‘De PVDA heeft zich nooit verontschuldigd voor de wantoestanden die ze verdedigde’

Louis Van Dievel nam leven en werk van gepensioneerd huisarts en ex-politicus Jan Van Duppen als basis voor zijn nieuwe boek De dokter is uw kameraad niet. “Het is een portret van een generatie die in de jaren 70 radicaliseerde en blind in het maoïsme geloofde.”

‘Een biografictie’ noemt auteur Louis Van Dievel zijn nieuwe boek De dokter is uw kameraad niet. Daarin vertelt hij het leven van Guust Van Mol, de in 1953 geboren oudste zoon van een Kempisch onderwijzersechtpaar. Op jonge leeftijd wordt Guust lid van Amada, de stalinistisch-maoïstische voorloper van de PVDA. Op bevel van de partij breekt hij begin jaren 70 zijn studies psychologie af om in de fabriek te gaan werken. Hij wordt mijnwerker en later trambestuurder. In 1978 begint hij geneeskunde te studeren. Na een teleurstellende reis naar ‘lichtend voorbeeld’ China, breekt Guust met de partij. Hij wordt huisarts in Turnhout, sluit aan bij de SP, later sp.a, en schopt het in 1999 tot Vlaams parlementslid. Vijf jaar later neemt hij ontgoocheld afscheid en verkast naar Rotterdam, waar hij arts in een achterstandswijk wordt. Daar raakt hij in de ban van de boeken van de Britse oerconservatieve psychiater Theodore Dalrymple.

Het leven van ‘Guust Van Mol’ vertoont opvallende gelijkenissen met dat van Jan Van Duppen, gepensioneerd huisarts en oudere broer van de eerder dit jaar overleden PVDA-dokter Dirk Van Duppen. “Guust Van Mol is niet Jan Van Duppen”, zegt Jan Van Duppen. Toch zitten we in zijn tuin in het centrum van Turnhout samen met schrijver Louis Van Dievel. “Guust is wel en niet Jan”, vindt die. “De dokter is uw kameraad niet is een portret van een generatie slimme jonge mensen die in de jaren 70 radicaliseerde. Ze bekeerden zich tot het maoïsme en geloofden er blind in. Siegfried Bracke zegt: ‘Amada zat vol verstandige mensen die er op een bepaald moment allemaal in slaagden hun verstand uit te schakelen.’ Hij heeft gelijk.”

Wie kwam op het idee voor De dokter is uw kameraad niet?

Louis Van Dievel: “Ik. De evolutie die mijn vriend doormaakte, fascineerde me.”

Jullie zijn vrienden?

Van Dievel: “We kennen elkaar toch al sinds 1980.”

Jan Van Duppen: “Hoe omschrijft u vriendschap?”

Een vriend is iemand die je voor bijna 100 procent kunt vertrouwen.

Van Duppen: “Dan heeft u net als ik heel weinig vrienden. Ik heb Louis toen hij aan zijn boek aan het werken was nooit voor 100 procent vertrouwd. Hij is een oude trotskist en die zijn per definitie onbetrouwbaar. (lacht) Louis kon me na verloop van tijd en na veel gesprekken min of meer overtuigen. Maar dit is niet mijn boek en ik ben het ook niet met alles eens. Het is Louis’ boek. Ik gaf hem 80 procent van mijn archief en hij heeft daar naar eigen zeggen 20 procent van gebruikt. Hij maakte zijn eigen keuzes. Al wat ik goed vond, heeft hij er natuurlijk niet in gezet. Maar er staan ook geen zaken in die ik belachelijk vind.”

U gaf hem de volledige vrijheid?

Van Duppen: “Nee, hij nam die. We discussieerden er wel over en in sommige gevallen kon hij me overtuigen, in andere niet. Het positieve was dat hij me zo dwong mijn verleden eindelijk onder ogen te zien. Ik worstelde daar al heel lang mee, maar probeerde de confrontatie te omzeilen of uit te stellen. Het is echt niet simpel om een verleden op te delven dat niet zo fraai is geweest. Ik wou weten: waarom werd ik ooit lid van een partij als Amada? En ik zag frappante gelijkenissen met hoe IS jonge mensen rekruteert en radicaliseert. Louis dwong me mij́n radicalisering van een halve eeuw geleden grondig uit te spitten.”

Waren trotskisten minder strikt in de leer dan maoïsten?

Van Duppen: “Het trotskisme was om te lachen. Wij waren de zuiveren, zij waren de ‘renegaten’, de afvalligen. Trotski was in onze ogen een fascist.”

Van Dievel: “Ik ben niet lang in dat milieu blijven hangen. Na vier jaar hield ik het voor bekeken. Ik was een lauwe gelovige en las niet graag de teksten. Het verschil tussen maoïsten en trotskisten was dat wij tot ‘s avonds laat op café zaten.”

