“Soms moet je je handen durven vuilmaken”

In zijn boek Dubbel leven legt Montasser AlDe’emeh zijn motieven om burgerspion te worden op tafel. Rik Torfs schreef het voorwoord. “Waarom kan een informant van de Staatsveiligheid niet het beste met zijn medemens voorhebben?”

 

Een paar dagen nadat Montasser AlDe’emeh in juli 2016 in een interview met De Morgen bekendmaakte dat hij als informant voor de Staatsveiligheid gewerkt had, stuurde de jihadexpert een mail naar Rik Torfs. AlDe’emeh vroeg aan de kerkjurist of hij hem aan een woning kon helpen. Een dag later antwoordde de toenmalige rector van de KULeuven dat hij een huis gevonden had, ergens op het platteland. “Met mijn rectorschap had dat niets te maken”, zegt Rik Torfs. “Het was gewoon een kwestie van twee mensen die elkaar helpen. Af en toe zaten we samen in een debat. Zo leerden we elkaar kennen en appreciëren. Montasser zocht een discrete plek waar hij goed aan zijn doctoraat kon werken en ik kon hem daar toevallig bij helpen. Dat gebeurde in alle stilte, zoals het hoort.”

Montasser AlDe’emeh: “Professor Torfs wist niet dat ik voor de Staatsveiligheid werkte. Niemand wist dat, zelfs mijn beste vrienden én mijn familie waren niet op de hoogte. In de zomer van 2016 vertrok ik op reis naar Cuba. Daar las ik op een ochtend op mijn smartphone dat het Belgische gerecht mij voor schriftvervalsing wou vervolgen. Mijn contactpersonen bij de Staatsveiligheid hadden me nochtans toevertrouwd dat die zaak wel geseponeerd zou worden. Ik had er genoeg van en nam een vlucht naar Canada waar ik asiel wou aanvragen. Vlak na de landing in Toronto las ik het nieuws over de aanslag op de Promenade des Anglais in Nice. Ik had twee jaar van mijn leven opgeofferd en veel risico’s genomen om dit soort van afschuwelijke aanslagen te vermijden en werd nu door de Belgische justitie vervolgd. Ik moest dat nieuws dan nog eens in de krant lezen. Op dat moment besloot ik om via De Morgen wereldkundig te maken dat ik een informant geweest was. Ik hoopte zo ook dat de Belgische politici eindelijk het belang van degelijk inlichtingenwerk zouden inzien. Daarna vloog ik terug naar huis, waar ik tot mijn stomme verbazing merkte dat de sleutel niet meer op het slot van mijn flat paste. Ik belde mijn broer en hij zei me dat mijn familie na mijn interview besloten had om mijn flat leeg te halen en een nieuw slot te plaatsen. Want ze waren bang dat IS-aanhangers wraak op mij zouden nemen. Ik stond op straat en dacht: ‘Wie kan me helpen?’ Mijn eigen familie was geen optie. Dus stuurde ik een mail naar professor Torfs.”

 

Hoe vlot uw doctoraat?

AlDe’emeh: “Het einde komt na vier jaar in zicht. Een tijd geleden kwam ik tot het besef dat ik voor dat doctoraat een andere weg moest inslaan. In het begin probeerde ik te achterhalen waarom jongeren naar Syrië vertrokken. Nu focus ik me op de radicaal islamitische ideologie van organisaties zoals IS, Al Qaeda, Boko Haram, al-Shabaab. Het materiaal dat ik in Syrië en België verzamelde terwijl ik informant voor de Staatsveiligheid was, heb ik om deontologische redenen opzij geschoven.”

Torfs: “Je ervaringen neem je natuurlijk wel mee.”

AlDe’emeh: “Die maken mijn onderzoek ook sterker. Mijn uitstappen naar Jordanië, Syrië, Tunesië en Irak blijven in mijn hoofd nazinderen. Mijn visie is daardoor veel breder geworden.”

 

Mijnheer Torfs, was het een schok toen u las dat Montasser AlDe’emeh voor de Staatsveiligheid gewerkt had?

Torfs: “Ik ben niet snel geshockeerd en eigenlijk vond ik dat geen slecht idee. Het is slim dat er samenwerking is tussen mensen die voor veiligheid zorgen en mensen die zoals Montasser het veld kennen. Er zijn in ons land veel deskundigen die vanop de zijlijn weten hoe het allemaal moet. De praktijk is vaak ingewikkelder: dan komt het aan op praten met de juiste mensen. Uit Montassers boek blijkt heel duidelijk hoeveel tijd hij in al die intense gesprekken investeerde. Hij voelde ook goed aan wanneer jonge mensen begonnen te radicaliseren. Het was toch ideaal dat Staatsveiligheid met hem kon samenwerken?”

