Uluguru

Op 200 kilometer van de Tanzaniaanse stad Dar-es-Salaam, vlakbij het stadje Morogoro, liggen de Ulugurubergen. Op de flanken van de eeuwig groene bergen leven de mannen en vrouwen van de Lugurustam in hun primitieve huizen net zoals hun voorouders honderden jaren geleden.

In de verte kraait een haan als we om zes uur in de ochtend de lobby van ons hotel uitwandelen. In de schemerige, stoffige straten van Morogoro is het nog vrij rustig. Er rijden minder gammele Japanse auto’s rond dan midden op de dag, en de luifels van veel winkeltjes zijn dicht. Het is aangenaam warm, maar de inwoners van Morogoro die op weg zijn naar hun werk, denken daar anders over: sommigen dragen een dikke trui, anderen een warme jas, tot helemaal boven dicht geknoopt. Op het binnenplein voor het kantoortje van Chilunga Cultural Tourism Program aan Rwegasore Street staat gids Emanuel Lengeteu ons op te wachten. Hij zal ons meenemen op een wandeling in de Ulugurubergen tot aan het dorp Choma. De hoogste top van het gebergte meet 2.630 meter; Choma ligt op 1.500 meter. Tot een half jaar geleden woonde de vierentwintigjarige Emanuel in de noordelijke stad Arusha, waar hij als drager werkte voor expedities naar de bijna 5.900 meter hoge Kilimanjaro. “Dat was een ongelooflijk zware job”, zegt hij. “We droegen tot veertig kilo op onze rug tot op de top.” Met zijn spaargeld volgde Emanuel ’s avonds de gidsenopleiding aan het Tropical Institute of Tourism in Arusha en van zodra hij zijn diploma op zak had, reisde hij naar de zeshonderd kilometer zuidelijker gelegen provinciestad Morogoro. “Als beginnende gids moet je keihard knokken om in de Kilimanjaro aan de bak te komen. Het Ulugurugebergte is nog niet ontdekt door de grote toeristische industrie. De mensen die hier rondtrekken zijn ook echt geïnteresseerd in de natuur en cultuur van Tanzania.”

We verlaten het centrum van Morogoro en wandelen door een residentiële buitenwijk vol oude, vervallen villa’s uit de koloniale tijd. “Tanzania is gesticht in 1964”, zegt Emanuel. “Toen werden Tanganyika en het eiland Zanzibar tot één republiek samengevoegd. Vanaf 1890 tot 1918 was Tanganyika een Duitse kolonie. In deze streek hadden de Duitsers grote plantages waar onze voorouders dwangarbeid moesten verrichten. De kolonisten pikten al het vruchtbare land in en de dorpsbewoners werden verbannen naar reservaten. In 1904 kwamen verschillende stammen tegen de Duitsers in opstand. De Maji-Maji rebellie startte hier en deinde uit naar Rwanda en Burundi. Onze krijgers hadden alleen pijl en boog; de Duitse Schutztruppe schoten met scherp. De belangrijkste leider van de opstand, de tovenaar Kinjikitile ‘Bokero’ Ngwale, beweerde dat het door hem gezegende water, ‘maji’ in het Swahili, de krijgers onkwetsbaar zou maken voor de Duitse kogels, want die zouden veranderen in waterdruppels. De bloederigste slag werd honderd kilometer hier vandaan uitgevochten in Mahenge. 4.000 krijgers sneuvelden onder het machinegeweervuur van honderd Duitse soldaten. In 1907 werd Bokero samen met de andere rebellenleiders opgepakt en opgehangen. Zijn hoofd werd afgehakt en naar de Duitse keizer gestuurd.”

Mzungu

De weg versmalt en gaat over in een pad. De villa’s zijn verdwenen. Palm- en bananenbomen wisselen elkaar af. We klimmen en laten de vallei achter ons. Op de takken van een grote ficus ligt een familie kalebasapen te luieren. Een groepje kinderen in schooluniform haalt ons in. “Habari? Hoe gaat het?”, vragen ze in koor. “Mzuri. Goed”, antwoorden we.

