Ulrike Meinhof

Veertig jaar geleden bevrijdde Ulrike Meinhof op spectaculaire wijze Andreas Baader uit gevangenschap. Zijn bevrijding vormde het startschot voor de extreemlinkse terreurorganisatie Rote Armee Fraktion (RAF). Tot halverwege de jaren negentig dompelde de RAF Duitsland onder in een langdurige herfst. Met haar boek ‘Ulrike Meinhof. De biografie’ wil journaliste Jutta Ditfurth komaf maken met de mythes die in de loop der jaren rond de ‘oermoeder’ van de RAF gegroeid zijn.

West-Berlijn, Miquelstrasse, 14 mei 1970, 9 uur. De 35-jarige Ulrike Meinhof zit in de leeszaal van het ‘Deutsche Zentralinstitut für soziale Fragen’ (DZI) te lezen, te roken en te wachten. Zij is vandaag de enige bezoekster: het instituut is uitzonderlijk gesloten omwille van het nakende bezoek van de 27-jarige Andreas Baader. De tot dan voortvluchtige Baader is een maand eerder gearresteerd. Meinhof heeft een afspraak met hem om aan een boek over delinquente jongeren te werken. De extreem-linkse activist zit een gevangenisstraf uit voor brandstichting in twee warenhuizen in Frankfurt. Op 2 april 1968 had hij, samen met geestesgenoten Gudrun Ensslin, Thorwald Proll en Horst Söhnlein, vuur gesticht in de speelgoedafdeling van Kaufhof en in een kleedhokje van Schneider, uit “protest tegen de oorlog in Vietnam”. Ulrike Meinhof is een bekende, linkse journaliste die al jaren reportages en radioprogramma’s maakt over onder andere jonge delinquenten uit gesloten instellingen.

Om 9.30 stopt het gevangenenbusje voor het DZI. Andreas Baader stapt uit. In de leeszaal worden zijn handboeien verwijderd, waarna hij bij Meinhof aan tafel gaat zitten. Ze praten zachtjes en roken de ene sigaret na de andere. Een van de bewakers vindt de stank niet om te harden en zet een raam wagenwijd open.

Iets voor elven gaat de deurbel. De 19-jarige Irene Goergens en de 26-jarige Ingrid Schubert smeken DZI-bediende George Linke of ze ondanks het bezoekersverbod toch niet naar binnen mogen. Linke gaat overstag en geeft hen een plaatsje in de hal. Hij ziet niet dat ze gewapend zijn. Even later gaat de bel opnieuw. Goergens en Schubert openen de deur. Een gemaskerde man met een traangaspistool in de ene en een revolver in de andere hand stormt het instituut binnen. In zijn kielzog volgt Baaders 30-jarige vriendin Gudrun Ensslin. De man vuurt een schot af en verwondt George Linke. Baader en Meinhof springen door het geopende raam de tuin in. Het bevrijdingscommando volgt. Kort daarop loeien de motoren van twee auto’s. Dan wordt het in de Miquelstrasse heel stil.

Andreas Baaders bevrijding vormde het startschot voor de extreemlinkse terreurorganisatie Rote Armee Fraktion. Samen met Baader en 30 anderen vormde Ulrike Meinhof de Baader-Meinhofgroep, de eerste generatie RAF-terroristen die tussen 1970 en 1977 een mantel van lood over de West-Duitse samenleving legde. Na een reeks bankovervallen en bomaanslagen werd Meinhof in 1972 gearresteerd. Na vier jaar gevangenschap, waarvan drie in volstrekte isolatie, pleegde ze in de nacht van 8 op 9 mei 1976 zelfmoord.

Zes jaar lang werkte journaliste Jutta Ditfurth (1951) aan ‘Ulrike Meinhof. De biografie’. Ik ontmoet haar in het centrum van Frankfurt am Main, de stad waar de Baader-Meinhofgroep op 11 mei 1972 met een aanslag op het hoofdkwartier van de Amerikaanse strijdkrachten, haar ‘mei-offensief’ inzette en een hele maand lang West-Duitsland onder de bommen liet daveren. Begin jaren tachtig stond Ditfurth aan de wieg van de Grünen. Vier jaar lang was ze voorzitster van de partij, en gold ze als spreekbuis van de ‘Fundi’s’. Nadat de Realo’s met Joschka Fischer op kop de macht in handen kregen, stapte ze in 1991 op. Vandaag werkt ze als journaliste, maar is ze ook nog steeds politiek actief, als raadslid in Frankfurt voor de roodgroene partij ÖkolinX.

Vergiftigde bronnen

Ulrike Meinhof werd in 1934 geboren als tweede dochter van kunsthistoricus Werner Meinhof en lerares Ingeborg Guthardt. “Eerdere Meinhofbiografieën beschrijven pa en ma Meinhof als fervente antinazi’s”, zegt Jutta Ditfurth. “De meest geciteerde biografie is Der Baader Meinhof Komplex van journalist Stefan Aust. Hij voerde Werner Meinhof op als actief lid van de christelijke verzetsbeweging Die Bekennende Kirche. Ik nam dat voor waar aan. Maar ik kwam er al heel snel achter dat Werner lid was van de nazipartij NSDAP. Meer zelfs, hij bleek een van de nazi-ideologen te zijn. Hij gaf in opdracht van de NSDAP lezingen ter ‘bevordering van alle soorten kunst van het Duitse ras’. Via zijn relaties binnen de nazipartij werd hij in 1936 aangesteld tot museumdirecteur in het Oost-Duitse Jena. In die functie heeft hij honderden kunstwerken overhandigd aan de commissie die in opdracht van Goebbels ‘Entartete Kunst’ moest verzamelen.”

Ditfurth begreep eerst zelf niet goed waarom geen enkele andere Meinhofbiograaf het ‘bruine verleden’ van vader Werner ontdekt had. “Tot ik erachter kwam dat auteurs zoals Aust uit ‘vergiftigde bronnen’ geput hebben. De belangrijkste vergiftigde bron was Urlike’s pleegmoeder Renate Riemeck. Werner Meinhof stierf in 1940, waarna zijn vrouw Ingeborg een lesbische relatie begon met Riemeck. Toen Ingeborg in ’49 stierf, kreeg Riemeck het hoederecht over Ulrike en haar zus. In de vijftiger en zestiger jaren groeide professor pedagogiek Renate Riemeck uit tot hét boegbeeld van de Duitse vredesbeweging. Tot aan haar dood in 2003 was ze een gezaghebbende stem aan de linkerzijde. Heel haar leven heeft ze kunnen verbergen dat ook zij lid was van de NSDAP. Ze heeft haar carrière gebouwd op leugens. Tijdens de oorlog was ze aan de universiteit van Jena de rechterhand van professor en notoir antisemiet Johann von Leers. Hij is de auteur van boeken met veelzeggende titels als: ‘Die Verbrechernatur der Juden’ en ‘Odal. Das Lebensgesetz eines ewigen Deutschlands’. Na de oorlog vluchtte Von Leers naar Egypte. Zijn leven lang werd hij gezocht voor misdaden tegen de menselijkheid, maar hij is nooit opgepakt en stierf in 1965 in Caïro. Renate Riemeck, Ingeborg Meinhof en de twee kinderen verlieten Jena vier dagen voor de Russen de stad bezetten, en vluchtten naar Oldenburg. Die stad was in handen van de Britten. Oldenburg was een van de favoriete steden van Adolf Hitler; alle schoolleerkrachten waren overtuigde leden van de nazipartij. De Britten waren wanhopig op zoek naar politiek ‘zuivere’ leraars. Riemeck en Meinhof presenteerden zichzelf als ‘zuiver’. Ze werden met open armen ontvangen. Een jaar later werd Riemeck lid van de sociaal-democratische SPD, bouwde een hele carrière uit en schreef schoolboeken die op honderdduizenden exemplaren gedrukt werden. Op haar denazificatieformulier verklaarde ze op 28 april 1947 dat ze nooit lid geweest was van de NSDAP. In 1955 werd ze de jongste West-Duitse vrouwelijke professor ooit en doceerde ze geschiedenis en politicologie aan toekomstige leerkrachten.”

