Verliefd op een volksvijand

Vijftienhonderd liefdesbrieven verstuurden Lev en Svetlana Mishschenko toen Lev gevangen zat in de Goelag. De ongecensureerde brieven vormen de kern van Orlando Figes’ uitmuntende boek Just send me word, waarin de Britse historicus verslag uitbrengt van het dagelijkse leven in een sovjetstrafkamp onder Stalin. “Door met een veroordeelde ‘spion’ te blijven corresponderen, nam Svetlana enorme risico’s. Alleen liefde maakt iemand zo gek.”

 

In september 2007 zat Orlando Figes, professor Russische geschiedenis aan de Universiteit van Londen, in het Moskouse kantoor van de mensenrechtenorganisatie Memorial. “Ik was er voor de opname van een documentaire over mijn boek Fluisteraars. Leven onder Stalin”, vertelt hij in een koffiehuis in het hart van Londen. “Toen ik in dat kantoortje met een paar collega-historici zat te praten, werden er drie zware koffers in de hal gezet.” De koffers versperden de weg en prikkelden Figes’ nieuwsgierigheid. “Mijn Russische collega’s vertelden me dat ze het persoonlijke archief bevatten van het echtpaar Lev en Svetlana Mishchenko. De mensen van Memorial hadden Lev verschillende keren geïnterviewd over zijn ervaringen als krijgsgevangene tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 2006 had hij daarover zijn memoires Wat ik me herinner gepubliceerd.”

Na de oorlog beschuldigden de Sovjetautoriteiten Lev Mishchenko van spionage en werd hij tien jaar lang opgesloten in een strafkamp vlakbij de noordoostelijke stad Petsjora. “Al die jaren voerde hij een intense correspondentie met Svetlana. 1500 liefdesbrieven, die ongecensureerd het kamp in- en uitgesmokkeld werden. De onderzoekers van Memorial zagen meteen het belang van die brieven, omdat ze misschien wel onze enige bron zijn die een ongekuiste blik werpen op het leven in de Goelag.”

Orlando Figes overtuigde de mensen van Memorial om in nauwe samenwerking met hen de correspondentie van de Mishchenko’s te ontsluiten voor een ruim publiek. “We moesten snel te werk gaan. Lev en Svetlana zijn allebei geboren in 1917 en vierden in 2007 hun negentigste verjaardag. Maar eerst moest Memorial op zoek naar een beurs om de brieven te laten vertalen.”

In maart 2008 keerde Figes terug naar Moskou en ontmoette hij het echtpaar Mishchenko. “Lev had een fotografisch geheugen, wat hem tot een ideale getuige maakte. Op dat moment waren nog niet alle brieven vertaald. Lev stierf een paar maanden later en Svetlana overleed in januari 2010, het jaar waarin ik alle vertalingen eindelijk in handen kreeg.”

In de zomer van 2010 reisde hij naar Petsjora. “Ik interviewde er mensen die zich Lev nog herinnerden. Ik ontmoette er iemand die me toegang kon verschaffen tot de lokalen van de plaatselijke afdeling van de geheime dienst NKVD, de latere KGB, waar ik het officiële kamparchief bestudeerde.”

Het resultaat is het beklijvende Just send me word, waarin Orlando Figes voor het eerst het harde dagelijkse bestaan in de Goelag ongecensureerd tot leven brengt.

 

Van Goelagmanager tot kampgevangene

Lev Mishchenko en Svetlana Ivanova leerden elkaar in september 1935 kennen, op de eerste dag van de ingangsexamens voor de universiteit van Moskou. Orlando Figes: “Ze werden verliefd en studeerden af als natuurkundigen. Lev stamde uit een adellijke familie die door de bolsjewieken tijdens de burgeroorlog ontadeld was. Svetlana’s vader was een intellectueel die een belangrijke rol speelde in de chemische industrie. Na haar fysicastudies ging Svetlana aan de slag bij een door de militairen gecontroleerd onderzoeksproject naar synthetische rubber. Op het moment dat Lev met het Rode Leger tegen de Duitsers moest gaan vechten, waren ze nog niet getrouwd. Toen Svetlana na de Tweede Wereldoorlog correspondeerde met de tot tien jaar strafkamp veroordeelde Lev, een ‘spion’ en vijand van het volk die opgesloten zat in de Goelag, werkte zij mee aan een programma dat als staatsgeheim gecatalogeerd stond. Toch durfde ze het aan om al zijn brieven bij te houden en maakte ze vijf illegale reizen naar Petsjora. Ik heb haar gevraagd waarom ze zo’n gigantische risico’s nam. ‘Uit complete dwaasheid’, antwoordde ze. Alleen liefde kan iemand zo gek maken.”