 

Montasser AlDe’emeh combineerde zijn informantenwerk bij de Staatsveiligheid ook met journalistiek en met deradicaliseringswerk in zijn centrum ‘De weg naar’. Iemand die professioneel als deradicaliseerder aan de slag is, zei me onlangs dat AlDe’emehs bekentenis zijn sector een slechte dienst bewezen heeft. Geradicaliseerde jongeren vertrouwen hulpverleners niet meer, want ze verdenken hen ervan ook voor de Staatsveiligheid te werken.

AlDe’emeh: “Tijdens mijn eerste contacten met de Staatsveiligheid zei ik dat ik me na mijn reis naar Syrië veel zorgen maakte. Ik had er jihadisten gesproken die zich zeer vijandig opstelden tegenover de westerse samenleving. Ik had die vijandigheid gehoord en gezien en ik wist dat er aanslagen in het westen zouden plaatsvinden. Dat was in 2014, toen veel Vlamingen niet van die dreiging wakker lagen. Syriëstrijders werden vergeleken met de oostfronters en in een traditie van Vlaamse vertrekkers geplaatst. Ik zei toen tegen de Staatsveiligheid: ‘We moeten die frustraties zo snel mogelijk kanaliseren. Ik wil dat op mijn manier doen.’ Dus richtte ik het centrum ‘De weg naar’ op waar geradicaliseerde jongvolwassenen met mij konden komen praten. Ze zagen mij niet als ambtenaar, psycholoog of maatschappelijk werker, maar als rolmodel. Met mijn contactpersonen bij de Staatsveiligheid had ik afgesproken dat ik hen alle relevante informatie zou bezorgen die die gesprekken opleverden. Ik vind het zo merkwaardig dat na al het verdriet en de pijn van alle aanslagen sommigen nog steeds niet begrijpen wat mij dreef om informant te worden. Voor het geld moest ik het niet doen, want er viel zo goed als niets mee te verdienen. Integendeel, ik heb er veel centen ingestoken. De meeste mensen die ik als informant sprak, zaten in Syrië. De geradicaliseerden hier verwees ik altijd door naar anderen. Ik snap dus niet waarom mijn werk de hele deradicaliseringssector zou ondermijnd hebben. Ik heb mezelf nooit als deradicaliseerder beschouwd en heb mezelf ook nooit geprofileerd als journalist. Ik sprak met die mensen als onderzoeker en merkte dat die gesprekken best relevant waren voor onze samenleving. Daarom publiceerde ik in het magazine Knack.”

Torfs: “Na de moorden op Sharon Tate en haar vrienden door de sekte van Charles Manson werd in de jaren zeventig in de Verenigde Staten gestart met deprogramming. Dat liep niet van een leien dakje. Soms werd de deprogrammers verweten dat ze ook sectair waren. Deradicalisering is moeilijke en delicate materie. Het lijkt me daarom iets te gemakkelijk om een bekend iemand die voor de Staatsveiligheid werkte, verantwoordelijk te stellen voor het gebrek aan vertrouwen bij geradicaliseerde jongeren. Waarom kan een informant van de Staatsveiligheid niet het beste met zijn medemens voorhebben?”

 

In Dubbel leven schrijft Montasser AlDe’emeh verschillende keren dat hij in zijn periode bij de Staatsveiligheid ook als journalist werkte, met een perskaart. Nu hoor ik hem zeggen dat hij zich nooit als journalist geprofileerd heeft. Voor alle duidelijkheid: ik vind dat een journalist nooit voor de Staatsveiligheid mag werken.

AlDe’emeh: “Ik werkte soms als freelancejournalist, dat is juist. Maar u zou ervan staan kijken hoeveel andere journalisten informatie aan de Staatsveiligheid leveren. Na mijn onthulling maakte ik met Knack de afspraak dat ik een jaar lang geen artikels zou schrijven. Die ontluizingsperiode is intussen voorbij. Niemand kan bewijzen dat ik stukken in Knack gepubliceerd heb die pasten in mijn werk voor de Staatsveiligheid. Ik heb informatie over staatsgevaarlijke individuen met de veiligheidsdiensten gedeeld die ze zelf niet konden krijgen. Ik kan me niet voorstellen dat dat tegen de journalistieke deontologie indruist.”

 

Kan Rik Torfs zich voorstellen dat hij ervoor kiest om informant voor de Staatsveiligheid te worden?

Torfs: “Dat is een zeer hypothetische vraag. Ik heb nooit voor die keuze gestaan. Montasser werd geconfronteerd met een acute crisis die door al die aanslagen steeds scherper werd. Een mens kan dan twee houdingen aannemen: ofwel word je vanuit je principes geen informant, ofwel doe je dat wel omdat je vindt dat het je plicht is. Ik begrijp dat Montasser uit affiniteit met onze samenleving de keuze voor samenwerking met de Staatsveiligheid maakte. Ik kom uit een andere tijd. Ik heb legerdienst gedaan in plaats van burgerdienst. Ik was geen gewetensbezwaarde, misschien bij gebrek aan geweten. Ik werd ook geen officier, bij gebrek aan talent en interesse. Ik was gewoon milicien, rustig, zonder principieel bezwaar.

