‘We dreigen onze eigen inefficiënte politiestaat te creëren’

Als officiële terreurwaakhond van Groot-Brittannië weet David Anderson alles over iedereen. ‘Ik lees alle geheime documenten.’ De motor achter radicalisering is volgens hem woede en wrok. ‘Mensen hebben het gevoel dat hen persoonlijk iets is aangedaan en zinnen op wraak.’

Eind 2010 kreeg de Britse topadvocaat David Anderson in zijn kantoor in de Temple-wijk in Londen bezoek van drie vreemdelingen. “Ze maakten mijn medewerkers wijs dat hun werkgever, de minister van Binnenlandse Zaken, beroep wou doen op mijn juridisch advies. Toen ze hier aan tafel zaten, kwam de aap uit de mouw: Binnenlandse Zaken wou dat ik de nieuwe terror watchdog werd.”

UK Independent Reviewer of Terrorism Legislation luidt de officiële titel van terreurwaakhond Anderson. ‘Ik heb toegang tot alles’, zegt hij. ‘Ik mag alle geheime documenten lezen en heb het recht om met iedereen te spreken. Er wordt van mij verwacht dat ik vier keer per jaar verslag aan de regering en het parlement uitbreng over de al dan niet correcte uitvoering van de antiterreurwetten. Ik suggereer dan ook altijd aanpassingen.’

Tot 2011 was Groot-Brittannië het enige land ter wereld met een officiële terreurwaakhond. Sindsdien heeft ook Australië een onafhankelijke toezichthouder op antiterrorismewetgeving. ‘De allereerste Britse Independent Reviewer Lord Edward Shackleton ging aan de slag in 1978’, vertelt Anderson. ‘Hij was de zoon van een befaamd poolreiziger en werd net als ik op een dag op de schouder getikt. Ik denk niet dat ze mijn opvolger op die manier zullen rekruteren, want eigenlijk is het te gek voor woorden om zomaar iemand ‘van straat’ te plukken en hem vervolgens alle geheimen te laten lezen. In de jaren zeventig kon dat wel omdat terrorisme nog in de kinderschoenen stond. Onze allereerste antiterreurwet dateert van toen. Die kwam er naar aanleiding van IRA-bomaanslagen in pubs in Birmingham en Guildford.’

De terror watchdog kwam er omdat het parlement vond dat de regering naar aanleiding van de IRA-terreur iets te drastisch vrijheden begon te beknotten?

DAVID ANDERSON: Sommigen maakten zich daar zorgen over en dat bleek achteraf terecht. Dus drong het parlement aan dat er een onafhankelijke toezichthouder kwam die inzage had in de geheimen en aan de volksvertegenwoordigers kon rapporteren.

U moet onafhankelijk zijn, maar u hebt ongetwijfeld een politieke overtuiging?

ANDERSON: Niemand kent die en ik heb geen partijkaart. Wat me echt onafhankelijk maakt, is dat ik als advocaat lid ben van de balie van Engeland en Wales. Mijn toekomst ligt aan de balie en niet bij de overheid. Ik heb er geen enkel belang bij om vriendelijk of onvriendelijk te zijn tegen om het even welke politicus.

Is na de aanslagen van 9/11de antiterreurwetgeving drastisch veranderd?

ANDERSON: In Groot-Brittannië niet, want we hadden in 2000 net een nieuwe antiterreurwet gestemd. Daar was een paar jaar lang in het parlement heel zorgvuldig over gedebatteerd. Na 9/11 is onze wet gekopieerd door Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en gold hij als voorbeeld voor de Europese Unie.

De Terrorism Act 2000 vertrekt vanuit de vaststelling dat terrorisme een specifiek misdrijf is dat aparte regelgeving vereist. Terrorisme is potentieel zo gevaarlijk dat de autoriteiten wel moeten tussenkomen voor het echte misdrijf is gepleegd. Als iemand kunstmest, waterstofperoxide en een timer koopt, kan de politie niet bewijzen dat de man in kwestie een bomaanslag zal plegen, maar kan ze waarschijnlijk wel bewijzen dat het voorbereidende daden zijn om een bom ineen te knutselen. Dus kan die man gearresteerd worden, en als een jury hem schuldig acht, belandt hij in de cel.

Na 9/11 werd de wet geamendeerd waardoor er een controversieel aspect bijkwam: ministers kregen de mogelijkheid om de financiën te bevriezen van vermeende terroristen met een blanco strafblad. Nog controversiëler was het systeem van control orders: het ministerie van Binnenlandse Zaken kon een vermeende terrorist beperkingen opleggen zonder dat er een rechter aan te pas kwam. De vermeende terroristen kregen een contactverbod opgelegd, moesten verhuizen en een enkelband dragen. De wet werd verstrengd na de aanslagen op het openbaar vervoer hier in Londen op 7 juli 2005. Tot 2007 werden er heel wat aanslagen gepleegd én verijdeld, maar daarna werd het relatief rustig. De nieuwe coalitieregering van conservatieven en liberaal-democraten pleitte daarom na de verkiezingen van 2010 voor minder antiterreurwetten.

Minder? Zijn de conservatieven niet juist meer geobsedeerd door veiligheid?