 

Toen Lev in 1941 als officier van het Rode Leger door de Duitsers gevangen genomen werd, voerden ze hem mee naar een spionnenschool vlakbij Katyn. Figes: “Hij weigerde om als spion voor de nazi’s te werken. Hij sprak uitstekend Duits en werd dan maar ingeschakeld om Duitse propaganda in het Russisch te vertalen. In 1945 werd hij tijdens zijn repatriëring door de Sovjets in Weimar gearresteerd. Ze ondervroegen hem wekenlang en aan het einde lieten ze hem een verklaring tekenen. Lev was uitgeput en tekende zonder na te lezen. In november ’45 verscheen hij voor een militair tribunaal. In een zitting die amper een kwartiertje duurde, werd hij voor spionage tot het vuurpeloton veroordeeld. Later werd zijn executie omgezet in tien jaar strafkamp.”

In maart 1946 arriveerde Lev Mishchenko in de Goelag van Petsjora. “Het strafkamp had de grootte van een dorp en was verdeeld in een industriële, administratieve en barakkenzone. Daarnaast was er een sector waar de vrijwillige arbeiders leefden, met een kantine en een clubhuis. Er zaten 1500 gevangenen en er werkten 500 vrijwillige arbeiders die ongestoord het kamp in en uit konden wandelen.”

Lev Mishchenko werd tewerkgesteld in de krachtcentrale. Figes: “Petsjora was een houtverwerkend kamp. De gevangenen haalden stammen uit de rivier die vanuit hoger gelegen ontginningskampen kwamen aangedreven. Ze probeerden die zo snel mogelijk te drogen, want de ateliers waar het hout tot prefabhuizen werd vertimmerd mochten niet stilvallen. Het seizoen waarin stammen konden getransporteerd worden, was heel kort: acht maanden van het jaar lag de Petsjora er bevroren bij. De droogruimte stond zwaar onder druk om de streefcijfers van Het Plan te halen, dus werd er een laboratorium opgericht dat snellere droogmethoden moest ontwikkelen. Dat lab werd gerund door de oude bolsjewiek Strochov. Ooit was hij manager van de hele Goelagzone in Siberië, maar nadat hij in ongenade gevallen was, werd hij veroordeeld tot 25 jaar strafkamp. Zijn kennis was zo belangrijk voor de houtproductie dat het hem toegestaan was om niet in de barakken, maar in het laboratorium te wonen. Hij beschermde sommige gevangenen, waaronder Lev. Hij stookte illegale wodka, had een grammofoon en een kat als huisdier en hij gebruikte elektriciteit van de krachtcentrale om bloemen en groenten onder glas te kweken. Na het werk zochten de bevriende gevangenen hem op in het laboratorium. Lev schreef daar veel brieven en borg ze veilig bij Strochov op.”

 

Solidariteit

Toen Lev in maart 1946 in Petsjora aankwam, wist hij niets van het lot van Svetlana. Figes: “Sinds september ‘41 had hij haar niet meer gezien. Hij wist niet of ze nog leefde, of met iemand anders getrouwd was. Svetlana wist ook niets over hem. In 1943 ontving ze nieuws van zijn tante Olga die bericht van de Russische autoriteiten gekregen had dat hij vermist was. Toen de oorlog naar zijn einde liep, kreeg Svetlana bezoek van agenten van de NKVD die ervan overtuigd waren dat Lev als spion in Moskou actief was. De NKVD’ers hoopten dat hij op een dag zijn liefje in Moskou zou bezoeken en bleven haar lastig vallen. Tijdens de ondervragingen in Weimar had Lev alle hoop opgegeven dat hij Svetlana ooit nog zou zien. Zeker na zijn veroordeling wou hij haar niet tot last zijn en zocht hij geen contact. Toen hij dan uiteindelijk in het strafkamp op die vrij geprivilegieerde plek in de krachtcentrale zat, schreef hij zijn tante Olga een brief waarin hij vroeg of Svetlana nog leefde. Een paar weken later kreeg hij een eerste brief van Svetlana. ‘Ik blijf op je wachten’, schreef ze.”

