‘Schrijven is voor mij hetzelfde als geluk’

Met Nachttrein naar Lissabon scoorde romancier Pascal Mercier begin deze eeuw een internationale megaseller. Na meer dan tien jaar doorbreekt hij zijn oorverdovende stilte met een nieuwe roman: Het gewicht van de woorden. “Ik ben een ouderwetse man die altijd ouderwetse boeken geschreven heeft.”

_DSC0004

In 1995 debuteerde de Duits-Zwitserse filosoof Peter Bieri op zijn 45e als romanschrijver onder de schuilnaam Pascal Mercier. “Ik werkte aan de universiteit van Berlijn als professor analytische filosofie”, zegt hij. “Dat is de hardste en strengste tak uit de filosofie. Ik publiceerde mijn debuutroman Perlmanns zwijgen als Pascal Mercier om mezelf te beschermen. Want ik was bang voor het schandaal wanneer mijn collega’s zouden ontdekken dat ik het had aangedurfd mijn verbeelding te gebruiken. Het boek werd een succes en mijn ware identiteit raakte bekend, met als gevolg dat sommige collega’s aan de universiteit jaloers werden op het geld en de roem. De Duitse academische wereld wordt bevolkt door haaien, alleen konden ze mij niet verslinden.”

We zitten in Pascal Merciers schrijfkamer in zijn huis in een groene buitenwijk van Berlijn. De muren zijn bekleed met boeken. “Voor het schrijven van Het gewicht van de woorden zat ik de drie jaar lang op deze stoel”, zegt hij. “De eerste honderd bladzijden schreef ik met de hand, om alle finesses te doorgronden. Daarna schakelde ik over op tekstverwerker. Tijdens het schrijven vloog de tijd van de buitenwereld voorbij. Uren, dagen, maanden. Maar dat telde niet. Het enige wat ertoe deed, waren de uren die ik doorbracht in het rijk van de verbeelding. Het mooiste aan schrijven, is dat je je eigen poëtische tijd creëert, die exclusief van jou is.”

Het gewicht van de woorden vertelt het verhaal van de zestiger Simon Leyland. Hij krijgt te horen dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft, verkoopt zijn bloeiende uitgeverij in het Italiaanse Triëste en verhuist naar Londen, de stad waar hij volwassen werd en zijn vrouw Livia leerde kennen. Zij stierf tien jaar eerder. Leyland probeert zich met zijn levenseinde te verzoenen en herleest de brieven die hij in de loop der jaren aan zijn overleden vrouw schreef. Wanneer blijkt dat zijn medische dossier verwisseld is met dat van een andere man, krijgt hij terug een toekomst en moet hij zijn leven heruitvinden.

 

Waarom duurde het zo lang om Het gewicht van de woorden te schrijven? Uw laatste roman dateert van 2007.

Pascal Mercier: “Tussen die twee romans in schreef ik nog een filosofisch boek over menselijke waardigheid. Daar kroop al snel vier jaar van mijn leven in. Het gewicht van woorden spookte ongeveer tien jaar lang in mijn hoofd. Het was heel moeilijk om de juiste architectuur te vinden. Deze roman vertelt het levensverhaal van iemand die op zoek is naar zijn eigen stem. Niet alleen naar zijn letterlijke stem met zijn eigen woorden, maar ook naar zijn emoties en zijn fantasieën. Ik wou zowel de buitenkant als het innerlijk van Simon Leyland vatten. Technisch is het echt niet eenvoudig om die twee perspectieven te combineren. Want ik schreef niet vanuit de ‘ik-persoon’, maar vanuit ‘hij’. Tot ik op het idee kwam om hem brieven te laten schrijven naar zijn dode vrouw. Heel het schrijfproces was een lange ontdekkingsreis naar wie die Simon Leyland écht is. Bij de start had ik totaal geen idee. Al schrijvende leerde ik hem steeds beter kennen.”

 

_DSC0052Leyland is niet alleen uitgever, maar ook vertaler en later schrijver. Op het einde van de roman vraagt zijn dochter: “Hoe dicht sta je bij je personages? Zijn ze familie geworden?” Wat zou u daarop antwoorden?

“Ze staan heel dicht bij mij. Als schrijver kun je een personage pas goed ontwikkelen wanneer je je ermee kunt identificeren. Je moet hun innerlijke wereld kennen. Dat geldt zeker voor het hoofdpersonage Simon Leyland. Wat niet wil zeggen dat hij een kopie is van mezelf. Maar ik begrijp zijn emoties zeer goed. Ik voel me ook verwant met zijn gestorven vrouw Livia en hun twee kinderen, en met zijn Londense buurman en vriend Kenneth Burke. Dan is er nog die ene prachtige figuur waar ik ontzettend van hou, de Russische gevangene Andrej Koezmin. Eigenlijk heb ik aan geen enkel door mij verzonnen personage in deze roman een hartsgrondige hekel. (lacht)”

 

Ik heb het gevoel dat u graag namen verzint, zoals Simon Leyland en Andrej Koezmin, maar ook Raimund Gregorius uit Nachttrein naar Lissabon en uw eigen pseudoniem, Pascal Mercier.