ANDERSON: De Tories reageerden op het beleid van de vorige Labour-regering die volgens hen te veel wetten had ingevoerd en een ‘nanny state’ had gecreëerd. Tussen 2010 en 2014 werden de harde antiterreurwetten geliberaliseerd. Zo had de politie onder Labour de macht om mensen op straat ‘zomaar’ te fouilleren. In 2009 alleen al werd daar liefst 250.000 keer gebruik van gemaakt. Agenten mochten echt iedereen op straat, in de metro of op de trein tegenhouden. De huidige regering heeft die wet afgeschaft. Ze heeft ook meer beperkingen ingevoerd op het onder supervisie houden van mensen met terroristische sympathieën.

Hebt u die liberaliseringen geadviseerd?

ANDERSON: Ik steunde ze. Een aantal keer heb ik geadviseerd om sommige wetten nog meer te liberaliseren en vaak werd ik ook door de regering gevolgd. Eén liberalisering vond ik dan weer té ver gaan. Controlebevelen zijn nu vervangen door ‘TPIM’, wat staat voor Terrorism Prevention and Investigation Measures. Dat zijn maatregelen die door het ministerie van Binnenlandse Zaken opgelegd kunnen worden aan mensen die verdacht worden van aan terrorisme gelinkte activiteiten. Met de vroegere controlebevelen konden mensen verplicht worden om honderden kilometers van hun thuisstad te gaan wonen. Toen die bevelen eind 2011 ingeruild werden voor TPIM werd de mogelijkheid tot verplichte relocatie afgevoerd. Dat was een vergissing. Want de meeste terreursympathisanten wonen in Londen en van zodra ze uit de bak komen, gaan ze lustig verder met het smeden van plannen met hun stads- en geestesgenoten. Daarom heb ik de regering onlangs voorgesteld om relocatie terug mogelijk te maken.

U hebt toegang tot alle informatie, ook van de geheime diensten MI5 en MI6. Hoe werkt al die kennis in op uw gemoedstoestand?

ANDERSON: Voor ik met deze job begon, wist ik niet of er een reële bedreiging was of dat sommigen ons verhalen op de mouw probeerden te spellen om ons bang te maken. Want veel mensen hebben belang bij onze angst. Niet alleen politici, ook bedrijven die hun beveiligingsspullen willen verkopen, academici die thesissen over terrorisme schrijven en filmmakers die willen dat je naar prenten als Zero dark thirty gaat kijken. Ook journalisten teren op de verspreiding van angst. (lachje) Soms lijkt het alsof de journalist en de terrorist gelijklopende belangen hebben, want ze kicken allebei op het woord ‘terreur’ in vette letters op de frontpagina. Ik was heel sceptisch voor ik met dit werk begon, maar moest jammer genoeg vaststellen dat de dreiging reëel is. Een aanslag is zeer waarschijnlijk. Naast het jihadisme hebben wij hier in Groot-Brittannië natuurlijk ook nog een ander terrorismeprobleem: Noord-Ierland.

Daar heerst na het Goede Vrijdagakkoord uit 1998 toch vrede?

ANDERSON: Er is een vredesakkoord, maar zowel bij jullie als hier in Engeland lijkt niemand te weten dat er tot op de dag van vandaag in Noord-Ierland mensen in aanslagen sterven. De vroegere strijdende partijen hebben een overeenkomst gesloten en delen de politieke macht, maar er zijn nog steeds gewelddadige dissidente republikeinen en loyalisten actief die elk jaar dozijnen bomaanslagen plegen. In 2013 lieten extremistische katholieken 73 bommen ontploffen en openden ze 48 keer het vuur. De loyalisten voerden 43 paramilitaire aanslagen uit. De slachtoffers zijn meestal agenten. Alleen Noord-Ierse media berichten daarover.

Uit ‘ons’ Noord-Iers terrorisme hebben we veel geleerd. Begin jaren zeventig stond het op zijn hoogtepunt: in 1972 stierven door de terreur 500 mensen. De regering reageerde ferm door republikeinen te interneren. Ze haalde honderden katholieken van straat en sloot ze op. Dat beleid werd snel stopgezet, maar in Noord-Ierland leeft die internering nu nog. Ik kan u er vers geschilderde graffiti tonen waarop staat: ‘Stop de internering nu’, terwijl dat de voorbije 45 jaar geen enkele keer meer gebeurd is. De herinnering aan de gruwel van de internering wordt nog steeds misbruikt om de wrok bij jonge mensen te voeden. Het slechtst mogelijke scenario is dus dat het antwoord van een regering op terrorisme zo repressief wordt, dat de terroristen er nog meer jongeren door kunnen rekruteren. Al is repressie natuurlijk nodig. Een islamist vindt trouwens altijd wel een aanleiding om wrokkig te zijn. Een gewelddadige salafist zal jonge mensen niet kwaad krijgen door over de Terrorism Act 2000 te oreren want dan predikt hij ze in slaap. Hij zal wel afschuwelijke dingen vertellen over Tony Blair, George Bush en Guantanamo.

Anjem Choudary, de in Londen residerende geestelijke leider van Fouad Belkacem, verwerpt de democratie, zingt de lof van de Islamitische Staat, toont jongens de weg naar Syrië en wordt al jaren door de Britse overheid geen strobreed in de weg gelegd. Hoe verklaart u dat?

