“Te vaak is internationale adoptie vermomde kinderhandel”

“Onder het mom van adoptie werd ik in 1980 als baby in India ontvoerd”, zegt Rani T’Kindt. Opdrachtgever was adoptiebureau De Vreugdezaaiers. In 2011 verloor die organisatie haar erkenning; een half jaar later nam het nu in opspraak gekomen Ray of Hope alle dossiers over. “Zolang er met adoptie geld te verdienen valt, zál er gefraudeerd worden.”

 

“Ik ben illegaal geadopteerd en heb dus ook op een illegale manier verblijfspapieren gekregen”, stelt Rani T’Kindt (40). “Toch riep niemand tot hiertoe op om mij uit te wijzen, zelfs het Vlaams Belang niet.”

Op 5 juli 1980 kwam de toen anderhalf jaar oude Rani met het vliegtuig vanuit India in België aan. “Mijn biologische ouders behoorden tot de laagste kaste in de stad Puducherry”, vertelt ze. “Mijn moeder beviel van een meisje en mijn vader was daar niet gelukkig mee. Hij liet haar in de steek. Mama stond met haar pasgeboren dochter op straat en wist van geen hout pijlen maken. De nonnen van het katholieke weeshuis boden haar een job als kokkin aan. Als kleine baby groeide ik op tussen de weesjes. ‘s Nachts moest mama op straat slapen; ik kreeg een bedje tussen de andere kinderen. Mijn Indiaase moeder kon niet lezen of schrijven, maar net als veel andere analfabeten kon ze wel haar naam op papier zetten. De nonnen lieten haar formulieren tekenen waardoor ze zonder het te beseffen mij afstond. Op een ochtend kwam ze in het weeshuis aan en was ik verdwenen. Ik ben nu zelf mama; ik kan me niet voorstellen dat ik mijn dochter van anderhalf zonder morren aan een paar nonnen zou hebben afgestaan. Mijn mama was in paniek. ‘Je hebt zelf getekend’, zeiden de nonnen. ‘Maak je geen zorgen: je dochter is in Parijs. Daar zal ze geneeskunde studeren. Later komt ze terug als dokter.’ Niet lang na mijn ontvoering, keerde mijn biologische vader terug naar zijn vrouw. Zijn geweten knaagde omdat hij mij in de steek had gelaten. Maar ik was verdwenen. Hij was razend. Mijn ouders werden bij de nonnen ontboden en kregen te horen dat ik gestorven was.”

 

Zaaiers van vreugde

Het katholieke weeshuis van Puducherry leverde tegen vergoeding kinderen aan de Gentse adoptiedienst De Vreugdezaaiers. Die organisatie werd eind jaren 50 opgericht door Franciscaner-pater Eugène Delooz. Hij specialiseerde zich in vakanties voor kinderen uit de Parijse bidonvilles bij Nederlandse en Belgische gezinnen. Eind jaren zestig schakelde hij over op adopties van Indiase weeskinderen. Hij sloot een deal met de weeshuizen van Moeder Theresa en op Kerstmis 1970 verscheepte de pater zijn eerste lading Indiase adoptiekinderen. De vraag van kinderloze Belgische en Nederlandse echtparen steeg en de pater legde contacten met andere Indiase weeshuizen, waaronder dat van Puducherry. “Ik heb een foto uit 1980 waarop ik als meisje van anderhalf tussen de weesjes poseer”, zegt Rani. “Pontificaal in het midden zit zuster Blanche met een baby op haar schoot. Ik zit naast haar op de schoot van een meisje met een witte haarband. Die foto diende om in Nederland en België promotie te maken voor het kinderaanbod van De Vreugdezaaiers. Zuster Blanche was een van de daders die mij in samenspraak met De Vreugdezaaiers ontvoerd en verkocht heeft. Die non werd later naar België uitgenodigd om er gevierd te worden als grote weldoenster.”

In november 2011 trok Kind en Gezin de erkenning van De Vreugdezaaiers in. Reden: ze plaatsten te weinig kinderen. Vandaag is de organisatie nog steeds actief als fondsenwerver voor Indiase schoolkinderen. De lopende adoptiedossiers werden in april 2012 overgenomen door het deze week in opspraak gekomen adoptiebureau Ray of Hope (DM 02/05).

 

Uit de doden opgestaan

In België groeide de jonge Rani op in een warm nest. “Ik heb een innige band met mijn Belgische ouders”, zegt ze. “Mijn papa is gestorven op zijn 65e; hij was net op pensioen. Datzelfde jaar is mijn dochter geboren. Ik herinner me dat ik tien was en in bad zat. Ik vroeg mijn mama: ‘Waarom gaat dat bruin niet van mijn lijf?’ Ze antwoordde: ‘Omdat je in India op de wereld gekomen bent. Je Indiase mama was arm en kon niet voor je zorgen. Daarom stuurde ze je naar hier.’”

