“We raken hier alleen uit door samen te werken, óók met China”

De kredietcrisis is amper verteerd of we zitten in een nieuwe, mondiale gezondheidscrisis. Volgens de Nederlandse econoom en ex-centraal bankier Nout Wellink (77) hakt corona er als we niet opletten economisch en financieel nog veel dieper in.

Nout Wellink was in 2008 president van de Nederlandsche Bank (DNB) toen de kredietcrisis losbarstte. In juli 2011 nam hij na 29 jaar trouwe dienst, waarvan 14 als president, afscheid van de DNB. Vandaag is hij niet uitvoerend lid van de raad van bestuur van de Industrial and Commercial Bank of China (ICBC). “Dat is de grootste bank ter wereld”, zegt hij. “Als ‘niet uitvoerend bestuurder’ bepaal ik mee de strategie, maar ben ik niet betrokken bij het dagelijks beleid.”

Sinds begin maart leeft hij samen met zijn vrouw in quarantaine. “Mijn vrouw behoort tot een risicogroep en is kwetsbaar, dus moeten we voorzichtig zijn. De kinderen en kleinkinderen zwaaien van buiten naar ons. We laten alles thuisbezorgen en er komt niemand binnen. De voorbije maanden had ik dan ook veel tijd om een boek te schrijven.”

In zijn boek Ontgelden blikt hij middenin de coronacrisis terug op hoe hij de kredietcrisis ervaren heeft, maar kijkt hij ook vooruit naar de toekomst. “Door mijn werk bij de ICBC heb ik nauw contact met veel mensen in China. Ik zie hoe zij met strenge maatregelen corona zeer kordaat aanpakken, maar ik zie tezelfdertijd ook hoe dat virus telkens weer boven water komt. Ik ben dus niet zo gerust in de afloop als sommigen. Stel dat er nu een nóg heviger schuldencrisis komt dan die van na de kredietcrisis: hoe zullen we daarmee omgaan? Het verontrustende is dat we er geopolitiek maar niet in lijken te slagen vat op de werkelijkheid te krijgen. Corona is een grensoverschrijdend probleem, maar tot hiertoe lukt het ons niet het internationaal in te dijken of aan te pakken. Terwijl dat net dringend nodig is: politici moeten hier samen proberen uit te komen, in overleg met China. Ik beweer niet dat het makkelijk zal zijn. We kunnen dan wel jammeren: ‘Die Chinezen doen dingen die wij niet willen’, maar corona en ook de klimaatverandering teisteren ons allemaal. We hebben geen andere keuze dan die grote crisissen samen oplossen.”

Hebt u indertijd als president van De Nederlandsche Bank de kredietcrisis onderschat?

“In 2007 zagen we dat er problemen waren, maar wij, centrale bankiers, geloofden dat we ze met onze traditionele instrumenten de baas konden. In het voorjaar van 2008 begonnen we ons steeds meer zorgen te maken. Bear Stearns konden we nog redden, maar Lehman Brothers niet meer. Het hele systeem was vermolmd. Maar zelfs nadat de crisis in september 2008 echt losbarstte, verkondigden sommigen: ‘Ach, dit herstelt in 2009 wel.’”

Datzelfde geluid horen we nu toch ook? “Als er tegen eind dit jaar een vaccin is, wordt het snel weer business as usual.”

“Inderdaad, sommigen gaan ervan uit dat de markt meteen weer zal opveren als er een vaccin is. Ze lijken te vergeten dat het eerst nog geproduceerd moet worden. Veel zal afhangen van hoe effectief het zal zijn. Dit virus is een blijvertje, net als de pest uit de 14e eeuw. Die is er nog steeds en steekt in Afrika af en toe de kop op, alleen weten we nu wat we ertegen moeten doen. Met zo’n virus leren omgaan, is een langzaam leerproces. We zijn té snel té optimistisch.

“Bij de financiële crisis was achteraf duidelijk waar het misliep: bij dat deel van de financiële wereld en het bedrijfsleven dat geloofde: the sky is the limit. Die crisis liep danig uit de hand, maar door de financiële sector te saneren, kregen we de zaak weer onder controle. Achteraf beschouwd waren er toen genoeg voortekenen dat het ging mislopen. Er werden te grote risico’s genomen en te gekke salarissen uitbetaald. Het risicomanagement van de banken was ondermaats, waardoor ze onvoldoende zicht hadden op de risico’s die ze namen. Die fouten werden niet doelbewust gemaakt; we onderschatten de gevolgen van onverwachte gebeurtenissen. Ook centrale bankiers en toezichthouders maakten zich geen zorgen. De onderschatting werd in de hand gewerkt door de globalisering in de bankensector. We haalden zo onbeheersbare risico’s binnen. Vaak hadden we geen zicht op wat er in een ver buitenland misging, maar die fouten slopen vervolgens wel bij ons binnen. Tezelfdertijd werd er duchtig geïnnoveerd. Maar innovatie is altijd riskant.”

De lof van innovatie wordt toch altijd gezongen? Want geen vernieuwing betekent stagnatie.

“Die lofzang is er nog steeds. Begrijp me niet verkeerd: we moéten innoveren, maar soms gaat dat flink mis. In de loop der jaren werden er talloos veel nieuwe, innovatieve financiële instrumenten op stormachtige wijze ontwikkeld. Van sommige ontzettend complexe producten hadden de banken totaal geen zicht meer op de risico’s. Andere producten waren best zinvol, maar het risico kwam terecht bij onwetende mensen die dat eigenlijk niet konden dragen.

“Naast globalisering en innovatie was er nog een derde factor die het bedje spreidde voor de kredietcrisis: de deregulering. Zoveel mogelijk regels moesten op de schop, want die belemmerden alleen maar die felbejubelde innovatie en globalisering. In de VS werden de muren gesloopt tussen banken, effectenbedrijven en verzekeringsmaatschappijen. Dat zou de concurrentie in de financiële sector zogezegd ten goede komen. Dat liep dus faliekant af.”

De coronacrisis is vergelijkbaar met die financiële crisis?

“Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) ging in 2011 op zoek naar een verklaring voor de kredietcrisis en zag vier oorzaken: brute pech, het complexe systeem dat ons boven het hoofd was gegroeid, politieke omstandigheden en groepsdenken. Die laatste twee duiken nu ook bij de coronacrisis op. Een extreem voorbeeld van hoe de politiek de coronacrisis verergert, is de aanpak van de Braziliaanse president Bolsonaro. Die man is gewoon een idioot. Hij beweert dat corona niet ernstig is, terwijl de doden bij bosjes vallen. Hetzelfde soort van politieke beïnvloeding zien we in de VS. Gelukkig is dat in Europa heel wat minder.

“Groepsdenken speelt een zeer grote rol in de huidige crisis. Velen dachten in het begin dat corona een ver-van-hun-bed-show was. ‘Het is een probleem voor de Chinezen.’ Wat natuurlijk erg kortzichtig was, want een virus reist. Toch waren er virologen die susten dat het zo’n vaart niet zou lopen.

“Bijna meteen na de uitbraak ontving ik bezorgde berichten van Chinese vrienden. Ze maakten zich grote zorgen over de Europese aanpak. ‘Hoe gaat het met je?’ mailden ze. ‘Kunnen we je helpen?’ Ze stuurden me spontaan mondkapjes en reinigingsmiddelen. In juni ontstond hier in Nederland discussie of het virus via de airconditioning verspreid kon worden. In april waarschuwden mijn Chinese vrienden me: ‘Pas op in een gebouw met airconditioning.’ In februari lieten ze me weten: ‘We zagen op de tv dat ze je aanraden in je mouw te niezen. Je trekt je trui daarna toch even uit? Want als het virus je te pakken heeft, is die trui een paar uur lang besmet.’ Dat werd er hier niet bij verteld.”

De Chinese lockdowns zoals die van Wuhan waren andere koek dan de lockdowns in België en Nederland?

“O ja. Wij Nederlanders noemden onze lockdown ‘intelligent’. De versoepelingsmaatregelen van de Chinese lockdowns waren nog véél strenger dan onze zogenaamde ‘slimme lockdown’. Natuurlijk mag je landen niet zomaar met elkaar vergelijken, maar toch. In januari al had Taiwan de coronacrisis goed onder controle. De Taiwanese overheid had lessen getrokken uit de ervaringen met het SARS-virus in 2003. Reizigers uit Wuhan werden meteen getest en in quarantaine geplaatst en hun contacten werden gescreend. Zo konden ze een langdurige lockdown vermijden. Tot in het Nederlandse parlement werd daar toen neerbuigend op gereageerd. ‘Ach, dat is een andere cultuur.’ Per miljoen inwoners heeft Taiwan op dit moment nog maar één dode. Het is dus duidelijk: om dit virus te verslaan, moét de overheid strenge maatregelen nemen.”

De angst is groot dat door te strenge maatregelen de economie compleet kopje onder zal gaan.

“Dat is gewoon niet zo, omdat je het virus dan sneller onder controle krijgt. Het leven in Taiwan verloopt op dit moment bijna zo goed als normaal, ook al zijn er nog uitbraken. China is het eerste grote land dat in het tweede kwartaal van dit jaar opnieuw groei optekende. De verwachting is dat zich dat in de tweede helft van het jaar zal voortzetten. Er is inderdaad feller ingegrepen, maar tezelfdertijd herstellen ze sneller.”

China is een autoritair geleid land. Harder en sneller ingrijpen is er makkelijker dan hier.

“Taiwan, Australië of Nieuw-Zeeland worden niet autoritair geleid. Toch grepen ook zij snel en hard in. Australië heeft per miljoen mensen maar 19 doden, Nieuw-Zeeland slechts 5. Duitsland telt 111 doden per miljoen inwoners en Nederland 361. Terwijl we toch heel sterk op elkaar lijken. Hoe is dat grote verschil te verklaren? Doordat ze in Duitsland veel eerder in gang schoten én veel harder ingrepen. De Duitse economie is er niet veel slechter aan toe dan de Nederlandse.”