De Goelag van Petsjora was een bijzonder gewelddadige omgeving. “Bewakers werden voortdurend disciplinair gestraft voor afranselingen of moorden. Lev leefde elke dag met de schrik dat hij op konvooi gezet zou worden. Een konvooi was levensgevaarlijk, want dan werd je naar een verre kolonie gestuurd om hout te gaan hakken. Onderweg werden al je schaarse bezittingen gestolen en de kans dat je levend terugkeerde, was niet bijster groot. Wie als gevangene een probleem met een bewaker had, riskeerde in zo’n kolonie afgemaakt te worden zonder dat er een haan naar kraaide.”

Om de Goelag te kunnen overleven, had een gevangene mensen nodig die hem beschermden. Figes: “Uit zijn brieven blijkt dat Lev zelf zo’n beschermer was. Hij stuurde diagnoses van ziektes naar Svetlana, die dan te rade ging bij een bevriende dokter en medicijnen opstuurde. Lev gaf lees- en schrijflessen aan kinderen die in het kamp uit relaties van bewakers en vrouwelijke gevangenen geboren waren en er opgroeiden. Er liepen ook kinderen rond van de vrijwillige arbeiders. De bewakers checkten hen niet waardoor ze makkelijk goederen en brieven konden smokkelen. Ondanks het feit dat de Goelag een repressieve plaats was waar een mensenleven niet telde, was er heel wat solidariteit onder gevangenen en met de mensen die in de stad leefden. De inwoners van het grauwe Petsjora waren in de jaren veertig en vijftig zelf bijna allemaal ex-gevangenen. Een inwoner zei me: ‘Wat voor zin heeft het om elkaar de duvel aan te doen als je in een afschuwelijke plaats zoals deze leeft?’”

 

In juli 1954 werd Lev Mishchenko vrijgelaten. Orlando Figes: “Duizenden keren stelde hij zich die vrijlating voor: hoe hij terug zou keren naar Moskou, aan Svetlana’s deur zou aankloppen en in haar armen zou vallen. Maar toen hij als een vrij man het kamp verliet, kreeg hij geen toestemming om naar Moskou te reizen. Na lang zoeken vond hij een kamer in Kalinin, het huidige Tver, een stad tussen Moskou en Sint-Petersburg. Om in Kalinin te geraken, moest hij via Moskou reizen. Hij stapte er uit de trein en wandelde naar Svetlana’s appartement. Haar moeder opende de deur en zei hem dat ze naar haar zieke vader was die in het ziekenhuis lag. Daar zagen Lev en Svetlana elkaar voor het eerst terug. De maanden erna maakte hij vanuit Kalinin illegale uitstapjes naar Moskou. In 1955 kreeg hij amnestie en mocht hij eindelijk in Moskou wonen. Datzelfde jaar trouwden ze. De ambtenaar die hun huwelijk registreerde, zag in Levs paspoort dat hij een ex-gevangene was. Ze zei tegen Svetlana: ‘Ik zou niet met die kerel trouwen als ik van jou was.’ Svetlana antwoordde koel: ‘Maak je geen zorgen over mij. Schrijf ons in. Lev is mijn man.’”

 

Orlando Figes, Just Send Me Word, A True Story of Love and Survival in the Gulag, Allen Lane, 26,95 euro

De Nederlandse vertaling Schrijf je me? verschijnt in augustus bij Nieuw Amsterdam.