ANDERSON: Groot-Brittannië heeft een sterke traditie van vrijheid van meningsuiting, maar misschien is de kritiek wel terecht dat we te toegeeflijk zijn aan mensen die de vrije meningsuiting willen vernietigen en de democratie ten gronde willen richten. In de jaren negentig hadden de Fransen het over ‘Londonistan’. In moskeeën die gefinancierd werden met Saoedisch geld konden notoire radicale predikers zoals Abu Hamza en Abu Qatada hun boodschap van haat verspreiden. Zij waren zo extremistisch dat ze zelfs niet welkom waren in Noord-Afrika of het Midden Oosten.

De toenmalige premier Tony Blair verwelkomde hen wel met open armen?

ANDERSON: Je kunt dat op zijn account schrijven, maar ook op het imago dat de Britten van zichzelf hebben. Ons land was ook een veilige haven voor de Hugenoten en de Joden. Voor tolerante Europeanen is het soms moeilijk te vatten hoe intolerant anderen kunnen zijn. We hebben het zelfs moeilijk met de vaststelling dat er limieten zijn aan tolerantie en dat je intolerantie niet mag tolereren. Een man als Anjem Choudary is een meester in het verkennen van de grenzen. Hij heeft talloze organisaties op zijn naam staan die allemaal verboden zijn en nogal wat leden van zijn clubs zitten in de cel. Anjem is een slimme kerel, hij heeft zelf rechten gestudeerd. Met onze huidige wetten kunnen we hem niet vervolgen. De Tories hebben beloofd dat ze bij een herverkiezing in mei strengere wetten zullen laten stemmen om haatpredikers het zwijgen op te leggen. Hun coalitiepartner de LibDems stelden daar in de voorbije legislatuur hun veto tegen.

Volgens hardnekkige geruchten is Choudary een informant van de binnenlandse inlichtingendienst MI5, en is dat de ware reden waarom hij met rust gelaten wordt.

ANDERSON: Daar kan ik geen commentaar op leveren. Kijk, er lopen verschillende verhalen over verdoken ‘samenwerking’ tussen de Britse regering en islamisten. Zo zou Abu Hamza in opdracht van de regering onderhandeld hebben over de vrijlating van een gijzelaar in Noord-Afrika. Het lijkt me vanzelfsprekend dat MI5 met allerlei mensen praat.

U weet welke ‘gesprekspartners’ ze ook effectief inhuren?

ANDERSON: (ontwijkend) Ik spreek vaak met mensen van MI5. Een paar dagen geleden zat grote baas Andrew Parker alias ‘C’ nog op uw stoel. MI5 levert uitstekend werk, alleen kunnen ze niet alles op tijd onderscheppen. De geheime dienst beschouwt een paar duizenden mensen in dit land als ‘subjecten die hun aandacht verdienen’. De meesten zijn radicale moslims. De Woolwich-moordenaars, Michael Adebolajo en Michael Adebowale waren bekend bij MI5. Islamisten en jihad-sympathisanten praten graag over acties, alleen blijft het meestal bij woorden. De moeilijkheid is om in te schatten wie zijn woorden zal omzetten in daden. Het is gewoon een feit dat MI5 beperkte middelen heeft, waardoor ze prioriteiten moeten stellen. Meestal hebben ze het bij het rechte eind, maar soms gaat het fout en volgt er een aanslag.

Vindt u dat er te weinig geld naar de veiligheidsdiensten gaat?

ANDERSON: Of ze al dan niet voldoende geld krijgen, hangt af van hoe je tegenover risico staat. Als een overheid wil garanderen dat geen enkele burger slachtoffer van terrorisme wordt, moet er gigantisch veel geïnvesteerd worden in het rekruteren van nieuwe spionnen, scanners en beveiligingsagenten. We komen daardoor ongetwijfeld in een veiliger wereld terecht, maar zullen we al die maatregelen blijven tolereren? Ikzelf hoop eerlijk gezegd van niet. In de jaren tachtig explodeerden er in Londen veelvuldig IRA-bommen. Een vriend van mij was in december 1983 een van de slachtoffers van een bomaanslag op het grootwarenhuis Harrods. In 1996 ontplofte er een bom hier vlakbij. We raakten daaraan gewend en een IRA-bomaanslag werd een aanvaard risico. Na 9/11 hebben we onder invloed van Amerika een zero-risico-mentaliteit gekweekt. Ik betwijfel of dat zo verstandig is. We aanvaarden dat er geen zero-risico bestaat voor georganiseerde misdaad, kindermisbruik, mensensmokkel en verkeersongevallen. Voor zowat alles aanvaarden we dat er af en toe iets fout kan gaan, behalve voor terrorisme. Dat kan leiden tot het op grote schaal verkeerd inzetten van onze middelen, verwaarlozen problemen die potentieel veel gevaarlijker zijn en creëren zo onze eigen inefficiënte politiestaat.

Onze minister van Binnenlandse Zaken heeft de macht om het paspoort van potentiële Syriëstrijders in te trekken. Is dat een goede maatregel?