Nederland had eind 2019 op de begroting 14 miljard euro over, België had 9 miljard euro te kort. Net als bij jullie wordt er ook bij ons gul met miljarden gestrooid om de economie te stutten. Alleen: jullie hadden een buffer; wij niet. Hoe eindigt dit?

“Dat vraag ik me eerlijk gezegd ook af. De voorbije maanden hielden we op een kunstmatige wijze allerlei zaken overeind: lonen werden doorbetaald, er werd belastinguitstel gegeven… Maar hoe zal de economie reageren wanneer al die maatregelen worden afgebouwd? Wat komt er dan boven water? De economie verandert sowieso, want een aantal sectoren zal lang blijven worstelen met de gevolgen van de crisis. De onzekerheid is immens. Maar al die steunmaatregelen zijn te verantwoorden, net als het EU-coronafonds van 750 miljard euro. Alleen wordt over het échte onderliggende probleem nauwelijks gesproken: in een aantal landen waren de schuldposities al zeer hoog. De stilvallende economie zorgt voor een forse dip in de belastinginkomsten, terwijl er miljarden aan steun worden uitbetaald. Wat voor effect heeft dat op de schulden? Ik hoor nu iets te makkelijk verkondigen: ‘Ach, kijk naar Japan. Dat land leeft al jaren met een hoge schuld.’”

U bent geen fan van economen zoals Paul De Grauwe die stellen dat regeringen nu miljarden moeten uitgeven om de bedrijven en de economie te redden?

“Paul De Grauwe koppelt er een aantal voorwaarden aan die steekhouden. Hij zegt dat de steun eenmalig moet zijn en niet kan blijven duren. Zijn tweede voorwaarde is dat de economie terug moet groeien. Alleen: ondanks enorme stimulansen en een gigantisch begrotingstekort van 250 procent is de Japanse economie na al die jaren nog steeds niet echt gaan groeien. De Grauwe en co. zeggen ook: ‘Oké, de schuldquotes stijgen, maar gelukkig is de rente erg laag en dat zal wellicht nog lang duren. We kunnen ons dat dus wel veroorloven.’ Voor westerse landen is er misschien voorlopig nog niets aan de hand, maar sommige ontwikkelingslanden komen zelfs met die lage rente nu al in de problemen. De schuldeisers willen daar niet zo lang wachten om hun geld terug te eisen.

“Italië heeft een veel hogere schuldquote dan Nederland. Ook België heeft een hogere schuldquote. Maar Italië kende de voorbije 15 jaar geen groei. De crisis zal daar dus harder toeslaan; het nationale inkomen zal er sneller en feller terugvallen. Doordat we in een monetaire unie zitten, kunnen we het ons niet permitteren om de rente in Italië te laten stijgen. Iets wat in normale omstandigheden onvermijdelijk is, maar nu totaal onmogelijk wordt. Het gevolg is dat de Europese Centrale Bank (ECB) moet tussenkomen. Allerlei geleerde heren vinden dat inderdaad dé oplossing. Alsof de ECB onbeperkt schulden kan blijven bijkopen.”

Wat vindt u van de manier waarop Donald Trump China aanpakt?

“Een regelrechte ramp. China is een heel groot land dat zich sterk aan het ontwikkelen is. Tot begin 19e eeuw had het een derde van de wereldeconomie in handen. Ze pikken die draad terug op en of we dat nu willen of niet: dat proces gaat verder. We kunnen het zoals Trump proberen vertragen door de levering van hightech te verhinderen. Maar die evolutie stoppen lukt niet. Dus moeten we ons afvragen hoe we in de wereld van morgen omgaan met een land dat wil deelnemen aan de markteconomie. Want dat willen ze écht: daarom ook houden ze zich wel degelijk aan een aantal internationale regels.”

China heeft niet langer een door de communistische partij geleide planeconomie?

“Er zitten nog steeds elementen van centrale leiding in hun economie waar wij een broertje aan dood hebben. Daar kunnen we niets aan veranderen, tenzij we tegen hen ten strijde trekken en een oorlog ontketenen waarvan de uitkomst hoogst onzeker is. Mij lijkt het verstandiger dat we ons afvragen: hoe kunnen we ondanks onze soms fundamenteel verschillende filosofieën toch op één planeet samenleven? Ik beweer niet dat we alles van hen moeten aanvaarden, wel dat we door met hen te discussiëren een evenwicht proberen na te streven. Hoe gedroegen wij ons toen we er na de Eerste en Tweede Wereldoorlog bovenop wilden komen? In Nederland hebben we de staal- en scheepsbouwindustrie ook lange tijd gesteund. Zowat alle Europese landen ondersteunden in een bepaalde fase van hun ontwikkeling hun bedrijven. Ons gesprek met China moet gaan over voorkomen dat hun staatssteun buiten hun grenzen verstorend werkt.”

Moeten we ook niet praten over mensenrechten en democratie?

“Jawel, maar we moeten er dan ook voor zorgen dat we eerst zelf onze mensenrechtenkwesties op orde hebben. Hoeveel vluchtelingen zitten er aan onze grenzen in de meest beroerde omstandigheden in kampen? Misschien zijn die er wel veel slechter aan toe dan de Oigoeren in de Chinese provincie Xinjiang. U zal me niet horen verdedigen wat er mogelijk met hen gebeurd is. Maar van de Chinezen hoor ik dat er honderden aanslagen zijn geweest en dat ook wij anders zouden reageren als ons iets gelijkaardigs was overkomen. Hoe is het gesteld met de vluchtelingen aan de Amerikaanse grens? Hoe worden zwarten op sommige plaatsen in de VS behandeld? Ik praat niets goed van wat er in China fout zou gaan. Maar door eerst voor onze eigen deur te vegen, winnen we geloofwaardigheid.”

Europa houdt zich sowieso toch erg stil? Er wordt amper geprotesteerd tegen de gespierde manier waarop China zijn greep verstevigt op Hongkong.

“De toestand in Hongkong wordt hier heel eenzijdig voorgesteld. Op tv kon u zien hoe Trump in juli tegen de zin van de lokale overheden en de burgers zijn federale troepen naar Portland stuurde. Natuurlijk is dat van een andere dimensie dan het optreden van China in Hongkong, maar dit illustreert wel dat niet enkel de Chinezen boter op het hoofd hebben.”

Trump wordt in november misschien weggestemd. President Xi heeft geen last van verkiezingen.

“Sommige waarnemers maken zich grote zorgen dat Trump niet zal willen verdwijnen. Kijk, het is duidelijk dat er grote onvrede in Hongkong is. Er is ontevredenheid over sociale omstandigheden en er is angst voor wat er in 2047 zal gebeuren, als het principe ‘één land, twee systemen’ ophoudt te bestaan. Ik verdedig het Chinese optreden niet, maar ook aan de kant van de opstandelingen worden fouten gemaakt. Het verzet tegen sociale misstanden is intussen gekaapt door een groep die totale onafhankelijkheid van China eist, wat lijnrecht tegen de afspraken ingaat. In het akkoord over Hongkong tussen de Britten en de Chinezen staat dat ingrijpen in Hongkong mogelijk is als de nationale veiligheid in het gedrang komt. Er waren terreuraanslagen en er is die roep om onafhankelijkheid. In China is dat verboden, of u dat nu leuk vindt of niet. Spanje eist toch ook van België de uitlevering van Carles Puigdemont, de Catalaanse politicus die de onafhankelijkheid uitriep? We moeten over deze problemen praten in plaats van China meteen op een zwarte lijst te zetten.”

Nout Wellink

Geboren in 1943

Studeerde rechten aan de universiteit van Leiden en economie aan de universiteit van Rotterdam

Werkte vanaf 1970 als topambtenaar op het ministerie van Financiën

Werd in 1982 directielid bij De Nederlandsche Bank

1997 werd tot president van de DBN benoemd

2012 werd lid van de raad van bestuur van de Bank of China

2018 ruilde de Bank of China in voor de ICBC

Was lid van de raad van bestuur van de Europese Centrale Bank en voorzitter van het Bazels Comité voor Bankentoezicht

Nout Wellink, Ontgelden, De Arbeiderspers, 320 blzn, 22,50 euro

(c) Jan Stevens

“Rijke mensen zijn als een benzinetank die nooit gevuld raakt”

In zijn roman Kapitaal beschrijft John Lanchester op magistrale wijze het leven in Londen zoals het is tijdens De Grote Schuldencrisis. “Ik wou Londen tonen zoals ik het door mijn raam zie.”

December 2007. In de huizen van Pepys Road, een doodgewone straat in de wijk Clapham in Zuid-Londen, leven de bewoners hun dagelijkse leventje. In huisnummer 51 denkt bankier Roger Yount tijdens het dichtknopen van zijn op maat gemaakte kostuum uit Savile Row lekkerbekkend aan zijn kerstbonus van 1 miljoen pond; zijn vrouw Arabella houdt zich onledig met het zoeken naar een nieuwe nanny en met het uitdelen van bevelen aan de Poolse klusjesman Zbigniew. In nummer 42 speurt de hoogbejaarde Petunia Howe van achter haar kanten gordijn naar de komst van de thuisbesteldienst van de supermarkt en een paar huizen verder vult middenstander Ahmed in zijn buurtwinkel de rekken met de ochtendkranten. Terwijl in nummer 27 de zeventienjarige Senegalese voetbalbelofte Freddy Kamo in afwachting van zijn eerste wedstrijd bij zijn nieuwe club uit de Premier League videospelletjes speelt, slingert voor zijn voordeur de Zimbabwaanse parkeerwachter Quentina een foutgeparkeerde James Bondachtige Aston Martin op de bon. Het huiselijke geluk in Pepys Road lijkt niet stuk te kunnen, tot er op elke deurmat recente foto’s van elk huis vallen met daarop de dreigende tekst: ‘Wat Van Jou Is, Wordt Van Ons.’