Van Duppen: “Wij zaten niet op café omdat we om vier uur ’s morgens moesten opstaan om aan de fabriek pamfletten uit te delen. Dan lag jij nog in je nest te stinken, als je er dan al in lag.”

Van Dievel: “Ik zag hoe veel leeftijdsgenoten zich tot het maoïsme bekeerden en daar blind in geloofden. Amada, vanaf 1979 de PVDA, was als een sekte. Al die intelligente jonge mensen volgden alle rare kronkels van de partij, en dat waren er massaal veel. Wandaden in China, Vietnam of Cambodja werden goed gepraat. Sommigen bleven de partij trouw en zijn er nog steeds bij. Anderen begonnen na verloop van tijd te beseffen dat er iets niet klopte. Ze werden eruit gesjot, of stapten zelf op, zoals Jan. Velen onder hen worstelen nu ook met een onverwerkt verleden. Met alle ex-maoïsten samen kun je een voetbalcompetitie beginnen. Jan komt met zijn verhaal naar buiten, maar de meesten zwijgen. Want het is niet plezant om ervoor uit te komen dat je indertijd een blinde aanhanger was van Mao en Stalin.

“Wat ik zo fascinerend vind aan de levensgeschiedenis van Jan, is dat hij na de breuk met de maoïsten sociaaldemocraat werd, een tijdlang geloofde dat hij bij de sp.a iets kon bereiken, om later ontgoocheld op te schuiven naar rechts. Vandaag is Jan een zeer conservatief mens.

“Elke keer als Jan een naam uit de tijd van Amada noemde, googelde ik die. Zo merkte ik dat veel van de oude ijzervreters nog steeds actief zijn bij de huidige PVDA, zoals de bekende Kris Merckx, maar ook Boudewijn Deckers. Je gaat mij niet vertellen dat ze allemaal dat stalinistische verleden afgezworen hebben.”

Wat de PVDA nu wel beweert.

Van Duppen: “Ik geloof daar niets van.”

Van Dievel: “Ik ook niet. Ze hebben zich nooit verontschuldigd voor alle rampzalige theorieën die ze ooit verkondigden en in de praktijk probeerden te brengen. Of voor de wantoestanden die ze verdedigden. Ze nemen er afstand van, ja. Dat is zoals Roger Vangheluwe die zei: ‘Sorry’, om vervolgens van zijn pensioen te gaan genieten in een klooster in Frankrijk.”

Eind jaren tachtig nam een vriend me mee naar een lezing van wijlen Ludo Martens, op dat moment voorzitter van de PVDA. Ik hoorde die man de lof van Jozef Stalin zingen en de zuiveringen verheerlijken. Het waren er volgens Martens alleen niet genoeg.

Van Duppen: “Martens vertolkte daarmee niet meer dan de marxistische stelling dat het in de genen zit. Je ouders, grootouders en kinderen dragen evenveel verantwoordelijkheid. Als jij geliquideerd wordt, moeten ook zij uit het maatschappelijk weefsel verwijderd worden. Stalin had volgens Ludo Martens dus niet goed genoeg gezuiverd. Maar ikzelf vond die zuiveringen er flink over en was nooit een grote fan van Stalin. Veel partijgenoten wel. De reden waarom al die fatsoenlijke jonge mannen en vrouwen uit katholieke gezinnen in die vreselijke verhalen meegingen, had precies te maken met het feit dat Amada een sekte was. De manier waarop ze ons rekruteerden en loszongen van onze omgeving, was exact zoals sektes dat doen.”

De partij wou dat u stopte met studeren en stuurde u naar de fabriek, om er te gaan ‘proletariseren’.

Van Duppen: “Al die pas gerekruteerde jonge studenten kwamen natuurlijk uit ‘kleinburgerlijke milieus’. Volgens de marxistisch-leninistische leer zouden de arbeiders het voortouw nemen in de bevrijding van de mensheid. De arbeidersklasse was de enige die de dictatuur kon uitoefenen over de slechte rijken. De dictatuur van het proletariaat was per definitie goed, want ze zou zich nooit keren tegen de armen of de zwakken. Om te weten te komen hoe die reddende klasse leefde en dacht, moesten we ‘proletariseren’ en in de fabrieken gaan werken.”

U moest uw collega’s in de fabriek intussen ook proberen bekeren?

Van Duppen: “Uiteraard. Elke week leverden we lijsten in van hoeveel uur we besteed hadden aan militeren en het verkopen van onze ‘krant’ Solidair. In die periode oefende ik eigenlijk drie jobs uit: het partijwerk, het thuiswerk en het werk in de fabriek. We voelden ons heroïsch.”

