Andere tijden

Er waren verzachtende omstandigheden. Mijn moeder heeft haar vader nooit echt gekend. In 1942 maakte hij op een blauwe maandag in januari een einde aan zijn leven. Hij was amper 34 en liet een weduwe van 35 met vijf kleine kinderen achter. Ik kende mijn grootmoeder als een keiharde tante. Over haar man heb ik haar nooit iets horen zeggen. Ook zijn kinderen zwegen over hem. Ik wist alleen dat hij gokschulden had en vermoedelijk daarom uit het leven stapte. Nee, mijn moeder beleefde geen gelukkige jeugd. Tenminste, dat denk ik, want veel heeft zij daarover nooit verteld.

Mijn moeder worstelde met de druk van haar gezin, haar man en drie kinderen. Tenminste, ook dat denk ik, want een écht gesprek is daar nooit over gevoerd. Maar als kind zag en ervoer ik de fall-out van die worsteling met haar dagelijkse bestaan.

Zo was er die vrijdag, begin jaren zeventig. Ik was een jaar of tien. Het moet een vakantiedag geweest zijn, want iedereen was thuis. Onze ouders maakten ruzie, zoals in die tijd bijna dagelijks gebeurde. Moeder slingerde verwijten naar het hoofd van vader. Hij incasseerde. Die vrijdagmorgen slikte ze voor onze ogen een heel doosje Temesta, een slaap- en kalmeringsmiddel. Niet veel later wankelde ze door het huis. Het beeld van hoe ze de trap opkroop, richting slaapkamer, is voor altijd op mijn netvlies gebrand. “Dood is dood”, murmelde ze.

In het ziekenhuis werd haar maag leeggepompt en vandaar verdween ze voor een paar maanden in een psychiatrisch ziekenhuis. Ik werd ondergebracht bij het gezin van een van haar zussen. Daar at ik voor het eerst in mijn leven spaghetti en ontdekte ik dat er ook ouders waren die hun kinderen niet sloegen.

“De woorden ‘vader’ en ‘moeder’ blijven voor slachtoffers van kindermishandeling altijd een emotionele bijklank hebben”, zegt kinderpsychiater Peter Adriaenssens. “Want dat zijn de woorden waarvan je voelt: ‘Die heb ik niet gehad.’”

Ik interviewde Peter Adriaenssens samen met Hilde Van Mieghem op een maandagavond in februari 2020. Aanleiding was Van Mieghems tv-reeks over kindermishandeling Als je eens wist. Het weekend daarvoor had ik alle afleveringen gebingewatcht en ik lag in duizend scherven. Aan het begin van het interview zei ik dat ook ik ervaringsdeskundige ben. Alles wat Adriaenssens die avond vertelde, klonk gruwelijk herkenbaar.

Het zweepje

“Onze Jan is geschikt voor het hof van de koning. Een flemer in het gezicht, maar pas op als hij uit uw zicht is.” Zo waarschuwde mijn moeder de klastitularis van het eerste middelbaar voor zijn nieuwe leerling. In de jaren ervoor corrigeerde ze al mijn ‘misstappen’ kordaat en consequent met een stevig pak slaag. Vaak was een vallend bord of glas al voldoende, of een cijfer in het rood op een schoolrapport. Een groot rekenwonder was ik niet en als onhandige kluns glipte er veel uit mijn handen. Ze barstte dan uit in een colère, nam haar klomp of schoen, ging schrijlings over me zitten en sloeg. Haar harde slagen afweren, was het enige wat ik kon doen. Ze sloeg tot haar woede enigszins bekoelde. Er volgden extra straffen: “Zonder eten uw bed in.” Of: “Geen tv voor u. Een hele week om zeven uur in uw nest.”

Uit schrik voor wat me thuis te wachten stond, vervalste ik een handtekening op een rapport. Het zag er vreselijk knullig uit en ik liep snel tegen de lamp. Die avond ging ze in overdrive.

Vader liet begaan. Als hij van de fabriek terugkwam, kreeg hij een uitvoerig relaas van wat ik die dag had uitgespookt. Soms eiste ze van hem dat hij haar werk overdeed. Hij sloeg dan pro forma: minder hard en minder raak.

Soms was ik ziek en dan veranderde ze in Florence Nightingale. Ze vertroetelde me en op die momenten leek ze de liefste moeder van de hele wereld.