Pepys Road is de setting voor Kapitaal van de Britse auteur John Lanchester (1962). In zijn schitterende roman schetst Lanchester op meeslepende wijze de impact van de financiële crisis op het leven van een dwarsdoorsnede van de hedendaagse Londense bevolking. Hij zoomt niet alleen in op de rijkere, gesettelde inwoners, maar ook op nieuwkomers zoals Zbigniew en Matya, de kersverse Hongaarse nanny van de Younts.

De straat in Clapham waar John Lanchester woont, lijkt een kopie van het door hem verzonnen Pepys Road. Ook hier stammen de lieflijke huizen uit het einde van de negentiende eeuw en werden ze in oorsprong gebouwd voor gezinnen uit de lagere middenklasse. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw namen de eerste zwarte gezinnen er hun intrek. Toen de huizenprijzen aan het einde van het Thatcherbewind langzaam begonnen te stijgen, verkochten zij hun woning aan meer begoede middenklassers die, toen de prijzen nog meer de pan uit swingden, op hun beurt hun huizen verkochten aan nog rijkere middenklassers. “Wij hebben ons huis twintig jaar geleden gekocht”, zegt Lanchester. “Nu zouden we het ons niet meer kunnen permitteren. Want vandaag is Clapham zeer geliefd bij bankiers die probleemloos 2,5 miljoen pond voor een rijtjeshuis zoals het onze neertellen. In twintig minuten brengt de metro hen van hier naar hun kantoren in Canary Wharf.”

De enige oorspronkelijke bewoner in Pepys Road is de stokoude Petunia Howe. Zijn in de meeste gelijkaardige Londense buurten de ‘originele bewoners’ verdwenen?

John Lanchester: “Ik sprak onlangs met een kunsthistoricus die een paar straten verder woont. Hij heeft drie decennia in Amerika geleefd en gewerkt. Dertig jaar geleden werd Clapham bevolkt door voornamelijk zwarte gezinnen waarvan de kostwinners vooral bij het Londense openbaar vervoer werkten. Mijn buurman vertelde me dat hij de eerste blanke inwijkeling in zijn straat was. De etnische samenstelling is ondertussen opnieuw totaal veranderd. De originele bewoners van vijftig jaar geleden zoals Petunia zijn bijna allemaal weg. Ik durf er veel op te verwedden dat je in mijn straat niemand van ouder dan 25 vindt die hier geboren is. Tijdens de Koude Oorlog maakten sommige Londense wetenschappers zich zorgen over wat de gevolgen voor de stad zouden zijn van een goed gemikte Russische atoombom. Ze gingen ervan uit dat het centrum weggevaagd zou worden en tekenden rond de plaats van de inslag cirkels: in de zone rond de bomkrater zouden er geen overlevenden zijn, in de zone daar rond zouden de overgebleven zwaargewonden een afschuwelijke dood sterven, in de zone daar rond zou het handvol overlevenden creperen aan een nucleaire winter. De bom is nooit gevallen, maar nu heeft geld wel iets gelijkaardigs veroorzaakt: de oorspronkelijke middenklassebewoners zijn onder druk van het grote geld steeds verder weg van het centrum van de stad naar de buitenwijken verdreven. Een goeie vriend van mij is opgegroeid in Chelsea; zijn vader was een ambtenaar en zijn moeder een leerkracht. Vandaag is Chelsea bevolkt met superrijke Russische oligarchen en Europese zakenbankiers. Zij hebben de ambtenaren, bedienden en leraars verder weg geduwd.”

De topverdieners hebben ondertussen ook Clapham veroverd?

“De echte superrijken zitten hier nog niet; die wonen in Mayfair en Knightsbridge. Bankier Roger Yount en zijn vrouw Arabella gedragen zich wel alsof ze tot die klasse behoren, maar ze hebben nog een lange weg te gaan. Mensen met honderden miljoenen ponden lachen met Roger, ook al verdient hij aardig zijn boterham. Hij moet nog nadenken over zijn hypotheek en zijn belastingaangiften; de superrijken houden zich daar niet meer mee bezig. Iemand vroeg me onlangs: ‘Waarom heb je de Younts afgeschilderd als door geld geobsedeerd? Zijn arme mensen soms fijner dan rijke?’ (lacht) Ik vind dat niet, maar ik denk wel dat armere mensen een realistischer verhouding met geld hebben. Het is een dagelijkse bekommernis voor hen, waardoor ze er bewuster mee om gaan. Mensen die meer dan genoeg geld hebben, worden onverzadigbaar en lijken op een benzinetank die nooit gevuld raakt. De laatste twintig jaar is er een ingrijpende verandering gekomen in onze houding tegenover consumptie: we zien het als iets dat eindeloos kan blijven uitbreiden en gedragen ons daar ook naar. We leven volgens het principe dat the sky the limit is en dat het ook prima is om steeds meer te willen. Ik vrees dat de Britten daar meer last van hebben dan anderen. In Frankrijk is dat toch anders: de Fransen hebben een hekel aan Sarkozy gekregen omwille van zijn consumptie en gruwen van zijn opzichtige horloge van 50.000 euro. Sarkozy heeft krampachtige pogingen ondernomen om die perceptie te veranderen, maar de Fransen blijven hem zien als een vulgaire kerel. In Groot-Brittannië en zeker in Londen is het begrip vulgariteit uit het woordenboek gewist. Ooit was het een belangrijke negatieve eigenschap: mensen namen aanstoot aan medemensen die met hun rijkdom te koop liepen. De gedachte dat ongebreidelde consumptie vulgair en slecht is, is weg. Voor Londenaars is het zelfs iets nastrevenswaardig geworden.”

Komt dat omdat Londen met de City het financiële hart van Europa huisvest?

“Zeker. De leden van de middenklasse vinden ongelijkheid best oké als ze zelf tot de welstellenden behoren, maar ze haten het als er mensen zijn die veel rijker zijn dan zij. In Londen wonen succesvolle medische specialisten en advocaten die woedend zijn omdat ze in verhouding tot de superrijken ‘arm’ zijn. De kerstbonus van 1 miljoen pond waar bankier Roger Yount op rekent, is echt geen overdrijving.

De bonussen in de City hebben meteen effect op de huizenprijzen in Londen. Ze hebben de demografische compositie van de stad fundamenteel veranderd. Dat vind je niet terug in Brussel of Parijs, maar is typisch voor steden met een grote financiële sector zoals Londen of New York. In Manhattan leeft er niemand meer zoals wij. Op dat eiland wonen geen journalisten, leraars of verplegers. De financiële sector heeft ervoor gezorgd dat het centrum van Londen en New York bevolkt wordt door mensen met een astronomisch inkomen die zich geen zorgen hoeven te maken over wat iets kost.”

Zet de kredietcrisis hen dan niet terug met hun voeten op de grond?

“De mensen die onder de kredietcrisis lijden, zijn niet degenen die er verantwoordelijk voor waren. De verantwoordelijken voor de excessen stellen het uitstekend en hebben daar amper een prijs voor betaald. Ik vind dat bijzonder gevaarlijk. De financiële sector heeft nog evenveel macht als vroeger, is niet aan banden gelegd en geniet van net dezelfde privileges als vóór de schuldencrisis. De kwalijke gevolgen van wat de financiële whizzkids hebben aangericht, worden niet door henzelf, maar door alle gewone burgers betaald. De keiharde realiteit is dat we pas aan het begin staan: vermoedelijk zal het ons een decennium kosten om de put te vullen die de financiële sector voor ons gegraven heeft. Kijk wat er met jullie bank Dexia gebeurd is: de verantwoordelijken voor het debacle zijn er niet armer op geworden, maar wie draait op voor de opkuis? De vijf hoogste toplui van Lehman Brothers hebben tussen 2000 en 2007 een miljard dollar aan salaris onder elkaar verdeeld en toen ging de bank failliet. Er zitten structurele fouten in het systeem. Dat is niet alleen verwerpelijk maar ook gevaarlijk, want de architectuur van dat systeem is nog steeds intact en de risico’s zijn nog even torenhoog. Onze regeringen hebben wel de macht om ons ten oorlog te sturen naar Irak of Afghanistan, maar beweren tezelfdertijd dat ze totaal onmachtig staan tegenover de financiële wereld. ‘Daar kunnen we helemaal niets aan doen want de markt regeert.’ Dat begrijp ik echt niet.”

Zbigniew, Matya en Quentina dromen zoals zoveel andere migranten en vluchtelingen van een nieuw leven in Londen. Waar komt de aantrekkingskracht van de stad vandaan?

“Heel Groot-Brittannië is aantrekkelijk voor migranten omdat we rijk zijn én omdat we nog steeds een rechtstaat zijn. Niemand zal je tegen de muur zetten en je zal hier niet van honger sterven. Er is ook het vooruitzicht dat je hier een nieuw leven voor jezelf kan uitbouwen. Ik raakte niet zo lang geleden in de pub aan de praat met een Poolse mevrouw. Haar motief om naar Londen te komen was vooral de aantrekkingskracht van onze rijkdom en het succes van onze superrijke toplaag. Haar ‘London Dream’ is een variant van The American Dream. Al die migranten maken van Londen een open, energieke stad. Hier kunnen mensen met om het even welke huidskleur doorstoten naar de top. In de straten van de City lopen keurige blanke heren en dames in pak en das naast keurige zwarte heren en dames in pak en das. Ik denk niet dat je als migrant in Brussel dezelfde kansen hebt.”

In Kapitaal beschrijft u de bijna paranoïde angst die in Londen leefde in de jaren na de aanslagen van 2005 en wat dat betekende voor mensen die onschuldig opgepakt werden.