Uw broer Dirk vertelde in zijn afscheidsinterviews dat hij als jongeman uit eigen keuze bij de para’s ging. Uit dit boek leer ik dat hij door de partij gestuurd werd.

Van Duppen: “Alle jongemannen moesten van de partij bij de para’s gaan. Het proletariaat moest met de wapens kunnen omgaan en in het leger konden interessante sabotagetechnieken geleerd worden. Sommige partijleden werden door de militaire geheime dienst ‘ontmaskerd’ en schilden de rest van hun diensttijd patatten.

“Toen ik voor mijn legerdienst werd opgeroepen, werkte ik als mijnwerker in Beringen. Daardoor had ik automatisch recht op vrijstelling, maar de partij besliste dat ook ik naar het leger moest. Ik kwam niet bij de para’s terecht, maar bij de logistiek van de landmacht. In mijn dossier stond dat ik Amada-lid was. De kolonel sloot een deal: als ik me gedeisd hield en de boel niet ophitste; kreeg ik in ruil een ‘schone job’ als chauffeur. Ik hapte toe.”

In 1978 ging u geneeskunde studeren. Was dat ook opgelegd door de partij?

Van Duppen: “Nee, dat vonden ze een ramp. Dirk en ik besloten op hetzelfde moment om geneeskunde te gaan studeren. Iedereen met naam en faam in de partij werd op ons afgestuurd om dat tegen te houden.”

Van Dievel: “Jan werkte toen als wattman bij de Antwerpse MIVA, de latere Lijn. In mijn boek staat een hilarische scène waarin PVDA-dokter Kris Merckx een tramrit lang Jan ervan probeert te overtuigen om toch maar niet voor dokter te gaan studeren. ‘Tien jaar geleden was geneeskunde nog makkelijker, nu zijn die studies veel ingewikkelder, met honderden soorten antibiotica. Het lukt niet meer zoals in onze tijd.’ (lacht)”

Waarom wilden ze dat niet?

Van Duppen: “Als wij de fabriek verlieten om te gaan studeren, vormden wij meteen het levende bewijs dat de theorie van het proletariseren niet vol te houden was.”

Werd u net als in een sekte continu in de gaten gehouden?

Van Duppen: “We controleerden onszelf met kritiek en zelfkritiek.”

Van Dievel: “Je hele leven stond in het teken van de partij, er was niets anders. Jans vrouw was ook lid van de partij, maar ze liepen nooit hand in hand. Tijdens het partijwerk mocht niemand zien dat ze een koppel waren. Hun relatie had geen enkel belang; de partij was alles.”

Van Duppen: “Als je er toch uitstapte, werd je gevolgd. Een jaar of tien na mijn afscheid sprak een partijlid van toen me aan op een literair festival in Antwerpen. Ik had geen zin in een praatje met hem, maar hij drong aan. Hij vertelde me dat hij de voorbije jaren verantwoordelijk was geweest voor het verzamelen van inlichtingen over mijn doen en laten. Hij moest daarover wekelijks verslag uitbrengen bij het politbureau. Hij was inmiddels zelf uit de partij gezet en bood zijn verontschuldigingen aan.”

Dat lijkt op praktijken van de Stasi.

Van Duppen: “Het was exact hetzelfde. Misschien is dat bij de huidige PVDA nog zo, ik weet het niet. Ik mag daar natuurlijk niets over zeggen, nu ze zogezegd opnieuw maagd geworden zijn.”

Na de eerste Zwarte Zondag in november 1991 werd u lid van de sp.a, toen nog SP. Acht jaar later werd u voor die partij verkozen tot Vlaams parlementslid. De sp.a verschilt dag en nacht van de PVDA?

Van Duppen: “Natuurlijk. De sp.a was geen sekte, maar een belangenvereniging.”

Van Dievel: “Een gezelligheidsvereniging waar je bij wijze van tijdverdrijf naartoe ging. In de tijd van de verzuiling hadden ze hun eigen fanfare en café; je kon je altijd wel ergens amuseren.”

Van Duppen: “Ik begreep niets van die grote overwinning van het Vlaams Blok. Ik was huisarts hier in Turnhout en een groot deel van mijn patiënten had op die partij gestemd. Terwijl dat mensen waren die bij wijze van spreken het socialisme in deze stad hadden opgericht. Hun grootvaders liepen op de eerste mei met de vlag in de stoet. Ik vroeg waarom precies zij voor het Blok hadden gestemd. De meesten voelden zich achtergesteld: ze vonden dat vreemdelingen altijd werden voorgetrokken.