Montasser koos geen makkelijke weg, want hoe ver kon en moest hij gaan met het vertrouwen dat anderen hem schonken? Het is altijd makkelijk om te stellen: ‘Ik doe dit om principiële redenen niet.’ Het leven is complex en de kunst bestaat erin om verstandig met paradoxale kwesties om te gaan als je, zoals Montasser, een duidelijk doel voor ogen hebt. Hij was nog jong en in zijn boek geeft hij eerlijk toe dat hij af en toe een inschattingsfout maakte. Dat vind ik geen reden om vervolgens te besluiten dat hij beter helemaal niets ondernomen had. Ik geloof nogal in les maines sales: soms moet je je handen durven vuilmaken. Zeker als de crisis acuut is, wat zo was met die aanslagen. Je hoort dan sommigen stellen dat er veel meer slachtoffers vallen bij verkeersongevallen dan bij terreuraanslagen. Maar er is een groot verschil tussen een moordaanslag en een verkeersongeval: het is niet correct om die cijfers zomaar naast elkaar te zetten. Nu lijkt het bijna alsof we die aanslagen achter ons gelaten hebben. Ik hoorde eerder deze week dat de toeristen terug naar Vlaanderen komen. Er wordt ook gesuggereerd dat IS verslagen zou zijn. Ik zou toch maar oppassen met die jubelberichten.”

AlDe’emeh: “Ik werkte eerst als informant, maar werd na verloop van tijd ook infiltrant. Ik heb daar geen spijt van, zelfs niet na mijn veroordeling voor zogenaamde schriftvervalsing. Op een bepaald moment vroeg iemand me via de telefoon of ik een verklaring kon schrijven dat zijn broer in mijn centrum gederadicaliseerd was, zonder dat die jongen daar ooit een voet gezet had. Ik dacht meteen aan de informatie over IS-kopstuk Hicham Chaïb die die verklaring me kon opleveren. Chaïb was en is wereldwijd een van de meest gezochte terroristen en het nichtje van die man behoorde tot Chaïbs entourage in Syrië. Toen ik het verzoek kreeg om die verklaring te schrijven, hadden de aanslagen van 22 maart nog niet plaatsgevonden. Chaïb maakte later een video om ze op te eisen. Waarmee ik maar wil zeggen: het zou stom geweest zijn om die kans te laten schieten. Daarom schreef ik die beruchte deradicaliseringsverklaring.”

 

De processen in eerste aanleg en beroep waarop u telkens veroordeeld werd voor valsheid in geschrifte waren harde noten om te kraken?

AlDe’emeh: “Natuurlijk. Als infiltrant genoot ik geen bescherming. Minister van Justitie Koen Geens brengt daar met zijn wetsontwerp over de burgerinfiltrant eindelijk verandering in. Het besef dat het nuttig kan zijn dat een burger infiltreert, kwam bij onze politici pas na de aanslagen van 22 maart. De Staatsveiligheid was al veel langer vragende partij, maar zij moest roeien met de riemen die ze had. Kijk, ik heb een zuiver geweten. Dat is voor mij belangrijker dan mijn strafblad. Natuurlijk heb ik een kladversie van dat deradicaliseringsattest geschreven, maar ik heb het nooit ondertekend, want ik had niet de intentie het te gebruiken. Dat paste enkel in mijn werk voor de Staatsveiligheid. De advocaat die samen met mij veroordeeld werd, heeft er mijn handtekening onder gezet en hij gaf dat ook toe. Ik werd dus vervolgd én veroordeeld voor een attest dat iemand anders met mijn naam tekende. Op het proces overhandigde ik mijn geheimhoudingscontract van de Staatsveiligheid aan de rechter. De echtheid daarvan werd niet betwist. Ik betaalde drie advocaten, niet de eerste de beste, want ik wou winnen. Na mijn veroordeling in eerste aanleg ging ik in beroep omdat ik aan jonge mensen het signaal wou geven dat ik blijf geloven in de rechtstaat. Ook daar werd ik veroordeeld voor het schrijven van een door anderen gedicteerd kladje van een deradicaliseringsattest. Misschien was mijn veroordeling een signaal van de rechter: de rechtstaat staat boven de veiligheidsdiensten.”

 

Vindt Rik Torfs dat Montasser AlDe’emeh veroordeeld is door ‘wereldvreemde rechters’?

Torfs: “Ik ken het dossier onvoldoende om daar uitspraken over te doen. Uit Montassers boek blijkt heel duidelijk dat zijn intenties en bedoelingen nobel waren. Zijn veroordeling mag er dus niet toe leiden dat we hem voortaan onbetrouwbaar vinden. Want Montasser zet zich enorm in voor onze samenleving. Ik wil het proces van de rechters niet maken. Maar het is wel zo dat radicalisme en jihadisme relatief nieuwe fenomenen zijn voor magistraten. Het zou daarom misschien niet slecht zijn dat er in het algemeen een cursus komt waarin de drijfveren en de culturele achtergronden van religieus radicalisme in onze samenleving aan bod komen. Door de razendsnelle secularisering is de religieuze kennis in ons land er sterk op achteruit gegaan, en dat net op het moment dat we die kennis nodig hebben om de dialoog aan te gaan met moslims en nieuwkomers uit Afrika of Oost-Europa met nog andere religies.”