“Dat voelt u goed aan. Namen verzinnen is een fascinerende en zeer ingewikkelde activiteit. Het kostte me meer dan een half jaar om Leyland te vinden. Ik trof die naam uiteindelijk aan in een dik boek met enkel Britse familienamen. Ik doorploegde die lijst met in het achterhoofd de vraag welke naam paste bij het innerlijk beeld dat ik van dat personage had. Ik kan geen boek schrijven zonder dat ik ervan overtuigd ben dat ik de correcte namen voor de karakters gevonden heb. Ik ben bezig aan een nieuwe roman en zit in de ondraaglijke fase van het vinden van namen. Schrijven is voor mij hetzelfde als geluk. Als de juiste zinnen, namen en metaforen komen, ben ik perfect gelukkig. Maar als ik een valse start neem of het verhaal de verkeerde kant uitstuur, verpest dat soms maanden van mijn leven.”

 

Probeert u al schrijvende te ontsnappen aan de gruwel van de echte wereld?

“Misschien wel. De wereld die ik gecreëerd heb, is zeker minder lelijk en minder wreed. Mijn schepsels hebben meer begrip voor elkaar dan de mensen van vlees en bloed die je hier in Berlijn op straat tegenkomt. Maar toch is dat maar de halve waarheid. Want ik ontvlucht niet alleen de echte wereld, ik creëer ook een nieuwe.”

 

Die lijkt in deze roman uit het verleden te stammen, want hij wordt vooral bevolkt door uitgevers, schrijvers, dichters en vertalers. Terwijl de wereld van nu toch vooral beheerst wordt door beelden.

“U hebt gelijk, hoor. Mijn boek gaat over oude tijden en is ‘old fashioned’. Ik ben een ouderwetse man die altijd ouderwetse boeken geschreven heeft. (lacht) ‘Ouderwets’ heeft niets met het conservatisme uit de politiek te maken. Het wil gewoon zeggen dat ik vasthou aan een bepaalde manier van leven waar ik geen afstand van wil nemen. Ik weersta aan alle veranderingen die me door welke media ook worden opgelegd. Daarom schreef ik een roman over een minnaar van woorden, over iemand wiens hele leven bepaald wordt door zijn liefde voor poëzie.”

 

Er wordt heel wat afgepaft in uw roman. Uw personages lurken continu aan sigaretten. Erg politiek correct is dat niet.

“Tijdens het schrijven denk ik nooit in politiek correcte termen. Niet omdat ik per se politiek incorrect wil zijn, maar omdat dat gewoon niet in me opkomt. In Nachttrein naar Lissabon wil Raimund Gregorius om zes uur in de ochtend weten wanneer een bepaalde trein vertrekt. Hij neemt de telefoon en belt naar de spoorwegen, maar het is nog veel te vroeg en hij blijft op zijn honger zitten. Op een lezing vroeg iemand uit het publiek: ‘Meneer Mercier, waarom zocht hij die informatie niet op internet?’ Ik antwoordde: ‘Gregorius weet niet eens dat er internet is.’ (lacht)”

 

In Het gewicht van de woorden speelt de dood een prominente rol. U bent 75. Dat thema begint u te achtervolgen?

“Ja, ik denk heel vaak aan de dood. Zo dwing ik mezelf onderscheid te maken tussen wat nog belangrijk is in mijn leven en wat niet. Net als Simon Leyland die te horen krijgt dat hij een hersentumor heeft. Zijn dagen zijn geteld en in het licht daarvan neemt hij ingrijpende beslissingen. Tot blijkt dat hij het slachtoffer is van een verkeerde diagnose en iemand anders die tumor heeft. De poorten van de toekomst gaan opnieuw open. Intussen communiceert hij bijna constant met zijn dode vrouw Livia. De dood wordt voor hem poëzie. Ik weet het, Het gewicht van de woorden is zwaar en soms donker. Tezelfdertijd is het ook een optimistisch en positief boek. Mensen veranderen en vinden een nieuwe toekomst. Voor Leyland geldt dat wel heel letterlijk, op het moment dat hij te horen krijgt dat zijn tumor in werkelijkheid enkel een zware vorm van migraine is.”