“De SP vroeg me omdat ze een potentiële lokale stemmentrekker in me zagen. Ik raakte nipt verkozen. Dat was een zeer interessante ervaring, want ik kreeg zo zicht op wat er zich achter de coulissen van de macht afspeelt. Ik kon ook een paar dingen proberen verwezenlijken. Ik ben niet zo negatief over die periode. Kijk, ik weet ook wel waar u, net als Louis, op kickt: eerst was die Van Duppen extreemlinks, dan sociaaldemocraat en nu is hij extreemrechts.”

Van Dievel: “Je bent stevig rechts en niet extreemrechts. Dat is een groot verschil.”

Van Duppen: “Oké, alleen ben ík niet veranderd, maar de rest wel. Ik geloofde namelijk dat links bedoeld was om zoveel mogelijk mensen mee te laten deelnemen aan de samenleving. Maar ik kreeg al snel door dat dat onder de dictatuur van het proletariaat toch iets anders verliep. Dat viel dus lelijk tegen. Bij de sociaaldemocratie kwam ik erachter dat het ‘gezellige socialisme’ enkel diende om mensen horig te maken. Ik was erg begaan met de problematiek van de internering en probeerde daar als Vlaams parlementslid iets aan te doen. Een belangrijk sp.a-politicus sprak me daarover aan: ‘Wat maak jij je druk over die geïnterneerden? Die kunnen niet eens voor je stemmen.’ Dat is meteen de essentie van de sociaaldemocratie: je onderneemt enkel iets als je zo mensen aan je kunt binden. Volgens mij is dat niet links, maar rechts.”

Van Dievel: “Ik ben zelf een overtuigde sociaaldemocraat en geloof echt niet dat sociaaldemocraten mensen aan zich proberen binden om macht over hen uit te oefenen.”

U schrijft dat ‘Guust Van Mol’ goeroe Marx inruilde voor goeroe Theodore Dalrymple.

Van Dievel: “De aanhangers van Dalrymple vormen geen sekte, maar als hobbyfilosoof geniet hij bij de conservatieven wel een grote aanhang. Ik begrijp niet goed waarom. Zijn geschriften over ‘de onderklasse die het aan wilskracht ontbreekt’ staan bol van de clichés. Zijn observaties zijn soms waar, alleen toont hij een geweldig gebrek aan respect en eerbied voor mensen die hij ‘de onderkanters’ noemt.”

Van Duppen: “Ik vind net dat hij enorm veel respect voor hen heeft en ze au sérieux neemt. Ik ontdekte Dalrymple toen ik in Rotterdam als dokter aan de slag was. Patiënten met een vluchtelingenstatuut vertelden me dat ze de boel opzettelijk belazerd hadden. ‘We kwamen naar hier omdat we een handeltje wilden opzetten. Maar vertel het niet voort.’ Ik kon dat niet vatten. Toen stuitte ik toevallig op de boeken van Theodore Dalrymple. Ik heb alles van hem gelezen en vind dat hij heel realistisch beschrijft hoe die zogenaamde onderklasse door de hulpverleningssector aan het infuus gehouden wordt. Die hulpverleners doen dat in de eerste plaats om zichzelf te helpen, niet de anderen. Zo beroven ze hun cliënten van elke mogelijkheid om hun lot in eigen handen te nemen.”

Van Dievel: “Ik ben het totaal oneens met die stelling van Dalrymple: ‘De bedoeling van de hulpverlening is niet to do good, maar: to feel good.’ Dat is een aanfluiting van wat hulpverleners doen.”

Van Duppen: “Het begint als goed doen, maar evolueert naar goed doen om zichzelf goed te voelen. Wat er wél zou moeten gebeuren, is mensen hun zelfrespect teruggeven.”

Van Dievel: “Dat doe je niet door ze à la Theodore Dalrymple te misprijzen.”

Van Duppen: “Dat doet hij niet, vind ik. Ik heb ze zeker nooit misprezen. Mijn werk tien jaar lang in die moeilijke wijk in Rotterdam is daar het levende bewijs van. Als je die mensen misprijst, dragen ze je gewoon naar buiten. Dalrymple werd ook nooit ergens buiten gedragen.”

Louis Van Dievel, De dokter is uw kameraad niet, Uitgeverij Vrijdag, 368 blz., 22,50 euro

© Jan Stevens

De onderpastoor

In De onderpastoor reconstrueert Louis Van Dievel de strijd eind jaren zestig tussen de oerconservatieve bisschop Van Peteghem en de jonge vooruitstrevende dorpspriester Gilbert Verhaeghen en zijn aanhangers. ‘Tot vandaag ligt de “kwestie-Verhaeghen” nog heel gevoelig in de parochie Sint-Gillis-Dendermonde.’

