‘Altijd lopen we één ramp achter’

De aarde was al eerder in de ban van een klimaatverandering. In de 17e eeuw daalde de temperatuur met 2°; de gevolgen waren desastreus. In Wereldcrisis houdt historicus Geoffrey Parker ons een spiegel voor. ‘We hebben niets van de geschiedenis geleerd.’

Vijftien jaar werkte de Brits-Amerikaanse historicus Geoffrey Parker aan het vuistdikke Wereldcrisis. ‘De kiemen voor mijn boek liggen in de jaren 1970’, zegt hij. ‘Op de radio hoorde ik een interview met zonne-astronoom John “Jack” Eddy. Hij had net in Science een artikel gepubliceerd over de afwezigheid van zonnevlekken in de 17e eeuw. Hij had vastgesteld dat tussen 1645 en 1715 de zonneactiviteit zeer laag was, met weinig zonnevlekken als gevolg. Eddy concludeerde dat die afname in zonneactiviteit verantwoordelijk was voor de lagere temperaturen op aarde, voor de 17e-eeuwse zogenaamde “kleine ijstijd”. Die benaming was al in de jaren 1930 bedacht door de Nederlands-Amerikaanse geoloog François-Émile Matthes.’

In de jaren 1950 omschreven historici de 17e eeuw als het tijdperk van ‘de algemene crisis’. ‘Dat was een verwijzing naar hoe het de mensen was vergaan. Toen ik Jack Eddy op de radio hoorde, wist ik dat Europa in de 17e eeuw geteisterd werd door opstanden, maar had ik geen idee dat ook China en India door hetzelfde soort geweld getroffen waren. Het duurde nog tot 1998 vooraleer ik over die link tussen klimaatverandering en geweld begon te schrijven.’

Geoffrey Parker doorploegde archieven in Amerika, Europa, Azië en Afrika, op zoek naar sporen van de gevolgen van de 17e-eeuwse globale afkoeling. In 2013 verscheen de eerste editie van Global crisis. Vier jaar later volgde een hernieuwde versie en begin september ligt Wereldcrisis, de eerste Nederlandse vertaling, in de boekhandel.

Nu warmt de aarde op, maar in de 17e eeuw koelde ze met gemiddeld 2° Celsius af.

Geoffrey Parker: Klimaatverandering is iets van alle tijden. Waarschijnlijk vond dat al eens plaats tussen de 4e en 5e eeuw na Christus, met de val van het Romeinse Rijk en de Chinese Hang-dynastie als gevolg. Alleen is er niet veel bronnenmateriaal overgebleven. De klimaatverandering van de 17e eeuw werd wel goed gedocumenteerd. De archieven van steden, gemeenten en in bibliotheken bevatten veel interessante documenten over hoe het de mensen van toen verging. Op de site van de Amerikaanse National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA) vond ik dan weer ontzettend veel informatie over het klimaat van toen. NOAA zet alle ontdekkingen van paleo-archeologen online. Zo is uit de jaarringen van bomen heel wat over de evolutie van het klimaat af te leiden. Als geschiedenisprofessor ben ik verbonden aan de universiteit van Ohio. Zij huisvest het Byrd Polar and Climate Research Center waar wetenschappers gletsjers onderzoeken. Aan de hand van hun data was het mogelijk om het verloop van de kleine ijstijd van de 17e eeuw te reconstrueren.

U bent een van de eerste historici die de 17e-eeuwse klimaatverandering koppelt aan het vele geweld?

Parker: Wellicht ben ik de eerste. De meeste historische studies over de kleine ijstijd omschrijven enkel de gevolgen voor de natuur van de temperatuurdaling van 2°. De link tussen de klimaatverandering en het menselijke bestaan werd zelden gelegd. De 19e-eeuwse Engelse filosoof William Whewell bedacht de term ‘consilience’, wat zoveel betekent als ‘samenvloeien’, als het samenbrengen van humane en natuurlijke archieven. Dat is precies wat ik in Wereldcrisis in de praktijk breng. Dat staat haaks op het door de Duitse historicus Franz Mauelshagen uitgevonden neologisme ‘peccatogenic’ of: het beschouwen van rampen als een straf van God voor ons zondige leven. (lacht) Veel Amerikaanse evangelische christenen zijn er rotsvast van overtuigd dat de huidige klimaatverandering Gods toorn is. In de 17e eeuw overheerste datzelfde geloof.

Door historische archieven te vermengen met de klimaatdata komt u tot de conclusie dat de vele opstanden en oorlogen van de 17e eeuw een rechtstreeks gevolg waren van de klimaatverandering?

Parker: Als wetenschapper moet je altijd voorzichtig zijn met het trekken van conclusies. In het Wilde Westen was er de uitdrukking: painting bull’s eyes around bullet holes, stierenogen rond kogelgaten schilderen. Je kunt als historicus dus niet zomaar een verband leggen tussen twee gebeurtenissen die zich min of meer gelijktijdig afspelen. Je moet dan echt op zoek naar hoe het ene het andere in gang zette. In dit geval: hoe een daling van 2° Celsius de oogsten drastisch verstoorde, waardoor er hongersnood uitbrak en mensen in opstand kwamen. Je moet een glasheldere koppeling vinden. Die vond ik bijvoorbeeld in Noord-Ierland. Daar brak in oktober 1641 een grote opstand uit die in oorlog eindigde. De rebellie kwam er nadat de oogst drie keer was mislukt. Die misoogsten waren dan weer een gevolg van extreem koud weer, met overvloedig veel sneeuw en ijs. Dat weten we omdat meer dan 3000 protestanten die de zogenaamde Ierse Opstand overleefden, daar later uitvoerig voor rechters over getuigden. In totaal bleven 20.000 bladzijden met hun getuigenissen in de bibliotheek van Trinity College in Dublin bewaard. Ze vertellen over de extreme koude die een deel van hun familie doodde en over gewelddadige katholieken die een ander deel vermoordden.

Een gelijkaardig scenario speelde zich toen over de hele wereld af?

Parker: Ik stelde zowel in Europa, Amerika, Azië en Afrika dezelfde fenomenen vast, alleen kon ik het achterliggende mechanisme niet altijd bewijzen, zoals dat wel lukte in Ierland. Maar wereldwijd waren er de opeenvolgende extreme winters en de mislukte oogsten. Overal was er hongersnood, buitensporig geweld, opstand en oorlog. Alleen was het soms moeilijk om de juiste chronologie in kaart te brengen: wat was er eerst en wat volgde uit welke gebeurtenis?

Het was toen toch niet overal kommer en kwel? De 17e eeuw geldt in Nederland als ‘de gouden eeuw’.

Parker: Het was toen geen gouden eeuw voor elke Nederlander. Een stad als Amsterdam floreerde, maar streken als Friesland of Gelderland werden verscheurd door opstand. De Republiek der Verenigde Nederlanden kreeg twee grote oorlogen te verwerken: de eerste in 1618 en de tweede in 1672. In 1650 was het kantje boordje. Ik denk niet dat veel 17e-eeuwse Nederlanders geloofden dat ze gouden tijden beleefden. Integendeel. Veel later pas werd dat etiket erop gekleefd.

De oorlogen vloeiden voort uit de hongersnoden?

Parker: Als je van de honger vergaat, heb je drie alternatieven. Ofwel sterf je, ofwel probeer je voedsel van de rijken te pikken, ofwel verhuis je naar een plek waar het beter is. De tweede optie heet opstand of revolutie, de derde migratie. Precies dat speelt zich op dit moment in Oost-Afrika af.

De geschiedenis herhaalt zich?

Parker: We hebben niets van de geschiedenis geleerd. We weten dat er nu ook een klimaatverandering bezig is en dat er op sommige plekken in de wereld hongersnood dreigt. Toch vertikken we het om ons daar fatsoenlijk op voor te bereiden. Natuurlijk is het moeilijk te voorspellen waar de hongersnood keihard zal toeslaan, al maakt Oost-Afrika met zijn ligging vlakbij de evenaar en zijn gebrek aan regen veel kans. Waarom bouwen we daar nu geen loodsen vol voedsel en zorgen we niet voor reservoirs vol drinkwater? Altijd lopen we één ramp achter.

Een groot verschil met de 17e eeuw is dat we ‘onze’ klimaatverandering zelf veroorzaakt hebben.

Parker: Voor een groot deel is dat ongetwijfeld waar. Al maakt het eigenlijk niet uit wat aan de oorsprong ligt van de huidige opwarming. We wéten dat het aan het gebeuren is en toch grijpen we niet echt in. We zouden ons nu volop moeten voorbereiden op de extreme weersomstandigheden die met deze klimaatverandering gepaard gaan. Want ook Nederland en België moeten zich geen illusies maken: het water zàl komen. Alleen is onduidelijk wanneer en hoe. Ik weet dat België, net als Nederland, aan de infrastructuur werkt om acute stormschade af te wenden. Maar wordt er ook nagedacht over hoe natuurrampen in de verdere toekomst vermeden kunnen worden? Het monster van de klimaatverandering ís gecreëerd. We moeten er nu alles op inzetten om het onder controle te houden.

Want als we niet oppassen eindigen we in een ‘algemene crisis’ zoals in de 17e eeuw? U noemt die eeuw: ‘Het tijdperk van de soldaten.’

