‘We dreigen onze eigen inefficiënte politiestaat te creëren’

Als officiële terreurwaakhond van Groot-Brittannië weet David Anderson alles over iedereen. ‘Ik lees alle geheime documenten.’ De motor achter radicalisering is volgens hem woede en wrok. ‘Mensen hebben het gevoel dat hen persoonlijk iets is aangedaan en zinnen op wraak.’

Eind 2010 kreeg de Britse topadvocaat David Anderson in zijn kantoor in de Temple-wijk in Londen bezoek van drie vreemdelingen. “Ze maakten mijn medewerkers wijs dat hun werkgever, de minister van Binnenlandse Zaken, beroep wou doen op mijn juridisch advies. Toen ze hier aan tafel zaten, kwam de aap uit de mouw: Binnenlandse Zaken wou dat ik de nieuwe terror watchdog werd.”

UK Independent Reviewer of Terrorism Legislation luidt de officiële titel van terreurwaakhond Anderson. ‘Ik heb toegang tot alles’, zegt hij. ‘Ik mag alle geheime documenten lezen en heb het recht om met iedereen te spreken. Er wordt van mij verwacht dat ik vier keer per jaar verslag aan de regering en het parlement uitbreng over de al dan niet correcte uitvoering van de antiterreurwetten. Ik suggereer dan ook altijd aanpassingen.’

Tot 2011 was Groot-Brittannië het enige land ter wereld met een officiële terreurwaakhond. Sindsdien heeft ook Australië een onafhankelijke toezichthouder op antiterrorismewetgeving. ‘De allereerste Britse Independent Reviewer Lord Edward Shackleton ging aan de slag in 1978’, vertelt Anderson. ‘Hij was de zoon van een befaamd poolreiziger en werd net als ik op een dag op de schouder getikt. Ik denk niet dat ze mijn opvolger op die manier zullen rekruteren, want eigenlijk is het te gek voor woorden om zomaar iemand ‘van straat’ te plukken en hem vervolgens alle geheimen te laten lezen. In de jaren zeventig kon dat wel omdat terrorisme nog in de kinderschoenen stond. Onze allereerste antiterreurwet dateert van toen. Die kwam er naar aanleiding van IRA-bomaanslagen in pubs in Birmingham en Guildford.’

De terror watchdog kwam er omdat het parlement vond dat de regering naar aanleiding van de IRA-terreur iets te drastisch vrijheden begon te beknotten?

DAVID ANDERSON: Sommigen maakten zich daar zorgen over en dat bleek achteraf terecht. Dus drong het parlement aan dat er een onafhankelijke toezichthouder kwam die inzage had in de geheimen en aan de volksvertegenwoordigers kon rapporteren.

U moet onafhankelijk zijn, maar u hebt ongetwijfeld een politieke overtuiging?

ANDERSON: Niemand kent die en ik heb geen partijkaart. Wat me echt onafhankelijk maakt, is dat ik als advocaat lid ben van de balie van Engeland en Wales. Mijn toekomst ligt aan de balie en niet bij de overheid. Ik heb er geen enkel belang bij om vriendelijk of onvriendelijk te zijn tegen om het even welke politicus.

Is na de aanslagen van 9/11de antiterreurwetgeving drastisch veranderd?

ANDERSON: In Groot-Brittannië niet, want we hadden in 2000 net een nieuwe antiterreurwet gestemd. Daar was een paar jaar lang in het parlement heel zorgvuldig over gedebatteerd. Na 9/11 is onze wet gekopieerd door Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en gold hij als voorbeeld voor de Europese Unie.

De Terrorism Act 2000 vertrekt vanuit de vaststelling dat terrorisme een specifiek misdrijf is dat aparte regelgeving vereist. Terrorisme is potentieel zo gevaarlijk dat de autoriteiten wel moeten tussenkomen voor het echte misdrijf is gepleegd. Als iemand kunstmest, waterstofperoxide en een timer koopt, kan de politie niet bewijzen dat de man in kwestie een bomaanslag zal plegen, maar kan ze waarschijnlijk wel bewijzen dat het voorbereidende daden zijn om een bom ineen te knutselen. Dus kan die man gearresteerd worden, en als een jury hem schuldig acht, belandt hij in de cel.