 

In de maand tussen zijn doodvonnis en zijn heropstanding verkoopt hij zijn uitgeverij om de laatste maanden van zijn leven vrij te zijn. Nam hij toen ook ‘de nachttrein naar Lissabon’?

“Hij startte compleet opnieuw, ja. Net als andere personages, zoals zijn dochter Sofia die haar opleiding geneeskunde wel afmaakt, maar na die foute diagnose zweert nooit dokter te worden.”

 

Net als in Nachttrein naar Lissabon horen we nu opnieuw de filosoof Peter Bieri die stelt dat je bereid moet zijn je schepen achter je te verbranden van zodra je je ware roeping in het leven gevonden hebt?

“Ja. In Nachttrein naar Lissabon zei Raimund Gregorius van de ene dag op de andere zijn gemakkelijke bestaan als leraar vaarwel. En hij nam de nachttrein naar Lissabon, op zoek naar de Portugese schrijver die hem tot die ingrijpende beslissing inspireerde. Als professor filosofie aan de universiteit van Berlijn schreef ik nogal wat technische filosofische boeken. Mijn eerste filosofische werk voor een breed publiek verscheen in het begin van deze eeuw en heette Het handwerk van de vrijheid, met als belangrijke ondertitel: Over de ontdekking van de eigen wil. Dat filosofische werk zit door heel Het gewicht van de woorden geweven. Dat kon gewoon niet anders, want het vlechtwerk van vrijheid, tijd, de dood, een open toekomst en zelfbeschikkingsrecht vormt nu eenmaal de kern van mijn denken.”

 

Zoals ook het recht dat elke mens heeft om zijn eigen dood te kiezen of om iemand te assisteren bij zijn zelfgekozen dood?

“U verwijst naar de man die in mijn boek zijn vrouw doodt omdat ze ondraaglijk lijdt? Ik laat Simon Leyland op een bepaald moment zeggen: ‘In een cultuur die echt aandacht heeft voor het menselijke zou men het vanzelfsprekend vinden dat iemand hulp wil krijgen om te sterven.’ In mijn geboorteland Zwitserland helpen verenigingen zoals Dignitas en Exit uitzichtloos lijdende mensen zelfmoord plegen. Net als de Nederlanders hebben jullie een euthanasiewet. Dat is een fantastische verwezenlijking. Hier in Duitsland is dat onbespreekbaar. Die discussie wordt zwaar bezoedeld door het verleden, door wat er gebeurd is tijdens de Tweede Wereldoorlog. Elke keer wanneer het woord euthanasie valt, associëren sommige Duitsers dat automatisch met ‘concentratiekamp’. Zo wordt elk broodnodig ethisch debat over een zelfgekozen levenseinde telkens weer vakkundig de nek omgedraaid.”

_DSC0017

De autobiografie Dear Tom, letters from home van de Britse acteur Tom Courtenay loopt als een rode draad door uw boek. Waarom?

“Omdat ik erg van die man hou. Ik hield al van hem, lang voor ik hem ontmoette. Ik hield van zijn manier van acteren, van hoe hij zijn rollen ontwikkelde. In 1962 was hij amper 25 toen hij een glansprestatie neerzette in de film The loneliness of the long distance runner. Hij speelde ook mee in de verfilming door de Deense regisseur Bille August van Nachttrein naar Lissabon. In 2012 ontmoette ik hem in een hotel waar alle acteurs aanwezig waren om de film voor het eerst integraal te bekijken. We hebben een uur gepraat. Tom is erg gevoelig en hij raakte me diep. Hij vertelde me over zijn autobiografie uit 2000 waarin hij alle brieven van zijn moeder had opgenomen. Ik zei dat ik zijn boek graag wou lezen. Een week later zat het hier in de bus. ‘Peter, het was fijn om je te leren kennen’, had hij er ingeschreven. Die band die ik met Courtenay heb, vond zijn weg in mijn roman.”

 

Weet hij dat?

“Ik denk het niet. Maar hij moést er gewoon in. (lacht)”

 

Simon Leyland leerde alle talen rond de Middellandse Zee. Net als Peter Bieri alias Pascal Mercier.

“Ja, dat is uit mijn leven gegrepen, zowel die talen, als de Middellandse Zee. Het was de eerste zee die ik als kind van zeven zag. Zwitserse gezinnen gingen in de jaren vijftig altijd op vakantie naar de Middellandse Zee. We reisden met de trein naar de Ligurische kust in Italië. In Zwitserland was alles grijs en conventioneel. In de Alpen doken we de tunnel in, en van zodra we eruit kwamen, was er fel licht en lawaai. De ijsjes proefden anders. Wat nog opviel: elke Italiaan gooide zijn sigarettenpeuk op de grond. Voor een tot in de puntjes gestructureerde Zwitser was dat een ramp. Italië was pure chaos en ik was daar dol op.

