‘We werden heel vaak aan ons lot overgelaten’

Schepenen van Onderwijs Elke Decruynaere (Groen) en Jinnih Beels (Vooruit) ervoeren het voorbije coronaschooljaar als ‘heftig’. “Zeer vaak werden we aan ons lot overgelaten.”

Elke Decruynaere is bezig aan haar tweede ambtstermijn als Gentse schepen van Onderwijs. Jinnih Beels werd voor het eerst Antwerpse schepen van Onderwijs na de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. “We spreken elkaar regelmatig”, zegt Beels. “Als grootsteden worstelen we met dezelfde problemen”, vult Decruynaere aan. Voor het eerst worden ze samen geïnterviewd. Plaats van afspraak: het Casino-park in Sint-Niklaas, tussen Antwerpen en Gent. Elke Decruynaere en Jinnih Beels zetten meteen de puntjes op de i. “We zijn niet enkel schepenen van Onderwijs, maar ook van Jeugd.”

Waren jullie zelf vragende partij om die bevoegdheden te combineren?

Jinnih Beels: “Dat is mij zo aangeboden en ik vond dat heel mooi. Veel te lang dachten we dat er enkel op school bijgeleerd kon worden, maar jongeren ontwikkelen ook in hun vrije tijd vaardigheden. Ik combineer in Antwerpen als eerste Onderwijs en Jeugd.”

Elke Decruynaere: “Ik was in 2013 in Gent de eerste schepen met de bevoegdheden Onderwijs, Jeugd en Kinderopvang. In deze tweede legislatuur komt daar Outreachend Werk bij, met onder andere straathoekwerk. De Vlaamse regering lanceerde onlangs nog een oproep om de grens tussen kinderopvang en kleuteronderwijs minder hard te maken. In Gent vinden we al langer dat ze eigenlijk een synergie vormen.”

Beels: “Kinderopvang zit bij N-VA-collega Nabilla Ait Daoud. Zij had daar in de vorige legislatuur veel in geïnvesteerd; ik kan goed begrijpen dat ze dat niet zo graag uit handen geeft.”

Decruynaere: “Dat begrijp ik ook. Het grote voordeel van een gemeentebestuur is dat het zes jaar de tijd krijgt om een beleid op de sporen te zetten. Als je er dan als schepen van Onderwijs nog eens zes jaar kunt bijdoen, overspan je bijna evenveel tijd als drie Vlaamse ministers van Onderwijs. (lacht) Dan heb je écht impact.”

Hoe hebben jullie het voorbije coronajaar ervaren?

Decruynaere: “Heftig. Als schepen zit je sowieso dicht bij de mensen op de werkvloer. Vooral voor hen was het voorbije anderhalf jaar een hevige rollercoaster. Een schepen van een grootstad heeft meer mogelijkheden om beleid te voeren dan een schepen van een kleinere gemeente. De schaal waarop wij werken is nu eenmaal veel groter. De voorbije coronaperiode vergaderde ik elke week virtueel met ons kernteam onderwijs. Daar zitten vertegenwoordigers in van de scholen en de lokale CLB’s, maar ook iemand als Petra Schelstraete, afdelingshoofd kinderlong- en infectieziekten UZ Gent. Zij gaf ons inzage in internationale onderzoeken, waardoor we het lokale niveau regelmatig overstegen.”

Beels: “Ook bij ons was het pittig. Corona maakt alleszins duidelijk hoe belangrijk een lokaal bestuur is. Want wij moesten al die maatregelen uitvoeren die door de Vlaamse en de federale regeringen opgelegd werden. Een van mijn grootste frustraties is dat er te weinig rekening met ons werd gehouden. Het was echt niet vanzelfsprekend om al die regels in de praktijk te brengen.”

Decruynaere: “Zo werd tijdens de eerste lockdown de maatregel afgekondigd dat kinderen op de speelplaats anderhalve meter afstand van elkaar moesten houden. Wij lieten toen samen als onderwijsschepenen weten: ‘Sorry, maar dit is onmogelijk uit te voeren.’ Er werden ook totaal onrealistische afstandsregels voor de klassen vastgelegd. Leerkrachten en directies hadden hun handen vol met de reorganisatie van hun scholen. Wij waren hun woordvoerders bij de regionale en federale overheden en trokken daar samen aan de alarmbel.”

Beels: “Ze hebben toen ook naar ons geluisterd en op ons aangeven de klasbubbel geïntroduceerd.”

Leverde de Vlaamse minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) goed werk af?

Beels: “Moeten wij nu zijn rapport maken? (lacht)”

Ondanks alle kritiek wou hij per se de scholen openhouden.

Beels: “Ook ik wou dat van in het begin. Het hele Antwerpse stadsbestuur wou dat zoveel mogelijk kinderen naar school konden blijven gaan. Want na die allereerste vier maanden durende lockdown merkten we dat we veel kinderen kwijt waren. 25 à 30 procent van de leerlingen was gewoon van de radar verdwenen. Welzijnspartners zoals het OCMW en het CAW signaleerden ons dat kinderen het mentaal zwaar te verduren hadden. De school is een veilige haven en daarom besloten wij dat ze zo lang mogelijk moést openblijven. Zo kregen kinderen de kans om even te ontsnappen aan de realiteit. Want niet iedereen heeft een grote tuin of woont in een comfortabel huis.”

Decruynaere: “De coronacrisis leert ons inderdaad dat voor veel kinderen de school een veilige plek is. Maar wat zich in de samenleving door corona afspeelde, weerspiegelde zich ook in de scholen. Leerkrachten moésten gaan werken en kregen daardoor vaak het gevoel dat ze in de vuurlinie stonden. Dat was zeker zo toen er nog niet voldoende beschermingsmaatregelen waren.”

Ze hadden het gevoel dat ze hun leven waagden?

Decruynaere: “Zo voelde het écht en ik begrijp die angst. Ik vond ook dat de scholen zo lang mogelijk moesten openblijven, alleen werden we zeer vaak aan ons lot overgelaten.”

