“In naam van de mensenrechten richten wij veel menselijk onrecht aan”

“Muren rond Europa bouwen is niet zo’n onzinnig idee.” Het klinkt een beetje raar uit de mond van Paul Collier, wereldvermaard economieprofessor en pleitbezorger voor massale ontwikkelingshulp aan de allerarmste landen. “Wie open grenzen wil, legt beter een ferry tussen Afrika en Europa in, dan zal niemand meer verdrinken. Ik verzeker je: miljoenen zullen een ticketje kopen.”

 

Met The Bottom Billion, vertaald als Eén miljard achterblijvers, schreef Oxfordprofessor economie Paul Collier in 2007 de allereerste internationale bestseller over de miserabele toestand van de armste landen ter wereld. Zijn boodschap dat we uit welgemeend eigenbelang in de eerste plaats het miljard armste mensen genereus ter hulp moeten schieten, leverde hem applaus op alle banken op. Afrikaanse en progressieve Westerse beleidsmakers liepen elkaar voor de voeten om hem toch maar als eerste op de koffie te kunnen uitnodigen. Of ze dat na zijn nieuwe boek Exodus – Immigration and multiculturalism in the 21st century ook nog zullen doen, is nog maar de vraag, want met zijn stelling dat we nood hebben aan stevig beveiligde grenzen om migranten tegen te houden, gooit Collier alvast een stevige knuppel in het hoenderhok van alle voorstanders van het vrij verkeer van mensen. “Ik vind ‘open grenzen’ een redelijk geschift idee”, zegt hij. We hebben afgesproken in de bar van een chique hotel in het hart van Londen. Buiten woedt de eerste zware najaarsstorm, maar binnen is het rustig en warm, drinken sommigen espresso en nippen anderen van hun eerste whisky van de dag. De tegenstelling met de omstandigheden waarin arme Afrikaanse dompelaars leven die dromen van de grote oversteek naar Europa kan niet groter zijn.

 

Waarom mogen mensen in een geglobaliseerde wereld niet vrij reizen als producten en diensten dat wel mogen?

Paul Collier: Het grote voordeel van de globalisatie is juist dat het een alternatief is voor rondreizende mensen. Ideeën en goederen reizen probleemloos over grenzen, waardoor mensen rustig thuis kunnen blijven. Dankzij de globalisatie hoeven Italianen niet meer naar Londen te migreren om hier voor ons lekkere pizza’s te bereiden. De grote groei van globalisatie gedurende de laatste zestig jaar, heeft ook effectief voor een daling in migratie tussen landen met hoge inkomens gezorgd. Maar tezelfdertijd is de migratie van arme naar rijke landen enorm gestegen.

 

Met de gezonken vluchtelingenboot begin oktober in Lampedusa stond het migratieprobleem weer even volop in de schijnwerpers.

Collier: Veel Europeanen denken dat de mensen op die boten naar Lampedusa de allerarmsten zijn, maar dat is helemaal niet zo. Die bootvluchtelingen kunnen het zich veroorloven om vanuit Eritrea of Somalië Noord-Afrika te doorkruisen; zij kunnen de georganiseerde criminele bendes gespecialiseerd in mensensmokkel betalen. Ondertussen zijn ongeveer 17.000 vluchtelingen tijdens de oversteek verdronken: het is dus een bijzonder risicovolle onderneming. Maar mensen willen dat risico graag nemen omdat wij hen belachelijk veel kansen bieden. Als je als vluchteling aan boord van zo’n bootje geraakt, de overtocht overleeft en voet aan wal kan zetten op het strand van Lampedusa, word je bedolven onder de mensenrechten. Het hele juridische proces om je terug te sturen, is zo ingewikkeld dat de Italiaanse autoriteiten je liever in de illegaliteit laten verdwijnen. Ze geven je er dan nog een goede raad bij: “In Italië is geen werk. Trek verder naar het noorden.” (lacht) In naam van de mensenrechten richten wij zo veel menselijk onrecht aan. De boodschap die we uitsturen, is: als Afrikaan heb je geen enkele kans om Europa binnen te geraken, tenzij je erin slaagt een voet op een van onze stranden te zetten, dan zal er je niets meer overkomen. Ik vind dat waanzin.

 

Dus moeten we muren rond Europa bouwen?

Collier: Eigenlijk wel, want als we dat niet doen, loopt een land als Eritrea compleet leeg. Wie ervoor pleit om de muren neer te halen, kan beter een ferrydienst tussen Noord-Afrika en Europa inleggen, dan zal niemand meer verdrinken. Ik geef je op een blaadje: de ferry’s zullen afgeladen vol zitten. Miljoenen mensen zullen komen. Uit een grootschalig onderzoek van Gallup blijkt dat veertig procent van de inwoners van arme Afrikaanse landen naar Europa wil komen.