Op haar negentiende vertrok Rani met haar toenmalige vriend voor een rondreis van een jaar door India. “Van onze trip wilden we een boek maken. ‘Zullen we op zoek gaan naar je biologische mama?’, suggereerde mijn vriend. Tot dan had ik in de veronderstelling geleefd dat ik als baby was gedumpt door een vrouw die niets om me gaf. En toch wou ik haar vinden. In mijn adoptiedossier stond enkel haar voornaam: Mary. De Vreugdezaaiers kwamen te weten dat ik haar in India aan het zoeken was. Ze namen contact op met mijn Belgische mama: ‘Er is niemand meer in Puducherry. Rani’s vader is lang dood en haar moeder stierf onlangs.’ Ik was helemaal van slag. Eerst overwoog ik die stad links te laten liggen. Toch bleven we zoeken en zo ontdekte ik dat mijn beide ouders nog in leven waren. Een non van dat weeshuis kreeg medelijden en hielp me.”

In 1998 ontmoette Rani voor het allereerst haar biologische ouders. “Dat was hartverscheurend en hakte er zowel bij hen als bij mij diep in. Hun kind was uit de doden opgestaan. Zij wisten niet dat ik geadopteerd was. Mijn mama weende en raakte me constant aan, van top tot teen. Ze wilde dat kind voelen dat ze ooit op de wereld gezet had. Ik worstelde daarmee: een vreemde vrouw die op mij leek, kon niet van me afblijven. Ik was haar enig kind. Nadat ik uit haar leven verdween, was haar verdriet zo groot dat ze geen andere kinderen meer wou. Ze smeekte me om voorgoed te blijven, trof zelfs voorbereidingen voor een huwelijksfeest en ging op zoek naar een bruidegom. Ze maakte kennis met mijn Belgische mama en dat was ontzettend moeilijk. Je hoopt om het ontbrekende puzzelstukje van je leven te vinden, maar dat blijkt toch niet zo goed te passen.”

In 2008 bezocht Rani haar biologische ouders opnieuw. Ze organiseerde toen ook een benefiet voor hen in het Gentse. “Ik gaf een interview in een krant waarin ik kritiek uitte op De Vreugdezaaiers, zonder de organisatie bij naam te noemen. Een paar dagen later zat er een anonieme dreigbrief in de brievenbus van mijn ouders. ‘Wij weten waar jullie mee bezig zijn. Let op, of wij treffen maatregelen!’ Het interview zat erbij, met de passages over de Vreugdezaaiers aangeduid in fluo.”

 

Aanklacht tegen kinderhandel

In oktober vorig jaar zag Rani T’Kindt haar moeder in India voor het laatst. “Vier weken geleden is ze gestorven. Ze was 62. Ik ben blij dat ik haar samen met mijn dochter van zeven nog ben gaan opzoeken. In de lente van vorig jaar liet een Indiase neef me weten dat ze ernstig ziek was. Ik wou dat ze voor haar dood haar enige kleinkind zag. In oktober hielden mijn dochter June en mijn mama Mary elkaars handen vast. Dat laatste bezoek aan mijn Indiase moeder heb ik gefilmd, want ik wil een documentaire maken, een aanklacht tegen kinderhandel. Te vaak is internationale adoptie vermomde handel in kinderen. Er moét een waarheidscommissie komen die alle internationale adopties onderzoekt, én een meldpunt. Het getuigenis vorige week van dat Ethiopische meisje over haar frauduleuze adoptie uit 2009, illustreert dat er bitter weinig veranderd is. Ondanks alle regels en wetten. Want zolang er met adoptie geld te verdienen valt, zál er gefraudeerd worden.”

 

(c) Jan Stevens

“Meer dan ooit is er behoefte aan een waarheidscommissie over adoptie”

Na getuigenissen over fraude met adopties uit Ethiopië, belooft minister van Welzijn Jo Vandeurzen een onderzoek. Adinda Aelvoet en Priyani Libert blijven met een wrang gevoel achter. “Omdat het bijna verkiezingen zijn, schieten onze politici nu in gang. Toen wij anderhalf jaar geleden met ons adoptieverhaal naar buiten kwamen, gebeurde er niets.”

 

Zaterdag getuigde in Het Laatste Nieuws de 17-jarige Thereza De Wannemaeker uit Denderleeuw over haar frauduleuze adoptie uit Ethiopië in 2009. Volgens de officiële documenten was haar biologische moeder verdwenen en haar vader overleden. Later ontdekte Thereza dat er van dat verhaal niets klopte. De voorbije dagen liepen bij de krant nog vijftien getuigenissen binnen over vermoedelijke adoptiefraude. Spin in het web is adoptiebureau Ray of Hope (RoH) dat van 1997 tot 2017 samenwerkte met een volgens de getuigenissen volstrekt onbetrouwbaar Ethiopisch contactpersoon. Vlaams parlementslid Lorin Parys (N-VA) wil nog voor de verkiezingen een extra zitting van het Vlaams parlement over de mogelijk frauduleuze adopties. Hij pleit voor een ‘diepgaand en onafhankelijk onderzoek’. Ook Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) is voorstander van zo’n onderzoek naar adoptiepraktijken uit het verleden. Die plotse daadkracht bezorgt Adinda Aelvoet en Priyani Libert een wrang gevoel. “Nu het bijna verkiezingen zijn, schieten onze politici in gang. Maar toen wij begin vorig jaar met ons adoptieverhaal naar buiten kwamen, gebeurde er helemaal niets.”