Beels: “Wij vroegen onze leerkrachten en jeugdwerkers om níet in hun kot te blijven, maar ik vrees dat we hen niet genoeg lieten weten dat we dat enorm appreciëren. Want fysiek en mentaal eiste dat veel van hen. Velen zitten nu aan het eind van hun Latijn.”

Decruynaere: “Ik vind dat minister Weyts meer had kunnen doen. We moesten ons plan trekken en we deden dat ook, net als veel andere lokale besturen. Dat ging dan over heel praktische dingen, zoals nadarhekkens om die klasbubbels in goede banen te leiden. Maar ook over het op zoek gaan naar, en inzetten van extra mankracht en vrijwilligers. Onze scholen sloegen alarm: ‘Help, we dreigen kopje onder te gaan.’ Waarna wij hen om de twee weken vroegen welke hulp ze konden gebruiken en hoeveel mensen ze daarvoor nodig hadden.”

Reikten jullie een helpende hand naar àlle Gentse scholen?

Decruynaere: “We hielpen over alle netten heen, ja. De scholen konden zo beroep doen op in totaal 750 extra krachten. Het is trouwens niet onze verdienste, of van de minister, dat de scholen zo lang openbleven. Dat hebben we alleen maar te danken aan de mensen op de vloer: leerkrachten, directies en CLB’s.”

Beels: “Ook wij hebben nooit zitten wachten op ondersteuning uit Vlaanderen, want die kwam vaak te laat. Ook wij hielpen de scholen over alle netten heen met praktische zaken als nadarhekkens, ontsmettingsgels of opvangen van personeelstekort. Wij maakten het mee mogelijk dat leerkrachten die in quarantaine moesten, van bij hen thuis online les konden blijven geven. Hun leerlingen volgden die lessen dan in de klas. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar vraagt veel organisatie.”

Wat ik niet goed snap, is waarom leerkrachten niet als een van de eersten gevaccineerd werden.

Decruynaere: “Blijkbaar zagen ze het op andere niveaus niet zitten om die grote groep leerkrachten ertussen te schuiven. Want het vaccineren van de rest van de kwetsbare bevolking zou dan te veel vertraging oplopen. Klinkt logisch, toch begrijp ook ik niet waarom er niet van bij het uittekenen van de vaccinatiecampagne met de leerkrachten rekening gehouden werd. In het buitenland werden zij wél snel gevaccineerd. De leerkrachtenlijst had toch al kunnen klaarliggen lang voor de vaccins er waren? Hetzelfde geldt voor mensen in de kinderopvang. Daar is anderhalve meter afstand bewaren tijdens het dagelijkse werk toch een illusie?”

Beels: “Leerkrachten moesten de scholen draaiende houden, maar hen meteen vaccineren kon niet. Ook ik snap dat niet. Dat is ook bijzonder moeilijk aan die mensen uit te leggen.”

Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke is ook lid van Vooruit, mevrouw Beels. U sprak hem daar nooit over aan?

Beels: “Ik lever geen kritiek op Frank, dat zou te gemakkelijk zijn. Hij maakte samen met de regering soms moeilijke keuzes en ik heb daar alle begrip voor. In een crisis zoals deze moet er niet met de vinger gewezen worden. Er mogen wel lessen uit getrokken worden. Zo was er veel te weinig aandacht voor het mentale leed door de lockdowns.”

In het heetst van de strijd tegen het virus verloren we de psychische gevolgen uit het oog?

Decruynaere: “Tijdens de eerste lockdown werd veel schade aangericht, toen scholen en jeugdinstellingen moesten sluiten. Child Focus waarschuwde terecht voor familiaal geweld. Weet u dat sommige jonge slachtoffers van kindermisbruik vanuit de opvang terug naar huis gestuurd werden? Ze moesten de lockdown verder doorbrengen op een krap appartement, samen met de dader. Die verhalen maken me vreselijk kwaad. Waarom lieten we dat in godsnaam gebeuren?”

Beels: “Samen vroegen wij daar verschillende keren aandacht voor. Eerst kregen we geen gehoor; langzaamaan veranderde dat. Maar intussen was die schade er, met zoveel jonge mensen die het niet meer zagen zitten en afhaakten.”

Decruynaere: “Vanuit het kabinet van Onderwijs werden altijd eerst ronkende verklaringen afgelegd. Pas nadien vroegen ze zich af: ‘Hoe brengen we dit in de praktijk?’ Zo werd er in december al getoeterd over het grote belang van zelftesten. Die zijn nog maar pas gearriveerd, nu het schooljaar zo goed als voorbij is. Lang was er een gigantisch verschil tussen de beslissingen en de dagelijkse praktijk. Minister van Jeugd Benjamin Dalle (CD&V) nam vorige zomer dan gelukkig tóch het voortouw om jeugdkampen mogelijk te maken. Hij ging in dialoog met organisaties uit het jeugdwerk en zocht samen met hen naar oplossingen.”

Beels: “Wij spraken Benjamin Dalle daar in mei vorig jaar al over aan. Jongeren mochten toen níets meer. ‘We zijn ze aan het verliezen’, waarschuwden we de minister. ‘Zet het jeugdwelzijnswerk alsjeblieft in een aangepaste vorm verder.’ Ik was blij dat hij het daarmee eens was. Van in het begin roerden wij onze mond, want we waren getuige van al wat er misliep. Wij trokken aan de mouwen van de Vlaamse en federale overheden, onder andere via de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (OVSG) en onze stadsbesturen. Corona kwam onverwacht, sloeg keihard toe en zorgde voor grote verwarring. Maar dat kan toch geen excuus blijven?”

