“Is het leven niet een groot misverstand?”

Met Het grote huis schreef Nicole Krauss een roman om op een lange winteravond in een ruk uit te lezen bij het knetterende haardvuur. “Als je het boek blijft neerleggen, verlies je misschien de weg”, vindt ze zelf. “Maar als je het in een lange, intense sessie leest, geeft het boek al zijn geheimen prijs.”

In haar nieuwe roman Het grote huis verweeft de Amerikaanse auteur Nicole Krauss op ingenieuze wijze de levens van totaal verschillende mensen tot een fascinerend geheel. De New Yorkse schrijfster Nadia werkt al jarenlang aan een bureau dat ze in de jaren zeventig gekregen heeft van de jonge Chileense dichter Daniel Varsky. Hij wou terug naar zijn thuisland, schonk zijn inboedel aan Nadia en eindigde in de folterkamers van de Chileense dictator Augusto Pinochet. Op een dag wordt het bureau opgeëist door een jonge vrouw die beweert dat ze Varsky’s dochter is. Vanaf dat moment verliest Nadia de greep op haar eigen leven. Rond dezelfde tijd ontdekt een oudere Londenaar die getrouwd is met een dementerende schrijfster dat zijn vrouw haar hele leven lang een geheim voor hem verborgen heeft gehouden. Ook hij raakt daardoor in een diepe crisis. In Oxford wordt een studente literatuurwetenschap wanhopig verliefd op Joav Weisz, de zoon van een antiekhandelaar. Vader Weisz is voortdurend op reis en Joav leeft in een niet al te gezonde, bijna incestueuze relatie met zijn zus Lea. En dan is er het schrijnende verhaal van een Israëlische vader die een van zijn zonen haat. Een haat die haar wortels heeft in de Jom Kippoeroorlog uit 1973. Hét bindmiddel tussen al die verhalen en al die mensen is het imposante bureau met vele laden dat ooit aan Daniel Varsky toebehoorde.

 

Het leven: een groot misverstand

In juni 2010 publiceerde The New Yorker een lijst met twintig Amerikaanse schrijvers onder de 40, die we volgens het gerenommeerde tijdschrift in het oog moeten houden. Die ’20 under 40’-lijst werd door uitgevers aandachtig bestudeerd, want The New Yorker bewees in het verleden al een neus te hebben voor nieuw literair talent. Op de ’20 under 40’-lijst prijken auteurs die nog alles moeten bewijzen, maar ook bekende schrijvers zoals Nicole Krauss en haar man Jonathan Safran Foer. “Dat was een hele eer”, zegt Krauss. “Alleen weet ik niet hoe betekenisvol dat soort van lijstjes is. Als ik er niet op had gestaan, had ik mezelf waarschijnlijk wijsgemaakt dat niemand daarvan wakker ligt. Net als alle literaire prijzen of onderscheidingen zijn zo’n lijsten toch een beetje een loterij. Dat geldt ook voor goeie of slechte recensies: ook daarin moet je geluk hebben, want de recensent moet openstaan voor jouw denkwereld. Ik probeer dus niet teveel aandacht aan al die dingen te schenken, niet aan de slechte en ook niet aan de goeie. Al voel ik me echt wel triest als ik een vernietigende recensie over een van mijn boeken lees. Maar dat blijft niet lang hangen. Het raakt me even, en verdwijnt dan weer. Want ik weet dat er ergens in de wereld wel een recensent zal zijn die op mijn golflengte zit, die begrijpt waarmee ik bezig ben en die mijn romans geen verkeerde intenties zal toedichten. Verkeerde interpretaties zijn het meest pijnlijke. Maar dan nog: is het leven niet een groot misverstand?”

 

Er wordt nogal wat geschreven door de personages in Het grote huis. Zit er veel in van uzelf als schrijver?

Nicole Krauss: Mijn werk is altijd heel persoonlijk. Toch is er een strikt onderscheid tussen het autobiografische en het persoonlijke. Het autobiografische put uit mijn eigen leven en ervaringen, terwijl het persoonlijke van mijn romankarakters geen enkele overeenkomst heeft met mijn leven. Al geef ik grif toe dat elke auteur sowieso veel van zichzelf in zijn karakters giet. Alle sensaties van wat leven voor een schrijver betekent, zal hij geruisloos in zijn personages laten doorsijpelen. Het is dus onvermijdelijk dat Het grote huis hier en daar uit momenten uit mijn leven put. Toch is het overgrote deel fantasie. Ik voer geen mensen op die ik zelf ken.

 

Zit er dan niet veel van uzelf in de manier waarop u Nadia als schrijfster portretteert?

