Psycho terror, qu’est-ce que c’est?

Bent u een ambtenaar van veertig en werkt u al jaren op dezelfde afdeling van een ministerie? Of werkt u als arbeider in de voedingsindustrie? Pas dan maar op, want dan loopt u het grootste risico om door uw collega’s het bloed van onder de nagels te worden gepest. Guy Notelaers bracht het profiel van slachtoffers van pesterijen op het werk in kaart.

 

Sinds in november vorig jaar aan het licht kwam dat in het bedrijf MACtac een arbeider negen jaar lang op afschuwelijke wijze door zijn collega’s gepest werd, duiken er regelmatig in de media berichten over mobbing of pesten op het werk op. Volgens sommige studies is Europa zelfs een waar pestersparadijs: 10 tot 20 procent van alle werknemers zou ooit wel eens het slachtoffer geweest zijn van pestende collega’s. “Ik heb dat cijfer altijd ongeloofwaardig gevonden”, zegt dr. Guy Notelaers, assistant professor aan de School of Business and Economics van de universiteit van Maastricht. Dus besloot hij om voor zijn doctoraal zelf diepgaand onderzoek te gaan voeren naar pesten op het werk. Uit zijn studie blijkt dat mobbing of bullying qua omvang inderdaad minder groot is dan tot hiertoe werd aangenomen. “Ik heb mobbing onderzocht in België, Noorwegen, Italië en Spanje. Het aantal werknemers dat gepest wordt, schommelt in al die landen tussen 1 en 5 procent. Voor België ligt het cijfer op 3 à 4 procent. Mijn studie is gebaseerd op de antwoorden van duizenden werknemers met verschillende achtergronden uit diverse bedrijven. Op de uitgebreide vragenlijst konden ze invullen of ze gepest werden en hoeveel. Voor Vlaanderen hebben bijna 9000 mensen uit meer dan 80 bedrijven meegewerkt.”

 

Posttraumatisch stressyndroom

Er wordt dan wel minder gepest dan eerst gedacht, maar dat wil nog niet zeggen dat de gevolgen voor de slachtoffers minder ingrijpend zouden zijn. Integendeel. Guy Notelaers: “De impact van bullying op mensen is vergelijkbaar met wat soldaten ervaren die de oorlog in Irak of Afghanistan meegemaakt hebben. Net als frontsoldaten kunnen slachtoffers van pesterijen op het werk het posttraumatisch stressyndroom (PTSS) ontwikkelen. Er is één groot verschil: wanneer de soldaten terug thuis komen, worden zij niet meer geconfronteerd met de ellende die hun PTSS veroorzaakt heeft. Maar slachtoffers van mobbing hebben vaak geen andere keuze dan elke dag terugkeren naar hun werk én hun pestende collega’s. Het gepest worden overheerst hun hele leven. ’s Avonds geraken ze moeilijk in slaap, ‘s nachts worden ze geplaagd door nachtmerries en ’s morgens vertrekken ze bevend van angst terug naar het werk. Veel slachtoffers sukkelen in een depressie; sommigen plegen zelfs zelfmoord. Pesten op het werk is psycho terror, psychologische terreur.”

 

Totale vernietiging

Wie herhaaldelijk en systematisch door zijn collega’s of bazen vernederd, geïntimideerd of uitgelachen wordt, is het slachtoffer van mobbing of bullying. “Wie herhaaldelijk gepest wordt, vindt minder en minder de kracht om terug te vechten”, zegt Guy Notelaers. “Slachtoffers komen zo in een ongelijke machtsverhouding terecht en zijn niet langer in staat om een doeltreffend antwoord te vinden op negatief sociaal gedrag. Hun psychische en lichamelijke gezondheid en hun prestaties op het werk lijden daar zwaar onder. Ze raken sociaal geïsoleerd, voelen zich aan de kant geschoven of als lucht behandeld. ‘Herhaaldelijk’ en ‘systematisch’ zijn zeer belangrijk bij het definiëren van wat mobbing is. Iedereen maakt wel al eens een grapje of roddelt over een collega. We hebben allemaal soms het gevoel dat er informatie voor ons achtergehouden wordt of voelen ons niet welkom bij een groep. Zolang die incidenten eenmalig zijn en geen systeem worden, behoren ze tot ‘normaal menselijk gedrag’. Het kan gebeuren dat een collega op het werk eens stoom moet aflaten. Maar het wordt gevaarlijk als je in groep stoom gaat aflaten tegen één welbepaalde persoon. Als zo’n incident zich een tweede keer voordoet, is dat eigenlijk al een keer teveel. Een groep die zich tegen één man of vrouw richt, heeft maar één bedoeling: hem of haar vernietigen.”