 

Dus moeten we bij de Afrikanen alle hoop ontnemen dat ze bij ons ooit een beter bestaan zullen kunnen uitbouwen?

Collier: Ja. In de eerste plaats moeten we arme landen helpen ontwikkelen. Kijk naar China: dat land gaat op economisch vlak met rasse schreden vooruit, waardoor de Chinese emigratie vertraagt. Chinezen die ooit naar Europa kwamen, keren nu terug. Dat is een uitstekende zaak, want ze hebben hier een goede opleiding gehad, kennen het belang van mensenrechten, weten hoe een moderne vrije samenleving werkt en importeren die waardevolle ideeën en vaardigheden in hun thuisland. Op lange termijn is dat een zegen voor China. Wat dus wel nog zou moeten kunnen, is jonge Afrikanen via een loterijsysteem de kans geven om in Europa te komen studeren, op voorwaarde dat ze daarna terugkeren en hun land helpen opbouwen. Tezelfdertijd moeten we duidelijk communiceren: wie het aandurft om met de boot de oversteek naar Lampedusa te maken, wordt zonder pardon terug gestuurd van zodra hij aan wal komt.

 

Uit de mond van een als progressief bekend staande professor, klinkt dat zeer rechts.

Collier: “Stuur ze terug”, is niet het enige wat ik zeg. Mijn hele loopbaan stond en staat in het teken van de zorg voor de armste landen. Ik wil in de eerste plaats die landen helpen, en niet de individuen die eruit willen ontsnappen. Behoor ik dan tot de linker- of rechtervleugel? Ik heb geen vleugels. Op 19 oktober ben ik nog de A.SK Social Science Award in Berlijn in ontvangst gaan nemen, een onderscheiding voor onderzoekers die bijgedragen hebben aan progressieve sociale hervormingen. Ik ben er nog nooit van beschuldigd dat ik radicaal rechts naar de mond praat.

 

Ik beschuldig u daar niet van, maar ik kan me voorstellen dat nogal wat progressieve mensen het hardvochtig vinden om bootvluchtelingen zonder pardon terug te sturen.

Collier: Veel progressieve mensen zijn dan ook intellectueel lui. Geloven ze nu echt dat we arme landen kunnen helpen door een paar van hun jonge, ondernemende, slimme en beter boerende inwoners hier oogluikend toe te laten? Zo verleiden we mensen toch tot het spelen van Russische roulette?

 

U bent zelf de kleinzoon van een migrant?

Collier: Ja, mijn grootvader heette Karl Hellenschmidt en was een van de acht kinderen van de grafdelver van het stadje Ernsbach. Op zijn zestiende wou hij weg uit Duitsland. In de tweede helft van de negentiende eeuw maakten veel Duitsers de oversteek naar Amerika. Wie veel geld had, reisde naar de staat Iowa en wie zoals mijn grootvader arm was, raakte met veel moeite over het Kanaal en strandde in Bradford. Vandaag is Ernsbach veel welvarender dan Bradford, op lange termijn bekeken heeft mijn opa zich dus schromelijk vergist. (lacht) Hij vestigde zich in een wijk die toen al Little Germany heette. Zijn leven lang sprak hij Engels met een vettig Duits accent. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij opgesloten omdat zijn Engelse medeburgers die Duitse inwijkeling niet vertrouwden. Toen de Tweede Wereldoorlog voor de deur stond, heeft mijn vader zijn naam laten veranderen in Charles Collier. Hij wou niet opnieuw slachtoffer worden van racisme.

 

De migratie naar het Westen gaat in een steeds sneller tempo, schrijft u in Exodus. Wat is daar de oorzaak van?

Collier: De link tussen migratie en de diaspora’s overal ter wereld. Met de diaspora bedoel ik de immigranten in een samenleving die nog niet ‘opgelost’ zijn in de doorsnee bevolking. Ik maak nu geen deel meer uit van de Duitse diaspora in Engeland, maar mijn grootvader indertijd wel. Het belangrijkste aan het fenomeen diaspora is dat het migratie vergemakkelijkt en versterkt. Hoe groter de diaspora van bijvoorbeeld Russen in Engeland wordt, hoe makkelijker het voor Russen is om naar hier te emigreren. Maar hoe groter de diaspora wordt en hoe sterker de migratie stijgt, hoe meer de migranten cultureel gaan verschillen van hun ‘gastheren’. Hoe groter het culturele verschil, hoe moeilijker het wordt om die nieuwkomers in de samenleving te laten ‘absorberen’. Gevolg: de diaspora wordt nóg groter, waardoor de migratie extra versneld. Zo is het dus echt niet ondenkbaar dat de helft van de bevolking van een arm Afrikaans land naar een rijk West-Europees land migreert.