Krauss: Op veel gebieden is zij veel extremer. Op de meest cruciale momenten in haar schrijverscarrière neemt zij beslissingen die ik nooit genomen zou hebben. Ik heb een gezin en ben moeder van twee kleine jongens, zij koos voor het tegengestelde. Ze maakte de radicale keuze om weerstand te bieden aan alle verleidingen die haar van haar werk zouden kunnen afhouden. Ik vond dat erg fascinerend, maar ik zou dat zelf nooit gedaan hebben, want dan was mijn leven als schrijver een marteling geworden. Uiteindelijk wordt ze een heel tragische figuur, maar dat wist ik nog niet toen ik over haar begon te schrijven. Het is natuurlijk mijn eigen fout dat ik haar zo gemaakt heb.

Zelfs als ik geen gezin zou hebben, zou ik niet geëindigd zijn zoals zij. Wie schrijver wil worden, moet heel meelevend zijn. Het is onmogelijk om dit werk te doen als je geen empathie kan voelen. Ik kan beslissingen nemen die mezelf en dat van anderen ten goede komen. Nadia niet. Ik veroordeel haar niet, ik veroordeel niemand van mijn personages, maar zij leeft alleen in functie van haar schrijverschap, en zij gelooft daar ook rotsvast in. Ik zou dat niet kunnen. Omdat ik teveel om anderen geef, maar ook omdat anderen soms belangrijker zijn dan mijn werk.

 

Raakt u dan niet net als Nadia tijdens het schrijven totaal geobsedeerd door de roman waaraan u werkt?

Krauss: Ja, maar niet meer zo overheersend als vroeger. Ik herinner me nog heel goed de tijd dat ik niet wist wat voor dag van de week het was, omdat elke dag een schrijfdag was. Ik was toen meester van mijn eigen tijd, dat is nu niet meer het geval.

 

Ook al bent u getrouwd met Jonathan Safran Foer, een andere schrijver?

Krauss: Dat heeft niet zoveel invloed op ons gezinsleven. Net als in zoveel andere gezinnen zijn wij twee werkende ouders. We werken op kantooruren, en als het slecht uitkomt, regelen we een babysit. Al is er wel een periode geweest dat ik bang was om mijn ambitie te verliezen. Want als er op een bepaald moment een persoon in je leven komt die er meer toe doet dan jezelf, vermindert de ambitie om te schrijven. Tot ik ontdekte dat het niet of/of was, maar en/en. Nu leven die twee ambities naast elkaar. Nadia daarentegen koos voluit voor haar schrijverschap.

Ik weet trouwens niet of het leven van twee schrijvers samen zo speciaal is. Ik kan ons leven niet van buitenaf beoordelen. Ik zie het alleen van binnenuit. Aan het ontbijt hebben we het niet over schrijven, maar over het klaarmaken van de lunch voor de kinderen. Ik laat Jonathan mijn werk niet lezen terwijl ik eraan bezig ben, niemand krijgt het dan te zien. Wel op het einde, maar nooit als ik er middenin zit. Dan is het veel te kwetsbaar. Sommige schrijvers vinden het fantastisch om over een boek in wording te praten, ze spreken erover met hun man of vrouw en vragen naar oplossingen voor moeilijke situaties. Ik niet. Als ik middenin een boek zit, klap ik helemaal dicht. Dat komt omdat de roman nog niet helemaal gevormd is in mijn geest, de woorden zijn er dan nog niet. Ik weet dat uiteindelijk alles in orde komt, maar ik kan er dan nog niets over kwijt. Ik ben bang dat ik mijn zelfvertrouwen zal verliezen als ik er teveel over vertel. Ik spreek met Jonathan wel over mijn geestesgesteldheid tijdens het schrijven. ‘Het ging niet zo goed vandaag. Het wordt een sof.’ Of: ‘Ik denk dat ik op het juiste spoor zit.’ Meer niet. Als het boek bijna af is, mag hij mijn eerste lezer zijn. En ik ben zijn eerste lezer. Denk ik toch. (lacht)

 

Het grote huis lijkt op het eerste gezicht samengesteld te zijn uit vier totaal onafhankelijke verhalen. Uiteindelijk komen ze allemaal samen. Hoe lastig was het om tijdens het schrijven de draad niet te verliezen?

Krauss: Het zal je misschien verbazen, maar ik maak nooit een grote constructie voor ik aan een roman begin. Het schrijven gebeurt heel intuïtief. Voor ik aan een boek begin, wil ik eerst en vooral verdwaald raken. Ik hou ervan om veel werelden te creëren waarin ik verloren kan lopen. Op een bepaald moment begin ik me dan zorgen te maken hoe al die werelden uiteindelijk zullen samenkomen. Ze moéten ook één worden, dat kan niet anders, want ze zijn allemaal ontsproten uit dezelfde geest. Als schrijver is het mijn job om de coherentie tussen die verhalen te ontdekken en om de structuur van de roman, het huis, te vinden. Mijn romans worden gebouwd van binnenuit. Het zijn geen vooraf bedachte ideeën die ik uitwerk. Neem het verhaal over de Londenaar die ontdekt dat zijn vrouw haar hele leven lang een geheim voor hem verborgen hield. Ik wou in eerste instantie schrijven over de zwemvijvers in Hampstead Heath. Ik heb een paar jaar in de buurt van die vijvers gewoond. Het is een traditie van sommige oude Londenaars om ongeacht het weer, elke dag een duik te nemen in de zwemvijvers van Hampstead Heath. Ik was verzot op de Heath en ging er vaak rondwandelen. Ik wou er in mijn gedachten terug naartoe om die plek opnieuw tot leven te brengen. Ik schreef een scène en de karakters waren er alleen maar om de scène te stofferen: een man met zijn dementerende vrouw. Onbewust schreef ik vanuit het perspectief van de man die ziet hoe zijn vrouw elke dag een beetje meer ‘verdwijnt’. Slechts na veel bladzijden besefte ik dat ik aan het schrijven was over een man die het gevoel heeft dat hij met een mysterie getrouwd is. Toen pas begon ikzelf te begrijpen hoe heel hun verhaal echt ineen zat.