“We stellen de verkeerde vragen over onze veiligheid en over onze beveiliging. In 2007 en 2008 was de angst voor terreur veel groter dan nu – de aanslagen lagen nog vers in het geheugen. Nu is dat even weggeëbd, maar ik vermoed dat door de Olympische Spelen de paranoia weer hoge toppen zal scheren. Die overdreven angst slepen we al een tijd met ons mee: zo was in de zeventiger en tachtiger jaren de terreurdreiging van het IRA in Engeland alomtegenwoordig. Mijn moeder was Iers en katholiek en als kind zag ik hoe ze op Britse luchthavens bijna als een verdachte behandeld werd. Als overheden zich echt zorgen maken, zeggen ze tegen hun burgers dat ze zich minder zorgen moeten maken. Maar na 9/11 gebeurde net het tegengestelde en hoorden we onze leiders voortdurend verkondigen dat we een club als Al Qaeda als een zeer ernstige, existentiële bedreiging moesten beschouwen, wat ze in werkelijkheid niet is en nooit geweest is. Geen enkele democratische staat is ooit ondermijnd door terroristische activiteiten. Natuurlijk vallen er slachtoffers in aanslagen, en dat is heel tragisch, maar ze tasten de funderingen van de staat niet aan, terwijl de financiële sector dat wél doet. Zij vormt een existentiële bedreiging voor de stabiliteit van westerse democratieën. Als de geldmachine ophoudt met draaien, staat heel ons economisch weefsel en ons dagelijks bestaan op het spel.

In sneltreinvaart rijden we naar een samenleving vol 19e-eeuwse ongelijkheid. Dat wordt een van de grote problemen voor onze politici. Er leeft maar weinig animo bij hen om daar iets aan te doen, want het is gemakkelijker om de dingen op hun beloop te laten. Jarenlang is ons wijsgemaakt dat deregulering in de financiële sector een goeie zaak is, want door de rijken snel veel rijker te laten worden, zouden de middenklassers en arme dompelaars ook langzaam een beetje rijker worden. De schuldencrisis heeft pijnlijk duidelijk gemaakt dat dat een misvatting is. De bewijzen liggen op straat: de rijken worden nog rijker, terwijl alle andere mensen verarmen en de middenklasse wegsmelt als sneeuw voor de zon. Sinds 1980 is in Amerika meer dan de helft van de toename van het inkomen naar 1 procent van de bevolking gegaan. Zoiets kun je onmogelijk blijven verdedigen. Nu zitten we in de fase dat mensen zich daar vragen over stellen; het zal niet zo lang meer duren vooraleer ze ook verandering zullen eisen.”

De link tussen de titel van uw roman en Het Kapitaal van Marx is niet toevallig?

“Ik heb na het schrijven van dit boek meer Marx gelezen dan ervoor. Maar ik wou dat mijn roman doordrongen was van het begrip ‘kapitaal’ in zowel de politieke en economische, als in alle andere betekenissen. Vandaag geloven we nog steeds dat onze centen ons belangrijkste kapitaal zijn. Dat is een bijzonder spijtige vergissing.”

John Lanchester, Kapitaal, vertaald door Roland Fagel en Eline Haks, Prometheus, 512 p., 19,95 euro

© Jan Stevens

Welvaart zonder groei

Zonder economische groei gaat onze welvaart naar de haaien. Maar ongebreidelde economische groei helpt onze planeet om zeep. “In dat dilemma zit onze samenleving gevangen”, stelt de Britse econoom Tim Jackson. In zijn boek ‘Welvaart zonder groei’ gaat hij op zoek naar een uitweg. “Het is de hoogste tijd dat we ons hele systeem herdenken.”

Onze economie moet blijven groeien, anders gaan er jobs verloren, komt ons sociale zekerheidssysteem onder druk en raken we aan de bedelstaf. Dus moet er geconsumeerd worden – hoe meer hoe liever. Maar zo gebruiken we alle schaarse grondstoffen op, pompen we de atmosfeer vol CO2 en helpen we steeds sneller ons leefmilieu naar de verdoemenis. Als we de aarde willen redden, moeten we dus dringend gaan consuminderen. Maar dan krimpt onze economie, gaan er jobs verloren en is er op termijn misschien zelfs geen OCMW meer om ons leefloon uit te betalen. We kunnen dus kiezen tussen de pest en de cholera: tussen een onstabiel sociaaleconomisch systeem en een steeds zieker wordend leefmilieu. Die onmogelijke keuze vormt het uitgangspunt van het boek ‘Welvaart zonder groei’ van Tim Jackson, professor Duurzame Ontwikkeling aan het Centre for Environmental Strategy (CES) van de universiteit van het Zuid-Engelse Surrey. Jackson schetst niet alleen het dilemma, hij zoekt ook naar wegen om welvaart mogelijk te maken zonder de fetisj van economische groei. Om onze planeet te redden, moeten we volgens hem dringend afkicken van onze consumptieverslaving en onze centen investeren in duurzame projecten.

Vloeken in de kerk

De basis voor ‘Welvaart zonder groei’ is een rapport over duurzame ontwikkeling dat Tim Jackson voor de vorige Britse regering schreef. “In dat originele rapport stond een vraagteken achter de titel”, zegt hij. “Dat was een beetje diplomatischer, want voor heel wat politici én economen klinkt ‘welvaart zonder groei’ als vloeken in de kerk.”

Leert de huidige economische crisis ons dan niet dat groei een noodzaak is om jobs te behouden?

Tim Jackson: De crisis illustreert alleszins het dilemma dat gepaard gaat met economische groei. Grenzeloze groei is niet duurzaam, maar een economie die krimpt, blijkt labiel te zijn en geeft een flinke knauw aan onze welvaart. Heel wat economen stellen dat groei onontbeerlijk is. Zo efficiënt mogelijk produceren is volgens hen het enige wat we kunnen doen om onze ecologische impact te minimaliseren. In de praktijk komt dat dan neer op het zoveel mogelijk reduceren van de CO2-uitstoot. Dat is wat wij in het westen nu al proberen te doen. Alleen is dat tot hiertoe niet echt een groot succes. Misschien omdat we nog niet hard genoeg ons best gedaan hebben? Maar hoe hard moeten we ons best doen om een wereld te creëren waarin iedereen als een westerling kan leven? Want dat is wat elke mens op aarde lijkt na te streven: een levensstijl zoals de onze. Is het sowieso wel mogelijk om binnen vijf jaar onze CO2-doelstellingen te halen als 7 miljard mensen willen leven zoals wij? Ik vrees van niet. We zijn het er allemaal over eens dat er dringend iets moet gebeuren om de planeet te redden. Tegelijkertijd ervaren we dat ons economisch systeem daar geen antwoord op heeft, ondanks al onze pogingen om onze CO2-uitstoot te reduceren, ondanks al onze inspanningen om groen te produceren. Dus wordt het de hoogste tijd om het hele systeem te herdenken.

Want als we niets ondernemen, zullen we niet alleen met de klimaatverandering moeten afrekenen?

Jackson: De klimaatverandering is het opvallendste fenomeen en daar gaat de meeste dreiging van uit. Maar als we niet beginnen sleutelen aan ons economisch systeem, zal er ook massaal veel biodiversiteit verloren gaan. Levensbelangrijke grondstoffen zoals olie en mineralen zullen schaars worden. Er zullen oorlogen komen over land, brandstof, water. Is ons huidige economische systeem wel stabiel genoeg om de nakende massale migratie, die een gevolg zal zijn van de klimaatverandering, aan te kunnen? En zullen hele bevolkingsgroepen het zomaar blijven pikken dat ze uitgesloten blijven van de opbrengsten van grondstoffen? De financiële crisis heeft ons met onze neus op de feiten gedrukt: mensen, bedrijven en overheden steken zich massaal in de schulden om toch maar te kunnen blijven produceren en consumeren. Die schuld wordt ‘opgelost’ door middel van steeds ingewikkelder constructies om de motor draaiende te houden. De manier waarop onze financiële markten werken, vergroot de instabiliteit van ons economische systeem.

Als we de planeet willen redden, zullen we onze koopwoede onder controle moeten krijgen. Vreest u geen volksopstand als ‘shop till you drop’ taboe wordt?

Jackson: We zijn verslaafd aan consumeren; het is een deel van onze menselijke natuur. Maar wil dat dan zeggen dat een aan consumptie verslaafde mens dé weerspiegeling is van wat het betekent om mens te zijn? We hebben twee spanningen in ons: aan de ene kant de spanning tussen egoïsme en altruïsme, aan de andere kant de spanning tussen de zucht naar het sensationele en het verlangen naar traditie en conservatie. Er zijn evolutionaire redenen waarom we die spanningen in ons hebben: zolang we individueel moesten overleven, hielp egoïstisch gedrag. Van zodra we in groep gingen samenleven, groeide het belang van het sociale. Nu focussen we ons teveel op één aspect van de mens: als egoïstische, materialistische jager op al wat nieuw en sensationeel is. De rest van de menselijke natuur hebben we verwaarloosd. Eigenlijk is dat positief, want dat wil zeggen dat we de menselijke natuur niet moeten veranderen, of onze psyche niet moeten ‘hersenspoelen’. Nee, we moeten af van onze enge visie op wie we zijn, en de verwaarloosde aspecten van onszelf nieuw leven inblazen.

Ik ben de eerste om toe te geven dat er een materieel element zit in elke betekenisvolle welvaart. Zo heeft elke mens recht op een goeie, stevige ‘schuilplaats’ die hem bescherming biedt. Maar we zorgen nu voor veel meer dan alleen maar voor een goeie schuilplaats. De meeste goederen die we ons aanschaffen, dienen om ons te onderscheiden van anderen en hen duidelijk te maken dat we deel uitmaken van een welbepaalde groep. We kopen een iPad omdat we zo graag geassocieerd willen worden met al die hippe ‘iPad-bezitters’. Producten zijn taal geworden: via de dingen die we kopen, communiceren we met elkaar. Dankzij onze iPad worden we deel van de samenleving, leven we in de illusie dat alles beter wordt en dat het bestaan erop vooruitgaat. Natuurlijk zijn materiële dingen belangrijk. Maar we mogen nooit uit het oog verliezen dat er veel belangrijkere zaken bestaan zoals de liefde van onze vrienden, het respect van de sociale groep waartoe we behoren, een betekenisvolle job, deelnemen aan de maatschappij, een zinvol leven leiden. De consumptiemaatschappij laat ons geloven dat ze dat soort waarden kan leveren, terwijl ze daar helemaal niet in slaagt. Ons economische model van overproductie en –consumptie wordt aan de praat gehouden door de manier waarop er geïnvesteerd wordt. Investeringen vormen de motor die de voortdurende creatie van nieuwe consumptiegoederen aandrijft. Ze houden het systeem in gang van steeds hogere productiviteit, waardoor de prijzen zakken en mensen nóg meer gaan kopen. Als je ons dolgedraaide model wil veranderen, zal je er dus in de eerste plaats voor moeten zorgen dat investeerders niet voor de snelle winst gaan, maar hun kapitaal op lange termijn inzetten.