Volgens Ditfurth zorgde Riemeck ervoor dat het foute oorlogsverleden van de hele Meinhoffamilie herschreven werd. “Ulrike Meinhof heeft nooit iets geweten van de nazisympathieën van Riemeck. In 1963 kreeg Ulrike Meinhof een brief van haar oom Heinrich. ‘Ik heb veel brieven van je vader’, schreef hij. ‘Wil je ze hebben?’ Hij stak er een gedetailleerde lijst bij: ‘Brief van Werner Meinhof van die dag in dat jaar, met als onderwerp: zus en zo…’ Ik heb die lijst teruggevonden. Er blijkt overduidelijk uit dat de twee broers overtuigde nazi’s waren, net als de rest van de familie Meinhof. Vanaf dat moment moet Ulrike geweten hebben dat haar vader allesbehalve een verzetstrijder was. Ze heeft er nooit iets over gezegd, maar toch moet dat een zware schok geweest zijn, want op haar 18e schreef ze al in brieven aan haar lief: ‘Ik ben gelukkig dat ik uit een familie stam die atypisch is voor Duitsland.’”

Konkret

In navolging van Renate Riemeck werd de jonge Ulrike Meinhof lid van de SPD. Maar naarmate de verstandhouding met haar autoritaire pleegmoeder vertroebelde, schoof Meinhof steeds meer op naar links. Ze voerde actie tegen kernwapens en werd begin 1959 lid van de door kanselier Konrad Adenauer verboden Kommunistische Partei Deutschlands (KPD). Jutta Difurth: “Een half jaar eerder had ze Klaus Röhl ontmoet. Röhl was ook lid van de illegale KPD en directeur van het tijdschrift Konkret. Meinhof begon als journaliste voor dat blad te werken. Ze werd verliefd op Röhl en trouwde eind 1961 met hem. Het koppel vestigde zich in Hamburg. Ulrike brak eind ’62 definitief met Riemeck na de geboorte van haar tweeling Regine en Bettina. In de zevende maand van haar zwangerschap zag Ulrike plots dubbel en keek ze scheel. Ze bleek een tumor te hebben en werd na de geboorte van de tweeling geopereerd. Riemeck is haar toen op geen enkel moment komen opzoeken.”

Konkret werd van in het begin gefinancierd door de DDR. “Een paar slimme kerels binnen de KPD hadden door dat een dogmatisch, orthodox-marxistisch tijdschrift nooit succes zou hebben. Dus gingen ze met Konkret van start als een ‘pluralistisch’ blad. Er stonden zelfs kritische artikels in over de DDR en de Sovjet-Unie. Niemand had in de mot dat het door de SED gefinancierd werd. Het geld werd met koeriers over de grens gesmokkeld. Klaus Röhl was graag gezien in linkse bourgeoismiddens en werd als dekmantel ingehuurd. Elke maand moest hij aan de SED en de KPD rapporteren. Daar werden gedetailleerde verslagen van bijgehouden. Ze waren niet zo tevreden over de manier waarop hij Konkret leidde: hij sjoemelde met het partijgeld. Maar hij was een uitstekend marketeer en had een goeie neus voor het maken van een magazine. Halverwege de jaren zestig werden Röhls contactpersonen vervangen door gestaalde DDR-partijkaders. Die vonden de kritische koers van Konkret niet zo leuk, maar hadden wel vertrouwen in journaliste Ulrike Meinhof. Röhl werd uit de KPD gegooid, en de partijleiding probeerde om het tijdschrift in handen te geven van de intelligente, loyale Ulrike. Zij wou haar man niet in de steek laten en stapte zelf uit de partij. De SED draaide de geldkraan dicht. Röhl werd nu echt eigenaar en uitgever; Ulrike Meinhof was hoofdredacteur. Ze slaagden er in om van Konkret een succesnummer te maken met oplages tot 250.000 exemplaren. Journaliste Ulrike Meinhof was in die tijd een naam als een klok. De mensen die eind jaren zestig actief waren in de ‘buitenparlementaire oppositie’ waren allemaal opgegroeid met haar artikels en columns. Klaus Röhl bracht meer en meer erotiek en softporno in het blad. De meisjes op de cover werden steeds jonger, vanwege zijn eigen ‘interesse’. Zijn dochter Anja uit zijn eerste huwelijk beschuldigt hem er nu van dat hij haar als kind misbruikt heeft. In januari ’68 gingen Röhl en Meinhof uiteen. Ulrike heeft er later alles aan gedaan om de kinderen bij Röhl weg te halen. Zelfs toen ze bij de RAF actief was, probeerde ze via de rechter Regine en Bettina bij haar zus onder te brengen. Wist ze wat er met Anja gebeurd was en had ze schrik voor haar kinderen?”

Buitenparlementaire oppositie

Hoe komt het dat een intelligente vrouw als Ulrike Meinhof in een paar jaar tijd evolueert tot een terroriste die banken overvalt en gebouwen de lucht in laat vliegen? Ditfurth: “Tot ver in de jaren vijftig was Meinhof loyaal aan de linkerzijde van de SPD. Die partij werd gezien als antimilitaristisch en antifascistisch, alles waar Meinhof toen voor stond. Na de oorlog hoorde ze progressieve ouderen zeggen: ‘Nooit meer oorlog. Wij willen geen leger.’ En toch werd West-Duitsland opnieuw gemilitariseerd. Aan het einde van de jaren vijftig voelde ze zich door de SPD bedrogen. Een van de grote issues was toen het verbod van de KPD. Het anticommunisme werd fanatiek beleden. Wie vond dat er met de DDR gepraat mocht worden, verloor zijn job. Die repressie voedde de zogenaamde ‘buitenparlementaire oppositie’. Meinhof stond mee aan de basis van ‘nieuw links’ dat niets te maken wilde hebben met de traditionele partijen. Vanaf ’48 tot ’68 had ze alleen maar politieke nederlagen geïncasseerd. In 1968 leken de nieuwe tijden eindelijk aan te breken. Er werd een groot Vietnamcongres georganiseerd met duizenden deelnemers, waar de Amerikanen kop van jut waren. Haar beste vriend Rudi Dutschke gaf er een vlammende speech. Ze liep op wolken. Zeven weken later werd er een aanslag gepleegd op Dutschke en maakten de Sovjets een einde aan de Praagse Lente. Die gebeurtenissen zetten die nieuwe buitenparlementaire beweging zwaar onder druk en zorgden voor onenigheid tussen traditionele communisten en anarchisten. Na zeven weken lag ook die droom van Ulrike Meinhof in duigen.”

De avond van Andreas Baaders bevrijding, werd er bij veel linkse intellectuelen een feestje gebouwd. Ditfurth: “Die actie werd als een legitieme daad van verzet gezien. Hans Magnus Enzensberger schreef: ‘Mijn vrienden kwamen naar mijn huis en we vierden de hele nacht door.’ In het begin werd de Baader-Meinhof groep gesteund. Maar Meinhof, Baader en Ensslin hadden een totaal vertekend beeld van hoe ver de steun zou gaan. Het oorspronkelijke plan was om kinderen uit instellingen te bevrijden. Ulrike Meinhof was de eerste Duitse journaliste die schreef over de ‘Heimkinder’ – zowat een miljoen kinderen zaten begin jaren zeventig in gesloten instellingen, werden er op een verschrikkelijke manier behandeld en seksueel misbruikt. Meinhof wilde hen met de RAF ‘bevrijden’. Maar na de bevrijding van Baader, moest Ulrike onderduiken. Twee jaar lang leefde ze in de illegaliteit. Twee jaar van verveling, vluchtend van flat naar flat. Ze leerde auto’s stelen en banken overvallen om aan geld te geraken. Ze zat gevangen in haar verkeerde analyse van de maatschappij. De RAF vergeleek West-Duitsland met een Latijns-Amerikaans land en ging ervan uit dat de bondsrepubliek zich in een ‘prerevolutionaire’ toestand bevond. Complete onzin. Dezelfde Ulrike Meinhof die zeer intelligente stukken schreef over sociale situaties, was in een razendsnel tempo geëvolueerd tot een vrouw die vond dat ze de revolutie moest opstarten. Ze schreef: ‘Wij zijn de avant-garde, we moeten het systeem provoceren. Waarna we de vlag doorgeven aan de échte revolutionairen: de jonge vrouwelijke arbeiders.’”