Op het erf voor een paar kleine stenen huizen vullen vrouwen juten zakken met rode kleistaafjes. Hun kinderen spelen tikkertje. Naast een hoge berg rode klei liggen honderden staafjes te drogen in de zon. De kinderen stoppen met spelen. “Mzungu, blanke man”, roept de kleinste en hij lacht zijn tanden bloot.

“Mogen we hier eens rondkijken?” vraagt Emanuel beleefd aan de oudste vrouw. Ze knikt. “Asanté, dankuwel”, zegt hij. “De vrouwen verdienen hun brood met die kleistaafjes. De klei halen ze hoger in de bergen. Ze verkopen de staafjes op de markt van Morogoro. Vooral zwangere vrouwen knabbelen erop, want er zitten veel mineralen in. Proef maar eens.” Het staafje smaakt naar niets.

In dit deel van het Ulugurugebergte leven de mannen en vrouwen van de Lugurustam. “De Tanzaniaanse bevolking is samengesteld uit 121 stammen”, vertelt Emanuel. “Ze leven in vrede samen en kunnen ook met elkaar trouwen, want onze taal het Swahili verbindt iedereen. Bij de Luguru bezitten de vrouwen het land. Deze huizen en dit erf zijn eigendom van de vrouwen die hier werken. Zij zijn ook de baas. Als ik verliefd word op een van hun dochters en met haar wil huwen, moet ik hier komen wonen.”

Tot welke stam behoort Emanuel? “Ik ben een Masaï. Wij zijn ‘de ogen van Tanzania’. Op mijn zestiende ben ik besneden; ik werd toen een echte Moran, een krijger. Als ik bij mijn familie in Arusha ben, is het mijn taak om hen te beschermen. Ze hebben me geleerd dat ik altijd respect voor de ouderen moet hebben. Respect is heel belangrijk. Wie bij ons de regels overtreedt, krijgt 70 stokslagen. Ik vind dat prima. Wie een oudere voor het hoofd stoot, moet voor hem een geit kopen. Of een schaap en een krat bier.”


Tussen het overvloedige groen klimmen we naar boven. Het zweet loopt van onze rug. We draaien ons om. Het zicht over de vallei is adembenemend. Een paar stappen verder komen we aan een plateau waar een schooltje staat. Kleine kinderen in uniform spelen in het gras. Als ze ons zien, lachen ze en roepen ze “Mzungu, mzungu!” We stappen een klaslokaal binnen. De schoolbanken stammen uit een vorige eeuw en het bord zit vol gaten. We zwaaien naar de kinderen en wandelen verder over het steile pad. Aan een bananenboom hangt een affiche. Emanuel vertaalt. “De overheid vraagt aan de dorpsbewoners om elke vrijdag en zondag dit pad te onderhouden. Dit is de enige weg naar het dorp. Als er iemand ernstig ziek is, moet hij helemaal van boven naar beneden gedragen worden. Met de auto geraak je er niet.”

In de verte horen we geruis. “Een waterval”, zegt Emanuel. We klauteren verder tot aan het indrukwekkende neerstortende water, waar we even uitrusten terwijl onze gids frambozen voor ons plukt.

Karibu

Choma is niet meer dan een paar stenen huisjes tegen de berghelling. Hier is geen elektriciteit, geen gas, geen telefoon. Niets. Maria en haar dochter heten ons welkom in hun kleine, bescheiden huisje zonder ramen. “Karibu. Welkom.” Naast het huis kijken twee koeien ons vanuit hun houten kraal niet begrijpend aan. “Maria’s man is dood. Elke dag gaat ze naar beneden om de melk van de koeien te verkopen op de markt van Morogoro. Het leven is hard, maar niemand lijdt hier honger.”