Anders gaan investeren

Hoe veranderen we dat systeem dan in de praktijk?

Jackson: De financiële markten – banken, verzekeraars, beursmakelaars en –handelaars – bepalen hoe kapitaal geïnvesteerd wordt. Als je de aard van de investeringen wil veranderen, moet je dus in de eerste plaats de financiële sector hervormen. Nu is heel ons financiële systeem gebaseerd op hebzucht. Investeringen moeten op korte termijn veel opbrengen, met een minimaal risico voor de investeerder, maar zoveel mogelijk weggemoffeld risico voor ‘derden’. De financiële sector interpreteert ‘welvaart’ op een heel eenzijdige manier: zo snel mogelijk zoveel mogelijk geld verdienen. De financiële crisis heeft ons met onze beide voeten op de grond gezet. We weten nu heel zeker dat het financiële systeem instabiel is en niets bijdraagt aan het welzijn van de hele samenleving. Integendeel: als het systeem instort, zijn het degenen die er nooit van geprofiteerd hebben die de rekening mogen betalen. De belastingbetalers – wij dus – draaien op voor het slechte beleid van de banken. Als we de financiële sector in leven willen houden, moeten we haar dringend hervormen. Er moeten nieuwe, gezonde investeringsconcepten ontwikkeld worden die op lange termijn niet alleen geld, maar ook sociale en ecologische voordelen opleveren. Dat zal niet gemakkelijk zijn, maar ‘dankzij’ de kredietcrisis wordt daar nu door politici en experts hard over nagedacht.

Een van de grote oorzaken van de kredietcrisis is de deregulering van de laatste decennia. Een strengere wetgeving die banken en financiële instellingen aan banden legt, is gewoon een noodzaak. Daarnaast moeten er maatregelen genomen worden die het voor investeerders onaantrekkelijk maken om hun geld te investeren in korte, hoogrenderende activiteiten. Want zo is het tot hiertoe altijd geweest: het kapitaal werd weggezogen naar dat soort van ‘destructieve’ investeringen. In Groot-Brittannië bestaat er nu al wetgeving die burgers stimuleert om hun spaarcenten in een lokaal project te investeren. Ze worden door de overheid fiscaal beloond als ze investeren in zonnepanelen, als ze duurzaam isoleren, en als ze de opbrengsten van hun investeringen opnieuw investeren in verstandige, lokale projecten. Hun spaarcenten brengen iets minder op, maar zijzelf en hun eigen gemeenschap worden er op ecologisch en sociaal vlak beter van. De vorige Britse regering heeft in 2005 de Community Interests Companies (CIC) mogelijk gemaakt – sociale bedrijven die lokaal verankerd zijn, duurzaamheid hoog in het vaandel voeren en waarvan de opbrengsten volledig ten goede komen van de gemeenschap. Wie zijn spaargeld in aandelen stopt van zo’n lokale CIC, weet dat hij op korte termijn geen waanzinnige rendementen moet verwachten. Maar hij is er wel zeker van dat zijn eigen gemeenschap er ecologisch en sociaal de vruchten van plukt. Het is een goeie zaak dat de overheid juridische ondersteuning geeft voor dat soort van projecten, alleen blijven ze druppels op een gloeiende plaat als de hele financiële sector zich daar niets van hoeft aan te trekken, gouden bergen aan investeerders mag blijven beloven en het risico blijft afwentelen op de gemeenschap. Dus moeten er strenge regels voor de sector komen en wetten die ervoor zorgen dat lokale, zinvolle projecten op grotere schaal kunnen groeien en bloeien.

Als we onze financiële sector aan banden leggen, verhuist het geld toch razendsnel naar landen waar het wel nog business as usual is?

Jackson: Dat gevaar is reëel. Om dat soort van kapitaalvlucht tegen te gaan, zullen er multilaterale afspraken moeten komen. Maar dat wil niet zeggen dat individuele landen ondertussen niets moeten ondernemen en alles bij het oude mogen laten. Ik heb de voorbije zes jaar verschillende regio’s in Groot-Brittannië bezocht, en overal hoorde ik bij lokale politici hetzelfde discours. Ze waren allemaal druk bezig met het aantrekken van investeringsgeld voor nieuwe, hoogtechnologische sectoren die de productiviteit zouden doen toenemen en daardoor jobs zouden opleveren waardoor de regio welvarender zou worden. Al die regio’s beconcurreerden elkaar. Ze faalden allemaal. Toen de financiële crash kwam, werd het kapitaal weggezogen en gingen de lokale economieën kopje onder. Bij nogal wat lokale politici groeit nu het besef dat het oude investeringsmodel de lokale economieën kwetsbaar gemaakt heeft. Wie zijn geld in een ‘vehikel’ zoals de CIC investeert, weet dat de eigen regio daar wel bij zal varen. De overheid kan trouwens zelf het voorbeeld geven in de manier waarop zijzelf het belastinggeld investeert.

Bent u optimistisch over de toekomst?

Jackson: Optimism is a moral duty. (lacht) Er zijn natuurlijk redenen genoeg om pessimistisch te zijn. We hebben geen fatsoenlijk plan om de klimaatverandering tegen te gaan, we hebben zelfs nog niet nagedacht over biodiversiteit. We hebben ons opgesloten in een systeem dat voor sociale stabiliteit zorgt en op hetzelfde moment onze ecologische ondergang helpt bewerkstelligen. Dat zorgt voor serieuze tegenstellingen in het beleid. Zo nam de vorige Britse regering een aantal goeie maatregelen om de klimaatverandering tegen te gaan en propageerde ze tezelfdertijd deregulatie in de financiële sector waardoor de economie crashte. We zouden ons moeten bevrijden van dat conflict in onze manier van denken. Ik ben optimistisch omdat er wegen openliggen die tot verandering kunnen leiden. En ik zie ook steeds meer mensen die echt verandering willen. Trouwens: hoe groter onze problemen, hoe luider de roep om verandering zal weerklinken.

Tim Jackson, Welvaart zonder groei. Economie voor een eindige planeet, Uitgeverij Jan van Arckel, Oikos, 14,95 euro, ISBN: 978-90-6224-494-2

© Jan Stevens

Airbags

Op haar eenentwintigste vond Venetia Thompson een baan als junior-broker bij een grote internationale beursmakelaar. Veertien maanden lang was ze ‘one of the lads’. In haar boek Beursbabe vertelt ze vrijuit over het leven van een doorsnee broker in de Londense City. Een leven van geld, seks, drugs en sloten alcohol. Ondanks de kredietcrisis.

 

9 februari 2008. In het Britse tijdschrift Spectator verschijnt van de hand van junior-broker Venetia Thompson een uitgebreid verslag over haar dagelijkse leven op de beursvloer in de Londense City. “In het begin werd ik dagelijks uitgescholden en met cricketballen bekogeld door mijn collega’s”, schrijft ze. “Een zwarte broker werd door iedereen ‘Ferg’ genoemd. Eerst dacht ik dat het een onschuldige bijnaam was. Tot bleek dat het om de verkorte versie ging van Feargal Sharkey – Cockney voor ‘Darkie’ of zwartje.”

In hetzelfde artikel schetst Thompson geen al te fraai beeld van haar rechtstreekse baas, een Amerikaan die ze omschrijft als hebzuchtig en agressief. “Onlangs gooide hij zijn keyboard naar de man die rechtover hem zat, de toetsen vlogen in het rond.” Ze vertelt ook over drankovergoten zakendiners waar ze vier avonden per week moet aan deelnemen, en die steevast eindigen rond het ochtendgloren. “Om zeven uur ’s ochtends zit ik stomdronken van de voorbije nacht terug achter mijn bureau.” Thompsons artikel veroorzaakt heel wat deining in de City. Sommige traders en brokers noemen haar een nestbevuiler, anderen komen anoniem aanzetten met gelijkaardige verhalen. Dezelfde week nog wordt Venetia door haar werkgever BGC Partners ontslagen. Zo komt er een abrupt einde aan haar makelaarscarrière die welgeteld 14 maanden heeft geduurd. Vlak na haar ontslag krijgt ze telefoontjes van andere brokerfirma’s. Thompson: “Ze boden me een job aan. Ik zei telkens weer: ‘Je beseft toch wat ik net gedaan heb?’ Hun antwoord was: ‘Ja, maar we haten BGC en willen dat je nu voor ons komt werken.’ Maar ik wou voor de rest van mijn leven helemaal geen broker zijn. Ik wou schrijver worden.”

Eind januari 2010. De inmiddels vijfentwintigjarige Venetia Thompson heeft net de laatste hand gelegd aan haar boek Beursbabe, waarin ze in ruim driehonderd bladzijden een hallucinant vervolg breit aan het artikel uit Spectator. “Nu vertel ik het hele verhaal. En ik neem geen blad voor de mond.” In Beursbabe schetst Thompson een ontluisterend beeld van de City. Ze schrijft over brokers die in poepchique restaurants samen met hun klanten urenlang zitten te schransen, er flessen Château Rothschild van 600 pond de fles bestellen en er lijnen coke doorjagen. Om vervolgens in de vroege uurtjes van het ene bordeel naar het andere te laveren. Vier nachten op vijf. Venetia deed daar dapper aan mee. “Ik fuifde tot ‘s morgensvroeg. Maar elke ochtend om kwart voor zes liep mijn wekker af, ongeacht hoe laat of vroeg ik in bed lag. Soms werd ik halfnaakt naast mijn bed wakker en kon ik me amper nog iets herinneren van de nacht voordien. Ik was altijd blij als ik het kantoor op Canary Wharf bereikte zonder dat ik in de metro had overgegeven of was omgevallen.”