Decruynaere: “Ik heb nog in het holst van de nacht mails gestuurd naar Ben Weyts, die bijna meteen antwoordde. Dat was helaas niet altijd het antwoord dat ik wou horen, maar hij reageerde wel. (lacht) Een belangrijke les van corona is misschien ook dat het hoog tijd is dat lokale besturen opnieuw naar waarde geschat worden. Kijk naar de vaccinatiecentra: op het laatste nippertje werd beslist dat de gemeenten die mochten beheren. Zowel in Antwerpen als Gent draaien ze geolied. Onze ambtenaren leveren puik werk af.”

Antwerpen en Gent hebben hun eigen stedelijk onderwijsnet. Is dat nog van deze tijd?

Decruynaere: “Zonder twijfel. Voor de centen moeten we het niet doen, integendeel. Dan kunnen we onze scholen beter overlaten aan het Gemeenschapsonderwijs. Het is niet voor niets dat veel steden en gemeenten de voorbije jaren afscheid namen van hun onderwijsinstellingen. Want een eigen scholennet kost een stadsbestuur handenvol geld, terwijl het al niet gemakkelijk is om de hele begroting rond te krijgen. Eigen stedelijk onderwijs is een dappere keuze. Als inrichtende macht staan wij zelf met onze voeten in de modder, waardoor we meer recht van spreken hebben in het grote onderwijsdebat. Ik word niet alleen door leerkrachten en directies aangesproken, maar ook door ouders. Ze weten me allemaal te vinden en dat is prima. Als schepen van Onderwijs let ik er ook op dat ik er voor alle netten ben.”

Want de verleiding is soms groot om het eigen net te bevoordeligen?

Decruynaere: “Om dat te vermijden of te corrigeren, hechten wij steeds meer belang aan flankerend onderwijsbeleid. Alle onderwijsnetten worden geconfronteerd met dezelfde problemen, zoals bijvoorbeeld vroegtijdige schoolverlaters. Het is daarom ook niet meer dan logisch dat we een breed beleid voeren, met oog voor een juiste balans tussen alle scholen. De stad is voor mij een ‘kansenfabriek’. Nelson Mandela zei: ‘Education is the most powerful weapon to change the world.’ Álles begint in het onderwijs.”

Beels: “Als grootste stad van Vlaanderen heeft Antwerpen geen andere keuze dan een eigen onderwijsnet in stand houden. Maar daarnaast werken ook wij aan een robuust flankerend onderwijsbeleid. We bieden serieuze ondersteuning aan álle netten aan. Net als Elke ben ook ik er groot voorstander van om inrichtende macht te zijn van een eigen net. We investeren er enorm veel geld in, maar plukken er ook de vruchten van. In Antwerpen is de nood naar voldoende plaatsen in het onderwijs zeer groot. Die capaciteitsproblematiek zal de volgende jaren alleen maar toenemen. Als lokaal bestuur proberen we dat met ons eigen net een beetje onder controle te houden. Al geef ik meteen toe dat het heel moeilijk is. Daarom ook maak ik me zorgen over andere steden zonder eigen onderwijsnet: worden al die leerlingen waar geen plaats voor is daar dan vogels voor de kat?”

Het Antwerpse buitengewoon basisonderwijs kampt met een zeer ernstig capaciteitsprobleem. 418 kinderen, of meer dan de helft van het totaal, staan op een wachtlijst voor volgend schooljaar.

Beels: “Vorig jaar hadden we voor het eerst een online centraal aanmeldingssysteem voor het buitengewone basisonderwijs. Toen had al 48 % van onze kinderen geen plaats. Wij creëerden als lokaal bestuur 79 extra plaatsen. Nu is het vat af. De grote oorzaak is het stuitende gebrek aan investeringen van de Vlaamse overheid in buitengewoon onderwijs. Daar dragen wij de pijnlijke gevolgen van.”

Is dat gebrek aan investeringen een gevolg van het M-decreet met zijn inclusieve onderwijs? Omdat zoveel mogelijk kinderen met een beperking of een stoornis recht hebben op meedraaien in het gewone onderwijs?

Beels: “Ik ben een groot voorstander van de filosofie van inclusief onderwijs. Dat M-decreet was een uitstekend plan, alleen liet de praktische uitwerking veel te wensen over. Het ging op de schop en nu zitten we inderdaad in een tegengestelde beweging. Als je als leerkracht in een gewone klas een paar leerlingen met bijzondere noden hebt zonder voldoende ondersteuning, houdt het op een bepaald moment op. Zeker nu, met die uitputtende coronacrisis er bovenop. Ik vermoed dat iedereen het erover eens is dat we kinderen met beperkingen zo lang mogelijk in het gewone onderwijs houden. Maar dan moeten er ook voldoende middelen voor zorg vrijgemaakt worden. Nu duurt het ontzettend lang om kleuters te laten testen. In Antwerpen haken ouders én leerkrachten af. Die wachtlijst krijgen we op korte termijn jammer genoeg niet opgelost, ook al blijven we hemel en aarde bewegen om extra plaatsen bij te maken.”

Decruynaere: “In Gent vinden op dit moment 8 kinderen geen plek in het buitengewoon onderwijs. Ook bij ons kan het snel ontsporen. Ik vind dat gebrek aan plaatsen een raar fenomeen. Als er een baby geboren wordt, weten we toch dat hij een paar maanden later naar de kinderopvang, twee jaar later naar de kleuter- en de basisschool en zes jaar later naar het middelbaar moet? Dit land is rijk, relatief goed georganiseerd, telt veel knappe koppen die alles weten over big data, maar toch slagen we er niet in om de capaciteit op school voor onze kinderen goed in te schatten.”

Beels: “Mijn grootste frustratie na 2,5 jaar als schepen van Onderwijs is dat Vlaanderen maar twee échte grootsteden met een onderwijsnet telt: Antwerpen en Gent. Met als gevolg dat het Vlaamse onderwijsbeleid niet op ons lijf geschreven is.”

Omdat Vlaanderen niet van grootsteden houdt?

Beels: “Nee, omdat er gewoon te weinig kennis bij het beleid is over de problemen van grootsteden. Onbekend is onbemind.”