 

Stichting FLASH

Op 27 januari 2018 getuigden Priyani en Adinda in weekendbijlage Zeno over hun eigen vermoedelijk frauduleus verlopen adoptie uit Sri Lanka in de jaren 80. Bij hun zoektocht naar hun biologische ouders kwamen ze een paar jaar geleden via Kind & Gezin (K&G) en Steunpunt Adoptie bij RoH’s plaatselijke contactpersoon Sunil Wijewardena terecht. Tussen 1997 en 2011 regelde hij voor RoH alle 49 adopties uit Sri Lanka. In de jaren erna schakelde de adoptiedienst hem ook voor hun ‘nazorg’ in. Adoptiekinderen die zoals Priyani en Adinda naar hun biologische ouders op zoek waren, werden aan Wijewardena toevertrouwd. Op 27 september 2017 bracht deze krant aan het licht dat Wijewardena in de jaren tachtig nauw betrokken was bij grootschalige adoptiefraude van de Nederlandse Stichting FLASH. Van de duizenden Sri Lankaanse baby’s die in de jaren 80 via dat adoptiebureau in Nederland werden geadopteerd, bleek bij 70 procent de papieren vervalst te zijn. Kinderen werden geroofd van hun ouders en voor grof geld doorverkocht. Op babyfarms werden zelfs adoptiekinderen ‘gekweekt’. Wijewardena stond toen in voor het vervoer van de adoptiekinderen van FLASH.

Naar aanleiding van onze berichtgeving vroeg Lorin Parys op 10 oktober 2017 in de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin meer uitleg aan Jo Vandeurzen. De minister antwoordde dat er geen aanwijzing van fraude was en dus geen aanleiding voor een onderzoek.

Adinda Aelvoet: “Een van de argumenten van Jo Vandeurzen was dat volgens hem alles veranderd was. RoH ging in 1994 van start en Vandeurzen stelde dat op dat moment interlandelijke adoptie veel strikter geregeld was dan in de tachtiger jaren. Dat RoH en Steunpunt Adoptie tot minstens 2017 met een figuur als Wijewardena samenwerkten, vond Vandeurzen geen probleem. ‘Er is geen bezwaar tegen dat een Vlaamse dienst samenwerkt met iemand die ook met een Nederlandse vergunde dienst samenwerkt’, stelde hij in de Commissie Welzijn. Die ‘Nederlandse vergunde dienst’ was Stichting FLASH die in de lente van 2017 op de Nederlandse tv ontmaskerd was als grootschalige zwendelaar in adopties. De adoptie van Thereza De Wannemaeker dateert van 2009. In werkelijkheid is er dus sinds de jaren 80 helemaal niets veranderd.”

 

Integriteitsonderzoek

Priyani Libert is in 1984 in Sri Lanka geadopteerd en wilde in 2015 op zoek naar haar biologische ouders.

Priyani Libert: “Ik vroeg hulp aan Kind & Gezin. Zij stuurden mijn dossier door naar Ray of Hope, want die adoptiedienst had een contactpersoon in Sri Lanka, gespecialiseerd in het traceren van biologische ouders: Sunil Wijewardena. In twee weken tijd vond hij mijn vermeende biologische ouders. K&G nodigde me uit om Sunils onderzoek te bekijken. Dat bestond uit een paar foto’s waarop mijn zogenaamde biologische ouders samen met hem poseerden. Kopieën van identiteitsbewijzen of andere officiële documenten ontbraken. Sunils rekening bedroeg 450 euro, of twee Sri Lankaanse maandlonen. Die betaalde ik via K&G. Eerst beweerde Sunil dat mijn negen nieuwe broers en zussen van mijn bestaan op de hoogte waren. Later zei hij dat ze niet van mijn bestaan afwisten. Een DNA-onderzoek werd afgewimpeld. ‘Money’ was het enige waarin mijn zogenaamde biologische ouders geïnteresseerd leken. Eind 2016 verbrak ik alle contact.”

Adinda Aelvoet: “Ik vind het onbegrijpelijk dat Kind & Gezin én Steunpunt Adoptie minstens tot eind 2017 met Sunil Wijewardena van RoH zijn blijven samenwerken. Misschien werken ze nog steeds samen, want er is nooit een officiële stopzetting aangekondigd. Na mijn bijzonder slechte ervaringen met Sunil in 2013 liet ik weten dat hij totaal ongeschikt was voor het organiseren en begeleiden van rootsreizen. Hij was enkel op geld uit en probeerde ons te manipuleren. De adoptiecoach van Steunpunt Adoptie zei dat ze er niet goed van was. Toch werd er niet ingegrepen en bleven ze met hem in zee gaan. Minister Vandeurzen deelde in oktober 2017 mee dat RoH een integriteitsonderzoek naar Wijewardena zou laten uitvoeren. Is dat er ook écht geweest, wat zijn de resultaten en wordt er nu nog beroep op die man gedaan? Ik zou dat graag willen weten.”

