“Mijn echte vader heb ik nooit gekend”

In de beklijvende reeks Kinderen van de Holocaust op Canvas getuigen twaalf nabestaanden zeven weken lang over de vervolging en uitroeiing van hun familieleden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een van hen is de 78-jarige Norbert Vos. “Hoe ouder ik word, hoe groter het gemis.”

 

Norbert Vos was amper één jaar oud toen zijn vader Albert Obstfeld op 3 september 1942 opgepakt en een maand later naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd werd. Moeder Léa Zwaaf dook samen met haar zoontje onder bij een gezin in Kortrijk. Na de oorlog hertrouwde ze met haar uit Auschwitz teruggekeerde neef Emiel Vos.

We zitten op het terras van Norbert Vos’ huis in Antwerpen. Op de tafel staan de foto’s van zijn vader Albert, moeder Léa, adoptievader Emiel en van het Kortrijkse echtpaar Raymond Verhaegen en Julia Leenknecht.

“Ik noemde mijn ‘onderduikouders’ Raymond en Julia altijd vader en moeder”, zegt hij. “Mijn echte vader heb ik nooit gekend. Hij was 39 jaar toen hij in Auschwitz is vermoord. Mijn adoptievader Emiel Vos overleefde het concentratiekamp. Op de foto kunt u het getatoeëerde kampnummer op zijn arm zien. Hij verloor zijn vrouw en drie kinderen. Ook zij werden vermoord, net als zijn ouders en zussen.”

 

U werd geboren in juli 1940 in de Zuid-Franse stad Pau. Uw ouders waren er op de vlucht voor de oorlog?

Norbert Vos: “Toen de oorlog uitbrak, vluchtten mijn ouders naar onbezet gebied in Frankrijk. Vader wilde net als zijn broer de Spaanse grens oversteken en verder reizen naar Portugal. Mijn oom had daar de boot genomen naar Cuba. Papa wou dezelfde route volgen, maar mijn moeder wou terug naar België. Mama was nog maar 22 jaar oud, met een pasgeboren baby. Ze kon zich niet voorstellen dat ze ooit Europa zou moeten verlaten en wou haar ouders niet achterlaten.

“Mijn papa was 18 jaar ouder dan mama. Toen ze in juli 1939 trouwden, was zij niet echt verliefd op haar kersverse man. Maar mijn grootmoeder vond, zeker met de oorlogsdreiging in de lucht, dat mijn vader een geschikte partij was voor haar dochter. Want Albert Obstfeld was een knappe man en verdiende goed zijn boterham. Mama en papa keerden samen met mij vanuit Pau terug naar Brussel, wat achteraf een vreselijke vergissing bleek te zijn.”

 

Had uw moeder daar later schuldgevoelens over?

“Ik denk het wel, maar we hebben daar nooit over gesproken. Ik heb haar daar ook nooit verwijten over gemaakt, want ze was een heel goede moeder. Maar het is inderdaad zo dat onze terugkeer naar België het leven van mijn vader heeft gekost.

“Mijn moeder haar ouders woonden in de Marsstraat in Berchem. Marcus Zwaaf, 51 jaar, en Sarah Vos, 53 jaar, werden op 28 augustus 1942 om 5 uur ’s morgens door Antwerpse politieagenten van hun bed gelicht. Ze kregen een half uur tijd om zich klaar te maken. Dankzij recent onderzoek van historicus Herman Van Goethem werd duidelijk dat de politie van Antwerpen onder leiding van oorlogsburgemeester Leo Delwaide actief Joodse mensen opspoorde voor deportatie. Daarom ook werd het Delwaidedok vorig jaar herdoopt tot Bevrijdingsdok. Toen mijn grootouders Marcus en Sarah opgepakt werden, was mijn moeder toevallig bij hen blijven slapen. Zij hielp mee met het smeren van hun boterhammen en het pakken van hun valies. Op dat moment geloofde ze nog dat haar ouders in Duitsland of Polen moesten gaan werken en dat ze ooit zouden terugkeren. De Duitse bezetter had aan burgemeester Delwaide een lijst van de Joden in Antwerpen gevraagd. Omdat mijn moeder in Brussel woonde, stond zij daar niet op. Toen een politieagent haar vroeg wie zij was, antwoordde ze: ‘De huishoudster.’ Mijn grootouders werden meegenomen naar een school in de Grotehondstraat waar alle Joden verzameld werden. Mijn moeder ging hen daar opzoeken in een jas zonder davidster.”

 

Wat toen een overtreding was?

“Ja. Mama probeerde haar ouders ervan te overtuigen om met haar te vluchten, wat vanwege de totale chaos op dat moment nog mogelijk was. Maar Marcus en Sarah weigerden. ‘Neem je zusje en je nichtje mee’, zeiden ze. ‘Wij zullen wel voor de Duitsers gaan werken en keren later terug.’

“Mama ging naar huis en op 3 september werd papa in Brussel gearresteerd. Waar precies weet ik niet. Hij had daar nog zaken te regelen. Hij was groothandelaar in stoffen, knopen, gespen en voeringen voor regenjassen. Ze sloten hem op in de gevangenis van Sint-Gillis. Daar schreef hij een paar brieven naar mama. Dat heeft zij me later verteld. Hij zat daar een maand in de cel in dezelfde broek, hetzelfde ondergoed, hetzelfde hemd, dezelfde sokken. Douches waren er niet.”