Terwijl Maria een kokosnoot in twee hakt, stookt haar dochter het vuur hoog op in het stalletje naast het huis. Zij is druk bezig met het klaarmaken van ons middagmaal. Maria doet teken dat we binnen moeten stappen in haar huisje. We maken aanstalten om onze modderige schoenen los te knopen, maar onze gastvrouw knikt van nee. De tafel staat feestelijk gedekt met borden en lepels, op de stoelruggen hangen groene gehaakte tapijtjes. “Hier in de buurt leven nog twee andere stammen”, zegt Emanuel. “De Kaguru en de Wavidunda. Vroeger konden ze elkaars bloed wel drinken, nu laten ze elkaar met rust. De Kaguru dragen altijd zwarte kleren, net als de Masaï.”

Het eten wordt op tafel gezet: kisamvu, een stoofpotje van maniokbladeren, bonen met kokossaus en ugali, maïsmeelpasta. Het smaakt heerlijk. Maria is pas tevreden als we nog een extra portie opscheppen. Wanneer we een uur later afscheid nemen, stopt ze Emanuel een tros bananen toe voor onderweg. “Zij zorgt voor mij als mijn eigen mama”, lacht hij. We sjorren onze rugzakken vast en beginnen voorzichtig aan de lange weg naar beneden.

 

 

Chilunga Cultural Tourism

Het kleine toeristenbureautje uit Morogoro organiseert verschillende wandelsafari’s in de Ulugurubergen. Een deel van de opbrengst wordt geïnvesteerd in de lokale gemeenschappen. www.chilunga.or.tz

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto’s: © Veerle Van Hoey


Advertenties

De rattenfluisteraars van APOPO

‘Rattenfluisteraars’ leiden in het Tanzaniaanse Morogoro reuzenhamsterratten op in het opsporen van landmijnen en tbc. Dagelijks redden de HeroRATS van APOPO mensenlevens.

Met zijn neus tegen de grond trippelt Ghadafi van het linkerbeen van de ene begeleider naar het rechterbeen van de andere. Geconcentreerd besnuffelt hij elke vierkante centimeter aarde. Tot hij plots stil staat, door zijn achterste pootjes zakt en met de voorste zenuwachtig in de grond begint te krabben. “Ghadafi heeft weer een mijn gevonden”, fluistert Jared Mkumbo die van op de zijkant toekijkt met een documentenhouder in de hand. Jared vist een pen uit zijn borstzakje en duidt op de plattegrond de vindplaats van de mijn aan.

Ghadafi is een Afrikaanse reuzenhamsterrat die in de laatste fase zit van zijn opleiding tot levende ‘detector’ van landmijnen. Jared is zijn trainer. Elke ochtend van de werkweek laden Jared en zijn collega’s op de campus van de Sokoine University of Agriculture (SUA) aan de rand van de Tanzaniaanse stad Morogoro hun pickuptruck vol kooien met ratten. Vandaar rijden ze langs hobbelige wegen naar het 24 hectare grote oefenveld op een weids plateau in de weelderig groene Ulugurubergen.

Mkumbo en co werken voor het door de Belgen Bart Weetjens en Christophe Cox opgerichte APOPO (‘Antipersoonsmijnen Ontmijnende Productontwikkeling’). Weetjens kreeg het idee om mijnen door ratten te laten opsporen in 1996, op een conferentie over landmijndetectie in Edinburgh. “Ik ontmoette er de Nederlander Inne ten Have”, vertelt hij. “Inne had net als ik productontwikkeling gestudeerd. Halverwege de jaren negentig werd de landmijnenproblematiek actueel, onder andere door het bezoek van de Britse prinses Diana aan de slachtoffers van landmijnen in Angola. Wereldwijd liggen in bijna zeventig landen ontploffingsklare mijnen, achtergelaten na een militair conflict. Hun impact is immens: ze doden en verwonden jaarlijks tienduizenden mensen en blokkeren de economische ontwikkeling van hele regio’s. Wijlen prinses Diana bracht de landmijnen prominent onder de aandacht en zette ook mij ertoe aan om er iets aan te gaan doen, al wist ik eerst niet goed wat en hoe. Mijn ontmoeting met Inne bracht alles in een stroomversnelling. In opdracht van de Nederlandse overheid had hij een literatuurstudie over ontmijning gemaakt. Tussen zijn documenten zat een wetenschappelijk artikel over een Amerikaans onderzoek waarbij woestijnratjes getraind werden om springstof op luchthavens op te sporen. Toen ik dat las, kreeg ik meteen het idee dat ratten misschien ook mijnen zouden kunnen opsporen. Op de landmijnenconferentie in Edinburgh focusten de deelnemers zich op dure, hoogtechnologische opsporingstechnieken die ontwikkelingslanden nooit kunnen betalen. Inne ten Have en ik waren de enigen die vonden dat landmijndetectie eenvoudiger en goedkoper moest.”