Decruynaere: “Soms lanceert Vlaanderen zogenaamde ‘nieuwigheden’ waar steden al veel ervaring mee hebben. Alleen weten ze dat niet omdat ze niet eerst hun oor bij ons te luisteren hebben gelegd. Niet zolang geleden presenteerde minister Weyts het project Leerbuddy Vlaanderen dat leerlingen met een achterstand in contact wil brengen met vrijwillige tutors en leerbuddies. Ik vind dat fantastisch, want internationale ervaring leert dat tutoring uitstekende resultaten oplevert. Wij zijn daar in Gent al heel lang mee bezig, net als Antwerpen en Leuven. Denkt u dat de minister ons daar één vraag over gesteld heeft? Nee, maar ze haalden wel budgetten bij de lokale initiatieven weg om die in hun nieuwe structuur te stoppen.”

Beels: “Wij vragen om meer betrokken te worden bij dat Vlaamse onderwijsbeleid. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat we elkaar beconcurreren? Het enige doel is toch: het welzijn en het welbevinden van onze kinderen?”

Decruynaere: “Het is geen toeval dat Antwerpen en Gent hun eigen onderwijscentrum hebben, een dienst die met alle scholen van de stad samenwerkt aan thema’s als diversiteit en vroegtijdige schoolverlaters. Andere pedagogische begeleidingsdiensten hebben die grootstedelijke uitdagingen nog niet ontdekt. Op het vlak van diversiteit zijn steden als Brussel, Antwerpen en Gent voorlopers, terwijl daar in Vlaanderen zeer krampachtig op wordt gereageerd. Wij hebben veel expertise opgebouwd en beschouwen diversiteit als een troef. Maar er zijn in onze steden ook een paar lichten die oranje knipperen en die een voorbode zijn voor wat de rest van Vlaanderen te wachten staat. Zo worden wij nu al geconfronteerd met een groot lerarentekort. Daar maak ik me veel zorgen over.”

Er woedt ook een hevige discussie over de kwaliteit van ons onderwijs. Die zou te lang ondergeschikt geweest zijn aan het welbevinden op school.

Decruynaere: “Ik vind het jammer dat academici zoals Wouter Duyck in heel dat debat excellentie tegenover welbevinden plaatsen. Het is niet het ene of het andere: zowel zorg als kwaliteit zijn nodig. Om te kunnen leren, moet je je goed in je vel voelen. En een school die enkel met welbevinden bezig is, neemt haar leerlingen niet ernstig.”

Beels: “Het is inderdaad geen zwart-witverhaal. Het zou goed zijn moesten sommige experts stoppen met kwaliteit en zorg voortdurend tegenover elkaar te zetten. De focus moet gericht zijn op beide.”

Doet de huidige minister van Onderwijs dat?

Beels: “Ben Weyts richt zich vooral op de kwaliteit. We worden er continu aan herinnerd dat onderzoeken aantonen dat de kwaliteit van het onderwijs in Vlaanderen daalt. Ik betwist die onderzoeken niet, maar door enkel één kant te belichten, vrees ik dat we nog verder van huis raken.”

U zit in een coalitie met N-VA-voorzitter Bart De Wever. Is hij uw rechtstreekse lijn naar Ben Weyts?

Beels: “Het is niet omdat ik in een coalitie met de partij van de minister zit, dat ik meer gedaan krijg. Ik ga soms wel eens tegen Bart zagen, hij is niet voor niets burgemeester. (lacht) Hij trekt zich dat ook aan, hoor. Als grootstad moeten we net als Gent zwaar knokken om op het Vlaamse niveau gehoord te worden.”

Decruynaere: “Ben Weyts stelt de na te streven doelen, maar voorziet niet de nodige middelen om scholen te helpen die doelen te halen. De afstand tussen wat Brussel wil en wat er in scholen leeft, is gigantisch. Ik maak me ook zorgen over de grote ongelijkheid tussen scholen. Het inschrijvingsdecreet met het online aanmelden zorgde voor zeer veel emoties, en ik kan dat goed begrijpen. Al die emotionaliteit is een symptoom van die ongelijkheid. Ouders voelen aan dat de verschillen tussen scholen zeer groot zijn.”

Is dat niet altijd zo geweest? Halverwege de jaren 80 verrichtte ik mijn burgerdienst op een instelling van het Gentse stedelijk onderwijs. Toen al hoorde ik verhalen over de elite- en concentratiescholen van de stad.

Decruynaere: “Die segregatie van toen bestaat jammer genoeg nog, maar is toch anders. Want ik ken zogenaamde concentratiescholen die puike resultaten neerzetten. Ik ken ook zogenaamde elitescholen die de top niet halen. Weet u wat goede graadmeters zijn om de kwaliteit en de sfeer van een school te bepalen? Ga na of de leerkrachten er hun eigen kinderen naartoe sturen. Dat zegt zéér veel. Kijk vervolgens naar de uitstraling van directie en leerkrachten. Sloffen ze kop in kas, zuchtend over de speelplaats? Of wandelen ze opgewekt, met open blik tussen de kinderen? Ik bezocht intussen zeer veel scholen en ik zag op beide types diep zuchtende en vrolijk lachende leerkrachten. Als ze steen en been klagen, geloven ze er zelf niet meer in. Dat heeft niets te maken met de kleur van hun leerlingen, maar met de mentaliteit op hun school.”

Beels: “Het belang van de leerkracht wordt vaak onderschat. Ik ben wie ik geworden ben dankzij een paar bevlogen leerkrachten die in mij geloofden.”

Decruynaere: “Directies zijn ook zeer belangrijk voor een school. Na de voorbije moeilijke coronaperiode verdienen zij een standbeeld. Vaak vallen de gedreven directeurs en leerkrachten door burnout eerst uit.”