In het tweede jaar van de humaniora hield het slaan abrupt op, nadat ik met een gehavende neus op school verscheen. “Van de trap gevallen”, was mijn excuus.

Ach, misschien was ik wel een vreselijke kleine etter of een onhandelbaar joch. Ik was een jaar of zes toen moeder bij de huisdokter haar beklag over mij deed. De weldoorvoede man zat in zijn keurig kostuum aan de keukentafel, de stethoscoop bungelend over zijn buik. “Misschien moet je eens een zweepje proberen”, adviseerde hij haar. “Leg wat knopen in een touw.” Een tijdlang lag het zweepje op doktersvoorschrift op de hoge keukenkast. Daarnaast stond de bokaal met levertraan voor de dagelijkse eetlepel. Naast haar woede, handen, schoenen en klompen, vreesde ik die twee dingen het meest.

It never happened

“Toen onze Jan pas geboren was, leek hij net een aap.” Ik heb drie zonen, inmiddels twee prille dertigers en één late twintiger. Toen zij pas geboren waren, waren ze de mooiste baby’s op aarde. Door zelf kinderen te krijgen, begreep ik nóg minder van al dat ouderlijk geweld. De relatie met mijn ouders kwam nooit meer echt goed. Moeders zestigste verjaardag eindigde in een knallende ruzie over ‘de tijd van toen’. In haar herinnering leek alles gewist.

Een paar jaar lang kwam ik er niet meer over de vloer. Een paar jaar lang knaagde het schuldgevoel. Ik herstelde het contact, maar niet veel later ging ik compleet onderuit. Eind 2004 belandde ik in een depressie van hier tot in Tokio. Mijn huisgenoten, antidepressiva en een psychiater hielpen me uit de put.

“Ga met je ouders praten over wat er gebeurd is”, zei de psychiater. “Het kan inzicht brengen.” Zij luisterden en leken uit de lucht te vallen. Alsof het geheugen van mijn moeder selectief gewist was. Misschien had ze heel af en toe wel eens een pedagogisch tikje uitgedeeld, maar zeker niets meer. Mijn vader waste zijn handen in onschuld. Nooit had hij er iets van gemerkt. Nooit. It never happened. Maar ondanks al mijn ‘valse’ aanklachten, werden ze toch niet boos.

Een tijdlang geloofde ik dat ik met het ouderlijk geweld uit mijn jeugd ‘afgerekend’ had. Maar op de meest onverwachte momenten halen de demonen me in. Als ik naar Hilde Van Mieghems eerste reeks Als je eens wist kijk. Als ik twee progressieve partijvoorzitters op Terzake hoor bakkeleien over kindermishandeling. Als iemand me een horrorverhaal vertelt over een kind in lockdown bij een gewelddadige (stief)ouder. Dan krimpt mijn maag samen en sluipt er een overweldigende droefheid bij me naar binnen.

“Na zoveel jaren in problematieken zoals kindermishandeling ondergedompeld te zijn, kan ik geen geweld in films meer zien”, bekent Peter Adriaenssens. Het klinkt bizar genoeg als een troost. “Ik word ziek van verzonnen geweld”, zegt hij. “Films bulken daarvan. Mijn dochter en haar man zijn allebei acteurs. Zij weten dat. Mijn schoonzoon zegt dan: ‘Peter, ik ben aan het repeteren voor een stuk waarnaar jij beter niet komt kijken.’”

We lachen de spanning weg.

Toen tijdens die eerste lockdown alle scholen dicht waren en we verplicht werden opgehokt, dacht ik vaak: hoe moet dit nu zijn voor kinderen met gestresseerde gewelddadige ouders? Die gedachte ontredderde me. “Nee, die maakte je kwaad”, corrigeert Peter Adriaenssens. “Kwaadheid is de moeilijkste emotie voor wie zelf mishandeld is. ‘Ze waren weer kwaad.’ Jij hebt nooit een goede manier geleerd om kwaad te zijn, want dat bracht je in gevaar. In deze tijden van lockdown krijgen Vertrouwenscentra Kindermishandeling tot 20 % meer meldingen dan normaal.” Ik huiver. “Maar niet al die meldingen ontsporen tot zware gevallen van mishandeling”, relativeert hij. “Nederlandse onderzoekers wijzen erop dat vandaag heel veel volwassenen onder zware stress gebukt gaan. Ze moeten thuiswerken en tezelfdertijd op hun kinderen letten die online aan het studeren zijn. Ouders die in gewone omstandigheden nooit over de rode lijn gaan, doen dat nu wel. Van zodra alles terug begint te normaliseren, zijn zij wellicht de eersten om te beseffen dat ze te ver gingen.”