 

© Jan Stevens

 

 

Het brokkenparcours van een briljant historicus

 

Jarenlang was professor Orlando Figes een historicus met een uitstekende reputatie. Hij kreeg internationale bekendheid met drie bejubelde boeken over de Russische geschiedenis: Tragedie van een volk. De Russische Revolutie 1891-1924 (1996), Natasja’s dans. Een culturele geschiedenis van Rusland (2002) en Fluisteraars. Leven onder Stalin (2007). Tot in april 2010 aan het licht kwam dat hij al jaren verschillende anonieme recensies postte op de boekensite Amazon. Positieve over zijn eigen boeken, negatieve over die van o.a. Rachel Polonsky, een ‘concurrerende’ historica. Met die negatieve recensies nam hij op zijn beurt wraak op een negatieve recensie van Polonsky over Natasja’s dans. Figes ontkende eerst, tot hij geen kant meer uit kon en financiële schikkingen met zijn gedupeerden trof.

Vlak voor de publicatie van Just send me word maakte Figes’ Russische uitgeverij Corpus bekend dat ze de vertaling van Fluisteraars niet wou publiceren omdat de oorspronkelijke Engelse tekst teveel inhoudelijke fouten bevat. Figes reageerde bits en had het over ‘politieke druk en censuur van het Poetinregime’. Toen ook de mensenrechtenorganisatie Memorial meedeelde dat Fluisteraars vol fouten stond, wees Figes in een reactie met een beschuldigende vinger naar de Russische vertaler van de honderden interviews met nabestaanden van goelagslachtoffers waarop zijn boek gebaseerd is. Memorial liet ondertussen weten dat ze “in de toekomst niet meer met Orlando Figes wenst samen te werken.” Tot bewijs van het tegendeel is Just send me word een uitmuntend én belangrijk boek. Er vergif op innemen, durven we echter niet.

Advertenties

Heroïsch amateurisme

In het midden van de negentiende eeuw was de Krim het toneel voor een bloedige oorlog van de Britten, Fransen en Turken tegen de Russen. Met zijn boek De Krimoorlog redt de Britse historicus Orlando Figes die eerste ‘moderne’ oorlog uit de vergetelheid. “Soms leek de oorlog verdacht veel op een aflevering van Blackadder.”

 

In het vuistdikke De Krimoorlog of de vernedering van Rusland reconstrueert Orlando Figes (°1959) de zo goed als vergeten oorlog van een coalitie van Britse, Franse en Turkse troepen tegen het Russische leger. “Zelfs in Groot-Brittannië lijkt de oorlog in de Krim uit het collectieve bewustzijn verdwenen”, zegt hij. “Terwijl het eigenlijk een oerbrits verhaal is. Op elke hoek van elke straat is er wel een pub met een naam die aan de Krimoorlog herinnert: The Alma, The Balaklava of The Sebastopol. De Krimoorlog was de eerste echte moderne oorlog waar de kranten uitgebreid verslag over deden. Zeker in de laatste fase, bij de slag om Sebastopol, toen reporters en fotografen de gevechten van op het slagveld versloegen. Voor het eerst in de geschiedenis speelde de publieke opinie een rol in een oorlog.”

De Krimoorlog startte in september 1853 en eindigde in februari 1856. “Tot op de dag van vandaag begrijpen niet veel mensen de context waarin die oorlog zich afspeelde”, stelt Figes. “Dat komt omdat de geschiedschrijving over de Krimoorlog vooral het werk is van amateurhistorici. De Britten focussen zich op de ‘romantiek’ van die oorlog: op de roekeloze charge van de Lichte Brigade in de slag bij Balaklava in oktober 1854, en op Florence Nightingale, de legendarische ‘Lady with the Lamp’ die door haar verpleegkundig werk in de Krim een grote bijdrage leverde aan de oorlogsgeneeskunde. In Rusland draait de geschiedschrijving rond de verdediging van Sebastopol en de heroïsche offers van de dappere soldaten. In mijn boek neem ik afstand van al die nationale mythes.”