Parker: Het kan inderdaad zo eindigen. In de 17e eeuw stierven tientallen miljoenen mensen aan de gevolgen van de globale afkoeling. Het is moeilijk om het correcte aantal te bepalen. Er zijn geen algemene cijfers voorhanden, maar er is wel informatie over bepaalde gemeenschappen en steden. Zo bleven er uitstekende registers bewaard van Île-de-France, de regio rond Parijs. Daaruit kon ik afleiden dat rond 1640 één derde van de totale bevolking het loodje legde. In sommige gebieden met bewaard gebleven archieven was het minder, in andere meer. Bij schrijvers uit die tijd vond ik dezelfde schatting van één derde van de populatie terug. Vandaag leven er op onze planeet ruim 7 miljard mensen. Stel je voor dat één derde daarvan gedood wordt als gevolg van extreme weersomstandigheden, hongersnoden, opstanden en wapengekletter.

Japan was het enige land in de 17e eeuw waar de mensen niet verhongerden of elkaar continu te lijf gingen. Werden zij dan niet geplaagd door strenge winters?

Parker: Toch wel: ook zij gingen gebukt onder extreme kou met catastrofale misoogsten. Maar de Japanners leden minder erg dan tijdgenoten uit andere landen. Dat was de verdienste van de autocratische shoguns van de Tokugawa-familie die van 1600 tot 1867 over Japan heersten. Ze waren vooruitziend en lieten over het hele land veel grotere graanschuren bouwen. Ze namen ook draconische maatregelen: de vrije meningsuiting werd aan banden gelegd, net als de godsdienstvrijheid. Wapenbezit werd het monopolie van de staat. Handelaars die graan achteroverdrukten, werden onthoofd. De Tokugawa-shoguns verplichtten alle notabelen en magistraten om hun keiharde beleid nauwgezet na te volgen. Zij moesten er alles op inzetten om oorlogen te vermijden. Op een bepaald moment kwamen de Nederlandse heren van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) bij de shogun langs. ‘De Spanjaarden zitten in het nauw. Laat ons nu samen de Filippijnen inpikken.’ Shogun Tokugawa Ieyeasu antwoordde: ‘Schitterend idee, maar mijn onderdanen sterven en alles is bevroren. Deze keer pas ik.’ Daarna kwamen de Chinese heersers van de Ming-dynastie langs. ‘De Manchu-krijgers zijn net als de Mongolen. Als we niet oppassen, nemen ze bij ons de macht over. Het volgende land op hun lijstje wordt zeker Japan. Kom ons alsjeblieft nu helpen om hen te verslaan.’ Shogun Tokugawa Iemitsu antwoordde: ‘Schitterend idee, maar mijn onderdanen sterven en alles is bevroren. Ook ik pas.’ (lacht) Japan hield zich bewust ver weg van het oorlogsgewoel. De shoguns namen vaak juiste beslissingen, alleen gingen die ten koste van zeer veel vrijheid.

Het autocratische systeem heeft Japan gered?

Parker: Zonder twijfel. De Tokugawa’s waren geen vredelievende jongens. Enkel vanuit egoïsme en eigenbelang redden ze hun land. Hongerdoden waren niet goed voor de staat. Met hun ingrijpende maatregelen stelden de shoguns hun inkomsten veilig. Vandaag stel ik mijn hoop op de verzekeringsgiganten. Ik ben er zeker van dat zij onze verkozen leiders onder druk zullen zetten om écht in te grijpen. Want zij willen niet ten onder gaan aan schadeclaims die het gevolg zijn van de door de globale opwarming veroorzaakte natuurrampen.

Voorlopig zijn we nog niet bereid vrijheid op te offeren in ruil voor harde, noodzakelijke ingrepen. Ontstellend veel Amerikanen zijn bang van de federale overheid. Ze weigeren alle bemoeienis en verhinderen zo dat er preventieve maatregelen genomen worden. Terwijl de federale regering de enige is die in deze materie kan ingrijpen. Sommigen verenigen zich in zwaarbewapende milities, meestal van extreemrechtse signatuur. Ze zijn erg naïef en geloven dat ze met hun AR-15 semi-automatische geweren een tank kunnen stoppen. Dat maakt de dreiging van een burgeroorlog zeer reëel.

Tijdens de coronacrisis lieten we onze vrijheid toch aan banden leggen? Er werden lockdowns uitgevaardigd, grenzen gesloten, avondklokken ingevoerd en een mondmaskerplicht opgelegd.

Parker: In het begin van de crisis misschien wel, maar hoe langer die duurde, hoe meer er onder druk van de bevolking werd versoepeld. Tenminste toch in de Verenigde Staten.

De vorige president Donald Trump minimaliseerde heel lang de gevaren van het virus.

Parker: Laten we het over die man maar niet hebben. De geschiedenis zal later over hem oordelen.

Hoe zal de geschiedenis over de huidige coronapandemie oordelen?

Parker: Nu is dat een grote gebeurtenis, maar binnen een eeuw is het misschien niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis. Kijk naar hoe het de zogenaamde Spaanse Griep vergaan is. Eigenlijk was dat de Amerikaanse Griep, want ze brak in januari 1918 uit in Kansas. Het werd ‘Spaanse Griep’ omdat Spanje het enige land was dat de statistieken over de pandemie niet censureerde. Frankrijk, de VS, Groot-Brittannië, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, landen in oorlog, weigerden hun cijfers vrij te geven. Ze waren bang dat hun vijanden zouden denken dat ze zwakke naties waren. Spanje vocht niet mee en rapporteerde kollosaal veel overlijdens. De totale dodentol wereldwijd wordt geschat op 50 miljoen. Toch verdween die Spaanse Griep uit ons collectieve geheugen. Zonder covid had het voorbije anderhalf jaar niemand er aandacht aan besteed.

Toen u in 1998 aan Wereldcrisis begon, was onze huidige klimaatverandering ook geen gespreksonderwerp.

Parker: Die was enkel voer voor sommige wetenschappers. Hoe langer ik aan mijn boek werkte, hoe relevanter het onderwerp werd. In 2012 waren er presidentsverkiezingen: Barack Obama nam het op tegen Mitt Romney. Obama had het tijdens die campagne even over de opwarming van de aarde. Een krant schreef: ‘Waarom haalt hij zo’n totaal onbeduidend onderwerp van stal?’ Waarna in oktober van datzelfde jaar superstorm Sandy over het land raasde. Het scheelde geen haar of New York was totaal vernield. Daarna kantelde de discussie en werd klimaatverandering wél ernstig genomen. Orkaan Katrina werd in 2005 door veel Amerikanen nog beeschouwd als een probleem van New Orleans. Ze zagen het als iets ‘peccatogenic’, als de wraak van God voor het liederlijke leven van de inwoners van die stad. (lacht) De LGBTQ-gemeenschap was zich net aan het voorbereiden op de Gay Pride en Katrina stak daar een stokje voor. Een presbyteriaanse dominee jammerde: ‘Dit is Gods straf.’

Doorheen onze geschiedenis lijken we te denken dat rampen alleen anderen overkomen. Of dat ze ons niet nu te grazen zullen nemen. We leven in een vreemde staat van ontkenning. We geloven dat we aan de vreselijke gevolgen van de klimaatverandering zullen ontsnappen, of dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen. Terwijl het overdonderende wetenschappelijke bewijs ons een compleet ander verhaal vertelt. Nu al worden we geconfronteerd met ingrijpende fenomenen, zoals de recente hittekoepel boven delen van Canada en de VS. De poolkappen smelten, de zeespiegel stijgt en dat zal alleen maar versnellen. Intussen steken we onze kop in het zand. Tot het water onze huizen binnendringt.

Geoffrey Parker

  • 1934 geboren in Nottingham, Engeland
  • Studeerde geschiedenis in Cambridge, waar hij doctoreerde en vanaf 1968 doceerde
  • Is als militair historicus gespecialiseerd in de vroegmodere tijd
  • 1993 – 1996 professor geschiedenis aan de universiteit van Yale
  • 1997 werd geschiedenisprofessor aan de universiteit van Ohio
  • Het vorig jaar verschenen Keizer Karel V geldt als de ultieme biografie van de keizer

Geoffrey Parker, Wereldcrisis, Omniboek, 672 blzn., 39,99 euro, verschijnt begin september

© Jan Stevens

“De Chinese overheid beseft dat ze een probleem heeft”

Terwijl Europa braaf afval sorteert, windmolens bouwt, hybride auto’s koopt en zonnepanelen installeert, lozen 1,3 miljard Chinezen zorgeloos hun afval en stoten ze tonnen CO2 de lucht in. Dat is toch wat wij graag geloven. Maar is dat ook werkelijk zo?

 

Tussen 2001 en 2011 groeide de Chinese energieconsumptie met 136%. Volgens berekeningen van de onderzoeksgroep The Economist Intelligent Unit van het tijdschrift The Economist werd vorig jaar 66% van de totale Chinese energie door steenkoolcentrales geleverd. Het resultaat liegt er niet om: anno 2012 is China de allergrootste CO2-vervuiler en behoren megasteden als Bejing en Shanghai tot de zwaarst vervuilde ter wereld. “De inwoners hebben er ontzettend veel last van smog en stof”, zegt Herman Sioen, ervaren chinareiziger en directeur Waste en New Energy van het milieutechnologiebedrijf Waterleau dat in China waterzuiveringsinstallaties en hoogtechnologische afvalverbrandingsovens bouwt. “De vervuiling in de steden is een gevolg van de industrialisering en van het feit dat massaal veel mensen die op een kleine oppervlakte samen wonen, allemaal dromen van een auto, centrale verwarming en elektriciteit. De kolencentrales die oorspronkelijk aan de rand van de stad stonden, zitten nu ingekapseld door wolkenkrabbers: de fabrieksschoorstenen zijn vaak lager dan de flatgebouwen. Die bizarre ruimtelijke ordening komt omdat de Chinese overheid achter de immense groei aanholt. Naast de economie laten draaien en de mensen een beter leven garanderen, komt daar nu ook nog eens de zorg voor het milieu bij.”