Een beschuldigende vinger helpt hen niet veel verder? Peter Adriaenssens: “Nee, naar hen moeten we de hand uitsteken. Niet om ze naar een Vertrouwenscentrum Kindermishandeling te sturen, maar om hen er op te wijzen dat ze er zeker iets aan moeten doen. Het is belangrijk dat we daders de kans geven om te erkennen dat ze over de schreef gegaan zijn. Want het maakt een enorm verschil als vader of moeder een paar weken later tegen de kinderen durft te zeggen: ‘Ik had niet zo uit mijn krammen moeten schieten, ook al had ik het toen niet gemakkelijk.’ Vroeger geraakten de daders er altijd mee weg. Nu proberen we de slachtoffers erkenning te geven. Maar het blijft moeilijk om daders tot het inzicht te brengen zich te laten helpen. Ze hebben schrik om in een procedure terecht te komen, gestraft te worden en zo hun reputatie om zeep te zien gaan.”

Levenslang

Ik ben 57 en de laatste jaren groeit het onbehaaglijke gevoel dat ik ‘levenslang’ gekregen heb. Toen ik dat vorig jaar op die maandagavond tijdens dat interview tegen Peter Adriaenssens en Hilde Van Mieghem zei, reageerde mede-ervaringsdeskundige Hilde fel. “Ik verzet mij met hand en tand tegen dat vonnis van levenslang”, zei ze. “Dan kan ik er net zo goed zelf een einde aan maken.” Ik begrijp dat zij zich daartegen verzet en ik probeer dat ook, maar het lukt niet echt. Ook niet bij haar vermoed ik, want ze voegde er meteen aan toe: “Wel levenslang is die diepe eenzaamheid. Die gaat nooit helemaal weg.”

Die levenslange strijd met dat verleden, is volgens Peter Adriaenssens typisch voor ‘verstandige kinderen’. Het klinkt als een schrale troost. “Je verstand laat geen simpele oplossingen toe”, zegt hij. “Dat maakt een groot verschil. Je hebt geen boodschap aan sussende berichten als: ‘Denk aan de toekomst’ of: ‘Wees positief.’ Tijdens de adolescentie leren de emotionele zone en de wijsheidszone in je hersenen evenwichtig samenwerken. Als het emotiecentrum in de jaren daarvoor heel zwaar getriggerd geweest is, blijft het altijd moeite kosten om dat terug tot rust te brengen. Het intelligente centrum in je brein kún je niet tot een machtsovername dwingen, hoe graag je dat ook zou willen. Sommigen beweren dat ze nooit meer denken aan wat hen als kind overkwam. Zij hebben recht op die oplossing, al weet ik niet of ze beter af zijn door die deur naar het verleden radicaal te sluiten. Want zo gooien ze ook andere deuren dicht. Van hun kinderen hoor je dan vaak: ‘Over papa’s jeugd mogen we nooit praten. Ik weet niets van mijn vader.’”

Een beetje verstand hebben, kan dus pijn doen. “Maar dan volgt er vaak ook post traumatic growth (PTG)”, zegt Adrianssens. “Vrienden zullen dan sneller in jou een luisterend oor herkennen. Onbewust voelen ze aan dat jij iets ernstigs hebt meegemaakt, en ze vertellen hun traumatische verhaal aan jou. PTG wil zeggen dat jij in het zijspoor van die pech positieve talenten ontwikkeld hebt. Je kan luisteren en begrip opbrengen voor de nood en problemen van anderen. Door die talenten verder te ontwikkelen, help je jezelf ook verder.”

Soms twijfel ik aan mezelf en is het alsof de waanzin om de hoek loert. Blaas ik mijn herinneringen op? Maak ik van een welverdiende oorveeg een obese olifant? Gaat mijn fantasie met mijn verstand aan de haal? Is er eigenlijk ooit wel iets gebeurd?

IJdele hoop

Mijn vader stierf in januari 2009. Ik voelde geen rouw of verdriet. Behalve schuldgevoel omdat ik niets voelde, voelde ik niets. “Dat komt nog wel”, dacht ik. Maar tot hiertoe kwam het niet.