Na 9/11 werd de wet geamendeerd waardoor er een controversieel aspect bijkwam: ministers kregen de mogelijkheid om de financiën te bevriezen van vermeende terroristen met een blanco strafblad. Nog controversiëler was het systeem van control orders: het ministerie van Binnenlandse Zaken kon een vermeende terrorist beperkingen opleggen zonder dat er een rechter aan te pas kwam. De vermeende terroristen kregen een contactverbod opgelegd, moesten verhuizen en een enkelband dragen. De wet werd verstrengd na de aanslagen op het openbaar vervoer hier in Londen op 7 juli 2005. Tot 2007 werden er heel wat aanslagen gepleegd én verijdeld, maar daarna werd het relatief rustig. De nieuwe coalitieregering van conservatieven en liberaal-democraten pleitte daarom na de verkiezingen van 2010 voor minder antiterreurwetten.

Minder? Zijn de conservatieven niet juist meer geobsedeerd door veiligheid?

ANDERSON: De Tories reageerden op het beleid van de vorige Labour-regering die volgens hen te veel wetten had ingevoerd en een ‘nanny state’ had gecreëerd. Tussen 2010 en 2014 werden de harde antiterreurwetten geliberaliseerd. Zo had de politie onder Labour de macht om mensen op straat ‘zomaar’ te fouilleren. In 2009 alleen al werd daar liefst 250.000 keer gebruik van gemaakt. Agenten mochten echt iedereen op straat, in de metro of op de trein tegenhouden. De huidige regering heeft die wet afgeschaft. Ze heeft ook meer beperkingen ingevoerd op het onder supervisie houden van mensen met terroristische sympathieën.

Hebt u die liberaliseringen geadviseerd?

ANDERSON: Ik steunde ze. Een aantal keer heb ik geadviseerd om sommige wetten nog meer te liberaliseren en vaak werd ik ook door de regering gevolgd. Eén liberalisering vond ik dan weer té ver gaan. Controlebevelen zijn nu vervangen door ‘TPIM’, wat staat voor Terrorism Prevention and Investigation Measures. Dat zijn maatregelen die door het ministerie van Binnenlandse Zaken opgelegd kunnen worden aan mensen die verdacht worden van aan terrorisme gelinkte activiteiten. Met de vroegere controlebevelen konden mensen verplicht worden om honderden kilometers van hun thuisstad te gaan wonen. Toen die bevelen eind 2011 ingeruild werden voor TPIM werd de mogelijkheid tot verplichte relocatie afgevoerd. Dat was een vergissing. Want de meeste terreursympathisanten wonen in Londen en van zodra ze uit de bak komen, gaan ze lustig verder met het smeden van plannen met hun stads- en geestesgenoten. Daarom heb ik de regering onlangs voorgesteld om relocatie terug mogelijk te maken.

U hebt toegang tot alle informatie, ook van de geheime diensten MI5 en MI6. Hoe werkt al die kennis in op uw gemoedstoestand?

ANDERSON: Voor ik met deze job begon, wist ik niet of er een reële bedreiging was of dat sommigen ons verhalen op de mouw probeerden te spellen om ons bang te maken. Want veel mensen hebben belang bij onze angst. Niet alleen politici, ook bedrijven die hun beveiligingsspullen willen verkopen, academici die thesissen over terrorisme schrijven en filmmakers die willen dat je naar prenten als Zero dark thirty gaat kijken. Ook journalisten teren op de verspreiding van angst. (lachje) Soms lijkt het alsof de journalist en de terrorist gelijklopende belangen hebben, want ze kicken allebei op het woord ‘terreur’ in vette letters op de frontpagina. Ik was heel sceptisch voor ik met dit werk begon, maar moest jammer genoeg vaststellen dat de dreiging reëel is. Een aanslag is zeer waarschijnlijk. Naast het jihadisme hebben wij hier in Groot-Brittannië natuurlijk ook nog een ander terrorismeprobleem: Noord-Ierland.