Soms vervloek ik mezelf dat ik geen gemakkelijkere manier van schrijven gekozen heb. Maar ik weet het dan niet zo spannend zou zijn voor mezelf en niet zo betekenisvol. Tijdens het schrijven word ik even kwetsbaar als mijn karakters. Net als hen weet ik niet waar of hoe het zal eindigen. Als schrijver loop ik vaak verloren in een immens woud. Maar ik zet me ook altijd in een positie dat ik iets kan leren van mijn personages, over de wereld en over mezelf. Dat vind ik fantastisch. En dan is er die sensatie die veel, veel later komt: wanneer ik besef dat het me gelukt is, dat ik een stabiele structuur uit al die verhaallijnen, ervaringen, gedachten, observaties en karakters heb kunnen puren. Wanneer ik zie dat ik vanuit mezelf een compleet huis heb opgebouwd.

 

Plaats van de verbeelding

Wat hebt u met Chili? Het land speelde al een voorname rol in uw vorige roman De geschiedenis van de liefde en krijgt nu opnieuw een prominente rol via de figuur van de Chileense dichter Daniel Varsky.

Krauss: Mijn interesse in Chili begon heel instinctief, tijdens het schrijven van De geschiedenis van de liefde. Natuurlijk schrijf ik vooral over de plekken die me vertrouwd zijn: New York, Londen, Israël. Dat zijn de plaatsen waar mijn ouders opgegroeid zijn en die ik heel goed ken. In De geschiedenis van de liefde was Chili de ‘vierde plaats’, de plaats van de verbeelding. Ik was nog nooit in dat lange, smalle land aan het einde van de wereld geweest. Ik wou Chili ook niet bezoeken, want het leek als het ideale land waar een verhaal verzonnen kon worden. Ik wist alleen dat Valparaiso een stad aan zee was, en dat volstond voor die roman. Na de publicatie van De geschiedenis van de liefde werd Chili plots heel reëel. Ik werd er als jurylid voor een literaire prijs uitgenodigd. Rond die tijd was ik zwanger. Ik begon geobsedeerd te lezen over het Pinochetregime, over al die verdwenen mensen. Ik las elk detail, het leek bijna op zelfkwelling. Het was als een nachtmerrie, en toch bleef ik aan de gruwel denken en doorlezen. Ik wist niet waarom. Nu ik er op terugkijk, denk ik dat het iets te maken had met feit dat ik een zoon ging baren. Misschien besefte ik dat mijn geluk helemaal zou afhangen van zijn veiligheid, van zijn welbevinden. Ik voelde me zo kwetsbaar. De enige manier om daar iets aan te doen, was me verdiepen in Chili. Ik dacht er toen aan om een hele roman over die periode te gaan schrijven. Maar dat is dus niet gebeurd. Al mijn angst heb ik geabsorbeerd in het karakter van Daniel Varsky, die het hele boek door blijft spoken. Varsky zegt doorheen Het grote huis geen woord, maar op een of andere manier draagt hij de duisternis van de hele Pinochetperiode doorheen het hele verhaal.

 

Kon u de horror nog voelen toen u Chili bezocht?

Krauss: Ja, en dat kwam omdat ik er zoveel over gelezen had. Ik kon elke gevangenis situeren. Toen ik door Santiago wandelde, wist ik: ‘Op deze plaats werd gefolterd.’ Chili is een prachtig land. De Chilenen zijn warme mensen, maar ze zijn nog altijd niet in het reine met hun verleden.

De coup van Pinochet vond plaats in september 1973. Ik associeerde die datum bijna spontaan met de Jom Kippoeroorlog in Israël in oktober van datzelfde jaar. Die twee gebeurtenissen vonden zo goed als simultaan plaats, er lagen amper een paar weken tussen. Tijdens de voorbereiding van Het grote huis maalden die twee historische tragedies door mijn hoofd. Ze werden allebei heel belangrijk voor mij. Al zal de lezer dat waarschijnlijk niet direct merken. Waarom ze zo belangrijk zijn? Dat heeft te maken met mijn ‘obsessie’ met het begrip ‘metafoor’. Een metafoor brengt twee totaal verschillende ideeën samen, creëert een onverwachte brug en geeft je een gevoel van eenheid. Ik denk dat we allemaal van metaforen houden omwille van de illusie die ze ons geven dat de wereld verbonden is, dat het zin heeft. Zoals die twee historische, op het eerste gezicht totaal aparte gebeurtenissen die bijna op hetzelfde moment plaatsvonden.