Proefkonijn

Het mei-offensief van de RAF in 1972 zorgde voor een ware angstpsychose, maar betekende meteen ook het einde van de Baader-Meinhof groep. Ditfurth: “Er werden bommen gelegd in politiekantoren in München en Augsburg. Dan volgden er twee aanslagen in Frankfurt en Heidelberg, tegen gebouwen van het Amerikaanse leger. Er vielen doden. Meinhof nam actief deel aan de aanslag tegen het hoofdkwartier van de Springeruitgeverij in Hamburg. Axel Springer gold met zijn populaire blad Bild als hét symbool van het Duitse conservatisme. Bild schreef tegen alles wat links was, en had vlak voor de aanslag op Dutschke opgeroepen om hem te stoppen. Meinhof belde Springer voor de bommen zouden ontploffen: ‘Iedereen moet het gebouw uit.’ De mevrouw aan de telefoon dacht: ‘De zoveelste idioot.’ Springer ontving al jaren bedreigingen en nam die niet meer ernstig. 17 mensen raakten gewond.”

Begin juni werden Baader en Ensslin opgepakt, op 15 juni werd Ulrike Meinhof gearresteerd. Jutta Ditfurth: “Meinhof werd willens nillens ingeschakeld in een onderzoeksprogramma van de universiteitskliniek van Homburg. Tijdens haar gevangenschap diende ze als proefkonijn om te achterhalen wat het effect was van langdurige opsluiting in een volledig donkere en geluidsgeïsoleerde ruimte. Ze bracht jaren door in die zogenaamde ‘Toten Trakt’. Ik heb de hand kunnen leggen op een dossier waarin minutieus beschreven staat hoe justitie geprobeerd heeft om letterlijk binnenin haar hoofd te geraken. Psychiater Witter kreeg toestemming om haar tegen haar wil onder narcose te brengen en te opereren. Witter behoorde tot een groep van extreemrechtse Duitse psychiaters waarover Meinhof in Konkret geschreven had. In de jaren zestig had hij als deskundige meegeholpen om de aanspraken op schadevergoeding van getraumatiseerde kampoverlevenden af te wimpelen. Zijn stelling: ‘Als je twintig jaar na Auschwitz nog niet genezen bent van je kamptrauma, probeer je de staat op te lichten.’ Die man stond te popelen van ongeduld om in het hoofd van ‘een vijand van de staat’ te kijken. Er kwam wereldwijd protest, en uiteindelijk werd de operatie afgeblazen.”

Op zondag 9 mei 1976, om 7.34 u. ‘s ochtends vond cipier Grossmann het levenloze lichaam van Ulrike Meinhof in cel 719 in de Stammheimgevangenis in Stuttgart. Zes minuten later stelde een wetsdokter de diagnose vast: zelfmoord door ophanging. Jutta Ditfurth: “Sommigen beweren dat ze ‘een handje geholpen’ is. Ik heb niet kunnen achterhalen wat er precies gebeurd is. Ik vind het erg genoeg dat de twijfel blijft bestaan. De condities voor haar gevangenschap waren vier jaar lang onmenselijk. Meinhof was een ‘onderzoeksobject’. Als een mens na een lange periode van totale isolatie zelfmoord pleegt, kun je je afvragen wie er verantwoordelijk is. Ik heb dertig foto’s in een buitenlands archief gevonden van het moment waarop ze haar gevonden hebben. Ik heb ze getoond aan forensische experts. Haar linkervoet staat op een stoel. De experts vonden dat heel bizar. Iemand die zichzelf ophangt, schopt de stoel weg. Als dat niet lukt, zal hij op het moment dat zijn adem wordt afgesneden, automatisch uit lijfsbehoud op zijn linkervoet gaan staan. Twee dagen na Meinhofs dood werd haar cel gewit en werden alle sporen vakkundig gewist. Er is niets dat opnieuw onderzocht kan worden. Helemaal niets.”

Jutta Ditfurth, Ulrike Meinhof. De biografie, Omniboek, ISBN 978-90-597-7506-0, 27,50 euro.

 

© Jan Stevens

Advertenties

Op zoek naar de bloederige ziel van het terrorisme

bloed-en-woedeIn het pas verschenen Bloed en Woede schetst Michael Burleigh de geschiedenis van het moderne terrorisme. Hij schuwt daarbij de controverse niet. Zo noemt hij terroristen ideologische nitwits en steekt hij een vermanende vinger uit naar supporterende, ‘weldenkende’, intellectuelen. Met Bloed en woede als leidraad gaat Knack op zoek naar verleden, heden en toekomst van het (inter)nationale terrorisme.

 

Bloed en Woede van de Britse historicus Michael Burleigh zorgt bij heel wat academici en intellectuelen voor zure oprispingen. Tot aan de publicatie van zijn culturele geschiedenis van het moderne terrorisme, werd Burleigh op handen gedragen. Met Het Derde Rijk uit 2001 won hij de Samuel Johnson Prize. Het boek over nazi-Duitsland werd een bestseller en stelde Burleigh in staat om afscheid te nemen van de universiteit. Voortaan kon hij als fulltime schrijver-journalist-historicus door het leven.

In het vuistdikke Bloed en Woede schetst Burleigh de geschiedenis van het moderne terrorisme, van de 19e-eeuwse anarchisten tot de handlangers van Osama bin Laden. Hij doet dat met schwung en met oog voor (bloederige) details. Hij laat ook niet na om commentaar te leveren, aan te klagen en te bekritiseren. Het leverde hem het verwijt op een ‘pop-historicus’ te zijn, een schrijvelaar met een vlotte pen die de polemiek opzoekt om zijn verkoopcijfers de hoogte in te jagen.

In Bloed & Woede poneert Michael Burleigh een aantal opzienbarende, prikkelende en soms boude stellingen over verleden, heden en toekomst van het terrorisme. Knack legde ze voor aan vier terrorisme-experts: Rik Coolsaet – professor internationale politiek en lid van de Europese Expert Group on Violent Radicalisation, André Vandoren – directeur van OCAD (Coördinatie Orgaan voor de Dreigingsanalyse) en Luc Verheyden, adjunct-directeur van OCAD en voormalig directeur van de antiterreurcel AGG.

 

1. Terroristen zijn ideologische nitwits

Volgens Michael Burleigh is het een fabeltje dat terroristen onderlegde ideologen zijn. Andreas Baader had de werken van Marx amper gelezen, en de religieuze scholing van zelfmoordterroristen van Al Qaeda is below zero. Burleigh: “Terroristen zijn ongelooflijke minkukels. Veel van de huidige moslimterroristen hebben amper scholing gekregen. Dat verklaart hun uitzinnige woede. De Britse inlichtingendienst heeft een gedragsonderzoekunit die gearresteerde terroristen grondig ondervraagt. De onderzoekers zijn tot de conclusie gekomen dat al hun gevangenen een bedroevende kennis van hun eigen religie hebben.” In Bloed & Woede citeert Burleigh een lid van de Baader-Meinhofgroep: “We lazen veel theorieën half. Die ene helft begrepen we – de andere helft niet.”

 

Rik Coolsaet geeft Burleigh gelijk: “Ideologie is voor terroristen een vehikel, maar ligt niet aan de basis van hun handelen. Terrorisme is het resultaat van politieke radicalisering. Wie zich onrecht aangedaan voelt, kan radicaliseren. Die radicalisering leidt soms tot dehumanisering: je gaat anderen zien als individuen die je mag en moet uitschakelen. Op dat moment ga je ook op zoek naar een ideologie als rechtvaardiging voor de dehumanisering van je tegenstander. Wat Burleigh over Andreas Baader zegt, geldt ook voor Mohammed Bouyeri, de moordenaar van Theo van Gogh. De boodschap die hij op de kleren van Van Gogh pinde, was ‘copy and paste’-islam. Net als Baader is Bouyeri geen ideologische hoogvlieger, maar gebruikt hij een ideologie omdat die hem goed uitkomt.”

André Vandoren en Luc Verheyden van OCAD vinden dat Burleigh het belang van ideologie voor terroristen zwaar onderschat. André Vandoren: “Wij zitten allebei sinds de acties van de CCC in de terrorismepreventie en –bestrijding. We hebben meermaals kunnen vaststellen dat terroristen een ideologische achtergrond hebben die soms zeer ver gaat. Ze maken quasi allemaal dezelfde evolutie door: eerst zijn er hun overtuigingen. Die worden aangescherpt en verdiept in allerlei organisaties. Ze belanden in extremistisch vaarwater, en op een bepaald moment nemen ze hun toevlucht tot geweld en terrorisme. Van de mensen die wij destijds aangehouden hebben, zou ik niet direct durven zeggen dat het nitwits waren.”