 

Voorzitster met twee petjes

Een paar dagen na haar getuigenis in deze krant kreeg Adinda Aelvoet een mail van de directeur van Steunpunt Adoptie. “Zij bood me nazorggesprekken aan en schreef dat ze werkte aan de opstart van buddywerking voor geadopteerden. ‘Dit komt voor mij veel te laat’, antwoordde ik. Een onderzoek naar mijn eigen dossier kwam er niet: er werd van mij verwacht dat ik zelf eerst de bewijzen voor fraude leverde. Wat de wereld op zijn kop is, want ik wil net een onderzoek om te weten of er fraude gepleegd is.”

Priyani Libert werd door Kind & Gezin uitgenodigd voor een gesprek. “Daar zou ook Vlaams parlementslid Katrien Schryvers (CD&V) bij aanwezig zijn. Zij is voorzitster van de raad van bestuur van RoH en is ondervoorzitster van de Vlaamse parlementaire Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Ik vond het vreemd dat zij als RoH-voorzitster bij mijn gesprek met K&G wou aanschuiven. Ik kreeg het onbehaaglijke gevoel dat ze me wilden paaien. Daarom liet ik dat gesprek aan mij voorbijgaan.”

Adinda Aelvoet: “Omdat Schryvers ook voorzitster is van RoH, moest ze op die bewuste commissievergadering van 10 oktober 2017 haar voorzittershamer even doorgeven aan een collega van de N-VA. De commissie die het adoptiebeleid uitstippelt, wordt dus mede geleid door iemand die voorzitter is van de raad van bestuur van een adoptiebureau. Dat is toch te gek voor woorden?”

Priyani Libert: “K&G stelde voor om mijn dossier te laten uitspitten door de Centrale Adoptieautoriteit in Sri Lanka, maar daar heb ik totaal geen vertrouwen in. Want net daar liep het ooit met mijn adoptie fout: die Centrale Autoriteit was één van de spelers in de fraude. Ik moest dus mijn adoptiedossier laten onderzoeken door een dader. Daar heb ik vriendelijk voor bedankt.”

 

Waarheidscommissie

De problemen met adoptie in Sri Lanka, Congo en Ethiopië zijn volgens Adinda en Priyani geen op zichzelf staande gevallen. Adinda Aelvoet: “Net als in Nederland loopt er ook bij ons van ver in de jaren 70 een rode lijn van bedrog. De Nederlandse overheid neemt dat ernstig en heeft een commissie samengesteld die diepgaand onderzoek naar alle vormen van adoptiezwendel voert. Bij ons worden nu na Ethiopië vage beloften gemaakt. Al dat getreuzel is een gevolg van die innige verstrengeling met de politiek.”

Priyani Libert: “Na onze getuigenissen hoorden we veel gelijkaardige verhalen van kennissen die ook uit Sri Lanka geadopteerd zijn. Maar zij zijn bang voor de impact van de media-aandacht. Na Ethiopië mogen we er van uitgaan dat er aan nog meer interlandelijke adopties van RoH een reukje zit. Dat moet toch op zijn minst onderzocht worden. Wij vroegen een onderzoek naar alle Sri Lanka-dossiers en kregen van de Commissie voor Welzijn en van minister Vandeurzen nul op het rekest. Dat kwam keihard aan. Twee weken geleden had ik de eer om Michelle Obama te ontmoeten in Amsterdam. Als er één ding is dat ik van haar geleerd heb, is het dat iedereen meetelt. Als minister Vandeurzen wél de Ethiopische adoptiedossiers laat onderzoeken, maar de Sri Lankaanse links laat liggen, zal het voor ons zijn alsof niet iedereen hier meetelt.”

Adinda Aelvoet: “Toen anderhalf jaar geleden de adoptiefraude in Sri Lanka aan het licht kwam, zakte de grond onder mijn voeten weg. Als adoptiekind weet je weinig over je oorsprong. Als er dan ernstig adoptiebedrog aan het licht komt, raak je helemaal gedestabiliseerd. Want plots staat álles op losse schroeven. Je identiteit wordt opnieuw een groot vraagteken. Om mezelf te beschermen, probeerde ik dat verhaal af te sluiten. Maar zolang er geen groot onderzoek naar onze adoptiegeschiedenis komt, is dat moeilijk. Want nu is er dat nieuws over Ethiopië en binnen een paar maanden gaat het misschien over adoptiefraude uit een ander land. Telkens weer worden wij ermee geconfronteerd. Dat is zeer pijnlijk en ik wil andere geadopteerden daarvoor behoeden. Daarom is er meer dan ooit behoefte aan een waarheidscommissie over adoptie, zonder taboes. Zolang die er niet is, stopt het nooit.”