AlDe’emeh: “Weet u dat ik bereid was om mijn leven voor België te geven? In het licht daarvan is mijn veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf met uitstel en een boete van zeshonderd euro draaglijk. Dat is geen valse romantiek, maar pure dankbaarheid. Wat ik als informant voor België gedaan hebt, verzinkt in het niets in vergelijking met wat België voor mij gedaan heeft. Ik ben in een Palestijns vluchtelingenkamp in Jordanië geboren en heb hier samen met mijn familie een veilige thuis gevonden. Ik kon hier naar de universiteit. Mijn vader is vorige maand gestorven, maar de dokters deden er alles aan om zijn leven te redden. Ze deden er ook alles aan om mijn leven te redden toen ik acht was en hersenvliesontsteking kreeg. België heeft mij àlles gegeven. Weet u wat ik zo verdomd moeilijk vond? Dat ik in de media genuanceerd over jihadisten sprak, terwijl ik met mijn hart compleet andere taal wou spreken. Ik las en hoorde dat Vlamingen me bestempelden als jihadistenknuffelaar. Ze wisten niet dat ik hen achter de schermen beschermde.”

 

Zou Rik Torfs zijn leven geven voor België?

Torfs: “Niet voor een land, maar misschien wel voor sommige ideeën. Al weet je nooit op voorhand hoe dapper je zal zijn op cruciale momenten. Pater Maximiliaan Kolbe bood zich in gevangenschap in Auschwitz aan als plaatsvervanger van iemand anders, net als de Franse politieman Arnaud Beltrame bij de gijzeling in Trèbes. Zal ik dat ook doen in een gelijkaardige situatie? Ik weet het niet. Het martelaarschap is niet iets wat je nastreeft, maar wat je tegen heug en meug overkomt. Wie het nastreeft is geen martelaar, maar een carrièrist.”

AlDe’emeh: “Ik zocht het martelaarschap niet. Ik nam voorzorgsmaatregelen om mezelf te beschermen. Een van de grote problemen met veel jonge moslims is hun gebrek aan kritische zin. Ronselaars spelen daar op in. In 2015 chatte ik regelmatig met Abdelmalek Boutalliss, een Kortrijkse jongen die naar Syrië vertrok nadat hij geronseld was door Olivier Calebout. Ik stond ook in contact met Abdelmaleks ouders, die via mij meer informatie over hun zoon probeerden te krijgen. Hij had zich op de kandidatenlijst voor zelfmoordaanslagen gezet. Ik bewoog hemel en aarde om hem op andere gedachten te brengen, maar op 10 november 2015 blies hij zich in een bomauto op in Irak. Zijn moeder vertelde me dat hij haar toen hij nog thuis was had toevertrouwd dat hij bang was van God. Waarom moet iemand bang zijn van God?”

Torfs: “Daar zit inderdaad een heel vreemd godsbeeld achter. Veel jonge moslims vrezen de hel en zijn bang voor bestraffing en marteling na hun dood in hun graf.”

AlDe’emeh: “De moslimwereld bulkt van de taboes. Ik ken veel jonge mensen die niet in het openbaar durven spreken over hun relatie waardoor hypocrisie de norm geworden is. In het geheim hebben ze een lief, maar hun vader maken ze wijs dat ze nog steeds braaf vrijgezel zijn. Al die taboes zorgen voor extra druk. Jongeren mogen niet open en eerlijk zijn. Daar komt dan nog eens de sociale en economische achterstelling bij, de geopolitieke toestand die via satellietzenders en sociale media elke dag de huiskamer inkomt én starre imams die de taal van de jongeren niet spreken. Het resultaat zijn tikkende tijdbommen. De voedingsbodem voor de radicale ideologie blijft omdat de vervreemding van veel moslimjongeren onverminderd doorgaat.”

 

Net als de vervreemding bij bange, blanke mannen en vrouwen van middelbare leeftijd die de diverse samenleving als bedreigend ervaren, professor Torfs?

Torfs: “Ik ben de eerste om te zeggen dat je mensen niet moet sussen met ‘alles komt wel goed’, om vervolgens helemaal niets te ondernemen. Een tijdlang was dat in België de officiële leer, vooral als reactie op het groeiende succes van het Vlaams Blok dat later vervelde tot Vlaams Belang. Het antwoord op de extreme en soms ontoelaatbare ‘oplossingen’ van het Belang kon toch nooit zijn: ‘We doen niets.’ Terwijl dat in werkelijkheid wel degelijk was wat er gebeurde.