Beels: “Het beroep van leerkracht wordt ondergewaardeerd. Het is echt niet vanzelfsprekend om een hele dag voor de klas te staan met een diverse groep leerlingen. Leerkrachten moeten zichzelf elke dag opnieuw overstijgen én de kwaliteiten in leerlingen ontdekken en bovenhalen. Dat is niet iedereen gegeven. Bij bezoeken aan lerarenopleidingen moest ik zelf vaststellen dat die studie voor veel aspirant-leerkrachten een tweede keuze was. Ze hadden iets anders geprobeerd, dat was mislukt en dus probeerden ze het maar eens in het onderwijs. ‘Uitzicht op een vast beroep met veel vakantie.’ Mij lijkt dat niet de juiste motivatie. Het is ook niet omdat een groot college een ronkende naam heeft, dat het meteen het best mogelijke onderwijs aanbiedt. Dat kleine schooltje in een diverse buurt brengt het er misschien beter van af. Maar bij veel ouders leeft inderdaad te vaak de overtuiging dat het deftige college wel uitmuntend moét zijn. Het is aan de overheid om die perceptie te keren.”

De voorbije veertig jaar is dat niet gelukt.

Beels: “Er is misschien niet veel veranderd, tóch moeten we daartegenin blijven gaan. Hoe overtuigen we ouders ervan dat het schooltje in hun superdiverse wijk uitstekend onderwijs biedt én een veilige plek is? Ouders kiezen de school voor hun kinderen. Als ze allemaal naar diezelfde zogenaamde eliteschool in een andere buurt van de stad willen, lossen we de capaciteitsproblemen nooit op.”

Decruynaere: “Ik heb soms huilende ouders aan de telefoon: ‘Als onze zoon of dochter niet naar die school kan, is zijn of haar leven voorbij.’ Veel gekker moet het toch niet worden?”

Jinnih Beels kreeg zelf met racisme te maken toen ze bij de politie werkte. Hoe zit het met racisme op de Antwerpse en Gentse scholen?

Beels: “Racisme en discriminatie vind je jammer genoeg overal. Ik merk dat ook in ons onderwijs, net als indertijd bij de politie. Dan gaat het niet enkel over racisme tussen leerlingen. Veel mensen koesteren vooroordelen, óók leerkrachten. Van zodra ze beseffen dat het vooroordelen zijn, staan we een stap verder. Want dan zijn die leerkrachten misschien in staat om al hun leerlingen alle kansen te geven. Te veel kinderen hebben vandaag het gevoel dat ze afgerekend worden op hun achtergrond, in plaats van op wat ze kunnen. Dat is onvergeeflijk, want zo wordt talent beknot. We proberen daar iets aan te doen door in ons stedelijk onderwijs veel aandacht te besteden aan actief burgerschap en leren zowel leerlingen als leerkrachten om te gaan met diversiteit.”

Decruynaere: “De universiteit van Gent voert onderzoek naar superdiversiteit in ons onderwijs. Ook andere steden werken daaraan mee. Tot hiertoe werden kinderen met een andere moedertaal dan het Nederlands in bad gegooid. ‘Doe maar mee met de rest, en we zien wel waar we eindigen.’ Vaak mislukte dat, waardoor de achterstand groeide. Nu zijn we ons van dat probleem zeer goed bewust en binnenkort screenen we met een taaltest. Het échte werk moet dan nog beginnen. Een mens heeft veel zelf in de hand, maar niet waar hij geboren wordt of hoe hij eruitziet. Hoe erg is het niet dat leerlingen net daarop worden afgerekend?”

Hoe divers is het lerarencorps in Antwerpen en Gent?

Beels: “Over het algemeen heeft 1 procent van het hele corps in Vlaanderen een andere afkomst. Antwerpen telt meer dan 180 verschillende nationaliteiten. Meer dan 50 procent van onze inwoners heeft vreemde wortels. Onze leerlingen herkennen zichzelf dus onvoldoende in hun leerkrachten.”

Decruynaere: “In de klas is er veel diversiteit, maar niet voor de klas. Het loopt al mis bij de instroom in de lerarenopleiding. Er moeten dringend maatregelen genomen worden om daar iets aan te veranderen. De weinige mensen van kleur in ons onderwijs betekenen nu al heel veel voor de scholen waar ze werken. Dat stemt mij hoopvol. Want hoe meer leerkrachten van kleur, hoe meer het racisme in de leraarskamer zal verstommen.”

Jinnih Beels

  • Geboren in 1976 in Calcutta, India
  • Dochter van een Indiase moeder en Belgische vader
  • Verhuisde op haar 6e na de dood van haar moeder naar Antwerpen
  • Studeerde criminologie aan de KULeuven
  • Ging na haar studies aan de slag bij de toenmalige rijkswacht
  • Werd later commissaris bij de politie
  • Stapte in 2017 over naar de politiek
  • Is sinds januari 2019 Antwerps schepen voor Onderwijs voor Vooruit

Elke Decruynaere

  • Geboren in 1981 in Kortrijk
  • Studeerde geschiedenis aan de KULeuven en UGent
  • Werkte tien jaar lang als beleidsmedewerker aan gelijke rechten voor mensen met een handicap
  • Zetelt sinds 2007 voor Groen in de Gentse gemeenteraad
  • Werd in 2009 fractieleider
  • Is sinds januari 2013 Gents schepen voor onderwijs voor Groen

© Jan Stevens

‘Voortaan passen we de school aan het kind aan’

Op 1 september wordt het M-decreet van kracht. Alle kinderen met een beperking hebben vanaf dan recht op ‘gewoon onderwijs’. Geen enkele gewone school zal hen mogen weigeren. Sommige leerkrachten zijn bang dat ze ‘overspoeld’ zullen worden, andere vrezen dat het decreet een vermomde besparingsmaatregel is. ‘Leerkrachten in het buitengewoon onderwijs zullen werkloos worden.’