 

Duidt het beeld van het steeds opduikende bureau van Varsky met al die verschillende laden op hetzelfde? In de ene lade zit dit, in de andere iets anders, maar toch zijn ze door het grotere bureau onderling met elkaar verbonden?

Krauss: Ja, al was dat niet zo gepland. Naarmate de roman vorderde begon het bureau steeds meer betekenis te krijgen. Al kan ik niet zomaar zeggen wat die betekenis juist is. (lacht) Het betekent zoveel dingen tegelijkertijd, zoals zoveel beelden in dit boek. Neem het steeds weerkerende beeld van een steen die door een raam vliegt. Dat idee zat van in het begin in mijn hoofd: wat als iemand een steen door een raam gooit, terwijl in het huis een Joodse familie zit? Het is 1944 en de Gestapo staat op het punt hen te arresteren. Het leven zoals zij het kennen, zal dan voor altijd eindigen. Op het moment dat die steen de lucht ingaat, zitten ze in hun oude leven. Maar van zodra de steen valt, verandert hun leven voorgoed. Die scène schreef ik pas op het einde, maar doorheen het hele boek duikt die ‘vliegende steen’ op. Eigenlijk besefte ik pas nadat ik al een heel eind gevorderd was, dat die steen een vooraankondiging was van een tragedie.

 

Israël speelt een belangrijke rol in Het grote huis. Hoe belangrijk is dat land voor u?

Krauss: Ik ben niet opgegroeid in Israël, maar ik ken er veel mensen. Je kunt je het effect van de jarenlange dreiging, van al die oorlogen niet voorstellen. Dat duurt nu al decennia lang. Het leven met geweld is overgegaan van ouders op kinderen, van de ene naar de andere generatie. Het is een deel van het volk geworden, waardoor Israëli’s nu een heel aparte ‘tak’ vormen binnen het Jodendom. Ik wil zelf nooit in Israël gaan leven, omdat ik het niet eens ben met de regering die er aan de macht is. Ik vind het al lastig genoeg om in Amerika te wonen. De jaren onder Bush waren een verschrikking. Ik vind het niet leuk om onder een regime te leven dat ik verafschuw en dat mijn waarden niet deelt.

 

Hoe is het dan nu onder Obama?

Krauss: We zijn er geweldig op vooruit gegaan. Ik wou dat mijn medeburgers hem niet zo bekritiseerden. De catastrofe die hij geërfd heeft, is immens. Niemand zou ooit kunnen doen wat Obama tot hiertoe gedaan heeft om die rotzooi op te ruimen. We moeten hem tijd geven. Hij heeft ons uit de goorste diepten van de recessie getrokken. Desalniettemin vind ik het afschuwelijk dat ik in een land leef waar een fenomeen als de Tea Party mogelijk is. In Amerika wonen is voor mij al niet zo vanzelfsprekend, maar leven in Israël is andere koek. Ik heb er vaak over nagedacht om naar Europa te verhuizen. Maar als je kinderen hebt, wil je dat ze dicht bij hun familie zijn. Dan blijf je, for better and for worse.

 

© Jan Stevens

Nicole Krauss, het grote huis, Anthos, Amsterdam, 342 blz., 21,95 euro, ISBN 978-90-414-1661-2

 

Nicole Krauss

Geboren op 18 augustus 1974 in New York City

Debuteerde in 2002 met Man komt kamer binnen

Scoorde in 2005 een gigantische bestseller met De geschiedenis van de liefde en stond met die roman op de shortlist voor de Orange Prize

Het grote huis is haar derde roman

In 2004 trouwde ze met Jonathan Safran Foer. Het schrijverspaar heeft twee kinderen en woont in Brooklyn, New York.

 

Advertenties

Dieren eten

De Amerikaanse schrijver Jonathan Safran Foer bestormde de bestsellerlijsten met zijn romans Alles is verlicht en Extreem luid & ongelooflijk dichtbij. Met zijn nieuwste boek Dieren eten schreef hij zijn eerste non-fictiewerk. Hij deed diepgravend onderzoek naar hoe en waarom mensen dieren eten, zweerde prompt zelf alle vlees af en haalde zich de woede op de hals van de bio-industrie én van doorwinterde vegetariërs. 