Airbags

Twee jaar na haar vertrek bij BGC Partners heeft Venetia nog steeds heimwee naar haar collega’s en hun lompe en seksistische opmerkingen. Zelfs al bedachten ze haar omwille van haar stevige boezem met de bijnaam ‘Airbags’. “Ik mis die kerels en hun kameraadschap echt”, zegt ze. “De brokers, de beursmakelaars, vormen de laatst overgebleven meritocratie van de City. Hun sociale status wordt nog steeds bepaald door hun prestaties en capaciteiten. Ze starten zonder enige opleiding op hun zestiende op de beursvloer omdat hun oom een broker was. De beursmakelarij in Londen heeft een traditie in het aantrekken van jonge mannen met een speciaal talent. Een goeie broker moet snel zijn met cijfers, maar hoeft geen rekenwonder te zijn. Ik heb zelf allesbehalve een mathematische geest en heb nooit een economische opleiding gehad. Als je onder grote druk kalm kunt blijven, heel agressief uit de hoek kunt komen, en verschillende mensen tegelijkertijd te woord kunt staan, is beursmakelaar een job die je op het lijf geschreven is. Ik vond het heel verfrissend om op een plaats terecht te komen waar op de allereerste dag niemand vroeg naar welke school ik geweest was. Want Groot-Brittannië is nog steeds een land waar klasse heel belangrijk is. Bij de brokers ligt daar niemand wakker van. Op de beursvloer behandelen al je collega’s je als gelijken.”

En tezelfdertijd ook als vuil.

“Iedereen wordt er als vuil behandeld, maar er zijn geen verborgen agenda’s. Als collega-brokers je een klootzak vinden, zeggen ze dat vlak in je gezicht en niet achter je rug. Ik hou van die directe aanpak. Ik ben op de beursvloer terechtgekomen via een vriendin die in de brokersindustrie actief is. Zij gaf mijn cv door aan haar favoriete broker. Ik spreek Russisch en dat vond het bedrijf blijkbaar interessant.”

U werd aangenomen door een Amerikaanse broker, een man met de reputatie van een bully.

“In het begin schoten we vrij aardig met elkaar op. Ik vond hem fascinerend, want ik had zoveel slechts over hem gehoord. Brokers kun je in twee categorieën onderverdelen: de kleine groep die ooit traders, handelaars, geweest zijn en ontzettend slim zijn, en de anderen die op hun zestiende direct op de beursvloer gestapt zijn en die ‘street wise’ zijn. De Amerikaan had een beetje van beide. Ik dacht dat ik veel van hem kon leren. Maar hij bleek inderdaad de klootzak te zijn waar iedereen hem voor versleet. Hij schold me geregeld de huid vol en liet me op het einde vallen als een baksteen. Ik heb na mijn ontslag niets meer van hem gehoord. Hij zit er nog steeds en heeft een ander meisje in mijn plaats aangenomen, met minder grote borsten.”

“Mijn eerste dag op de beursvloer begon nochtans opwindend, ik had nog nooit zoiets meegemaakt. De testosteron hing zwaar als sigarettenrook in de lucht. Het lawaai kwam in golven van verschillende kanten. Er werd me verteld dat het meisje dat voor me aan mijn desk gezeten had, het amper vier weken had uitgezongen. Er werden bijna weddenschappen afgesloten hoelang ik het zou volhouden.”

Uw voorgangsters werden net als u op een seksistische manier behandeld?

“Het hangt ervan af hoe je seksistisch definieert. Je moet echt wel uit speciaal hout gesneden zijn om te overleven in een brokersbedrijf. Je moet een dikke huid hebben en je mag nooit uit het oog verliezen dat het schelden slechts een deel van het spel is.”

De bijnamen ‘Airbags’ of ‘Ferg’ zijn dus totaal onschuldig?

“In Engeland woedt nu een grote discussie over het verschil tussen echte seksistische klap en uitspraken die seksistisch lijken, maar die eigenlijk gewoon agressieve grapjes onder vrienden zijn. Op de beursvloer krijg je, naast etensresten, lege waterflessen en cricketballen, verschrikkelijke dingen naar je hoofd geslingerd. Ze klinken ongemeen racistisch en verschrikkelijk seksistisch, maar zijn eigenlijk niet zo bedoeld. Als je tegen iemand iets lelijks zegt, betaalt hij je met gelijke munt terug. Elkaar afzeiken is een erecode. Op de beursvloer kun je gerust tegen al je cliënten liegen, zolang je maar niet je collega’s besodemietert.”

“Een broker of makelaar brengt op de beurs verschillende traders of handelaars met elkaar in contact. Ik kreeg een bod van een grote bank, riep dat rond naar de rest van de desk en een collega reageerde dan met een tegenbod dat hij van zijn klant kreeg. Soms rinkelden alle telefoons op hetzelfde moment. Dan had ik tien verschillende telefoons in de wacht staan, wachtend op verschillende prijzen. Ik werkte met achtsten en kwartjes – ik moest heel snel manoeuvreren tussen getallen na de komma. Soms vergiste ik me, en dan was ik de sigaar. Traders zijn van nature paranoïde en denken snel ze dat je ze een oor wil aannaaien. Als een broker hen in de steek laat, kan hen dat veel geld kosten.”

Roze champagne & coke

U moest ook bijna elke avond uw klanten ‘entertainen’?

“Ik ging zo goed als dagelijks uit eten en drinken met mijn cliënteel. Veel mensen denken dat het om omkoping gaat, maar dat is niet zo. Die etentjes dienden vooral om de relaties met de klanten in stand te houden. Hoe meer tijd je met iemand doorbrengt, des te groter is de kans dat hij je gaat vertrouwen. Jij geeft hem informatie waardoor hij interessantere prijzen zal doorgeven. Hoe beter je met traders en bankiers samenwerkt, hoe meer geld je aan hen kunt verdienen. Als je alleen maar een stem aan de telefoon bent, zullen ze je nooit ten volle vertrouwen. Het is dus heel belangrijk dat je een persoonlijke relatie met hen uitbouwt. ‘Venetia is een goeie drinker, dus zal ik haar eens verwennen met een fraai bod’, of ‘Venetia is echt grappig, zij heeft recht op die prijs.’ En zelfs: ‘Ze is een beetje zielig en bakt er niet veel van als broker. Ik zal haar een handje helpen.’”

“‘Gewone’ businesslui uit andere bedrijfstakken hebben af en toe ook wel eens een zakenlunch met een klant. Meestal staat er dan een bord pasta met een glas spuitwater op het menu en gaan ze na een uurtje smalltalk weer aan het werk. Wij bestelden achtgangenmenu’s en dronken flessen roze champagne. We dronken glazen wijn van 100 pond het stuk of flessen Brunello van 600 pond. Tijdens die ‘zakenlunches’ joegen we er fortuinen door. Na het eten zakten we dan af naar luxebars en bleven we doorzuipen. Soms moest ik tussen twee gangen door in het toilet even discreet mijn maag gaan leeg kotsen. Bij de grote banken bestaan er strikte regels over ‘uit eten gaan met klanten’. Maar brokerhuizen zijn aan geen enkele regelgeving onderworpen. Wat ik meemaakte, was geen uitzondering. De hele brokerindustrie zwelgt in die excessieve levensstijl. De brokers zijn belangrijk voor de City, want zij vormen het levensbloed van de markt en verdienen het meeste geld. De beursmakelarij is een vitale sector voor de hele financiële industrie. Grote bankiers weten vaak niet hoe het er bij brokers aan toegaat. Het wilde leven speelt zich echt af tussen traders en brokers. Bankiers werken met analisten en doen er maanden over voor z’n deal sluiten. Traders en brokers beslissen over ‘deals’ in fracties van seconden. Ze volgen eigenlijk vooral hun intuïtie. En teren een beetje op informatie en ervaring.”

Het ‘entertainen’ van klanten bleef niet bij eten en drinken. Er werd ook coke gesnoven, en u bezocht met uw cliënteel stripbars en bordelen.

“Er wordt veel coke gebruikt onder brokers. In Beursbabe voer ik mijn cokeverslaafde vriend Mo op. Hij is geen uitzondering; hij is de standaardbroker. Hij heeft een zwaar cokeprobleem, zuipt, neukt erop los en is een vaste bezoeker van de stripclubs in Soho. Maar onder die laag is hij warm en sympathiek. Veel mensen hebben hun moreel oordeel klaar over het leven in de City: ‘Al dat gezuip en gesnuif en al die losse scharrels.’ Als je in de City werkt, speelt ethiek geen rol meer. Je kent nooit de andere kant van het verhaal. Oké, Mo drinkt en snuift. Maar hij is wel een goeie ziel. Sommigen noemen de City het Empire of Evil. Bullshit. Zolang je van jezelf vindt dat je nog goed kunt functioneren, is er volgens mij niets aan de hand. Toen ik van de universiteit kwam, had ik ook dat stupide idee van goed en fout. ‘O nee, hij gebruikt drugs, dat is verkeerd.’ Door in de City te werken, heb ik ontdekt dat er veel meer grijs is dan zwart of wit.”

“De vrouwen van mijn collega’s waren er aan gewend dat hun kerels midden in de nacht straalbezopen thuiskwamen. Het geld, de luxe, het mooie huis, de Ferrari of de Bentley maakten veel goed. Natuurlijk reden hun mannen af en toe een scheve schaats, maar toch bleven ze samen. Voor vrouwelijke brokers daarentegen, is dating een echte nachtmerrie. Een trader zei me vlakaf: ‘Ik wil nooit met een vrouwelijke broker een affaire beginnen, want er hangen altijd andere mannen rond haar. Dat zal er na verloop van tijd voor zorgen dat ze transformeert in een verschrikkelijke hulk.’ Mannen uit de brokerindustrie kennen het wereldje en gaan er sowieso vanuit dat vrouwelijke brokers met hun klanten slapen, zich als dellen gedragen en een drankprobleem hebben. In werkelijkheid zijn ze niet allemaal zo. Al riskeer je wel door overmatige alcoholconsumptie de controle over jezelf te verliezen.”