Landmijnen werden voor het eerst op grote schaal gebruikt tijdens de Tweede Wereldoorlog. Alle legers legden op de slagvelden miljoenen antitankmijnen. Om te vermijden dat de vijand met die antitankmijnen aan de haal ging, begroeven ze er een veelvoud aan antipersoonsmijnen rond. In de jaren zestig werd de techniek op punt gezet om landmijnen vanuit de lucht te droppen en te verspreiden over uitgestrekte gebieden. Het Amerikaanse leger experimenteerde volop met die nieuwe mogelijkheid in de oorlog in Vietnam en dropte massaal veel landmijnen op wegen, dorpen, waterbronnen of bruggen. Na de Vietnamoorlog werden de spotgoedkope antipersoonsmijnen het favoriete wapen van armlastige militairen, paramilitaire organisaties, terreurgroepen en guerrillalegers.

Tot eind jaren tachtig was de Belgische munitiefabriek Poudreries Réunies de Belgique (PRB) wereldwijd een van de grootste producenten en exporteurs van landmijnen. Deze dochter van de Generale Maatschappij had over de hele wereld meer dan 70 vestigingen voor de productie en verkoop van oorlogstuig. De sites in Matagne en Balen produceerden diverse types antitank- en antipersoonsmijnen die verscheept werden naar conflictzones in Azië, Latijns-Amerika en Afrika. Tot aan het faillissement van PRB in september 1990 exporteerde het bedrijf honderdduizenden mijnen. Ondanks de onfrisse voorgeschiedenis van PRB, ontpopte België zich de voorbije vijftien jaar tot een voortrekker in de strijd tegen landmijnen. Als eerste ter wereld verbood ons land in 1995 eenzijdig het gebruik, de productie en de verkoop van antipersoonsmijnen. In juni 1997 vond in Brussel een internationale conferentie plaats die de laatste obstakels voor het Verdrag van Ottawa moest opruimen. In de herfst van datzelfde jaar vernietigde België zijn laatste mijnenvoorraden. In december ’97 ondertekenden 122 landen het Ottawaverdrag. Onder impuls van de Verenigde Naties, het Rode Kruis en de Internationale Campagne voor een Ban op Landmijnen (ICBL) sloten ze zich aan bij een verbod voor de productie, het gebruik en de opslag van antipersoonsmijnen. Tot hiertoe weigeren 39 landen het Ottawaverdrag te tekenen, waaronder China, Rusland en de Verenigde Staten.

Vriendschap gaat door de maag

Jared Mkumbo stopt de rat Ghadafi in zijn kooi, haalt Benson uit een andere kooi, gespt hem een harnas met een leiband aan en hangt de leiband aan een touw dat tussen het linkerbeen van de ene rattentrainer en het rechterbeen van de andere gespannen staat. Met hun spitse snuiten en lange snorharen lijken de reuzenhamsterratten van APOPO levende kopieën van het tekenfilmfiguurtje Ratatouille. Jared werkt van in het begin bij APOPO. “Ik doe deze job ondertussen elf jaar”, zegt hij. “Veel Tanzanianen zijn bang van ratten. Ze zien ze als brengers van ziektes en als vernietigers van oogsten. Vroeger vond ik ratten ook gevaarlijke, niet te vertrouwen beesten. Door hier te werken, heb ik mijn mening snel herzien. Bart Weetjens’ idee om ratten mijnen te laten opsporen was revolutionair. Er werden al honden voor getraind, maar een rat opleiden tot detector van mijnen is toch een ander paar mouwen. Honden zijn huisdieren en van nature aanhankelijk. Onze ratten zijn wild en moeten eerst wennen aan de mens. Ze moeten gedomesticeerd worden eer we met hen kunnen beginnen werken. Ze nemen geen bevelen aan en reageren niet op ‘zit’ of ‘lig’. We kunnen ze alleen trainen door ze te belonen met voedsel. Vriendschap gaat bij hen door de maag. Geen eten? Geen vriendschap. Zo simpel is het.”