Middernacht. De gevierde schrijver Jonathan Safran Foer (°1977) zit samen met een dierenrechtenactiviste in de auto te wachten in de buurt van een industriële kalkoenkwekerij in de Amerikaanse staat Californië. Foer heeft zich helemaal in het zwart gehuld, draagt operatiesloffen over zijn schoenen en rubberen handschoenen over zijn nerveus trillende handen. Binnen een paar minuten zullen hij en zijn metgezellin over de prikkeldraad klauteren en de kwekerij binnendringen. De schrijver is er niet gerust in. In zijn verbeelding ziet hij “een zwaarbewapende boer die net uit zijn REM-slaap is gewekt en mijn wijsgerige persoontje ziet, iemand die de leefomstandigheden van zijn kalkoenen aan de kaak wil stellen. Hij spant zijn dubbelloops, ik ontspan mijn sluitspier, en dan… wat?”

De nachtelijke inspectietocht past in een project dat Jonathan Safran Foer startte toen zijn vrouw, schrijfster Nicole Krauss, zwanger was van hun eerste kind. “Ik besefte toen dat ik keuzes moest maken over wat mijn zoon later zou eten”, zegt hij. “Ik denk dat elke kersverse ouder zich dat afvraagt. Ik nam dat heel ernstig en ik wou er voor eens en voorgoed komaf mee maken. Als kind al stelde ik me vragen over het eten van dieren. Dat had niets te maken met de vraag of het goed of fout was, maar met het feit dat het niet overeenstemde met wat mijn ouders me over dieren leerden: ‘Geef de hond geen schop, want anders krijg je met ons te doen.’ Ik vond het als negenjarig jongetje heel raar dat we lief moesten zijn tegen honden, maar wel tegelijkertijd kippen à volonté aten. Uiteindelijk leerde ik ermee leven, ook al bleef het knagen. Met de zwangerschap van mijn vrouw werd vlees eten een acuut probleem. Mijn hele leven lang ben ik meer dan eens vegetariër geworden. Zoals zoveel mensen zat ik gevangen in een bizarre slingerbeweging tussen wel en niet vlees eten. Het was zoiets als stoppen met roken. Maar die slinger is niet iets wat mensen nastreven; eigenlijk willen ze rechtlijnigheid. Dus ben ik de wijde wereld ingetrokken, op zoek naar alles wat er te weten valt over de vleesindustrie. Ik heb ook proberen te achterhalen wat mijn eigen instincten zijn, wat ik goed vind en wat niet. Bij het begin van mijn ‘odyssee’ had ik geen flauw benul hoe lang die reis zou duren. Uiteindelijk heb ik er vier jaar over gedaan. In het begin wist ik zelfs niet dat het resultaat dit boek zou zijn. Het uitgangspunt om mijn zoektocht door de vleesproducerende industrie te starten was de gezondheid van mijn zoon. Dat was toen het allerbelangrijkste. Als ik had ontdekt dat de industrie op een fatsoenlijke manier met dieren omgaat en dat vlees eten gezond is, was ik er waarschijnlijk snel mee gestopt.”

Bio-industrie

Jonathan Safran Foer nam twee researchers in dienst en zocht contact met dierenrechtenactivisten die hem toegang konden helpen verschaffen tot de fabrieken en terreinen van grote vleesproducenten. Foer: “Het schrijven van Dieren eten was een waanzinnig avontuur. Ik heb krankzinnige dingen gedaan. Ik heb nooit de wet overtreden, maar ik ben inderdaad wel midden in de nacht boerderijen binnengedrongen met ervaren activisten. De veeteelt in Amerika hult zich in geheimzinnigheid. Je kunt als leek geen enkele boerderij bezoeken die op een industriële wijze vlees produceert. Ze hebben teveel te verbergen. Ze vertrouwen geen nieuwsgierige consumenten. Ik heb stapels brieven geschreven naar vleesfabrikanten met de vraag of ik hun boerderijen mocht bezoeken en met hun vertegenwoordigers kon spreken. De aanhef van die brieven was altijd dezelfde: ‘Ik ben sinds kort vader geworden en wil graag zoveel mogelijk te weten komen over de vleesindustrie, zodat ik goed geïnformeerd kan beslissen wat ik mijn zoon te eten wil geven.’ Ik kreeg geen antwoord. Dus nam ik op een bepaald moment het heft zelf in handen.”

En zo drong u op een nacht binnen in die kalkoenkwekerij in Californië.

FOER: Wat ik daar gezien heb, was afschuwelijk. Het was een bedrijf bestaande uit zeven loodsen van 130 meter breed en 150 meter lang, met in elke loods 25.000 vogels. We stapten binnen in zo’n loods en het eerste wat me opviel was dat ze middenin de nacht baadde in het licht. Tienduizenden kuikens zaten er opeen geperst onder een paar verwarmingslampen. Die dienden als surrogaat voor hun moeders. Tussen de levende dieren lagen her en der dode exemplaren. Ze zaten onder het bloed en onder de zweren. Neem 100 willekeurige Amerikanen en breng hen naar een van de boerderijen waar op een industriële wijze vlees geproduceerd wordt; ik ben er zeker van dat 95 mensen zullen zeggen: ‘Ik wil dit vlees niet meer. Hier wil ik niet langer mijn geld aan spenderen.’ Er bestaat een heel brede consensus dat het verkeerd is om wreed te zijn tegenover dieren. Alleen schijnt bijna niemand te weten hoe het er in de bio-industrie werkelijk aan toegaat. Door Dieren eten te schrijven, heb ik geprobeerd om die werkelijkheid zichtbaar te maken, in de hoop dat het boek een aantal mensen zal overtuigen hun voedingsgewoonten drastisch aan te passen.