 

Historian

Jarenlang was professor Orlando Figes, docent Russische geschiedenis aan de Universiteit van Londen, een historicus met een uitmuntende reputatie. Hij kreeg internationale bekendheid met drie bejubelde boeken over de Russische geschiedenis: Tragedie van een volk. De Russische Revolutie 1891-1924 (1996), Natasja’s dans. Een culturele geschiedenis van Rusland (2002) en Fluisteraars. Leven onder Stalin (2007). Tot in april 2010 aan het licht kwam dat hij al jaren verschillende anonieme recensies postte op de boekensite Amazon. Positieve over zijn eigen boeken, negatieve over die van onder anderen Rachel Polonsky, een ‘concurrerende’ historica. Met die negatieve recensies nam Figes wraak op Polonsky omdat zij in 2002 in de boekenbijlage van de Times Natasja’s dans had afgekraakt. Rachel Polonsky kwam erachter dat het Figes was die onder het pseudoniem ‘Historian’ haar boeken de grond in boorde. Hij ontkende en schoof de schuld in de schoenen van zijn vrouw. Toen hij geen kant meer uit kon, trof hij financiële schikkingen met de advocaten van zijn gedupeerden en verontschuldigde hij zich uitvoerig tegenover hen én tegenover zijn eigen vrouw. “Ik schaam me daar nog steeds heel erg over”, zegt hij nu. “Ik ben blij dat 2010 achter me ligt. Het was een extreem duur jaar.”

Te midden van al die heisa vond Figes nog de tijd om het uitstekende De Krimoorlog te schrijven. “In amper een jaar was het af. Ik schrijf snel. In vergelijking met mijn andere boeken is dit een rechttoe-rechtaan-verhaal. Ik ben De Krimoorlog beginnen voorbereiden tijdens het werken aan Fluisteraars, een boek over het leven van gewone mensen onder Stalin. Dat was een erg deprimerend project. Dus wou ik tezelfdertijd aan iets opwindends werken, inclusief veldslagen en bulderende kanonnen, om mezelf voor een depressie te behoeden.”

 

Religieuze frontlinie

Goede Vrijdag, 10 april 1846. Het katholieke paasfeest valt uitzonderlijk op dezelfde dag als het Grieks-orthodoxe, waardoor er op de heilige plaatsen in Jeruzalem een drukte van jewelste heerst. Uit alle hoeken van Oost-Europa, het Midden-Oosten, Griekenland en Rusland zijn minstens 20.000 pelgrims naar de Heilig Grafkerk in Jeruzalem afgezakt. Als de katholieke priesters met hun wit linnen altaarkleed arriveren, merken ze tot hun grote afschuw dat de Grieken hen met hun geborduurd zijden kleed voor zijn geweest. Het duurt niet lang voor er een gevecht uitbreekt tussen de katholieken en de orthodoxen. Als de wachters van Mehmet Pasja, de Ottomaanse gouverneur van Jeruzalem, de kerk komen ontruimen, liggen er meer dan veertig doden op de vloer. “Dat religieuze dispuut tussen orthodoxen, christenen en moslims over de kerk in Jeruzalem vormde de aanleiding voor de latere Krimoorlog”, zegt Orlando Figes. “Veel Britten vinden die oorlog nu zinloos omdat hij zijn wortels in religie heeft. Maar kijk naar wat er vandaag gebeurt: religie veroorzaakt nu eenmaal oorlogen. We hebben dat een tijdlang weggemoffeld. We bekeken de grote conflicten uit de 19e eeuw door de bril van het marxisme en concludeerden dat alleen de economie ertoe deed. Religie was hoogstens een excuus om oorlog te voeren over grondstoffen, territorium en handelsroutes. Ik vrees dat we daardoor de essentie uit het oog verloren hebben. Dus keer ik terug naar de bron en kan ik niet anders dan concluderen dat de Krimoorlog een religieuze oorsprong had.”

Was de Krimoorlog dan een ‘clash tussen beschavingen’, tussen het christelijke Rusland dat in 1853 de oorlog verklaarde aan de islamitische Turkse sultan in een ruzie over de Heilige Plaatsen in Jeruzalem? Orlando Figes: “Een ‘clash tussen beschavingen’ is overdreven. Na de oorlogsverklaring van de Russen aan de Turken, smeedden het christelijke Groot-Brittannië, Frankrijk en ook Italië een alliantie met de Turkse moslims om te gaan vechten tegen het christelijke Rusland. Het bizarre bondgenootschap tussen christenen en moslims draaide rond de zuidelijke Russische grens. Wie die grens controleerde, controleerde de wereld. Hij was van vitaal economisch belang. Het Britse Rijk zou nooit kunnen functioneren met een Rusland dat heer en meester was over de Zwarte Zee. Vergeet niet dat er toen nog geen Suezkanaal was. Voor de Britten was het zonneklaar dat de routes naar India bedreigd waren. De landen in de Kaukasus werden al snel heel belangrijk in die hele strijd, want daar leefden grote moslimminderheden. De Russen waren bang dat die moslims in het zuiden van hun rijk een binnenvallend leger vrij spel zouden geven. Dus organiseerden ze massale etnische zuiveringen om alle moslims weg te krijgen aan de kustgebieden. Moslims hoorden daar niet thuis. Het risico was te groot dat ze de Turkse vijand welkom zouden heten om hen te komen bevrijden van die orthodoxe christenen.”