Luc Verheyden: “De leden van de CCC waren geen idioten. Het waren gestaalde marxistisch-leninistische ideologen. Zo verweten ze hun geestesgenoten van het Franse Action Directe (AD) niet recht in de leer te zijn. Bizar genoeg had Pierre Carette, de leider van de CCC, de ‘stiel’ bij AD geleerd en samen met hen aanslagen en diefstallen gepleegd. Nadien bestempelde hij hen als ‘vulgaire, laag-bij-de-grondse anarchisten’. Ook de Rote Armee Fraktion (RAF) zat volgens hem op een vals spoor. Voor Carette was er naast de CCC maar één goede beweging: de Rode Brigades.”

Zitten er dan geen ‘nuttige idioten’ in terroristengroepen? Iemand moet toch het vuile werk opknappen? Vandoren: “Je kunt inderdaad een onderscheid tussen het ‘kanonnenvoer’ – de nuttige idioten – en de mensen met een radicale overtuiging, de gefrustreerden die als uitlaatklep maar één ding zien: aanslagen en geweld. In elke organisatie heb je mensen die ‘gebruikt’ worden voor het uitvoerende werk, maar ook de ideologische scherpslijpers. Er zijn twee soorten terroristische organisaties: zij die plaatselijk verandering willen bewerkstelligen en degenen die een blind terrorisme voorstaan. De ETA wil Baskische onafhankelijkheid, de PKK wil onafhankelijkheid voor Koerdistan. Hun doelstelling verschilt totaal van anarchisten of jihadi’s die het bestel aanvallen. Bij die laatsten kom je ongetwijfeld vaker idioten tegen.”

 

2. Heel wat intellectuelen dragen een verpletterende verantwoordelijkheid

Michael Burleigh is niet mals voor de rol die intellectuelen spelen in de verdediging van terroristen. “In rijke linkse intellectuele kringen gold de omgang met RAF-terroristen als een statussymbool. Hetzelfde verschijnsel zie je ook nu. In 2006 liepen er demonstrerende idioten uit de middenklasse door de straten van Londen met borden waarop te lezen stond: ‘Nu zijn wij allemaal Hezbollah.’ Veel van onze linkse jongens en meisjes haten Israël en Amerika zo hartsgrondig, dat ze er geen graten in zien om het op te nemen voor islamterroristen. Brits klein links is zo goed als gefusioneerd met de moslimfundamentalisten. De Socialist Workers Party is opgelost in Respect. Lauren Booth, Cherie Blairs halfzus, is kandidaat voor Respect.”

En ook mensenrechtenadvocaten krijgen van Burleigh de volle laag: “Ze gaan veel te vaak over de grens: van ideologische sympathie voor hun cliënten evolueren ze naar activist en handlanger. Veel van de advocaten van de Rode Brigades en van de RAF zijn actieve helpers geworden. De geschiedenis herhaalt zich jammer genoeg ook nu met de islamisten. Veel advocaten die in Groot-Brittannië de provo’s vertegenwoordigden, zijn nu de advocaten van de islamisten. Het zijn advocaten met een fundamentele haat tegenover de politie.”

 

Rik Coolsaet vindt niet dat intellectuelen ‘een verpletterende verantwoordelijkheid’ dragen. “Het zijn niet de intellectuelen die aanslagen plegen. Hoeveel gereputeerde westerse intellectuelen nemen het op voor Al Qaeda? Bitter weinig.”

Al geeft hij toe dat er ten tijde van de RAF en van de CCC sympathie leefde bij intellectuelen van de linkerzijde. “Dat was gewoon fout. De tactiek van het terrorisme zal nooit het gepropageerde doel bereiken. Je helpt geen onrechtvaardigheid de wereld uit door mensen op te blazen. De anarchistische terroristen uit de 19de eeuw wilden de burgerlijke staat omver werpen. Het enige resultaat dat ze behaalden, was dat de burgerlijke staat zich versterkte door de repressie die ze uitoefende op de anarchisten. Voor de jihad is dat net hetzelfde: de jihadi’s hoopten om de ongelovigen uit het Midden-Oosten te verjagen. Maar de ongelovigen zijn nog nooit zo aanwezig geweest in het Midden-Oosten als nu. Burleigh heeft gedeeltelijk gelijk met zijn stelling dat sommige individuen van uiterst links de neiging hadden om het jihadterrorisme te rechtvaardigen, omdat ze tegen een gemeenschappelijke vijand, het westen en de VS, strijden. Maar dat is ondertussen sterk afgenomen, precies omdat het failliet van de terroristische weg nu veel duidelijker blijkt. Als je beweert op te komen voor de bevrijding van moslims, terwijl uiteindelijk vooral moslims jouw slachtoffers zijn, verlies je op termijn alle credibiliteit bij jouw doelgroep.”

“Tijdens de extreem-linkse terreur was er een collectief van linkse advocaten over het hele West-Europese ‘front’ actief”, zegt Luc Verheyden. “Ze stamden uit mei ’68 en verdedigden de ideologie van de RAF. Ze hadden aanhangers over heel West-Europa. In organisaties zoals het Comité International de Défense des Prisonniers Politiques en Europe Occidental (CIDPPEO) zaten intellectuelen en advocaten die later in de politiek gegaan zijn, denk maar aan Daniel Cohn-Bendit. België heeft een zeer vrije democratische wetgeving. Er zijn niet veel West-Europese grondwetten die zoveel vrijheden geven als de onze: vrijheid van mening, vereniging, pers, religie… We hebben niet zoveel mogelijkheden om rechtstreeks te interveniëren. De landen rond ons hebben bijna allemaal een bijzondere wetgeving ingevoerd, waardoor het strafbaar is om zich als sympathisant van een terroristische organisatie op te stellen. In België is nooit een lijst met verboden groeperingen ingevoerd.”

Is dat dan een lacune? André Vandoren: “Nee, integendeel. Onze vrijheden zijn een sterkte. Een terrorist vraagt niet liever dat er een repressie-apparaat geïnstalleerd wordt als reactie op zijn aanslagen. Wij zijn erin geslaagd om nooit in een situatie terecht te komen waarin de burger in zijn rechten en vrijheden beknot werd. In Duitsland wel, denk maar aan het Berufsverbot.”

 

3. We zijn te tolerant

Michael Burleigh is van oordeel dat het westen veel te tolerant is tegenover de radicale islam: door hen te tolereren, spelen we met onze eigen veiligheid. “De islamisten brengen een soort van collectieve afkeuring voor onze westerse manier van leven in de maatschappij. Je ziet steeds meer vrouwen met hoofddoeken rondlopen. Een vrouw die in sommige wijken van onze steden in een minirok buitenkomt, riskeert haar leven. Islamisten leven hier in samenlevingen waarvan ze de spelregels totaal verachten. In plaats van via politieke, legitieme weg veranderingen na te streven, vermoorden ze mensen. We moeten af van die verwerpelijke cultuur van mededogen met islamisten, die je terugvindt in onze universiteiten, scholen en lokale besturen. We moeten duidelijk stellen: ‘Kijk, zo leven we, dit zijn onze waarden. Als het je niet aanstaat, trap het dan af.'”

 

Rik Coolsaet huivert bij het aanhoren van Burleighs stellingen. “Hij gooit radicale islam en jihadterrorisme op een hoop. Ik gebruik consequent de term ‘moslimterrorisme’ niet, want zo maak je de grote groep moslims verdacht die uiteindelijk het grootste slachtoffer van Al Qaeda en consoorten is. Burleigh zet Hamas, Hezbollah en Al Qaeda op een lijn. Dat is waanzin. De oorsprong van Hamas en de oorsprong van Hezbollah zijn compleet verschillend van die van Al Qaeda. Versta me niet verkeerd: ze gebruiken alle drie terrorisme als tactiek. Maar hun beweegredenen zijn totaal anders. Hezbollah is een sjiitische verzetsorganisatie tegen het optreden van Israel in het zuiden van Libanon. Hamas is de Palestijnse soennietentak van de Moslimbroederschap. Hamas en Hezbollah moeten van Al Qaeda niets hebben. Die drie groepen staan met getrokken messen tegenover elkaar. Door ze allemaal samen te voegen onder de noemer ‘moslimterrorisme’ en geen oog te hebben voor de lokale oorzaken, creëren we een vijand die er niet is.”