 

 

Ray of Hope: van hobbyist tot hoofdspeler in internationale adoptie

 

  • De vzw Ray of Hope werd in 1994 als Children’s Welfare Adoption in Berlare opgericht door Guy De Meester en zijn vrouw. Zij importeerden rotanmeubelen uit Azië en adopteerden zelf zes kinderen. De Meester zetelt nog steeds in de raad van bestuur van RoH.
  • Bij aanvang schreef de inspectie negatieve rapporten omdat RoH zich vooral toelegde op snelle adopties uit Haïti. Maar Kind & Gezin erkende toch. In 2003 gaf Guy De Meester in Knack een verklaring voor die snelle adopties: “Ons eerste kanaal had toevallig meteen veel kinderen ter beschikking.” Dat ‘eerste kanaal’ was Yva Samedy, directrice van de Foyer de la Nouvelle Vie die honderden adoptiekinderen leverde aan verschillende landen.
  • In 1997 trok de inspectie op missie naar Haïti. In haar rapport schreef ze dat de samenwerking met Samedy onmiddellijk moest stoppen. Samedy werd beschuldigd van financiële fraude. Kind & Gezin vond dat RoH met haar mocht blijven samenwerken, op voorwaarde dat ze kinderen leverde die écht in de steek gelaten waren.
  • In 2001 stapten drie families die via RoH een Vietnamees kind geadopteerd hadden, naar de rechter. Hun klachten: de documenten waren niet in orde en de contactpersoon was niet bekwaam.
  • Na een reportage op Telefacts over door RoH geregelde adopties in Vietnam, verloor de organisatie in december 2002 haar erkenning.
  • RoH trok naar de Raad van State en kreeg in 2004 gelijk.
  • Van 2004 tot 2014 was voormalig minister van Welzijn Wivina Demeester (CD&V) voorzitter van de raad van bestuur van RoH. Op 2 januari 2016 nam ze in een opiniestuk in de krant De Standaard afstand van interlandelijke adoptie. Zelf adopteerde ze in 1974 een Indiaas meisje. Buitenlandse adoptie vond ze geen goed idee meer omwille van de wachttijd en de kostprijs. ‘Tussen de beslissing om je als ouders voor te bereiden op een interlandelijke adoptie en de aankomst van je kind verloopt nu vijf tot zeven jaar’, schreef ze. ‘Toen was dat 18 maanden. Ik beschouwde het als een verlengde zwangerschap. De ‘kostprijs’ was redelijk. Vandaag is het vele jaren wachten. Te lang. En de kostprijs is zeer hoog.’ Over de gevolgen op langere termijn voor de geadopteerden repte ze met geen woord. Wel dat de drie nog bestaande interlandelijke adoptiediensten (RoH, FIAC-Horizon en Het kleine mirakel) best tot één dienst voor buitenlandse adoptie zouden fusioneren.
  • Vlaams CD&V-parlementslid Katrien Schryvers nam in 2014 de RoH-voorzittersfakkel van Wivina Demeester over. Schryvers is eveneens ondervoorzitter van de parlementaire Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin die ook adoptie behandelt. In de raad van bestuur van RoH zetelt onder anderen ook Wilfried Verniest. Van 1987 tot aan zijn pensioen in 2012 was hij directielid bij K&G en in 2007 schopte hij het zelfs even tot waarnemend administrateur-generaal. Net als Wivina Demeester pleitte Schryvers voor één eengemaakte gesubsidieerde buitenlandse adoptiedienst.
  • Begin april van dit jaar besliste de Vlaamse regering dat vanaf 1 januari 2023 de drie adoptiediensten tot één dienst zullen samensmelten. De beschikbare financiële middelen, kennis en expertise moeten vanaf dan gebundeld worden. N-VA-parlementslid Lorin Parys juichte die beslissing toe, maar had in de Standaard van 8 april toch een paar bedenkingen. “Elke adoptiedienst vertegenwoordigt een bepaalde levensbeschouwing”, zei hij. “Het is niet de bedoeling dat een van die overtuigingen aan het stuur gaat zitten, wel dat de eengemaakte dienst pluralistisch is. Het kan ook niet dat een volksvertegenwoordiger er voorzitter van wordt. Want in het parlement controleer je dan het Vlaams centrum voor adoptie dat op zijn beurt jou controleert als voorzitter van een adoptieorganisatie.”

 

(c) Jan Stevens

Wanneer adoptie zwendel wordt

Het Nederlandse onderzoeksprogramma Zembla bracht twee weken geleden een ophefmakende reportage over adoptiefraude vanuit Sri Lanka naar Nederland. Boosdoener was het in 2010 ter ziele gegane adoptiebureau Stichting FLASH. De Sri Lankaanse minister van Volksgezondheid bevestigde in de reportage het bestaan van babyfarms, kweekboerderijen voor adoptiekinderen. Een van de Sri Lankaanse contactpersonen van Stichting FLASH bemiddelde ook voor het Vlaamse adoptiebureau Ray of Hope en organiseert rootsreizen voor hen. “De alarmbellen hadden bij Ray of Hope al veel eerder moeten afgaan.”