“De oorlog werd uitgevochten op een religieuze frontlinie, die nog steeds springlevend is en loopt van de Balkan naar de Kaukasus. Het smeult en knettert daar nog net als halverwege de negentiende eeuw. Er werd trouwens aan alle kanten etnisch gezuiverd, met wraakacties door alle partijen. Het was een vieze oorlog, waarin ook de Britten zich niet onbetuigd lieten. Zo zagen ze er geen graten in dat de Tataren wraak namen op Russische burgers. Ze deden helemaal niets om dat tegen te houden. In de oorlogen ervoor gebeurden er ook wreedheden, maar toch waren de militairen het er meestal over eens dat burgers met rust gelaten moesten worden. In de Krimoorlog werd er een radicale breuk gemaakt met dat verleden, waardoor die oorlog heel sterk lijkt op recente oorlogen in de Balkan en de Kaukasus. De dorpen werden deel van het strijdtoneel en gewone burgers raakten er op een afschuwelijke manier in betrokken. Er werd geplunderd, verkracht, geroofd… De Britten deden daar dapper aan mee. In Russische archieven heb ik getuigenissen van mensen gevonden die vertellen over Britse officieren die zich te buiten gingen aan verkrachting. De maandenlange belegering van Sebastopol was erg bloederig. Tot op de dag van vandaag weten we niet hoeveel doden er onder de stad begraven liggen. Als je er nu een spade in de grond steekt, stoot je gegarandeerd op menselijke overblijfselen uit die tijd.”

 

Nicolaas de koppige

Het Russische leger was een slecht uitgerust allegaartje van verpauperde boeren. Toch verklaarde tsaar Nicolaas I in 1853 de oorlog aan Turkije, het toenmalige Ottomaanse Rijk. “Het is heel moeilijk te begrijpen waarom Nicolaas een oorlog startte die hij nooit kon winnen”, zegt Orlando Figes. “Rusland hinkte op economisch vlak mijlenver achter het westen aan. Dat werd pijnlijk duidelijk tijdens de Krimoorlog. Als de tsaar geweten had wat voor een pak slaag zijn manschappen gingen krijgen, was hij misschien nooit aan die oorlog begonnen. Ik ben op zoek gegaan naar een verklaring waarom Nicolaas I zijn hele imperium op het spel zette door de wapens op te nemen tegen de Turken en zo tegen de rest van Europa. Toen de spanning in de maanden voor de oorlog begon te stijgen, werden hem talloze ontsnappingsroutes aangeboden. Niet alleen door zijn eigen generaal Alexander Mensjikov, maar ook door de Franse keizer Napoleon III. Hij kon dus zonder gezichtsverlies het wapengekletter afblazen. Maar hij koos koppig voor oorlog. Natuurlijk was Nicolaas een roekeloze gokker die geen voeling had met de realiteit. Toch was er meer aan de hand: hij zette door omdat hij vond dat het zijn religieuze taak was om de orthodoxe Slavische volkeren in de Balkan te redden uit de klauwen van de islamitische Turkse sultan. Nicolaas was de gevangene van zijn eigen religieuze ideologie. Hij dacht: ‘Als ik de Balkan niet kan domineren, zullen de westerse machten hun kansen grijpen. Servië, Montenegro en al die andere Slavische staten worden dan landen zoals Griekenland.’ Aan het Griekse avontuur had hij een kater overgehouden: met de hulp van Rusland was Griekenland in 1830 onafhankelijk geworden van de Turken. Maar van zodra de Grieken hun onafhankelijkheid kregen, keerden ze zich af van Rusland en zochten ze hun heil bij de westerse staten.”