Blijft de kritiek van Burleigh dat we te tolerant zijn voor de radicale islam in onze eigen gemeenschap. Rick Coolsaet: “Je moet een onderscheid maken tussen religieuze radicalisering en politieke radicalisering. Er is een grijze zone tussen de twee. Maar religieuze radicalisering wil zeggen: mannen met baarden en driekwart salafibroeken, of meisjes die helemaal in het zwart gesluierd zijn. Religieuze radicalisering is misschien akelig voor de samenhang in een samenleving, maar is een gevolg van het zoeken naar identiteit. In die zoektocht zijn er een aantal mensen die radicaliseren, en zich letterlijk omhullen met kleren om zichzelf af te schermen van de boze samenleving. Maar er is geen oorzakelijk verband tussen mensen die religieus radicaliseren en het terrorisme. Het is niet omdat je religieus radicaliseert dat je dat ook politiek zal doen.”

“Radicalisering is geen misdaad”, vult Luc Verheyden aan. “Zolang je als radicaal binnen onze tolerante wetgeving blijft, is er geen probleem. Religieuze radicale islam is een uiting van intense beleving van je eigen cultuur. Omdat wij vrijheid hoog in het vaandel voeren, is het niet mogelijk en niet wenselijk om tegen religieuze radicale meningen op te treden, zolang die meningen niet uitmonden in daden die onze democratische rechtstaat in gevaar brengen. Als je als staatsbestel in de democratische rechten van mensen wil ingrijpen, ben je zelf ondemocratisch bezig.”

 

Bloed en woede, een culturele geschiedenis van het terrorisme, Michael Burleigh, De Bezige Bij, 652 blz., 39,90 euro.

 

 

 

 

 

 

André Vandoren en Luc Verheyden over de terroristische dreiging in België

“Ik sluit niet uit dat er binnen een half uur ergens in het land een bom ontploft”

 

Eind 2006 ging het OCAD, Coördinatie Orgaan voor de Dreigingsanalyse, van start. OCAD verzamelt en verwerkt alle inlichtingen over mogelijke aanslagen in België. Als er twee mensen zijn die weten wat er ons misschien boven het hoofd hangt, moeten het OCAD-directeur André Vandoren en zijn adjunct Luc Verheyden wel zijn.

 

André Vandoren en Luc Verheyden hebben allebei een gevuld palmares als het op terrorismebestrijding aankomt. Vandoren behandelde als nationaal magistraat de dossiers van de CCC, ALF en de Algerijnse GIA; Verheyden leidde jarenlang de Anti-terroristische Gemengde Groep (AGG). Nu staan ze beiden aan het hoofd van het relatief nieuwe OCAD.

“Wij verzamelen alle uitingen van radicalisme en communiceren daarover vervolgens met het Ministerieel Comité voor Inlichtingen en Veiligheid”, zegt Luc Verheyden. “We zijn opgericht naar aanleiding van het plan ‘Antiradicalisme’ dat in 2006 door de regering goedgekeurd is. We inventariseren alle radicale boodschappen en hun boodschappers. OCAD is zelf niet op het terrein actief, maar wordt ‘bevoorraad’ door inlichtingendiensten, politiediensten… Vaak krijgen we vanuit verschillende diensten informatie over de extremistische activiteiten van een man of vrouw die wij dan met elkaar in verband brengen: iemand runt een website, geeft daarnaast ook toespraken en is lid van een culturele of sociale organisatie waar hij dezelfde extreme boodschap verkondigt. Wij maken onze bevindingen over aan de overheid; zij beslist of er iets moet ondernomen worden.”

 

Hoe zit het met de informatievergaring? Werkt een organisatie zoals de Belgische Staatsveiligheid naar behoren?

VERHEYDEN: Ik denk eerlijk gezegd dat de diensten die ons van informatie voorzien redelijk goed hun materie beheersen. Ik zit in de terrorismebestrijding sinds 1982, André Vandoren heeft dat allemaal als magistraat opgevolgd. Ik ken de terrorismepreventie op mijn duimpje, André kent de repressieve kant. We hebben dus recht van spreken als we stellen dat we een heel grote evolutie doorgemaakt hebben, en dat de diensten redelijk goed werk leveren. Natuurlijk is er altijd verbetering mogelijk.

ANDRE VANDOREN: Er is nogal wat kritiek gekomen op de terreuralarmen die we vorig jaar afgekondigd hebben. Ik kan je verzekeren dat die alarmen terecht waren. Ik heb liever dat we achteraf kritiek krijgen, of dat we spottend bekeken worden, dan nadien te moeten concluderen: hadden we toch maar alarm geslagen. De beslissingen waren genomen op basis van verschillende bronnen. We konden niet anders doen dan reageren. Zeker na 9/11, zeker na de aanslagen in Engeland, Spanje en op andere plaatsen in de wereld.

 

Staat België hoog op de hitlist van terroristen?

VANDOREN: België is kwetsbaar. Niet alleen als centraal land in Europa, maar ook omdat we het NAVO-hoofdkwartier hebben en heel wat Europese instellingen huisvesten. Er is Antwerpen, met zijn haven en zijn grote Joodse populatie, de LNG-terminal in Zeebrugge… Het is wel duidelijk dat er hier een aantal attractieve terroristische doelwitten liggen.

VERHEYDEN: Elke terroristische organisatie probeert een actie te ondernemen die haar bekendheid ten goede komt. De VN trekt zich uit steeds meer conflicthaarden terug, en wordt vaak vervangen door NAVO—operaties. De attractiviteit voor een aanslag in Brussel vergroot daardoor.

 

Hoe zit het met de internationale samenwerking tussen diensten zoals OCAD? Vroeger speelden veel inlichtingendiensten liever soloslim. Is dat nog steeds zo?

VANDOREN: We zijn niet alleen bevoegd voor het Belgische grondgebied, maar ook voor alle Belgische belangen in het buitenland. Samenwerking met onze zusterorganisaties in het buitenland is dus gewoon een noodzaak. En dat lukt heel goed. Door de internationale dimensie die het terrorisme de laatste jaren aangenomen heeft, beseft elk land dat het probleem van de ene, morgen het probleem van de andere kan zijn.

 

Schrikken jullie erg van de boodschappen die jullie verzamelen?

VERHEYDEN: Je kunt het je niet voorstellen. Ik kan je dvd’s of teksten van neonazi’s laten zien waar niets menselijks meer inzit. Maar er is natuurlijk een verschil tussen zeggen dat je niet van moslims houdt en hen ook daadwerkelijk uit de weg ruimen.

 

Neemt de radicalisering toe?

VERHEYDEN: De radicalisering van de samenleving gaat in golven. Ze hangt samen met onze economische welvaart.

 

Dus gaan we nu zware tijden tegemoet?

VANDOREN: Dat is niet uit te sluiten. Ik zeg niet dat het zo zal zijn. Ik zou ook niet onmiddellijk durven stellen dat er nu al indicatoren zijn. Maar we moeten alert blijven. Zowel voor extreem-links als voor extreem-rechts.

VERHEYDEN: Demagogen spelen in op economische crisissen. Anti-imperialistische of extreem-rechtse groeperingen spinnen garen bij recessies.

VANDOREN: Gebeurtenissen in het buitenland kunnen ook aanleiding geven tot een verhoogde agitatie. De interventie van Israël in Gaza heeft de gemoederen bij sommigen duidelijk verhit. De toekomst is totaal onvoorspelbaar. Ik denk niet dat er momenteel elementen zijn waaruit we kunnen afleiden dat de dreiging binnen zes maanden zal afnemen.

 

Dreigen er nieuwe vormen van terrorisme?

VANDOREN: Ik zou in het huidige tijdsgewricht extreem-rechts zeker niet onderschatten. Neonazisme is echt aan een opmars bezig.

 

Moeten we ons zorgen maken over de nabije toekomst?

VANDOREN: We hebben geen signalen dat er direct iets zal gebeuren, maar ik sluit ook niet uit dat er binnen het half uur ergens in het land een bom ontploft.