Bij veel westerlingen leeft de overtuiging dat het met die ‘Chinese zorg voor het milieu’ helemaal fout gaat en dat zowel de machthebbers als de modale Chinees niet wakker liggen van een paar ton CO2 extra. “Dat is een misvatting”, zegt Herman Sioen. “Zeker bij de overheid is er bekommernis over de milieuproblematiek. Momenteel is China een van de grootste investeerders in de bouw van windmolens en zijn bijna alle zonnepanelen over de hele wereld ‘made in China’. Veel huizen in Zuid-China zijn uitgerust met zonneboilers. Er wordt nu echt wel werk van milieubescherming gemaakt, alleen zou alles nóg sneller moeten gebeuren.”

Raf Vermeire was in een vorig leven voorzitter van de CVP-jongeren, nu is hij ‘serieel ondernemer’ en CEO van het in een buitenwijk van Bejing gevestigde White Pavilion, een ingenieursbureau gespecialiseerd in cleantech en hernieuwbare energie. Vermeire woont en werkt bijna het hele jaar rond in China. “Om de zes weken kom ik voor een week terug naar België.” Zijn kantoor ligt vlak naast het atelier van kunstenaar Ai Weiwei. “Ik leef nu drie jaar in het land en ik voel dat er iets aan het veranderen is: de autoriteiten lijken vast van plan om de vervuiling terug te dringen. Al is er bij de man in de straat nog steeds zeer weinig belangstelling voor zoiets als de klimaatverandering. Maar in een stad als Bejing beginnen de inwoners echt wel te klagen over de luchtvervuiling. Ze vinden de smog vervelend en lastig, alleen gaan ze nog niet op zoek naar de oorzaken. Ze zijn opgegroeid in een cultuur van ongebreidelde groei: meer produceren betekent meer verdienen en meer consumeren. Het land moet de omslag maken van massaal produceren naar kwaliteitsvol produceren en dat is niet zo eenvoudig. Ons milieubewustzijn is ook nog maar 25 jaar geleden op gang gekomen, met dank aan een politicus zoals Norbert De Batselier die toen tegen de stroom in voor een properder landbouw pleitte. Nu zijn we er allemaal van doordrongen dat zelfs een op het eerste gezicht propere activiteit als landbouw zeer vervuilend kan zijn. In China moet dat besef nog groeien.”

 

Het Plan

Sinds begin jaren vijftig van de vorige eeuw verloopt de ontwikkeling van de centraal geleide Chinese economie volgens vijfjarenplannen zoals die uitgetekend worden door de Chinese Communistische Partij. Voor het elfde vijfjarenplan van 2006 tot 2010 wijzigden de planners de terminologie: voortaan was er niet langer sprake van ‘het plan’, maar van ‘de richtlijn’. Daarmee wilden ze te kennen geven dat de tijd van het strikt geleide stalinistische plannenmaken voorbij was en dat het land rijp was voor de overgang naar een ‘socialistische markteconomie’. “Toch wordt de economie tot op de dag van vandaag nog steeds strak gepland”, zegt Herman Sioen. “In de twee laatste ‘vijfjarenrichtlijnen’ zitten ook de milieubeschermingsmaatregelen opgelijst en die zijn behoorlijk streng. Zo hanteert de Chinese overheid voor emissies nu bijna even strenge normen als de Europese Unie. Alleen zijn de instanties die de uitstoot van fabrieken controleren allesbehalve onafhankelijk. Controleurs kondigen vaak hun bezoek aan waardoor de fabriek in kwestie de uitstoot voor een dag kan aanpassen. Veel Belgische industrieën tonen online hun dagelijkse emissies aan het grote publiek. Dat soort van transparantie heb ik in China nog nooit gezien.”

Volgens Raf Vermeire was de planeconomie tot 2005 uitsluitend gericht op productie ten koste van alles. “De manier waarop er geproduceerd werd, was niet zo belangrijk. De Chinese overheid erkent nu dat ze met een serieus ecologisch probleem zit, en is van start gegaan met het stilleggen van zwaar vervuilende fabrieken en met het opleggen van regels voor uitstoot en waterzuivering. Bedrijven die jarenlang gestimuleerd werden om zich alleen te focussen op productie, worden zelfs tot een radicale ommekeer gedwongen. Voor de machthebbers is het natuurlijk gemakkelijk om al die nieuwe milieuregels vanuit Bejing te decreteren; alleen moeten ze ook nog ingang vinden bij al die managers en partijleiders honderden en duizenden kilometers verder. De diep ingesleten mentaliteit op de werkvloer verander je niet van de ene dag op de andere. Zo maakte ik een tijd geleden voor een fabriek een lijvige studie van wat er op energievlak allemaal beter kon. Met een paar verstandige ingrepen konden ze makkelijk duizenden euro’s per dag aan energiekosten besparen. Ik gaf mijn dossier aan een ingenieur die er al jaren werkte; later kwam ik erachter dat de brave man het nooit had doorgegeven aan zijn manager. Hij was bang voor de verandering en die angst voel je op veel plaatsen. Ik juich het toe dat in de laatste twee vijfjarenplannen duidelijke ecologische doelstellingen staan: ze vormen een breekijzer die de mentaliteit kunnen helpen wijzigen.”

 

Wind, zon, water en afval

In 2005 vaardigde de Chinese overheid als onderdeel van haar elfde ‘vijfjarenrichtlijn’ (2006-2010) met veel toeters en bellen de ‘duurzame energiewet’ uit, die decreteerde dat tegen 2020 15% van alle energie door zon, wind of water zou moeten worden voortgebracht. In 2009 werd de wet in alle stilte aangepast en werd 15% hernieuwbare energie omgezet in “energie die opgewekt wordt door niet-fossiele energiebronnen”, inclusief kernenergie. Toch miste de ‘duurzame energiewet’ haar doel niet en gaf ze een boost aan de hernieuwbare energiesectoren wind, zon en water.

In 2005 werd in heel China door alle operationele windmolens samen amper 1 gigawatt aan energie geproduceerd; vijf jaar later stootte het land de VS van de troon als grootste ‘windkrachtmacht’ ter wereld. Eind vorig jaar wekten alle Chinese windmolenparken samen 60 gigawatt op. In dezelfde periode klommen ‘s lands grootste windmolenbouwers, Sinovel en Xinjiang Goldwind, op tot de top vijf van de belangrijkste windmolenproducenten ter wereld.

Chinese zonnepanelenbouwers surften de voorbije jaren mee op de groene golf in Europa. De subsidies en premies die Europese regeringen, waaronder de Vlaamse, aan hun burgers en ondernemingen gaven om daken vol te leggen met zonnepanelen in alle maten en gewichten, kwamen vooral ‘goedkope’ Chinese producenten zoals Suntech, Yingli of LDK ten goede. Hun dolgedraaide overproductie zorgde er volgens het financiële persbureau Bloomberg voor dat de prijs van zonnepanelen vorig jaar met 47% daalde. De eigen thuismarkt lieten ze links liggen. Vorig jaar besliste de Chinese overheid om daar iets aan te doen. In haar twaalfde ‘vijfjarenrichtlijn’ (2011-2015) introduceerde ze een ‘terugleververgoeding’, waarbij bedrijven of huishoudens een vergoeding krijgen voor de groene stroom die ze met eigen zonnepanelen opwekken. Eind 2010 haalde China minder dan 1 gigawatt elektriciteit uit zonne-energie; een jaar later was dat al opgelopen tot 3,2 gigawatt. Tegen 2015 moet dat 15 gigawatt worden en tegen 2050 zelfs 50 gigawatt.

Naast wind en zon zet China al vanouds in op waterkracht. Het land is beroemd én berucht voor zijn grote, vaak megalomane projecten voor het afdammen van rivieren. Een vijfde van alle elektriciteit wordt opgewekt door waterkrachtcentrales, terwijl zon en wind samen goed zijn voor 5%. Vandaag levert de Chinese waterkracht 220 gigawatt; tegen 2015 moet de productie oplopen tot 325 gigawatt.