Daar heerst na het Goede Vrijdagakkoord uit 1998 toch vrede?

ANDERSON: Er is een vredesakkoord, maar zowel bij jullie als hier in Engeland lijkt niemand te weten dat er tot op de dag van vandaag in Noord-Ierland mensen in aanslagen sterven. De vroegere strijdende partijen hebben een overeenkomst gesloten en delen de politieke macht, maar er zijn nog steeds gewelddadige dissidente republikeinen en loyalisten actief die elk jaar dozijnen bomaanslagen plegen. In 2013 lieten extremistische katholieken 73 bommen ontploffen en openden ze 48 keer het vuur. De loyalisten voerden 43 paramilitaire aanslagen uit. De slachtoffers zijn meestal agenten. Alleen Noord-Ierse media berichten daarover.

Uit ‘ons’ Noord-Iers terrorisme hebben we veel geleerd. Begin jaren zeventig stond het op zijn hoogtepunt: in 1972 stierven door de terreur 500 mensen. De regering reageerde ferm door republikeinen te interneren. Ze haalde honderden katholieken van straat en sloot ze op. Dat beleid werd snel stopgezet, maar in Noord-Ierland leeft die internering nu nog. Ik kan u er vers geschilderde graffiti tonen waarop staat: ‘Stop de internering nu’, terwijl dat de voorbije 45 jaar geen enkele keer meer gebeurd is. De herinnering aan de gruwel van de internering wordt nog steeds misbruikt om de wrok bij jonge mensen te voeden. Het slechtst mogelijke scenario is dus dat het antwoord van een regering op terrorisme zo repressief wordt, dat de terroristen er nog meer jongeren door kunnen rekruteren. Al is repressie natuurlijk nodig. Een islamist vindt trouwens altijd wel een aanleiding om wrokkig te zijn. Een gewelddadige salafist zal jonge mensen niet kwaad krijgen door over de Terrorism Act 2000 te oreren want dan predikt hij ze in slaap. Hij zal wel afschuwelijke dingen vertellen over Tony Blair, George Bush en Guantanamo.

Anjem Choudary, de in Londen residerende geestelijke leider van Fouad Belkacem, verwerpt de democratie, zingt de lof van de Islamitische Staat, toont jongens de weg naar Syrië en wordt al jaren door de Britse overheid geen strobreed in de weg gelegd. Hoe verklaart u dat?

ANDERSON: Groot-Brittannië heeft een sterke traditie van vrijheid van meningsuiting, maar misschien is de kritiek wel terecht dat we te toegeeflijk zijn aan mensen die de vrije meningsuiting willen vernietigen en de democratie ten gronde willen richten. In de jaren negentig hadden de Fransen het over ‘Londonistan’. In moskeeën die gefinancierd werden met Saoedisch geld konden notoire radicale predikers zoals Abu Hamza en Abu Qatada hun boodschap van haat verspreiden. Zij waren zo extremistisch dat ze zelfs niet welkom waren in Noord-Afrika of het Midden Oosten.

De toenmalige premier Tony Blair verwelkomde hen wel met open armen?

ANDERSON: Je kunt dat op zijn account schrijven, maar ook op het imago dat de Britten van zichzelf hebben. Ons land was ook een veilige haven voor de Hugenoten en de Joden. Voor tolerante Europeanen is het soms moeilijk te vatten hoe intolerant anderen kunnen zijn. We hebben het zelfs moeilijk met de vaststelling dat er limieten zijn aan tolerantie en dat je intolerantie niet mag tolereren. Een man als Anjem Choudary is een meester in het verkennen van de grenzen. Hij heeft talloze organisaties op zijn naam staan die allemaal verboden zijn en nogal wat leden van zijn clubs zitten in de cel. Anjem is een slimme kerel, hij heeft zelf rechten gestudeerd. Met onze huidige wetten kunnen we hem niet vervolgen. De Tories hebben beloofd dat ze bij een herverkiezing in mei strengere wetten zullen laten stemmen om haatpredikers het zwijgen op te leggen. Hun coalitiepartner de LibDems stelden daar in de voorbije legislatuur hun veto tegen.