We moeten oppassen dat we niet in een verkrampt secularisme terecht komen. Door religie te negeren, lossen we het radicalisme nooit op. We moeten ook oppassen met uitspraken als: ‘Alles moet op de schop.’ Natuurlijk moet achteruitstelling aangepakt worden, maar dat doe je in de eerste plaats door voor uitstekend onderwijs te zorgen en door mensen op een fatsoenlijke manier te begeleiden. Niet door al onze maatschappijstructuren radicaal om te gooien.”

 

Volgens sommigen moeten we allemaal, zowel autochtonen als allochtonen, nieuwe burgers in de superdiverse samenleving worden.

Torfs: “Ik vind: blijf vooral jezelf. Vandaaruit kan je dan op zoek gaan naar hoe je het beste in de samenleving functioneert. Ik ben er niet voor om tegen iemand te zeggen: ‘Je moét veranderen.’ Geef mensen kansen waardoor ze eventueel aan zichzelf beginnen werken en zo zelf voor hun verandering zorgen. Dan heb ik het zowel over autochtonen als allochtonen. Pas er toch mee op om van inwoners van een dorp zoals Baardegem waar Montasser opgroeide, te verlangen dat ze zich plots allemaal anders, als ‘nieuwe burgers’, gedragen. Vervreemding bestrijd je nooit door nóg meer vervreemding te creëren. We kunnen ons veel beter afvragen: hoe zorgen we ervoor dat àlle mensen zich in dit land thuis voelen? Dat lukt nooit als we mensen niet als personen, maar enkel als groep benaderen. Want dat is precies wat we doen: we vervallen snel in groepsdenken. Montasser is daar een grote uitzondering op: hij is heel goed in gesprekken van mens tot mens. Dat komt omdat hij altijd rekening houdt met de unieke gebruiksaanwijzing van elk individu.”

 

Montasser AlDe’emeh, Dubbel leven, Achter de schermen va de Staatsveiligheid en IS, Lannoo, 256 blz., 22,99 euro

(c) Jan Stevens

“Rationele islam? Onzin”

De zomerzon schijnt uitbundig op het terras in Brussel, maar veel vrolijker wordt jihadexpert Montasser AlDe’emeh daar niet van. “Ik maak me zorgen over al die jongeren die sympathie koesteren voor IS. Ik maak me ook zorgen over de Syriëstrijders die teruggekeerd zijn.”

 

In het pas verschenen Mijn verlossing van het kwaad laat Montasser AlDe’emeh de 22-jarige Antwerpse moslima Intisar Umm Mansur aan het woord. Vier dagen na de aanslagen in Parijs stuurde de geradicaliseerde Intisar hem een bericht via Facebook. “Ik wil mezelf verlossen van de ideologie die zo diep in mij is geworteld”, schreef ze. “Het ene moment keur ik de aanslagen goed, het andere weer niet.”

‘Intisar Umm Mansur’ is een schuilnaam. “Tot vandaag weet zelfs haar man niet dat ze dit boek samen met mij schreef”, zegt Montasser AlDe’emeh. Het is zomer in Brussel en we zitten op een terras vlakbij de Beurs. Ik drink koffie en AlDe’emeh drinkt niets. De middagzon brandt op zijn hoofd. “Tijdens de Ramadan stel ik mezelf af en toe op de proef”, zegt hij. “Mijn vasten is een weloverwogen keuze, maar sommige jongeren vasten uit angst. Ze zijn bang om een fout te maken waar God hen voor zal bestraffen. Bij nogal wat jonge moslims overheerst vandaag de angst. Zonder kennis houden ze zich krampachtig aan de opgelegde regels. Ze mogen dit niet, ze mogen dat niet. Vervolgens komen ze terecht in een open, seculiere samenleving en belanden tussen twee werelden.”

 

U hebt het nu toch over jonge mensen die in onze seculiere samenleving geboren zijn?

Montasser AlDe’emeh: “Ja, maar in dit land worden ook hamsters, ezels of koeien geboren. Wat voor betekenis heeft het om hier geboren te zijn? De échte vraag is: hoe leven die jonge mensen hier? Moslimmeisjes zoals Intisar verlangen naar houvast, liefde en geluk. Alleen botsen ze voortdurend op anderen die hen voorhouden dat ze aan bepaalde verwachtingen moeten voldoen als ze erbij willen horen. Ze moeten zich ‘volwaardig integreren’, maar wat is dat? Op school mogen ze geen hoofddoek dragen; thuis moet dat dan weer wel. Hun ouders verwachten van hen dat ze niet op een jongen verliefd worden, maar dat ze snel trouwen met een uitverkoren man waar ze een stabiel gezinsleven mee uitbouwen. Sommige imams verkondigen dan weer dat ze niet mogen leven tussen de zogenaamde ongelovigen en dat ze moeten proberen om zo snel mogelijk naar een islamitisch land te migreren. Iedereen verwacht iets van die meisjes. Ze zijn niet allemaal sterk genoeg om al die verwachtingen met elkaar te verzoenen. Intisar kon dat niet. Daar kwam bij dat ze dagelijks via Al Jazeera geconfronteerd werd met de oorlog in Gaza. Veel jonge moslims voelen zich trouwens meer verwant met lijdende geloofsgenoten in Syrië en Palestina dan met niet-moslims in België. Ze willen íets doen, dat lukt niet, en weten met hun frustraties geen blijf. Intisar voelde zich slachtoffer van het hoofddoekenverbod en sloot zich aan bij Sharia4Belgium. Later raakte ze in de ban van IS en maakte ze plannen om naar Syrië te vertrekken. Gelukkig heeft ze die stap nooit gezet.”

