‘De PVDA heeft zich nooit verontschuldigd voor de wantoestanden die ze verdedigde’

Louis Van Dievel nam leven en werk van gepensioneerd huisarts en ex-politicus Jan Van Duppen als basis voor zijn nieuwe boek De dokter is uw kameraad niet. “Het is een portret van een generatie die in de jaren 70 radicaliseerde en blind in het maoïsme geloofde.”

‘Een biografictie’ noemt auteur Louis Van Dievel zijn nieuwe boek De dokter is uw kameraad niet. Daarin vertelt hij het leven van Guust Van Mol, de in 1953 geboren oudste zoon van een Kempisch onderwijzersechtpaar. Op jonge leeftijd wordt Guust lid van Amada, de stalinistisch-maoïstische voorloper van de PVDA. Op bevel van de partij breekt hij begin jaren 70 zijn studies psychologie af om in de fabriek te gaan werken. Hij wordt mijnwerker en later trambestuurder. In 1978 begint hij geneeskunde te studeren. Na een teleurstellende reis naar ‘lichtend voorbeeld’ China, breekt Guust met de partij. Hij wordt huisarts in Turnhout, sluit aan bij de SP, later sp.a, en schopt het in 1999 tot Vlaams parlementslid. Vijf jaar later neemt hij ontgoocheld afscheid en verkast naar Rotterdam, waar hij arts in een achterstandswijk wordt. Daar raakt hij in de ban van de boeken van de Britse oerconservatieve psychiater Theodore Dalrymple.

Het leven van ‘Guust Van Mol’ vertoont opvallende gelijkenissen met dat van Jan Van Duppen, gepensioneerd huisarts en oudere broer van de eerder dit jaar overleden PVDA-dokter Dirk Van Duppen. “Guust Van Mol is niet Jan Van Duppen”, zegt Jan Van Duppen. Toch zitten we in zijn tuin in het centrum van Turnhout samen met schrijver Louis Van Dievel. “Guust is wel en niet Jan”, vindt die. “De dokter is uw kameraad niet is een portret van een generatie slimme jonge mensen die in de jaren 70 radicaliseerde. Ze bekeerden zich tot het maoïsme en geloofden er blind in. Siegfried Bracke zegt: ‘Amada zat vol verstandige mensen die er op een bepaald moment allemaal in slaagden hun verstand uit te schakelen.’ Hij heeft gelijk.”

Wie kwam op het idee voor De dokter is uw kameraad niet?

Louis Van Dievel: “Ik. De evolutie die mijn vriend doormaakte, fascineerde me.”

Jullie zijn vrienden?

Van Dievel: “We kennen elkaar toch al sinds 1980.”

Jan Van Duppen: “Hoe omschrijft u vriendschap?”

Een vriend is iemand die je voor bijna 100 procent kunt vertrouwen.

Van Duppen: “Dan heeft u net als ik heel weinig vrienden. Ik heb Louis toen hij aan zijn boek aan het werken was nooit voor 100 procent vertrouwd. Hij is een oude trotskist en die zijn per definitie onbetrouwbaar. (lacht) Louis kon me na verloop van tijd en na veel gesprekken min of meer overtuigen. Maar dit is niet mijn boek en ik ben het ook niet met alles eens. Het is Louis’ boek. Ik gaf hem 80 procent van mijn archief en hij heeft daar naar eigen zeggen 20 procent van gebruikt. Hij maakte zijn eigen keuzes. Al wat ik goed vond, heeft hij er natuurlijk niet in gezet. Maar er staan ook geen zaken in die ik belachelijk vind.”

U gaf hem de volledige vrijheid?

Van Duppen: “Nee, hij nam die. We discussieerden er wel over en in sommige gevallen kon hij me overtuigen, in andere niet. Het positieve was dat hij me zo dwong mijn verleden eindelijk onder ogen te zien. Ik worstelde daar al heel lang mee, maar probeerde de confrontatie te omzeilen of uit te stellen. Het is echt niet simpel om een verleden op te delven dat niet zo fraai is geweest. Ik wou weten: waarom werd ik ooit lid van een partij als Amada? En ik zag frappante gelijkenissen met hoe IS jonge mensen rekruteert en radicaliseert. Louis dwong me mij́n radicalisering van een halve eeuw geleden grondig uit te spitten.”

Waren trotskisten minder strikt in de leer dan maoïsten?

Van Duppen: “Het trotskisme was om te lachen. Wij waren de zuiveren, zij waren de ‘renegaten’, de afvalligen. Trotski was in onze ogen een fascist.”