 

 


Terreur in België

Tussen 1984 en 1985 pleegde de extreemlinkse terreurgroep Cellules Communistes Combatantes (CCC) 27 bomaanslagen. Daarbij vielen twee doden en was er voor meer dan 25 miljoen euro schade. Eind jaren negentig stichtte het Animal Liberation Front (ALF) brand in zeven fastfoodrestaurants en in een vleesverwerkend bedrijf. Luc Verheyden jaagde hen op; André Vandoren trad in die jaren op als nationaal magistraat.

 

Michael Burleigh rept in Bloed & Woede met geen woord over de aanslagen van de CCC en het ALF in België. Misschien omdat het een bende amateurs waren?

“Wablief?” reageert André Vandoren gepikeerd. “De CCC was een van de weinige Europese terreurorganisaties waarvan alle aanslagen gelukt zijn. De CCC was tamelijk goed georganiseerd.”

Luc Verheyden: “Als je met een heel kleine groepering zeven aanslagen op een nacht kunt plegen, van Ittre tot Vielsalm, móet je wel zeer goed georganiseerd zijn. Ik heb hun route overgedaan, de dag na de aanslagen. Ik ben gestart om 4 uur ’s morgens, en ik arriveerde pas om 11 uur ’s avonds in Vielsalm.”

 

De CCC’ers waren dus harde werkers?

VERHEYDEN: Dat kun je niet ontkennen. (lacht)

 

En het ALF? Waren zij amateurs?

VANDOREN: Ze hebben in Temse een volledig vleesverwerkend bedrijf in de as gelegd. Dat was een van mijn laatste dossiers als nationaal magistraat. De schade bedroeg bijna 1 miljard oude Belgische franken. En het heeft niet veel gescheeld of de familie was in de brand gebleven.

VERHEYDEN: Als je enkele Quicks en een paar McDonald’s platbrandt, en een vleesverwerkend bedrijf in brand steekt waar mensen liggen te slapen, ben je een gevaar voor de samenleving. De werkwijze van het ALF was misschien niet zeer professioneel, maar als je een brandversnellend middel in de luchtverversing stopt, goed wetend dat de vergassing van die vloeistof zich verplaatst over het hele gebouw, ben je niet echt een amateur.

 

 

Martin Van Creveld pleit voor meer vechtlust

“Zonder pit zullen we de War on Terror nooit winnen”

 

Volgens de Israëlische historicus Martin Van Creveld dreigen we de strijd tegen de terreur te verliezen omdat we doetjes geworden zijn. “Alleen als we niet meer bang zijn om te sterven, kunnen we de War on Terror winnen.”

 

Martin Van Creveld is auteur van verschillende boeken over oorlog en terrorisme. Hij adviseerde defensiemachten van verschillende regeringen, waaronder die van de VS. In zijn laatste boek Oorlogscultuur zingt hij de lof van de cultuur die rond oorlogsvoering hangt. “Zonder oorlogscultuur met hiërarchie, uniformen, officieren, regels, tucht en orde kan er geen oorlog gevoerd worden”, stelt hij. “Anders komen we in chaos – in de woeste horde –terecht. Kijk maar naar Joegoslavië, Rwanda, Soedan. De woeste horde vermoordt veel mensen, maar voert geen oorlog. Van zodra er een goed georganiseerd bataljon op het toneel verschijnt, stuiven de barbaren in alle richtingen weg.”

 

Zijn de oorlogen in Irak en Afghanistan niet juist het bewijs van het tegendeel?

VAN CREVELD: De taliban van Afghanistan hebben wel degelijk een oorlogscultuur. Op de lange duur kun je zonder oorlogscultuur geen oorlog voeren. Als je lang strijd levert, bouw je die oorlogscultuur automatisch op. Terroristengroepen zoals Al Qaeda hebben hun eigen oorlogscultuur opgebouwd. Wij onderschatten dat. We denken dat Al Qaeda een troep wilden is, maar dat is allesbehalve waar.

 

Veel westerlingen vinden uw stellingen over oorlogscultuur lichtjes belachelijk.

VAN CREVELD: Een Duitse vriend van mij heeft een paar jaar geleden een bestseller geschreven: ‘Hoera! We verliezen!’ Hij heeft groot gelijk. We zijn bang geworden van oorlog, maar in de oorlog zie je de mens zoals hij werkelijk is. Het slechtste, maar ook het beste komt dan naar boven.

 

George Bush had het voortdurend over de War on Terror. Heeft de aanslag op de Twin Towers het aanschijn van de oorlog veranderd?

VAN CREVELD: Eigenlijk niet. In 1991 heb ik al in een van mijn vorige boeken voorspeld dat de toekomst van de oorlog het terrorisme was. Niemand heeft mij toen gehoord. Sinds 1945 zijn er een kleine 200 oorlogen gevoerd. Van die 200 oorlogen is minder dan 10% een ouderwetse oorlog tussen staten. De grote meerderheid zijn opstanden, guerrilla en terrorisme. Staten voeren geen oorlogen meer omdat ze bang zijn voor eventuele nucleaire consequenties. Geen enkele staat is het na ’45 gelukt met geweld één vierkante meter vijandelijk gebied te annexeren. De enige idioten die dat nog proberen zijn wij in Israël. (lacht) De terroristen daarentegen hebben de wereld na ’45 wel ingrijpend veranderd. Bush had gelijk met zijn War on Terror.

 

Moeten we een grote nucleaire terroristische aanval van Al Qaeda vrezen?

VAN CREVELD: Ik denk het niet. Bin Laden heeft ooit geschreven dat hij daar wel over nagedacht heeft, maar dat hij op het einde besloten heeft om die weg niet in te slaan. Hij is bang dat een nucleaire aanslag tot een andere wereld zal leiden. Je kunt er nooit zeker van zijn dat er een terrorist komt die dat anders ziet, net als je ook nooit kan uitsluiten dat er een staatshoofd komt die nucleaire oorlogvoering wel ziet zitten.

 

Hoe moeten wij de terroristen aanpakken?

VAN CREVELD: Het is vandaag makkelijker voor terroristen om mensen te vinden die hun leven willen opofferen, dan voor staten. Ze hebben veel meer pit, en staan daardoor sowieso veel sterker dan wij. Zonder pit kun je geen oorlog voeren, laat staan winnen. Veel West-Europeanen zijn hun oorlogscultuur kwijt. Je kunt dat niet zomaar terug uit de grond stampen. Hoe hoger de dreiging wordt, hoe meer animo er misschien komt om met een ernstige voorbereiding op een oorlog te starten. Dat is nu levensnoodzakelijk, maar zeer moeilijk. Eens je als volk je oorlogscultuur kwijt bent, krijg je die niet zomaar terug in de geesten van mensen.

 

Moet het onderwijs zich daarmee bezig houden?

VAN CREVELD: Dan maak je je alleen maar belachelijk. Een oorlogscultuur moet organisch groeien. Het moet heel subtiel gebeuren. De oorlog is ook zeer subtiel. Het gaat uiteindelijk om levende, voelende mensen.

 

Bent u zelf ooit in het leger geweest?

VAN CREVELD: Jammer genoeg ben ik indertijd afgekeurd. Maar ik had het wel gewild. (lachje)

 

Oorlogscultuur, Martin van Creveld, Het Spectrum, 504 blz., 39,95 euro

© jan@janstevens.be

“Terroristen zijn minkukels”

“Terroristen zijn nitwits.” Die boodschap zindert door alle bladzijden van het magistrale Blood & Rage van Michael Burleigh. “Er loopt een rode draad van de 19e-eeuwse anarchisten tot de handlangers van Osama bin Laden: aan ideologie hebben ze allemaal een broertje dood”, stelt Burleigh. “Er loopt ook nog een andere rode draad doorheen de geschiedenis van het terrorisme, en dat is de verpletterende verantwoordelijkheid van heel wat ‘weldenkende’ intellectuelen.”

 

Het is stil op het lieflijke binnenpleintje voor het huis van historicus Michael Burleigh (°1955) in Zuid-Londen. “Jack Straw is vandaag niet thuis”, zegt hij, terwijl hij naar het huis aan de overkant wijst. “Als onze minister van Justitie er wel is, lopen hier permanent politieagenten rond, worden onze voortuintjes regelmatig gecontroleerd en ondervinden we dagelijks de ‘dreiging’ van het terrorisme. Dankzij mijn beroemde overbuurman moet dit pleintje nu een van de meest beveiligde plaatsen van Londen zijn.”