Moeder leeft nog. Heel lang bezocht ik haar plichtsbewust om de paar weken. Een jaar geleden brak ik na een incident totaal met haar. Nu knaagt opnieuw dat schuldgevoel. Niet omdat ik met haar brak, maar uit een soort van medelijden, want ze is oud en ziek. Misschien knaagt het ook omdat ik blijf hopen dat ze ooit zal toegeven: “Wat er vroeger gebeurd is, was niet oké.” Al is dat wellicht ijdele hoop.

“Het verschil is immens als de dader de uitgestoken hand van het slachtoffer aanvaardt”, zegt Peter Adriaenssens. “Kinderen bij mij in de praktijk zeiden soms: ‘Ga maar praten met moeder. Je overtuigt haar toch niet.’ In het begin dacht ik: ‘We zullen wel eens zien. Ik heb daar een opleiding voor gevolgd.’ Om vervolgens te ondervinden dat die kinderen tientallen, nee honderden keren vergeefs hadden geprobeerd. En dat het inderdaad niet veel zin had om als therapeut te zeggen: ‘Ik zal wel eens met je moeder gaan praten.’ Op een bepaald moment kun je dan als kind van die ouder tot het weloverwogen besluit komen: ‘Ik heb alles gedaan om haar of hem te bereiken. Ik verbreek nu alle banden.’ Innerlijk heb je dan al veel eerder afscheid genomen.”

Die banden zijn verbroken, maar nu is er de angst voor wat er met mij zal gebeuren als ze sterft.

Erover schrijven is volgens Peter Adriaenssens geen slecht idee. “Want je beschrijft het dan voor de volgende generatie. Het is goed om na te denken over waar het bij jou misging. Je vraagt je af waarom jouw moeder over de schreef ging, kijkt terug naar je verleden, naar wat jij hebt meegemaakt en je pogingen om het te verwerken. Jouw kinderen moeten dan niet meer vanuit het onbekende starten. Het is goed dat ze weten wat jou overkomen is.”

www.echo-lotgenotenwerking.be

© Jan Stevens

“We sluiten onze ogen voor kindermishandeling”

Kindermishandeling is volgens de Nederlandse minister van Volksgezondheid ‘het grootste geweldprobleem van Nederland’. Daarom stelde hij onlangs een gespierd plan voor om huiselijk geweld drastisch aan te pakken. Hoe groot het probleem bij ons is, weet niemand. “Het maakt mensen – inclusief onze politici – bang.”

 

“Nederlanders treden graag harder op dan wij”, zegt Pascale Franck, criminoloog en coördinator van het Family Justice Center (FJC) Antwerpen. “Maar of ze betere resultaten halen, is nog maar de vraag.” Nochtans overlegt Franck regelmatig met de medewerkers van de Nederlandse minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge over de aanpak van familiaal geweld. “Dat komt omdat onze noorderburen erg geïnteresseerd zijn in ons FJC, waar alle diensten rond thuisgeweld verzameld zijn op één locatie. Dat willen ze graag kopiëren.”

Vorige maand stelde minister De Jonge zijn nieuwe stevige plan voor. De maximumstraf en verjaringstermijn voor stelselmatige kindermishandeling worden in Nederland verhoogd, er zal keihard opgetreden worden tegen begeleiders die kinderen onder hun hoede mishandelen en ouders met losse handjes krijgen sneller dan ooit een thuisverbod opgelegd. De Jonge noemt kindermishandeling en partnergeweld ‘het grootste geweldsprobleem van Nederland’. “Het gaat jaarlijks over 119.000 kinderen die slachtoffer zijn van kindermishandeling en 200.000 volwassenen die te maken hebben met huiselijk geweld”, zei hij in het praatprogramma Pauw. “Thuis zou veilig moeten zijn, terwijl het vaak een onveilige plek is. Dat moéten we doorbreken.”

Begin april maakte Hulplijn 1712, de telefoondienst van de Vlaamse overheid voor burgers met vragen over geweld, haar statistieken van 2017 bekend. 62 procent van de 4.812 oproepen ging over kindermishandeling; 14 procent over partnergeweld. Ook bij ons lijkt familiaal geweld in aanmerking te komen voor een eerste plaats in de geweldshitparade. Maar de juiste omvang van het probleem kennen we niet. Pascale Franck: “Tot hiertoe is er in Vlaanderen geen groot significant onderzoek naar kindermishandeling gevoerd. Dat is jammer, want als je als overheid thuisgeweld goed wil aanpakken, moet je eerst weten wat er aan de hand is. Maar het maakt mensen, inclusief onze politici, bang. Dus sluiten ze liever de ogen.”