En dan is er de steeds belangrijker wordende sector van de afvalverbranding. 1,3 miljard burgers zorgen voor gigantische hopen afval: China produceert een vierde van alle afval ter wereld. Volgens een voorzichtige schatting van The Economist Intelligent Unit laten de Chinese huishoudens elk jaar een berg van 250 miljoen ton troep achter. Tot de dag van vandaag wordt het meeste afval nog steeds gestort, maar de overheid wil dat daar snel verandering in komt: tegen 2030 moet 30% verbrand worden. Die afvalverbrandingsovens zullen meteen ook dienst doen als opwekkers van elektriciteit. “Afvalverbranding is nu onze grootste business”, zegt Herman Sioen van Waterleau. “In de jaren negentig en in het begin van deze eeuw bouwden we hier vooral waterzuiveringsinstallaties. Tegenwoordig bouwen de Chinezen die installaties zelf en hebben ze ons daarvoor niet meer nodig. Ze zijn heel sterk in het zeer goedkoop namaken van producten. Ze zijn minder goed in het creatief omgaan met problemen of in het oplossen van een nieuw probleem. Maar van zodra ze door hebben hoe het moet, zijn ze moeilijk te kloppen. Bij de afvalverbranding zitten we nu in de fase dat China stilaan een eigen capaciteit aan het opbouwen is. Tot voor een paar jaar leverden we de installaties ‘sleutel-op-de-deur’, nu werken we samen met grote Chinese aannemers. Zij besteden alleen nog de dingen uit die ze zelf niet kunnen; ik vermoed dat ze hun afvalverbranding binnen vijf jaar ook volledig in eigen handen zullen hebben.”

 

Meer groene energie, meer CO2

Zullen de recente richtlijnen en de duurzame energiewet van de Chinese overheid de totale CO2-uitstoot drastisch terugdringen en het hele land ‘properder’ maken? “Er is nog een lange weg te gaan”, zegt Raf Vermeire. “Toch ben ik optimistisch over de toekomst, zelfs al hebben de Chinezen zich op de verschillende klimaattoppen in het verleden van hun slechtste kant laten zien. Wij hebben trouwens ook boter op ons hoofd, want wij hebben van China het fabriek van de wereld gemaakt. Natuurlijk waren de Chinezen daar zelf mee akkoord, toch mogen we onze verantwoordelijkheid niet ontlopen. Want we vonden het fijn dat ze voor weinig geld het vuile werk voor ons opknapten, en we zijn er ook welvarender door geworden. Ik kan het begrijpen dat zij nors reageren als wij hen in een klimaatronde willen dwingen hun CO2-uitstoot te reduceren volgens óns schema. Mijn cleantechbedrijf is gespecialiseerd in biogasvergisting, waste heat recovery en geothermie. In het Westen raken die technologieën volop ingeburgerd; China zit ondanks alle inspanningen voor hernieuwbare energie eigenlijk nog volop in het tijdperk van de steenkoolcentrales. Vorige week was ik op bezoek in een papierfabriek. Ze stoken er hun afvalwater veel te warm, waardoor ze onnodig veel energie verspillen. Ze willen nu een extra lijn bijbouwen, maar ik probeerde hen ervan te overtuigen eerst hun bestaande productie te verfijnen. Door op een correcte, ecologisch verantwoorde manier met hun afvalwater om te gaan, kunnen ze per dag 3.500 euro aan energiekosten besparen. Dat soort van gigantische verspilling vind je overal, en is vooral een gevolg van gebrek aan kennis. Binnen een paar jaar zullen er 228 steden in China zijn met minstens 1 miljoen inwoners; in heel Europa zijn er zo amper 33. In al die Chinese megasteden hebben ze vermoedelijk nog nooit over cleantech gehoord. Daar liggen dus veel mogelijkheden voor bedrijven zoals het onze.”

Ook energiespecialist Martin Adams van The Economist Intelligent Unit voorziet een rooskleurige toekomst voor cleantech en duurzame energie in China. “Alle hernieuwbare energiesectoren zullen snel aan belang winnen. Wij denken dat tegen 2020 zon, wind, water, en ook nucleaire energie, zullen instaan voor 20% van alle elektriciteit – in 2010 was dat 13%. Die toename klinkt misschien bescheiden, maar staat wel gelijk met de totale jaarlijkse energieconsumptie van een land als Canada. China zal dus minder afhankelijk worden van steenkool: in 2020 zal, in plaats van 66% nu, de helft van de elektriciteit door steenkoolcentrales opgewekt worden.”

Zal het land tegen dan ook 16% minder CO2 uitstoten? Martin Adams: “Het grote probleem is dat de vraag naar energie in China alleen maar spectaculair zal toenemen, waardoor er in 2020 tot 35% meer kolen verstookt zullen worden dan in 2010 en ook de vraag naar andere fossiele brandstoffen zal toenemen. De vrees is dan ook groot dat, ondanks de relatieve vergroening van de energie, de CO2-uitstoot van China in 2020 met maar liefst 40% zal toenemen.”

 

 

© Jan Stevens

“De technologie is er, de wil niet”

In het met de Green Book Festival Award 2012 onderscheiden Changing Planet, Changing Health brengen auteurs Paul Epstein en Dan Ferber de kwalijke effecten van de klimaatverandering op onze gezondheid in kaart en gaan ze op zoek naar manieren om die te milderen. “Als we de klimaatverandering niet onder controle krijgen, wordt de volksgezondheid onbetaalbaar.”

 

Een half jaar na de publicatie van Changing Planet, Changing Health, stierf Paul Epstein aan kanker. “Op de boekvoorstelling in april 2011 wist hij dat het einde voor hem nabij was”, zegt journalist en co-auteur Dan Ferber. “Toch schreef hij in de maanden voor zijn dood nog vier grote artikelen over de gevolgen van de klimaatverandering op onze gezondheid. Want hij was erg bekommerd over wat de mensheid te wachten staat en wou vooral onze bewindslui wakker schudden.”

Als medestichter en directeur van het Center for Health and the Global Environment van de prestigieuze Harvard Medical School in Boston wijdde dokter Paul Epstein het grootste deel van zijn carrière aan het bestuderen van de effecten van de klimaatverandering op de volksgezondheid. “In 1992 nam hij deel aan de door de Verenigde Naties georganiseerde Earth Summit in Rio”, zegt Ferber. “Op dat moment hield een cholera-epidemie lelijk huis in Peru. Op de conferentie legden een paar wetenschappers een verband tussen de epidemie en de stijgende zeetemperatuur, waardoor algen welig gingen tieren en de visbestanden verstoorden. Dat was de aanleiding voor Paul om zich als geneesheer in de klimaatverandering te gaan verdiepen.”

Begin jaren negentig werd het publieke debat of het klimaat wel of niet aan het veranderen was, op het scherp van de snee gevoerd. Dan Ferber: “De non-believers voerden het hoogste woord, maar Paul liet zich niet uit het lood slaan. Hij vond dat de discussie niet alleen aan klimatologen overgelaten moest worden, maar ook aan andere wetenschappers zoals dokters. In 1995 stelde het tweede rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) dat de klimaatverandering zonder enige twijfel plaatsvond. Paul Epstein had toen al een stap verder gezet en voorzag dat de opwarming van de aarde serieuze problemen zou opleveren voor de volksgezondheid.”

In het begin van zijn onderzoek naar het verband tussen klimaatverandering en gezondheid, concentreerde Epstein zich op ziektes die verspreid werden door insecten. Dan Ferber: “Vooral muggen zijn gevoelig voor temperatuurveranderingen. Als hun omgevingstemperatuur stijgt, gaan ze zich sneller voortplanten en willen ze steeds meer bloed. Vroeger was malaria in Afrika een ziekte van het laagland, nu krijgen mensen in bergdorpen ook malaria. De denguemug hield niet van hoogtes boven 1000 meter, want daar was het veel te koud om goed te kunnen gedijen. De voorbije jaren is ze in Mexico teruggevonden op 1700 meter en in Columbia zelfs op 2200 meter. Dengue verspreidt zich in sneltreinvaart over de Vietnamese hooglanden.”

In de jaren negentig leek geen enkele Amerikaan in Epsteins boodschap geïnteresseerd. Dat veranderde toen in 1999 het dodelijke Westelijke Nijlvirus in New York opdook. “Het virus dat door muggen overgedragen wordt, doodde zeven mensen en maakte tientallen anderen ziek. Extreme weersomstandigheden zorgden ervoor dat het tot in de VS geraakte en hete, droge zomers hielpen het overleven. Veel gewone Amerikanen werden er zich plots van bewust dat de opwarming van de aarde ook hun leven wel eens in gevaar zou kunnen brengen.”

 

Zieke ecosystemen

Op het moment dat de meeste wetenschappers Paul Epsteins insectenonderzoek ernstig namen, zat de dokter alweer een fase verder. “Hij maakte zich zorgen over het effect van de opwarming van de aarde op de ecosystemen”, zegt Dan Ferber. “Als door de klimaatverandering de ecosystemen in de wouden en de oceanen fundamenteel wijzigen, heeft dat zware gevolgen voor de volksgezondheid, want ons voedsel, water en schone lucht hebben we er aan te danken. Paul wou onderzoeken of de oceanen voor de Amerikaanse kusten aan het veranderen zijn.”

Dus nodigde Epstein halverwege de jaren negentig vijftig wetenschappers uit verschillende disciplines uit. “Hij bracht ecologen, klimatologen en marinebiologen samen om gegevens uit te wisselen. Dat was toen vrij revolutionair, want de meeste wetenschappers zaten liever op hun eigen eiland. De resultaten van die conferentie spraken boekdelen: er was een ernstige stijging van ziektes en sterfte onder de vispopulatie, vooral op plaatsen waar de watertemperatuur de jaren ervoor gestegen was. In combinatie met vervuiling en overbevissing zorgde dat voor een serieuze aantasting van de Amerikaanse ecosystemen.”