“Als scholier al studeerde ik veel talen, zoals Latijn, Grieks, Sanskriet en Oud-Hebreeuws. Ik had er liever nog veel meer geleerd. Zo is het me tot nu niet gelukt om Arabisch te spreken. Ik kan het wel lezen, maar ik heb vreselijk veel moeite met de keelklanken. Ik hou van grammaticaboeken en vocabulaires en lees er regelmatig in. Die wand daar staat vol met dat soort boeken. Ik ben gepassioneerd door woorden en wil er steeds meer kennen.”

 

Volgt u Twitter?

“Nee, ik weet amper wat dat is.”

 

Moderne mensen sturen er continu kleine berichten cyberspace in. Soms zijn die boodschappen niet meer dan giftige scheldpartijen.

“Ach, in deze digitale tijden zijn mensen vergeten wat woorden zijn en wat taal is. Poëzie is een zeldzaamheid geworden. Dat maakt me enorm triest. Mijn roman komt daartegen in opstand en wil woorden en poëzie revalideren.”

 

U bent somber over de huidige digitale tijd, maar uw boeken worden wel bestsellers. Van Nachttrein naar Lissabon gingen wereldwijd miljoenen exemplaren over de toonbank. Hebt u daar een verklaring voor?

“Ik vraag mijn lezers soms waarom ze zo verzot zijn op mijn boeken. Altijd komen er twee dingen bovendrijven: de existentiële diepte en de poëtische taal. Ik probeer existentiële poëtische boeken te schrijven die vol spanning zitten. Maar dan niet op de wijze van Alfred Hitchcock. Want er wordt niemand vermoord.”

 

En er zit ook niet veel seks in.

“Geen. (lacht) Lezers willen weten hoe het Simon Leyland, die minnaar van woorden, zal vergaan. Ze willen niet dat hij sterft of zelfmoord pleegt. Daar zit de spanning in, en niet in geweld.”

 

De stad Londen speelt ook een hoofdrol. U woonde daar een tijdje?

“Als student werd ik verliefd op een meisje uit Bern. Zij wist dat niet. Ze ging als au pair in Londen werken. Ik volgde haar op een soort van kamikazemissie. In Londen maakte ik lastige momenten mee, maar ik beschouw mijn verblijf daar nog steeds als mijn toegang tot het echte leven. De wereld ging er voor mij open. In de monumentale bioscopen mocht je gewoon zitten roken. Zalig. Na een jaar keerde ik terug naar huis. Mijn vader wachtte me op het treinstation van Bern op. Toen ik hem zag, besefte ik meteen dat ik onmogelijk nog kon terugkeren. Dus moest ik hem en moeder ervan overtuigen me te laten gaan. Ik trok naar de universiteit van Heidelberg. Dat was toen de allerbeste filosofische universiteit van de hele wereld. Daar werd ik professor filosofie. Maar alles begon met die onmogelijke liefde in Londen.”

 

Pascal Mercier, Het gewicht van woorden, Werelbibliotheek, 448 blz., 24,99 euro

 

 

Bio

_DSC0053Pascal Mercier alias Peter Bieri

        • Geboren in 1944 in Bern
        • Studeerde filosofie aan de universiteit van Heidelberg
        • Professor emeritus analytische filosofie aan de Freie Universität Berlin
        • Scoorde in 2004 een internationale megaseller met Nachttrein naar Lissabon

 

Tekst: (c) Jan Stevens

Foto’s: (c) Veerle Van Hoey

“Dagdromen is de allerbelangrijkste menselijke bezigheid”

De filosoof Peter Bieri schreef onder het pseudoniem Pascal Mercier een internationale bestseller met Nachttrein naar Lissabon. In zijn nieuwe boek Hoe willen wij leven? zet hij zijn levensfilosofie uiteen. “De dag dat je beseft dat je het verkeerde leven leidt, is het volstrekt aanvaardbaar dat je afscheid neemt van vrouw en kinderen, ook al weet je dat ze zullen lijden en dat jij met schuldgevoelens zal worstelen.”

 


bieri

 

De Duits-Zwitserse filosoof Peter Bieri (68), alias romanschrijver Pascal Mercier, woont in een buitenwijk van Berlijn in een mooi huis in het groen, weg van de buren, de straat en de rest van de wereld. “Het is geen verlangen van de filosoof of de schrijver in mij om geïsoleerd te leven”, zegt hij. “Dat was alleen een strikt persoonlijke wens. Sommige schrijvers en filosofen werken in het geroezemoes van een café: Sartre schreef er bladzijden vol. Natuurlijk sta ik middenin de wereld, maar als ik wil schrijven, moet ik alleen zijn.”