Franck heeft dertig jaar ervaring in de aanpak van familiaal geweld en is een van de drijvende krachten achter de nieuwe Family Justice Centers. “In een FJC zitten onder andere politie, justitie, jeugdzorg en het OCMW op één plek. In het verleden verliep de samenwerking tussen die diensten niet vlot. Als vroeger bij een acuut geval van familiaal geweld de onderzoeksrechter op vrijdagnamiddag besliste om de pleger zonder voorwaarden vrij te laten, konden de slachtoffers enkel bang afwachten. Nu schiet meteen ons hoog-risicoteam in actie. Zij vragen een preventief huisverbod aan, schakelen een vluchthuis in of spreken af met meneer dat hij voorlopig niet thuis blijft wonen. Sinds eind vorig jaar wordt in alle regio’s gewerkt aan de opstart van hoog-risicoteams en drie Vlaamse steden hebben intussen een volwaardig FJC: Antwerpen, Hasselt en Mechelen.”

 

Hebt u de indruk dat familiaal geweld toeneemt?

Pascale Franck: “Nee, maar er zijn wel meer meldingen. Dat wil zeggen dat het bespreekbaarder geworden is. Wat wel opvalt, is dat de aard van de meldingen zwaarder wordt en de kloof tussen rijk en arm groter. Gezinnen in armoede zijn geïsoleerd en hebben geen netwerk waarop ze terug kunnen vallen. Die omstandigheden zorgen ervoor dat de ouders makkelijker hun toevlucht nemen tot geweld.”

 

Enkel in de provincies Antwerpen en Limburg zijn FJC’s opgericht. Wil dat zeggen dat een West-Vlaams kind op dit moment slechter beschermd is bij kindermishandeling dan een Antwerps kind?

“Eigenlijk wel.”

 

Slaan om goed te doen

Kristof Desair is coördinator van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) Vlaams-Brabant en directeur van het Vlaams Expertisecentrum Kindermishandeling. In de spreekkamers van het VK aan de Leuvense Justus Lipsiusstraat zag hij de voorbije twintig jaar veel gezinnen uit alle lagen van de bevolking passeren. “Onze eerste opdracht is zorgen voor veiligheid”, zegt hij. “Het geweld moét stoppen. Soms is het dan beter dat de geweldplegende ouder een tijd het huis verlaat.”

 

Hoe komen gezinnen bij jullie terecht?

Kristof Desair: “Door een buur, familielid of kennis die bij een kind signalen opvangt die aan kindermishandeling doen denken. Kindermishandeling gaat trouwens niet enkel over fysiek en psychisch geweld of seksueel misbruik, maar ook over kinderen die getuige zijn van partnergeweld. Na een melding sturen we een brief naar de ouders. ‘We maken ons zorgen en willen daar met u over praten.’ Acht keer op tien gaan ouders op onze uitnodiging in. Wij geloven niet dat ouders doelbewust hun kinderen willen kwetsen of vernederen. Kindermishandeling is vaak een foute manier van hen om met stress en frustraties om te gaan. Maar ook al gebeurt het maar één keer, voor een kind kan het zeer ingrijpend zijn.”

 

Kinderen zijn loyaal ten opzichte van hun ouders. Ze wijzen zelden met een beschuldigende vinger naar de mishandelende ouder. Is dat problematisch?

“Loyauteit hoeft niet meteen een probleem te zijn. Integendeel, die natuurlijke hechting tussen kinderen en ouders kan net het fundament zijn waarop wij herstel bouwen. Maar eerst zetten we alles op alles om het geweld meteen te stoppen. Daarna concentreren we ons op de factoren die aan de basis liggen van dat geweld. Alleen zo kunnen we herval vermijden. Dat is werk van lange adem. Moeten we het OCMW inschakelen om ouders die in geldnood zitten er financieel weer bovenop te helpen? Doen we beroep op een thuisbegeleidingsdienst om de ouders pedagogisch te ondersteunen? Verwijzen we ouders met psychische problemen door naar de psychiater? Last but not least werken we dan aan het herstel.”