In 2003 startte Epstein een nieuw onderzoek, het Climate Change Futures Project, dat gefinancierd werd door de Verenigde Naties en een Amerikaanse verzekeringsfirma. “Hij bracht toen wetenschappers en ondernemers samen om de economische effecten van de klimaatverandering te onderzoeken.” Ze tekenden twee scenario’s uit over hoe klimaatverandering via veranderingen in de ecosystemen de volksgezondheid en de globale economie zou kunnen beïnvloeden. “Het meest positieve scenario gaat ervan uit dat het ecosysteem aangetast wordt, maar niet fundamenteel veranderd doordat de mens zijn gedrag aanpast en minder CO2 de lucht in stuurt. Overstromingen, natuurrampen en hittegolven zullen ook dan sowieso ons deel blijven. De deelnemers aan het Climate Change Futures Project hebben getracht om te berekenen wat dat scenario de gemeenschap zal kosten aan gezondheidszorg, verzekeringspolissen, waterzuivering en luchtreiniging. Zelfs het aantal doden als gevolg van natuurrampen hebben ze berekend, inclusief alle mogelijke ziektes en plagen. Die voorspellingen lezen als een horrorcatalogus, maar in vergelijking met het tweede scenario zijn ze peanuts, want dan overschrijden de ecosystemen het point of no return en veranderen ze in ‘iets totaal anders’, waardoor de wereld nog chaotischer wordt dan ze nu al is. Hittegolven zullen dan drie keer meer voorkomen dan vandaag, waardoor er vijf keer zoveel mensen sterven. De wind zal nog in kracht toenemen en overstromingen worden heel gewoon, net als bosbranden. Het griezelige is dat het anno 2012 lijkt alsof dat tweede scenario zich ook aan het voltrekken is.”

Zijn we dan met zijn allen op weg naar de ondergang? Ferber: “Het is nooit te laat voor verandering. Dat is ook dé boodschap van ons boek. Het klimaat is in de war gestuurd doordat we steeds meer broeikasgassen zijn gaan uitstoten. Er gebeuren nu rampen met zware gevolgen voor de volksgezondheid waar we mee moeten leren leven. Ziektes die veroorzaakt worden door de klimaatverandering kunnen we best stoppen door die klimaatverandering zelf halt toe te roepen. Daarvoor hebben we een duurzame economie nodig, die alleen uitgebouwd kan worden als er in groene technologie geïnvesteerd wordt. Dus moeten we in de eerste plaats de financiële sector ervan overtuigen dat ze hun geld in schone energie moeten investeren, in plaats van in fossiele brandstoffen. We moeten onze bankiers een geweten schoppen en eisen dat ze aan hun investeringen voorwaarden voor een klimaatvriendelijke economie koppelen. Alle technologieën die we nodig hebben om de planeet te redden, bestaan al. Alleen de wil ontbreekt.”

 

Paul Epstein & Dan Ferber, Changing Planet Changing Health, University of California Press, 45 dollar

 

© Jan Stevens

Welvaart zonder groei

Zonder economische groei gaat onze welvaart naar de haaien. Maar ongebreidelde economische groei helpt onze planeet om zeep. “In dat dilemma zit onze samenleving gevangen”, stelt de Britse econoom Tim Jackson. In zijn boek ‘Welvaart zonder groei’ gaat hij op zoek naar een uitweg. “Het is de hoogste tijd dat we ons hele systeem herdenken.”

Onze economie moet blijven groeien, anders gaan er jobs verloren, komt ons sociale zekerheidssysteem onder druk en raken we aan de bedelstaf. Dus moet er geconsumeerd worden – hoe meer hoe liever. Maar zo gebruiken we alle schaarse grondstoffen op, pompen we de atmosfeer vol CO2 en helpen we steeds sneller ons leefmilieu naar de verdoemenis. Als we de aarde willen redden, moeten we dus dringend gaan consuminderen. Maar dan krimpt onze economie, gaan er jobs verloren en is er op termijn misschien zelfs geen OCMW meer om ons leefloon uit te betalen. We kunnen dus kiezen tussen de pest en de cholera: tussen een onstabiel sociaaleconomisch systeem en een steeds zieker wordend leefmilieu. Die onmogelijke keuze vormt het uitgangspunt van het boek ‘Welvaart zonder groei’ van Tim Jackson, professor Duurzame Ontwikkeling aan het Centre for Environmental Strategy (CES) van de universiteit van het Zuid-Engelse Surrey. Jackson schetst niet alleen het dilemma, hij zoekt ook naar wegen om welvaart mogelijk te maken zonder de fetisj van economische groei. Om onze planeet te redden, moeten we volgens hem dringend afkicken van onze consumptieverslaving en onze centen investeren in duurzame projecten.

Vloeken in de kerk

De basis voor ‘Welvaart zonder groei’ is een rapport over duurzame ontwikkeling dat Tim Jackson voor de vorige Britse regering schreef. “In dat originele rapport stond een vraagteken achter de titel”, zegt hij. “Dat was een beetje diplomatischer, want voor heel wat politici én economen klinkt ‘welvaart zonder groei’ als vloeken in de kerk.”

Leert de huidige economische crisis ons dan niet dat groei een noodzaak is om jobs te behouden?

Tim Jackson: De crisis illustreert alleszins het dilemma dat gepaard gaat met economische groei. Grenzeloze groei is niet duurzaam, maar een economie die krimpt, blijkt labiel te zijn en geeft een flinke knauw aan onze welvaart. Heel wat economen stellen dat groei onontbeerlijk is. Zo efficiënt mogelijk produceren is volgens hen het enige wat we kunnen doen om onze ecologische impact te minimaliseren. In de praktijk komt dat dan neer op het zoveel mogelijk reduceren van de CO2-uitstoot. Dat is wat wij in het westen nu al proberen te doen. Alleen is dat tot hiertoe niet echt een groot succes. Misschien omdat we nog niet hard genoeg ons best gedaan hebben? Maar hoe hard moeten we ons best doen om een wereld te creëren waarin iedereen als een westerling kan leven? Want dat is wat elke mens op aarde lijkt na te streven: een levensstijl zoals de onze. Is het sowieso wel mogelijk om binnen vijf jaar onze CO2-doelstellingen te halen als 7 miljard mensen willen leven zoals wij? Ik vrees van niet. We zijn het er allemaal over eens dat er dringend iets moet gebeuren om de planeet te redden. Tegelijkertijd ervaren we dat ons economisch systeem daar geen antwoord op heeft, ondanks al onze pogingen om onze CO2-uitstoot te reduceren, ondanks al onze inspanningen om groen te produceren. Dus wordt het de hoogste tijd om het hele systeem te herdenken.

Want als we niets ondernemen, zullen we niet alleen met de klimaatverandering moeten afrekenen?

Jackson: De klimaatverandering is het opvallendste fenomeen en daar gaat de meeste dreiging van uit. Maar als we niet beginnen sleutelen aan ons economisch systeem, zal er ook massaal veel biodiversiteit verloren gaan. Levensbelangrijke grondstoffen zoals olie en mineralen zullen schaars worden. Er zullen oorlogen komen over land, brandstof, water. Is ons huidige economische systeem wel stabiel genoeg om de nakende massale migratie, die een gevolg zal zijn van de klimaatverandering, aan te kunnen? En zullen hele bevolkingsgroepen het zomaar blijven pikken dat ze uitgesloten blijven van de opbrengsten van grondstoffen? De financiële crisis heeft ons met onze neus op de feiten gedrukt: mensen, bedrijven en overheden steken zich massaal in de schulden om toch maar te kunnen blijven produceren en consumeren. Die schuld wordt ‘opgelost’ door middel van steeds ingewikkelder constructies om de motor draaiende te houden. De manier waarop onze financiële markten werken, vergroot de instabiliteit van ons economische systeem.

Als we de planeet willen redden, zullen we onze koopwoede onder controle moeten krijgen. Vreest u geen volksopstand als ‘shop till you drop’ taboe wordt?

Jackson: We zijn verslaafd aan consumeren; het is een deel van onze menselijke natuur. Maar wil dat dan zeggen dat een aan consumptie verslaafde mens dé weerspiegeling is van wat het betekent om mens te zijn? We hebben twee spanningen in ons: aan de ene kant de spanning tussen egoïsme en altruïsme, aan de andere kant de spanning tussen de zucht naar het sensationele en het verlangen naar traditie en conservatie. Er zijn evolutionaire redenen waarom we die spanningen in ons hebben: zolang we individueel moesten overleven, hielp egoïstisch gedrag. Van zodra we in groep gingen samenleven, groeide het belang van het sociale. Nu focussen we ons teveel op één aspect van de mens: als egoïstische, materialistische jager op al wat nieuw en sensationeel is. De rest van de menselijke natuur hebben we verwaarloosd. Eigenlijk is dat positief, want dat wil zeggen dat we de menselijke natuur niet moeten veranderen, of onze psyche niet moeten ‘hersenspoelen’. Nee, we moeten af van onze enge visie op wie we zijn, en de verwaarloosde aspecten van onszelf nieuw leven inblazen.