Bieri studeerde filosofie, indologie, klassieke filologie en anglistiek aan de universiteit van Heidelberg en bekleedde als professor filosofie tot 2007 leerstoelen in onder andere Heidelberg en Berlijn. In 1995 debuteerde hij als romancier onder het pseudoniem Pascal Mercier met Perlmanns zwijgen, over een professor taalkunde die een internationaal congres van vakgenoten moet leiden en toespreken, maar niets heeft voorbereid omdat hij van oordeel is dat hij niets meer te zeggen heeft. Bijna tien jaar later brak Bieri alias Mercier internationaal door met de miljoenenseller Nachttrein naar Lissabon, over een leraar die van de ene dag op de andere de drastische beslissing neemt zijn klas vaarwel te zeggen en de nachttrein neemt naar Lissabon, waar hij op zoek gaat naar de Portugese schrijver die hem tot die ingrijpende keuze geïnspireerd heeft.

Als filosoof schreef Peter Bieri onder eigen naam in 2001 het lijvige Het handwerk van de vrijheid, waarin hij stelde dat onze persoonlijkheid niet alleen gevormd wordt door onze genen of de chemie in onze hersenen, maar dat we ook een eigen ‘bewustzijn’ hebben. Nu is er Hoe willen wij leven?, een bundeling van drie lezingen die hij in het voorjaar van 2011 aan de academie van het Oostenrijkse Graz gaf. “Wie dit boek leest, krijgt een duidelijk beeld van hoe ik als filosoof in de wereld sta”, zegt hij. “De lezer kan er ook mijn manier van denken in ontdekken. Die is heel ambitieus, ver weg van alle dogma’s en regels. Ik probeer al mijn filosofische werk op zo een manier te schrijven dat de lezer het gevoel krijgt dat hij zelf aan het denken is. Ik heb net een ultradik boek af over menselijke waardigheid. Het zal Eine Art zu leben, Een manier van leven, heten. Ook in die kolos wil ik mensen betrekken in het ‘denken over’, in plaats van te poneren: ‘Je moét me geloven: zo is het en niet anders.’”

 

Is de essentie van uw filosofie dat mensen zichzelf goed moeten leren kennen zodat ze hun juiste, authentieke levenspad kunnen kiezen?

Peter Bieri: Dat is helemaal juist.

 

Jezelf leren kennen, lijkt me geen eenvoudige opgave.

Bieri: Dat is inderdaad heel moeilijk. Toch ben ik ervan overtuigd dat iedereen zichzelf écht kan leren kennen. Je ogen sluiten en je concentreren op je innerlijke wereld is niet voldoende, al vormt het er wel een onderdeel van. Elke mens kan leren om aandachtiger te worden en bewust te ervaren wat hij vanbinnen voelt. Net als bij meditatie blok je dan alle externe input af en ga je op zoek naar je eigen bewustzijnsstroom. Maar om jezelf te leren kennen, moet je ook je gedragspatroon leren begrijpen. Dat patroon is niet automatisch zichtbaar voor jezelf. Andere mensen kunnen je daarbij helpen; dat hoeven niet noodzakelijk therapeuten te zijn, het kunnen ook je huisgenoten zijn die je een spiegel voorhouden. Jezelf leren kennen is niet simpel, maar door je leven in eigen handen te nemen, wordt het bestaan wel veel rijker.

 

Word je er ook gelukkiger door?

Bieri: Ik praat nooit over geluk. Er bestaat een gigantische geluksindustrie, en toch blijft geluk een zeer oppervlakkig concept. Het leven draait niet om geluk maar om wat belangrijk is, om wat er echt toe doet. De dingen die belangrijk zijn in een leven, dragen niet noodzakelijkerwijze bij aan het geluk. Pijn kan belangrijk zijn, net als teleurstelling. Die ervaringen maken het leven dieper, rijker en interessanter.

 

Het belangrijkste is dat we een authentiek leven leiden?