 

Slechts weinig slachtoffers van mobbing nemen het initiatief op zoek te gaan naar een nieuwe job. “Ze kunnen of durven niet van werk veranderen. Belgische werknemers willen allemaal dolgraag een vast contract, want dat geeft hen een gevoel van zekerheid. Een sector zoals de overheid heeft een riant pensioenstelsel: een ambtenaar die ontslag neemt of krijgt, ziet meteen ook een deel van zijn toekomst in duigen vallen. Je moet dan eigenlijk al een heel sterk alternatief hebben. In vergelijking met de Scandinavische landen, is er bijzonder weinig mobiliteit op de Belgische arbeidsmarkt. In Scandinavië is het switchen van job beter aanvaard; hier wordt het op wenkbrauwgefrons onthaald als je regelmatig van werkgever wisselt. Een vast contract en de bijhorende zekerheid worden als voorrechten beschouwd.”

 

Gouden kooi

Uit het onderzoek van Guy Notelaers blijkt dat in vergelijking met bedienden, arbeiders twee keer zoveel kans hebben om regelmatig gepest te worden op het werk. Maar de grootste risicogroep zijn de ambtenaren. “Zij lopen zelfs bijna vijf keer zoveel kans. Misschien komt dat omdat ze opgesloten zitten in een gouden kooi: ze worden vrij goed betaald, hebben werkzekerheid en genieten van uitgesteld loon in de vorm van pensioen. Wie in overheidsdienst werkt, krijgt dus maar weinig prikkels om uit eigen beweging te vertrekken. Het gebrek aan interne mobiliteit in overheidsdiensten, zorgt ervoor dat daders en slachtoffers tot elkaar ‘veroordeeld’ zijn. Ze zijn ‘verplicht’ om de rest van hun dagen op elkaars gezicht te kijken en kunnen hun conflicten niet ontvluchten. In de private sector is er meer arbeidsmobiliteit. Ondernemingen krijgen af en toe te maken met reorganisaties, herstructureringen en fusies waardoor werknemers automatisch in nieuwe werksituaties terecht komen. Bij de overheid gebeurt dat veel minder; het pesten onder ambtenaren kan extreem lang blijven duren. Tot hiertoe werd door wetenschappers aangenomen dat er ook veel in de sociale sector gepest wordt, omdat de mensen die daarin tewerkgesteld zijn vaak in contact komen met derden. Mijn onderzoek duidt aan dat verplegers en leraars misschien wel slachtoffers zijn van agressie, maar niet van pesten. Problemen met leerlingen of patiënten ervaren ze zelf minder als pesterijen.”

 

Wie als arbeider in de voedingsindustrie werkt, loopt meer dan drie keer meer kans om gepest te worden dan een bediende. “In de hele industriële sector is er een ‘verhoogd risico’, al ligt het toch lager dan in de voedingsindustrie. De ‘industrie’ is een hele ruime sector die varieert van gesofisticeerde Onderzoek & Ontwikkeling in chemische bedrijven naar pure productie. Je vindt er een diverse waaier aan jobs. De voedingsindustrie daarentegen bestaat vooral uit manuele arbeid. Daar zitten de echte arbeiders met grote homogene groepen van laag opgeleiden. Dat verklaart wellicht waarom er juist in de voedingsector het meest gepest wordt.”