 

In de prille lente van 1969 brak in de Sint-Egidiusparochie van Sint-Gillis-Dendermonde een volksopstand uit. De parochianen pikten het niet dat het bisdom Gent hun favoriete onderpastoor Gilbert Verhaeghen wou overplaatsen. Aanleiding was de nieuwe marmeren vloer in de Sint-Gilliskerk. Die had bijna 1 miljoen frank gekost, terwijl er volgens Verhaeghen en de actievoerders geen geld was voor fatsoenlijke lokalen voor de jeugdverenigingen. Dieperliggend woedde de strijd om inspraak voor leken tussen de aartsconservatieve bisschop Leonce-Albert Van Peteghem en de jonge vooruitstrevende priester Verhaeghen. De ene vond de kerk geen democratie, terwijl de andere in de geest van het Tweede Vaticaans Concilie de ramen en deuren wou opengooien. Drie maanden duurde die strijd, met pamfletten, spandoeken, misverstoringen, oproerpolitie en zelfs bijna een lynchpartij. Tot Gilbert Verhaeghen in mei ’69 zijn overplaatsing naar Nieuwkerken-Waas aanvaardde.

In zijn uitstekende roman De onderpastoor brengt voormalig VRT-journalist en schrijver Louis Van Dievel de in 2014 overleden Gilbert Verhaeghen opnieuw tot leven. ‘Eind jaren negentig was er heel wat heisa rond priester Rudy Borremans’, zegt Van Dievel. ‘Hij leefde openlijk samen met zijn vriend en dat was niet naar de zin van de toenmalige kardinaal Godfried Danneels. Pastoor Borremans mocht wel homoseksueel zijn, alleen mocht hij dat niet praktiseren. Hij werd voortdurend overgeplaatst. In 2008 was hij pastoor van de twee Vlaams-Brabantse parochies Everberg en Meerbeek. Daar raakte hij in conflict met de federatiepastoor en werd hij opnieuw de laan uitgestuurd. De parochianen vonden dat ontslag niet terecht en in maart 2008 kwamen ze massaal op straat. ’s Avonds was die betoging een hoofdpunt in het VRT-journaal. Er werd toen in de intro gezegd: “Het is de eerste keer in Vlaanderen dat parochianen demonstreren voor het behoud van hun pastoor.” De volgende dag kreeg ik een mail van een wildvreemd iemand uit Sint-Gillis-Dendermonde. Hij schreef: “De demonstratie voor Borremans is geen unicum. In 1969 hebben wij maandenlang voor onze priester betoogd. Bent u geïnteresseerd?” Zoiets moet je mij geen twee keer vragen.’

 

Dus sprak u met die man af?

Louis Van Dievel: Hij stuurde me eerst een exemplaar van ‘Zwartboek Verhaeghen’, een bundeling persartikelen en communiqués van het ‘aksiekomitee’ uit die tijd over de ‘kwestie-Verhaeghen’. Die ligt vandaag trouwens nog steeds heel gevoelig in Sint-Gillis-Dendermonde. Zo wou de man die me in 2008 contacteerde, niet vernoemd worden in het dankwoord van mijn roman. Hij is een van de enigen van de betrokkenen die al die jaren met me is blijven spreken. Zo goed als alle anderen wilden mijn pen vasthouden. Zowel de leden van de conservatieve club die een hekel aan Verhaeghen had, als de oud-strijders uit dat steuncomité. Ingrid Michem, de dochter van een van de actievoerders, en haar vorig jaar overleden man Rik Geerinckx bleven ook met me praten. Daarom heb ik De onderpastoor aan Rik opgedragen.

 

Waarom koos u voor de romanvorm en niet voor de biografie?

Van Dievel: Ik heb lang getwijfeld. Maar toen duidelijk werd dat sommigen mijn pen wilden vasthouden en nog anderen niet meer wilden meewerken, besloot ik om het verhaal van Gilbert Verhaeghen tot roman te bewerken. Ik heb hetzelfde procedé toegepast bij mijn roman De Pruimelaarstraat over seriemoordenaar Staf Van Eyken alias de Vampier van Muizen. Eerst zoek ik alle mogelijke informatie die er ook maar over mijn onderwerp te vinden is, vervolgens maak ik er mijn eigen verhaal van. Ik schrijf dan een roman zoals ik denk dat het gegaan is. Dat geeft me meer vrijheid: al degenen die als twintigers of dertigers eind jaren zestig voor Verhaeghen demonstreerden, moet ik nu niet meer vernoemen. Zij leven nog allemaal, terwijl de pastoors van toen allemaal dood zijn.

 

Ik heb Gilbert Verhaeghen goed gekend. Ik woon in het gehucht De Hellestraat in Stekene waar hij van 1987 tot aan zijn pensioen in 2009 pastoor was. Het eerste groot interview dat ik ooit van iemand afnam, was van hem, voor het inmiddels ter ziele gegane lokale weekblad Het Vrije Waasland.