Het was voor uzelf ook een schok om te ontdekken hoe het er in de bio-industrie aan toegaat?

FOER: Het was niet echt een schok om te ontdekken dat wreedheid jegens dieren in de bio-industrie voorkomt, het was schokkend om erachter te komen dat het overal is. Ik wist wel dat een aantal bedrijven niet deugt, maar ik wist niet dat letterlijk meer dan 99% van de Amerikaanse vleesbedrijven ware folterkamers zijn. Al het vlees dat je bij ons in de supermarkt kunt kopen en dat je in restaurants op je bord krijgt, komt van industriële boerderijen waar dieren op een wrede wijze behandeld worden. De bio-industrie streeft niet naar maximaal welzijn voor de dieren, maar naar maximaal rendement. Met als gevolg dat dieren in te kleine of overvolle hokken gehouden worden, dat ze herleid worden tot broedmachines en dat ze volgepompt worden met geneesmiddelen om te voorkomen dat ze te vroeg het loodje leggen.

Westerlingen eten massaal veel vlees, zeker de Amerikanen. Die gewoonte is relatief nieuw. Elke Amerikaan eet nu honderd keer meer vlees dan een eeuw geleden. Als het vijf of tien keer meer zou zijn, zou dat al een hele ‘prestatie’ zijn. Maar honderd keer? Die ongebreidelde consumptie is de motor achter de boomende bio-industrie. We weten niet meer waar ons voedsel vandaan komt, maar we staan er wel op dat het goedkoop geproduceerd wordt. Met alle gevolgen van dien. In de voorbije vijftig jaar steeg de prijs van een huis met bijna 1500 % en werd een nieuwe auto ruim 1400 % duurder. De prijs van het kippenvlees is in die tijd niet eens verdubbeld. Dat hebben we te ‘danken’ aan de bio-industrie. Zij heeft varkens, kippen en koeien gereduceerd tot producten die zo goedkoop en massaal mogelijk ‘geproduceerd’ worden. Onze oplossingen om het voedsel veiliger te maken, bestaan voornamelijk uit het gebruik van chemicaliën om alle virussen en bacteriën te doden. De USDA, het Amerikaanse ministerie van Landbouw, is niet alleen verantwoordelijk voor het opstellen van voedingsrichtlijnen, maar ook voor het promoten van de Amerikaanse landbouwindustrie. Zelfs zij stelt dat we 40% teveel vlees eten. We zijn er verslaafd aan geraakt. Dat is geen toeval. Fastfood wordt opzettelijk geproduceerd met zoveel mogelijk vetten en koolhydraten. Veel gewone Amerikanen hebben geen toegang tot kwaliteitsvol voedsel. De industriële productie zorgt voor ongezond vlees. Af en toe zijn er mensen die serieuze gezondheidsproblemen krijgen door het eten van vlees en daardoor voor de rest van hun leven in een rolstoel belanden. Maar veel beangstigender is dat ontelbaar veel mensen er voedselvergiftiging door krijgen. Elk jaar lopen 76 miljoen Amerikanen een vergiftiging op door het eten van vlees. En dan is er de overduidelijke link tussen de bio-industrie en pandemieën. De belangrijkste voorganger van de varkensgriep ontstond in North Carolina, de staat met de meeste varkensmesterijen van de VS, en verspreidde zich toen razendsnel over Noord en Zuid-Amerika en zo verder over de rest van de wereld. In theorie wordt de Amerikaanse vleesverwerkende industrie gescreend. Maar in de praktijk wordt er zoveel vlees geproduceerd dat niemand er nog enige controle over heeft.

Vegetariër

Dus is het volgens u verstandiger om vegetariër te worden. Is het dan niet zo dat vegetariërs op lange termijn ook gezondheidsproblemen kunnen krijgen door een vitaminetekort?