In 1997, een jaar na de landmijnenconferentie in Edinburgh, contacteerde Bart Weetjens zijn oude studiegenoot Christophe Cox. “Tijdens onze studies productontwikkeling aan de Antwerpse hogeschool zaten we al op dezelfde golflengte. Christophe had een paar jaar in Kenia aan een ontwikkelingsproject gewerkt. Ik vertelde hem over mijn plannen om ratten mijnen te laten opsporen. Samen met een aantal mensen van de Universiteit van Antwerpen zijn we toen met APOPO van start gegaan.”

Weetjens ging op zoek naar de meest geschikte rat. “Biologieprofessor Ron Verhagen van de Antwerpse universiteit voerde hier op de landbouwuniversiteit van Morogoro al twintig jaar onderzoek. Hij stelde de reuzenhamsterrat voor. Ze is inheems, wordt in gevangenschap acht jaar oud en weegt met haar 1 kg te licht om landmijnen te laten ontploffen, want die exploderen pas vanaf 5 kg. Reuzenhamsterratten hebben een bijzonder goed ontwikkelde neus waarmee ze voedsel onder de grond zoeken. Ron had ooit een dorpeling gezien met zo’n rat aan de leiband, waaruit hij afleidde dat die rattensoort misschien wel getemd kon worden.”

Weetjens, Cox en een aantal professoren van de Universiteit van Antwerpen gingen op zoek naar geld om een onderzoeksproject naar het trainen van ratten als levende mijndetectoren te kunnen opstarten. In november 1997 kreeg APOPO een allereerste toelage van het Belgische ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. Een paar maanden later werden de eerste reuzenhamsterratten vanuit Tanzania naar België overgevlogen. Weetjens: “De eerste drie jaar stonden volledig in het teken van wetenschappelijk onderzoek aan de Antwerpse universiteit: kan de reuzenhamsterrat tam gemaakt worden en is het mogelijk om een geschikt trainingsprotocol te vinden om haar springstof te laten opsporen?”

De onderzoeksresultaten waren veelbelovend. In 2000 vestigde APOPO zich op de campus van de SUA in Morogoro om de ratten verder te trainen in een omgeving waar ze echte mijnen zouden gaan opsporen. In oktober 2003 volgde de vuurproef en werden de ratten in een mijnenveld in Mozambique gestuurd. “Die testen waren een groot succes. Een jaar later zijn we officieel erkend. De voorbije jaren hebben we minstens 150 ratten voor landmijnopsporing getraind.”

Na de burgeroorlog van 1977 tot 1992 bleven er ruim 500.000 landmijnen in Mozambique achter. In 2006 bouwde APOPO er een ontmijningsprogramma uit; twee jaar later werd de organisatie verantwoordelijk voor de ontmijning in de provincie Gaza. Tegen 2014 zullen de ratten van APOPO alle gekende mijnenvelden in Gaza mijnenvrij gemaakt hebben. In 2010 veegden de ratten bijna 800.000 m² schoon, speurden ze 861 landmijnen, 373 explosieven, één clusterbom en ruim 6200 lichte wapens en munitie op. “Toen de ratten voor het eerst een echt mijnenveld ingingen, was ik erbij”, zegt Jared Mkumbo fier. “De ratten bewezen dat ze wel degelijk feilloos alle landmijnen in een gebied konden opsporen. Het enige verschil tussen echte mijnen en de exemplaren die hier op ons oefenterrein liggen, is dat onze oefenmijnen gedeactiveerd zijn. De exemplaren in Mozambique staan op scherp. De ratten worden er niet nerveuzer door of krijgen geen last van faalangst. De rat krabt aan de grond als ze TNT ruikt. Wij markeren die plaats. Een tweede rat voert een dubbelcheck uit, pas dan komen de ontmijners op het terrein.”