 

Hebt u zijn brieven nog?

“Nog één brief die hij in de Kazerne Dossin in Mechelen schreef, het ‘Sammellager’ of verzamelkamp voor Joden. Telkens wanneer de Duitse SS daar duizend Joden verzameld had, vertrok er een volle trein naar Auschwitz-Birkenau. Papa werd op 8 oktober overgebracht naar de Dossinkazerne en schreef die brief vlak voor zijn vertrek naar het concentratiekamp. Hij had potlood en papier weten te bemachtigen, zijn brief werd naar buiten gesmokkeld en bereikte mijn moeder. Hij schreef dat zijn arrestatie de droevigste dag uit zijn leven was omdat hij toen vrouw en kind moest achterlaten. Dat was zijn laatste teken van leven.

“In 1962 moest ik een deel van mijn legerdienst vervullen in diezelfde Kazerne Dossin. Zes maanden heb ik daar toen geleefd. Er was nog een Joodse jongen wiens vader van daaruit gedeporteerd was en nooit teruggekomen is.”

 

Hebt u daar toen iets van gezegd tegen de legerleiding?

“Nee, we spraken er wel over met de Joodse aalmoezenier. Maar die legerdienst was een zeer bevreemdende ervaring.

“Mijn latere adoptievader Emiel Vos kwam in 1942 ook in Kazerne Dossin terecht, samen met zijn vrouw en drie kinderen. Ze moesten slapen op stro dat op de grond lag. Er was één waterkraan voor duizend mensen. De treinreis naar Auschwitz duurde drie dagen. Ze kregen geen eten of drinken en er waren geen wc’s. Enkel een emmer in de beestenwagon. Het konvooi stopte in Kosel, vlak voor Auschwitz. Alle mannen tussen 15 en 50 jaar moesten eruit; zij waren nog geschikt om te werken. Emiel kreeg een duw in de rug en had zelfs geen tijd om afscheid te nemen van zijn gezin. De ouderen, vrouwen en kinderen reden daarna direct door naar de gaskamers.

“De Joodse gevangenen werden voor twee mark per dag voor slavenwerk uitgeleend aan grote Duitse firma’s zoals Krupp, Siemens of Volkswagen. Ze moesten werken tot ze doodvielen of naar de gaskamer gingen. Er zijn 1,5 miljoen Joden vermoord in Auschwitz. Emiel moest slavenarbeid verrichten voor IG Farben, het huidige Bayer.”

 

In het concentratiekamp van Auschwitz hebben Emiel en uw vader elkaar ontmoet?

“Iemand zei tegen Emiel: ‘Er is hier familie van jou.’ Toen hebben ze elkaar gezien. Emiel vertelde later dat mijn vader geloofde dat wij in veiligheid waren. Op zekere dag was Emiel zijn gamel voor zijn dagelijkse portie waterige soep kwijt. Twee dagen zonder soep of brood betekende de hongerdood. Mijn vader leende toen zijn etensblik aan Emiel uit en redde zo diens leven.

“Emiel zag papa nog op het einde. Hij was doodziek en had waarschijnlijk tyfus. Hij gaf het op en kwam terecht in de Krankenstube, voorportaal voor de gaskamer. In de jaren dertig was papa een echte zakenman, met internationale connecties. Mijn moeder heeft de brieven bijgehouden van de Engelse ondernemers waarmee hij in contact stond. Van de ene dag op de andere werd hij behandeld als slaaf, voorbestemd om vermoord te worden. Hij had geen enkele waarde of eigenwaarde meer.”

 

Na de arrestatie van uw vader dook uw moeder samen met u onder in Kortrijk?

“Veel Joodse mensen doken onder in Wallonië, maar mijn moeder vluchtte naar Otegem bij Kortrijk, naar een klant van mijn vader. Ze kende niemand anders die haar kon helpen. Maar die man wou van de toestand profiteren en maakte ongewenste avances. Ze vertrok en vond een onderkomen op een boerderij, waar ze heel snel bezoek kreeg van de pastoor. ‘Als je je tot het christendom bekeert, zal ik je helpen’, zei hij. ‘Anders geef ik je aan bij de Duitsers.’ Ze vluchtte opnieuw weg, blondeerde haar haar en geraakte aan een vals paspoort. Ze had dringend geld nodig en vond werk als vertegenwoordiger in producten voor ziekenhuizen en apotheken.

“We kwamen toevallig bij Raymond Verhaegen en Julia Leenknecht terecht. Zij hadden een café in Kortrijk. Het was guur buiten en mama stapte er met mij op de arm binnen om een kop koffie te drinken. Julia voelde meteen sympathie voor die kleine baby. Mama vroeg voorzichtig of ze iemand wist waar ze terechtkon. Raymond en Julia beslisten om ons in hun huis op te nemen. Dat was zeer moedig van hen. De hele oorlog zijn we bij hen gebleven, en ik voelde me daar goed. Hun dochter Mona is als een zus voor mij. Als Mona op school een appelsien of een reep chocola kreeg, bewaarde ze die om met mij te delen. Zij trouwde later met de kunstenaar Octave Landuyt. We zijn nog altijd heel nauw met elkaar verbonden en telefoneren een paar keer per week. Alles wat ik van toen weet, hebben Mona en mijn moeder me verteld.”