Bieri: Authenticiteit is uiterst belangrijk, maar ook uiterst ingewikkeld. Wat onderscheidt een authentieke daad of gedachte van een niet-authentieke? Het lijkt alsof we daar intuïtief snel onderscheid in kunnen maken, terwijl dat vaak niet meer is dan zelfbedrog. Als we op een filosofische manier over authenticiteit beginnen nadenken, merken we snel dat we in feite niet weten waar we het over hebben. Alleen door onze kennis over onszelf op te vijzelen, kunnen we sneller niet-authentieke en authentieke facetten van ons leven op het spoor komen, om zo dichter bij onszelf te komen. Ons leven lang – eerst als kind, later op school, nog later op het werk – absorberen we onbewust allerlei gedragingen die niet van onszelf zijn. Natuurlijk kan een mens een leven lang die patronen reproduceren zonder ooit zijn authentieke zelf te zijn. Maar de prijs die hij daarvoor betaalt, is vervreemding. Alleen zelfkennis kan vervreemding een halt toe roepen. ‘Wat denk ik echt? Wat voel ik echt?’ Ken je Henrik Ibsens toneelstuk Een poppenhuis? Een vrouw voelt zich verstikt in haar conventionele leven en huwelijk. Ze verlaat haar gezin, wordt daarvoor door haar man gestraft, maar ze keert zich tegen hem en zegt: ‘Ik moét mezelf zijn. Ik moet zijn wie ik ben, wat ik voel, wat ik denk. Ik wil zelf oordelen of ik het recht heb om jou en mijn kinderen te verlaten. Ik moet zelf kunnen bepalen wat het is om eerlijk tegenover mezelf te zijn.’

 

Klopt het verhaal dat een Duitse boekhandelaarster u na een signeersessie vertelde dat haar man na lectuur van Nachttrein naar Lissabon zelf ook de nachttrein nam en voorgoed uit haar leven verdween?

Bieri: Dat is echt gebeurd, ja. ‘Uw boek heeft mijn leven veranderd’, zei die mevrouw nadat het publiek uit haar winkel vertrokken was. Ze had zelf Nachttrein naar Lissabon aan haar man cadeau gegeven. Kijk, het komt altijd op hetzelfde neer: je moet jezelf de vraag stellen: ‘Heb ik tot hiertoe geleefd zoals ik wou leven? Of heb ik dingen laten liggen? Heb ik mezelf voorgelogen en moet ik op zoek naar een manier om dat te corrigeren?’

 

Is die zoektocht naar ‘het authentieke leven’ geen luxefilosofie? Een filosofie voor de elite?

Bieri: Wat is er elitair aan het onderscheid tussen authentiek en niet-authentiek? Tussen jezelf kennen en jezelf niet kennen? Tussen jezelf een rad voor de ogen draaien of op zoek gaan naar je ware ik? Dat is toch wat elke mens tot mens maakt? Toen we dit huis lieten verbouwen, liepen hier vaklui rond, mensen die ver af stonden van de wereld van de boeken. Ze zagen al die boeken hier staan, en vroegen: ‘O mijn god, hebt u die allemaal gelezen?’ Ik heb vaak met hen over zelfkennis gesproken, daarvoor gebruikte ik niet het jargon uit mijn boeken, maar woorden die zij kennen. Elke mens kent het verschil tussen de ervaring om iets te doen omdat het van hem verwacht wordt en de ervaring om iets te doen omdat hij het zelf wil. Het kan een grote opluchting zijn om je zin te doen, in plaats van de conventionele, platgetreden paden te volgen. ‘Nu spreek ik. Ik volg mijn eigen stem.’ Dat is toch niet elitair?

 

Wat als iemands eigen stem zeer gewelddadig is?

Bieri: Dan nog is en blijft het zijn eigen stem. Hij zal dat dan moeten erkennen en aanvaarden. Hij zal ook de aard en de inhoud van het geweld moeten leren begrijpen. Tegen wie of wat richt zijn gewelddadigheid zich? Niemand is van nature gewelddadig; er is altijd een reden waarom geweld iemands leven begint te domineren. Die man of vrouw zal de oorzaken moeten leren kennen, om vervolgens zijn of haar eigen stem in balans te brengen met de morele en conventionele regels die een maatschappij vormgeven.

 

De morele en conventionele regels blijven gelden?

Bieri: Ja, maar niet allemaal. Conventionele regels rond huwelijk, vriendschap of trouw tellen niet meer mee. Het zou best kunnen dat jij op een dag tot de ontdekking komt dat je alleen maar een authentiek leven kunt leiden door je huwelijk op te blazen. ‘Ik weet dat de goegemeente het niet zal appreciëren als ik vrouw en kinderen in de steek laat, maar als ik eerlijk ben met mezelf moet ik hen vaarwel zeggen.’ Het kan zelfs zijn dat jouw eigen stem radicaal ingaat tegen de geldende wetten, en dat je in de gevangenis kunt belanden door je authentieke zelf te volgen. Je zal daar dan best op een pragmatische wijze mee omgaan, al was het maar om te kunnen overleven. Maar dat is geen verplichting. Van zodra je ervan overtuigd bent dat je het echte leven gemist hebt, kun je alsnog je eigen weg beginnen volgen en de consequenties van je daden aanvaarden. Op dat moment is het volstrekt aanvaardbaar om afscheid te nemen van je gezin, ook al weet je verdomd goed dat vrouw en kinderen daaronder zullen lijden en dat jij met schuldgevoelens zal zitten. In Kramer vs. Kramer laat Meryl Streep haar man Dustin Hoffman en hun zoontje in de steek. Later in de film zegt ze: ‘Ik moést het doen om mijn eigen ziel te redden.’