 

Gebeurt het vaak dat een ouder uit angst, eigenbelang of lafheid niet ingrijpt als de partner een kind mishandelt?

“Als het over seksueel misbruik gaat, hoor je vaak: de moeder zal het wel geweten hebben. Terwijl we daar niet zo zeker van zijn. Soms hebben mensen het écht niet gezien. Dat andere cliché, dat daders vroeger vaak zelf slachtoffers waren, klopt dan weer vaak wel. Als wij aan ouders vragen of ze zelf in hun jeugd mishandeld zijn, is het antwoord dikwijls ja.”

 

Wat toch bizar is, want ze hebben het zelf aan den lijve ondervonden?

“Zeker. Verschillende keren heb ik al gehoord: ‘Jij zegt dat ik mijn kind fysiek mishandel, maar je zou eens moeten weten hoe het bij mij was, dát was pas mishandeling. Ik sla om goed te doen.’

Het fysieke en seksuele geweld wordt meer door mannen gepleegd. Toch hebben we niet het gevoel dat beduidend meer mannen daders zijn dan vrouwen. Vaak is het een gedeelde verantwoordelijkheid waarbij het gedrag van de ene ouder bepaald wordt door het gedrag van de andere.”

 

Hoe oud zijn de mishandelde kinderen?

“Het merendeel is tussen zes en twaalf. Maar we zien kinderen van nul tot achttien en soms zelfs ouder. Gezinnen komen hier gemiddeld tussen drie tot zes maanden over de vloer. We spreken hen dan wekelijks of om de twee weken. Af en toe praten we op school apart met de kinderen.

Onlangs kwam een jonge vrouw me opzoeken die ik gevolgd heb tussen haar zesde en negende. Ze wou haar verleden reconstrueren. Ze wist nog dat ze als kind bij mij geweest was, had de verhalen van haar ouders gehoord en wou een paar hiaten invullen.”

 

Dat wil zeggen dat de mishandeling uit haar jeugd ook in haar volwassen leven blijft nazinderen?

“Geweld in je jeugd heeft een serieuze impact. Wat niet wil zeggen dat je het als volwassene automatisch moeilijk zal hebben. In de jaren negentig is in de VS een groot onderzoek gestart naar de gevolgen van kindermishandeling op lange termijn, de ACE-study of Adverse Childhood Experiences. Er blijkt een heel sterk verband te bestaan tussen de negatieve jeugdervaringen van mensen en de psychische en lichamelijke klachten die ze als volwassene krijgen.”

 

 

 

 

Nadja Lievero (49): “Moeder greep nooit in”

 

“Zolang mijn moeder leefde, heb ik in het openbaar nooit iets over de geestelijke en lichamelijke mishandeling gezegd. Met alles wat ik nu weet, zou ik niet meer tot na haar dood wachten om mijn verhaal te vertellen. Want ik heb mezelf deze ellende niet aangedaan, maar zit nu wel met de shit.

Mijn moeder was op haar achttiende zwanger van mij en wist zogezegd niet wie de vader was. Ze trouwde met de man die mij als zijn wettige dochter erkende. Hij heeft me nooit geaccepteerd. Van toen ik kon lopen, kreeg ik slaag. Moeder werd ook door hem mishandeld. Veel later zei ze: ‘Wat moest ik doen? Waar kon ik naartoe?’

Samen kregen ze nog een dochter. Zij werd ook mishandeld, maar minder. Ik groeide op met de boodschap dat ik een bastaard was en nooit geboren had mogen worden.

Mijn zus zat in de kinderbox. Mijn wettelijke vader, want zo noem ik hem, sloeg me verrot en liet me alle hoeken van de kamer zien. Hij smeet me tegen de box en stampte me daarna de trap af, de kelder in. Daarna bolde hij het af. Mijn zus brulde tot de buren kwamen kijken.

Op een dag moest ik met een blauw oog naar school. Hij had me met mijn hoofd keihard tegen de kast geduwd. Ik zat in het tweede leerjaar en zei tegen de juf: ‘Ik moest van pa zeggen dat ik tegen de kast gelopen ben.’ Er gebeurde helemaal niets. Dat was in die tijd gewoon zo. Jaren later kwam ik te weten dat veel mensen grote vermoedens hadden over het geweld in ons gezin, maar nooit had iemand durven ingrijpen.