Hoe voelde Jared zich die eerste keer in een echt mijnenveld? “Niet echt op mijn gemak. Het was alsof ik zelf een examen moest afleggen, misschien ook omdat er een cameraploeg bijstond. Maar alles verliep perfect. De ratten vonden twintig mijnen op een oppervlakte van 500 m² en lieten geen enkele liggen. De euforie was groot. Onze ratten werken veel sneller en goedkoper dan andere mijndetectiemethodes. Twee reuzenhamsterratten overlopen samen met hun twee begeleiders in één uur tijd 300 m² terrein; twee menselijke ontmijners met metaaldetectors hebben daar een volledige dag voor nodig.”

Operante conditionering

Het is pas negen uur in de ochtend, maar op het oefenterrein begint de Afrikaanse zon al hard te branden. De kooien van Ghadafi, Benson en de andere ratten worden in de pickup geladen. “Ratten zijn nachtdieren”, zegt Jared. “We kunnen hen alleen ’s morgens vroeg op het veld trainen.” Dus rijden we terug naar het hoofdkwartier van APOPO, waar de trainers de rest van de ochtend jonge, beginnende mijndetectieratten springstof zullen leren opsporen.

Het hoofdkantoor van APOPO ligt op een idyllische plek op de uitgestrekte landbouwuniversiteit van Morogoro. Palmbomen en ficussen zorgen voor verkoeling. Een paar rattentrainers drinken koffie en zitten gezellig te kletsen aan de grote tafel onder het lommerrijke afdak. In een van de lage gebouwen nestelen de meeste ratten zich in hun ruime kooien voor een deugddoende slaap. Op elke kooi hangt een bordje met de naam van de bewoner. Een rat heet Astrid. “Ze is genoemd naar prinses Astrid, onze erevoorzitster die hier eind juni op bezoek was”, zegt communicatiemanager Hannah Ford. “Midden vorig jaar zijn we elke rat systematisch een naam beginnen geven. Aan de hand van hun namen weten we hoe oud elke rat is en in welk stadium van de training hij zit. Als de rat vier weken oud is, start de begeleider met gewenningstraining. Twee weken later begint de ‘klikkertraining’ en leert de rat de geur van TNT opsporen. Een paar weken later gaat hij het oefenveld op. Na een training van negen maanden kan hij ingezet worden op een echt mijnenveld.”

In het trainingscentrum is Miraji volop bezig met de ‘klikkertraining’. Hij zit voor een grote kooi waarin een rat drie verschillende potjes besnuffelt. In zijn linkerhand heeft Miraji een klikker, met zijn rechter bedient hij een grote spuit vol bananenmoes. Als de rat bij het juiste potje stil blijft staan en met haar pootjes begint te krabben, laat Miradji een klik horen, waarna de rat meteen naar de zijkant van de kooi loopt om aan de spuit met bananenmoes te gaan lurken. “We trainen onze ratten volgens de principes van ‘operante conditionering’ of ‘instrumenteel leren’”, legt hij uit. “We belonen het gewenste gedrag van de rat met voedsel; bestraffen doen we nooit. Deze rat leert onderscheid maken tussen positieve en neutrale stalen. Dit dier zit in zijn derde trainingsweek. Volgende week kan hij in het veld gaan trainen, maar eerst moet hij een ‘examen’ afleggen. Eind deze week wordt hij getest. Hij moet 100% halen, anders wordt zijn training in de kooi verlengd.”