 

Machtige pers

Vóór de oorlog tegen de Turken probeerde Nicolaas eerst nog een bondgenootschap te sluiten met de Britse koningin Victoria om samen ten strijde te trekken. Dat plan mislukte. Figes: “Nicolaas dacht dat hij face to face deals kon sluiten met koningin Victoria. Hij onderschatte de Britse politiek uit die tijd en dichtte Victoria teveel macht toe. Groot-Brittannië was een constitutionele monarchie, en het beleid werd voor een groot deel uitgestippeld in het Parlement, waar ook een oppositie zat. Maar nog veel belangrijker was de rol van de pers. Nicolaas moest geen rekenschap afleggen aan de publieke opinie, terwijl de pers in Groot-Brittannië toen al heel machtig was. In december 1853 wou koningin Victoria geen oorlog. Vlak nadat Rusland de oorlog verklaard had aan Turkije, supporterde ze zelfs voor de tsaar. Ze hoopte dat hij de Turken een flinke pandoering zou geven. Maar drie maanden later, in maart 1854, was ze van gedacht veranderd. ‘Alles is anders nu’, zei ze tegen de Britse premier Lord Aberdeen die heel weigerachtig stond tegenover oorlog. ‘We moeten de Turken helpen en gaan vechten tegen de Russen.’ Haar standpunt was omgeslagen onder druk van de media. Nadat de Russische zeemacht in de slag bij Sinope in november ’53 de Turkse vloot genadeloos had weggeveegd, schreven de Britse kranten verontwaardigd over de slachtpartij die de Russen hadden aangericht. Ze riepen op om tegen de tsaar ten strijde te trekken. Prins Albert, Victoria’s man, had Duitse roots en werd in de kranten afgeschilderd als pro-Russisch. Een krant riep zelfs op tot zijn executie. Victoria was zo woest dat ze ermee dreigde om af te treden. Aberdeen werd verplicht om een vergadering met alle hoofdredacteurs te beleggen. ‘Stop alsjeblieft met het demoniseren van de prins’, smeekte hij. Het antwoord van de hoofdredacteurs was heel simpel: ‘Sorry, maar dat doet onze kranten verkopen.’ Victoria wou nu wel oorlog tegen Rusland omdat ze zo de monarchie wou redden. Ze hoopte dat haar man niet langer als een pro-Russische landverrader opgevoerd zou worden.”

 

Russofobie

De hysterische oproep van de Britse kranten om tegen de Russen te gaan vechten, was volgens Orlando Figes een gevolg van onvervalste russofobie. “De vrees voor de Russische beer was in die tijd wijdverspreid in Groot-Brittannië. Lord Palmerston, minister van Binnenlandse Zaken in de coalitieregering van Conservatieven en Liberalen, was een groot voorstander van oorlog. Rusland moest gestopt worden, want het land was een bedreiging voor de westerse samenleving en voor de vrijheid. De Russen mochten die arme Turken niet langer koeioneren. In de ogen van veel Britten was een Turk eigenlijk een christen, alleen wist hij dat zelf nog niet. ‘Wij zullen die arme moslims wel bekeren.’ De orthodoxe Russische pelgrims die rond Pasen naar Jeruzalem trokken, werden gezien als een soort van heidenen. Er werd ook geschermd met het argument dat de Turkse sultan een betere vriend voor de christenen was, omdat hij tolerant en liberaal zou zijn. In werkelijkheid was hij een tiran, maar de repressie onder zijn bewind werd met de mantel der liefde bedekt. Later, in de jaren 1870 onder premier William Gladstone, veranderde de Britse politiek tegenover de Turken. Gladstone voelde zich in de jaren 1850 als minister van Financiën in het oorlogskabinet al heel erg oncomfortabel met de politiek tegenover de sultan. Hij zag het niet zitten om een islamstaat in Europa te steunen. Halverwege de negentiende eeuw woedde de discussie over de rol van Turkije in Europa al volop.”