Ik kreeg slaag tot mijn ouders uit elkaar gingen. Ik was pas negen. Toen verscheen mijn stiefvader op het toneel. In het begin was hij een vriendelijke, lieve man. Na een tijdje begon hij me seksueel te misbruiken.

Op mijn zestiende liep ik weg bij mijn moeder en mijn stiefvader. Ik kon het misbruik niet meer aan. Het klinkt waarschijnlijk bizar, maar ik klopte bij mijn wettelijke vader en zijn vriendin aan. Bij de man dus die me jarenlang geslagen had. Dat was een vergissing van formaat, maar ik zag geen andere uitweg. Want begin jaren tachtig werd een opvangtehuis nog voorgesteld als ‘het verbeteringsgesticht’. Bij mijn wettelijke vader belandde ik van de regen in de drop. Naast de lichamelijke en psychische mishandeling begon ook hij me seksueel te misbruiken.

De directrice van de middelbare school had door dat er iets mis was. Zij nodigde me uit op haar kantoor en zorgde ervoor dat ik tijdens de turnlessen op therapie kon. Die woensdag ging ik voor het eerst naar een psycholoog. Hij vroeg 20 frank. Ik was zeventien en kon hem niet betalen. Toen ik thuis kwam, wist mijn wettelijke vader waar ik gezeten had. Ik vermoed dat die psycholoog hem gebeld had om zijn ereloon op te eisen.

In 1996 ben ik ingestort. Ik belandde in een zware depressie en werd opgenomen. Jarenlang had ik mezelf wijsgemaakt dat mijn moeder niets wist over het misbruik. Tot ik moest toegeven: natuurlijk wist ze het. Mijn man organiseerde toen een confrontatie met haar. Hij dacht dat het me zou helpen. Op mijn kamer gaf ze toe dat ze het altijd had geweten. Niet veel later riep ze me in de gang van het ziekenhuis toe: ‘Lui wijf, je zou beter voor je gezin zorgen.’ Ik heb haar daarna nooit meer gezien.”

 

 

 

Dirk Verbeeck (49): “Die loyauteit is zo raar”

 

“Mijn ouders pasten niet bij elkaar en maakten veel ruzie. Hun huwelijk eindigde in een vechtscheiding. Mijn moeder nam het me later kwalijk dat ik mijn vader nog graag zag. Ze gingen uit elkaar en vanaf dat moment kwam hij, mijn stiefvader, in ons leven. Hij stierf vijf jaar geleden; mijn moeder is nog maar pas overleden.

Ik ging als kind helemaal mee in moeders verhaal dat mijn vader slecht was en dat zij en haar nieuwe vriend John het beste met ons voorhadden. Moeder en John wilden een ‘perfect gezin’, dat hebben ze ooit zo gezegd. Dus voerden ze een verstikkend regime in. Mijn broer en ik werden strikt gecontroleerd. Telkens wanneer ik het voor mijn vader opnam, wees John me terecht. ‘Je ziet je moeder niet graag’, zei hij dan. ‘Ze is een heilige en je moet haar zo behandelen.’ Als we kattenkwaad uithaalden, noemde hij ons vlakaf: ‘Slechte kinderen.’ Hij richtte zijn pijlen vooral op mij, want ik was de oudste en die moest beter weten.

John had geld en nam ons mee op vakantie naar Spanje. Ik was dertien en had nog nooit gereisd. Moeder zei: ‘Vanaf nu is John vake.’ Dat overviel me, maar ik was voor het eerst van mijn leven in een ver buitenland en ik was gelukkig. ‘Vake’ was ontzettend dominant, wist feilloos onze zwakke plekken te vinden en buitte dat op een schaamteloze wijze uit. Voor de buitenwereld was hij de goedheid zelve. Hij kwam uit een extreemrechts milieu en stuurde ons naar het VNJ. Als puber ontwikkelde ik zo een afkeer tegen extreemrechts. Ik kocht soms De Morgen of Humo en dat vond hij verschrikkelijk. Dan mocht aan tafel tegen mij niet meer gesproken worden. Soms stonden er ’s morgens drie borden klaar in plaats van vier. ‘Wat heb ik nu verkeerd gedaan?’, vroeg ik dan. Ze negeerden me alsof ik lucht was.