ANDERSON: Ik vind dat best nuttig, omdat de politie zo de kans krijgt om die jongens grondig te ondervragen. Een paar weken geleden voerde de Britse regering een gelijkaardige maatregel in: paspoorten kunnen twee weken lang in beslag genomen worden, waarna de rechter die inbeslagname kan verlengen tot een maand. Zo’n inbeslagname kan natuurlijk ook averechts werken. Michael Zehaf-Bibeau, de man die in oktober vorig jaar een soldaat aan het Canadese parlement in Ottawa doodschoot, was gefrustreerd omdat zijn paspoort in beslag was genomen waardoor hij niet naar Syrië kon reizen. Onze spionnen proberen voortdurend in te schatten of zo’n jihadist in spe gevaarlijker is thuis of in het verre buitenland.

Is ons grootste probleem niet dat we eigenlijk niet weten hoe we de radicalisering moeten tegengaan?

ANDERSON: Dat is zo. Niemand weet het. De Britse overheid heeft tot hiertoe twee manieren uitgeprobeerd om radicalisering te tackelen. Tot aan de verkiezingen van 2010 financierde de regering radicale, antidemocratische groepen. Die organisaties waren gekant tegen al onze waarden, maar werden toch gesubsidieerd omdat de Labour-regering geloofde dat ze alleen zo het islamisme kon controleren. De huidige regering doekte meteen na haar machtsovername alle fondsen voor extremistische groepen op. Het lijkt een verstandige keuze om alleen organisaties van gematigde moslims te ondersteunen die ook ‘onze’ doelstellingen nastreven, maar het grote probleem is dat de islamisten nu vrij spel hebben en gesubsidieerde moslimorganisaties weg kunnen zetten als collaborateurs en ‘valse moslims’.

Het blijft moeilijk om op tijd sporen van radicalisering bij jongeren op te merken en tegen te gaan. ‘Onze’ 7/7-terroristen kwamen uit een echt getto, Beeston bij Leeds. Vier jonge moslims, geboren en getogen in Engeland, die alleen andere Pakistani kenden. Een van hen speelde de dag voor de aanslag nog cricket in een Pakistaans team. Ze groeiden op zonder voeling met de democratische samenleving waar ze deel van hadden moeten uitmaken.

Toch niet alle geradicaliseerde jongens stammen uit getto’s?

ANDERSON: Nee, zeker niet. De belangrijkste reden waarom jonge mensen radicaliseren, is wrok: ze hebben het gevoel dat hen iets is aangedaan en zinnen op wraak. Misschien werden ze afgeranseld door vader of moeder, maar het kan ook dat ze afknapten op Tony Blair. In 2010 pleegde de toen eenentwintigjarige Roshonara Choudhry een aanslag op een volksvertegenwoordiger. Ze was een briljante studente maar kocht op een dag twee messen, stapte naar het spreekuur van Labour-volksvertegenwoordiger Stephen Timms en stak hem in zijn buik. Timms had geluk en overleefde de aanslag. Roshonora bekende meteen en vertelde aan de politie haar motivatie. Toen ze 15 was, zat ze op een middelbare school in de Londense wijk Tower Hamlets. Met de klas reisde ze naar het parlement om daar te leren hoe democratie werkt. De leerlingen ontmoetten er hun volksvertegenwoordiger: Stephen Timms. Roshonara vertelde aan haar ondervragers hoe een meisje uit haar groep steeds weer aan Timms bleef vragen: ‘Hebt u voor de oorlog in Irak gestemd?’ Uiteindelijk antwoordde hij: ‘Ja.’ Roshonara zei tegen de politie: ‘Ik schaamde me in de plaats van dat meisje omdat ze zo bleef drammen. Maar later begon ik erover na te denken en besefte ik dat ze gelijk had. Want waarom had hij voor die oorlog gestemd?’ Toen ontdekte ze op het internet de preken van Al Qaeda-ideoloog Anwar al-Awlaki en radicaliseerde zo zichzelf. Zij is trouwens zowat de enige die zichzelf online radicaliseerde, meestal is er iemand uit de ‘echte wereld’ bij betrokken. Bij de radicalisering van Anders Breivik speelde de ultraslechte band met zijn moeder de hoofdrol. De extreemrechtse ideologie volgde pas later. Het belang van persoonlijke trauma’s in radicalisering mag echt niet onderschat worden. Ik lees alle verslagen van de telefoongesprekken van die kerels of van de gesprekken die opgenomen worden in hun flat. Ze praten niet de hele tijd over de koran, maar ook over meisjes en voetbal. Als ze terugkeren uit Syrië en in de cel zitten, ga ik ze opzoeken. Op veel vlakken zijn het gewone Londenaars, gasten met wie je een praatje slaat terwijl je op de bus wacht.

U zei daarnet dat bij hun radicalisering bijna altijd iemand anders betrokken is.