Louis Van Dievel: Echt? Overal kom ik nu mensen tegen die Verhaeghen goed gekend hebben. (lacht) Mieke Van Hecke, de voormalige topvrouw van het katholiek onderwijs, was chiroleidster in Gent toen hij daar een jonge onderpastoor was. Ze bleef contact met hem houden, want haar moeder wou elk jaar bij hem te biechten gaan. Tot in De Hellestraat.

 

Hebt u hem ooit ontmoet?

Van Dievel: Nee. Op 12 juli 2014 is hij gestorven. Ik wist dat hij na zijn afscheid van De Hellestraat naar een bejaardenhome verhuisde in de naburige gemeente Sint-Pauwels. Ik was van plan om contact met hem te zoeken, maar toen zag ik zijn overlijdensbericht in de krant.

 

U citeert veelvuldig uit zijn dagboek. Hield hij dat echt bij?

Van Dievel: Nee, dat is de vrijheid van de romanschrijver. Maar al de rest, àlle citaten komen uit officiële documenten. Na lectuur van De onderpastoor heb je een portret van Verhaeghen in een bepalende periode van zijn leven. Ik schets geen ‘hiep-hiep-hoera-beeld’. Ook Mieke Van Hecke sprak zeer genuanceerd over hem.

 

Wat voor een mens was hij?

Van Dievel: Een goed mens, maar ook een koppigaard. Ik ben dat zelf ook; dat schept een band. (lacht) Van 11 oktober 1962 tot 8 december 1965 vond op initiatief van paus Johannes XXIII het tweede Vaticaans Concilie plaats. De kerk nam op papier afscheid van het verleden en wou de moderne tijd omarmen. De ramen en deuren moesten opengezet worden om frisse lucht binnen te laten. Er werden besluiten goedgekeurd die voor meer inspraak en betrokkenheid van de gelovigen moesten zorgen. Gilbert Verhaeghen was een groot voorstander en voorvechter van dat concilie, maar de conservatieven in de kerk vonden al die progressieve nieuwlichterij maar niets. Verhaeghen had eerst niet in de gaten dat vooral in het bisdom Gent de besluiten van Vaticanum II dode letter zouden blijven. Bisschop Leonce-Albert Van Peteghem was een aartsreactionair en trok zich daar niets van aan.

 

Terwijl hij nog meegewerkt heeft aan dat Tweede Vaticaans Concilie.

Van Dievel: Ja, dat is heel bizar. Het lijkt alsof Van Peteghem veranderd was door bisschop te worden. Daarvoor was hij een geliefde professor moraaltheologie aan het seminarie van Gent. In 1964 werd hij tot bisschop gewijd en vanaf dan werd die man bang voor zijn eigen schaduw. Hij omringde zich met hondstrouwe volgelingen en donkere wolken pakten samen boven zijn bisdom. De andere Belgische bisschoppen waren wèl min of meer mee met de veranderende tijd. Van Peteghem niet. Hij hield alles en iedereen in de gaten. Hij weigerde de hand te schudden van priesters die geen Romeinse boord droegen. Hij kwam in de kerk controleren of de stoelen wel goed stonden. Snel vond hij aansluiting bij de beweging van ultraconservatieven tegen het Vaticaans Concilie. Gilbert Verhaeghen had pech dat hij in het bisdom Gent terechtgekomen was. Op een bepaald moment raadde vicaris-generaal Leo De Kesel, de rechterhand van Van Peteghem en de oom van de huidige kardinaal Jozef De Kesel, Verhaeghen zelfs aan om naar het bisdom Brugge te verhuizen. Maar de koppige onderpastoor bleef.

 

Was Verhaeghen een linkse priester?

Van Dievel: Hij was sociaal, de perfecte ACW’er of KWB’er. Hij werd ‘progressief’ genoemd, terwijl hij dat eigenlijk niet was en hij zei dat zelf ook. Hij vond dat de leken én de vrouwen in de kerk meer in de pap te brokken moesten krijgen. Échte hervorming hield veel meer in dan de mis in de volkstaal. Eind jaren zestig zag hij al het aantal priesterroepingen teruglopen. Hij voelde heel goed aan dat dat een teken van de tijd was. De kerk moest volgens hem hedendaags worden. In Sint-Gillis-Dendermonde bracht hij bij zijn parochianen de vonk over. Maar tijdens alle verdere acties, hield hij zich zo goed mogelijk op de achtergrond. Hij zat tussen hamer en aambeeld, want hij wilde niet de verdenking op zich laden dat hij de grote organisator van het protest was. De parochianen van Sint-Gillis-Dendermonde organiseerden hun verzet zélf en dat vind ik zo geweldig. Stel je voor: een doodbrave Vlaamse parochie die tegen de hoge heren van het bisdom zegt: ‘Niet met ons, Verhaeghen moet blijven!’ Iedereen dacht dat hun protest na een paar weken zou doodbloeden, maar ze bléven volhouden. Toen hij dan uiteindelijk toch naar Nieuwkerken overgeplaatst werd, zeiden ze: ‘Nu bouwen we ons eigen jeugdlokaal.’ Ze creëerden hun eigen parochietje en Verhaeghens geest is er blijven hangen.