Een donderdagavond in april. In een basisschool in een Oost-Vlaams gehucht blazen de leerkrachten verzamelen voor hun maandelijkse personeelsvergadering. Vandaag staat naast de voorbereiding voor het traditionele schoolfeest nog een belangrijk punt op de agenda: de bespreking van de visie van de school op het nieuwe M-decreet. Die ‘maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften’ werden in maart 2014 door het Vlaams Parlement goedgekeurd en worden vanaf 1 september 2015 ingevoerd. Voortaan zullen alle kinderen met beperkingen recht hebben op een plaats in het gewoon onderwijs. Enige voorwaarde is dat de aanpassingen die de school moet doorvoeren, ‘redelijk’ moeten zijn. Wat die ‘redelijke aanpassingen’ precies inhouden, staat nergens gedefinieerd. Ze zullen voor elk kind verschillen en kunnen bijvoorbeeld bestaan uit extra tijd om toetsen af te leggen of een klaslokaal op de gelijkvloerse verdieping. De aanpassingen moeten het kind met een beperking helpen om net als zijn klasgenootjes de leerdoelen te halen. Maar ook kinderen met beperkingen die ‘onredelijke aanpassingen’ vergen, moeten vanaf 1 september door de gewone school ingeschreven worden. Voor hen zal dan in nauw overleg met het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB), de ouders, de klassenraad en de zorgcoördinator een aangepast leerparcours uitgestippeld worden.

Directeurs Eric en Leen (die de naam van hun school liever niet in Knack zien staan uit vrees voor een aanzuigeffect, nvdr) en zorgcoördinator Hilde zijn al een paar maanden bezig met het voorbereiden van de invoering van het M-decreet op hun school. Het huidige en toekomstige zorgbeleid is door Eric op papier gezet en zal op deze personeelsvergadering samen met alle collega’s kritisch onder de loep genomen worden. ‘Vorige week hebben we in het eerste leerjaar een meisje met een complexe problematiek ingeschreven’, zegt Eric aan het begin van de vergadering. ‘Haar verhaal is een illustratie van het M-decreet in de praktijk. Haar moeder is bij ons komen aankloppen omdat ze vond dat haar dochter niet op haar plaats zat in het buitengewoon onderwijs. Wij kunnen niet anders dan dat meisje in het eerste leerjaar inschrijven. We hebben met de moeder afgesproken dat we haar voortdurend op de hoogte houden van wat lukt en wat niet. Als we erin slagen om het meisje op het einde van haar lagereschoolcarrière tot op het niveau van het vierde leerjaar te krijgen, hebben we een ongelooflijk succes geboekt.’

Meer overleg

Eric en zijn collega’s hebben ervaring met inclusief onderwijs. ‘Het M-decreet is voor ons de logische voortzetting van de extra zorg die wij onze kinderen aanbieden’, zegt hij. ‘We geven al lang de mogelijkheid aan kinderen met een beperking om een individueel traject te volgen. Zij worden daarvoor op onze school extra ondersteund door leerkrachten van een begeleidende school voor buitengewoon onderwijs. We hebben daar goede ervaringen mee. De invoering van het nieuwe decreet zal tot gevolg hebben dat we steeds meer leerlingen een apart traject zullen moeten aanbieden. Dat kan enkel na overleg met het CLB, de leerkrachten en de ouders. Dat multidisciplinair overleg is niet nieuw voor ons, met onze uitgebreide zorg doen we dat al jaren. Die cultuur zit bij ons ingebakken, en daarom verwacht ik niet dat de invoering van het M-decreet onze mensen veel meer overlast zal bezorgen.’

Toch zijn niet alle collega’s er gerust op. ‘Niemand weet hoeveel kinderen op 1 september het buitengewoon onderwijs zullen inruilen voor een gewone school’, zegt juf Christine. ‘We hebben geen flauw idee of we het dan alleen kunnen redden of extra hulp nodig zullen hebben.’

Zijn de leerkrachten bang dat ze ‘overspoeld’ zullen worden? ‘Mondelinge reclame kan daar misschien wel voor zorgen’, knikt juf Els. Maar Eric nuanceert. ‘We hebben het geluk dat onze school in een gehucht ligt’, zegt hij. ‘Kinderen komen niet van heinde en ver naar hier omwille van onze goede zorg. We verwachten wel dat sommige kinderen met beperkingen uit de buurt de overstap naar onze school zullen maken. Daar bereiden we ons op voor. We zijn trouwens een van de eerste scholen waar gediscussieerd wordt over een ontwerptekst voor het M-decreet.’

Is dat niet bizar? Dat decreet hangt toch al lang in de lucht? ‘Ja, maar er stroomt bijzonder weinig informatie door naar de gewone leerkrachten’, vindt juf Els. ‘Wij hebben het geluk dat we ingelicht worden door onze directie, via andere kanalen horen we er weinig over. Het is alsof dat M-decreet wordt doodgezwegen, alleen moeten wij er op 1 september wel mee aan de slag. Niemand heeft zicht op hoeveel kinderen er zullen overkomen en wat hun beperkingen zijn. Hebben ze motorische of mentale handicaps of beide?’

Eric: ‘Of zijn het kinderen met ernstige gedragsstoornissen? Daar maak ik me nog het meest zorgen over: als we die erbij moeten nemen, zitten we pas echt in de penarie.’

Tweestromenland

Volgens Jan Schokkaert van het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO) leven veel basisscholen in onzekerheid over hoeveel kinderen met een beperking op 1 september de stap naar het gewoon onderwijs zullen zetten. ‘Op 1 februari van dit jaar konden we al een opmerkelijke daling vaststellen in het aantal leerlingen dat ingeschreven werd in het buitengewoon basisonderwijs’, zegt hij. ‘Dat wil zeggen dat ze opgevangen zullen moeten worden in het gewoon onderwijs. De hamvraag is of de gewone basisscholen voldoende voorbereid zijn op die nieuwe grote verscheidenheid in hun klassen. Vroeger kregen kinderen met een beperking een attest van het CLB dat hen rechtstreeks toegang gaf tot het buitengewoon onderwijs. Nu al oordeelt het CLB steeds meer dat die kinderen beter voor het gewoon onderwijs kiezen.’