ANDERSON: Ja. We mogen de invloed van leiders zoals Anjem Choudary en Fouad Belkacem niet onderschatten. Een minder bekende, maar minstens even belangrijke figuur is Moazzam Begg. Hij zat opgesloten in Guantanamo en werd na zijn vrijlating directeur van CAGE, een ngo die beweert mensenrechten van gevangen moslims te verdedigen. Ik heb Begg ontmoet toen hij vorig jaar in de cel zat op beschuldiging van het organiseren van een trainingskamp en het financieren van Syriëstrijders. De man heeft charisma en is zeer invloedrijk. In de jaren negentig zat hij ‘toevallig’ in Bosnië en in 2001 ‘toevallig’ in Afghanistan. Vorig jaar reisde hij ‘toevallig’ naar Syrië. Niemand kan bewijzen dat hij op al die reizen iets verkeerd deed, maar hij is wel uitgegroeid tot een mystieke figuur voor jonge moslims. Je kunt niet stellen dat hij met zijn organisatie CAGE de radicale ideeën van jihadi’s die in de gevangenis zitten, open en bloot promoot, maar soms is de lijn flinterdun, zeker als je weet dat veel van de figuren die hij verdedigt geen sikkepit geven om mensenrechten. Amnesty International raakte intern zwaar verscheurd door haar samenwerking met CAGE. Moazzam Beggs antidemocratische uitspraken en zijn dedain voor vrouwen- en homorechten zorgde al van in 2010 voor zwaar protest binnen Amnesty. Op 12 maart van dit jaar besliste de organisatie om alle banden met CAGE door te knippen.

U knipt geen banden door en blijft praten met iedereen?

ANDERSON: Ja. Ik voer nu een diepgaand onderzoek naar het blokkeren van financiële middelen. Ik luister niet alleen naar de motieven van MI5, maar ook naar de mensen die zo’n maatregel moeten ondergaan. Ik wil weten hoe het voelt om te moeten leven met ‘bevroren geld’ en wat dat betekent voor de andere leden van een gezin. Zo’n maatregel kan best efficiënt zijn in de strijd tegen terreur, maar het kan nooit de bedoeling zijn dat mensen daardoor het aureool van martelaar krijgen.

© Jan Stevens

Advertenties

Quilliam

Groot-Brittannië was lang een gastvrije haven voor islamisten. Vandaag is de Britse overheid hen liever kwijt dan rijk. Samen met de Quilliam Foundation – een anti-islamistendenktank gerund door ex-islamisten – probeert ze radicalisering onder jonge moslims te bestrijden. Straathoekwerker Usman Raja gaat de rechtstreekse confrontatie met de extremisten aan. “Het vuil zit heel diep.”

 

Een woensdagochtend in de buurt van Finsbury Park, Noord-Londen. Mohammed, de Marokkaanse uitbater van halalslagerij en kruidenierszaak Al Bahia wijst me de weg naar de North London Central Mosque een paar straten verder. Tot vijf jaar geleden was de grote moskee op St. Thomas Road het favoriete schuiloord van islamisten en jihadi’s. “Die tijd ligt achter ons”, zegt Mohammed. “Imam Abu Hamza al-Masri zwaaide er toen de plak. De moslimgemeenschap van Finsbury wordt daar liever niet aan herinnerd. De huidige imam Ahmed Saad is een verstandig man. De moslims van Finsbury willen niets meer met figuren zoals Abu Hamza te maken hebben.”

In maart 1997 kreeg de uit Egypte afkomstige en tot Brit genaturaliseerde imam Abu Hamza al-Masri toestemming van de bestuurders van de grote moskee van Finsbury Park om er de prestigieuze vrijdagpreek te verzorgen. Zijn warrige baard, glazen oog en een haak op de plaats waar ooit zijn rechterhand zat, leverden Abu Hamza de bijnaam Captain Hook op. Hamza turnde de North London Central Mosque razendsnel om tot een broeinest van islamitisch radicalisme. Elke vrijdag oreerde hij voor honderden jonge Britse moslims over de jihad, riep hen op om trainingskampen te volgen in Afghanistan en om zoveel mogelijk ongelovigen over de kling te jagen. Hij inspireerde GIA-terroristen, shoebomber Richard Reid en Zacharias Moussaoui, de ‘twintigste kaper’ van 9/11 die als ‘reservepiloot’ dienst deed. In 2004 werd Abu Hamza gearresteerd. Hij kreeg zeven jaar cel.

“Hamza was jarenlang de ongekroonde koning van ‘Londonistan'”, zegt de Britse historicus en journalist Michael Burleigh. “De Britse hoofdstad wordt al lang door veel andere westerse landen gezien als het epicentrum van moslimextremisme en jihad. In 2007 werden er in Groot-Brittannië tweehonderd mensen gearresteerd op verdenking van terreuractiviteiten, net zoveel als in alle andere Europese landen samen. Omar Sheikh, de moordenaar van journalist Daniel Pearl van de Wall Street Journal, is de zoon van een succesvol Brits-Pakistaanse zakenman. Sheikh zat op een dure privékostschool in Essex en studeerde aan de London School of Economics. De moord op de Afghaanse krijgsheer Massoed werd gepland in Londen. Figuren zoals Abu Qatada, ideoloog van Al-Qaeda, en Abu Hamza leefden jarenlang van Britse overheidstoelagen, werden gepamperd en in de watten gelegd.”