 

Mobbing is geen exclusieve mannen- of vrouwenzaak. Notelaers: “Mannen en vrouwen maken evenveel kans om gepest te worden. Er zijn wel significante verschillen in leeftijd: werknemers tussen 35 en 54 lopen het meest kans om slachtoffer van mobbing te worden. Dat is de levensfase waarin mensen volop bezig zijn met de uitbouw van zowel hun beroeps- als hun privéleven. Carrières worden gepland, gezinnen gesticht en huizen worden gebouwd of gekocht. Werk en privé zijn in volle expansie en zetten elkaar wellicht onder druk. Mensen uit de leeftijdscategorie tussen 35 en 54 worden daardoor minder veerkrachtig en weerbaar en zijn prikkelbaarder en kwetsbaarder. Werknemers boven de 55 lopen het minste risico. Vermoedelijk is dat een gevolg van het Healthy Workers Effect: na verloop van jaren blijven alleen de ‘sterken’ over.”

Of misschien zitten in die groep juist de grootste pestkoppen? Notelaers: “Daar durf ik geen uitspraken over doen. Onderzoek naar wie pest is bijzonder moeilijk. Want niemand zal zomaar spontaan verklaren dat hij zijn collega de duvel aandoet.”

 

© Jan Stevens

Advertenties

Mobbing

In haar roman Als jij goud zegt, is het goud tekent de Duitse schrijfster Annette Pehnt een haarscherp portret van een man die door zijn collega’s en zijn chef op subtiele wijze weggepest wordt. Pehnt weet waarover ze schrijft: “Mijn man heeft net hetzelfde meegemaakt.”

 

Een zomerse voorjaarsdag in Freiburg im Breisgau, een gezapig universiteitsstadje aan de voet van het Zwarte Woud. In de kraaknette straten wandelen en fietsen shiny happy people. Ik heb een afspraak met schrijfster Annette Pehnt in het Theatercafé, vlak naast de schouwburg. Ze is met de fiets. “Iedereen fietst hier”, zegt ze. Freiburg etaleert zich als een ecologische stad. Een paar jaar geleden zorgden de inwoners zelfs voor een primeur: ze kozen de allereerste groene burgemeester van een Duitse grootstad. Annette Pehnt woont zelf in een ecologische wijk. “Onze huizen halen hun elektriciteit uit zonne-energie en auto’s zijn er taboe.” De Freiburgers koketteren graag met hun groene imago. Pehnt: “Het is hier allesbehalve typisch Duits. Mijn stadsgenoten zitten er warmpjes in. Ze hebben het geld om ecologisch verantwoord te leven, om hun eten te kopen in dure biowinkels. De Freiburgers vinden dat heel Duitsland moet leven zoals zij, maar ze vergeten dat de meeste Duitsers zich dat niet kunnen permitteren. We voelen ons een beetje beter dan de rest. We leven in de illusie dat we ‘forever young’ zijn, met onze blitse fietsen en onze onbespoten groenten.”

Maar achter de witgekalkte Freiburgse gevels borrelt en gist het, net als overal elders. In haar beklijvende roman Als jij goud zegt, is het goud schetst Annette Pehnt het verhaal van een Freiburgs modelgezinnetje dat langzaam maar zeker naar de haaien gaat. Jo is gelukkig getrouwd en heeft twee kinderen. Hij werkt al jaren bij een overheidsdienst; zijn vrouw is thuisgebleven omwille van de kinderen. Jo vindt zichzelf goed in zijn werk, en is ervan overtuigd dat zijn collega’s hem waarderen. Maar op het moment dat er een nieuwe, vrouwelijke chef aangesteld wordt, kantelt de sfeer. Er wordt over hem geroddeld en hij wordt op een venijnige manier gepest en tegengewerkt. Vier jaar lang. Tot hij op staande voet ontslagen wordt. “Onterecht”, zegt hij zelf. Zijn vrouw gelooft hem. Ze moet wel – ze vindt dat ze geen andere keuze heeft. Het ontslag zorgt even voor opluchting in Jo’s gezin. Maar het duurt niet lang of de spanning is terug om te snijden. Zwaar gefrustreerd gaat Jo op zoek naar eerherstel, terwijl zijn vrouw zich zorgen maakt over de toekomst.