Tot voor een paar jaar werkte Michael Burleigh als professor aan verschillende gerenommeerde universiteiten. Het succes van zijn boek Het Derde Rijk uit 2001 stelde hem in staat om het academische milieu de rug toe te keren en voltijds schrijver en journalist te worden. “Ik ben blij dat ik van dat wereldje verlost ben”, zegt hij. “Mijn vroegere collega’s uit de universiteit kijken me nu met de nek aan. Ze vinden het een onvergeeflijke doodzonde dat ik mijn academische carrière opgegeven heb om godbetert een journalist te worden.”

Als freelance historicus en journalist schreef hij de veelgeprezen boeken Aardse machten en Heilige doelen, waarin hij uiteenzet hoe de teloorgang van het christendom in Europa vanaf de 18e eeuw gecompenseerd werd door de opkomst van ‘politieke religies’ – van de cultus van de rede tot de verering van Stalin. In zijn nieuwste magnum opus Blood & Rage, A Cultural History of Terrorism, beschrijft hij de terroristische groeperingen van de laatste eeuwen: van de 19e-eeuwse anarchisten tot Al Qaida. Zijn conclusie is vernietigend: “Het waren bijna allemaal nitwits en gevaarlijke idioten.”

 

Ook al beweren ze allemaal voor hun idealen te strijden, hun ideologische kennis is zo goed als onbestaande?

BURLEIGH: Het zijn ongelooflijke minkukels. Veel van de huidige moslimterroristen hebben amper scholing gekregen. Dat verklaart meteen ook hun uitzinnige woede. Kijk maar eens naar de zelfmoordvideo’s die die kerels opnemen voor ze zichzelf opblazen, hoe ze hun vinger in je gezicht duwen. De meesten kunnen zich amper fatsoenlijk uitdrukken.

De Britse inlichtingendienst heeft een gedragsonderzoekunit die de gearresteerde terroristen grondig ondervraagt. De onderzoekers zijn tot de conclusie gekomen dat al hun gevangenen een bedroevende kennis hebben van hun eigen religie. Hetzelfde fenomeen zag je bij de extreemlinkse terroristen uit de seventies, die amper iets van Marx gelezen hadden. In Blood & Rage citeer ik een lid van de Baader-Meinhofgroep. Hij zei: “We lazen veel theorieën half. Die ene helft begrepen we – de andere helft niet.” Het bizarre is dat veel terrorismebestrijders dat niet door hebben. Een tijd geleden was ik op een seminarie over moslimterrorisme, waar toevallig nogal wat special branch officers en MI5-mensen aanwezig waren. Op een bepaald moment werd het wel heel erg absurd, en begon de bijeenkomst verdacht veel op een theologieseminarie in Oxford te lijken. “Als je kijkt naar de islamitische theologie in de 17e eeuw, dan kun je daaruit leren waarom Al Qaida zus en zo handelt.” Ik dacht: “Christus, wat gebeurt er hier? Deze lui zijn totaal verkeerd bezig.”

 

Ze namen de moslimterroristen ernstig?

BURLEIGH: Ja. Wat een fatale vergissing is. Het wordt hoog tijd dat we terroristen herleiden tot wat ze echt zijn: moordenaars en criminelen. Mensen haten je als je dat als intellectueel zegt, want de voornaamste rol van een academicus of intellectueel is om de dingen complex te maken. Hoe meer je het beeld vertroebelt, hoe beter. Blijkbaar is het de taak van de intellectueel om zaken als terrorisme te herleiden tot een grijze brij. Wie zoals ik stelt dat die kerels gewoon dommekloten zijn, is een hond in het kegelspel. Daarom ook reageren Britse academici zo boos op dit boek. Ik krijg wél lovende reacties van de mensen op het veld. Peter Clarke, het hoofd van de nationale terrorismebestrijding, heeft mijn boek tot verplicht leesvoer gemaakt voor terroristenbestrijders in spe. Academici zijn door Blood & Rage geshockeerd, terwijl de mensen op het veld het een schitterend boek vinden.

 

Uit uw boek blijkt dat de verantwoordelijkheid niet onderschat kan worden van sommige met terroristen sympathiserende intellectuelen.

BURLEIGH: De bezetenen van Fjodor Dostojevski vertelt het verhaal van de terroristische nihilisten van Sergei Nechajev. In zijn roman beschrijft Dostojevski de grotere maatschappij waarin ze actief zijn. Alle slimmerds, van de rechters tot de weldenkende en welvarende dames, staan aan Nechajevs kant. Tijdens het theedrinken fezelen de dames tegen elkaar: “Prachtig toch wat die kerels willen bereiken. Jammer dat ze niet goed begrepen worden.” Diezelfde houding trof je ook aan in Duitsland tijdens de terreur van de Rote Armee Fraktion. In die periode was ik in Berlijn om research te doen voor mijn doctoraalthesis. Ik huurde een flat van vage, gefortuneerde kennissen, die zeer sympathiek stonden tegenover de terroristen van de RAF. In de flat onder die van mij hebben ze lange tijd een koppel gehuisvest dat actief was in de Baader-Meinhofgroep. Mijn huisbaas – een kaviaarsocialist – was er erg trots op dat hij dat soort van mensen onderdak verleende. In rijke linkse kringen golden RAF-terroristen als een statussymbool. Hetzelfde verschijnsel zie je nu ook hier in Londen. In 2006 liepen er demonstrerende geschifte idioten uit de middenklasse door de straten met borden waarop te lezen stond: “Nu zijn wij allemaal Hezbollah.” Veel van onze linkse jongens en meisjes haten Israël en Amerika zo hartsgrondig, dat ze er geen graten in zien om het op te nemen voor islamterroristen. Ken je Mary Beard, die afschuwelijke professor Klassieke Cultuur uit Cambridge? Vlak na 9/11 schreef ze in de London Review of Books dat Amerika zijn verdiende loon gekregen had. Walgelijk. Nu is ze visiting professor in Berkeley, Amerika of all places. (lacht luid en schamper)

In december 1974 kreeg de gearresteerde Andreas Baader in zijn cel in Stammheim het bezoek van Jean-Paul Sartre. Hij zat een half uur bij Baader, die hem een hele uiteenzetting gaf over zijn ‘filosofie’. Baader was ooit begonnen als succesvolle autodief – zijn persoonlijke record om in een auto in te breken, stond op 10 seconden. Hij had de reputatie om erg gewelddadig te zijn, en hield er als jonge kerel van om massale cafégevechten uit te lokken. Toen Sartre terug naar buiten kwam, zei hij in vertrouwen tegen zijn begeleider en tolk Daniel Cohn-Bendit: “Wat een klootzak, die Baader.” Op een persconferentie later die dag zei Sartre onder het oog van de camera’s: “Baader ziet eruit als een gemartelde man. Hij wordt niet gefolterd op de manier van de nazi’s, maar veel subtieler. Hij wordt psychologisch gemarteld. De gevangen genomen leden van Baader-Meinhof zitten 24 uur op 24 geïsoleerd in een witte cel, met het licht constant aan, zonder ook maar enige verstrooiing.” Alles wat Sartre zei, was stuk voor stuk gelogen. De lichten van de cellen werden om 10 uur ’s avonds gedoofd, en Baader heeft nooit geïsoleerd gezeten: hij ontving gemiddeld vijf bezoekers per dag. De gearresteerde terroristen van de RAF leefden in vrij luxueuze omstandigheden. Ze konden lezen waar ze maar zin in hadden. Op een bepaald moment vond Andreas Baader zijn cel claustrofobisch, dus sloopten de bewakers een muur waardoor hij de beschikking had over twee cellen. Vanaf dat moment leefde hij in een soort van suite, met Jan-Carl Raspe als zijn persoonlijke lakei. Op een bepaald moment smeekte Raspe om de muur terug op te bouwen om verlost te geraken van “die maniak Baader”. Veel mensen geloofden en geloven nog steeds dat de RAF-gevangenen verschrikkelijk afgezien hebben in Stammheim, maar de publieke opinie kun je wijsmaken wat je wil. De Duitse overheid heeft zich op geen moment als een soort van fascistische staatsterrorist misdragen. Toen de leden van Baader-Meinhof merkten dat de zaken niet verliepen zoals zij gewenst hadden, pleegden ze collectief zelfmoord en lieten ze het uitschijnen dat ze vermoord waren. In een heel cynische poging misbruikten ze hun eigen levens om de Duitse staat te criminaliseren. De theorieën die de ronde doen dat ze door de staat vermoord zouden zijn, zijn je reinste flauwekul.