De Britse overheid pakte de moslimextremisten jarenlang bewust soft aan. Zolang de islamisten zich koest hielden, werden ze ongemoeid gelaten. De regering onder Tony Blair beschouwde die stilzwijgende deal als haar beste verzekering tegen terroristisch islamgeweld. Keerzijde was dat steeds meer extremisten en jihadisten Londen als een veilige thuishaven gingen beschouwen. De aanslagen van 7 juli 2005 op het Londense openbaar vervoer bezorgden de overheid een zware kater, zeker toen duidelijk werd dat de vier zelfmoordenaars vaste klanten waren bij imam Abu Hamza van Finsbury Park.  

Quilliam Foundation

De meerderheid van gewone Britse moslims krijgt vooral vanuit conservatieve politieke hoek het verwijt dat ze medeplichtig is aan de opmars van de extremisten door niet hard genoeg te protesteren tegen de ideologie van de islamistische haat. Als uitzondering wordt zowel door de Conservatieven als door Labour de Quilliam Foundation naar voor geschoven. Quilliam werd eind april 2008 in het bijzijn van sympathiserende intellectuelen, politici en celebrities door twee ex-islamisten, Maajid Nawaz en Ed Husain, boven de doopvont gehouden. De Quilliam Foundation noemt zich de allereerste denktank ter wereld tegen radicalisering en extremisme. Ze onderzoekt alle vormen van moslimextremisme en wil jonge moslims wijzen op de gevaren van radicalisme en politieke islam. Ze roept de moslimgemeenschappen zelfs op om samen te werken met de politie en de inlichtingendiensten om gevaarlijke extremisten te bestrijden. De twee stichters en directeurs Ed Husain en Maajid Nawaz zijn beiden dertigers met een islamistisch verleden. De Brits-Pakistaanse Maajid Nawaz was ooit lid van de islamistische partij Hizb ut-Tahrir, de ‘Partij van de Bevrijding’. Hizb ut-Tahrir strijdt voor ‘het kalifaat’, een islamitische eenheidsstaat die alle moslimlanden verenigt en waar de wet van de sharia geldt. De partij telt twee miljoen leden, is in een aantal Arabische en Centraal-Aziatische landen verboden, maar heeft een stevige verankering in Groot-Brittannië. Tijdens een reis naar Egypte werd Maajid Nawaz opgepakt en veroordeeld tot vijf jaar cel vanwege zijn lidmaatschap van Hizb ut-Tahrir. Hij werd door de Egyptische politie gefolterd en door Amnesty International geadopteerd als gewetensgevangene. “In de gevangenis kwam ik tot het besef dat ik mijn geloof misbruikte voor politieke doeleinden”, zegt Nawaz. “Ik leerde er dat islamisme niet de ware religie is, maar een politiek project dat de islam misbruikt.”

Maajid Nawaz studeerde samen met de Brits-Bengaalse Ed Husain aan de universiteit van Londen. Net als Nawaz raakte ook Husain in de ban van het islamisme van Hizb ut-Tahrir. “Van mijn 16e tot mijn 21e sympathiseerde ik met Hizb”, zegt Husain. “Ik groeide op tussen ‘blanke’, Britse middenklassejongens, en ik voelde me daar niet comfortabel bij. Ik ergerde me ook aan mijn ouders. Zij waren vrome soefimoslims, en ik vond hun geloofsbeleving veel te soft. Hizb ut-Tahrir had een speciale aantrekkingskracht voor jonge moslims zoals ik: de partij beloofde ons een nieuwe wereldorde, met de islam als centrale element. Het lidmaatschap van Hizb ut-Tahrir leverde ons respect op bij andere jonge moslims. Het werkte als een verslavend vergif.”

Na verloop van tijd begon Ed Husain zich steeds meer vragen te stellen over de hang naar geweld bij zijn islamistische broeders. “In 1995 brak ik met Hizb toen bleek dat zij de aanstokers waren voor de moord op een Nigeriaanse student in een hogeschool in Oost-Londen.” In 2007 schreef Husain een boek over zijn radicale moslimjaren. The Islamist werd een bestseller. Husain werd uitgespuwd door radicale moslims; schrijvers en intellectuelen zoals Martin Amis en Timothy Garton Ash roemden hem voor zijn dapperheid.

De Quilliam Foundation van Husain en Nawaz kreeg van bij de start in 2008 financiële steun van de Britse overheid. In januari van dit jaar schreef de regering nog 1 miljoen pond over op de rekening van Quilliam. Maajid Nawaz: “De regering beschouwt ons als haar belangrijkste bruggenhoofd in de strijd tegen het radicalisme. Dankzij die steun is de Quilliam Foundation in een jaar tijd gegroeid tot een organisatie met 18 fulltime mensen in dienst.”

Quilliam huurt voor meer dan 100.000 pond per jaar aan kantoren in het dure centrum van Londen. De exacte locatie wordt angstvallig geheim gehouden uit schrik voor acties van moslimextremisten. Husain en Nawaz zouden zichzelf elk zo’n slordige 85.000 pond per jaar betalen. Zelf willen ze dat niet bevestigen. “Wij doen geen uitspraken over wie wat bij ons verdient.” De laatste tijd zwelt de kritiek op Quilliam zowel vanuit de regeringspartij Labour als vanuit de conservatieve oppositie aan. Er worden steeds meer vragen gesteld bij de financiering van Quilliam. Husain en Nawaz gaan liever niet op die discussie in. “Quilliam is niet alleen in Groot-Brittannië actief, maar ook in moskeeën, universiteiten en madrassas in landen als Syrië of Pakistan”, zegt Husain. “We krijgen het verwijt dat we een industrie aan het worden zijn. Dat is ook onze bedoeling. Alleen degenen die ooit zelf islamist geweest zijn, kunnen het islamisme verslaan. Hoe meer bekwame mensen we deel kunnen laten uitmaken van onze industrie, hoe beter.”