 

Annette Pehnt weet waarover ze schrijft. Haar man werkte jarenlang bij een openbare dienst in Freiburg. Tot er een nieuwe baas kwam die hem liever kwijt dan rijk was en er een verdoken spel begon van verdachtmakingen en pesterijen. Collega’s die ooit vrienden waren, speelden dat spel maar al te gretig mee. Pehnts man werd gemobd: hij werd vernederd, uitgesloten en uiteindelijk ook ontslagen. Nu is hij huisman en zorgt hij voor de kinderen.

“Normaal gezien schrijf ik geen autobiografische romans”, zegt ze. “Ik schrijf liefst over identiteit en over hoe persoonlijkheden ineen zitten. Maar de mobbingervaring van mijn man paste daar wonderwel in. Het was zo afschuwelijk en interessant tezelfdertijd, dat ik dit materiaal gewoon niet kon laten liggen. Ik heb met mijn eigen ogen gezien hoe pesten een mens totaal kan desoriënteren. Ik heb het boek geschreven toen mijn man middenin zijn ontslagprocedure zat.”

Als jij goud zegt, is het goud verscheen in Duitsland onder de titel Mobbing in de herfst van 2007. De roman raakte bij veel lezers een gevoelige snaar, en Annette Pehnt ontving talloze uitnodigingen om lezingen over mobbing te geven. “Sinds de publicatie ben ik op een eindeloze lezingentournee geweest, waardoor het schrijven in de verdrukking geraakt is. Dit boek heeft ongelooflijk veel mensen aangesproken. Mobbing, het subtiel en systematisch vernederen van iemand, is blijkbaar alomtegenwoordig. Ik was me er eerlijk gezegd niet van bewust dat zoveel mensen die afschuwelijke ervaring meegemaakt hebben.”

 

Het was niet uw voornaamste bedoeling om een aanklacht te schrijven tegen mobbing in de samenleving?

“Ik wou in de eerste plaats het verhaal van Jo en zijn vrouw schrijven. Maar in mijn achterhoofd zat wel de gedachte dat hun verhaal relevant is voor wat er in de samenleving gebeurt. Ik vertrek als schrijver altijd vanuit een kleine microkosmos en ik zie dan wel waarheen die me leidt. Ik heb geen boodschap. Ik heb het thema pesten gebruikt om mezelf te definiëren: wie ben ik en wat gebeurt er als ik alles verlies waaraan ik gehecht ben? Wat blijft er dan nog over? Of wat blijft er niet over? En wat heeft dat voor invloed op mijn relaties met anderen?”

 

Er zit dus veel Annette Pehnt in deze roman?

“Het materiaal komt misschien wel van bij mij aan de keukentafel, toch ben ik niet Jo’s vrouw uit wiens perspectief het boek geschreven is. Het gezin uit de roman is anders georganiseerd dan het onze. In tegenstelling tot de vertelster, werk ik wel. Ik haat de denkbeelden die zij heeft over veiligheid en financiële zekerheid. Ze denkt: ‘Ik zit hier thuis. Mijn man moet voor het geld zorgen, zoals hij altijd al gedaan heeft.’ Zo zit ik niet ineen. Veel thuiswerkende vrouwen wel. Ze zijn totaal van de kaart als er een kink in de kabel komt. ‘We hebben het recht om voor gezorgd te worden. Wat gebeurt er toch? Waarom is het leven zo onredelijk?’ Het leven is noch redelijk, noch onredelijk. Het gaat gewoon voorbij. De wereld van mijn vrouwelijke hoofdpersonage stort helemaal in. Dat zou mij niet overkomen.”

 

Tijdens het lezen heb ik me vaak afgevraagd: hoe betrouwbaar is Jo in wat hij zijn vrouw vertelt over wat er op het werk gebeurt? Misschien hebben zijn collega’s wel gelijk en is hij een ramp om mee samen te werken?