 

Vertrekken er nu nog veel jonge mensen naar Syrië?

“Veel minder. Het Belgisch beleid is strenger: vertrekkers worden echt tegengehouden. Over geradicaliseerde meisjes horen we zeer weinig. Daarom ook heb ik dit boek samen met Intisar gemaakt. Minstens 59 meisjes reisden naar Syrië. Een paar weken geleden nog zou een Brussels meisje van 17 vertrokken zijn. De meest overtuigde jongens en meisjes zijn ondertussen allemaal weg. Al twijfelen er nog veel. Ik maak me zorgen over al die jongeren die sympathie koesteren voor IS. Ze sluiten zich af van de samenleving. Ik maak me ook zorgen over degenen die teruggekeerd zijn.”

 

Moeten we ze proberen te re-radicaliseren?

“Re-radicaliseren is alleszins een beter plan dan deradicaliseren. Want als je iets van iemand wegneemt, moet je de ontstane leegte invullen met iets nieuws. Van radicale haat kun je zo evolueren naar radicale verzoening. Intisar deed haar best om afstand te nemen van haar IS-sympathieën. Door dit boek samen met mij te schrijven, vulde ze de leegte in. Zo wil ze andere jongeren tegenhouden om de stap naar IS te zetten.”

 

De aanslag op de nachtclub in Orlando en de moord op het politie-echtpaar in Frankrijk werden meteen door IS opgeëist, terwijl ze gepleegd lijken te zijn door lone wolves.

“Dergelijke aanslagen zullen in de toekomst nog plaatsvinden, want er lopen in het Westen veel IS-sympathisanten rond. We mogen er niet altijd van uitgaan dat IS alle aanslagen hier ook effectief beraamt en plant. We onderschatten de ideologische impact die de organisatie op sommige jongeren heeft. Tijdens hun radicaliseringsproces lezen ze op het internet IS-pamfletten en oproepen voor het plegen van aanslagen. Vaak is er geen structurele link.”

 

Lopen er zo ook heel wat gevaarlijke IS-sympathisanten in België rond?

“Ja, al kan ik er geen cijfer opplakken. Het is bijzonder moeilijk om tegen hen op te treden. Eigenlijk zitten we gewoon te wachten tot zo’n sympathisant een aanslag pleegt. Hoe groot en intens die aanval zal zijn, weten we niet. In Orlando vielen vijftig slachtoffers, in Frankrijk nu twee politieagenten. We mogen ons echt aan alles verwachten en moeten erg op onze hoede zijn. In Amerika en Europa zitten nu zeker jongens die door IS gestuurd zijn. Maar er zijn er ook heel wat die op eigen houtje geradicaliseerd zijn en sympathie voor de jihadisten koesteren. Zij moeten in de gaten gehouden worden, alleen heeft onze Staatsveiligheid geen middelen. Het wordt hoog tijd dat onze inlichtingendiensten meer geld krijgen, want informatie verzamelen, is van levensbelang.”

 

We horen nu regelmatig berichten dat we IS in Irak en Syrië aan het verslaan zijn. Is dat ook zo?

“Het is zeker zo dat IS op dit moment veel gebied verliest. Er zijn twee strategieën tegen de terreurorganisatie. De ene is erop gericht om haar macht in te perken en ervoor te zorgen dat de strijders hun kalifaat niet uitbreiden. De andere wil IS compleet vernietigen, wat zeer moeilijk is. Ik heb de voorbije jaren amper iets gelezen over de Iraakse generaals die na de val van Saddam de kant kozen van IS. Indertijd kregen sommigen militaire opleidingen in Amerika en Engeland. Ze weten perfect hoe ze chemische wapens moeten maken; ze hebben die trouwens in het verleden ook gebruikt.”

 

Hoe meer IS in het nauw gedreven wordt, hoe groter de kans dat ze hun toevlucht nemen tot dat soort van wapentuig?

“Precies. De aanslagen in Parijs volgden op het verlies van Kobani en Sinjar. Ze waren bedoeld om druk uit te oefenen op de coalitie die de Koerdische Peshmerga steunt. De Koerden zijn trouwens de enigen die in Irak en Syrië rake klappen uitdelen aan IS en de enigen ook die door de westerse geallieerden vertrouwd worden.