The real stuff

De Britse Pakistaan Usman Raja maakte tot voor kort deel uit van Quilliam. Een paar dagen voor onze ontmoeting in een koffiehuis op de Londense Southbank diende hij zijn ontslag in bij de Foundation. “Ik wil niet langer deel uitmaken van Ed Husains en Maajid Nawaz’ industrie”, verantwoordt hij zijn beslissing. “Ik wil terug naar het echte werk op straat. Een half jaar geleden vroegen Husain en Nawaz me of ik bij Quilliam als Outreach Officer wou komen werken. Mijn taak zou eruit bestaan om jonge, radicale moslims in de moslimgemeenschappen een andere weg te tonen.”

Raja had toen al tien jaar ervaring in straathoekwerk. “Als thaiboksinstructeur kwam ik dagelijks in contact met geradicaliseerde jongeren. De voorbije zes maanden heb ik ontdekt dat Quilliam vooral gespecialiseerd is in het schrijven van rapporten om hun eigen subsidiëring veilig te stellen. Ik dacht dat het werk aan de basis zou primeren, maar dat viel lelijk tegen. Ik wil terug naar de moslimgemeenschappen. Jonge radicale moslims luisteren naar me. Ze herkennen zichzelf in mij. Ik doorzie ze allemaal, ken hun frustraties en weet hoe ik ze moet aanpakken. Want ooit was ik net als zij.”

Het scheelde niet veel of de jonge moslim Usman Raja was halverwege de jaren negentig onder invloed van radicale imams als Abu Hamza van de moskee van Finsbury Park ook gaan vechten in Afghanistan. “Ik ben opgegroeid in Farnborough, een legerstad ten westen van Londen”, vertelt hij. “Mijn ouders gingen uiteen toen ik nog heel klein was. Mijn moeder heeft me een ‘witte’, Britse opvoeding gegeven. Ik ben opgegroeid in een ruwe omgeving met veel racisme. Je kon me vooral vinden in de boksgyms van Oost-Londen. Toen een van mijn blanke, Britse vrienden de islam begon te bestuderen, raakte ook ik in de ban van religie. Het was de tijd van Bosnië, Tsjetsjenië, Afghanistan. De jihad zagen we als een vrijheidsstrijd. Wij waren jihadi’s en zeer radicaal, maar toch anders dan de extremisten van nu. Islamisme is een afwijkende subcultuur geworden, waarbij de jonge ‘volgelingen’ alleen geïnteresseerd zijn in kwaadaardig, homegrown nihilistisch terrorisme. Radicale islam draait bij jongeren exclusief om dood en vernieling.”

Usman Raja nam op tijd afstand van het jihadisme. “Door zelfstudie ben ik van de zeer fundamentalistische salafistische interpretatie van de islam geëvolueerd tot soefi. Ik heb ontdekt dat islam niet over vernietiging van ongelovigen, over de sharia of over een installatie van het kalifaat gaat, maar over vergeving, mededogen, menselijkheid.”

Is Raja ooit lid geweest van Hizb ut-Tahrir? “Nooit. Het is pas door het boek The Islamist van Ed Husain dat de partij berucht geworden is. Voor echte jihadi’s – zoals ik er een was – is Hizb niet meer dan een grap, een aanfluiting, een studentenbeweging. Ze zijn gevaarlijk, want hun ideeën zijn idioot. Maar geen enkele serieuze jihadi neemt hen ernstig. Ik maakte in mijn tijd deel uit van ‘the real stuff’. Een aantal van mijn vrienden zijn naar madrassas en trainingskampen in Pakistan gegaan, een aantal zijn gaan vechten in Afghanistan. Wij wilden in Tsjetsjenië, Bosnië, Afghanistan onze broeders bevrijden. Dat was totaal verschillend van wat de radicalen nu verkondigen. Zij zeggen dat er over de hele wereld een heilige oorlog gevoerd moet worden. Ze zijn de extremisten onder de extremisten, en daardoor supergevaarlijk.”

Liberale democratie

Volgens Usman Raja is het radicalisme onder moslimjongeren een gevolg van vervreemding. “Ze groeien op in geïsoleerde gemeenschappen in de voorsteden. Er wordt van hen verwacht dat ze assimileren. Dat lukt niet en zorgt voor desoriëntatie en frustratie. Ze plooien zich op zichzelf terug en zoeken hun identiteit bij een letterlijke, fundamentalistische interpretatie van de islam. Ze omarmen de politieke, reactionaire islam. Ze beseffen niet dat islam niet zozeer een religie, maar veeleer een individueel geestelijk pad is dat je als moslim bewandelt. Net als bij het boeddhisme staat in de koran mededogen centraal. Zelfs in de meest fundamentalistische lezing van de koran vind je dat begrip van mededogen terug. De fundamentalisten vergroten de woede van god uit tot monsterachtige proporties, terwijl die woede juist gerelativeerd moet worden. Als je de koran op een verstandige manier interpreteert, kun je die foute fundamentalistische interpretaties gemakkelijk onderuit halen.”

Dat lukte Raja niet als Outreach Officer bij de Quilliam Foundation? “Ik wil het proces van Quilliam niet maken”, antwoordt hij behoedzaam. “Al maken ze volgens mij wel fundamentele fouten. De extremistische islam van radicale jongeren is zeer reactionair, maar de reactie van de goegemeente daarop is dat vaak ook. ‘Witte’ Britten verwachten dat jonge moslims assimileren; de Quilliam Foundation wil dat eigenlijk ook. Maajid Nawaz en Ed Husain presenteren zichzelf nu als ex-extremisten, die ‘Brits’ geworden zijn. Maar ze zijn helemaal niet Brits. Ze zijn opgegroeid in Aziatische gemeenschappen, en hebben daarna geprobeerd om zichzelf om te turnen tot hun idee van hoe een Brit is. Ikzelf ben honderd procent als Brit opgegroeid. Van jongs af aan was ik daartoe gedwongen: mijn vrienden waren blank, de moeders van mijn vrienden – mijn ‘tantes’ – waren blank, iedereen rond mij was blank. Nu pas leer ik Punjabi, de taal van mijn voorouders. Als ik een curryschotel eet, raakt mijn maag helemaal in de war. Dat is pas echt ‘Brits’ (lacht). Ik ben Brits, maar ik ben ook moslim. Ik bid vijfmaal per dag, eet halalvlees, terwijl 99% van mijn vrienden ‘witte’ Britten zijn: joden, katholieken, anglicanen, agnosten, atheïsten. Mijn hoogstpersoonlijke, geestelijke levenspad is de islam. Ik heb de vrijheid om dat pad te bewandelen omdat ik in een liberale democratie leef. De radicalen willen dat niet begrijpen, en bekampen die liberale democratie. Een echte moslim omarmt de liberale democratie.”

Grote schoonmaak

Usman Raja kent de Britse moslimgemeenschappen uit de voorsteden als zijn broekzak. Hij maakt zich grote zorgen over de radicalisering. “Het vuil zit heel diep”, zucht hij. “De gewone moskeeën zijn niet langer de broedhaarden van fundamentalisme. Onder impuls van de overheid en van de moslimgemeenschappen zijn haatpredikers zoals Abu Hamza aan de deur gezet. De radicale predikers zijn daardoor ondergronds gegaan. Dat maakt het islamisme nog gevaarlijker. Radicale, politieke islam is een afwijkende subcultuur geworden, net zoals de gangsterrap van een paar jaar geleden – je kent ze wel, die gasten met hun gouden kettingen die met een revolver lopen zwaaien. Jonge moslims vinden het cool om te dwepen met zelfmoordterroristen. Ze vinden het cool om als martelaar te sterven in de metro van Londen. Ze beseffen niet dat jezelf opblazen een uiterste daad van lafheid is. Haat is zware stuff. Ik ga naar de jihadisten en probeer die zware last van hun rug te halen, het zwaard uit hun handen te nemen. ‘Je sleurt die haat al veel te lang mee. Probeer aan liefdadigheid te doen, je zal je veel beter voelen.”

“De enige manier om de jonge extremisten te stoppen, is hen aanpakken in de moslimgemeenschappen zelf. Als we daar niet snel werk van maken, schieten we onszelf in de voet. Het tapijt in de living staat in brand. We kunnen het ons niet permitteren om naar de slaapkamer te stappen, in bed te kruipen en onze ogen te sluiten. Want dan brandt het hele huis af – wij incluis.”

“De moslimgemeenschap heeft dringend een grote schoonmaak nodig. Alleen moet dat op een realistische manier aangepakt worden door mensen die het gezonde deel van de gemeenschap vertegenwoordigen. Zij kunnen misschien nog invloed uitoefenen of de afwijkende subcultuur. Ik stap naar de hotspots in Groot-Brittannië, en vind altijd een publiek dat naar mij wil luisteren. Zelfs de meest militante radicale jongeren accepteren mijn standpunten. Ik tackle hun argumenten, maar doe dat op een niet-confronterende manier. Ik laat hen zien wat echte islam is. De moslimgemeenschappen moeten ervan doordrongen geraken dat islam over mededogen handelt en niet over geweld. Hoe komt het dat boeddhisme door iedereen begrepen wordt en sympathiek bevonden wordt, en de islam niet? Moslims moeten zich dat dringend beginnen afvragen.”

 

William ‘Abdullah’ Quilliam

Ed Husain en Maalid Nawaz noemden hun Quilliam Foundation naar William ‘Abdullah’ Quilliam (1856-1932). De advocaat William Quilliam stamde uit een rijk christelijk Liverpools gezin, maar bekeerde zich tot de islam na een bezoek aan Algerije, Tunesië en Marokko. Quilliam opende op Kerstdag 1889 in Liverpool de allereerste Britse moskee.

Tekst: © Jan Stevens

Foto:  © Veerle Van Hoey