“Dat is een terechte vraag. Misschien is Jo wel paranoïde. Een lezer kan niet anders dan de versie van zijn vrouw volgen, en zij volgt Jo in alles wat hij haar vertelt. Daardoor krijg je natuurlijk nooit vat op ‘de waarheid’; je raakt nooit tot de kern van de zaak. Dat is een bewuste keuze van mij als schrijfster, omdat ik denk dat er geen kern van de zaak is. Alles is mistig, je ziet op geen enkel moment wat er echt aan de hand is. Misschien was Jo wel ziek in zijn hoofd, of verbeeldde hij zich het gepest alleen maar. Misschien hadden zijn collega’s gelijk. Zijn vrouw weet het niet, en wij ook niet. Ik als auteur niet, en jij als lezer ook niet. (lacht) Dat effect wilde ik bereiken: dat je als lezer net als mijn hoofdpersonages compleet gedesoriënteerd raakt.”

 

De werkomgeving die u koos voor Als jij goud zegt, is het goud is bijna ‘ouderwets’ te noemen: een ‘veilige’ bureaucratische overheidsdienst waar in normale omstandigheden niemand aan de deur gezet wordt. Maakt mobbing daar meer kans?

“In een bedrijf in een vrije, concurrentiële marktomgeving zou dit verhaal zeker niet zo’n proporties aangenomen hebben: Jo zou er al veel eerder aan de deur gezet zijn. In ‘veilige’ overheidsdiensten zit iedereen aan zijn job vastgeklonken voor een carrière van veertig jaar. Intriges blijven er jarenlang borrelen en broeien. Op mijn lezingen vertellen mensen me zeer gelijklopende verhalen. Heel bizar. Vaak voel ik me dan een psycholoog of een priester die de biecht afneemt. In het boek beschrijf ik een scène op een speelplein waar kinderen een ander kind niet willen laten meespelen. Dat is zo archetypisch: hoe een groep zijn identiteit bepaalt door iemand tot zwart schaap te bombarderen en uit te sluiten. Dat verschijnsel is niet nieuw, alleen hebben we er nu het modieuze woord ‘mobbing’ voor verzonnen. De ervaring is zo oud als de mensheid. Er is nooit een goede reden voor mobbing. Jo wil geen outsider zijn. Hij wil zijn werk gewoon goed doen, misschien wel te goed. Er is geen duidelijke, aanwijsbare reden waarom het pesten begint. We gaan altijd op zoek naar verklaringen, we zijn het gewoon om op zoek te gaan naar oorzaak en gevolg. Wat mobbing zo interessant maakt, is dat er geen oorzaak is. Er zijn geen psychologische verklaringen voor. Mobben kan beginnen omdat de pestkop niet op je gezicht kan, of omdat hij je neus belachelijk vindt. In het begin denk je dan: ‘Ik zal wel iets verkeerd gedaan hebben, dus zal ik proberen om mijn gedrag aan te passen. Dan zal het wel weer beter gaan.’ Maar dat is een illusie. Je mag om het even wat ondernemen, het zal altijd verkeerd zijn. De pestkoppen willen gewoon niet dat je er bent – om wat voor reden ook. In mobbingsituaties vallen alle morele grenzen weg en wordt werkelijk alles mogelijk.”

 

De nieuwe chef waarmee Jo problemen krijgt, is een vrouw. Ze is een ongelooflijke bitch.

“Je mag haar van mij gerust een klootzak noemen. (lacht) Tegenwoordig zijn het niet alleen mannelijke bazen die zich als psychopathische ellendelingen gedragen. Ook vrouwen doen hun duit in het zakje. Ik heb voor een vrouw gekozen omdat mijn man af te rekenen had met een vrouwelijke chef. Ik denk dat het voor een man vernederender is om gepest te worden door een vrouwelijke baas dan door een mannelijke. Ik vond het belangrijk dat ze in het boek nooit in levende lijve naar voor komt. Op het moment dat de vertelster naar de chef toe stapt om haar ‘de waarheid’ in het gezicht te slingeren, is ze er ‘toevallig’ niet.”

 

Waarom is de chef nooit te bereiken? Omdat ze te laf is?

“Omdat ze zo machtig is dat ze het zich kan permitteren om zich niet te laten zien. Want de echt machtigen, de top van de hiërarchie, krijg je nooit te zien. De collega’s van Jo – A. en T. – zijn de echte lafaards. Zij staan voor de laffe rotzakken die je op elk werk vindt. De dames en heren die overal hun eigen voordeeltje uit trachten te halen. Ik heb ze bewust geen naam gegeven. Die hadden ze niet nodig. Iedereen kent wel een paar eikels zoals zij.”