“Mijn alcoholverbruik is nu flink gedaald. Mijn lever speelt ook minder vaak op dan vroeger. Ik was me tijdens mijn brokercarrière richting graf aan het zuipen. Pas na mijn ontslag besefte ik hoe slecht ik eraan toe was. Ik stond op het randje van een zenuwinzinking. Veel jonge mannelijke brokers hebben een paar gekke jaren, en nemen gas terug als ze halverwege de dertig zijn. Vrouwen stoppen na verloop van tijd gewoon met uitgaan en verdienen dan ook geen geld meer. De rest ziet hen als a joke, goed genoeg om de hoop te vullen. Sommige mannen blijven doorgaan. Ik ken veertigers die nog steeds vier avonden per week uitgaan, zich volvreten en aan de drank en de coke zitten. Er worden weddenschappen afgesloten wie eerst het loodje zal leggen. Een kennis van me, een broker van 35, viel net voor kerst dood neer. Een hartaanval.”

U hebt als broker eind 2007 het allereerste begin van de kredietcrisis meegemaakt. Was er toen paniek?

“Ik herinner me dat collega’s krantenartikels over rommelhypotheken begonnen rond te sturen. Die berichten werden vooral op ongeloof onthaald. Een broker krijgt voortdurend informatie over zaken die verkeerd dreigen te lopen: ‘Ik hoor dat er een fonds in de shit zit en dat die bank ‘fucked’ is.’ Het beste is om dat soort van informatie gewoon te negeren. In het begin van de kredietcrisis heerste op de vloer de overtuiging dat het nooit zo erg zou worden als beweerd werd. Toen de markt dan toch begon in te storten, was dat geen ramp. De brokers trokken er zich niets van aan. Ze verdienden nog steeds geld, want sommige traders verkochten goedkoop en er waren genoeg idioten die bleven kopen. Zolang de handel bleef doorgaan, kon de crisis de brokers geen sikkepit schelen. Achteraf gezien is die kredietcrisis voor de brokers in de City ‘much ado about nothing’. 2009 was niet voor niets een heel goed jaar. Het is bijna hilarisch. Er zijn nu mensen die pleiten voor regels om ‘het beest’ onder controle te krijgen, om zo een nieuwe financiële crisis onmogelijk te maken. Dat is bullshit, want de markt is net als een renpaard: als je het intoomt, verlies je de race. Als we de markt reguleren, is het niet langer een vrije markt en verliezen we het potentieel om veel geld te verdienen. We leven allemaal al zolang in een wereldwijde cultuur van hebzucht. Die mentaliteit verander je nooit meer. Want iedereen wil een groter huis en een dikkere auto. Hebzucht is de motor van alles.”

Venetia Thompson, Beursbabe, Arena, 320 blz., 18,95 euro

©Jan Stevens

Hebzucht, cash en cocaïne

Seth FreedmanJarenlang werkte Seth Freedman als trader in de Londense City. Zes jaar lang gokte hij overdag met andermans geld op de beurs. ’s Avonds dook hij in de cocaïne en snoof hij zich een bloedneus in poepchique clubs, net als het merendeel van zijn collega’s. “In het financiële hart van Europa telt maar een ding: hebzucht. De kredietcrisis was onvermijdelijk.”

 

Londen, donderdagochtend, 20 september 2007. Na een nacht vol cocaïne en alcohol springt de 26-jarige trader Darren Liddle voor de ogen van zijn vriendin van de negentiende verdieping van het Hilton. Liddle werkte voor de zakenbank Credit Suisse, en gold als een van de meest beloftevolle handelaars in de City. Maar de druk van zijn werkgever en zijn cliënteel om steeds meer geld op te brengen, werd de jonge financiële whizzkid te groot. Hij zocht troost in de favoriete Citydrug cocaïne, raakte hopeloos verslaafd, tot de stoppen op die fatale donderdagochtend doorsloegen.

Londen, vrijdag 15 februari 2008. De 41-jarige broker Stephen Crumb wordt veroordeeld tot een werkstraf voor dealen van drugs. Een paar maanden ervoor was hij samen met drie anderen gearresteerd in een pub in de Square Mile terwijl ze cocaïne aan het slijten waren aan hun collega’s. Crumb vertelde op zijn proces hoe hij als jongen van 17 op zijn allereerste baantje in een investeringsbank al cocaïne aangeboden kreeg. Hij groeide uit tot een succesvolle beursmakelaar, verdiende vlotjes 250.000 pond per jaar, spendeerde even vlotjes dagelijks 400 pond aan cocaïne en dronk elke dag twee flessen Pomerol, 10 pinten bier en een fles wodka. “Iedereen op mijn kantoor zat aan de cocaïne”, zei hij tegen de rechter. “In de toiletten hoorde je ze snuiven. We namen ons eerste lijntje van de dag altijd om half twaalf, net zoals iemand anders een aperitiefje nuttigt.”

 

Het scheelde niet veel, of Seth Freedman was geëindigd zoals Darren Liddle of Stephen Crumb. Eind jaren negentig begon hij te werken als beurshandelaar in de City, het financiële district van Londen. Van in het begin vloeide de drank rijkelijk, en ging de familieverpakking cocaïne vrolijk rond. Naarmate Freedmans succes toenam, vergrootte zijn cocaïneconsumptie. “In de City ben je alleen maar succesrijk als je veel geld opbrengt”, zegt hij. “Na verloop van tijd begon ik te walgen van dat steeds weerkerende zinnetje: ‘Seth, wat ben jij toch een fijne kerel, je hebt weer eens 20.000 pond verdiend.'”

In 2004 zei Freedman de City vaarwel om dienst te nemen in het Israëlische leger. “Ik had genoeg van de cocaïne en van de leegheid van een leven gebaseerd op louter geld. Van het financiële front trok ik voor 15 maanden naar het oorlogsfront.”

Nu werkt hij vanuit Jeruzalem als correspondent voor de Britse krant The Guardian en schrijft hij kritische stukken over de Israëlische politiek. Onlangs verscheen zijn boek Binge Trading: The Real Inside Story of Cash, Cocaine and Corruption in the City, waarin hij verslag doet van zijn jaren als beurshandelaar, en het financiële hart van Europa ontmaskert als een groot casino, waar bankiers en handelaars hun eigen geld en dat van hun klanten op het spel zetten.

 

Regel nummer één: blijf cool

In 1998 rolde Freedman op zijn achttiende eerder toevallig de City in. “Vlak voor ik naar de universiteit zou gaan, wou ik wat geld verdienen. Een vriend van mijn grootvader was een broker. Hij nam me voor zes maanden aan. In het begin werkte ik in de postkamer en droeg ik brieven rond voor de beurshandelaars. Blijkbaar stelde ik de juiste vragen, want vrij snel kreeg ik meer verantwoordelijkheden. Ik deed mee aan het examen om zelf als trader te mogen werken en ik slaagde. De City zat middenin de dotcomboom en de financiële bedrijven wilden zoveel mogelijk mensen aan boord houden. Dus kreeg ik een nieuw contract aangeboden. Voortaan mocht ik zelf op de beurs spelen.”

 

U liet de universiteit links liggen en koos voor het snelle geld?

Seth Freedman: “De verleiding was te groot. Ik was toen een onschuldige achttienjarige jongen. Ik weet nog hoe ik met open mond naar de luxe op straat keek toen ik voor de allereerste keer vanuit het metrostation Moorgate de Londense City instapte. Knalrode Ferrari’s zoefden voorbij en voor elk verkeerslicht stonden Bentley’s-met-chauffeur. Het leek alsof ik in het paradijs beland was. Veel later pas zou ik ontdekken dat het eigenlijk de hel is. Ik zat vrij snel tot over mijn oren in de drugs. Eerst weed, en dan cocaïne. Het was 1998, en de dotcomzeepbel moest nog barsten. Iedereen wilde geld verdienen met het internet en investeren in de snel groeiende onlinebusiness. Een jaar later kreeg ik de leiding over een klein team van beurshandelaars gespecialiseerd in dat nieuwe ‘goud’. Mijn job bestond uit praten met cliënten, hen op stijgers en dalers wijzen, en hen advies verschaffen. Sommigen gaven me een flinke zak geld, en zeiden: ‘Doe ermee wat je wil, maar probeer het onderste uit de kan te halen. Rapporteer terug op het einde van de maand.’ Afhankelijk van het risico dat een cliënt wou nemen, deed ik met zijn geld wat ik wou. Het bedrag waarmee ik als jonge snaak kon jongleren, hing af van cliënt tot cliënt en varieerde van tweeduizend pond tot een paar miljoen.”

 

Hoe succesvol was u?

“Soms bracht ik massa’s geld op, soms verloor ik een klein fortuin – dat is the nature of the game. Ik was succesvol in die zin dat mijn cliënteel toch verder met mij in zee wilde. Als beurshandelaar bouw je een relatie met je cliënten op die volledig gebaseerd is op vertrouwen. Mijn cliënten vertrouwden me vaak blindelings. Ik herinner me een face-to-face-gesprek met een van mijn eerste klanten. Ik wist van toeten of blazen. Ik pikte gewoon de adviezen in van de analisten van Merrill Lynch en gedroeg me tijdens het gesprek als een ervaren, door de wol geverfde trader. Mijn cliënt volgde en zette een paar duizenden ponden in op aandelen die ik hem aanraadde. Twee maanden later incasseerde hij vlotjes 20% winst per aandeel. In amper een half uur tijd had ik zelf duizend pond commissie verdiend. Om mijn succes te vieren, trakteerden mijn collega’s me op een drankovergoten feestje en een flinke snuif coke. Succes in de City werd nu eenmaal altijd met cocaïne gevierd.”