 

Wat meteen ook een rampzalig scenario voor het arme land in kwestie is?

Collier: Natuurlijk. Die arme landen hebben geen enkele controle over hun emigratie en zijn totaal afhankelijk van ons beleid. De maatregelen die wij nemen om migratie aan te pakken, hebben zowel gevolgen voor ons als voor hen. Niet alle migratie is slecht, zoals die van van studenten die tijdelijk hier een vak komen leren. Voor sommigen kan dat vooruitzicht om in het buitenland te kunnen studeren ook een aansporing zijn om het extra goed te doen op school. Sommige vormen van migratie stimuleren ook innovatie, maar téveel immigratie bedreigt de samenhang in onze samenlevingen. Sociale cohesie zorgt voor vertrouwen, samenwerking en generositeit. Wij, Europeanen, hebben zeer genereuze sociale zekerheidssystemen uitgebouwd. We hebben geleerd om niet alleen voor onze eigen familieleden, maar ook voor anderen te zorgen. Die vorm van solidariteit die de familiegrenzen overschrijdt, is uniek. De meeste arme samenlevingen die ik bestudeer, kennen dat niet. In de armste Afrikaanse landen telt alleen de familie. Er wordt dus weinig samengewerkt, het vertrouwen is er zoek en er zijn geen sociale zekerheidssystemen. Veel Afrikaanse regeringen doen nu hun best om een sterkere nationale cohesie bij de burgers te bewerkstelligen, in de hoop dat daardoor ook al die goede dingen bij hen mogelijk worden.

Elke samenleving heeft behoefte aan een redelijke hoeveelheid diversiteit. Ik kan onmogelijk bepalen hoeveel precies, de leden van elke samenleving moeten voor zichzelf uitmaken hoeveel ze aankunnen. Onze migratiepolitiek zou hand in hand moeten gaan met hoe snel immigranten ‘oplossen’ in de doorsnee bevolking. Migratiepolitiek en absorptiepolitiek zouden dus eigenlijk communicerende vaten moeten zijn, want zij houden dat door de maatschappij gekozen niveau van diversiteit in evenwicht.

 

U vindt dat er met nationalisme niet per se iets mis is, want dat kan de sociale lijm zijn voor een gediversifieerde samenleving?

Collier: Ja. Natuurlijk heeft Europa verschrikkelijke nationalistische uitwassen gekend. Maar een moderne, gezonde vorm van nationalisme of patriottisme kan ook het belangrijkste bindmiddel voor sociale cohesie zijn. Kijk naar de Scandinavische landen: de inwoners daar zijn stuk voor stuk hevige nationalisten. Als je door Denemarken, Zweden of Noorwegen reist, zie je overal vlaggen wapperen. Maar het nationalisme van de Scandinaviërs is niet agressief: de Denen en de Zweden vliegen elkaar niet in de haren.

 

Hebben wij dan geen ernstig probleem met onze Europese Unie en haar instellingen die regels maken die voor alle lidstaten gelden? Zorgt dat niet voor vervreemding bij de burgers van al die verschillende landen?

Collier: Het is zeker zo dat de Europese instanties proberen een soort van Europese identiteit te creëren. Ondertussen hebben we geleerd dat dat veel moeilijker is dan we eerst dachten. Kijk naar Groot-Brittannië: de voorbije 300 jaar waren Schotland en Engeland er deel van. Maar of dat nog lang zo zal zijn? Ongelooflijk veel Schotten voelen zich in de eerste plaats Schot en dan pas Brit. In uw land is het niet anders. Ik wil het Europese project niet bekritiseren, maar we moeten vaststellen dat het geen wandeling in het park is. De gemeenschappelijke identiteit die we toch samen opgebouwd hebben, is zeer kwetsbaar. Maar ik geloof dat Europa zijn lesje wel geleerd heeft: agressieve ‘oplossingen’ maken hier geen kans meer. Dat is niet dankzij de Europese instellingen, maar omdat het besef gegroeid is dat het radicaal anders moest na zeventig jaar van verschrikkelijke oorlogsvoering. Ik geloof niet dat Duitsland nog de oorlog zal verklaren aan Noorwegen, of dat het Duitse leger België zal binnentrekken. Dat zal niet meer gebeuren.

 

Er was ook niemand die geloofde dat Joegoslavië in de jaren negentig een land in oorlog zou worden.

