder Franse Revolutie ook sprake geweest zijn van Napoleon?

Op de Beeck: Zonder Franse Revolutie hadden we nooit van Napoleon gehoord, maar zonder Napoleon waren de grote principes over gelijkheid in het burgerlijk recht, godsdienstvrijheid en de verhouding tussen kerk en staat vermoedelijk ook dode letter gebleven. Vijftien jaar alleenheerschappij onder Napoleon volstond net om die grote republikeinse waarden veilig te stellen. Hij vormde de brug tussen het oude en het nieuwe. Hij heeft niet alle revolutionaire principes verankerd: hij was geen groot voorvechter van persvrijheid en op het einde was zijn keizerrijk een politiestaat. Maar hij droeg veel bij aan de emancipatie van de Joden in een periode waarin antisemitisme hoogtij vierde, en zorgde er voor dat de inrichting van de staat niet door godsdienst gestuurd werd.

Van Loo: Napoleon wortelt in de Franse Revolutie. In het begin is hij getuige op afstand, gaandeweg rolt hij als een snel groeiende sneeuwbal doorheen de geschiedenis, om uiteindelijk alles op te vreten. De Franse Revolutie draaide gedeeltelijk rond herverdeling van rijkdom. In het ancien régime bezat een kleine adellijke toplaag alles. Begin 18e eeuw hadden bankiers, financiers en notarissen veel kapitaal verzameld. Die nieuwe rijke burgers wilden meer inspraak en zijn degenen die de Franse Revolutie beraamd en in gang gezet hebben.

Het was dus geen opstand van het verpauperde volk?

Van Loo: De zogenaamde ‘derde stand’ of de hogere burgerij startte de revolutie. In mei 1789 riep koning Lodwijk XVI de drie standen, adel, clerus en burgerij, samen voor overleg in de Staten-Generaal over de gespannen toestand in het land. Het was 175 jaar geleden dat de drie standen nog eens samen hadden gezeten. Op 20 juni 1789 stond de burgerij voor de gesloten deuren van het Hôtel des Menus Plaisirs in Versailles. Ze wilde daar vergaderen, maar de koning had de poort laten sluiten. De traditie wou dat er in de Staten-Generaal per groep gestemd werd, waardoor beslissingen altijd uitdraaiden in het voordeel van adel en clerus. De derde stand wou nu een stemming per hoofd, de koning zag dat niet zitten en probeerde tijd te winnen. De heren van de burgerij stonden dus voor een gesloten deur, terwijl de regen met bakken uit de lucht viel. Opeens stak iemand zijn vinger op: ‘Ik ken een sportzaal in de buurt. Misschien kunnen we daar vergaderen.’ Ze trokken naar de kaatsbaan van Versailles. Daar schreven ze samen de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger, waar in 1791 de nieuwe Franse grondwet uit zou groeien. De man die zijn vinger in de lucht stak, was dokter Joseph Ignace Guillotin. Een paar maanden later overtuigde hij het Franse parlement ervan om alle ‘barbaarse’ doodstraffen te vervangen door de snelle efficiëntie van het vallende mes. De promotor van de guillotine is dus degene die op die 20e juni de weg wees naar de plek waar in Europa de mensenrechten het licht zagen. (lacht)

Wanneer stak Napoleon dan zijn neus aan het venster?

Op de Beeck: In 1793 werd Toulon waar de Franse vloot lag, ingenomen door de Engelsen. Het was van levensbelang voor de republikeinen dat ze de havenstad terug in handen kregen. De jonge militair Napoleon raakte er toevallig bij betrokken en etaleerde meteen zijn politieke vaardigheden. Via zijn netwerk slaagde hij erin drie onbekwame generaals de laan uit te laten sturen. De vierde generaal volgde braaf zijn adviezen en Toulon werd heroverd. De naam Napoleon stond op de kaart.

De Franse Revolutie is gegroeid uit de Verlichting, zij brengt de filosofie van onder anderen Denis Diderot en Jean-Jacques Rousseau in de praktijk. Maar de revolutie ontspoorde bijna meteen: onder Robespierre had het bloed geen tijd om op te drogen. Frankrijk was op dat moment het belangrijkste land van Europa, maar de economie stortte in en de administratie was een chaos. De republikeinen vreesden de totale anarchie, zochten een sterke figuur die een staatsgreep zou kunnen plegen en dachten meteen aan Napoleon. Hij was zelf niet de architect van die staatsgreep op 9 november 1799, hij werd er naartoe gedirigeerd. Ze hoopten dat hij later braaf terug naar zijn kazerne zou keren; dat draaide enigszins anders uit.

Napoleon was een militair in hart en nieren, maar was hij ook een bekwaam politicus?

Op de Beeck: Ja. Op korte tijd voerde hij niet alleen in Frankrijk maar in grote delen van Europa een fundamentele modernisering van de organisatie van de maatschappij door. Hij hongerde naar macht en stelde daarmee de belangrijkste verworvenheden van de Franse Revolutie veilig. Net zoals alle politici was hij zowel opportunist als idealist.