Op een keer kroop John bij me in bed. Hij betastte me en dwong me tot seksuele handelingen met hem. Tot vandaag laat dat misbruik sporen na. Hij viel me lastig tot ik een jaar of zestien was.

Elk weekend moesten we naar zijn buitenverblijf. Uitgaan met vrienden was taboe. Elke zaterdag en zondag stond hij daar. Ik snap nog steeds niet waarom ik toen bleef zwijgen. Welke idioot laat zoiets toe? Ik was compleet in de war. Hij misbruikte me niet alleen seksueel, maar ook mentaal. Hij isoleerde en kleineerde me doelbewust. Ik was wat dikker en hij lachte me uit met zijn vrienden erbij. ‘Kijk, Dirk heeft tetjes.’ Als puber wil je zoiets niet horen.

Ik trok naar de universiteit en voelde me daar als een vis in het water. Op een ochtend kwam ik in de kamer en daar stonden weer drie borden op tafel. Ik belde een van mijn studiemakkers: ‘Kom me hier alsjeblief halen.’ Ik trok in bij mijn echte vader in Antwerpen. Een week later wou ik een gesprek met mijn moeder. ‘Ik wil alleen jou zien, niet John.’ Toen ik daar aankwam, stond mijn gerief netjes ingepakt. De boodschap was klaar en duidelijk: bol het af. Al mijn sporen in het huis waren gewist. Ik vertrok, en toch kapte ik niet met hen. Ik bleef moeder braaf bezoeken. Die loyauteit is zo raar; ik heb daar nu spijt van.

Twaalf jaar geleden vroeg moeder aan de telefoon waarom onze oudste zoon niet bij hen mocht blijven slapen. ‘Ik heb daar mijn redenen voor’, zei ik. ‘Hoezo? Is vake misschien een pedofiel?’, vroeg ze. Toen besefte ik: ze weet wat er gebeurd is. ‘Vraag het hem zelf’, zei ik. Ze haakte in en ik heb haar nooit meer gehoord of gezien.

Toen ‘vake’ stierf, hoopte ik op een vorm van erkenning door mijn moeder. Die kwam er niet. Een tante liet me onlangs weten dat zij gestorven was. Ik begon alle begrafenisondernemers uit Lier te bellen. Ik wou op mijn manier afscheid nemen. Bij de tweede had ik prijs. Hij moet zoiets nog meegemaakt hebben, want hij had alle begrip. Hij zei: ‘Neem gerust uw tijd.’ Daar lag ze, dood. Ik voelde verdriet en woede omdat ik wist dat er geen erkenning of verontschuldiging meer komt.”

 

 

Kindermishandeling – de trieste cijfers

 

In 2016 werden 9.133 kinderen gemeld bij de zes Vertrouwenscentra Kindermishandeling (ruim 5 procent meer dan het jaar voordien). 14 procent van de kinderen was jonger dan 3 jaar. 15 procent was ooit al eens gemeld in de jaren ervoor.

28,6 procent van de meldingen ging over lichamelijke mishandeling.

29,9 procent ging over emotionele mishandeling.

14,9 procent over seksueel misbruik.

 

In 2011 organiseerde het Kinderrechtencommissariaat ‘Geweld, gemeld en geteld’, een bevraging bij 2000 kinderen tussen 10 en 18 jaar. “Dat is de enige studie bij ons naar geweld in het gezin”, zegt Kristof Desair. “Het is doodjammer dat ze nooit herhaald is.”

Uit die studie bleek dat 5 tot 7 procent van de jongeren thuis geconfronteerd werd met ernstig verbaal geweld.

7,5 procent werd ooit door een ander lid van het gezin geslagen of geschopt. Ruim 2 procent incasseerde die klappen en schoppen op regelmatige basis.

4 procent kreeg ooit te horen dat hij of zij beter niet geboren was.

Ruim 4 procent had dikwijls het gevoel onbelangrijk te zijn.

13 procent was ooit bang van tegen elkaar roepende en tierende ouders.

7,6 procent was ooit getuige van elkaar slaande of schoppende ouders. 4 procent zag dat dikwijls.

9 procent had vaak het gevoel dat er niemand was die luisterde en hielp toen ze dat het meeste nodig hadden.

1,5 procent werd ooit door een ander lid van het gezin seksueel misbruikt. Bij 0,3 procent vond dat misbruik plaats op regelmatige basis.

 

(c) Jan Stevens