Ik ben de eerste om toe te geven dat er een materieel element zit in elke betekenisvolle welvaart. Zo heeft elke mens recht op een goeie, stevige ‘schuilplaats’ die hem bescherming biedt. Maar we zorgen nu voor veel meer dan alleen maar voor een goeie schuilplaats. De meeste goederen die we ons aanschaffen, dienen om ons te onderscheiden van anderen en hen duidelijk te maken dat we deel uitmaken van een welbepaalde groep. We kopen een iPad omdat we zo graag geassocieerd willen worden met al die hippe ‘iPad-bezitters’. Producten zijn taal geworden: via de dingen die we kopen, communiceren we met elkaar. Dankzij onze iPad worden we deel van de samenleving, leven we in de illusie dat alles beter wordt en dat het bestaan erop vooruitgaat. Natuurlijk zijn materiële dingen belangrijk. Maar we mogen nooit uit het oog verliezen dat er veel belangrijkere zaken bestaan zoals de liefde van onze vrienden, het respect van de sociale groep waartoe we behoren, een betekenisvolle job, deelnemen aan de maatschappij, een zinvol leven leiden. De consumptiemaatschappij laat ons geloven dat ze dat soort waarden kan leveren, terwijl ze daar helemaal niet in slaagt. Ons economische model van overproductie en –consumptie wordt aan de praat gehouden door de manier waarop er geïnvesteerd wordt. Investeringen vormen de motor die de voortdurende creatie van nieuwe consumptiegoederen aandrijft. Ze houden het systeem in gang van steeds hogere productiviteit, waardoor de prijzen zakken en mensen nóg meer gaan kopen. Als je ons dolgedraaide model wil veranderen, zal je er dus in de eerste plaats voor moeten zorgen dat investeerders niet voor de snelle winst gaan, maar hun kapitaal op lange termijn inzetten.

Anders gaan investeren

Hoe veranderen we dat systeem dan in de praktijk?

Jackson: De financiële markten – banken, verzekeraars, beursmakelaars en –handelaars – bepalen hoe kapitaal geïnvesteerd wordt. Als je de aard van de investeringen wil veranderen, moet je dus in de eerste plaats de financiële sector hervormen. Nu is heel ons financiële systeem gebaseerd op hebzucht. Investeringen moeten op korte termijn veel opbrengen, met een minimaal risico voor de investeerder, maar zoveel mogelijk weggemoffeld risico voor ‘derden’. De financiële sector interpreteert ‘welvaart’ op een heel eenzijdige manier: zo snel mogelijk zoveel mogelijk geld verdienen. De financiële crisis heeft ons met onze beide voeten op de grond gezet. We weten nu heel zeker dat het financiële systeem instabiel is en niets bijdraagt aan het welzijn van de hele samenleving. Integendeel: als het systeem instort, zijn het degenen die er nooit van geprofiteerd hebben die de rekening mogen betalen. De belastingbetalers – wij dus – draaien op voor het slechte beleid van de banken. Als we de financiële sector in leven willen houden, moeten we haar dringend hervormen. Er moeten nieuwe, gezonde investeringsconcepten ontwikkeld worden die op lange termijn niet alleen geld, maar ook sociale en ecologische voordelen opleveren. Dat zal niet gemakkelijk zijn, maar ‘dankzij’ de kredietcrisis wordt daar nu door politici en experts hard over nagedacht.

Een van de grote oorzaken van de kredietcrisis is de deregulering van de laatste decennia. Een strengere wetgeving die banken en financiële instellingen aan banden legt, is gewoon een noodzaak. Daarnaast moeten er maatregelen genomen worden die het voor investeerders onaantrekkelijk maken om hun geld te investeren in korte, hoogrenderende activiteiten. Want zo is het tot hiertoe altijd geweest: het kapitaal werd weggezogen naar dat soort van ‘destructieve’ investeringen. In Groot-Brittannië bestaat er nu al wetgeving die burgers stimuleert om hun spaarcenten in een lokaal project te investeren. Ze worden door de overheid fiscaal beloond als ze investeren in zonnepanelen, als ze duurzaam isoleren, en als ze de opbrengsten van hun investeringen opnieuw investeren in verstandige, lokale projecten. Hun spaarcenten brengen iets minder op, maar zijzelf en hun eigen gemeenschap worden er op ecologisch en sociaal vlak beter van. De vorige Britse regering heeft in 2005 de Community Interests Companies (CIC) mogelijk gemaakt – sociale bedrijven die lokaal verankerd zijn, duurzaamheid hoog in het vaandel voeren en waarvan de opbrengsten volledig ten goede komen van de gemeenschap. Wie zijn spaargeld in aandelen stopt van zo’n lokale CIC, weet dat hij op korte termijn geen waanzinnige rendementen moet verwachten. Maar hij is er wel zeker van dat zijn eigen gemeenschap er ecologisch en sociaal de vruchten van plukt. Het is een goeie zaak dat de overheid juridische ondersteuning geeft voor dat soort van projecten, alleen blijven ze druppels op een gloeiende plaat als de hele financiële sector zich daar niets van hoeft aan te trekken, gouden bergen aan investeerders mag blijven beloven en het risico blijft afwentelen op de gemeenschap. Dus moeten er strenge regels voor de sector komen en wetten die ervoor zorgen dat lokale, zinvolle projecten op grotere schaal kunnen groeien en bloeien.

Als we onze financiële sector aan banden leggen, verhuist het geld toch razendsnel naar landen waar het wel nog business as usual is?

Jackson: Dat gevaar is reëel. Om dat soort van kapitaalvlucht tegen te gaan, zullen er multilaterale afspraken moeten komen. Maar dat wil niet zeggen dat individuele landen ondertussen niets moeten ondernemen en alles bij het oude mogen laten. Ik heb de voorbije zes jaar verschillende regio’s in Groot-Brittannië bezocht, en overal hoorde ik bij lokale politici hetzelfde discours. Ze waren allemaal druk bezig met het aantrekken van investeringsgeld voor nieuwe, hoogtechnologische sectoren die de productiviteit zouden doen toenemen en daardoor jobs zouden opleveren waardoor de regio welvarender zou worden. Al die regio’s beconcurreerden elkaar. Ze faalden allemaal. Toen de financiële crash kwam, werd het kapitaal weggezogen en gingen de lokale economieën kopje onder. Bij nogal wat lokale politici groeit nu het besef dat het oude investeringsmodel de lokale economieën kwetsbaar gemaakt heeft. Wie zijn geld in een ‘vehikel’ zoals de CIC investeert, weet dat de eigen regio daar wel bij zal varen. De overheid kan trouwens zelf het voorbeeld geven in de manier waarop zijzelf het belastinggeld investeert.

Bent u optimistisch over de toekomst?

Jackson: Optimism is a moral duty. (lacht) Er zijn natuurlijk redenen genoeg om pessimistisch te zijn. We hebben geen fatsoenlijk plan om de klimaatverandering tegen te gaan, we hebben zelfs nog niet nagedacht over biodiversiteit. We hebben ons opgesloten in een systeem dat voor sociale stabiliteit zorgt en op hetzelfde moment onze ecologische ondergang helpt bewerkstelligen. Dat zorgt voor serieuze tegenstellingen in het beleid. Zo nam de vorige Britse regering een aantal goeie maatregelen om de klimaatverandering tegen te gaan en propageerde ze tezelfdertijd deregulatie in de financiële sector waardoor de economie crashte. We zouden ons moeten bevrijden van dat conflict in onze manier van denken. Ik ben optimistisch omdat er wegen openliggen die tot verandering kunnen leiden. En ik zie ook steeds meer mensen die echt verandering willen. Trouwens: hoe groter onze problemen, hoe luider de roep om verandering zal weerklinken.

Tim Jackson, Welvaart zonder groei. Economie voor een eindige planeet, Uitgeverij Jan van Arckel, Oikos, 14,95 euro, ISBN: 978-90-6224-494-2

© Jan Stevens

Dieren eten

De Amerikaanse schrijver Jonathan Safran Foer bestormde de bestsellerlijsten met zijn romans Alles is verlicht en Extreem luid & ongelooflijk dichtbij. Met zijn nieuwste boek Dieren eten schreef hij zijn eerste non-fictiewerk. Hij deed diepgravend onderzoek naar hoe en waarom mensen dieren eten, zweerde prompt zelf alle vlees af en haalde zich de woede op de hals van de bio-industrie én van doorwinterde vegetariërs. 

Middernacht. De gevierde schrijver Jonathan Safran Foer (°1977) zit samen met een dierenrechtenactiviste in de auto te wachten in de buurt van een industriële kalkoenkwekerij in de Amerikaanse staat Californië. Foer heeft zich helemaal in het zwart gehuld, draagt operatiesloffen over zijn schoenen en rubberen handschoenen over zijn nerveus trillende handen. Binnen een paar minuten zullen hij en zijn metgezellin over de prikkeldraad klauteren en de kwekerij binnendringen. De schrijver is er niet gerust in. In zijn verbeelding ziet hij “een zwaarbewapende boer die net uit zijn REM-slaap is gewekt en mijn wijsgerige persoontje ziet, iemand die de leefomstandigheden van zijn kalkoenen aan de kaak wil stellen. Hij spant zijn dubbelloops, ik ontspan mijn sluitspier, en dan… wat?”