Collier: Joegoslavië was vooral een voorbeeld van een mislukte poging om een gemeenschappelijke identiteit op te bouwen. Sommige scheidingen verlopen relatief gemakkelijk en andere monden uit in een vechtscheiding. De Tsjechen en Slovaken scheidden op een vreedzame manier en de Schotten en de Engelsen zullen dat ook wel doen, maar in Joegoslavië ging het mis. Als je een gemeenschappelijke identiteit wilt opbouwen, moet je het belang inzien van ‘broederlijkheid’. De Franse revolutionairen hadden groot gelijk met hun leuze: gelijkheid, vrijheid en broederlijkheid. Die drie begrippen sporen echt samen: broederlijkheid verzoent vrijheid met gelijkheid. Kijk naar de Verenigde Staten: daar is er veel minder aandacht voor broederlijkheid, waardoor er scherpere en grotere spanningen zijn tussen vrijheid en gelijkheid.

 

Staat de sociale diversiteit in Europa onder druk en hebben sommige landen ondertussen een te grote toestroom van migranten gekend?

Collier: Ik kijk liever naar de toekomst dan naar het heden. De migratie is zonder twijfel aan het versnellen. Als we ze niet onder controle krijgen, zal de diversiteit blijven stijgen. Op een bepaald moment zal zo ons gemeenschappelijk belang geschaad raken. Vertrouwen, samenwerking en generositeit zullen daardoor onder druk komen te staan en inkrimpen.

 

Dat is nu nog niet aan het gebeuren?

Collier: (aarzelt) Stel dat het hier in Groot-Brittannië zo is, wat kunnen we er dan nog aan doen? We kunnen toch geen migranten terugsturen die hier een leven hebben uitgebouwd? Een meerderheid van de Britten, en misschien ook van de Belgen, voelt zich ongetwijfeld ongemakkelijk bij de versnellende migratie. Er bestaat echt grote zorg over de groeiende diversiteit en ik begrijp dat. Op een bepaald moment zullen we er halt tegen moeten roepen. Wanneer dat zal zijn, weet ik niet, maar het huidige systeem van onbeperkt stijgende diversiteit is een vergissing. Veel westerlingen maken zich terecht ook zorgen over de arme landen. Daarom is ontwikkelingshulp zo belangrijk. Groot-Brittannië heeft ondertussen zeer genereuze hulpprogramma’s voor de allerarmste Afrikaanse staten uitgebouwd.

 

De Belgische regering zet het mes stevig in ontwikkelingssamenwerking. Ze schrapt voor dit en volgend jaar 175 miljoen euro.

Collier: Elke fatsoenlijke samenleving zou er zorg voor moeten dragen dat de armste landen het beter krijgen. Zowel uit medelijden als uit welbegrepen eigenbelang. Een welvarend land dat dat niet doet, is kortzichtig en hypothekeert ook zijn eigen toekomst. Hoe meer verpauperde landen er in de 21e eeuw uiteen vallen, hoe groter het risico wordt dat het globale evenwicht verstoord raakt. We helpen die arme staten niet door hun verstandigste en meest bekwame inwoners aan te moedigen om de grote oversteek naar ons te wagen. Het is écht hoog tijd dat er in het Westen een publiek debat op gang komt over hoeveel diversiteit we willen en kunnen aanvaarden.

 

Het debat over migratie is tot hiertoe vooral ideologisch en niet ‘praktisch’ geweest?

Collier: Inderdaad. We moeten allemaal dringend leren aanvaarden dat controle van migratie noodzakelijk is om onze toekomst veilig te stellen. De rechterzijde moet aanvaarden dat we migratie niet kunnen stoppen; de linkerzijde dat we migratie onder controle moeten krijgen. Rechts en links samen moeten accepteren dat we een stabiel niveau van diversiteit in onze samenlevingen moeten nastreven. Vervolgens moeten we nadenken over wat voor beleid we nodig hebben om de immigranten te laten opnemen in de doorsnee samenleving. Hoe sneller immigranten absorberen in de mainstream, hoe beter we nieuwe migratie aankunnen.

 

In België wordt al sinds de jaren zestig en zeventig aan integratie gewerkt. Volgens sommigen is dat een totale mislukking.

Collier: Dat geldt jammer genoeg voor de meeste Europese landen. Integratie blijkt veel lastiger te zijn dan eerst werd aangenomen. Misschien kunnen we iets leren van Canada, waar nieuwkomers op een veel verstandiger manier worden begeleid. Ze worden over het land verspreid, moeten de taal leren en worden ertoe aangezet om opleidingen te volgen. We weten onderhand wel zeker dat integratie geen sinecure is, dus nemen we best nu eerst maatregelen om immigratie af te remmen. Het jammere van mensen die de multiculturele samenleving genegen zijn, is dat ze ook voorstander zijn van open grenzen. Dat loopt faliekant af en brengt ons sociale zekerheidssysteem in gevaar.