Van Loo: Ook vandaag nog wordt Napoleon als redder des vaderlands en heiland beschreven, terwijl hij in de eerste plaats een uiterst dubbelzinnige figuur was. In alles was hij ambigu. Hij startte zijn carrière in Corsica, had de Franse nationaliteit en was lid van het Franse leger. Hij werd betaald door Frankrijk maar deed er tezelfdertijd alles aan om stokken in de wielen van zijn broodheer te steken. Hij wou in die beginjaren maar een ding: dat Corsica zich afscheurde van Frankrijk. Toen dat niet lukte, kreeg hij het aan de stok met zijn eilandgenoten en moest hij vluchten. In juni 1793 liet hij op 24-jarige leeftijd Corsica definitief achter zich en richtte zich op Frankrijk en op de revolutie: hij veranderde zijn naam van Napoleone Buonaparte in Napoleon Bonaparte en werd robespierrist. Maar ook weer niet té veel: net genoeg om even in de gevangenis te belanden, niet genoeg om op de guillotine te eindigen. Later werd hij absolutist en trok hij alle macht naar zich toe, tegelijkertijd was hij ook de man van de gelijkheid: het principe dat iedereen gelijk was voor de wet vormde het uitgangspunt voor zijn beroemde burgerlijk wetboek, de ‘Code civil’. Alleen stond hij toe dat rijke burgers zich konden vrijkopen van de dienstplicht. Sommigen waren dus iets gelijker dan anderen.

Waren zijn talloze oorlogen in de eerste plaats niet vooral ordinaire plundertochten?

Op de Beeck: In 1795 kreeg hij opdracht van de Republikeinse regering om in Noord-Italië de Oostenrijkse legers aan te vallen. Hij kreeg het armlastige zuidelijke Franse leger onder zijn bevel: de soldaten hadden amper schoenen en hun wapens waren versleten. Hij kreeg ook een vrijgeleide om Noord-Italië te plunderen. Toch werd die veldtocht meer dan een ordinaire strooptocht: voor het eerst liet hij zien tot wat hij als veldheer in staat was. In een paar weken tijd behaalde hij zes overwinningen. Zijn Italiaanse campagne was briljant: na een jaar had hij de leiding over het noorden van Italië, tot aan Rome. Hij toonde dat hij een land kon leiden.

Van Loo: Onder het voorwendsel dat ze de gedachten en idealen van de revolutie naar de rest van Europa exporteerden, hield het Franse leger in de eerste plaats plundertochten. Er zijn heuse heldenverhalen geschreven over de veroveringstocht van Napoleon in Italië, waar zijn ‘openbaar leven’ een aanvang nam. De slag bij Arcole in november 1796 is zo een legendarische veldslag. Typisch voor die Napeolontische oorlogen was dat ze vaak onwaarschijnlijk verliepen en dat de overwinningen meer dan eens een dubbeltje op hun kant waren. De man heeft ontzettend veel geluk gehad. Een paar keer was hij bijna dood. De slag bij Marengo in 1800 tegen de Oostenrijkers had zijn definitieve einde kunnen betekenen, maar op het laatste nippertje werd hij ontzet door verse troepen van generaal Desaix. Die overleefde de veldslag niet, en werd achteraf door Napoleon met roem overladen. Generaal Kellerman overleefde de slag wel en was minstens even belangrijk voor de overwinning, maar zijn bijdrage werd dan weer doodgezwegen.

Ondertussen verscheepte hij ladingen vol kunstschatten uit de veroverde gebieden naar Parijs?

Op de Beeck: Het Franse leger roofde geen Italiaanse huizen leeg om ze later met fakkels af te branden. Het plunderen verliep subtieler. Zo kreeg de hertog van Padua te horen: “We schatten uw fortuin op een miljoen florijnen, gelieve ons er daarvan 400.000 te bezorgen.” De hertog van Parma moest dan weer duizend paarden leveren en in Venetië werd een lading kunstwerken in beslag genomen. Napoleon wou niet dat zijn soldaten dorpen leegroofden. Niet uit menslievendheid, maar omdat hij de steun van de plaatselijke bevolking nodig had.

Van Loo: Napoleon zag de plunderingen liever niet, maar hij kon ze ook niet tegenhouden. Als het echt de spuigaten uitliep, werd iemand ‘pro forma’ geëxecuteerd, waarna het roven gewoon verder ging. Een aantal van Napoleons maarschalken, André Masséna op kop, nam trouwens het voortouw als het op ritselen en plunderen aankwam.

Was Napoleon een massamoordenaar?

Van Loo: Indirect, want hij heeft die mensen natuurlijk niet allemaal eigenhandig gedood. In tegenstelling tot een figuur als Hitler hing Napoleon geen totalitaire ideologie aan en beschouwde hij zijn tegenstrevers niet als minderwaardig. Hij was geen bloeddorstige Caligula, wel een antieke Caesar. Hij leidde een noodregering van een land dat altijd in oorlog was.