FOER: In het begin van mijn zoektocht voerde ik vooral gesprekken met voedingsdeskundigen. Ik heb toen niemand gevonden die stelde dat vlees eten een noodzakelijk onderdeel van een gezond dieet is. Als je dieren eet die op een fatsoenlijke manier behandeld zijn, goed voedsel gekregen hebben en niet vol hormonen of antibiotica gepompt zijn, kan vlees natuurlijk wel gezond zijn. Maar je hebt het niet echt nodig. Er is een tijd geweest dat deskundigen beweerden dat vegetariërs op lange termijn gezondheidsproblemen ontwikkelen, maar nu zijn ze het erover eens dat dat niet zo hoeft te zijn. De American Dietetic Association is voor de VS dé standaard als het op gezonde voeding aankomt. De instelling heeft geen politieke agenda en stelt onomwonden dat een vegetarisch dieet minstens even gezond is als een dieet waar vlees een vast onderdeel van vormt. Volgens hen zijn vegetariërs met een uitgebalanceerd dieet zelfs gezonder. Niet alle studies komen tot eensluidende conclusies, maar niemand heeft ooit kunnen ontkennen dat vegetariërs langer leven. Dat geldt niet alleen voor Amerikanen, maar voor vegetariërs uit alle culturen en sociale klassen, waar ook ter wereld. Ik vind dat een overtuigend argument dat vegetarisme gezonder is. Daar komt bij dat al dan niet vlees eten ook vanuit ecologisch standpunt een belangrijke ethische kwestie is. Je hoort daar bijzonder weinig over, maar de veeteelt is de hoofdoorzaak van de klimaatverandering. Ze is verantwoordelijk voor 18% van de totale CO2-uitstoot. Diereneters stoten dan weer zeven keer zoveel broeikasgassen uit als vegetariërs. Volgens de Verenigde Naties is de veeteelt niet alleen hoofdverantwoordelijke voor de klimaatverandering, maar ook voor verschraling, luchtvervuiling, waterschaarste, watervervuiling en afnemende biodiversiteit. Steeds meer mensen raken ervan overtuigd dat we ingrijpende maatregelen moeten nemen om de klimaatverandering tegen te gaan, maar hun voedsel laten ze daarbij buiten beschouwing. Oké, ik begrijp waarom. Ze willen wel over het milieu nadenken, maar ze zijn nog niet bereid om daar hun eetgewoonten in te betrekken. Dat is niet gemakkelijk. Misschien is het verstandiger om milieubehoud voor te stellen als een set van keuzes: laat ik de lichten aan als ik de kamer uitstap, of doe ik ze uit? Koop ik een efficiënte auto of een benzinezuiper? Neem ik het vliegtuig, ook al weet ik dat vliegen catastrofaal is voor het milieu? Niemand is een perfecte ecologist. Maar dat wil niet zeggen dat we niet moeten proberen om betere keuzes te maken. De discussie over voedsel en over het eten van vlees voeren we best op juist dezelfde manier. We moeten afstappen van de absolutistische taal. Het gaat niet over alles of niets. De meeste mensen zitten ergens in het midden, en ze willen echt wel meer doen, maar ze slagen er niet altijd in.

Dat is meteen ook het grootste verwijt dat u van diehard vegetariërs krijgt: u bent een bourgeoisvegetariër die ermee kan leven dat mensen dieren eten die op een ‘fatsoenlijke’ manier gekweekt en geslacht zijn.

FOER: ‘Vegetarisme voor iedereen’ werkt niet. Ik wil niemand dwingen om vegetariër te worden, en ik raad mensen inderdaad aan om vlees te eten dat afkomstig is van bonafide boerderijen. Daarover verschil ik van mening met diehard vegetariërs. Maar dat is slechts een zeer klein onderdeel, want over 95% van de zaak zijn we het eens. Als we een mentaliteitswijziging willen bewerkstelligen, lijkt het me veel verstandiger om ons te concentreren op die 95%. Door te blijven verkondigen dat vlees eten helemaal uit den boze is, schrikken we mensen af en blijft vegetarisme een elitaire bezigheid voor een kleine groep mensen. Zo werkt het toch? Als je voortdurend met een belerend vingertje staat te zwaaien, krijg je het tegengestelde effect. Misschien zit er hypocrisie in wat ik schrijf. Al vind ik zelf van niet. Ik maak me zorgen over het welzijn van dieren, het welzijn van mensen en over de staat van ons leefmilieu. Als je daar verbetering in wil, moet je een beetje flexibel zijn. Ik krijg soms snoeiharde kritiek op dit boek. Ik was me ervan bewust dat het heel controversieel zou zijn, en dat mensen me zouden verfoeien terwijl ze het aan het lezen zijn. Sommigen vinden mijn stijl vervelend, anderen vinden me sowieso een zeurpiet, maar niemand vindt dat het er niet toe doet. Niemand zegt: ‘Waar heeft die Jonathan Safran Foer nu zijn tijd in gestoken?’ Wat ik aankaart, gaat over universele waarden. Dat wordt door iedereen erkend. Schrijvers hebben trouwens altijd al ferme standpunten ingenomen. Vooral over politieke issues, zeker in Europa. In Amerika is die traditie een beetje verdwenen. Een van de taken van een schrijver is om empathie bij de lezer uit te lokken: hem vragen dat hij zorg draagt voor dingen die niet direct van hemzelf zijn.

Bent u het eens met de titel van een oud liedje van The Smiths: ‘Meat is murder’?

FOER: Het hangt ervan af hoe je moord definieert. Om aan vlees te geraken, moet je natuurlijk een dier doden. Maar dieren zijn geen mensen. We zien onze honden en katten als onze beste vrienden, en dat is natuurlijk een vergissing. Je moet niet van boerderijdieren houden; je mag ze best anders behandelen dan gedomesticeerde dieren. Je mag ze alleen niet haten. Je hoeft ze zeker niet te behandelen als mensen, zelfs niet als huisdieren, maar gewoon als levende wezens.