De nachtelijke inspectietocht past in een project dat Jonathan Safran Foer startte toen zijn vrouw, schrijfster Nicole Krauss, zwanger was van hun eerste kind. “Ik besefte toen dat ik keuzes moest maken over wat mijn zoon later zou eten”, zegt hij. “Ik denk dat elke kersverse ouder zich dat afvraagt. Ik nam dat heel ernstig en ik wou er voor eens en voorgoed komaf mee maken. Als kind al stelde ik me vragen over het eten van dieren. Dat had niets te maken met de vraag of het goed of fout was, maar met het feit dat het niet overeenstemde met wat mijn ouders me over dieren leerden: ‘Geef de hond geen schop, want anders krijg je met ons te doen.’ Ik vond het als negenjarig jongetje heel raar dat we lief moesten zijn tegen honden, maar wel tegelijkertijd kippen à volonté aten. Uiteindelijk leerde ik ermee leven, ook al bleef het knagen. Met de zwangerschap van mijn vrouw werd vlees eten een acuut probleem. Mijn hele leven lang ben ik meer dan eens vegetariër geworden. Zoals zoveel mensen zat ik gevangen in een bizarre slingerbeweging tussen wel en niet vlees eten. Het was zoiets als stoppen met roken. Maar die slinger is niet iets wat mensen nastreven; eigenlijk willen ze rechtlijnigheid. Dus ben ik de wijde wereld ingetrokken, op zoek naar alles wat er te weten valt over de vleesindustrie. Ik heb ook proberen te achterhalen wat mijn eigen instincten zijn, wat ik goed vind en wat niet. Bij het begin van mijn ‘odyssee’ had ik geen flauw benul hoe lang die reis zou duren. Uiteindelijk heb ik er vier jaar over gedaan. In het begin wist ik zelfs niet dat het resultaat dit boek zou zijn. Het uitgangspunt om mijn zoektocht door de vleesproducerende industrie te starten was de gezondheid van mijn zoon. Dat was toen het allerbelangrijkste. Als ik had ontdekt dat de industrie op een fatsoenlijke manier met dieren omgaat en dat vlees eten gezond is, was ik er waarschijnlijk snel mee gestopt.”

Bio-industrie

Jonathan Safran Foer nam twee researchers in dienst en zocht contact met dierenrechtenactivisten die hem toegang konden helpen verschaffen tot de fabrieken en terreinen van grote vleesproducenten. Foer: “Het schrijven van Dieren eten was een waanzinnig avontuur. Ik heb krankzinnige dingen gedaan. Ik heb nooit de wet overtreden, maar ik ben inderdaad wel midden in de nacht boerderijen binnengedrongen met ervaren activisten. De veeteelt in Amerika hult zich in geheimzinnigheid. Je kunt als leek geen enkele boerderij bezoeken die op een industriële wijze vlees produceert. Ze hebben teveel te verbergen. Ze vertrouwen geen nieuwsgierige consumenten. Ik heb stapels brieven geschreven naar vleesfabrikanten met de vraag of ik hun boerderijen mocht bezoeken en met hun vertegenwoordigers kon spreken. De aanhef van die brieven was altijd dezelfde: ‘Ik ben sinds kort vader geworden en wil graag zoveel mogelijk te weten komen over de vleesindustrie, zodat ik goed geïnformeerd kan beslissen wat ik mijn zoon te eten wil geven.’ Ik kreeg geen antwoord. Dus nam ik op een bepaald moment het heft zelf in handen.”

En zo drong u op een nacht binnen in die kalkoenkwekerij in Californië.

FOER: Wat ik daar gezien heb, was afschuwelijk. Het was een bedrijf bestaande uit zeven loodsen van 130 meter breed en 150 meter lang, met in elke loods 25.000 vogels. We stapten binnen in zo’n loods en het eerste wat me opviel was dat ze middenin de nacht baadde in het licht. Tienduizenden kuikens zaten er opeen geperst onder een paar verwarmingslampen. Die dienden als surrogaat voor hun moeders. Tussen de levende dieren lagen her en der dode exemplaren. Ze zaten onder het bloed en onder de zweren. Neem 100 willekeurige Amerikanen en breng hen naar een van de boerderijen waar op een industriële wijze vlees geproduceerd wordt; ik ben er zeker van dat 95 mensen zullen zeggen: ‘Ik wil dit vlees niet meer. Hier wil ik niet langer mijn geld aan spenderen.’ Er bestaat een heel brede consensus dat het verkeerd is om wreed te zijn tegenover dieren. Alleen schijnt bijna niemand te weten hoe het er in de bio-industrie werkelijk aan toegaat. Door Dieren eten te schrijven, heb ik geprobeerd om die werkelijkheid zichtbaar te maken, in de hoop dat het boek een aantal mensen zal overtuigen hun voedingsgewoonten drastisch aan te passen.

Het was voor uzelf ook een schok om te ontdekken hoe het er in de bio-industrie aan toegaat?

FOER: Het was niet echt een schok om te ontdekken dat wreedheid jegens dieren in de bio-industrie voorkomt, het was schokkend om erachter te komen dat het overal is. Ik wist wel dat een aantal bedrijven niet deugt, maar ik wist niet dat letterlijk meer dan 99% van de Amerikaanse vleesbedrijven ware folterkamers zijn. Al het vlees dat je bij ons in de supermarkt kunt kopen en dat je in restaurants op je bord krijgt, komt van industriële boerderijen waar dieren op een wrede wijze behandeld worden. De bio-industrie streeft niet naar maximaal welzijn voor de dieren, maar naar maximaal rendement. Met als gevolg dat dieren in te kleine of overvolle hokken gehouden worden, dat ze herleid worden tot broedmachines en dat ze volgepompt worden met geneesmiddelen om te voorkomen dat ze te vroeg het loodje leggen.

Westerlingen eten massaal veel vlees, zeker de Amerikanen. Die gewoonte is relatief nieuw. Elke Amerikaan eet nu honderd keer meer vlees dan een eeuw geleden. Als het vijf of tien keer meer zou zijn, zou dat al een hele ‘prestatie’ zijn. Maar honderd keer? Die ongebreidelde consumptie is de motor achter de boomende bio-industrie. We weten niet meer waar ons voedsel vandaan komt, maar we staan er wel op dat het goedkoop geproduceerd wordt. Met alle gevolgen van dien. In de voorbije vijftig jaar steeg de prijs van een huis met bijna 1500 % en werd een nieuwe auto ruim 1400 % duurder. De prijs van het kippenvlees is in die tijd niet eens verdubbeld. Dat hebben we te ‘danken’ aan de bio-industrie. Zij heeft varkens, kippen en koeien gereduceerd tot producten die zo goedkoop en massaal mogelijk ‘geproduceerd’ worden. Onze oplossingen om het voedsel veiliger te maken, bestaan voornamelijk uit het gebruik van chemicaliën om alle virussen en bacteriën te doden. De USDA, het Amerikaanse ministerie van Landbouw, is niet alleen verantwoordelijk voor het opstellen van voedingsrichtlijnen, maar ook voor het promoten van de Amerikaanse landbouwindustrie. Zelfs zij stelt dat we 40% teveel vlees eten. We zijn er verslaafd aan geraakt. Dat is geen toeval. Fastfood wordt opzettelijk geproduceerd met zoveel mogelijk vetten en koolhydraten. Veel gewone Amerikanen hebben geen toegang tot kwaliteitsvol voedsel. De industriële productie zorgt voor ongezond vlees. Af en toe zijn er mensen die serieuze gezondheidsproblemen krijgen door het eten van vlees en daardoor voor de rest van hun leven in een rolstoel belanden. Maar veel beangstigender is dat ontelbaar veel mensen er voedselvergiftiging door krijgen. Elk jaar lopen 76 miljoen Amerikanen een vergiftiging op door het eten van vlees. En dan is er de overduidelijke link tussen de bio-industrie en pandemieën. De belangrijkste voorganger van de varkensgriep ontstond in North Carolina, de staat met de meeste varkensmesterijen van de VS, en verspreidde zich toen razendsnel over Noord en Zuid-Amerika en zo verder over de rest van de wereld. In theorie wordt de Amerikaanse vleesverwerkende industrie gescreend. Maar in de praktijk wordt er zoveel vlees geproduceerd dat niemand er nog enige controle over heeft.

Vegetariër

Dus is het volgens u verstandiger om vegetariër te worden. Is het dan niet zo dat vegetariërs op lange termijn ook gezondheidsproblemen kunnen krijgen door een vitaminetekort?