 

Klinkt dat niet heel egocentrisch?

Bieri: Dat is ook zo, alleen zijn er verschillende interpretaties van egocentrisme mogelijk. De amorele interpretatie is dat je volledig op je eigen belangen gefocust bent, zonder acht te slaan op de belangen van anderen. De perfecte illustratie daarvan is de kerel die een kind dood rijdt, vluchtmisdrijf pleegt en zijn bumper laat uitblutsen en herschilderen. Egocentrisme kan ook zijn dat je in aanraking komt met wat je echt voelt, met je echte wil en je eigen emotionele identiteit. Die ‘ontdekking’ kan in conflict komen met wat mensen van je verwachten. Natuurlijk heb je de verwachtingen van anderen ook zelf in stand helpen houden door er heel de tijd naar te leven. Als je er dan voor kiest om je innerlijke stem te volgen, lijkt een drama onvermijdelijk.

 

Waarom bent u filosoof geworden?

Bieri: Omdat ik nooit geïnteresseerd geweest ben in de buitenwereld. (lacht) Al heel vroeg ontdekte ik de wereld van de verbeelding in romans. Als jongen van tien woonde ik met mijn ouders in een voorstad van Bern. Om zeven uur ’s morgens gingen de voordeuren van alle huizen open. Mannen met grijze hoeden stapten naar buiten en vertrokken met de bus naar hun werk. Telkens wanneer ik die stroom van grijze heren zag passeren, wist ik dat ik nooit zo een leven wou leiden. Dus ontsnapte ik in de boeken van Karl May. Ik las zoveel dat mijn ouders zich zorgen begonnen maken. Ik wou Old Shatterhand of Winnetou worden. Middenin de zomer, in augustus, sloot ik overdag alle luiken, stak de lamp aan en begon te lezen.

In de zestiger jaren ontdekte ik die prachtige Franse zwartwitfilms met acteurs als Jean Gabin, Alain Delon, Brigitte Bardot… Ik zag die films niet één keer, maar vier keer. Het werd zo erg dat ik geld begon te stelen uit de portemonnee van mijn moeder. Ik was een echte filmjunkie en bereid om elke wet te breken om toch maar naar de cinema te kunnen gaan. Ik was verslaafd aan die fantasiewereld, waar het leven zoveel intenser was dan in het doordeweekse gezin waar ik opgroeide.

 

Bent u nu nog steeds dat jongetje van toen?

Bieri: Ja. Natuurlijk lukt het me om te overleven in de werkelijke wereld, maar die heeft eigenlijk nooit meegeteld. Wat wel telde, waren mijn boeken. Tijdens mijn scholierentijd raakte ik verslaafd aan vreemde talen. Ik leerde Latijn, Grieks en Hebreeuws. Mijn leraar Grieks verdiepte zich in Sanskriet en hij had een compagnon nodig om hem op te vragen. Dat werd ik dus. Elke middag tussen twaalf en twee spraken we af in een café. We hadden een stapeltje papieren bij en op elk papiertje stond een ingewikkelde zinsconstructie uit het Sanskriet. We spraken Sanskriet met elkaar zoals de monniken Latijn spreken.

Ik was geen excentrieke jongeman, maar een stille, bleke jongen die niet erg goed was in het benaderen van meisjes. Ik was zwak in wiskunde, maar een bolleboos in alle andere vakken. Ik was uiterst gedisciplineerd, werkte hard en las de hele dag door. Ik wou kennis verzamelen over de dingen die er in het leven toe doen. Over wat betekenis heeft en wat niet. Ik werd een expert in Indische religie en boeddhisme. Ik wou de heilige teksten lezen, net als een monnik.

 

Omdat u hoopte daar zin in te vinden?

Bieri: Ja, want die teksten behandelen de Grote Vragen. Op mijn veertiende begreep ik niet hoe mensen hun dagen konden vullen met triviale dingen. Ik vond dat een gigantisch verlies van tijd. Ik las over de ashrams in India en over mensen die hun familie vaarwel zeggen, de bergen intrekken om daar de rest van hun leven mediterend door te brengen. Ik vond dat zo fascinerend dat ik besloot filosofiestudent te worden. Aan de universiteit van Heidelberg kreeg ik les van briljante professoren en ik wou op hun niveau komen. Ik werd een zeer ambitieuze student. Ik ontdekte snel dat ik dankzij al die voorgaande jaren van intensief lezen veel verder stond dan mijn medestudiegenoten. Zo heb ik het uiteindelijk zelf tot professor filosofie geschopt. (lacht)

 

Waarom duurde het daarna tot uw 45e voor u romanschrijver werd?