Ik heb me tijdens het schrijven van Blood & Rage erg goed geamuseerd op de kap van onze Duitse vrienden van de RAF. Ze zijn zo typisch Duits. Ik vond het erg verhelderend dat de RAF-terroristen vaak een nazi-voornaam hadden zoals Gudrun, Thorwald, je kunt er echt niet naast kijken. Hun ouders waren fans van de Führer, of op zijn minst beïnvloed door de Zeitgeist toen ze hun kinderen een voornaam gaven. En dan heb je de voormalige RAF-terrorist Horst Mahler, die nu een notoire neonazi en negationist geworden is. Ik vind zijn parcours van extreem-linkse terrorist tot neonazi zeer verhelderend – daarnaast is hij ook een van die verdomde mensenrechtenadvocaten geworden.

 

Wat is er mis met mensenrechtenadvocaten?

BURLEIGH: Ze gaan veel te vaak over de grens, van ideologische sympathie voor hun cliënten evolueren ze naar activist en handlanger. Veel van de advocaten van de Italiaanse Rode Brigades en van Baader-Meinhof zijn actieve helpers geworden, en de geschiedenis herhaalt zich jammer genoeg ook nu met de islamisten. Veel advocaten die in Groot-Brittannië de provo’s vertegenwoordigden, zijn nu de advocaten van de islamisten. Het zijn advocaten met een fundamentele haat tegenover de politie. Het bizarre is dat islamisten niet geïnteresseerd zijn in mensenrechten, maar toch staan die mensenrechtenadvocaten hen met raad en daad bij.

 

De strijd in Noord-Ierland tussen katholieken en protestanten wordt vaak voorgesteld als een sociaal conflict: het gevecht van de katholieke arme verdrukten tegen de protestantse arrogante onderdrukkers. Vocht het IRA voor een rechtvaardige zaak?

BURLEIGH: De Troubles zijn op geen enkele manier te verantwoorden. Op het vlak van sociale voorzieningen, lonen en al dat soort zaken, was je in het begin van de Troubles veel beter af in het Britse Noord-Ierland dan in de onafhankelijke Ierse republiek. In die tijd was de Ierse republiek een poel van armoede. Als werkloze was je er materieel beter aan toe in Belfast dan in Dublin. Een Noord-Ierse werkloze kreeg in 1969 4,5 pond per week, een Ierse 3,25 pond. Er waren heel wat bewust in stand gehouden misverstanden en onwaarheden over de behandeling van katholieken in Noord-Ierland. Ik heb nog Amerikanen ontmoet die dachten dat Noord-Ierse katholieken niet mochten gaan stemmen. Belachelijk, want Noord-Ierse katholieken hadden natuurlijk wel stemrecht. Het IRA was gewoon een ordinaire, puur criminele organisatie, even machtig als de Napolitaanse maffia. Dat maffieuze is altijd een vast onderdeel van hun zogenaamde ‘vrijheidsstrijd’ geweest.

Als je in Belfast rondwandelt, krijg je een erg goed inzicht in hoe lokaal en tribaal het conflict eigenlijk was, en hoe het zich afspeelde tussen twee rivaliserende groepen van working class people. Van zodra je in de middenklassewijken komt, merk je dat de mensen daar zo goed als niet besmet zijn door die blinde haat. In Belfast kun je zien hoe de dertigjarige Troubles een sterk uit de hand gelopen ruzie waren tussen een paar straten. De visie van IRA-man Eamon Collins zegt veel over het hele conflict – hij is trouwens later door zijn eigen organisatie uit de weg geruimd. Collins kon niet verdragen dat er wijken waren in Noord-Ierland waar katholieken en protestanten wel overweg konden met elkaar, en een rustig, welvarend leven leidden. Hij besloot om het Crown Hotel in het stille kuststadje Warrenpoint op te blazen. “Ik haat de vrede en de rust van die kleine kuststadjes waar middenklassekatholieken en –protestanten in harmonie leven”, zou hij later verklaren. “Warrenpoint was voor mij net als een zoete kers op de taart, dus wou ik ze opblazen.” Dezelfde haat vind je terug bij veel terroristen van diverse pluimage. Daar komt bij dat ze zich aan een kolossale vorm van ‘zelfromantisering’ bezondigen. Ze praten zichzelf omhoog, en willen de loop van de geschiedenis blijvend beïnvloeden. Ze zijn extreem hoogmoedig. Een rustig, defensief leven werkt voor hen als een rode lap op een stier. Het staat haaks op hun eigen zelfbeeld en daarom willen ze het vernietigen.

Islamisten leven vaak in samenlevingen waarvan ze de spelregels totaal verachten. In plaats van via politieke, legitieme weg veranderingen na te streven, vermoorden ze mensen.

Niet zo lang geleden was ik in Caïro. Je kon daar op straat voelen hoe islamisten tewerk gaan: er hangt een constante dreiging van geweld – het is als een ijskoude tocht die vanonder de deur naar binnen sluipt. De islamisten vergroten hun invloed door sociale controle en afkeuring. Ze importeren een collectieve afkeuring voor onze westerse manier van leven in de maatschappij. Nu zie je steeds meer vrouwen met hoofddoeken op straat in Caïro. Een vrouw die in een minirok buiten komt, riskeert haar leven. Op een avond belandden we in een heel gewoon café. Er hing een tv waarop een zwartwitfilm uit de veertiger jaren speelde. Er zat een kerel in pak en das op een piano te spelen, en een heel mooie vrouw in een cocktailjurk zong. En alle mensen in dat café zongen met haar mee. Ik vroeg me af: “Waar is het godverdomme mis gegaan?”

 

Zijn we te tolerant?

BURLEIGH: Ik vind dat we af moeten van die verwerpelijke cultuur van mededogen met islamisten, die je terugvindt in onze universiteiten, scholen en lokale besturen. We moeten duidelijk stellen: “Kijk zo leven we, dit zijn onze waarden. Luister maat, als het je niet aanstaat, trap het dan af.” Een contract laten tekenen is een erg goed idee, en ook zoiets als een voorwaardelijk burgermanschap, zodat nationaliteit niet iets is dat je zomaar krijgt, maar iets dat je moet verdienen. De Italiaanse inlichtingendiensten zijn meester in het afluisteren van telefoongesprekken. Als je de transcripties van die getapede gesprekken ziet, en leest wat die moslimfundamentalisten echt van ons denken, word je misselijk. Het is ongelooflijk. De economische recessie die nu over ons spoelt zal ons misschien wel verplichten om realistischer te worden.

 

Uw boek eindigt nogal deprimerend met de voorspelling dat het nog een jaar of dertig zal duren voor we van Al Qaida af zijn.

BURLEIGH: Ik hoop uit de grond van mijn hart dat ik ongelijk heb, en dat ze er sneller het bijltje bij neer zullen leggen. Toen ik met een paar intelligente mensen in het Pentagon praatte, opperden ze het idee om Al Qaida te behandelen als een slecht merk. Ze vertelden me dat ze veel boeken gelezen hadden over reclame. Ze hadden het over een auto uit de fifties, de Ford Edsel, een benzinezuiper met vinnen op de achterflanken, waar de Amerikanen van gruwden. Hij stond synoniem voor totale mislukking – Edsel werd de afkorting voor: Every Day Something Else Leaks. Ford verloor er 400 miljoen dollar aan. Die mensen uit het Pentagon vertelden me dat ze van Al Qaida de Edsel onder de terroristen wilden maken: een besmet merk. Uit interne Al Qaidacommunicatie die de Amerikanen onderschept hebben, blijkt dat er heel wat ontevredenheid leeft bij de gemiddelde Marokkaan die zichzelf moet opblazen. “Waarom zijn alle kerels die strategische beslissingen nemen Egyptenaren? Terwijl ik het strontwerk moet doen. Ik moet mezelf opblazen.” De bedoeling van de lui van het Pentagon is dat lokale groeperingen in Belujistan denken: “We kunnen beter op eigen houtje de Pakistani blijven ambeteren, in plaats van ons te associëren met die losers van Al Qaida.” Misschien werkt het wel. Laat ons hopen.

 

© jan@janstevens.be