 

Sommige nieuwkomers wijzen integratie af. Mogen we dat tolereren?

Collier: De samenleving kan een bepaalde hoeveelheid van niet-geïntegreerden aan. Maar we moeten daar voorzichtig mee zijn, want als we toestaan dat geen enkele nieuwkomer zich integreert, vernietigen we onze samenleving. Ook hier is het weer een kwestie van het al dan niet overschrijden van een bepaalde drempel, maar de hoogte van die drempel verschilt van land tot land. Niet iedereen hoeft zich te integreren, alleen moeten er genoeg mensen geïntegreerd raken zodat de sociale cohesie overeind blijft.

 

Kennen de armste landen ook ons begrip tolerantie?

Collier: Nee, eigenlijk niet. Ze zijn totaal niet tolerant voor verschillen. Vandaar dat geweld er vaak zegeviert. De Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau zat er helemaal naast met zijn concept van ‘de nobele wilde’. (lacht) Ons vermogen tot empathie is een gevolg van de alfabetisering van onze contreien in de 18e eeuw, met daarna de opkomst van de welvaartstaat. Migranten uit arme landen kennen die attitude van tolerantie niet. Maar als er nu één eigenschap is die ze zonder enige uitzondering wél van hun gastland moeten overnemen, is het juist die verdraagzaamheid.

 

 

In januari 2014 verschijnt bij uitgeverij Het Spectrum de Nederlandse vertaling van Exodus.

 

 

 

 

Paul Collier

 

Geboren in 1949.

Professor economie aan de universiteit van Oxford.

Directeur van het Centre for the Study of African Economies.

Was van 1998 tot 2003 directeur van het Research Development Department van de Wereldbank.

Hij was topadviseur Afrika van Tony Blair.

Nu adviseert hij de VN, de Wereldbank en diverse Afrikaanse overheden.

The Bottom Billion (2008) werd de allereerste internationale bestseller over het armoedeprobleem.

Nadien volgden Wars, Guns and Votes (2009) en The Plundered Planet (2010).

 

© Jan Stevens

Advertenties

De Canadese droom

Ruim zestig jaar geleden migreerden Germaine Verstraeten, Gerardine Marin en Annie Van Belleghem naar de vruchtbare vlaktes in het diepe zuiden van de Canadese provincie Ontario. De ene heel bewust omdat ze in België ‘alles beu was’, de anderen omdat hun ouders die keuze voor hen maakten. Net als duizenden andere Belgische migranten koesterden ze hun Canadese droom en trachtten ze een beter bestaan op te bouwen in de suikerbieten- of tabaksteelt. Hun avontuur eindigde vaak aan de lopende band in de fabriek.

 

In de zomer van 1947 zette de toen 19-jarige Germaine Verstraeten (1928) tegen haar zin voet aan wal op Canadese bodem. “Ik was heel gelukkig in mijn geboortedorp Stekene en in Sint-Niklaas, de stad waar ik als textielarbeidster werkte”, zegt ze. “Ik wou mijn vrienden niet achterlaten. Maar mijn vader was vastbesloten: net als zijn schoonzus moest en zou hij naar Canada emigreren. Altijd liep hij te sakkeren: ‘Voor een werkende mens is Stekene de slechtste plek om te wonen.’ Hij had geen ongelijk, want in de jaren dertig en veertig was er in dat dorp geen werk te vinden. Elk voorjaar trokken vader en moeder naar Nederland waar ze bij vlasboeren aan de slag konden. Ze keerden pas in november terug. Hun kinderen werden de hele zomer lang ‘uitbesteed’: we kwamen bij mensen terecht die tegen betaling dag en nacht op ons pasten. Als klein meisje herkende ik mijn mama niet meer als ze me in november terug kwam halen. Vader had daar genoeg van: hij wou naar de nieuwe wereld, naar Canada.”

Germaines tante en oom hadden hun Canadese droom al waargemaakt. “Ze waren in de jaren twintig geëmigreerd en verbouwden tabak op hun eigen boerderij aan de rand van het stadje Tillsonburg, op 180 km ten zuidwesten van de grote stad Toronto. Het plan was dat we eerst bij hen gingen inwonen en werken.”