 

Wanneer wist uw moeder dat uw vader dood was?

“Vanaf april 1945 kwamen er treinen met overlevenden uit de concentratiekampen. Mijn moeder nam me toen mee naar het station. Ze had een foto van papa bij die ze aan iedereen toonde. Vergeefs.

“Emiel Vos was een van de weinige overlevenden. Van de 25.000 Joodse Belgen hebben 1.200 de oorlog overleefd. Op 18 januari 1945 vertrok de SS uit Auschwitz. Ze lieten 2.000 Joden voor halfdood in de infirmerie achter en stuurden 20.000 anderen op dodenmars naar het honderden kilometers verder gelegen concentratiekamp Buchenwald. In april kwam Emiel daar totaal uitgeput aan. Hij moest er opnieuw gaan werken, maar hij kon niet meer. Hij verstopte zich tussen de lijken. Op 11 april werd het kamp bevrijd door de Amerikanen. Emiel was zo verzwakt dat hij niet meer kon eten. Ze verzorgden hem en brachten hem na twee maanden over naar Nederland, om verder te herstellen. Vervolgens reisde hij naar zijn schoonbroer in Antwerpen.”

 

Wist hij toen al dat zijn vrouw en kinderen dood waren?

“Ja. Hij was nog niet lang in Auschwitz toen hij tegen een medegevangene begon over zijn gezin dat hij in Kosel had moeten achterlaten. Die man zei: ‘Zie je de rook uit die schoorsteen daar? Dàt zijn je vrouw en kinderen.’

“In Antwerpen hoorde Emiel dat een nichtje, mijn moeder, het overleefd had en dat ze in het huis van haar ouders in Berchem woonde. Hij belde aan en mama herkende hem eerst niet. Hij woog 34 kilo. Ze bood hem tijdelijk onderdak aan. ‘Tot je voldoende hersteld bent om te gaan werken.’ Maar hij is gebleven en in 1950 zijn ze getrouwd.”

 

Hij adopteerde u. Was dat moeilijk voor u?

“Zeker. Ik was nog maar vier jaar, maar toch begreep ik heel goed wat er gebeurde. Want mijn moeder had tijdens de oorlog voortdurend verteld over papa Albert. Ik zag dat Mona een moeder én vader had, en ik vroeg steeds naar mij́n vader. Toen trok Emiel bij ons in en na een tijd deelde hij de slaapkamer met mijn moeder. Ik wist heel goed wat dat betekende en ik aanvaardde dat niet.”

 

U zag het als verraad van uw moeder aan uw vader?

“Precies. Ik heb het nooit over mijn lippen gekregen om Emiel papa te noemen. Voor mij bleef hij altijd ‘oom Miel’. Voor hem was dat natuurlijk ook een moeilijke situatie. Hij zag er totaal anders uit dan ik. Hij had rood haar en een witte huid met sproeten. Ik had een bruine teint, donkere ogen en zwart haar. Zijn overleden kinderen leken op hem. In het memoriaal van Kazerne Dossin kunt u een video zien waarin hij vertelt over het leven met zijn kinderen. Dat is heel aandoenlijk. Maar ik kon hem pas ‘paps’ noemen na het overlijden van mama in 1985. Hij was toen al 75, maar ‘papa’ lukte nog steeds niet.

“Mama was een sterke vrouw die altijd alles regelde. Na haar dood moest ik haar plaats innemen. Ik zorgde ervoor dat Emiel niets te kort kwam en goed omringd was. Ik ging overal mee met hem. Hij stierf op de voorlaatste dag van 1999.

“Emiel kon heel goed in het openbaar spreken en kwam indertijd veel op televisie. Hij hield van opera en schrijven en was een fervent museumbezoeker. Ik heb veel van hem geleerd en hij heeft me gevormd. Mijn smaak voor kunst heb ik van hem.”

 

Toch bleef uw relatie met hem altijd een beetje ongemakkelijk?

“Hij accepteerde mij als de zoon van zijn tweede vrouw; ik denk dat dat de juiste omschrijving is. Want hij zag mijn moeder heel graag. In ’45 was ze nog maar 25 jaar oud en knap. Zij dacht er eerst niet aan om iets met hem te beginnen. Maar op een dag kwam hij terug van een reis naar Nederland en hij had een hemdje voor mij meegebracht. Dat was het moment waarop mijn moeder besefte dat hij misschien een goede vader voor haar zoon kon zijn. Hij was ook goed voor mij, en ik voor hem. Maar in een huwelijk zijn er soms discussies en ik koos dan de kant van mijn moeder, altijd.”

 

U mist nog steeds uw echte vader?

“Steeds meer. Hoe ouder ik word, hoe groter dat gemis.”

 

(c) Jan Stevens