Bieri: Tegen dan had ik elke zin van Max Frisch gelezen; sommige van zijn werken kende ik van buiten. Ik werd een lezer van Joseph Conrad, Georges Simenon, Gustave Flaubert… Maar al die tijd leefde ik in een kleinburgerlijk milieu. Het hoorde niet om daar bovenuit te stijgen. ‘Wij zijn de kleine mensen. Grote schrijvers zoals Thomas Mann leven in een andere wereld die niet voor ons toegankelijk is.’ Die sfeer was zo krachtig en allesbepalend dat ik er voor mijn veertigste zelfs niet aan dacht om zelf romans te gaan schrijven.

Als professor leidde ik een onderzoeksgroep rond de hersenen en het denken, en beheerde ik miljoenen om internationale conferenties te organiseren waarop ik alle autoriteiten uit mijn vakgebied kon uitnodigen. Erg slim moest je daar niet voor zijn. In vergelijking met schrijven, stelde dat niets voor. Ik vond het eerlijk gezegd een leeg leven, ook al ontmoette ik briljante geesten en leerde ik alles over de werking van onze hersenen. Na een paar jaar was ik er op uitgekeken en begon ik me te vervelen. De lezer van Karl May in mezelf voelde zich verdrukt. In de late jaren tachtig werd ik een jaar vrijgesteld om een academisch boek te schrijven. In plaats daarvan reisde ik samen met mijn vrouw naar Venetië. Dat was mijn eerste kleine verzet tegen de academische wereld. Ik voelde me zo ontzettend schuldig, maar tezelfdertijd was het ook zo fijn. (lacht) Het was november, koud, mistig, grijs; het was fantastisch. We stapten naar een café op het San Marcoplein, er zat een vrouw achter een bewasemde ruit en met een leren handschoen in haar hand wreef ze de damp weg zodat ze naar buiten kon kijken. Ik zag dat beeld en het leek alsof ik wakker geschud werd. In de roman Die Rote van Alfred Andersch komt exact dezelfde scène voor. Terug thuis heb ik die roman meteen herlezen. Toen besefte ik: ‘Dit kan ik ook.’

 

Veel mannen van halverwege de veertig kopen een motor of nemen een nieuw lief. U werd Pascal Mercier en schreef uw romandebuut?

Bieri: Exact. Ik publiceerde mijn debuut onder een schuilnaam omdat ik mezelf wou beschermen. Als je als professor in Duitsland romans begint te schrijven, begeef je je op een gevaarlijk pad. Dan krijg je van je collega’s te horen: ‘Hij is gestopt met ernstig te zijn.’ Afhankelijk van hoe succesvol je bent, komt daar na verloop van tijd ook jaloezie bij. Een professor die romans begint te schrijven, stuurt het signaal naar zijn collega’s dat het academische leven niet volstaat. Die collega’s vragen zich dan af of ook zij een inhoudsloos leven leiden. Daarom schreef ik mijn roman Perlmanns zwijgen als Pacal Mercier. Toen journalisten van Der Spiegel na de publicatie van mijn debuut in 1995 ontdekten wie er achter Mercier schuilging, vroegen ze heel beleefd of ze dat mochten onthullen. Uiteindelijk ging ik akkoord. Tot mijn grote verbazing kreeg ik toen veel positieve reacties van collega-professoren.

 

Met uw derde roman Nachttrein naar Lissabon werd u wereldwijd een zeer succesvol schrijver.

Bieri: Ik wist niet goed wat ik moest aanvangen met al dat applaus. Het leek alsof het niet voor mij bestemd was. Dat is tot nu zo gebleven. Door dat internationale succes zit ik tijdens al die boektournees tijd te verlummelen in treinstations of op luchthavens. Heel vaak denk ik dan: ‘Waarom doe ik dit toch? Ik had nu rustig thuis kunnen zitten schrijven of dagdromen.’ Dagdromen is geen tijdverspilling, integendeel, het is de allerbelangrijkste menselijke bezigheid. Want door te dagdromen, komen we heel dicht bij wie we echt zijn.

 

Peter Bieri, Hoe willen wij leven?, vertaling: Marijke Koekoek, Wereldbibliotheek, 96 blz., 15,90 euro

 

Tekst: © Jan Stevens

Foto: © Veerle Van Hoey