FOER: In het begin van mijn zoektocht voerde ik vooral gesprekken met voedingsdeskundigen. Ik heb toen niemand gevonden die stelde dat vlees eten een noodzakelijk onderdeel van een gezond dieet is. Als je dieren eet die op een fatsoenlijke manier behandeld zijn, goed voedsel gekregen hebben en niet vol hormonen of antibiotica gepompt zijn, kan vlees natuurlijk wel gezond zijn. Maar je hebt het niet echt nodig. Er is een tijd geweest dat deskundigen beweerden dat vegetariërs op lange termijn gezondheidsproblemen ontwikkelen, maar nu zijn ze het erover eens dat dat niet zo hoeft te zijn. De American Dietetic Association is voor de VS dé standaard als het op gezonde voeding aankomt. De instelling heeft geen politieke agenda en stelt onomwonden dat een vegetarisch dieet minstens even gezond is als een dieet waar vlees een vast onderdeel van vormt. Volgens hen zijn vegetariërs met een uitgebalanceerd dieet zelfs gezonder. Niet alle studies komen tot eensluidende conclusies, maar niemand heeft ooit kunnen ontkennen dat vegetariërs langer leven. Dat geldt niet alleen voor Amerikanen, maar voor vegetariërs uit alle culturen en sociale klassen, waar ook ter wereld. Ik vind dat een overtuigend argument dat vegetarisme gezonder is. Daar komt bij dat al dan niet vlees eten ook vanuit ecologisch standpunt een belangrijke ethische kwestie is. Je hoort daar bijzonder weinig over, maar de veeteelt is de hoofdoorzaak van de klimaatverandering. Ze is verantwoordelijk voor 18% van de totale CO2-uitstoot. Diereneters stoten dan weer zeven keer zoveel broeikasgassen uit als vegetariërs. Volgens de Verenigde Naties is de veeteelt niet alleen hoofdverantwoordelijke voor de klimaatverandering, maar ook voor verschraling, luchtvervuiling, waterschaarste, watervervuiling en afnemende biodiversiteit. Steeds meer mensen raken ervan overtuigd dat we ingrijpende maatregelen moeten nemen om de klimaatverandering tegen te gaan, maar hun voedsel laten ze daarbij buiten beschouwing. Oké, ik begrijp waarom. Ze willen wel over het milieu nadenken, maar ze zijn nog niet bereid om daar hun eetgewoonten in te betrekken. Dat is niet gemakkelijk. Misschien is het verstandiger om milieubehoud voor te stellen als een set van keuzes: laat ik de lichten aan als ik de kamer uitstap, of doe ik ze uit? Koop ik een efficiënte auto of een benzinezuiper? Neem ik het vliegtuig, ook al weet ik dat vliegen catastrofaal is voor het milieu? Niemand is een perfecte ecologist. Maar dat wil niet zeggen dat we niet moeten proberen om betere keuzes te maken. De discussie over voedsel en over het eten van vlees voeren we best op juist dezelfde manier. We moeten afstappen van de absolutistische taal. Het gaat niet over alles of niets. De meeste mensen zitten ergens in het midden, en ze willen echt wel meer doen, maar ze slagen er niet altijd in.

Dat is meteen ook het grootste verwijt dat u van diehard vegetariërs krijgt: u bent een bourgeoisvegetariër die ermee kan leven dat mensen dieren eten die op een ‘fatsoenlijke’ manier gekweekt en geslacht zijn.

FOER: ‘Vegetarisme voor iedereen’ werkt niet. Ik wil niemand dwingen om vegetariër te worden, en ik raad mensen inderdaad aan om vlees te eten dat afkomstig is van bonafide boerderijen. Daarover verschil ik van mening met diehard vegetariërs. Maar dat is slechts een zeer klein onderdeel, want over 95% van de zaak zijn we het eens. Als we een mentaliteitswijziging willen bewerkstelligen, lijkt het me veel verstandiger om ons te concentreren op die 95%. Door te blijven verkondigen dat vlees eten helemaal uit den boze is, schrikken we mensen af en blijft vegetarisme een elitaire bezigheid voor een kleine groep mensen. Zo werkt het toch? Als je voortdurend met een belerend vingertje staat te zwaaien, krijg je het tegengestelde effect. Misschien zit er hypocrisie in wat ik schrijf. Al vind ik zelf van niet. Ik maak me zorgen over het welzijn van dieren, het welzijn van mensen en over de staat van ons leefmilieu. Als je daar verbetering in wil, moet je een beetje flexibel zijn. Ik krijg soms snoeiharde kritiek op dit boek. Ik was me ervan bewust dat het heel controversieel zou zijn, en dat mensen me zouden verfoeien terwijl ze het aan het lezen zijn. Sommigen vinden mijn stijl vervelend, anderen vinden me sowieso een zeurpiet, maar niemand vindt dat het er niet toe doet. Niemand zegt: ‘Waar heeft die Jonathan Safran Foer nu zijn tijd in gestoken?’ Wat ik aankaart, gaat over universele waarden. Dat wordt door iedereen erkend. Schrijvers hebben trouwens altijd al ferme standpunten ingenomen. Vooral over politieke issues, zeker in Europa. In Amerika is die traditie een beetje verdwenen. Een van de taken van een schrijver is om empathie bij de lezer uit te lokken: hem vragen dat hij zorg draagt voor dingen die niet direct van hemzelf zijn.

Bent u het eens met de titel van een oud liedje van The Smiths: ‘Meat is murder’?

FOER: Het hangt ervan af hoe je moord definieert. Om aan vlees te geraken, moet je natuurlijk een dier doden. Maar dieren zijn geen mensen. We zien onze honden en katten als onze beste vrienden, en dat is natuurlijk een vergissing. Je moet niet van boerderijdieren houden; je mag ze best anders behandelen dan gedomesticeerde dieren. Je mag ze alleen niet haten. Je hoeft ze zeker niet te behandelen als mensen, zelfs niet als huisdieren, maar gewoon als levende wezens.

Als we echt iets willen doen aan de CO2-uitstoot zouden we volgens sommigen ook beter onze eigen honden en katten opeten.

FOER: De hond opeten, gaat te ver voor mij. Al som ik in mijn boek wel alle argumenten op waarom we wel of niet onze hond zouden moeten opeten. (lacht) Je kunt je afvragen of honden echt wel zo intelligent zijn – misschien zijn varkens veel slimmer. Die beesten kunnen niet op de achterbank van de auto springen, maar ze kunnen wel rondrennen, spelen, apporteren en ze reageren ook als je ze aait. Dus waarom moeten zij onder het mes en de hond niet? Waarom mag hij wel op het tapijt voor de haard komen liggen? Ik heb zelf een hond en ik zou hem voor geen goud willen missen. (cynisch) Er zijn trouwens nog manieren om iets aan de klimaatverandering en de milieuverontreiniging te doen. Bijvoorbeeld: jaag de helft van de wereldbevolking over de kling.

Zou u zelf een dier kunnen doden?

FOER: Ik heb nog nooit een dier gedood, maar als het moet zou ik dat wel kunnen. Je weet nooit in wat voor een situatie je ooit terecht komt. Een dier kunnen doden, bewijst niets. Sommige vegetariërs stellen: ‘Als je een dier wil eten, moet je ook bereid zijn om het zelf te doden.’ Ik vind dat een rare redenering. Ik eet nu helemaal geen vlees meer. Ook geen dieren die op een verantwoorde manier gekweekt zijn en een fatsoenlijk leven gehad hebben. Ik heb echt problemen met de hele vleesindustrie in mijn land. Ik wil daar op geen enkele manier deel van uitmaken. Ik geloof ook niet dat de bio-industrie op een of andere manier gered kan worden. Er moet een totaal nieuw systeem op poten gezet worden. We moeten weg van die grote industriële boerderijen naar kleine, diervriendelijke boerderijen. Naar het soort van boerderijen dat we vijftig jaar geleden in Amerika hadden. Als alle boerderijen zo zouden zijn, had ik mijn boek nooit geschreven. Is dat nostalgie? Nu kan zoiets nooit werken, dat is juist. Je kunt negen miljard mensen die als Amerikanen eten, nooit van vlees voorzien dat op kleine schaal gekweekt is. Want dat is wat nu aan het gebeuren is: de wereldbevolking is aan een inhaalbeweging bezig. Elke Amerikaan eet jaarlijks gemiddeld bijna dertig exemplaren gevogelte. Als de wereldbevolking ons voorbeeld volgt, eten we straks met z’n allen 165 miljard kippen per jaar. In China en India groeit de pluimvee-industrie sinds de jaren tachtig jaarlijks tussen de 5 en 13%. Dat is een heilloze weg. Er is maar een mogelijke oplossing: we moeten onze eetgewoonten drastisch veranderen. De enige manier om onze planeet te redden, is een globale beweging in de richting van het vegetarisme. We moeten dus dringend nadenken over hoe we niet alleen anders moeten gaan leven, maar ook anders moeten gaan eten. Er is geen reden om aan te nemen dat we dat niet zouden kunnen. Kijk maar naar het roken: tot voor een paar jaar was dat hip, nu is het not done en zweren steeds meer mensen de sigaret af. Of denk aan alcohol en autorijden. Vroeger maakte niemand er een punt van dat je met een paar glazen op achter het stuur kroop. Nu is dat een taboe. Op dezelfde manier moet er gesensibiliseerd worden rond vlees: we zullen er veel en veel minder moeten van gaan consumeren. Ondertussen kunnen we onze hoop vestigen op kleine boerderijen. Ze zijn veel beter voor het milieu en voor dieren. Maar ik ben niet naïef: de wereld zal zich morgen niet massaal tot het vegetarisme ‘bekeren’.

Uw twee kinderen eten nu geen vlees. Wat als ze later zouden beslissen om toch af en een toe een sappige biefstuk op hun bord te leggen?

FOER: Dat zal dan hun beslissing zijn. Waarschijnlijk zullen ze later nog veel andere beslissingen nemen waar ik het absoluut niet eens mee kan zijn. Maar het is niet mijn bedoeling om kleine replica’s van mezelf te creëren. Mijn doel is om mijn kinderen op te voeden tot volwassenen die in staat zijn om de juiste keuzes te maken. Misschien zullen die anders zijn dan die van mij, ik hoop alleen dat ze altijd zullen beseffen dat sommige keuzes die ze maken, serieuze gevolgen kunnen hebben.

Jonathan Safran Foer, Dieren eten, Ambo/Manteau, Amsterdam, Antwerpen, 336 blz., 19,95 euro.

 

©Jan Stevens