Van Dievel: “Ik ben niet lang in dat milieu blijven hangen. Na vier jaar hield ik het voor bekeken. Ik was een lauwe gelovige en las niet graag de teksten. Het verschil tussen maoïsten en trotskisten was dat wij tot ‘s avonds laat op café zaten.”

Van Duppen: “Wij zaten niet op café omdat we om vier uur ’s morgens moesten opstaan om aan de fabriek pamfletten uit te delen. Dan lag jij nog in je nest te stinken, als je er dan al in lag.”

Van Dievel: “Ik zag hoe veel leeftijdsgenoten zich tot het maoïsme bekeerden en daar blind in geloofden. Amada, vanaf 1979 de PVDA, was als een sekte. Al die intelligente jonge mensen volgden alle rare kronkels van de partij, en dat waren er massaal veel. Wandaden in China, Vietnam of Cambodja werden goed gepraat. Sommigen bleven de partij trouw en zijn er nog steeds bij. Anderen begonnen na verloop van tijd te beseffen dat er iets niet klopte. Ze werden eruit gesjot, of stapten zelf op, zoals Jan. Velen onder hen worstelen nu ook met een onverwerkt verleden. Met alle ex-maoïsten samen kun je een voetbalcompetitie beginnen. Jan komt met zijn verhaal naar buiten, maar de meesten zwijgen. Want het is niet plezant om ervoor uit te komen dat je indertijd een blinde aanhanger was van Mao en Stalin.

“Wat ik zo fascinerend vind aan de levensgeschiedenis van Jan, is dat hij na de breuk met de maoïsten sociaaldemocraat werd, een tijdlang geloofde dat hij bij de sp.a iets kon bereiken, om later ontgoocheld op te schuiven naar rechts. Vandaag is Jan een zeer conservatief mens.

“Elke keer als Jan een naam uit de tijd van Amada noemde, googelde ik die. Zo merkte ik dat veel van de oude ijzervreters nog steeds actief zijn bij de huidige PVDA, zoals de bekende Kris Merckx, maar ook Boudewijn Deckers. Je gaat mij niet vertellen dat ze allemaal dat stalinistische verleden afgezworen hebben.”

Wat de PVDA nu wel beweert.

Van Duppen: “Ik geloof daar niets van.”

Van Dievel: “Ik ook niet. Ze hebben zich nooit verontschuldigd voor alle rampzalige theorieën die ze ooit verkondigden en in de praktijk probeerden te brengen. Of voor de wantoestanden die ze verdedigden. Ze nemen er afstand van, ja. Dat is zoals Roger Vangheluwe die zei: ‘Sorry’, om vervolgens van zijn pensioen te gaan genieten in een klooster in Frankrijk.”

Eind jaren tachtig nam een vriend me mee naar een lezing van wijlen Ludo Martens, op dat moment voorzitter van de PVDA. Ik hoorde die man de lof van Jozef Stalin zingen en de zuiveringen verheerlijken. Het waren er volgens Martens alleen niet genoeg.

Van Duppen: “Martens vertolkte daarmee niet meer dan de marxistische stelling dat het in de genen zit. Je ouders, grootouders en kinderen dragen evenveel verantwoordelijkheid. Als jij geliquideerd wordt, moeten ook zij uit het maatschappelijk weefsel verwijderd worden. Stalin had volgens Ludo Martens dus niet goed genoeg gezuiverd. Maar ikzelf vond die zuiveringen er flink over en was nooit een grote fan van Stalin. Veel partijgenoten wel. De reden waarom al die fatsoenlijke jonge mannen en vrouwen uit katholieke gezinnen in die vreselijke verhalen meegingen, had precies te maken met het feit dat Amada een sekte was. De manier waarop ze ons rekruteerden en loszongen van onze omgeving, was exact zoals sektes dat doen.”

De partij wou dat u stopte met studeren en stuurde u naar de fabriek, om er te gaan ‘proletariseren’.

Van Duppen: “Al die pas gerekruteerde jonge studenten kwamen natuurlijk uit ‘kleinburgerlijke milieus’. Volgens de marxistisch-leninistische leer zouden de arbeiders het voortouw nemen in de bevrijding van de mensheid. De arbeidersklasse was de enige die de dictatuur kon uitoefenen over de slechte rijken. De dictatuur van het proletariaat was per definitie goed, want ze zou zich nooit keren tegen de armen of de zwakken. Om te weten te komen hoe die reddende klasse leefde en dacht, moesten we ‘proletariseren’ en in de fabrieken gaan werken.”

U moest uw collega’s in de fabriek intussen ook proberen bekeren?