Als we echt iets willen doen aan de CO2-uitstoot zouden we volgens sommigen ook beter onze eigen honden en katten opeten.

FOER: De hond opeten, gaat te ver voor mij. Al som ik in mijn boek wel alle argumenten op waarom we wel of niet onze hond zouden moeten opeten. (lacht) Je kunt je afvragen of honden echt wel zo intelligent zijn – misschien zijn varkens veel slimmer. Die beesten kunnen niet op de achterbank van de auto springen, maar ze kunnen wel rondrennen, spelen, apporteren en ze reageren ook als je ze aait. Dus waarom moeten zij onder het mes en de hond niet? Waarom mag hij wel op het tapijt voor de haard komen liggen? Ik heb zelf een hond en ik zou hem voor geen goud willen missen. (cynisch) Er zijn trouwens nog manieren om iets aan de klimaatverandering en de milieuverontreiniging te doen. Bijvoorbeeld: jaag de helft van de wereldbevolking over de kling.

Zou u zelf een dier kunnen doden?

FOER: Ik heb nog nooit een dier gedood, maar als het moet zou ik dat wel kunnen. Je weet nooit in wat voor een situatie je ooit terecht komt. Een dier kunnen doden, bewijst niets. Sommige vegetariërs stellen: ‘Als je een dier wil eten, moet je ook bereid zijn om het zelf te doden.’ Ik vind dat een rare redenering. Ik eet nu helemaal geen vlees meer. Ook geen dieren die op een verantwoorde manier gekweekt zijn en een fatsoenlijk leven gehad hebben. Ik heb echt problemen met de hele vleesindustrie in mijn land. Ik wil daar op geen enkele manier deel van uitmaken. Ik geloof ook niet dat de bio-industrie op een of andere manier gered kan worden. Er moet een totaal nieuw systeem op poten gezet worden. We moeten weg van die grote industriële boerderijen naar kleine, diervriendelijke boerderijen. Naar het soort van boerderijen dat we vijftig jaar geleden in Amerika hadden. Als alle boerderijen zo zouden zijn, had ik mijn boek nooit geschreven. Is dat nostalgie? Nu kan zoiets nooit werken, dat is juist. Je kunt negen miljard mensen die als Amerikanen eten, nooit van vlees voorzien dat op kleine schaal gekweekt is. Want dat is wat nu aan het gebeuren is: de wereldbevolking is aan een inhaalbeweging bezig. Elke Amerikaan eet jaarlijks gemiddeld bijna dertig exemplaren gevogelte. Als de wereldbevolking ons voorbeeld volgt, eten we straks met z’n allen 165 miljard kippen per jaar. In China en India groeit de pluimvee-industrie sinds de jaren tachtig jaarlijks tussen de 5 en 13%. Dat is een heilloze weg. Er is maar een mogelijke oplossing: we moeten onze eetgewoonten drastisch veranderen. De enige manier om onze planeet te redden, is een globale beweging in de richting van het vegetarisme. We moeten dus dringend nadenken over hoe we niet alleen anders moeten gaan leven, maar ook anders moeten gaan eten. Er is geen reden om aan te nemen dat we dat niet zouden kunnen. Kijk maar naar het roken: tot voor een paar jaar was dat hip, nu is het not done en zweren steeds meer mensen de sigaret af. Of denk aan alcohol en autorijden. Vroeger maakte niemand er een punt van dat je met een paar glazen op achter het stuur kroop. Nu is dat een taboe. Op dezelfde manier moet er gesensibiliseerd worden rond vlees: we zullen er veel en veel minder moeten van gaan consumeren. Ondertussen kunnen we onze hoop vestigen op kleine boerderijen. Ze zijn veel beter voor het milieu en voor dieren. Maar ik ben niet naïef: de wereld zal zich morgen niet massaal tot het vegetarisme ‘bekeren’.

Uw twee kinderen eten nu geen vlees. Wat als ze later zouden beslissen om toch af en een toe een sappige biefstuk op hun bord te leggen?

FOER: Dat zal dan hun beslissing zijn. Waarschijnlijk zullen ze later nog veel andere beslissingen nemen waar ik het absoluut niet eens mee kan zijn. Maar het is niet mijn bedoeling om kleine replica’s van mezelf te creëren. Mijn doel is om mijn kinderen op te voeden tot volwassenen die in staat zijn om de juiste keuzes te maken. Misschien zullen die anders zijn dan die van mij, ik hoop alleen dat ze altijd zullen beseffen dat sommige keuzes die ze maken, serieuze gevolgen kunnen hebben.

Jonathan Safran Foer, Dieren eten, Ambo/Manteau, Amsterdam, Antwerpen, 336 blz., 19,95 euro.

 

©Jan Stevens