 

Is lef hebben de belangrijkste eigenschap voor een goeie beurshandelaar?

“Een trader moet vooreerst een gokker zijn. Want de City is een groot casino. Maar met goktalent alleen zul je het niet maken. De job van beurshandelaar vereist ook enig psychologisch doorzicht. ‘Zal dit aandeel te pakken zijn in een opwaartse trend, of zullen mensen in paniek schieten en al hun aandelen dumpen?’ Er is geen kunst aan om getalletjes op een scherm te lezen; als trader wordt er meer van je verwacht, zoals praten met collega’s, in de gaten houden wat andere investeerders doen en je oordeel baseren op een mix van zoveel mogelijk factoren. Regel nummer een is dat je in alle omstandigheden je cool bewaart. Voor elke transactie moet je bereid zijn om je korte termijnreputatie op het spel te zetten. Je mag nooit panikeren en beginnen twijfelen: ‘Wordt dit aandeel nu een winner? Of wordt het een loser? Doe ik er wel goed aan om nu te kopen?’ Twijfel helpt je geen ene moer vooruit. Je moet gewoon bereid zijn om klappen te krijgen als je een slechte deal sluit.”

 

Cocaïne als statussymbool

Werd u als jonge beurshandelaar strikt gecontroleerd?

“Intern was er heel wat controle. Onze bazen hielden in de gaten wat we uitspookten en controleerden of we de criteria respecteerden die onze cliënten ons vooropstelden. Ach, eigenlijk kwam het hierop neer: zolang onze bazen het gevoel hadden dat we geld opbrachten, zaten we op rozen. Er hingen geen lijstjes uit met rangschikkingen van wie wat opbracht, maar binnenin het bedrijf wist iedereen wie uitzonderlijk goed presteerde. Als je alle dagen op de Trading Floor dicht opeen zit, merk je snel wie door de bazen opgehemeld wordt of geviseerd wordt, en wie een goeie of een slechte maand gehad heeft. De Britse media speelden dat spelletje graag mee: elk jaar rond kerst, dé bonustijd, werden de kranten gek. ‘Een bankier bij Goldman Sachs streek als bonus 40 miljoen pond op, wauw, wat een kerel!’ Wie veel geld opbracht en daardoor ook veel geld verdiende, moest bewonderd worden. In de City hangt heel je status samen met het geld dat je vertegenwoordigt.”

 

Werd u bewonderd?

“Zeker. Het is bizar om als prille twintiger bakken geld te verdienen, terwijl al je vrienden aan de universiteit studeren en allerlei parttime strontjobs moeten doen om te kunnen overleven. Ik weet niet of ze afgunstig waren, of me bewonderden, maar ze zagen me wel als een rare vogel. Rond de millenniumwissel was ik flink bezig met het uitbouwen van een solide carrière in de geldindustrie. Ik bracht nog geen miljoenen ponden binnen zoals sommige dertigers, maar ik was wel goed op weg.”

 

Hoeveel verdiende u?

“Daar geef ik liever geen antwoord op. Sommige klanten leverden me in een goede maand duizenden ponden commissie op. Ik kocht een flat met twee slaapkamers op mijn 18e en een tweede met vier slaapkamers op mijn 21e, allebei in het dure centrum van Londen. Als beurshandelaar was je het aan je status verplicht om te laten zien dat je er warmpjes inzat. We droegen de allerbeste designerpakken van Armani en gingen elke avond dineren in de chique bistro’s van de wijk St. John’s Wood. ’s Middags lunchten we op het werk: onze lunches werden geleverd op porseleinen borden, met zilveren bestek. Ik wil geen medelijden, maar achteraf gezien, was het niet eenvoudig voor mij om overweg te kunnen met al dat geld en al die luxe. Ik spendeerde steeds meer aan drank en drugs. Samen met mijn werkmakkers snoof ik cocaïne zoals kerels uit de working class pinten drinken in de pub. Voor traders en brokers gold coke als een statussymbool. Ik raakte bevriend met een stinkend rijke financier met een Master in Internationaal Bankieren, die meteen ook mijn cokedealer werd.”

 

Hoe groot is de druk van de cliënten?

“Sommigen willen resultaten zien op korte termijn. Ze verlangen van je dat je om de paar uur hun aandelenhandel omploegt: ‘Koop een aandeel, verkoop het, incasseer de winst en move on!’ Anderen opteren voor de langere termijn: ‘Koop me een aandeel, en we zien wel wat het doet binnen een half jaar.’ Ik was verzot op shorten, op speculeren op een sterk dalende markt. Een gewone trader probeert geld te verdienen met stijgende aandelen; een shorter ‘leent’ aandelen waarvan hij verwacht dat ze het slecht zullen doen. Het geleende aandeel verkoopt hij aan de beurskoers. Hij koopt het aandeel daarna snel weer terug, want hij moet het teruggeven aan de oorspronkelijke eigenaar. Als de koers daalt, steekt de shorter de winst in zijn zak; als de koers stijgt, heeft hij dikke pech. Shorten was echt mijn ding. Ik kreeg er een gigantische kick van. Van shorten werd ik high.”

 

Voor een shorter is slecht nieuws vaak goed nieuws?

“Slecht en goed spelen niet mee. Cliënten op de financiële markt zien hun beurshandelaar niet als hun morele baken in hun leven. Ze geven je geld en willen alleen dat je meer geld opbrengt. Ongeacht wat er gebeurt. Een beurshandelaar heeft maar één missie: geld slaan uit goed en slecht nieuws. Zo was 9/11 een hoogdag voor shorters zoals ik. De aanslagen op de Twin Towers waren afschuwelijk, en wij hadden een missie: haal er zoveel mogelijk geld uit. We werden niet betaald om een potje te gaan zitten janken, maar om het onderste uit de financiële kan te halen. De aandelenmarkt heeft geen tijd voor moraliteit of sentimentaliteit.”

 

Werden er vragen gesteld over wie jullie cliënten waren? Of was misdaadgeld en zwart geld van harte welkom?

“In het begin van mijn carrière werden er geen vragen gesteld over de oorsprong van het geld van het cliënteel. Maar een paar grote witwasoperaties die in de pers weerklank kregen, vormden een domper op die totale vrijheid. Er werden ‘Know Your Client Regulations’ opgesteld: we moesten elke klant in levende lijve ontmoeten, en hem vragen waar hij zijn geld mee verdiende. In het bedrijf waar ik werkte, waren de cliënten gekend, maar bij veel andere investeringsbanken en brokers in de City wordt er niet zo nauw gekeken. Er gaat zeer zeker veel misdaadgeld om in het financiële hart van Londen. Overal waar er geld in het spel is, vind je de maffia.”

 

Hebzucht als motor

Hoe belangrijk is hebzucht in de City?

“De beurs gaat uitsluitend over hebzucht: hoeveel geld kan ik creëren, hoeveel rijkdom levert de handel me op? Niemand in de City vindt hebzucht een verwijt, of een slechte eigenschap. Het is de motor van het hele systeem. De City heeft een raar effect op al wie er werkt: geld maken is als een virus dat iedereen besmet. Geld maken is ook het enige criterium waarop bankiers en traders beoordeeld worden. Wie veel opbrengt, staat op het hoogste schavot. Je mag een vriendelijke kerel zijn, of fortuinen wegschenken aan liefdadigheid, dat is totaal onbelangrijk. Het enige wat telt, is het geld dat je opbrengt. ‘Shit, hij verdiende 100.000 pond commissie deze maand, en ik amper 80.000. Wat een fantastische kerel is hij toch, en wat voor een loser ben ik.'”

“De kredietcrisis is een logisch gevolg van de hebzucht in de City. Na de millenniumwissel geloofde iedereen in de financiële wereld dat de bomen tot in de hemel groeiden. De rest van de samenleving was er trouwens ook van overtuigd dat de gouden tijden nooit zouden eindigen. Gewone arbeiders namen er nog een extra kredietkaart bij, en leenden zoveel mogelijk geld, ongeacht aan welke prijs. Schulden afbetalen was een probleem voor later. De City reageerde net hetzelfde. In plaats van aandelen te verhandelen met geld dat we hadden, speelden we met geleend geld. Zo begon de hele zaak steeds meer uit de hand te lopen. Onze verliezen werden veel groter dan de cash die we hadden om alles terug te betalen. Geen enkele instelling reageerde, of zwaaide met een vermanend vingertje. De spelers in de City hadden het gevoel dat ze carte blanche hadden. De regulators en de politici bleven allemaal stom. Niemand reageerde toen de markt beresterk leek en iedereen bergen geld verdiende. Pas nu de boel ontploft, hoor je van alle kanten verontwaardigde reacties: ‘We wisten niet dat het zo erg was. Die kerels van de City hebben ons belogen.’ Terwijl eigenlijk iedereen medeplichtig is. Natuurlijk waren er een paar roependen in de woestijn. Maar hun stemmen werden genegeerd of belachelijk gemaakt. ‘Waar maken jullie je zorgen over? We leven in een nieuw tijdperk waarin welvaart gecreëerd wordt, dus shut up.’ Achteraf gezien hebben ze gelijk gekregen.”

 

Voelt u zich medeverantwoordelijk voor de economische puinhoop waarin we nu zitten?

“We leven in een ‘kredietkaartenmaatschappij’ die nog heel onaangename gevolgen zal hebben. Op het moment dat niemand zijn schulden kan terugbetalen, valt het hele systeem omver. De City heeft dat allemaal mogelijk gemaakt. Je mag degenen die daaraan meegewerkt hebben zoals ik gerust met de vinger wijzen, op voorwaarde dat je meteen ook iedereen die boven zijn stand leeft op zijn verantwoordelijkheden wijst. Want niemand werd gedwongen om een kast van een huis te kopen zonder zelf een cent te bezitten. We betalen nu cash omdat we met ons biersalaris een champagneleven wilden leiden.”

 Seth Freedman, Binge Trading: The Real Inside Story of Cash, Cocaine and Corruption in the City, Penguin, 192 blz., 15 euro

©jan@janstevens.be