 

A. en T. zijn de opportunisten.

“Degenen die hun vlag naar de wind zetten, ja. Ze zijn laag-bij-de-gronds en gemeen: ze verspreiden geruchten en hebben de sterkste wapens in handen om iemand kapot te maken. De bazin haar voornaamste wapen is haar macht en haar positie aan de top, maar deze rotzakken kennen subtielere manieren om Jo om zeep te helpen. Ze praten achter zijn rug en ondernemen kleine kwaadaardige acties. Ze pikken werk van hem in, zwijgen als vermoord als hij het kantoor binnenkomt, terwijl hij weet en voelt dat ze het over hem hadden… A. en T. zijn zo bedreven in kleine, wreedaardige dingetjes die een mens helemaal kunnen kraken. Die hebben meer effect dan de idiote regels van een bazin. Daar kun je nog kwaad over worden, maar die kleine dingen zijn zo subtiel dat je jezelf er niet tegen kunt verdedigen.”

 

Vindt Jo zijn werk niet te belangrijk? Waarom wil hij zijn job per se houden? Kan hij zijn energie niet beter investeren in een nieuwe baan?

“Stel je voor dat jij geen journalist meer kon zijn. Wat zou er dan nog overblijven van je persoonlijkheid? Werk is intens verbonden met wie we zijn. Karl Marx wist het al: werk is een expressie van onszelf. Het is naïef om ons werk los te zien van onszelf, en om te geloven dat we alleen maar onszelf kunnen zijn in onze vrije tijd. Als ze mij zouden verbieden om nog te schrijven, zou ik niet meer weten wie ik ben. Ik zou een moeder zijn en een vrouw, maar veel van mezelf zou weggenomen zijn.”

 

De vertelster in het boek heeft haar werk opgegeven voor haar gezin.

“In Freiburg is dat nog steeds de gewoonte. Als de kinderen klein zijn, kiest een van de partners ervoor om te stoppen met werken, meestal de vrouw. Ach, misschien heb je wel gelijk en is het niet verstandig om je in je leven te sterk met een aspect te vereenzelvigen. Jo definieert zichzelf helemaal door zijn werk, en zij definieert zichzelf helemaal door haar gezin. Dat is natuurlijk niet gezond. Als Jo nog andere interesses had gehad of zij een job, was de hele boel waarschijnlijk niet in elkaar gestuikt.”

 

Er is geen interactie tussen Jo en zijn vrouw. De schaarse momenten waarop die interactie er wel is, krijgen ze ruzie.

“Ze voeren een oorlog. Hetzelfde soort oorlog voert Jo ook buiten zijn gezin. Hij zet zijn hoogstpersoonlijke oorlog tegen de chef en zijn collega’s verder in zijn gezin. Dat is ook normaal: moeilijkheden met je werk neem je altijd mee naar huis. Alle aspecten van eenieders leven versmelten tot een geheel: je kunt daarin geen schotten optrekken en je gezin beschouwen als een veilige thuishaven waarin alles perfect verloopt. Jo verwacht dat zijn vrouw hem zal opvangen en beschermen, en dat de slechte wereld buiten de veilige familiecocon blijft. Haar rol is erg moeilijk in heel dit proces. Op de een of andere manier is zij ook een slachtoffer. Hij is een vechter, en misschien een slachtoffer, maar zij ook.”

 

Ze gaan niet in therapie. Het woord ‘therapie’ valt nochtans veel.

“Ze gaan niet in therapie omdat ze allebei strijders zijn – zeker Jo. Als je jezelf als een strijder ziet, ga je niet in therapie. Natuurlijk had hij het beter wel gedaan, maar hij wil niet inbinden. Hij is een soort van vrijheidsstrijder, hij vecht voor rechtvaardigheid. Hij wil niet in therapie, hij wil winnen! Hij wil dat ‘de waarheid’ zegeviert. Wat hem niet lukt. Als je in therapie gaat, geef je toe dat je zwak bent en dat je hulp nodig hebt. Zo zit hij niet ineen.”