 

Drie jaar na Germaine Verstraeten kwam Gerardine Marin (1919) in 1950 met een van verwachting kloppend hart in Tillsonburg aan. “Ik wou al langer weg uit het Oost-Vlaamse Sint-Gillis”, zegt ze. “Het stak me er allemaal tegen. Mijn oudste zus Maria was veel eerder naar Canada geëmigreerd. Mijn ouders hadden een café en op een dag zaten er twee Belgische Canadezen die op zoek waren naar een vrouw. Maria is met een van hen vertrokken. Ik wou ook naar Canada, maar mijn moeder zag dat niet zitten. ‘Beloof me dat je voor mijn dood niet zal vertrekken.’ Ik heb woord gehouden.”

In 1949 stierf Gerardines moeder en hetzelfde jaar nog schreef ze een brief naar haar Belgisch-Canadese schoonbroer Fons. “Ik vroeg of er een mogelijkheid was om naar Canada te emigreren. Ik schreef dat we niet bang waren om te werken en ik vroeg of hij ons eventueel geld voor de overtocht kon opsturen. Fons antwoordde dat hij wou helpen.”

Gerardines vader en haar man Albert wisten niets van haar migratieplannen. “Op een avond raapte ik al mijn moed bijeen, en tot mijn stomme verbazing gingen ze allebei direct akkoord. ‘Als je denkt dat je in Canada een beter bestaan zal kunnen opbouwen, moet je maar gaan’, zei mijn vader. Albert reageerde enthousiast: hij was opgetogen dat hij zijn saaie job in een breifabriek eindelijk kon opzeggen. Maar toen we het eerste jaar op Fons tabaksplantage leefden en werkten, hoorde ik hem vaak klagen: ‘Gerardine, wat heb je me aangedaan?’”

 

Annie Van Belleghem (1925) had helemaal niets in de pap te brokken toen haar zwangere moeder Wieze De Schepper de overtocht van Belsele naar Wallaceburg, ruim 300 km ten zuidwesten van Toronto, maakte. “Zes maanden nadat mijn ouders hun intrek op een boerderij genomen hadden, werden ik en mijn tweelingzus geboren”, vertelt ze. “Vlak na de Eerste Wereldoorlog zat België in een zware depressie. Mijn vader Leopold wilde een toekomst voor zijn gezin. Moeder had een oom die jaren eerder naar Canada geëmigreerd was. In zijn brieven snoefde hij hoe fantastisch Canada wel was. ‘Jullie moéten komen; hier kunnen jullie bakken geld verdienen.’ Het duurde niet lang voor mijn ouders erachter kwamen dat die oom de waarheid flink geweld had aangedaan. Hij leende hen het geld voor de overtocht en om hem terug te betalen moesten ze op zijn boerderij in de suikerbietenteelt werken.”

Annie’s ouders beleefden een enorme cultuurschok. “Die grote open ruimte hadden ze niet verwacht. Veel tijd om eraan te wennen, kregen ze niet, want ze werden direct het land op gestuurd. Ze kwamen aan in de zomer, en net als nu was het heet en vochtig. Ma was oorspronkelijk een stadsmeisje en pa een metser; van de boerenstiel kenden ze niets. De akkers die ze moesten bewerken, lagen op zware kleigrond. Als ze een spade in de grond staken, veerde die vanzelf weer op. Mijn moeder haatte het, maar ze had geen rooie duit en kon niet terug. Drie jaar lang zwoegden mijn ouders en zagen ze zwarte sneeuw; zolang duurde het ook om de lening van de oom in te lossen. Daarna kochten ze hun eigen melkkoe en huurden ze een boerderij. Ze konden zich amper 15 hectare land permitteren terwijl heel wat boeren 100 hectare bewerkten. Mijn vader wou af van de kleigrond. Na jaren wroeten en sparen, kochten ze eindelijk hun eigen boerderij. Papa wandelde met zijn vee dwars door het centrum van Wallaceburg naar de nieuwe boerderij waar de grond zandiger en zachter was. Er stond een huis, maar het was uiterst primitief. Mijn ouders leidden er een keihard leven.”

 

Gerant van de plantage

De overtocht van Gerardine Marin en haar man Albert De Loose van België naar Canada duurde vijftien dagen. “Dat was langer dan voorzien”, zegt Gerardine. “We konden niet meteen met de boot vertrekken en zaten twee dagen vast in Parijs. Op de boot lagen mannen en vrouwen gescheiden van elkaar, ook de getrouwde koppels. Er reisden veel Hongaren mee. Ik keek mijn ogen uit: de vrouwen droegen hun rokken tot boven hun enkels. Van de eerste dag op de boot tot de laatste was ik doodziek en kon ik geen hap eten.”

“Het was een raar gevoel toen ik mijn eerste voet op Canadese bodem zette. Mijn zus Maria stond ons op te wachten en reed ons met de auto naar haar boerderij. Maria en Fons hadden hun eigen tabaksplantage, en verzorgden tezelfdertijd ook de tabakskweek van de boerderij ernaast. Wij mochten gratis in het buurhuis wonen en traden in dienst van zus en schoonbroer. Het eerste jaar werkten we om onze reis terug te betalen. Wij kenden niets van de boerenstiel. Een van mijn eerste taken was om de jonge tabaksplantjes vanuit de serre te verplanten op het land. Ik zat vanachter op de tractor en stak de plantjes in de grond.”

Dat was hard werken?Gerardine: “Toch niet. Tabak planten stelt niet zoveel voor. Ik had wel een hekel aan onkruid wieden. Ik had nog nooit een schoffel in mijn handen gehad. Ik liep wenend het huis in. ‘Wat scheelt er?’ vroeg mijn zus. ‘Dat schoffelen is niets voor mij’, antwoordde ik. ‘Je hoeft dat niet te doen’, zei mijn zus. ‘Maar zo kun je iets verdienen.’ Toch heb ik nooit nog een schoffel aangeraakt.”

Nadat Gerardine en Albert hun reis terugbetaald hadden, gingen ze een plantage uitbaten in opdracht van een grote tabaksboer. “Albert werd de ‘gerant’ en regelde de kweek en de oogst. We namen seizoenarbeiders uit de Franstalige provincie Québec in dienst, want daar was toen geen werk.”

 

Germaine Verstraeten herinnert zich haar eerste Canadese zomer in 1947 nog alsof hij pas voorbij is. “Het was heet en zwoel. De onderste bladeren van de tabaksplanten waren verdroogd en verbrand, en ik moest ze van de takken trekken, samen met mijn moeder en mijn nichtje. Dagenlang stond ik op een hectarengrote akker in de verzengende zon. Mijn eerste job als meisje van negentien in Canada vergeet ik nooit meer. Ik verwenste mijn vader en verlangde naar mijn comfortabele baan in de fabriek. Mijn moeder liep ook op het veld te klagen. Ze was ongelukkig, tot ze voor eigen rekening kon gaan werken. Na een jaar zijn mijn ouders tabak beginnen kweken voor een andere boer. Ze organiseerden alles en betaalden hun werkvolk. Ze leenden geld bij de bank, de eigenaar van het land stond borg voor hen. Een hele zomer lang teerden ze op de lening en pas bij de oogst in het najaar zagen ze eindelijk een beetje zuurverdiend geld. Bij de levering van de tabak ging een deel van de opbrengst naar de boer, een deel naar de bank en de overschot was voor ons. De eerste twee jaren waren de ergste; daarna ging het iets beter. Na zes jaar tabak kweken voor een ander, kochten mijn ouders hun eigen boerderij.”

 

Aan de lopende band bij Libby’s

Annie Van Belleghem en haar tweelingzus waren achttien toen het noodlot in 1943 toesloeg. “Het was een natte lente en mijn vader had zich net een tractor aangeschaft. Hij ging op het land werken en reed zich vast. Tijdens zijn onhandige pogingen om de tractor los te rijden, sloeg het gevaarte om en verpletterde hem. De dood van mijn vader betekende meteen het einde van de Canadese droom. Mijn moeder verkocht de boerderij, we verhuisden naar een klein huis in de stad en gingen allemaal werken in de fabriek. Terugkeren naar België was voor mijn moeder op dat moment geen optie: mijn zus was pas getrouwd en had zich gesetteld. Moeder heeft nooit geopperd om terug te keren; ik denk niet dat ze het nog wou. Ze was gewend geraakt aan dit land.”

“Als kind werd ik tijdens de oogsten van school gehouden om op de akker te helpen. Als ik na zo’n periode naar school terugkeerde, schaamde ik me omdat ik weer zoveel achterop was geraakt. Op mijn twaalfde ging ik dan maar van school af en tot de dood van mijn vader werkte ik op de boerderij. Daarna vond ik een job in een wapenfabriek, The Wallaceburg Brass. Het werkvolk werd elke dag met bussen van dorpen en steden aangevoerd. Echt ruw volk, waar ik me als jong meisje niet op mijn gemak bij voelde. Mijn moeder werkte er ook een tijdje; later kon ze aan de slag in een zakkenfabriek waar ze haar vingers bijna kwijtraakte en nog later vond ze een job aan de lopende band bij Libby’s, waar tomaten werden ingeblikt. Om te kunnen overleven naaide ze ’s avonds en op zondag kleren voor een kleine winkel in Wallaceburg.”