 

In mei onthulde het onderzoeksprogramma Zembla op de Nederlandse openbare omroep een grootschalige adoptiefraude: van de duizenden baby’s die in de jaren tachtig vanuit Sri Lanka naar Nederland werden geadopteerd, bleek 70 % van de papieren vervalst te zijn. Grote spin in het fraudeweb was het in 2010 ter ziele gegane adoptiebureau Stichting FLASH. Hun plaatselijke contactpersonen hadden handenvol geld verdiend met de handel in kinderen. Over de redenen voor adoptie logen ze schaamteloos, de afstandsmoeders bleken niet de echte biologische moeders te zijn en geboortedata waren gewijzigd. Twee weken geleden zond Zembla het vervolg ‘Adoptiefraude 2’ uit, waarin journalisten Erwin Otten en Norbert Reintjens op onderzoek trokken naar Sri Lanka. In een ziekenhuis in de zuidwestelijke stad Matugama hoorden ze van verpleegkundigen dat er in de jaren tachtig pasgeboren kinderen verkocht werden voor adoptie. Een moeder wier baby volgens de artsen kort na de geboorte was overleden, vertelde hen dat een familielid had gezien hoe een dokter het kindje levend het ziekenhuis uitdroeg. Pasgeborenen werden bij hun moeders weg geroofd of voor een habbekrats gekocht en door valse afstandsmoeders of ‘acting mothers’ afgestaan voor adoptie. Een voormalige acting mother verklaarde dat ze voor haar diensten als nepafstandsmoeder door het ziekenhuis beloond werd met 2000 roepi (10 euro). De Sri Lankaanse minister van Volksgezondheid Rajitha Senaratne gaf voor de Zembla-camera voor het eerst het bestaan toe van babyfarms, plaatsen waar baby’s voor adoptie ‘gekweekt’ werden. Hij beloofde een diepgaand onderzoek en de oprichting van een bureau waar ouders en kinderen hun DNA kunnen laten testen. “Zo kunnen we makkelijk vaststellen of de moeder echt of nep is.”

Hardnekkige geruchten over babyfarms in Sri Lanka doen al sinds de jaren tachtig de ronde, maar werden door de overheid altijd staalhard ontkend. Een politie-inval in zo’n farm in de Sri Lankaanse hoofdstad Colombo eind januari 1987 zorgde er volgens minister Senaratne voor dat adoptie door buitenlanders tijdelijk verboden werd. De politie trof toen op een ommuurd domein 20 zuigelingen en 22 vrouwen aan. De vrouwen hadden hun baby’s voor een peulschil verkocht en werden door een kinderhandelaar in gevangenschap gehouden tot de adopties geregeld waren. De Zembla-reportage bracht ook aan het licht dat de adoptiefraude georganiseerd werd door een kleine groep van advocaten, dokters, verpleegkundigen en ambtenaren van de Sri Lankaanse kinderbescherming. Ze werkten nauw samen met Westerse adoptiebureaus en verdienden zo handenvol geld.

“In totaal gaat het om 11.000 kinderen die in de jaren tachtig door westerse koppels geadopteerd zijn”, zegt Zembla-onderzoeksjournalist Norbert Reintjens. “Daarvan kwamen er ongeveer 4000 in Nederland terecht. De rest ging naar Groot-Brittannië, Zweden en Duitsland.” Niet naar België? “Toch wel, alleen hebben wij daar geen cijfers over. Wij concentreerden ons tijdens ons onderzoek in de eerste plaats op Nederland. Al stootten we wel een paar keer op het Belgische adoptiebureau Ray of Hope.”

 

Touroperator

Ray of Hope (RoH) is een van de drie door de Vlaamse overheid erkende diensten voor buitenlandse adoptie. Als enige bureau regelde het tussen 1997 en 2011 adopties uit Sri Lanka, in totaal gaat het om 49 kinderen. Topjaren waren 2002 en 2003, toen RoH telkens 7 Sri Lankaanse kinderen liet adopteren. “De afgelopen vijf jaar waren er geen adopties uit Sri Lanka meer”, zegt coördinator Erika Van Beek. “Maar we hebben daar wel nog een contactpersoon voor eventuele nazorg of vragen over rootsreizen. De Sri Lankaanse overheid heeft zelf de procedure voor adoptie beëindigd omdat er voldoende mogelijkheden waren voor inlandse adoptie. De adopties die in Zembla ter sprake komen, dateren van voor de jaren negentig, toen RoH nog niet actief was. Wij zijn pas vanuit Sri Lanka beginnen adopteren van zodra in 1991 alles via de overheid verliep. Dat is toch compleet anders dan wat er in de jaren tachtig in Nederland gebeurde; toen verliep alles via advocaten. Babyfarms dateren ook van voor 1991. Die bestaan nu niet meer. Eind 2001 ondertekende Sri Lanka het internationale Adoptieverdrag van Den Haag en sindsdien werken ze helemaal volgens de regels.”

Over adoptiefraude of kinderhandel vanuit Sri Lanka weet Erika Van Beek naar eigen zeggen niets. Al schrok ze wel toen ze in mei de eerste Zembla-reportage over de grootschalige adoptiezwendel naar Nederland zag. “Ik belde toen onze contactpersoon in Sri Lanka; ik wou weten of er risico bestond voor onze adopties. Hij verzekerde me dat alles oké was.”

