De zingende arm van de maffia

Als straatboefje maakten ze in hun tienerjaren Napels en Palermo onveilig. Vandaag zijn ze netjes gekapte en geföhnde vertolkers van het mierzoete muziekgenre neomelodica en verzorgen ze geregeld optredens in Maasmechelen, Luik en Charleroi. “Als je met hun managers praat, praat je met de maffia.”

Vrijdag 22 maart 2013 liep het cultureel centrum van het Limburgse Riemst vol voor een duo-optreden van Tony Colombo en Nino Brancato, twee zeemzoete Italiaanse crooners, gespecialiseerd in ‘neomelodica’. De eerste kwam rechtstreeks uit Napels, de tweede uit het Duitse Keulen. ‘Giuro sono innamorato, ik zweer dat ik verliefd ben’, zong Brancato. ‘Amore mio’, kweelde Colombo. Het Belgisch-Italiaanse publiek ging uit de bol.

In juli 2012 droeg de Napolitaanse neomelodicazanger Rosario Miraggio op het patroonheiligenfeest van de Madonna del Carmelo in Gragnano in de provincie Napels het nummer ‘Io canto a te’, ‘Ik zing voor jou’, op aan camorrista Nicola ‘het vuur’ Carfora. Dertien jaar eerder was maffiabaas Carfora tot levenslang veroordeeld voor de moord op een ondernemer die weigerde beschermingsgeld te betalen. Op vrijdag 13 december 2013 trad diezelfde Miraggio op in het Cultureel Centrum van Seraing. “De kans is groot dat er die avond ook een paar Belgische Italianen in de zaal stonden met sympathie voor de Siciliaanse maffiaorganisatie cosa nostra of de Napolitaanse camorra”, zegt de Nederlands-Italiaanse maffiakenner Francesco Pepe. Samen met de Amerikaanse antropoloog Jason Pine voert hij onderzoek naar de verspreiding van het muziekgenre neomelodica over de hele wereld. “Neomelodica is geboren en getogen in de maffia.”

Colombo

In februari 2012 beschreef de Italiaanse onderzoeksjournalist Roberto Saviano, auteur van Gomorra, in de krant La Repubblica hoe de neomelodicazangers zijn jeugdjaren in de smalle straatjes van de Spaanse Wijk in Napels opfleurden. “Ik kende al hun liedjes uit het hoofd”, schreef hij. “Ze knalden op vol volume uit de open ramen van de auto’s die voorbijreden. Tijdens de ochtendschoonmaak waaiden ons uit de openstaande ramen van de huizen liedjes tegemoet van Tony Colombo, Rosario Miraggio, Stefania Lay en vele anderen. De rest van Italië kijkt neer op de Napolitaanse ‘neomelodici’, maar op YouTube worden hun muziekvideo’s minstens evenveel bekeken als die van de meest succesvolle Italiaanse popmuzikanten. Zo halen de clips van Tony Colombo makkelijk miljoenen kijkers.”

In de zomer van 2014 werd diezelfde Tony Colombo door de RAI uitgenodigd om deel te nemen aan de Italiaanse versie van Sterren op de dansvloer. Die uitnodiging zorgde in het noorden van het land voor wenkbrauwgefrons en protest. Het leek alsof de openbare omroep een peetvader van de camorra vroeg om voor het oog van de camera zijn danspassen te etaleren. De RAI ging overstag en sloot Colombo van deelname uit. Tony Colombo’s fans reageerden furieus en in een interview met het tv-blad TV Sorrisi e Canzoni deed de zanger zijn beklag over de volgens hem bevooroordeelde organisatoren. “Ik ben het beu dat neomelodicazangers altijd gelijkgeschakeld worden met de camorra”, zei hij. “Ik zing over de waardigheid van de familie, maar sommigen lijken zich daarover te schamen. Het gezin is het hoofdpersonage in al mijn liedjes. Over mijn liefdesliedjes hangt geen schaduw: ze zijn zo helder als water.”

Na een gesprek met de zanger kwam de RAI op haar beslissing terug: Colombo en zijn danspartner mochten begin oktober toch hun opwachting in Sterren op de dansvloer maken. Een maand later werden ze door de kijkers via televoting weggestemd.

Godfather

Tony Colombo werd in 1986 in de Siciliaanse hoofdstad Palermo geboren. Naar eigen zeggen startte zijn carrière als zanger op zijn zesde op straat. “De aanleiding was een weddenschap tussen mijn vader en mijn oom. Mario Merola trad die avond op. Merola hoorde me zingen, gaf me een biljet van 50.000 lire (25 euro) én zijn zegen. ‘Binnen tien jaar ben je een groot artiest’, zei hij. Van mijn eerste cassette verkochten we 800.000 exemplaren. Ik was het wonderkind van Palermo. Op mijn negende trad ik in de Belgische stad Luik op voor vierduizend mensen. Op mijn veertiende zong ik in New York. Op mijn 18e verhuisde ik naar Napels waar ik mijn eerste concert voor dertigduizend mensen gaf.”

De in 2006 overleden Napolitaanse zanger en acteur Mario Merola geldt als de ‘godfather’ van de neomelodica. “Merola’s beste vriend Michele Zaza bekleedde een unieke rol in de maffia”, zegt Francesco Pepe. “Zaza was niet alleen lid van de Napolitaanse camorra, maar zat ook in het overkoepelende bestuur van de Siciliaanse cosa nostra. Mario Merola trad op het doopfeest op van de zoon van de machtige, nietsontziende Siciliaanse maffiabaas Stefano Bontade die in 1981 door een rivaliserende clan vermoord werd. Bontade’s dood ontketende een ware maffia-oorlog. Begin jaren zeventig trok Merola naar New York voor een optreden dat volledig gefinancierd was door de lokale maffiabaas Frank ‘Funzi’ Tieri. Merola zelf zei altijd: ‘Binnen de maffia heb ik geen vijanden.’ Dan weet je hoe laat het is.”

Het was diezelfde Mario Merola die besliste dat Antonio Colombo als ‘Tony Colombo’ door het leven moest, want dat klonk stoerder. Pepe: “Colombo is een Siciliaan, maar zingt net als alle andere neomelodici in het Napolitaans.”

De meeste neomelodicazangers zijn verbonden aan Sea Musica uit de Siciliaanse stad Catania, en aan Zeus Musica in Napels, platenmaatschappijen die volgens Pepe de maffiamethodes niet schuwen. “Zangers moeten 10.000 euro neertellen om een cd te mogen maken. Wie op bruiloften wil zingen of concerten wil geven, moet een door de muziekuitgeverij geregelde agent hebben. Een deel van de vergoeding blijft aan de vingers van de agent plakken, een ander deel moet de zanger doorstorten aan de platenfirma. Iedereen moet zijn graantje meepikken, anders raakt een neomelodicazanger niet aan de bak.”

U professore

De wortels van de neomelodica liggen in het 19e eeuwse Napolitaans volkstheater sceneggiata. Francesco Pepe: “De voorstellingen zaten vol zang en dans, en hadden bijna altijd ‘eer’ als thema. De toneelstukken waren moralistisch, gingen over armoede en over de camorra. In de twintigste eeuw namen migranten de Napolitaanse liederen uit de sceneggiata ook mee naar Duitsland, Nederland en België.”

In de tweede helft van de twintigste eeuw evolueerden de volksliedjes uit de sceneggiata tot neomelodica. “De Napolitaanse liedjes werden vervangen door neomelodica op het moment dat de maffiabazen er zich in de jaren zeventig mee gingen bemoeien”, zegt Pepe. “Raffaele Cutolo stond in 1970 aan de wieg van de Nuova Camorra Organizzata (NCO). In de ‘oude’ camorra draaide alles rond de ‘guapo’, de godfather die controle uitoefende over zijn wijken in Napels. Als je iets voor elkaar wilde krijgen of zelf iets wou ondernemen, ging je eerst naar hem toe. Hij woonde bruiloften bij en kwam je kind dopen. Midden jaren zeventig is dat systeem door toedoen van Cutolo drastisch veranderd. Hij wou de georganiseerde misdaad in en rond Napels stroomlijnen en de camorra structureren zoals de Siciliaanse cosa nostra: alle verschillende clans met hun peetvaders moesten trouw zweren aan één opperbaas: Raffaele Cutolo. Sommigen kozen vrijwillig partij voor zijn NCO, anderen werden gedwongen. Raffaelle Cutolo was bijzonder gewelddadig, maar schreef ook zeemzoete romantische nummers die hij door anderen, de neomelodici, liet zingen. Hij was ook een dichter en hoopte zo het aura te krijgen van ‘u professore’, de intellectueel, terwijl hij niets meer dan een ordinaire moordenaar is.”

Samen met de groei van Cutolo’s NCO nam de populariteit van het neomelodicagenre toe. Pepe: “Vandaag hoor je de muziek op bruiloften, doopfeesten, geboortefeesten en verjaardagen. Tijdens zijn ‘veroveringstocht’ van de camorra-clans lonkte Napolitaan Raffaelle Cutolo ook naar de collega’s van de cosa nostra in Sicilië. Dat werkte maffiabaas Stefano Bontade uit Palermo zwaar op de zenuwen. Van de neomelodici werd ge-eist dat ze partij kozen. De jonge zanger Patrizio scheerde einde jaren zeventig hoge toppen en was uitermate populair in zowel Napels als Sicilië. Patrizio kon niet kiezen en zong op zowat alle bruiloften en doopfeesten, zowel op die van de camorra als op die van de cosa nostra. Dat werd hem niet in dank afgenomen. Op een bepaald moment werd hij nergens meer gevraagd. Hij raakte aan lager wal en werd in 1984 dood in een auto gevonden, volgens de officiële versie overleed hij aan een overdosis heroïne, al wordt er nog steeds gefluisterd dat hij vermoord is.”

De meeste neomelodicazangers durven niet te kappen met de maffia. “Gigi D’Alessio is nu zowel in Italië als in Amerika razend populair. Maar ook hij zat eerst in de neomelodicascene. Hij is begonnen als beschermeling van Mario Merola en als de bazen van de camorra met de vingers knipten, moest hij hun doopfeesten en bruiloften gratis komen opfleuren. Eind jaren negentig tekende hij een contract met een grote internationale platenmaatschappij en verhuisde hij naar Rome; sindsdien heeft hij zich op geen enkel camorrafeest meer vertoond.”

De Belgische connectie

In La Batte in Luik stallen elke zondag op de linkeroever van de Maas meer dan 500 marktkramers hun koopwaar uit. Tussen stalletjes met goedkope kleren, schoenen, ondergoed, groenten en fruit, staan ook platenstalletjes van Belgische Italianen met naast de laatste Italiaanse hits een selectie van recente neomelodica-cd’s. Vanuit de Rue de Hombroux in datzelfde Luik runt Angelo Virzi zijn onlinemuziekwinkel italia-disques.com. Onder zijn ruim assortiment Italiaanse muziek en film zit ook een flinke portie neomelodica. Virzi’s winkel speelde de voorbije jaren een belangrijke rol in de verspreiding van het genre in België en Duitsland, maar ook in Italië. “Veel online shoppers hebben slechte ervaringen met in Napolitaanse muziek gespecialiseerde Italiaanse e-shops”, zegt hij. “Die werken allesbehalve professioneel en leveren traag of helemaal niet.” Zelf houdt Virzi niet van de term ‘neomelodica’, hij heeft het liever over ‘musica napoletana’. “Mensen kopen platen en gaan naar concerten omdat ze van de muziek en de artiesten in kwestie houden, meer moet daar niet achter gezocht worden.”

“Het is zeker zo dat de meeste liefhebbers van het genre geen criminele achtergrond hebben”, zegt Francesco Pepe. “Er is ook geen rechtstreekse link tussen Belgisch-Italiaanse neomelodicazangers en de georganiseerde misdaad. Maar de hele scene errond met tournees en optredens, vergemakkelijkt wel de communicatie tussen criminelen. Er zijn veel grensoverschrijdende contacten tussen Italianen in Frankfurt, München, Mannheim en Duisburg en Italianen in Maasmechelen, Luik en Charleroi. Je kunt er vergif op innemen dat mensen met banden met de georganiseerde misdaad elkaar ontmoeten op neomelodicaconterten in Duitsland en België.”

In Keulen treden neomelodica-artiesten op in restaurants en in theaters. Optredens die bijna allemaal geboekt en gemanaged worden door Generali Eventi, een agentschap met roots in Italië. Pepe: “Een paar jaar geleden draaide Maurizio Del Greco, de eigenaar van Generali Eventi, een film Incontro, over de strijd om de macht tussen Zuid-Italiaanse clans in Keulen, met een link naar België. Del Greco speelt zelf de hoofdrol van Napolitaanse maffioso die de concurrerende Siciliaanse maffioso doodt en zijn drugsgeld inpikt. De soundtrack bestaat uit neomelodicanummers gezongen door onder anderen Nino Brancato.”

Bestaat er ook een Belgische afdeling van Generali Eventi? “Nee. Er zijn niet zoveel Belgisch-Italiaanse vertolkers van neomelodica-muziek. Duitsland telt meer dan tachtig artiesten, de Belgische zangers kun je op de vingers van twee handen tellen. Maar de manier waarop de Belgisch-Italiaanse artiesten hun cd’tjes persen, verloopt net als in Napels en Palermo. Ook zij moeten 10.000 euro neertellen bij een obscure firma om een plaatje te mogen maken, ook zij moeten de juiste mensen betalen om te mogen optreden. Als je met die jongens hun managers praat, praat je met de camorra.”

© Jan Stevens

Advertenties

“De deur van de godfather stond dag en nacht open”

Als boefje van twaalf kraakte Louis Ferrante de parkeermeters van New York; op zijn 21e schopte hij het tot ‘kaderlid’ bij de maffia. Tot hij gearresteerd werd en jarenlang achter de tralies verdween. Vandaag coacht hij reguliere managers bij bonafide bedrijven. “Zowel in de boven- als in de onderwereld telt maar één principe: zoveel mogelijk winst maken.”

 

Louis Ferrante (43) was pas 17 toen hij in zijn buurt in Queens, New York, eigenhandig zijn eerste bestelwagen stal. “Ik had geluk”, zegt hij. “De laadbak lag vol gereedschap, waardoor de diefstal me veel meer opbracht dan enkel de verkoop van de onderdelen van de truck.” Een paar jaar later werd hij gerekruteerd door de Gambinofamilie, een van de vijf maffiafamilies die de georganiseerde misdaad in New York in handen hebben. Ferrante schopte het razendsnel tot capo, ‘teamleader’. In 1994 werd hij gearresteerd en afgevoerd naar de superbeveiligde gevangenis van Lewisburg in Pennsylvania. “Die plek was de hel”, herinnert hij zich. “De eerste maanden dacht ik alleen maar aan ontsnappen. Tot ik na een incident met een cipier tot het inzicht kwam dat ik het roer drastisch moest omgooien. Nadat ik de man tijdens een woedeaanval bijna met zijn das gewurgd had, schold hij me uit voor beest. ‘Ik een beest?’ dacht ik. Maar hij had gelijk. Ik had tijdens mijn maffiacarrière mensen geslagen met honkbalknuppels en pistoollopen in hun mond geduwd. Ik had me als een beest gedragen: in Lewisburg zat ik op mijn plaats.”

In 2003 kwam Louis Ferrante vrij: vandaag verdient hij zijn eerlijke kost met het schrijven van boeken en het coachen van managers, waarbij hij overvloedig put uit zijn rijke ervaring als notoir maffiakaderlid. Zo pas verscheen Straatwijs, een handleiding voor managers die hun organisatie willen enten op die van een maffiafamilie. “Denk het geweld weg, en de maffia is niet meer dan een gewone onderneming, bevolkt met doordeweekse zakenlui waar alleen de winst primeert.”

 

Van bajesklant tot liefhebber van Proust

Toen Louis Ferrante gearresteerd werd, hing er 150 jaar cel boven zijn hoofd. “Ik was dan ook geen doetje”, geeft hij toe. “Ik leidde bij Gambino het team van truckkapers en racketeers, de lui die geld afpersten in ruil voor bescherming. Mijn actieterrein lag in de Italiaanse buurt in Queens. Tot op de dag van vandaag is de maffia daar alomtegenwoordig. De Gambinofamilie had snel in de gaten dat de kleine Ferrante een bijzonder talentvol gangstertje was. Natuurlijk wou ik dolgraag bij hun club horen, want als maffialid steeg mijn straatwaarde en kon ik nog meer verdienen.”

 

De universiteit of de hogeschool interesseerden u niet?

Louis Ferrante: Nee, totaal niet. (lacht) Ik vond het leuk om crimineel te zijn. Al mijn vrienden waren gangsters en ik amuseerde me kostelijk. De mensen in mijn buurt keken niet op me neer omdat ik bij de ‘borgata’, de familie, zat. Ik werd daar juist voor gerespecteerd. De ‘bad guys’ waren de criminelen die oude dametjes overvielen of huizen van gewone burgers leegroofden. Maffiosi beschermden de buurt, hielden rivaliserende bendes weg en droegen zorg voor hun eigen familie en bekenden.

 

U was een persoonlijke vriend van John Gotti, de beruchte godfather van de Gambinofamilie.

Ik spreek daar niet graag over. Laten we het er op houden dat het FBI beweerde dat ik heel goed bevriend was met alle Gotti’s. Of ik bang ben dat ze me te grazen zullen nemen als ik uit de biecht klap? Ik ben geen verklikker; ik noem alleen namen van maffialeden die ofwel dood zijn, ofwel in de gevangenis zitten. John Gotti is dood, dus vind ik het geen probleem om zijn naam uit te spreken of neer te schrijven, maar daarmee houdt het ook op. Na mijn arrestatie wilden de politiediensten dat ik met hen ging samenwerken tegen de Gambinofamilie, ze viseerden daarbij vooral de Gotti’s en oefenden druk op me uit door met levenslang te dreigen. Ik had toen geluk dat de stool pigeon, de voornaamste politie-informant tegen mij en mijn bende, de voorwaarden van zijn getuigenbeschermingsprogramma schond. Het FBI gooide hem eruit en bood mij een overeenkomst aan: als ik schuldig pleitte, kreeg ik strafvermindering in ruil. De oorspronkelijke eis tot 150 jaar werd omgezet in 13 jaar cel.

 

In de gevangenis hebt u de literatuur ontdekt?

Als maffioso was ik er rotsvast van overtuigd dat ik volgens een verheven code leefde. In de gevangenis kam ik erachter dat die zogenaamde morele code meer met hebzucht dan met eer te maken had. Ik ontmoette er maffiosi die levenslang zaten voor moord. Tijdens mijn Gambinojaren hadden oudere maffiabazen me verteld dat eremoorden zinvol waren. In de cel vertrouwden de killers me toe dat hun moordopdrachten alleen maar te maken hadden met geld, met miljoenen dollars. Toen ik zelf maffialid was, kon ik ermee leven dat andere leden vermoord werden omdat ze iets ondernomen hadden wat tegen de belangen van de familie inging. Maar nu hoorde ik van de daders zelf hoe ze omwille van puur hebzuchtige motieven kennissen van mij uit de weg hadden moeten ruimen.

In de cel begon ik diep na te denken over wat ik zelf allemaal uitgespookt had en kreeg ik zin om te lezen. Boeken hadden daarvoor nooit deel van mijn leven uitgemaakt. De enige figuur die ik met ‘literatuur’ associeerde, was mijn vroegere makker George DiBello: ‘Fat George’ stond vol getatoeëerd met verzen uit de bijbel. Toen hij me in de gevangenis bezocht, vroeg ik of hij me een paar boeken wou opsturen. Een tijd later zaten er drie boeken bij de post: ‘Over de Gallische oorlog’ van Julius Caesar, een biografie van Napoleon en Mein Kampf van Hitler. Later wou ik van George weten waarom hij die boeken had gekozen; hij antwoordde: “Ik zei aan de boekhandelaarster dat ik leesvoer zocht voor een klein, bazig ventje dat in de gevangenis zit.” Anderhalf jaar lang heb ik gelezen alsof mijn leven ervan afhing: ik las 20 uur per dag en werd een fan van 19e-eeuwse en vroeg-20e-eeuwse auteurs. Marcel Proust groeide uit tot mijn grote voorbeeld: tijdens mijn gevangenschap werd hij via zijn romans een persoonlijke vriend. Ik droomde ervan net zo goed te kunnen schrijven als hij. Ik bestudeerde de manier waarop hij verhalen construeerde en probeerde dat na te bootsen. In het begin waren mijn teksten schabouwelijk; met veel vallen en opstaan ben ik de schrijver geworden die ik nu ben.

 

Uw gevangenisjaren waren uw studentenjaren?

Zo kun je het stellen. Mijn celmaat was erg bedreven in het interpreteren van juridische teksten. Met zijn hulp ben ik mijn eigen zaak beginnen bestuderen. Ik doorploegde wetboeken en schoolde mezelf om tot mijn eigen advocaat. Op basis van een procedurefout slaagde ik erin om mijn 13 jaar cel te laten verminderen tot 8,5.

Ik heb me vaak afgevraagd hoe mijn leven er zou uitgezien hebben als ik wel had kunnen studeren; misschien was ik dan beursmakelaar of investeringsbankier in Wall Street geworden. In mijn kleine buurt in Queens was ik me niet bewust van die mogelijkheden. Ik zag alleen de kansen die de maffia me op de hoek van de straat bood. Dat gold ook voor mijn leeftijdsgenoten. Veel jeugdvrienden zitten nu in de gevangenis, terwijl ze de capaciteiten hebben om aan het hoofd van een grote onderneming te staan. Het is jammer dat niemand hen vroeger naar een fatsoenlijke school gestuurd heeft. Er zitten veel intelligente mensen bij de maffia. Ik heb maffiosi gekend die op een uitmuntende wijze grote ondernemingen runden: vuilnisophaalfirma ’s, afvalbedrijven die 300 miljoen dollar waard waren, bouwondernemingen die wolkenkrabbers bouwden in Manhattan… Doordat hun vaders, grootvaders, overgrootvaders in de maffiabusiness zaten, eindigden ze zelf ook als maffiaondernemer.

 

Managementlessen van de maffia

Wat kan een nette manager van de maffia leren?

Een van de belangrijkste positieve eigenschappen van de maffia is haar extreme betrouwbaarheid. Maffiosi houden zich altijd aan hun woord en vinden daardoor vrij probleemloos nieuwe mensen die zaken met hen willen doen. In ideale omstandigheden is maffiageweld niet gratuit, maar volgt het alleen als beloftes niet worden nagekomen, waarmee ik niet wil zeggen dat reguliere bedrijven bij een laattijdige betaling hun toevlucht moeten nemen tot het doorslaggevende argument van de honkbalknuppel.

De ceo van een gerespecteerd bedrijf of de godfather van een maffiafamilie denken op net dezelfde manier: ze willen het onderste uit de kan voor hun eigen bedrijf. Bij politici zie je hetzelfde: ook zij zijn machiavellistisch, ook voor hen heiligt het doel vaak alle middelen. Een politicus gaat zelfs nog verder dan een maffioso: hij zal niet aarzelen om de familie van een concurrerende politicus verdacht te maken, terwijl een maffiabaas zoiets nooit zal doen. Voor de maffia is de familie heilig: geen enkel maffialid haalt het in zijn hoofd om een concurrent via kinderen, ouders, ooms of tantes te raken.

Een maffioso zal tijdens de onderhandelingen over een deal niet noodzakelijk iemand bedreigen of intimideren. Natuurlijk gebeurt dat af en toe, maar de meest succesvolle maffiosi zijn de rasverkopers: zij die hun cliënteel op een charismatische manier weten te overtuigen. “Hey man, komaan, je weet dat dit de beste deal ooit is. Don’t bullshit me, dit gaat ons miljoenen dollars opleveren. Kom, laten we het doen!” Voor je er erg in hebt, stap je mee in het verhaal, ontkurk je een paar biertjes en is de deal geregeld. Die manier van zakendoen is bij de maffia meer ingeburgerd dan het omwringen van armen of het breken van knieschijven.

 

Wat kunnen HR-managers leren van de maffia?

Wij rekruteerden alleen ‘verdieners’. Een ‘verdiener’ weet van aanpakken en is altijd onderweg, hij is ook voortdurend bezig met het opzetten van plannetjes en schema’s om geld te verdienen. Als je als personeelsdirecteur wil dat je bedrijf groeit, moet je bij sollicitaties de ‘verdieners’, de doordouwers, eruit halen. Als je nietsnutten en klaplopers aanneemt, zullen je klanten je onderneming catalogeren bij de losers. Dus: neem hustlers aan die erop uit trekken en iets bouwen uit niets. Bij de maffia word je pas gerekruteerd als je bewezen hebt dat je een straatverdiener bent. In de legitieme wereld geldt net hetzelfde: neem iemand aan die bewezen heeft dat hij iets opbrengt, en niet zomaar iemand die elke maand zijn salaris incasseert en ondertussen op zijn luie reet blijft zitten.

 

Volgens u is het een goed idee om de organisatie van een groot regulier bedrijf op de leest te schoeien van een maffiafamilie?

Door je onderneming te organiseren op de manier waarop een maffiafamilie functioneert, creëer je nieuwe kansen en mogelijkheden. In de borgata wordt de hiërarchie altijd gerespecteerd: als een meerdere je een bevel geeft, reageer je daar niet op met een idiote opmerking maar voer je de opdracht gewoon uit. Ik vind dat in onze huidige maatschappij mensen steeds respectlozer worden. Vaak vertikken ze het om de job uit te voeren waarvoor ze aangenomen zijn of trekken ze constant hun taken in twijfel: “Waarom geef je die kloteklusjes altijd aan mij?” Een maffialid zet geen grote bek op en voert het bevel precies uit zoals het hem opgedragen is. Punt. Wat niet wil zeggen dat er bij de maffia niet naar opbouwende kritiek geluisterd wordt. Integendeel. Ik kom bij veel bedrijven over de vloer waar zoiets eenvoudig als een ideeënbus in geen velden of wegen te bespeuren is. Luisteren ze dan niet naar de ideeën van hun eigen personeel?

 

Bij de Gambinofamilie hing er wel een ideeënbus?

Er hing geen bus aan de muur, maar als je een goede inval had, stapte je gewoon bij de godfather binnen. De deur van zijn kantoor stond dag en nacht voor elk familielid open.

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto: © Jerry Bauer

Bank van god

Jarenlang was de bank van het Vaticaan huisbankier van de maffia. Aartsbisschoppen hielpen godfathers bij het witwassen van hun drugsgeld en ‘smeerden’ Italiaanse politici. Twee jaar geleden kreeg journalist Gianluigi Nuzzi de integrale zwarte boekhouding van 1970 tot 2000 in handen. Maar ook anno 2010 blijkt de bank van god nog steeds witter dan wit te wassen.

Een zomerse ochtend in Milaan in 2008. Gianluigi Nuzzi, journalist bij de Italiaanse krant Libero, start zijn auto voor een uitstapje naar het Zwitserse kanton Ticino. Op de passagiersstoel naast hem ligt een plannetje met aanwijzingen voor zijn eindbestemming. Een eind over de grens rijdt hij de snelweg af. Aan een afgelegen boerderij stopt hij. “X heeft me gestuurd”, zegt hij tegen de bejaarde boerin. “Ik kom ophalen wat hij in uw kelder achtergelaten heeft.” Nuzzi sleurt twee Samsonite-valiezen van elk veertig kilo naar boven en dropt ze in de koffer van zijn auto. “Een espresso, mijnheer?” vraagt de boerin als hij afscheid wil nemen. “Graag”, antwoordt Gianluigi. Als hij een uur later terug de grens overrijdt, kan hij een vreugdekreet amper onderdrukken. Hij heeft zonet de integrale zwarte boekhouding van de bank van het Vaticaan van 1970 tot 2000 Italië binnengesmokkeld.

Gianluigi Nuzzi kwam in bezit van het meer dan 4000 documenten tellende archief op uitdrukkelijk verzoek van de in 2003 overleden monseigneur Renato Dardozzi. Twintig jaar lang was Dardozzi een van de sleutelfiguren van het Instituto per le Opere di Religione (IOR), de bank van het Vaticaan. Al die jaren zag hij goedkeurend toe hoe de bankiers van de paus, kardinalen en bisschoppen, politici omkochten, geld witwasten en zaken deden met de maffia. Nuzzi: “Dardozzi werd pas laat priester. Hij studeerde wiskunde, werkte als ingenieur in een hoge functie bij een grote telecomgroep en was directeur van een hogeschool. Op zijn vijftigste, in 1973, voelde hij zich geroepen tot het priesterambt. Hij bewoog zich in de hoogste kringen en was dikke maatjes met kardinaal Agostino Casaroli, de staatssecretaris van paus Johannes-Paulus II.”

Casaroli introduceerde Dardozzi in het Vaticaan, benoemde hem als toezichthouder in het IOR en belastte hem begin jaren tachtig met de opkuis na het faillissement van de Banco Ambrosiano. Dardozzi onderhield een erg goeie relatie met Johannes Paulus II en ging vaak op donderdag lunchen in het appartement van Karol Wojtyla.

Monseigneur Dardozzi was een heel nauwgezet man. Elke financiële transactie werd door hem nauwkeurig genotuleerd en alle documenten, verslagen van vergaderingen, briefwisseling en rekeningafschriften bewaarde hij in chronologisch gerangschikte gele mappen. Die mappen kreeg Gianluigi Nuzzi op die zomerse ochtend in 2008 integraal in handen. Zo nam Renato Dardozzi van uit het graf wraak op het Instituto per le Opere di Religione omdat zijn broodheren hem geen fikse commissie gegund hadden voor de verkoop van een landgoed in de buurt van Florence. Dat geld had monseigneur Dardozzi toen dringend nodig voor de behandeling van zijn doodzieke dochter.

Bankiers van god

Milaan, 17 juni 1982. De Banco Ambrosiano, de tweede grootste private Italiaanse bank wordt onder curatele geplaatst. Een dag later wordt het levenloze lichaam van bankdirecteur Roberto Calvi bungelend aan een pyloon van de Londense Blackfriars Bridge teruggevonden. Zijn broek is gevuld met stenen en in de zakken van zijn jasje zit 15.000 dollar cash geld. Dezelfde dag springt Calvi’s secretaresse Graziella Corracher haar dood tegemoet uit een raam van het gebouw van de Banco Ambrosiano. De Britse politie komt heel snel tot het besluit dat ook Calvi zelfmoord pleegde. Jaren later, in 1998, zal zijn lichaam terug worden opgegraven. Forensisch onderzoek zal dan uitwijzen dat hij gewurgd is. In 2005 worden vijf verdachten met maffiabanden door de Italiaanse justitie voor de moord op Calvi opgepakt en in staat van beschuldiging gesteld. Twee jaar later zal een Romeinse rechtbank hen vrijspreken bij gebrek aan bewijs.

Roberto Calvi had door zijn uitstekende banden met het Vaticaan de bijnaam ‘de bankier van god’ gekregen. Gianluigi Nuzzi: “Calvi is begin jaren zeventig zaken beginnen doen voor het Vaticaan. De Amerikaanse aartsbisschop Paul Marcinkus was pas door de toenmalige paus Paulus VI tot voorzitter van het IOR benoemd. Marcinkus was zijn carrière in Vaticaanstad ooit begonnen als bodyguard van de paus. Hij stond bekend als ‘realpolitiker’. ‘De kerk is niet te leiden met weesgegroetjes’, vond hij.” Dus zorgde hij met de hulp van Calvi voor veel brood op de plank. Ethiek vonden ze allebei een vervelende bijzaak.

Marcinkus werd baas van de bank van het Vaticaan op een moment dat er financiële problemen dreigden. “Eind jaren zestig voerde de Italiaanse regering een wet in waardoor de katholieke kerk belastingen moest gaan betalen op haar dividenden. Tot dan genoot ze als enige van een fiscale vrijstelling die ooit door Mussolini was ingevoerd. De kerk had in die tijd tussen 2 en 5 procent van de aandelenmarkt in handen. De nieuwe belasting zou het Vaticaan een miljard euro kosten.” Om daaraan te ontsnappen gaf Paulus VI opdracht aan Paul Marcinkus en aan de leek Michele Sindona, een Siciliaan met uitstekende maffiaconnecties, om de aandelen van de kerk over te brengen naar het buitenland. Tussen Sindona en Marcinkus ontstonden diepe vriendschapsbanden. Samen met Roberto Calvi zetten ze in de daaropvolgende jaren een web op tussen Amerika, Italië en Vaticaanstad met als ultieme doel: witwassen van geld, verkregen uit de heroïnehandel van de maffia. Daarnaast wilden ze zoveel mogelijk opbrengsten onttrekken aan de klauwen van de fiscus. Tezelfdertijd smeerden ze politici van de Italiaanse katholieke volkspartij Democrazia Christiana (CD). Nuzzi: “Het speciale statuut van Vaticaanstad in Italië zorgt ervoor dat het IOR aan geen enkele instantie verantwoording moet afleggen. Daardoor is de bank van het Vaticaan een uitstekende offshore bank en uitermate geschikt voor dubieuze transacties. Wie de weg kent, kan er vrij makkelijk een rekening openen. Het IOR garandeert vervolgens absolute discretie bij alle malafide bankactiviteiten. De bank staat volledig buiten de wet: er kunnen geen huiszoekingen gebeuren, er mogen geen bankbedienden verhoord worden of telefoons afgetapt worden. Om het even welk land dat een onderzoek wil instellen naar verdachte bankverrichtingen via het IOR, moet daarvoor een rogatoir verzoek richten aan het Vaticaan. Waarna de Heilige Stoel dat verzoek afwijst of nietszeggende antwoorden geeft.”

Espresso met cyaankali

De zaken gingen goed, en Marcinkus, Sindona en Calvi werden steeds overmoediger. “Zo probeerden ze door manipulatie van de vennootschappen van het Vaticaan het verloop van de Italiaanse beurs te beïnvloeden.” De opgeblazen participaties en schulden die ze zo opstapelden, parkeerden ze bij Calvi’s bank, de Banco Ambrosiano. In januari 1974 werd Sindona door de Amerikaanse ambassadeur te Rome gelauwerd als ‘Man van het Jaar’. Een paar maanden later ging een Amerikaanse bank die door hem gepluimd was failliet. In haar kielzog sleurde ze de Italiaanse Banca Privata mee. Jaren later zou Sindona de curator van die bank, de advocaat Giorgio Ambrosoli, door zijn vrienden van de maffia uit de weg laten ruimen. Hij zelf stierf in 1986 in een Italiaanse cel na het drinken van een espresso met een lepeltje cyaankali.

Op 6 augustus 1978 wisselde paus Paulus VI het tijdelijke voor het eeuwige. Hij had jarenlang het drietal Sindona-Marcinkus-Calvi de hand boven het hoofd gehouden. Albino Luciano, de patriarch van Venetië, werd gekozen als zijn opvolger, Johannes Paulus I. “Luciano was een man met een hoogstaande moraal die in het verleden al ruzie gemaakt had met Marcinkus en Calvi.” 32 dagen na zijn aanstelling vertrouwde Johannes Paulus I aan zijn staatssecretaris Jean Villot toe dat hij schoon schip wou maken bij het IOR en dat hij af wou van Marcinkus. “De volgende ochtend lag de paus dood in zijn bed. De officiële doodsoorzaak: hartstilstand.” Tot vandaag gonzen de geruchten dat hij vergiftigd werd. De nieuwe paus Johannes Paulus II koos voor het status-quo. Marcinkus kreeg carte blanche. Toen de Banco Ambrosiano in ’82 uiteindelijk failliet verklaard werd, liet ze een put van 1 miljard driehonderd miljoen dollar na.

Precies een jaar na de moord op Roberto Calvi werd op 22 juni 1983 de vijftienjarige Emanuela Orlandi op weg naar de muziekschool ontvoerd. Tot vandaag is er geen spoor van het meisje teruggevonden. Nuzzi: “Emanuela was de dochter van een bediende bij het Vaticaan. Volgens Carlo Calvi, de zoon van Roberto, is Emanuela ontvoerd en vermoord door de maffia, om de Vaticaanse prelaten te waarschuwen dat ze na het failliet van de Banco Ambrosiano hun mond moesten houden. Roberto Calvi is waarschijnlijk vermoord omdat hij van plan was op te biechten hoe de bank met medeweten van het Vaticaan met maffiageld een aantal Zuid-Amerikaanse dictaturen financierde. Steun die kaderde in de strijd tegen het ‘goddeloze communisme’.”

Het frauduleuze failliet van de Banco Ambrosiano had geen invloed op de bankierscarrière van Paul Marcinkus. Nuzzi: “De Pool Wojtyla hield hem zijn leven lang de hand boven het hoofd omdat Marcinkus 100 miljoen dollar van het IOR naar de Poolse vakbond Solidariteit had versast.” Prelaten met een hoge functie in het IOR, waaronder Renato Dardozzi, maakten in de zomer van 1984 een stand van zaken op. “Hun grootste angst was dat het failliet van Ambrosiano en de dood van Calvi de Heilige Stoel zwaar in diskrediet zou brengen. Het aandeel van de schuld van het Vaticaan in de ineenstorting van Ambrosiano werd geraamd op 1200 miljoen dollar.” Dardozzi & co. suggereerden om ‘vrijwillig’ 242 miljoen dollar te betalen aan de curatoren van de Banco Ambrosiano. De rust leek weergekeerd, orde op zaken gesteld. Niets was minder waar. “Op 20 februari 1987 schreef een Milanese onderzoeksrechter een aanhoudingsbevel uit tegen aartsbisschop Marcinkus en twee andere IOR-bestuurders. Hij hield hen verantwoordelijk voor het frauduleus bankroet van Ambrosiano.” Door het speciale statuut waarover Vaticaanstad in Italië beschikt, konden ze niet gearresteerd worden. Marcinkus bleef tot 1989 de lakens uitdelen bij het IOR. Daarna keerde hij terug naar Amerika, waar hij tot aan zijn dood in 2006 zich onledig hield met golfspelen.

‘Kardinaal Francis Spellman Stichting’

In 1989 werd aartsbisschop Marcinkus als voorzitter van het IOR opgevolgd door de Milanese lekenbankier Angelo Caloia. De secretaris van Marcinkus, monseigneur Donato de Bonis, bleef op post. Nuzzi: “Tot aan zijn dood in 2001 gold De Bonis als een van de machtigste mannen in de bank van het Vaticaan. Uit het archief van Renato Dardozzi blijkt dat De Bonis een financieel netwerk van liefdadigheidsinstellingen uit de grond stampte om via die weg politici van de Democrazia Christiana aan geheime rekeningen te helpen. Zo opende hij in 1987 een rekening op naam van de ‘Kardinaal Francis Spellman Stichting’. Later volgden nog rekeningen op naam van organisaties als ‘Stichting voor arme kinderen’, of ‘Strijd tegen leukemie’. Dekmantels die dienden om zwart geld wit te wassen of smeergeld te ontvangen en uit te geven aan ondernemers en politici.”

De virulente anticommunist Francis Spellman was een bisschop in het Amerikaanse leger. Na de Tweede Wereldoorlog financierde hij de Italiaanse christendemocratische partij. “De ‘Kardinaal Francis Spellman Stichting’ was een geheime rekening van de christendemocratische politicus en meermalige Italiaanse premier Giulio Andreotti. De Bonis beheerde de rekening. De zwarte boekhouding van Dardozzi beschrijft gedetailleerd hoeveel er wanneer gestort werd.” Het ging over miljarden. Cash maar ook in de vorm van kredieten. Monseigneur de Bonis voerde hoogstpersoonlijk koffers propvol bankbiljetten aan. Nuzzi: “’Liefdadige schenkingen’ van bevriende ondernemers van Andreotti. Af en toe werd er ook wel eens een storting gedaan aan een of andere échte liefdadige instelling. Maar dat bleef heel marginaal. Massimo Ciancimino vertelde me vorig jaar hoe hij als jongen samen met zijn vader Vito Ciancimino, de vroegere christendemocratische burgemeester van Palermo, in de jaren tachtig en negentig regelmatig maffiageld ging ophalen in het kantoor van het IOR in de toren van Niccolò V achter het Sint-Pietersplein in Vaticaanstad. Vito verpatste contracten, bouwwerven, gebouwen aan de maffiabazen van Corleone, en werd daarvoor cash vergoed via de bank van het Vaticaan. Hij had twee kluizen in het IOR waar hij al dat geld in oppotte.”

Misverstand

In het najaar van 2009 startte het parket van Rome een onderzoek naar witwaspraktijken van het Instituto per le Opere di Religione. Het IOR zou in 2003 bij de Banca di Roma anonieme rekeningen geopend hebben, wat volgens de Italiaanse wet verboden is en wijst op een witwasoperatie. De entourage van paus Benedictus slachtofferde IOR-voorzitter Angelo Caloia: hij werd aan de deur gezet en vervangen door Ettori Gotti Tedeschi, een lekenbankier met nauwe banden met Opus Dei. Eind vorige maand, op 21 september, stelde het Romeinse parket IOR-voorzitter Tedeschi en algemeen directeur Paolo Cipriani in staat van beschuldiging. 23 miljoen euro werd in beslag genomen. De aanklacht luidde: “Witwassen.” Een dag later deelde het Vaticaan via haar spreekbuis L’Osservatore Romano mee dat het ging “om een misverstand dat snel opgehelderd zou worden.” Op woensdag 29 september ontving paus Benedictus Ettori Gotti Tedeschi in audiëntie. De bankier kuste de hand van de paus en schonk de heilige vader zijn boek ‘Geld en het paradijs’. Benedictus sprak Tedeschi moed in en vertrouwde hem toe dat hij zijn werk aan het hoofd van het IOR ten zeerste apprecieerde. Tedeschi had immers gehandeld in de geest van al die andere bankiers van god die hem de voorbije veertig jaar waren voorgegaan.

Gianluigi Nuzzi, Vaticano S.p.A.,Chiarelettere editore. Eind november verschijnt de Nederlandse vertaling Vaticaan BV bij Uitgeverij Bert Bakker.

© Jan Stevens

Siberische opvoeding

Nicolai Lilin groeide op in de Urka, een gemeenschap van Siberische maffiosi. Op zijn dertiende werd hij veroordeeld voor doodslag; op zijn 18e vocht hij in Tsjetsjenië. Negen jaar geleden vluchtte hij naar Italië. “Ik nam afscheid van 46 Urka-vrienden. Vandaag zitten er drie in de cel en zijn er twee aan de drank. De rest stierf een gewelddadige dood.”

 nicolai lilin 2

Zelfs in de straten van het vredelievende Turijn loopt de van top tot teen getatoeëerde Nicolai Lilin (29) met een schietklaar pistool in een holster aan zijn heup rond. “Radicale moslims hebben gezworen dat ze me zullen weten te vinden”, zegt hij. “Begin volgend jaar verschijnt mijn boek over mijn belevenissen als saboteur voor het Russische leger in de oorlog in Tsjetsjenië. De islamisten willen nog een eitje met me pellen.”

In april van dit jaar kwam Lilins eerste autobiografische boek in Italië uit. In Siberische opvoeding beschrijft hij zijn eerste 18 levensjaren in de Urka, een hechte gemeenschap van gedeporteerde Siberische criminelen in Transnistrië, een republiekje geprangd tussen Moldavië en Oekraïne. De ondergedoken Gomorra-auteur Roberto Saviano maakte voor de Italiaanse krant Repubblica een grote reportage over Nicolai Lilin en katapulteerde zo diens boek naar de top van de bestsellerlijsten. “En dat terwijl ik niet eens een schrijver ben”, grinnikt Nicolai Lilin terwijl hij geconcentreerd in zijn espresso roert in het kantoor van Turijnse vrienden. “Sinds Tsjetsjenië heb ik last van slapeloosheid en krijg ik soms rare kronkels in mijn hoofd. Ik ben mijn eigen verhaal beginnen opschrijven. Mijn vrienden vonden het fantastisch en brachten me in contact met een uitgever. Nu ben ik een ‘literaire ster’.”

Van bij zijn geboorte in 1980 kreeg Nicolai Lilin criminaliteit en geweld met de paplepel ingegoten. “Onze Urka-gemeenschap was toen op sterven na dood. Mijn vader overtrad voortdurend de regels van de Urka. Mijn grootvader zag dat met lede ogen aan. Ik was een van de weinige kinderen die de ouderen en hun traditie respecteerde. Echte Urka’s verkrachten niet en persen niet af. Als ze iemand doden, hebben ze een geldige reden. En ze stelen alleen van de staat.”

Maar het zijn stuk voor stuk criminelen.

“Natuurlijk. Ze hebben geen andere keuze. De leden van de Urka haten de staat en de politiek. Ze haten alles waar ze zelf geen controle over kunnen uitoefenen. De wijk in de stad waar ik opgroeide, ‘Benedenrivier’ in Bender, was van hen en werd door hen gecontroleerd. De Urka’s in Transnistrië stammen uit criminele samenlevingen die in de Siberische wouden leefden. Ze beschikken dus over een simpel boerenverstand. Mijn overgrootmoeder is in 1930 uit Siberië weggevlucht. Haar man is gedood door officieren van het Rode Leger. Ze zeiden tegen haar dat ze moest opkrassen. Ze heeft toen de trein genomen naar een door Stalin gedeporteerde gemeenschap van Siberische Urka’s in Transnistrië. Als kind hoorde ik verhalen over de ‘speciale treinen’ waarmee mijn gemeenschap gedeporteerd is. De deportatie gebeurde gefragmenteerd: ze begon in 1925 en duurde tot 1940. Stalin heeft de Urka’s met een duidelijke bedoeling naar Transnistrië gedeporteerd: hij wou er een criminele gemeenschap binnenbrengen die de belangen van de Sovjet-Unie zou helpen beschermen. Hij heeft zich daarin danig vergist. Er was in Transnistrië een grote Joodse criminele gemeenschap actief die nauw samenwerkte met de Joodse maffia in Amsterdam. Ze hielden zich vooral bezig met de smokkel van diamant en goud. Toen de generatie van mijn grootouders daar kwam wonen, hebben ze snel de controle over de Joodse maffia overgenomen. De generatie van mijn grootouders was bijzonder gewelddadig. Ze kwam dan ook uit de taiga. (lacht)”

 Nicolai Lilin met kalashnikov en oma

Wapens en geweld vormden een belangrijk deel van uw opvoeding?

“Dat was volstrekt normaal. Ik zal je een foto laten zien waarop ik samen met mijn grootmoeder als jongetje van zes met een kalasjnikov in mijn hand poseer. Wapens waren een deel van ons dagelijks leven. Je vond ze overal in huis. Mijn grootvader had een kamer vol ‘fatsoenlijke wapens’. ‘Fatsoenlijke wapens’ dienden voor de jacht, en werden in een aparte kamer bewaard. Maar je had ook nog de ‘zondige wapens’: die werden gebruikt voor criminele doeleinden en lagen verborgen in de kelder of op geheime schuilplaatsen in of rond het huis. Als zo’n zondig wapen in contact kwam met een fatsoenlijk wapen, moest het fatsoenlijke ‘gezuiverd’ worden met een met vruchtwater doordrenkte doek. We hadden in ons huis een plank in een hoek waar onder iconen en kruisbeelden de wapens voor dagelijks gebruik lagen. Als mijn vader thuiskwam, legde hij eerst zijn wapen op die plank, sloeg een kruis en legde een crucifix op het pistool.”

“Als er geen andere uitweg is, moét je als Urka iemand anders doden. Die wet is altijd de basis geweest: als het moet, schiet je mensen dood zonder twijfel, zonder angst. Dood is deel van het leven. Dus waar zou je je zorgen over maken? Een echte Urka doodt nooit omwille van het plezier. Want een mens doden, is en blijft een zonde tegen god. Daarom ook hebben de ouderen in de Urka-gemeenschap een innige relatie met de Russisch-orthodoxe religie. Gerechtigheid op aarde bestaat niet. Alleen god zorgt voor gerechtigheid en niemand anders. Dus heb je als Urka lak aan de politie en snap je niet waarom je voor een misdaad opgesloten wordt. Voor een echte Urka is een flik minder dan het vuil van de straat. Mijn opa hield zich aan die traditie, mijn vader niet. Pa werkte zelfs samen met een aantal agenten en ritselde criminele zaakjes voor hen. Zoiets kun je als Urka echt niet maken. De smeris is vijand nummer één. Hij is niet meer dan een hond. Mijn grootvader sprak hen consequent aan met ‘klootzak’ of ‘misbaksel’. Hij was verschrikkelijk kwaad toen hij ontdekte dat mijn vader samenwerkte met de politie. Als pa bij hem op bezoek kwam, zei opa altijd: ‘Laat je portefeuille met het flikkengeld maar buiten liggen. Ik wil die stront niet in mijn huis.’ Toen de Sovjet-Unie uiteenviel, liet mijn vader ons in de steek en verhuisde hij naar Duitsland. In 1990 vertrok hij, een jaar later werd hij door een Duitse rechtbank veroordeeld tot zes jaar gevangenschap. Hij had samen met iemand anders een bank overvallen. Toen ze wegvluchtten schoot een van hen een agent dood. Na twee jaar lieten ze hem vrij en keerde hij terug naar huis. Misschien is het wel opa’s eigen fout dat mijn vader zo laag gevallen is. Individuele vrijheid is belangrijk in de Urka-gemeenschap. ‘Wij hebben niet de macht om iemands inborst te veranderen. Als je iets beslist, doe het dan. Moge god je bijstaan.’ De generatie van mijn vader was de eerste Urka-generatie die niet goed met die vrijheid overweg kon en die niet langer respect had voor de ouderen. Als dat respect verdwijnt, is een traditionele criminele gemeenschap gedoemd om ten onder te gaan. De ouderen hebben autoriteit. Snotapen die criminele zaakjes met anderen proberen te regelen, worden niet au sérieux genomen. ‘Hij is een nobody, een jong ventje, waarom zou ik hem geloven?'”

“Op school zat ik tussen kinderen die niet tot de Urka behoorden, tussen jongens uit normale gezinnen, die nog nooit een wapen gezien hadden. We praatten met niemand over onze thuissituatie. Soms begon er wel eens iemand over mijn vader: ‘Waar verbergt hij zijn wapens?’ Dan ontkende ik altijd glashard dat we die hadden. We waren opgevoed om niets te vertellen over onze criminele activiteiten.”

Er heerste omerta?

“Het was veel sterker dan dat. Bij de Italiaanse maffia zwijg je omwille van de trouw die je gezworen hebt aan je maffiaclan. Bij ons zweeg je omdat je anders je hele familie verlinkte. Zwijgen was onze normale staat van zijn. De Urka was een criminele maatschappij in moeilijke omstandigheden. Ten tijde van de Sovjet-Unie moest je niet veel misdoen om een outlaw te zijn. Wie zich zoals wij bezighield met tatoeages was al een crimineel. Criminele tatoeages vertellen alles over het leven van het Urkalid. Mijn tatoeages zeggen alles over mij. Ze zijn mijn paspoort.”

Wat vertellen ze over u?

“Over tatoeages wordt niet gesproken, want dat lijkt op snoeven. Jij kan ze niet lezen, want je begrijpt de tekens niet. Alleen de mensen uit mijn eigen gemeenschap weten waar ze voor staan. Voor dit soort tatoeages vlogen mensen tijdens de Sovjet-Unie voor zeven jaar in de gevangenis. Je moest zelfs geen bankovervaller of moordenaar zijn.”

“Hier in Italië bestaan er verschillende maffiaclans met een echte oude criminele traditie. Ze hebben zich ondertussen ontpopt tot ‘ondernemers’. Ze ‘investeren’, bouwen huizen, controleren samen met de Colombianen de drugstrafiek in de wereld. De Italiaanse maffia is uitgegroeid tot een multinational. In de VS hebben ze de controle over grote delen van de bouw en over alle casino’s en gokpaleizen. De olie- en gasindustrie zit dan weer onder controle van de Russische maffia. Criminelen zitten overal. Als je zaken wil doen, kruisen ze je pad. Mijn mensen waren oorspronkelijk niet dat soort van criminelen. Ze wilden met rust gelaten worden. Hun filosofie was heel simpel: ‘Laat me mijn leven leiden, in ruil laat ik jou ook links liggen. Als je bij mij te gast bent, zal ik ervoor zorgen dat je niets tekort komt. Maar als je naar mij toe stapt met een geweer en mijn moeder en mijn baby afknalt en mij jouw rode ideologie opdringt, kom ik in opstand en knal ik jouw kop eraf.’ Tijdens de Sovjet-Unie was het voor ons volkomen legitiem om geld van de staat te pikken. Er was geen privébezit, het was oké om staatsbanken te overvallen. Toen de Sovjet-Unie verdween, werden de banken geprivatiseerd. Die verandering zorgde voor een serieuze scheuring binnen de Urka. De ouderen vonden dat het niet kon om private banken leeg te roven. De kerels van mijn generatie zagen daar geen graten in. De criminele business moest gewoon doorgaan. De ouderen wilden zich aan de oerregels houden en alleen de communistische staat beroven.”

“Toen het communisme viel, was iedereen blij. Het was alsof de gebraden kippen ons voortaan in de mond zouden vliegen. Maar de generatie van mijn grootvader had er een slecht gevoel over. Ik vroeg opa: ‘Wat is er aan de hand? Je haat het communisme en de Sovjet-Unie. Je hebt je hele leven je uiterste best gedaan om ze te beroven. Je hebt in de gevangenis gezeten, een van je zonen is door de flikken doodgeschoten. Je grote vijand delft eindelijk het onderspit, en je vindt het verschrikkelijk.’ Hij antwoordde: ‘Ik vind het spijtig dat de Sovjet-Unie om zeep is, want ik ben bang dat het nu chaos wordt.’ Hij had gelijk.”

“Van de val van de Muur in 1989 tot 2000 werd er in de straten van Rusland een bloederige criminele oorlog uitgevochten. Mijn generatiegenoten uit onze Urka stortten zich volop op de drugstrafiek. Met de meesten is het slecht afgelopen. We waren met 46 jongens van dezelfde leeftijd. Vorig jaar ben ik na acht jaar voor het eerst teruggekeerd naar Bender. Van de 46 waren er nog vijf in leven. Drie gasten zaten in de gevangenis; de twee overblijvers vulden hun dagen met het drinken van alcohol. De 41 anderen stierven een gewelddadige dood. Vandaag is de Urka-gemeenschap totaal gedegenereerd omdat ze is beginnen samenwerken met criminele buitenstaanders. Een groot deel van de controle over de drugstrafiek in Rusland is in handen van Tadzjieken. Niemand spreekt over hen, maar ze hebben ongelooflijk veel macht. Tegenwoordig gaan de jonge kerels uit de Urka-gemeenschap met hen in zee. De Tadzjieken geven de Urka’s de controle over de drugshandel in een regio en beloven hen dat ze hen daarvoor rijkelijk zullen vergoeden. Het eerste jaar gebeurt dat ook en dokken ze 10.000 dollar per maand. Met dat bedrag leef je in Rusland als een koning. De jonge Urka’s zijn stom en denken dat er nooit een einde aan hun luxeleventje zal komen. Maar na een jaar worden ze met een paar welgemikte schoten uit de weg geruimd. De Tadzjieken houden niet van vaste Siberische hulpjes. Ze gebruiken hen zoals een condoom.”

U bent niet met de Tadzjieken gaan samenwerken?

“Ik heb me nooit door hen laten meesleuren, want ik heb altijd goed geluisterd naar wat de ouderen vertelden. Mijn grootvader zei me dat niets voor eeuwig is. Als de tijden veranderen, moet een gemeenschap zich proberen aan te passen of ze is ten dode opgeschreven. Na de val van het communisme gedroeg de ene Urka zich al wat intelligenter dan de andere. De dommeriken overleefden het niet. (lacht)”

Toch kwam u als dertienjarige in de gevangenis terecht?

“Tijdens een gevecht op straat heb ik een rivaal proberen doden met een mes. Ik werd veroordeeld tot anderhalf jaar voor doodslag. Maar omdat ik nog zo jong was en mijn vader de politie geld toestopte, kreeg ik in realiteit maar acht maanden. Transnistrië was na de val van de Sovjet-Unie een onafhankelijke republiek. In 1992 vielen de Moldaviërs er binnen. In Bender werden ze op bloedige wijze afgedroogd door de Urka. De Russen kwamen ons ‘ter hulp’ en Transnistrië kwam in een rare vorm van isolatie terecht. Niets werkte nog fatsoenlijk – de structuur van het land was om zeep. De corruptie tierde welig. De top van de samenleving leefde als een tsaar, de rest was doodarm. Het leven in de gevangenis was keihard. Er was niets te eten. Alle gevangenen waren agressief. Ik heb geluk gehad dat mijn vader en mijn gemeenschap bescherming afgekocht hebben bij de bewakers. Ze bleven van me af en lieten me met rust.”

Op uw 18e ging u twee jaar vechten in Tsjetsjenië?

“Na mijn gevangenschap had ik geen andere keuze. Ik werd opgeroepen voor de militaire dienst en moest naar Tsjetsjenië. In 1998 kwam ik in Tsjetsjenië terecht – één jaar voor de tweede oorlog er officieel uitbrak. Toen waren we al bezig met ‘speciale operaties’ in de bergen, met de voorbereiding voor die oorlog. Ik zat in een sabotagegroep. Natuurlijk waren onze acties grote provocaties voor de Tsjetsjeense leiders.”

Toen u terugkeerde uit de oorlog, kreeg u opnieuw last met justitie?

“Kijk, ik ben altijd een gewone jongen geweest. Geen superman. In mijn gemeenschap was ik middelmaat. Ik heb in mijn leven vier grote aanvaringen met justitie gehad. Mijn allereerste veroordeling kreeg ik toen ik twaalf was: zes maanden huisarrest voor wat onnozele criminele bagatellen. De tweede keer was op mijn dertiende. De derde keer ben ik nooit veroordeeld. Die feiten dateren van na mijn militaire dienst in Tsjetsjenië. Ik heb er een maand voor in voorarrest gezeten, maar niemand vond enig bewijs.”

Voor wat?

“Dat zeg ik liever niet. De derde keer zat ik twee maanden. Na mijn legerdienst in Tsjetsjenië probeerde ik te overleven in Sint-Petersburg. Ik werkte samen met een zeer belangrijke man. Er is toen ‘iets’ gebeurd waardoor ik op de vlucht moest. (lacht) Ik riskeerde om heel slecht te eindigen. Een vriend van mij, een bloedbroeder uit de oorlog die nu als FSB-agent werkt, speelde mijn ‘reisagent’. ‘Nico, Je hebt 48 uur om weg te geraken, ik prepareer je papieren.’ Ik kon naar Belfast afreizen, later kwam ik in Dublin terecht. Ik had met niemand contact meer, behalve met mijn FSB-vriend. Hij heeft me ontzettend hard geholpen. Op een dag belde hij me en zei dat mijn moeder naar me op zoek was. Zij leefde toen al jaren in Italië. Ze wou dat ik naar haar toe kwam. Ik had vergevorderde plannen om met een Ierse schoonheid te trouwen, maar als een Russische moeder aan haar zoon vraagt om bij haar te komen wonen, doet hij dat gewoon. Mijn vriend bij de FSB is er later in geslaagd om mijn dossier bij justitie te laten ‘verdwijnen’. Daardoor kan ik nu terug helemaal vrij naar Rusland reizen.”

 

Nicolai Lilin, Siberische opvoeding, Lebowski, 345 p., 19,90 euro

Tekst: ©Jan Stevens

Foto’s: ©Veerle Van Hoey