Miraji neemt de ene rat uit de kooi en zet er een andere in. Sinds 2005 werkt hij als rattentrainer. “In 2002 ben ik bij APOPO begonnen als klusjesman. De jaren daarvoor werkte ik als timmerman in Morogoro en maakte ik meubels en omheiningen en bouwde ik daken op huizen. Die ervaring kwam van pas bij de inrichting van de gebouwen hier. De meeste collega’s zijn locals. Sommigen zijn van andere Tanzaniaanse steden of van het platteland naar Morogoro afgezakt, op zoek naar werk.”

Heeft Miraji als trainer een speciale band met de ratten? “De ratten hangen niet vast aan een welbepaalde trainer. Ze kunnen overal werken met om het even wie, zolang er maar een banaan in de buurt is. (lacht) Voor buitenstaanders zien de ratten er allemaal hetzelfde uit, maar ik ken ze allemaal. Ik herken ze aan hun lengte, en aan kleine kleurverschillen. Wij noemen onze ratten HeroRATS, omdat ze mensenlevens redden. Via de site www.herorat.org kan iedereen die dat wil zijn eigen HeroRAT adopteren en financieel bijdragen aan de opleiding van een rat.”

Tbc

Sinds 2003 speuren de ratten van APOPO ook tbc op. Net als elke andere vrijdag rijdt chauffeur Hussein ook vandaag met de jeep van Morogoro naar het 200 kilometer verder gelegen Dar es Salaam om in de klinieken speekselstaaltjes op te halen. Om vier ’s ochtends pikt hij ons op. Hij verontschuldigt zich voor het onchristelijke vroege uur. “Het spitsuur in ‘Dar’ is moordend. Als ik later durf te vertrekken, raak ik nooit op tijd terug.”

Het is aangenaam warm, maar Hussein rilt van de kou. “Frisjes”, klaagt hij. Hij draait de verwarming open en het wordt bloedheet in de jeep. Op de weg naar Dar es Salaam is het pikdonker. Hussein houdt er een flinke vaart in. Af en toe vertraagt hij voor een bobbel in de weg, of om uit te wijken voor een tegenligger. “Tuberculose is een groot probleem in Tanzania, maar ook in de rest van Afrika”, vertelt hij. “Elke week haal ik 700 speekselstaaltjes op in Dar es Salaam. De staaltjes zijn in de labs van de ziekenhuizen al onder een microscoop onderzocht. De ratten van APOPO voeren een tweede onderzoek uit.”

Maken de laboranten in de ziekenhuizen dan vaak vergissingen? “Soms is de hoeveelheid tbc-bacterie in een staal zo miniem dat zelfs microscopisch onderzoek het niet ontdekt. Onze controles met de ratten hebben de detectieratio van de hospitalen vorig jaar met 43% doen toenemen. De staaltjes worden eerst in ons lab verhit tot 90° waardoor de bacteriën gedeactiveerd worden. De geur zit er nog in, maar de staaltjes zijn veilig voor mens en dier. Onze labtechnici bereiden daarna een lijn van verschillende staaltjes voor. Tien potjes worden een voor een geopend, de rat ruikt eraan en als er een positief staaltje tussenzit, krabt hij met zijn pootjes. De trainers weten niet waar de positieve staaltjes zitten. Staaltjes die door de rat aangeduid worden als positief, maar dat volgens de gegevens van het ziekenhuis niet zijn, worden een tweede keer bij ons in het lab onderzocht.”

De ratten werken dus efficiënter dan de laboranten? Hussein: “Een labtechnicus kan op een normale werkdag ongeveer 40 stalen onderzoeken onder een microscoop. Een rat screent 40 stalen in 7 minuten. Elke week vinden we tien tot vijftien patiënten die het labo in het ziekenhuis niet gevonden heeft. Tot nu hebben onze ratten ongeveer 2000 patiënten opgespoord die in de hospitalen niet ontdekt zijn. Iemand met actieve tbc besmet jaarlijks tien à vijftien anderen. Indirect redden onze HeroRATS zo nog eens duizenden mensen.”

www.apopo.org

www.herorat.org

© Jan Stevens