Het M-decreet treedt voor inschrijvingen toch pas vanaf 1 september in werking? ‘Ja, maar de verschuiving is nu al bezig en dat is heel opmerkelijk. Daar komt bij dat de toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon onderwijs verstrengd worden. Scholen voor gewoon onderwijs zullen extra inspanningen moeten leveren om leerlingen met beperkingen zo lang mogelijk aan boord te houden. Er zal dus ook meer overlegd moeten worden tussen leerkrachten, ouders en het CLB om na te gaan wat de mogelijkheden binnen de gewone school zijn. Pas als een school alle maatregelen genomen heeft die redelijkerwijze van haar verwacht mogen worden, zal het CLB een verslag opmaken om een leerling te laten doorstromen naar het buitengewoon onderwijs. Sommige gewone scholen zullen nog flink wat inspanningen moeten leveren om de juiste zorg aan alle leerlingen te kunnen aanbieden.’

Staan alle basisscholen vandaag dan niet even ver in het aanbieden van extra zorg? Jan Schokkaert: ‘Nee, al hebben de meeste scholen de laatste jaren wel een serieuze evolutie doorgemaakt. Scholen met een traditie in zorgbeleid zijn bang dat zij de meeste leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften zullen moeten opvangen. Scholen die minder in zorg geïnvesteerd hebben, zullen misschien minder kinderen met extra noden over de vloer krijgen, waardoor er een tweestromenland kan ontstaan.’

‘Van de 65.000 kinderen met een beperking zitten er nu al 15.000 op een gewone school’, reageert minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V). ‘We vertrekken dus niet van nul. Er zijn al heel wat scholen die veel aandacht aan zorg besteden. Misschien kunnen zij hun ervaring delen met die scholen die nog een langere weg af te leggen hebben. Dat is trouwens ook aan het gebeuren. Ik begrijp dat leerkrachten bezorgd zijn over de invoering van het M-decreet, maar er hoeft echt geen angst te zijn. De voorbije maanden was er veel overleg met de onderwijskoepels, de CLB’s, directies en leerkrachten. We hebben iedereen zo veel mogelijk geïnformeerd, al kan het natuurlijk altijd dat sommigen tussen de mazen van het net geglipt zijn.’

Halverwege juli stuurde Crevits een sussende brief naar alle CLB’s. ‘Het is wennen aan de nieuwe situatie, en daar heb ik alle begrip voor’, schreef ze. ‘Om deze toepassing zorgzaam en zorgvuldig door te voeren, gaf ik de onderwijsinspectie de opdracht om twee jaar op verkenning te gaan en eerder een ondersteunende rol dan een controlerende uit te voeren.’ De onderwijsminister beloofde met andere woorden dat de inspectie na de invoering van het M-decreet de CLB-medewerkers twee jaar lang niet op de vingers zal kijken.

Inge Van Trimpont van het Gemeenschapsonderwijs hoopt dat de invoering van het M-decreet ervoor zal zorgen dat alle scholen voortaan zullen inzetten op zorg. ‘Tot nu toe was het verlenen van extra zorg vrijblijvend. Door het M-decreet kan geen enkele school er nog aan ontsnappen. Het M-decreet zorgt voor een radicale verandering: voortaan vertrekken we niet langer vanuit de beperkingen, maar vanuit de onderwijsbehoeften van een kind: welke aanpassingen zijn er nodig om aan die behoeften te voldoen? Vroeger probeerden we onze kinderen te remediëren tot ze pasten in de school. Als dat niet lukte, moesten ze maar naar het buitengewoon onderwijs. Nu passen we de school aan het kind aan.’

Cultuurschok

Hade Debaillie (29) is een groot voorstander van het M-decreet. Zelf maakte ze als lagereschoolkind de ‘omgekeerde beweging’: van de gewone naar de buitengewone school. ‘Achteraf beschouwd had ik best in het gewone basisonderwijs kunnen blijven’, zegt ze. ‘Maar ik werd er gepest en dat hield pas op toen ik in het buitengewoon onderwijs terechtkwam. Want daar weet iedereen wat het is om gehandicapt te zijn.’

Hade heeft Cerebral Palsy. ‘Dat is een neurologische aandoening die ervoor zorgt dat ik spastisch ben in mijn onderste ledematen. Als kind was mijn handicap minder zichtbaar dan nu. Ik zat toen nog niet in een rolstoel, dat is een gevolg van een ongeval dat ik had op mijn 22e. Mijn benen en heupen bewogen veel minder soepel dan die van mijn leeftijdsgenoten en ik deed er iets langer over om nieuwe motorische vaardigheden aan te leren. Ik had ook epilepsie, maar die was perfect onder controle dankzij medicatie. Het schrijven ging niet zo vlot; voor de rest zag ik er perfect normaal uit.’

Haar leraar dacht daar anders over. ‘Hij vond dat ik te traag werkte. “Wat is dat toch met die kleine Hade? Ze kan wel, maar ze wil niet.” Hij besliste samen met mijn ouders dat ik beter naar het buitengewoon onderwijs kon overstappen.’

Als kind van acht was Hade blij dat ze naar een nieuwe school mocht. ‘Eindelijk weg van die school waar ik gepest werd.’

Was de buitengewone school een cultuurschok? ‘Ja. Ik zag er zware handicaps, waardoor ik mijn eigen handicap leerde relativeren. Ik zat er op internaat en ik deelde de kamer met een meisje dat niet kon praten. Ze sloeg voortdurend met haar handen op haar tafeltje en droeg handschoenen opdat ze zichzelf niet te hard zou verwonden. Ze zat continu te roepen en tieren omdat ze niet begrepen werd.’