“Voor politici als Palmerston die via de pers opriepen tot oorlog tegen Rusland, ging het eigenlijk niet over het verdedigen van de Turken. Die konden hen gestolen worden. In werkelijkheid voerden ze een politieke kruistocht tegen de Russen. Want Rusland was de ‘gendarme van Europa’ die de Poolse Novemberrevolutie van 1830 met harde hand had onderdrukt. De katholieke Polen konden op heel wat sympathie in Frankrijk rekenen. De katholieken hadden veel macht aan het hof van Napoleon en stelden zich tegenover Rusland zeer agressief op. Ook de Britten hielden van een gespierd buitenlands beleid. Lord Palmerston was een groot voorstander van het exporteren van de good ol’ Britse waarden over de aardbol, met in het kielzog daarvan de Britse fabrikanten en ondernemers. Hij was de negentiende-eeuwse Britse versie van George Bush. Net als Bush stuurde hij kanonneerboten naar een verre ‘vijandige staat’, installeerde er zijn versie van goed politiek bestuur en verkocht er dan zijn goederen.”

 

Russische winter

In september 1854 trokken de Britten en de Fransen naar het slagveld aan de rivier de Alma in de Krim. Orlando Figes: “Maar het Britse leger was er eigenlijk niet klaar voor. Met de blik op oneindig en de borst vooruit marcheerden ze naar het front. Ze gingen die Russische boeren eens flink op hun donder geven. Ze dachten dat het binnen een paar dagen voorbij zou zijn. Dat had ook gekund. Want net voor de Russische winter inviel, hadden ze op het slagveld een groot overwicht dankzij hun Miniégeweren die heel gericht konden vuren en superieur waren aan de Russische musketten. Op 21 september 1854 wonnen de Britten en de Fransen de slag aan de Alma. Als ze toen onmiddellijk naar Sebastopol hadden doorgestoten, was de oorlog in een paar dagen achter de rug geweest. Maar de geallieerden beschikten niet over de juiste informatie en lieten het meest geschikte moment voorbijgaan. De Russen zetten alles in op de winter, en die kregen ze ook. De Britse soldaten waren daar helemaal niet op voorbereid.”

“Europese legers die in Rusland gaan vechten, trappen altijd in dezelfde val. Napoleon Bonaparte liet zich verrassen door de Russische winter, net als de Britten in de Krim en Hitler later tijdens WO II. De Fransen waren veel beter voorbereid op de Krimoorlog. Zij hadden ervaring in oorlogvoeren en beschikten over een uitstekende infanterie. Maar de Britten en de Fransen werkten niet goed samen. De Fransen keken neer op de Britse troepen, waarvan de soldaten gerekruteerd waren uit de onderste lagen van de maatschappij. Terwijl het Franse leger professioneel was, ordelijk, met goed getrainde officieren die naar militaire scholen waren geweest. De verstandhouding tussen de officieren en hun soldaten was uitstekend. Toen de Fransen de klungelende Britse soldaten zagen, moeten ze gedacht hebben: ‘Is dit een grap?’ De echte strijd werd vooral door de Fransen geleverd.”

Ondanks het pover getrainde Britse leger, beten de Russen na een maandenlange belegering van Sebastopol in het zand. Figes: “De oorlog was een vernedering voor Rusland. Het bleef lang een etterende wonde, en de nederlaag voedde de haat tegen het westen. De spanning over de Balkan tussen Europa en Rusland leeft tot op de dag van vandaag. Onderschat de huidige Russische wrevel over de onafhankelijkheid van Kosovo niet. Vandaag herdenken de Russen de Krimoorlog als een glorieuze nederlaag. Velen beschouwen Nicolaas I nu als een lichtend voorbeeld van Russisch staatsmanschap, omdat hij het aandurfde om op te staan tegen het westen. In Frankrijk en Turkije is de Krimoorlog zowat vergeten. De Turken schamen zich erover, want ze moesten gered worden door de westerse grootmachten. De Britten zien het als een gekke, overbodige oorlog. Als je het hele verloop van die oorlog bestudeert, lijkt het vaak ook heel erg op een aflevering van Blackadder, op heroïsch amateurisme. Met als tol: minstens 800.000 doden.”

 

© Jan Stevens

Orlando Figes, De Krimoorlog of de vernedering van Rusland, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 656 Blz., 34,95 euro, ISBN 978-90-468-0894-8