“Er is veel frustratie in de Arabische wereld. Veertig miljoen mensen zijn analfabeet en zestig procent van de bevolking is jonger dan dertig. Ze voelen zich vernederd, niet alleen door de westerse inmenging, maar ook door de dictaturen. Het stikt er van de failed states, denk maar aan Jemen, Libië, Syrië of Irak. De Arabische jongeren van halverwege de vorige eeuw voelden zich aangetrokken tot het nationalisme van figuren als de Egyptische president Nasser. Dat is nu vervangen door het islamisme. Veel mensen hopen dat het islamisme binnenkort vervelt tot ‘iets anders’. Dé vraag is: wanneer, hoe en onder welke omstandigheden? In Tunesië maken de gematigde islamisten van Ennahda op dit moment deel uit van de democratisch verkozen regering. Ik kan alleen maar vaststellen: hoe meer erkenning gematigde islamisten krijgen, hoe minder radicaal ze worden.”

 

Wat zijn dat: ‘gematigde islamisten’?

“Zij erkennen de democratie, zorgen voor veiligheid en stabiliteit, ondersteunen VN-resoluties en staan open voor diplomatieke betrekkingen met het Westen. Er zijn vandaag wel degelijk islamisten die geloven in het democratische proces. Die mensen mogen we niet in een hoek duwen. Als we dat wel doen, creëren we gewelddadige salafi-jihadisten.”

 

Is het grote probleem niet dat ook gematigde islamisten de sharia boven ‘de wet van de mens’ stellen?

“Ik zeg niet dat we gematigde islamisten moeten steunen. Ik zeg wel dat we ze niet in een hoek mogen duwen, hen pragmatisch moeten benaderen en moeten openstaan voor dialoog.”

 

Vindt u ook dat het bloeddorstige IS niets met de islam te maken heeft?

“Nee. De islamitische geschiedenis was altijd bloeddorstig. IS past in dat plaatje van oorlogsmisdaden en geweld. Van 750 tot aan zijn dood in 754 was Abu-Abbas al-Saffah de eerste kalief van de Abbasieden. In zijn strijd tegen de Omajjaden vloeide het bloed in beken.

“Als een zelfmoordterrorist zich opblaast in een stad als Tel Aviv, wordt hij hier in Brussel door veel imams gesteund. Ze noemen dat dan ‘een vorm van verzet’. Als een jongen zichzelf in opdracht van IS opblaast in Irak, mag dat van diezelfde imams niet. Dan handelt hij ‘tegen het geloof’. De tactiek van zelfmoordaanslagen is vanuit het standpunt van geleerden bekeken ofwel juist, ofwel fout. Dat is toch problematisch? Vandaag moeten moslims wereldwijd erkennen dat de geschiedenis van de islamitische wereld geschreven is in bloed.”

 

De kritiek is terecht dat de Islam de Verlichting gemist heeft?

“Alleen mensen kunnen verlicht worden; religieuze boeken zoals de Bijbel of de Koran niet. Ik lees nu in kranten pleidooien van imams om een rationele islam na te streven. Onzin. Het verhaal van Adam en Eva kan nooit ingepast worden in het rationele denken. Je gelooft het of niet. Er kunnen wel geleerde mensen zijn die hun geloof op een rationele manier benaderen en de teksten verklaren en interpreteren vanuit de historische context. Die verlichte geesten waren er al in de middeleeuwen, denk maar aan de 12e-eeuwse verdraagzame islamitische geleerde Averroes. Maar sinds de zestiende eeuw staat de verlichting onder moslims onder zware druk. De wahabitische leer speelt daar een kwalijke rol in.

“Ik ben bang dat onze moslimjongeren nu de intellectuele bagage missen om weerstand te bieden aan de lokzang van de jihadisten. In Kobani zijn talloos veel westerse Syriëstrijders gesneuveld. Als je naast de Koran ook Kant, Nietzsche en andere boeken leest, verbreedt je kennis en sta je kritisch in het leven. De Belgische moslimgemeenschap is niet kritisch en de angstcultuur regeert. U moet eens gaan rondwandelen in de buurt van het Brusselse Zuidstation. Stap de islamitische boekwinkeltjes binnen en bekijk het aanbod. U zal er onwaarschijnlijk veel werken vinden over het einde der tijden, de zonde, de hel, ‘de bestraffing in het graf’.”

 

Salafistische literatuur?

“Ja. Ze wekt angst op: angst voor de dood, voor God, voor het hiernamaals. De tekenen voor het nakende einde der tijden zijn volgens die boeken: decadentie, oorlogen, geweld. Moslims die intellectueel niet sterk in hun schoenen staan, denken dan: ‘Dat maken we nu allemaal mee.’ Vervolgens zien ze IS wenken: ‘Kom naar het kalifaat.’”

 

Wordt het dan niet de hoogste tijd dat we het salafisme aanpakken?