Van Duppen: “Uiteraard. Elke week leverden we lijsten in van hoeveel uur we besteed hadden aan militeren en het verkopen van onze ‘krant’ Solidair. In die periode oefende ik eigenlijk drie jobs uit: het partijwerk, het thuiswerk en het werk in de fabriek. We voelden ons heroïsch.”

Uw broer Dirk vertelde in zijn afscheidsinterviews dat hij als jongeman uit eigen keuze bij de para’s ging. Uit dit boek leer ik dat hij door de partij gestuurd werd.

Van Duppen: “Alle jongemannen moesten van de partij bij de para’s gaan. Het proletariaat moest met de wapens kunnen omgaan en in het leger konden interessante sabotagetechnieken geleerd worden. Sommige partijleden werden door de militaire geheime dienst ‘ontmaskerd’ en schilden de rest van hun diensttijd patatten.

“Toen ik voor mijn legerdienst werd opgeroepen, werkte ik als mijnwerker in Beringen. Daardoor had ik automatisch recht op vrijstelling, maar de partij besliste dat ook ik naar het leger moest. Ik kwam niet bij de para’s terecht, maar bij de logistiek van de landmacht. In mijn dossier stond dat ik Amada-lid was. De kolonel sloot een deal: als ik me gedeisd hield en de boel niet ophitste; kreeg ik in ruil een ‘schone job’ als chauffeur. Ik hapte toe.”

In 1978 ging u geneeskunde studeren. Was dat ook opgelegd door de partij?

Van Duppen: “Nee, dat vonden ze een ramp. Dirk en ik besloten op hetzelfde moment om geneeskunde te gaan studeren. Iedereen met naam en faam in de partij werd op ons afgestuurd om dat tegen te houden.”

Van Dievel: “Jan werkte toen als wattman bij de Antwerpse MIVA, de latere Lijn. In mijn boek staat een hilarische scène waarin PVDA-dokter Kris Merckx een tramrit lang Jan ervan probeert te overtuigen om toch maar niet voor dokter te gaan studeren. ‘Tien jaar geleden was geneeskunde nog makkelijker, nu zijn die studies veel ingewikkelder, met honderden soorten antibiotica. Het lukt niet meer zoals in onze tijd.’ (lacht)”

Waarom wilden ze dat niet?

Van Duppen: “Als wij de fabriek verlieten om te gaan studeren, vormden wij meteen het levende bewijs dat de theorie van het proletariseren niet vol te houden was.”

Werd u net als in een sekte continu in de gaten gehouden?

Van Duppen: “We controleerden onszelf met kritiek en zelfkritiek.”

Van Dievel: “Je hele leven stond in het teken van de partij, er was niets anders. Jans vrouw was ook lid van de partij, maar ze liepen nooit hand in hand. Tijdens het partijwerk mocht niemand zien dat ze een koppel waren. Hun relatie had geen enkel belang; de partij was alles.”

Van Duppen: “Als je er toch uitstapte, werd je gevolgd. Een jaar of tien na mijn afscheid sprak een partijlid van toen me aan op een literair festival in Antwerpen. Ik had geen zin in een praatje met hem, maar hij drong aan. Hij vertelde me dat hij de voorbije jaren verantwoordelijk was geweest voor het verzamelen van inlichtingen over mijn doen en laten. Hij moest daarover wekelijks verslag uitbrengen bij het politbureau. Hij was inmiddels zelf uit de partij gezet en bood zijn verontschuldigingen aan.”

Dat lijkt op praktijken van de Stasi.

Van Duppen: “Het was exact hetzelfde. Misschien is dat bij de huidige PVDA nog zo, ik weet het niet. Ik mag daar natuurlijk niets over zeggen, nu ze zogezegd opnieuw maagd geworden zijn.”

Na de eerste Zwarte Zondag in november 1991 werd u lid van de sp.a, toen nog SP. Acht jaar later werd u voor die partij verkozen tot Vlaams parlementslid. De sp.a verschilt dag en nacht van de PVDA?

Van Duppen: “Natuurlijk. De sp.a was geen sekte, maar een belangenvereniging.”

Van Dievel: “Een gezelligheidsvereniging waar je bij wijze van tijdverdrijf naartoe ging. In de tijd van de verzuiling hadden ze hun eigen fanfare en café; je kon je altijd wel ergens amuseren.”

Van Duppen: “Ik begreep niets van die grote overwinning van het Vlaams Blok. Ik was huisarts hier in Turnhout en een groot deel van mijn patiënten had op die partij gestemd. Terwijl dat mensen waren die bij wijze van spreken het socialisme in deze stad hadden opgericht. Hun grootvaders liepen op de eerste mei met de vlag in de stoet. Ik vroeg waarom precies zij voor het Blok hadden gestemd. De meesten voelden zich achtergesteld: ze vonden dat vreemdelingen altijd werden voorgetrokken.