Op de Beeck: In die tijd werden geopolitieke conflicten opgelost met twee methodes: ofwel met een politiek huwelijk, ofwel met oorlog. Er bestonden geen Verenigde Naties en diplomatie stond in de kinderschoenen. Onder Napoleons bewind werden er in Frankrijk 2 miljoen mensen onder de wapens geroepen. 400.000 zijn gesneuveld, de meesten door ontbering en ziekte. 600.000 zijn vermist of nooit teruggekeerd uit krijgsgevangenschap. In totaal stierven dus 1 miljoen Fransen. Bij de tegenstanders waren dat er anderhalf miljoen. In de Dertigjarige Oorlog begin zeventiende eeuw vielen er in Europa 5 à 6 miljoen doden. Tijdens WO I sneuvelden 9 miljoen soldaten en 8 miljoen burgers. Dat zet het dodentol van 15 jaar Napoleon in het juiste perspectief.

Van Loo: Naast 2,5 miljoen soldaten, stierven ook heel wat burgers en die worden vaak vergeten. Recent Frans wetenschappelijk onderzoek schat het totaal aantal doden op 3,25 miljoen.

Op het slagveld kon Napoleon zijn mannetje staan; in de liefde was hij een mislukkeling.

Van Loo: Ja, hij was blind verliefd op zijn eerste vrouw Joséphine de Beauharnais. Later nuanceerde hij die verliefdheid: ‘Ik was amper 26 en wist niets van de wereld.’ Joséphine was een dame van losse zeden en bedroog hem waar hij bij stond. Tijdens zijn veldtocht in Italië smachtte hij naar haar en schreef haar smekende brieven. Maar ze kwam niet, want in Parijs had ze het te druk met in de armen liggen van andere mannen. Haar favoriete minnaar was Hippolyte Charles, een jonge luitenant. Na veel gezeur van Napoleon ging ze eindelijk overstag. Ze vertrok naar Italië, en nam haar minnaar en haar schoothondje mee. Na maanden vol verlangen naar zijn vrouw, moest Napoleon in zijn echtelijk bed eerst nog een strijd leveren om dat hondje eruit te krijgen. (lacht)

Op de Beeck: Joséphine was de vrouw van zijn leven. Zij heeft hem lang bedrogen, maar in een later stadium draaiden de rollen om en fladderde hij van de ene naar de andere minnares. Toch hielden die twee van elkaar. Joséphine was de enige die hij echt vertrouwde. Tijdens een veldtocht of op een ministerraad gedroeg hij zich totaal anders dan bij zijn geliefde Joséphine. Hij droeg dan een masker dat doorheen de jaren alleen maar grimmiger trekken kreeg.

Joséphine bleef kinderloos en de druk om voor een troonopvolger te zorgen, werd groot. Hij ging overal meevechten, wat hem bijzonder kwetsbaar maakte. Eén verdwaalde kogel en Frankrijk was zijn sterke man kwijt. Als keizer moést hij wel voor een opvolger zorgen; een keizerlijke dynastie was een garantie op ‘zekerheid’ voor het land. Zonder troonsopvolger dreigde na de dood van Napoleon terug de chaos en dat wilden de Fransen niet. Hij scheidde van Joséphine, niet omdat hij haar niet graag meer zag, maar omwille van die troonopvolger en omdat een nieuw huwelijk een interessante alliantie met een andere grootmacht opleverde. In 1810 hertrouwde hij met Marie-Louise van Oostenrijk, de dochter van de Oostenrijkse keizer. Op het moment dat Joséphine verdween, knakte er iets in hem en begon de definitieve aftakeling van zijn keizerrijk.

Tot vandaag geldt de Code civil als Napoleons grootste verwezenlijking. Terecht?

Van Loo: Het is een meesterwerk omdat het uniformiteit schept in een oerwoud aan lokaal verankerde spelregels die hun oorsprong hadden in de middeleeuwen. Napoleon goot de verklaring van de rechten (en de plichten) van de mens in een wetboek en maakte het werk van de revolutionairen af. Vervolgens voerde hij zijn Code civil in met de bajonet in de aanslag. Gewone stervelingen hadden in pakweg 1807 bitter weinig aan die Code civil. Mannen waren alleen goed als kanonnenvoer en de rest van de bevolking mocht belastingen betalen om zijn oorlogen te subsidiëren.

Op de Beeck: De Code civil is een monument, waarin Napoleon de gelijkheid tussen mensen in de samenleving betonneert. Alleen in de verhouding tussen mannen en vrouwen neemt hij afstand van die gelijkheid, wat veel zegt over zijn eigen moeilijke relatie met vrouwen. Bij echtscheiding krijgen mannen betere rechten dan vrouwen. Dat kan niet anders dan een gevolg zijn van de rancune die Napoleon voelde ten opzichte van Joséphine. Toch misprijs ik hem daarvoor niet. Want hij schatte zichzelf eerlijk in. Hij zei: ‘Ik ben groot in grote dingen en klein in het kleine.’

Bart Van Loo, Napoleon. De schaduw van de revolutie, De Bezige Bij

Johan Op de Beeck, Napoleon, deel 1: Van strateeg tot keizer, Manteau

Johan Op de Beeck, Napoleon, deel 2: Van keizer tot mythe, Manteau

© Jan Stevens

%d bloggers liken dit: