‘Ik gunde die Duitsers het plezier niet om mij kapot te maken’

Het joodse meisje Selma Velleman was zeventien toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Ze dook onder en sloot zich aan bij het verzet als de niet-joodse Marga van der Kuit. Ze werd gearresteerd, maar overleefde. Op haar 97e brengt ze in Mijn naam is Selma het relaas van haar bewogen oorlogsjaren. “Ik dacht aldoor: ‘Ik gun die Duitsers het plezier niet om mij kapot te maken.’”

 

“Houd ik mijn jasje aan of trek ik het uit?”, vraagt ze aan de fotograaf. “Lach ik of kijk ik ernstig?” Op 7 juni van dit jaar viert Selma van de Perre, geboren Velleman, haar 98e verjaardag, maar ze lijkt minstens twintig jaar jonger. Ze woont in Londen; voor de voorstelling van haar boek Mijn naam is Selma is ze even in Nederland, in haar geboortestad Amsterdam. Daar zag ze in 1922 het levenslicht als dochter van acteur Barend Velleman en hoedenmaakster Fem Spier. Er waren al twee zonen, Louis en David, en later zou nog een dochter volgen, Clara. Bij de geboorte van Selma woonde de joodse familie Velleman-Spier op de Prinsengracht. Later verhuisden ze naar de wijk De Pijp. Toen WO II uitbrak, was Selma zeventien. In 1942 sloot ze zich onder de naam Margareta, ‘Marga’, van der Kuit als niet-joodse aan bij het verzet. Ze vervalste documenten en koerierde over heel Nederland. In 1944 werd ze door de nazi’s opgepakt en na een verblijf in kamp Vught op transport gezet naar het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück. Haar ouders en zus Clara overleefden de gruwel niet. Tot aan haar bevrijding wist niemand dat Selma joods was. Na de oorlog verhuisde ze naar Engeland waar ze buitenlandcorrespondent werd voor de Nederlandse omroep AVRO en verschillende Belgische kranten. In Londen leerde ze de inmiddels overleden Belgische buitenlandcorrespondent Hugo van de Perre kennen. “Er was maar een smalle gang tussen onze kantoren bij de BBC. We spraken allebei Nederlands en dat schepte een band. Hugo was de enige Vlaamse journalist in die dagen; de anderen waren allemaal Franssprekend. Dus gingen we vaak samen lunchen. Na een paar jaar trouwden we en kregen we een zoon. Hugo’s vader Alfons was volksvertegenwoordiger en stond aan de wieg van de krant De Standaard.”

 

Waarom hebt u zo lang gewacht om dit boek te schrijven?

“Mijn neven zijn in de zeventig. Meer dan tien jaar geleden zeiden ze al: ‘Selma, jij bent de enige van papa’s generatie die nog in leven is. Schrijf je ervaringen op.’ Ze bleven maar zeuren. (lacht) Rond 2004 begon ik dan maar aantekeningen te maken. Maar dat lukte niet zo goed, want ik leidde een druk leven met lesgeven, schilderen en golven. Het was ook niet makkelijk om me die periode opnieuw voor de geest te halen. Ik had die verdrongen.”

 

U was bang voor uw herinneringen?

“Ja. Op een bepaald ogenblik zei mijn neef die professor is: ‘Selma, je moét een boek schrijven. Aantekeningen zijn niet genoeg.’ Hij bleef maar zeuren: ‘Hoe ver ben je?’ Ik had dus geen andere keuze.”

 

In wat voor gezin groeide u op?

“Mijn vader was een heel liberale jood en wij hadden ontzettend veel niet-joodse vrienden. Mijn vriendinnetjes waren bijna allemaal katholiek of protestants. Ik was niet in het geloof opgevoed, niet naar inhoud en ook niet naar vorm. Toen we vanaf 3 mei 1942 als joden de ster moesten dragen, was dat een afschuwelijke ervaring. We mochten geen gebruik meer maken van openbaar vervoer, theaters, hotels, bioscopen, restaurants en zwembaden.”

 

De Amsterdamse joden hadden pas laat door hoe ernstig de toestand was?

“Inderdaad. Lang waren ze ervan overtuigd dat er alleen maar werkkampen waren. Ik herinner me heel goed hoe ze met violen en gitaren in stoet naar het station trokken. Niemand wist dat de nazi’s intussen een machinerie in gang gezet hadden om de joden te vernietigen. De bezetters waren heel slim en deden er alles aan om opstanden te vermijden. Ze richtten een ‘Joodsche Raad’ op en er werden fantasieverhalen de wereld ingestuurd over die werkkampen voor joden.”

 

Uw vader trok nietsvermoedend naar zo’n kamp.

“Wij kregen geen kranten meer, maar wel elke week ‘Het Joodsche Weekblad’, het officiële blad van de Joodsche Raad waarin alle Duitse verordeningen voor de joden werden gepubliceerd. Daar stond in dat vrouw en kinderen vrij zouden zijn als de man ging werken in een kamp in Drenthe. De avond van zijn aankomst werd vader naar doorgangskamp Westerbork gestuurd. Alle vrouwen en kinderen werden opgehaald en op transport gezet. Wij konden de dans toen gelukkig ontspringen. We doken toen ook meteen onder, mijn moeder, mijn zusje en ikzelf. Al wie onderdook, kreeg een nieuw persoonsbewijs dat gestolen was, gevonden of geschonken. Foto’s werden veranderd en er werd een stempel op je eigen foto gezet. In het begin kreeg ik de identiteit van Wilhelmina Buter, een Amerikaanse studente die na de inval van de Duitsers met de laatste boot naar Amerika was vertrokken.”

 

Hoe reageerden uw niet-joodse buren?

“Veel niet-joodse Nederlanders sloten zich aan bij het verzet, maar niet genoeg. In vergelijking met Denemarken en België, zijn er in Nederland té weinig joden gered. Ik bood mezelf bij het verzet aan, om zo anderen te helpen. Ze vroegen me of ik proefkonijn wou zijn voor een nieuw persoonsbewijs. Toen werd ik de niet-joodse Marga van der Kuit.”

 

U was 20 toen u bij het verzet aansloot. Dat is toch heel jong?

“Ik was nog een kind en ontzettend naïef. Ik besefte niet altijd even goed hoe gevaarlijk het was. Zo liep ik gewoon op straat op het moment dat de Duitsers joodse meisjes van mijn leeftijd aan het oppakken waren. Ik heb vaak ontzettend veel geluk gehad. Ook veel oudere verzetslui waren naïef en schatten het gevaar verkeerd in. Nu kennen we de geschiedenis en weten we wat de risico’s waren. Maar op dat moment hadden we daar geen zicht op.”

 

Wat hield uw verzetswerk in?

“In het begin stopte ik verzetsblaadjes in enveloppen. Niet veel later vroegen ze me om koffers vol met pakken met verzetsbladen met de trein naar andere grote steden te brengen. Het ene ondergrondse blad was De Vonk en het andere Trouw.”

 

Als de Duitsers je daarmee oppakten, hing je leven aan een zijden draadje?

“Zeker, maar ik had dat niet door. Ik geloofde in die tijd nog dat alles me kon lukken. De allereerste keer dat ik met een koffer vol verzetsbladen op stap ging, werd ik al aangehouden. Er was controle aan de uitgang van het station van Leiden. Een SS’er vroeg: ‘Wat zit er in die koffer?’ Ik zei: ‘Ondergoed.’ Toen riep hij: ‘Openmaken!’ Ik schrok me dood. In de koffer zaten vijf pakken vol verzetsbladen. Hij keek ernaar en zei: ‘Oké, dichtmaken en doorgaan.’”

 

In juni 1944 werd u gearresteerd.

“Voor ons verzetswerk hadden we onder andere vingerafdrukdoosjes, stempelinktkussentjes en gereedschap om foto’s op de persoonsbewijzen vast te maken. Gevaarlijk materiaal dat ik in een koffer onder mijn bed bewaarde. Verzetsmakker Frans Gerritsen was handig en had me boekenplanken met geheime laatjes voor mijn vervalsingsmateriaal beloofd. Ik ging die ophalen in het huis van Bob Jesse, een andere verzetsmakker. Maar die dag werd Bob gearresteerd door twee agenten van de Grüne Polizei. Ze pakten mij meteen ook op. Ik deed alsof ik enkel op bezoek was. Dat hadden we op voorhand zo afgesproken.”

 

Geloofden ze u?

“Die twee agenten wel. Het waren hele dikke Duitsers. Op weg naar de gevangenis zat ik tussen hen in en ik kon bijna niet bewegen. (lacht) Eerst was ik bang, maar omdat ik zag dat ze me geloofden, verdween de angst. Tot ik ’s anderendaags voor Willy Lages, het hoofd van de Sicherheitsdienst in Nederland moest verschijnen. ‘Was ist das?’, blafte hij. De Duitser die me begeleidde, antwoordde: ‘O, das Mädchen hat nicht damit zu tun.’ Ik voelde meteen een enorme opluchting. Maar Lages zei: ‘Glaub ich nicht.’ De moed zonk me in de schoenen. Ik moest gaan zitten en toch bleef ik glimlachen. Mijn tas werd meegenomen. Ik lachte schaapachtig naar de jongens in militair uniform. Vanbinnen stierf ik. Toen brachten ze mijn tas terug: mijn papieren met mijn niet-joodse identiteit van Marga van der Kuit bleken in orde. Godzijdank. Want het waren echte gemeentedocumenten die we gekregen hadden van ambtenaren die clandestien met ons samenwerkten. De Duitsers stuurden me naar Vught. Mijn kleren werden afgenomen, ik werd in bad gestopt, kreeg een blauwe overal en een blauw hoofddoekje met witte stippen.”

 

U werd beschouwd als politiek gevangene?

“Ja. Ze hebben gelukkig nooit ontdekt dat ik joods ben. Vanuit Vught werden we op transport gezet naar het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück. In vergelijking met Ravensbrück was Vught een sanatorium, terwijl daar ook mensen gemarteld en doodgeschoten werden. Maar in Vught kon je tenminste af en toe douchen en kreeg je eten. Ravensbrück was de hel. We werden ingeschakeld in de oorlogsindustrie, werkten ons te pletter en werden mishandeld. Negen maanden lang probeerde ik te overleven. Ik dacht aldoor: ‘Ik gun die Duitsers het plezier niet om mij kapot te maken.’

“Op 23 april 1945 moesten alle Nederlandse en Belgische vrouwen na het dagelijkse appel naar de hoofdstraat wandelen. We dachten dat ons laatste uur geslagen was. Tot er in de verte een sportauto kwam aanrijden. Een jongeman opende het portier en zei dat hij ons kwam bevrijden. ‘Ik kom uit Zweden’, zei hij. Dat was een surrealistisch tafereel. Hij gaf me een sigaret en een dag later werden we in veiligheid gebracht.”

 

Wanneer wist u wat er met uw familie was gebeurd?

“Van mijn moeder en zusje wist ik het vrij vlug. Ik vond hun namen op de lijsten van vermoorde mensen aan de muur van het gemeentehuis. Mijn broers waren in veiligheid in Engeland en van vader had ik geen nieuws. Ik verhuisde ook naar Engeland en hoopte dat papa door de Russen bevrijd was. Maar een half jaar later kreeg ik bericht van het Rode Kruis dat hij op 7 december 1942 al vermoord was in Auschwitz.”

 

Volgens sommigen leven we terug in de jaren dertig. Vindt u dat ook?

“Dat is iets te sterk. Natuurlijk zijn er opnieuw autoritaire leiders en is het vooral in het Midden-Oosten heel gevaarlijk. Toch hoop ik dat de mensheid haar lesje geleerd heeft. Het enige wat ons kan redden, is tolerantie. Niet voor de volle honderd procent, want heel sterke intolerantie mag je nooit tolereren. Maar we moeten wel zo verdraagzaam mogelijk zijn. Zelfs als je het met iemand oneens bent, moet je toch proberen even in zijn schoenen te gaan staan. En als je er dan toch niet uit raakt, laat je elkaar best met rust. Leven en laten leven, daar geloof ik in.”

 

Selma van de Perre, Mijn naam is Selma, Uitgeverij Thomas Rap, 256 blz., 19,99 euro

(c) Jan Stevens