“We kunnen het moeilijk verbieden, dat is ondemocratisch en gaat in tegen onze waarden. We kunnen andere islamitische stromingen wel versterken zodat jongeren kunnen kiezen. Vandaag is die keuze er niet en is er vooral die wahabitische leer. Maar je mag alle salafisten niet over dezelfde kam scheren. Er is het aan Saoedi-Arabië gelinkte a-politieke salafisme zoals dat beleden wordt in De Grote Moskee in het Brusselse Jubelpark. Er is het politieke salafisme met partijen zoals het Egyptische Hizb al-Nour en last but nog least zijn er de jihadi-salafisten. In België kennen we de strekking van het politieke salafisme niet, maar er lopen wel heel wat a-politieke salafisten rond. Veel Marokkaanse jongeren volgen trouwens het salafisme zonder het zelf te beseffen. Net als de gematigde islamisten mag je ook hen niet in een hoek duwen. De jihadi-salafisten zijn zeer problematisch voor de veiligheid van onze samenleving. Ze wachten op een aanslag, azen op een vertrek naar het kalifaat of zijn net teruggekeerd.

“Het dramatische is dat sommige beloftevolle jongeren die voor verandering kunnen zorgen, gecontroleerd worden door Saoedi-Arabië. Het Saoedische koningshuis beseft heel goed dat jongeren in het Westen die zelf beginnen nadenken zich ooit zullen keren tegen het a-politieke salafisme. Om dat te vermijden, investeren de Saoedi’s overal ter wereld handenvol geld om beloftevolle moslimjongeren aan zich te binden. Ook ik hunkerde als adolescent naar islamitische kennis. Een imam stuurde me naar Saoedi-Arabië om er te gaan studeren. Ik kreeg een gratis vliegticket, gratis huisvesting en een toelage van 250 dollar per maand. Acht jaar lang, tot aan mijn doctoraat, zouden ze me onderhouden. Als ik in 2009 niet op tijd had ingezien dat ik op het verkeerde spoor zat, was ik nu goed op weg om in België een door Saoedi-Arabië gesteunde invloedrijke salafistische leider te worden.”

 

Vorige maand bent u gestopt met uw centrum ‘De weg naar’ in Molenbeek omdat u geen steun van de overheid kreeg. Zowel het kabinet van Liesbeth Homans (N-VA) als het kabinet van Jan Jambon (N-VA) zeggen dat u nooit een vraag voor financiële steun aan hen gericht heeft, terwijl er wel subsidies zijn.

“Als je politici om steun vraagt, beginnen ze meteen over subsidies. Ik wou geen geld; ik wou samenwerking. Er zijn te weinig straathoekwerkers in Molenbeek actief waardoor ze er amper in slagen om jongeren individueel te benaderen. Ik deed dat in het centrum wél en haalde ook resultaten. Ik nam risico’s, want ik werd bedreigd door IS-strijders. Uiteindelijk kreeg ik stank voor dank. Er kon zelfs geen uitnodiging af om voor een Vlaamse commissie-radicalisering te komen spreken.”

 

Misschien vertrouwen ze u niet?

“Dat weet ik niet. Ik spreek met parlementsleden en ministers. Ik denk dat sommigen me moeilijk kunnen plaatsen.”

 

Voor de ene bent u een N-VA-sympathisant, voor de andere een vermomde salafist? Een tijd geleden hoorde ik van een Al Nusra-sympathisant: “Montasser is een van ons.”

“Ik heb geen zin om me te verantwoorden. De voorbije jaren heb ik me als doctorandus wel totaal verdiept in mijn onderzoeksobject. Het is in die context dat ik in 2014 veldonderzoek verrichte bij Al Nusra in Syrië. Ik trad geradicaliseerde moslimjongeren heel open tegemoet en liet amper kritische geluiden horen omdat ik mijn kop wou sparen. Als sommigen me dan zien als vermomde jihadist, toont dat alleen maar dat ik geslaagd ben in mijn opzet om het vertrouwen van mijn onderzoeksobject te winnen.”

 

Ex-Syriëstrijder Michaël ‘Younes’ Delefortrie kwam ook langs bij ‘De weg naar’. Hij is nog steeds een IS-aanhanger.

“Hij heeft me ondertussen afvallig verklaard. Nog voor de aanslagen in Parijs waarschuwde ik al voor terugkerende Syriëstrijders. Na de luchtaanvallen zag ik de vijandschap tegenover het Westen groeien. Ik vertrouwde geen enkele teruggekeerde Syriëstrijder meer en wou ze ook niet meer ontvangen. Van toen dateert de breuk met Delefortrie. IS is zijn enige houvast en ik had het gevoel dat hij niet meer wou veranderen. Hij is nu ook getrouwd met een meisje dat van doodslag beschuldigd wordt. Ik heb van anderen gehoord dat Foaud Belkacem dat huwelijk vanuit de gevangenis zou geregeld hebben. U mag de invloed niet onderschatten die geradicaliseerde moslims vanuit hun cel op jonge mensen uitoefenen.”

 

 

Montasser AlDe’emeh en Intisar Umm Mansur, Mijn verlossing van het kwaad, Lannoo, 208 blz., 17,99 euro

 

© Jan Stevens