Hade was terechtgekomen in een artificiële wereld, bevolkt door alleen maar kinderen met zware handicaps. ‘Het kan toch niet de bedoeling zijn dat we alle mensen met een ernstige handicap in een instelling wegstoppen? Ook ‘gewone’ kinderen moeten opgroeien naast kinderen met handicaps. Alleen door ze van kleins af kennis te laten maken met de echte wereld, vermijden we pesterijen. Ik ben actief in de scouts. Een kind van negen zei me onlangs: “Ik ben blij dat ik je heb leren kennen, want ik was bang van mensen in een rolstoel.” Dankzij dat M-decreet wordt die angst in de toekomst misschien voorgoed de wereld uitgeholpen.’

Na de buitengewone basisschool schakelde Hade over naar een gewone middelbare school. ‘Dat was niet zo makkelijk, maar ik was me ervan bewust dat ik mijn diploma aso móést halen om later naar het hoger onderwijs te kunnen doorstromen.’ Ze studeerde pedagogie en werkt nu als programmeur. Ze maakt zich zorgen dat het M-decreet een doodgeboren kind zal zijn. ‘Er was een werkgroep opgericht om over de onderwijsnetten heen over het M-decreet en leerlingen met bijzondere onderwijsnoden te overleggen. Die is ondertussen opgedoekt. Volgens sommigen is het de bedoeling van het huidige beleid om het M-decreet glansrijk te laten mislukken. Het zou niet meer zijn dan een verdoken besparingsoperatie. Dat zou wel van heel veel cynisme getuigen.’

Helpdesk

Jan Schokkaert gelooft niet dat het de bedoeling van de overheid is om met het M-decreet te besparen. ‘Door de verschuiving van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs zullen er heel wat middelen vrijkomen, want in het huidige buitengewoon onderwijs kunnen de leerlingen op veel meer leerkrachten een beroep doen dan in het gewone onderwijs. In een ideale wereld zou een leerling met een aangepast traject vanaf 1 september in het gewone onderwijs op minstens evenveel leerkrachten een beroep moeten kunnen doen als in het buitengewoon onderwijs. In werkelijkheid zal dat vermoedelijk niet zo zijn. In het decreet staat een artikel ingeschreven dat waarborgt dat de vrijgekomen middelen voor dezelfde doelgroep ingezet moeten worden. Ik ben er vrij zeker van dat dat ook zal gebeuren, alleen is er nog steeds geen duidelijkheid over om hoeveel geld het gaat. Het grote probleem is dat een zeer belangrijke hervorming zoals deze extra investeringen vergt. Die zijn er nauwelijks en daar wringt het schoentje. Er is wel een grote groep extra competentiebegeleiders toegezegd die aangesproken kunnen worden door de scholen. Maar zij zullen zeer zelden op de klasvloer ondersteuning komen bieden.’

Die competentiebegeleiders zijn dus niet meer dan een telefonische helpdesk? ‘Daar lijkt het op.’

Hilde Crevits is het daar niet mee eens. ‘Naast de meer dan 60 competentiebegeleiders zullen ook nog eens 180 ervaren mensen op 1 september de overstap van het buitengewoon naar het gewoon basisonderwijs maken. Daardoor wordt de expertise van het buitengewoon onderwijs van bij de start ingezet. Het M-decreet is dus zeker geen besparingsmaatregel en zal niet meteen voor jobverlies, maar eerder voor een verschuiving van banen zorgen. Voor dit jaar heb ik 2,8 miljoen euro van het buitengewoon naar het gewoon basisonderwijs overgeheveld. Dat bedrag dient om de periode van september tot en met december 2015 te overbruggen. Daarnaast willen we ook middelen vrijmaken voor de periode van januari tot en met juni 2016.’

In het schooljaar 2013-2014 telde Vlaanderen 2381 gewone basisscholen. 180 extra leerkrachten komt dus neer op 1 extra leerkracht voor 13 scholen.

Ondoorgrondelijk

Lies Brokken is kleuterjuf en moeder van Minne, een meisje met het syndroom van Down dat in de tweede kleuterklas in het gewoon onderwijs zit. ‘Dat gaat uitstekend’, zegt Lies. ‘Minne draait mee in de klas, en krijgt soms aangepaste taken. Het CLB heeft voor extra ondersteuning gezorgd.’ Minne is ingepast in het bestaande systeem van geïntegreerd onderwijs, de zogenaamde GON-begeleiding. ‘In het gewoon lager onderwijs hebben kindjes met down tot vandaag recht op inclusief onderwijs, wat neerkomt op vijf uur extra ondersteuning per week. Door het M-decreet staat dat onder druk.’

Hoezo? Het decreet wil er toch voor zorgen dat kinderen met een beperking zo lang mogelijk op een gewone school kunnen blijven? ‘Het IQ van Minne is meer dan 60 en daardoor te hoog om vanaf het eerste leerjaar nog recht te hebben op extra ondersteuning. Terwijl ze die net wel nodig heeft. Minne heeft een uitstekend profiel voor inclusief onderwijs op een gewone school. Ze kan zich goed aanpassen in de groep maar moet begeleid worden. Het risico bestaat dat door haar te hoge IQ en haar grote sociale aanpassingsvermogen het M-decreet niet in voldoende extra ondersteuning voor haar zal voorzien, waardoor ze verplicht wordt om naar het buitengewoon onderwijs uit te wijken.’

Lies is een grote fan van de principes van het M-decreet, maar is bezorgd over de uitvoering. ‘Het systeem voor inclusief onderwijs is nu al ingewikkeld, en het decreet maakt het nog ondoorgrondelijker. Als er duidelijke richtlijnen zouden zijn, zou er zowel bij ouders als leerkrachten minder tegenstand zijn. Onze bewindslui zweren bij hoog en bij laag dat het geen besparingsmaatregel is en dat alle middelen van het buitengewoon naar het gewoon zullen vloeien. Ik begin eraan te twijfelen omdat er zo weinig geregeld is. Deze week hoorde ik nog dat alle 16 niet-benoemde leerkrachten van een buitengewone school door de drastische vermindering van het aantal inschrijvingen vanaf 1 september werkloos worden. Niemand weet of ze dan aan de slag kunnen in het gewone onderwijs.’

(c) Jan Stevens