In 1948 reisde Annie voor het eerst in haar leven naar België. “Mijn jongste zus Jo-Anne was pas gestorven. Moeder en ik waren al langer van plan om de familie in België te gaan bezoeken. Na de dood van Jo-Anne wou mama liever thuisblijven. Maar de dokter zei: ‘Je moét gaan. Het zal je deugd doen je familie te zien.’ Dus maakten we de overtocht met de Queen Mary, een van de grootste boten die ooit gebouwd is. Er zaten heel wat wereldberoemde knappe filmsterren op die boot. Ik zat hen uren te bespieden.”

Het naoorlogse België maakte op Annie een naargeestige indruk. “We stapten een huis binnen en zagen een man zonder armen en benen. Ik dacht: ‘Arme stakker.’ De mensen zagen mijn moeder in Belsele over straat wandelen en riepen haar binnen. Ze hadden haar jarenlang niet gezien en waren zo blij. Ik was 23 en ontmoette toen voor het eerst mijn grootmoeder.”

 

Voor eeuwig en altijd

Germaine Verstraeten trouwde in Canada met de geïmmigreerde Belg Omer Van Aerde. “We wilden in Tillsonburg samen tabak gaan kweken, maar het eerste seizoen was een mislukking. Noodgedwongen moesten we op zoek naar werk in de fabriek. Toen mijn vader stierf, kochten we de boerderij over. Net op dat moment werd de tabakskweek door de overheid op een nieuwe leest geschoeid: voortaan moesten kwekers een vergunning kopen om een bepaalde hoeveelheid te mogen produceren, maar al ons geld zat in de overname van de boerderij. Wij keerden gedesillusioneerd terug naar België.”

In 1962 kwamen Germaine en Omer aan in Stekene. “Sommige mensen vroegen verbaasd: ‘Wat komen jullie hier doen?’ Een vrouw zei vol leedvermaak: ‘Ik heb gehoord dat jullie in Canada in houten huizen wonen. Dat zijn zeker allemaal barakken?’ Ze leek het fijn te vinden om ons een beetje dieper de put in te duwen.”

Germaine opende een winkel. “Ik had twee kinderen, toen kwam er een derde en de winkel werd teveel voor mij. Omer wou in Stekene blijven, maar ik droomde ervan terug te keren naar Tillsonburg. Mijn man volgde een herscholingscursus tot metser en in ’74 keerden we terug. Ik ben in loondienst in de tabak gaan werken en Omer zocht een job in de bouw.”

 

Voor Gerardine Marin was het van meet af aan duidelijk: migreren naar Canada was voor eeuwig en altijd. “Veel Belgen die naar Canada kwamen, keerden na verloop van tijd terug. In België konden ze ook niet meer aarden en dus reisden ze terug naar Canada. Ze waren nergens tevreden: hier niet en daar niet. Ik ben hier nooit tegen mijn zin geweest. Zo hard heb ik eigenlijk nooit moeten werken. Al zijn we ook nooit rijk geworden van de tabak en hebben we nooit onze eigen boerderij gehad. We werkten altijd als onderaannemer voor grote boeren: we verhuisden van farm naar farm en verzorgden en organiseerden de plant en de oogst. Na een tijd raakte ik de tabakskweek beu. Mijn man Albert vond werk in een fabriek in Delhi en ik ging als seizoenarbeidster aan de slag.”

Miste ze haar familie niet? “Vanaf de eerste dag werden we in Tillsonburg door de familie van mijn schoonbroer als rechtstreekse verwanten beschouwd. Elke zondag konden we wel ergens op visite. Natuurlijk dacht ik vaak aan mijn broers in België. We zijn ook verschillende keren terug naar Sint-Gillis op vakantie geweest. Maar nooit meer met de boot, altijd met het vliegtuig.”

 

 

 

Belgische emigratie naar Canada

 

In de 19e eeuw emigreerden vooral Walen naar Québec en Manitoba, Canadese provincies met een grote Franstalige bevolking. Na de Eerste Wereldoorlog tot de start van de Tweede Wereldoorlog zochten vooral Vlamingen hun heil in de landbouwprovincie Ontario. Ze gingen aan de slag op de immense suikerbieten- en tabaksplantages, of probeerden hun eigen boerderijen uit de grond te stampen. Tussen 1919 en 1940 waagden ongeveer 14.000 Belgen de oversteek naar Canada. De Grote Depressie in de jaren dertig zette een domper op de liberale Canadese immigratiepolitiek. Na de Tweede Wereldoorlog tot halverwege de jaren zeventig kwam de Belgische emigratie terug op gang. Tussen 1947 en 1975 emigreerden 30.000 Belgen naar Canada. Van de totale bevolking van 33 miljoen Canadezen hebben er nu ongeveer 130.000 Belgische roots.

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto’s: © Veerle Van Hoey