De contactpersoon van Ray of Hope in Sri Lanka is Sunil Wijewardena. “Hij is touroperator”, zegt Erika Van Beek. “Hij begeleidt mensen op rootsreizen en was onze tussenpersoon bij de adopties. De overheid wees kindjes toe en hij begeleidde de adoptieouders als ze ter plaatse kwamen. Hij haalde ze op in het hotel, reed met hen naar het weeshuis en hielp de papieren in orde brengen.”

De adopties regelde RoH rechtstreeks met de Sri Lankaanse overheid? Erika Van Beek: “Sunil ging daarvoor langs bij de overheid; de papieren die hij kreeg waren officieel.”

Sunil Wijewardena en zijn broer Gamini werkten al van in de jaren tachtig voor de in opspraak gekomen Nederlandse Stichting FLASH. “In de aflevering van Adoptiefraude uit mei van dit jaar zit een stukje van een oude reportage uit de actualiteitenrubriek Tros Aktua die uitgezonden werd op 4 januari 1983”, zegt Norbert Reintjens. “In de oorspronkelijke Tros Aktua-reportage zie je de nog jonge Sunil samen met zijn broer Gamini aan het werk voor FLASH. Wij wilden de gebroeders in Sri Lanka voor de tweede aflevering van Adoptiefraude opzoeken, maar ze gaven niet thuis. De namen van Sunil en Gamini komen vaak voor in adoptiedossiers die wij hebben gezien. Ze zijn allebei al lang betrokken bij adopties. Sunil richtte samen met de Nederlander Erik Kuiken de nog maar onlangs opgedoekte Stichting Santhosa op die rootsreizen organiseerde naar Sri Lanka. Kuiken was van 2004 tot 2009 voorzitter van Stichting FLASH.”

De alarmbellen hadden al veel eerder bij Ray of Hope moeten afgaan? Norbert Reintjens: “Zonder twijfel.”

“Sunil heeft voor de stichting Santhosa mensen op rootsreis begeleid”, bevestigt Erika Van Beek. “Maar ik weet niet of hij ooit voor Stichting FLASH gewerkt heeft.”

Sunil Wijewardena is volgens de man aan de andere kant van de lijn in Sri Lanka niet thuis. “Over Stichting FLASH of Ray of Hope weet ik niet veel, Sir. Ik vraag Sunil om u terug te bellen.” Wanneer is hij te bereiken? “Hij is een tijdje weg, Sir, maar ik beloof u: ooit belt hij u terug.”

De vzw Ray of Hope werd in 1994 als Children’s Welfare Adoption opgericht. In juli 2003 schreef het magazine Knack dat RoH van in het begin de ene negatieve evaluatie na de andere opstapelde. Na een reportage op Telefacts over door RoH geregelde adopties in Vietnam, verloor de organisatie in december 2002 haar erkenning. RoH trok naar de Raad van State en kreeg in maart 2004 gelijk. “Dat dateert van ver voor mijn tijd”, zegt Katrien Schryvers, sinds 2014 voorzitter van de raad van bestuur van Ray of Hope. Schryvers is daarnaast ook Vlaams parlementslid voor CD&V en ondervoorzitter van de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. “De betrouwbaarheid van plaatselijke contactpersonen is essentieel als het over adoptie gaat”, zegt ze. “Voor een adoptiebureau is het lastig om daar van hieruit 100 procent zekerheid over te krijgen. Buitenlandse Zaken zou daarom ook initiatief voor die screening moeten nemen. Ik heb dat onlangs voorgesteld aan het parlement. Ik zal nu aan de andere leden van de raad van bestuur vragen om een onderzoek in te stellen naar de contactpersoon in Sri Lanka, want het kan niet dat hij nog rootsreizen voor adoptiekinderen organiseert als er twijfel bestaat over zijn integriteit.”

 

Babyboerderij

Volgens de Zweedse antropoloog met Sri Lankaanse roots Daniel Cidrelius werden er tussen 1964 en 1994 welgeteld 281 kinderen door Belgen geadopteerd. Dat cijfer kreeg hij in 2013 van het Sri Lankaanse ‘Department of Probation and Child Care Services’. In maart 1982 verscheen in het Britse tijdschrift New Internationalist een van de eerste artikels over babyfarms in Sri Lanka. Volgens de Sri Lankaanse auteur T.B. Peramunetilleke waren van de 642 baby’s die een jaar eerder door buitenlanders geadopteerd waren, slechts negen adopties op een koosjere manier verlopen. “Adoptieouders betalen 5000 dollar voor hun baby, waarvan de moeder 50 dollar overhoudt. De rest gaat naar de ‘bemiddelaars’, professionals met uitstekende connecties met buitenlanders, waarvan sommigen moeders inhuren voor de productie van baby’s.” Peramunetilleke wees met een beschuldigende vinger naar verplegers en dokters in ziekenhuizen: “Zij spelen go-between tussen de kopers en de moeders.” Hij somde ook de landen op die ‘gekweekte’ baby’s aankochten: “Zweden, Nederland, Noorwegen, Italië, de VS, Canada en België.”

Suleika Van der Jeugdt werd eind 1986 als baby uit Sri Lanka geadopteerd door Vlaamse ouders. Tien jaar geleden reisde ze terug naar haar geboorteland, op zoek naar haar biologische mama. “Mijn officiële geboorteakte bevatte foute informatie”, zegt ze. “Sommige dingen waren slecht in het Engels vertaald, maar er stonden ook feiten op die gewoon niet klopten, zoals de naam van mijn biologische mama.”