 

Hoe kwam Gilbert Verhaeghen in Sint-Gillis-Dendermonde terecht?

Van Dievel: Vanuit Gent hadden ze hem in 1965 naar daar overgeplaatst. Tussen 1962 en ’65 was hij onderpastoor in de Gentse Sint-Vincentiusparochie. Hij was er dikke maatjes met priester-arbeider Frans Wuytack. Wuytack zou later de bevrijdingstheologie en het revolutionaire verzet omarmen en door de kerk uit zijn priesterambt gezet worden. Nog later werd Wuytack beeldhouwer. Begin jaren zestig maakten de jonge onderpastoors Verhaeghen en Wuytack de straten van de Gentse Bloemekenswijk onveilig op een oude BMW-motorfiets. Het bisdom vond dat maar niets, en Verhaeghen werd tot onderpastoor benoemd in Sint-Gillis-Dendermonde.

Hij bracht schwung in die parochie. Hij installeerde inspraak via een parochieraad en onderhield uitstekende relaties met de verenigingen en de jeugdbewegingen. Er gebeurde ontzettend veel en pastoor Jozef De Brouwer stak alle pluimen op zijn hoed. Zolang het goed ging, liet hij Gilbert Verhaeghen begaan. Maar van zodra het bisdom in Gent zich begon te moeien, keerde hij zijn kar.

 

Het bisdom wou Verhaeghen onder druk van de conservatieven in zijn parochie overplaatsen?

Van Dievel: Er werden anonieme brieven naar bisschop Van Peteghem geschreven. Mijn roman begint met zo’n authentieke brief. ‘Hooggeachte Heer Monseigneur’, schreef de ‘verontruste parochiaan’, ‘ik voel het als mijn katholieke plicht u in te lichten over de handelwijze van E.H. Verhaeghen. In de drie jaren sinds zijn benoeming in onze parochie is deze Verhaeghen erin geslaagd de gelovigen tegen elkaar op te zetten met preken en uitlatingen die nog weinig met de katholieke geloofsleer te maken hebben, ja er zelfs gans strijdig mee zijn. Vanop de kansel heeft hij het bestaan om tot een revolutie op te roepen. Hij maakt het stille werk van E.H. pastoor De Brouwer en van zijn collega-onderpastoor, de zeer ervaren E.H. Van Coppenolle, belachelijk. Hij doet bij de katholieke verenigingen waarvan hij de proost is aan zogenoemde voorlichting op een gebied waar hij zich als priester verre vandaan heeft te houden. Hij is allesbehalve terughoudend in zijn omgang met het vrouwelijke deel van onze parochie. Meer durf ik hierover niet te zeggen. Maar er zijn getuigen! Verhaeghen bezoekt socialistische dranklokalen waar hij zich blijkbaar meer op zijn plaats voelt dan in onze parochiekerk. Het huis dat de kerkfabriek hem ter beschikking stelt, is verworden tot een verzamelplaats van allen die het niet nauw nemen met de Tien Geboden. Met dit alles, zo beweert Verhaeghen, brengt hij de besluiten van het Vaticaanse Concilie in de praktijk. Maar niets is minder waar! Hij leidt de gelovigen van Sint-Gillis- Dendermonde integendeel op een dwaalspoor.’

 

U weet wie achter die brieven zat?

Van Dievel: Ja, de conservatieve kliek, maar ik ga geen namen noemen. Want het leeft nog steeds. Jan Pauwels, woordvoerder van de ongelukkige ex-minister Joke Schauvliege, is van Dendermonde en bracht me in contact met zeer veel getuigen. Jan vertelde me dat de oudjes in het plaatselijke rusthuis nog altijd ruzie maken over Verhaeghen. ‘Wat voor een vrouwenzot was dat toch!’ (lacht) Mieke Van Hecke vertrouwde me toe dat veel vrouwen hadden willen ingaan op zijn avances, maar ik weet niet of hij ook ooit verder ging.