 

Vriendin Katrin zegt op het einde van het boek tegen de vertelster: “Je bent alleen gefixeerd op je eigen problemen en je ziet die van mij niet.” Hebt u dezelfde ervaring met uw vrienden gehad?

“Katrin is niet te vertrouwen en zit vol zelfbeklag. Dat is typisch voor de manier waarop mensen reageren rond een koppel in crisis. Ze willen wel voor een tijdje helpen, maar het mag niet te lang duren, want dan gaat het op hun zenuwen werken. Dan krijg je opmerkingen als: ‘Herpak je’, of: ‘Neem een nieuwe start.’ Die helpen je geen centimeter vooruit. Integendeel, ze vervreemden je van de mensen rond je.”

“Bij ons duurde het pesten vijf jaar. Dat is lang. Na een jaar worden kennissen en oppervlakkige vrienden dat verhaal moe. Ze willen graag eens over iets anders praten, maar weten niet meteen wat. Ze begonnen ons te mijden om het toch maar weer niet over hetzelfde te moeten hebben. Al was het bij ons niet zo erg als in het boek.”

“Mobbing heeft een serieuze invloed op de relaties van mensen. Dat maakt het voor mij als schrijfster tot fantastisch materiaal. De interactie tussen mensen vind ik een goudmijn, maar dan zonder de psychologische flauwekul die iedereen er te pas en te onpas omheen weeft. Als mensen over zichzelf praten doen ze dat altijd met een beladen psychologische woordenschat. In een ‘Sigmund-Freud-voor-dummies’-stijl hebben ze het over hun relaties met anderen, hun kindertijd, hun relatie met hun moeder…. In elke talkshow op tv zie je die damesbladenpsychologie opduiken. Ik ben geïnteresseerd in relaties, maar dan zonder die woordenschat, en zonder teveel uitleg en verklaringen. Ik hou afstand van de karakters in mijn boeken. Ik wil het bijzondere, het vreemde in elke mens bewaren. Psychologie doet juist het tegengestelde, en dringt binnen in de geesten van mensen. Ik geloof niet dat ik anderen als een open boek kan lezen. Er zijn teveel bladzijden die ik nooit zal ontdekken; ik doe er zelfs geen moeite voor.”

 

Ook niet om de verborgen bladzijden van uw eigen man te lezen?

“Die zeker niet. Hoe beter je je man denkt te kennen, hoe verrassender al die vreemde aspecten zijn die je nooit in hem had vermoed. Dat wordt heel duidelijk in een crisissituatie. Wat je dan bij je partner ziet, is soms beangstigend. Ik vind het fascinerend om door anderen verrast te worden. Dat is misschien wel de belangrijkste reden waarom ik schrijf. Maar ik wil niet alles van de menselijke geest tot op het bot uitspitten. Laat het mysterie alsjeblief nog een beetje bestaan.”

 

 

 

 

Wie is Annette Pehnt?

 

– Annette Pehnt (°1967) studeerde anglistiek en keltologie.

– Pehnts ster fonkelt steeds harder aan het Duitse literaire firmament. Haar uitgebeende stijl is haar handelsmerk. “Schrappen is belangrijk. Ik werk erg hard aan het inkorten, het condenseren van mijn teksten. Ik probeer geen woorden te verspillen. Er wordt in de dagelijkse communicatie tussen mensen al genoeg geleuterd en lawaai gemaakt.”

– Kafka is haar grote voorbeeld. “Ik zal nooit zo goed als hem kunnen schrijven. Maar ik heb wel dezelfde attitude tegenover taal: focus op je beeld en schrap al het overbodige.”

– Ze debuteerde met een biografie van John Steinbeck. “Dat was alleen maar voor het geld. Hij schreef 35 romans. Ik heb ze allemaal moeten lezen. De meeste zijn verschrikkelijk. Hij maakte voortdurend ruzie met zijn vrouwen, hij trouwde de ene na de andere. Ik haatte hem.”

 

©jan@janstevens.be