In Sri Lanka klopte Suleika eerst bij de overheid aan voor hulp om haar moeder te vinden. “Dat draaide op niets uit. Dus reisde ik door naar de regio waar ik volgens mijn geboorteakte vandaan kwam. Ik sprak er lokale mensen waarvan ik hoopte dat ze zich nog iets konden herinneren van de jaren tachtig. Ik ging eerst langs in het kleine ziekenhuis van Kiriella, een klein dorp in de jungle.” Kiriella ligt 45 km. ten noorden van Matugama, de stad waar Zembla getuigenissen over adoptiefraude verzamelde. “De directie verwees me door naar een man die in de jaren tachtig de adopties regelde. Ik zocht hem op in zijn huis diep in de jungle. Hij beweerde dat hij mijn biologische moeder niet kende en dat hij niets over adopties wist. Na veel omwegen ontmoette ik eindelijk een vrouw van wie ik dacht dat zij mijn mama was. Dat was een emotioneel ‘weerzien’, maar na een dag samen, was het voor mij duidelijk dat zij mijn biologische moeder niet kòn zijn.”

Geloofde die vrouw eerst echt dat Suleika haar dochter was, of speelde ze toneel? Suleika Van der Jeugdt: “Ze had een kind afgestaan in dezelfde periode. Ik keerde terug naar het ziekenhuis, waar ze me opnieuw naar de man diep in de jungle verwezen. Ook andere contacten verzekerden me dat hij degene was die adopties geregeld had. Ik zocht hem een tweede keer op en uiteindelijk gaf hij dik tegen zijn zin toe dat hij indertijd de fixer was.” De naam van de man mag niet in de krant. “Alle Sri Lankanen weten dat adoptie in de jaren tachtig een louche affaire was. Het zijn trotse mensen die het verschrikkelijk vinden dat moeders hun kinderen moesten afstaan. Die man verdiende grof geld met adoptie en wil nu anoniem blijven, omdat hij bang is dat families wraak op hem zullen nemen. Mijn adoptie was indertijd geregeld door het bureau National and International Adoption Organisation (NIAO). Dat verliep niet al te vlot. Mijn adoptieouders werden eind november 1986 door NIAO verwittigd dat er een boorling op hen lag te wachten in Sri Lanka. Ze vertrokken spoorslags en bij aankomst kregen ze een kind van twee jaar en een half aangeboden. Mijn mama schrok en protesteerde, waarna ze op zoek gingen naar een boorling. Dat was ik dus; ik was maar dertien dagen oud. Tijdens haar zwangerschap woonde mijn biologische mama bij het gezin van de man in de jungle. Daar is ze ver van haar familie bevallen. Een paar dagen later werd haar gevraagd of ze mij wou afstaan. Zij heeft daar geen cent voor gekregen; alles verdween in de zakken van de adoptiefixer. Mijn adoptiemama heeft mijn biologische mama op het moment van mijn overdracht ontmoet en haar kleren en schoenen gegeven. Via de fixer heb ook ik haar uiteindelijk gezien. Ze spreekt geen Engels, waardoor het nu moeilijk is om van op afstand contact te blijven onderhouden.”

Suleika Van der Jeugdt is een van de weinige adoptiekinderen uit de jaren tachtig met Sri Lankaanse roots die op zoek ging naar haar afstandsmoeder. “Voor wie via een weeshuis geadopteerd is, is het sowieso een onmogelijke opdracht, want veel officiële documenten zijn verdwenen of nooit ingevuld. Op mijn geboorteakte stond dan wel een foute naam van mijn biologische mama; ik had tenminste toch iets als aanknopingspunt.”

Het adoptiebureau National and International Adoption Organization was opgericht in september 1983 en gevestigd aan de Kortrijksesteenweg in Gent. Suleika Van der Jeugdt: “Het is een tijd na mijn adoptie in duistere omstandigheden verdwenen.” Volgens het boekje ‘Adoptie, een praktische handleiding’ van uitgeverij Die Keure uit 1990 was NIAO gespecialiseerd in adopties uit Guatemala, Haïti, India, Columbia, Brazilië, Costa Rica, El Salvador, Nicaragua en Sri Lanka. De te adopteren kinderen zouden allemaal uit weeshuizen stammen en hun leeftijd zou variëren van 7 maanden tot 10 jaar. Een adoptiedossier opstarten, kostte 45.000 frank (1.115 euro). Adoptieouders die ‘niet geselecteerd’ werden, waren dat geld sowieso kwijt. Aan een Sri Lankaans adoptiekind hing een bijkomend prijskaartje van 250.0000 frank (6.200 euro) met daarnaast alle bijkomende kosten voor ‘onderzoeken’ en ‘reis en procedure herkomstland’. Het gsm-nummer van de vroegere directrice van NIAO is afgesloten; verzoeken via mail voor meer informatie blijven onbeantwoord.

 

(c) Jan Stevens