 

Op het einde van zijn leven laat u hem in zijn dagboek schrijven: ‘Er zijn verleidingen geweest. Ik heb mij enkele keren in de schemerzone gewaagd. Zelfs met gehuwde vrouwen. Maar ik ben nooit over de drempel gegaan.’ Eén van die vrouwen vertelde mij dat hij verschillende keren de drempel overging en zo soms emotionele ravages aanrichtte.

Van Dievel: Dat wist ik niet. Hij was alleszins een opmerkelijk figuur. Kijk, wat mij zo intrigeert, is de opstand in die parochie. Mensen namen het voor hem op en wilden hem niet kwijt. Dat spleet Sint-Gillis-Dendermonde, trok families uiteen en is nooit helemaal verdwenen. Het conflict kwam in april ’69 tot een kookpunt toen Leo De Kesel bijna gelyncht werd. Hij kwam aan de plechtige communicanten het heilig vormsel toedienen, maar werd opgewacht door een woedende menigte met zwarte vlaggen. ‘Verhaeghen! Verhaeghen!’, scandeerden ze. De Kesel overleefde ternauwernood zijn bezoek aan de parochie; zo boos waren die mensen. Ze vonden dat er met hun voeten werd gespeeld. Er werd voortdurend warm en koud geblazen en er werden beloftes gedaan die meteen weer verbroken werden. De tactiek van het bisdom en de pastoor was: iets toegeven om daar niet veel later op terug te komen. Wit zeggen tegen de ene, en zwart tegen de andere. Dwaalsporen leggen, tijd winnen en hopen dat het verzet een stille dood zou sterven. Het bijna molesteren van De Kesel was een cadeau voor het bisdom: dat konden ze in Verhaeghen zijn schoenen schuiven. Een kleine maand later werd hij overgeplaatst naar Nieuwkerken-Waas.

 

Waarom is hij nooit uit de kerk gestapt? In de jaren dat ik hem kende, fulmineerde hij continu tegen de ‘kliek in Rome’.

Van Dievel: Hij noemde zichzelf katholiek en niet rooms-katholiek. Hij vond dat hij als priester niet mocht opgeven. Het is nooit bij hem opgekomen om zijn kap over de haag te smijten. Bevriende pastoors met hetzelfde gedachtengoed stapten er één na één uit. Tientallen namen afscheid van hun priesterschap. Verhaeghen liep altijd voorop en ik denk dat hij af en toe vergat om te kijken of de troepen nog volgden. In Sint-Gillis liepen ze allemaal mee.

 

Daar gedroeg hij zich toch ook als een goeroe voor de jeugd?

Van Dievel: Jawel. Het zou me niet verwonderen dat Mieke Van Hecke als 18-jarig chiromeisje een beetje verliefd op hem was. (lacht)

 

Toch was hij nogal een morsig type.

Van Dievel: Dat is hij altijd geweest. Hij rookte pijp, dronk flink wat wijn en waste zich zelden. Poetsen was niet aan hem besteed. Zijn parochianen hadden medelijden met hem en kwamen zijn huis schoonmaken en de afwas doen. Hij ging kuisen bij bejaarden die krom liepen van de reuma, maar in zijn eigen huis was het een stort.

 

Hij had een uitstekende wijnkelder en trakteerde gul.

Van Dievel: Dat was het liefste wat hij deed: samen drinken en filosoferen. Hij heeft zich nooit iets aangetrokken van zijn gezondheid, tot hij op het laatste bijna dood was. Vijf maanden lang lag hij in het ziekenhuis. Eind 2009 besloot hij om niet terug te keren naar de pastorij in De Hellestraat. Hij nam zijn intrek in een rust- en verzorgingstehuis, bij de dementen terwijl hij zelf niet aan het dementeren was.

 

Als ‘verklaring’ gaf hij toen: ‘In het land der blinden is eenoog koning.’

Van Dievel: Volgens mij beschouwde hij de dementen als zijn gelijken. Tegen andere bezoekers zei hij: ‘De dementen zullen denken dat ik hun overleden kind ben, een buur of een kameraad uit de legertijd. Ze zullen kwaad op me zijn en af en toe vloeken. Maar misschien hebben ze tussendoor ook een helder moment waarop ik iets voor hen kan betekenen.’

 

 

Louis Van Dievel

  • 1953 geboren in Mechelen
  • Studeerde vertaler Italiaans, Engels
  • Werkte een carrière lang als journalist voor de VRT, op een paar kleine overstappen naar VTM na
  • 2002 debuteerde met de roman Happy Days en schreef sindsdien meer dan een dozijn andere boeken
  • 2006 brak door met De Pruimelaarstraat
  • 2011 kreeg de Hercule Poirotprijs voor zijn misdaadroman Hof van Assisen

 

Louis Van Dievel, De onderpastoor, Uitgeverij Vrijdag, 352 blz., 22,50 euro

(c) Jan Stevens