“De SP vroeg me omdat ze een potentiële lokale stemmentrekker in me zagen. Ik raakte nipt verkozen. Dat was een zeer interessante ervaring, want ik kreeg zo zicht op wat er zich achter de coulissen van de macht afspeelt. Ik kon ook een paar dingen proberen verwezenlijken. Ik ben niet zo negatief over die periode. Kijk, ik weet ook wel waar u, net als Louis, op kickt: eerst was die Van Duppen extreemlinks, dan sociaaldemocraat en nu is hij extreemrechts.”

Van Dievel: “Je bent stevig rechts en niet extreemrechts. Dat is een groot verschil.”

Van Duppen: “Oké, alleen ben ík niet veranderd, maar de rest wel. Ik geloofde namelijk dat links bedoeld was om zoveel mogelijk mensen mee te laten deelnemen aan de samenleving. Maar ik kreeg al snel door dat dat onder de dictatuur van het proletariaat toch iets anders verliep. Dat viel dus lelijk tegen. Bij de sociaaldemocratie kwam ik erachter dat het ‘gezellige socialisme’ enkel diende om mensen horig te maken. Ik was erg begaan met de problematiek van de internering en probeerde daar als Vlaams parlementslid iets aan te doen. Een belangrijk sp.a-politicus sprak me daarover aan: ‘Wat maak jij je druk over die geïnterneerden? Die kunnen niet eens voor je stemmen.’ Dat is meteen de essentie van de sociaaldemocratie: je onderneemt enkel iets als je zo mensen aan je kunt binden. Volgens mij is dat niet links, maar rechts.”

Van Dievel: “Ik ben zelf een overtuigde sociaaldemocraat en geloof echt niet dat sociaaldemocraten mensen aan zich proberen binden om macht over hen uit te oefenen.”

U schrijft dat ‘Guust Van Mol’ goeroe Marx inruilde voor goeroe Theodore Dalrymple.

Van Dievel: “De aanhangers van Dalrymple vormen geen sekte, maar als hobbyfilosoof geniet hij bij de conservatieven wel een grote aanhang. Ik begrijp niet goed waarom. Zijn geschriften over ‘de onderklasse die het aan wilskracht ontbreekt’ staan bol van de clichés. Zijn observaties zijn soms waar, alleen toont hij een geweldig gebrek aan respect en eerbied voor mensen die hij ‘de onderkanters’ noemt.”

Van Duppen: “Ik vind net dat hij enorm veel respect voor hen heeft en ze au sérieux neemt. Ik ontdekte Dalrymple toen ik in Rotterdam als dokter aan de slag was. Patiënten met een vluchtelingenstatuut vertelden me dat ze de boel opzettelijk belazerd hadden. ‘We kwamen naar hier omdat we een handeltje wilden opzetten. Maar vertel het niet voort.’ Ik kon dat niet vatten. Toen stuitte ik toevallig op de boeken van Theodore Dalrymple. Ik heb alles van hem gelezen en vind dat hij heel realistisch beschrijft hoe die zogenaamde onderklasse door de hulpverleningssector aan het infuus gehouden wordt. Die hulpverleners doen dat in de eerste plaats om zichzelf te helpen, niet de anderen. Zo beroven ze hun cliënten van elke mogelijkheid om hun lot in eigen handen te nemen.”

Van Dievel: “Ik ben het totaal oneens met die stelling van Dalrymple: ‘De bedoeling van de hulpverlening is niet to do good, maar: to feel good.’ Dat is een aanfluiting van wat hulpverleners doen.”

Van Duppen: “Het begint als goed doen, maar evolueert naar goed doen om zichzelf goed te voelen. Wat er wél zou moeten gebeuren, is mensen hun zelfrespect teruggeven.”

Van Dievel: “Dat doe je niet door ze à la Theodore Dalrymple te misprijzen.”

Van Duppen: “Dat doet hij niet, vind ik. Ik heb ze zeker nooit misprezen. Mijn werk tien jaar lang in die moeilijke wijk in Rotterdam is daar het levende bewijs van. Als je die mensen misprijst, dragen ze je gewoon naar buiten. Dalrymple werd ook nooit ergens buiten gedragen.”

Louis Van Dievel, De dokter is uw kameraad niet, Uitgeverij Vrijdag, 368 blz., 22,50 euro

© Jan Stevens