Volgens hardnekkige geruchten is Choudary een informant van de binnenlandse inlichtingendienst MI5, en is dat de ware reden waarom hij met rust gelaten wordt.

ANDERSON: Daar kan ik geen commentaar op leveren. Kijk, er lopen verschillende verhalen over verdoken ‘samenwerking’ tussen de Britse regering en islamisten. Zo zou Abu Hamza in opdracht van de regering onderhandeld hebben over de vrijlating van een gijzelaar in Noord-Afrika. Het lijkt me vanzelfsprekend dat MI5 met allerlei mensen praat.

U weet welke ‘gesprekspartners’ ze ook effectief inhuren?

ANDERSON: (ontwijkend) Ik spreek vaak met mensen van MI5. Een paar dagen geleden zat grote baas Andrew Parker alias ‘C’ nog op uw stoel. MI5 levert uitstekend werk, alleen kunnen ze niet alles op tijd onderscheppen. De geheime dienst beschouwt een paar duizenden mensen in dit land als ‘subjecten die hun aandacht verdienen’. De meesten zijn radicale moslims. De Woolwich-moordenaars, Michael Adebolajo en Michael Adebowale waren bekend bij MI5. Islamisten en jihad-sympathisanten praten graag over acties, alleen blijft het meestal bij woorden. De moeilijkheid is om in te schatten wie zijn woorden zal omzetten in daden. Het is gewoon een feit dat MI5 beperkte middelen heeft, waardoor ze prioriteiten moeten stellen. Meestal hebben ze het bij het rechte eind, maar soms gaat het fout en volgt er een aanslag.

Vindt u dat er te weinig geld naar de veiligheidsdiensten gaat?

ANDERSON: Of ze al dan niet voldoende geld krijgen, hangt af van hoe je tegenover risico staat. Als een overheid wil garanderen dat geen enkele burger slachtoffer van terrorisme wordt, moet er gigantisch veel geïnvesteerd worden in het rekruteren van nieuwe spionnen, scanners en beveiligingsagenten. We komen daardoor ongetwijfeld in een veiliger wereld terecht, maar zullen we al die maatregelen blijven tolereren? Ikzelf hoop eerlijk gezegd van niet. In de jaren tachtig explodeerden er in Londen veelvuldig IRA-bommen. Een vriend van mij was in december 1983 een van de slachtoffers van een bomaanslag op het grootwarenhuis Harrods. In 1996 ontplofte er een bom hier vlakbij. We raakten daaraan gewend en een IRA-bomaanslag werd een aanvaard risico. Na 9/11 hebben we onder invloed van Amerika een zero-risico-mentaliteit gekweekt. Ik betwijfel of dat zo verstandig is. We aanvaarden dat er geen zero-risico bestaat voor georganiseerde misdaad, kindermisbruik, mensensmokkel en verkeersongevallen. Voor zowat alles aanvaarden we dat er af en toe iets fout kan gaan, behalve voor terrorisme. Dat kan leiden tot het op grote schaal verkeerd inzetten van onze middelen, verwaarlozen problemen die potentieel veel gevaarlijker zijn en creëren zo onze eigen inefficiënte politiestaat.

Onze minister van Binnenlandse Zaken heeft de macht om het paspoort van potentiële Syriëstrijders in te trekken. Is dat een goede maatregel?

ANDERSON: Ik vind dat best nuttig, omdat de politie zo de kans krijgt om die jongens grondig te ondervragen. Een paar weken geleden voerde de Britse regering een gelijkaardige maatregel in: paspoorten kunnen twee weken lang in beslag genomen worden, waarna de rechter die inbeslagname kan verlengen tot een maand. Zo’n inbeslagname kan natuurlijk ook averechts werken. Michael Zehaf-Bibeau, de man die in oktober vorig jaar een soldaat aan het Canadese parlement in Ottawa doodschoot, was gefrustreerd omdat zijn paspoort in beslag was genomen waardoor hij niet naar Syrië kon reizen. Onze spionnen proberen voortdurend in te schatten of zo’n jihadist in spe gevaarlijker is thuis of in het verre buitenland.

Is ons grootste probleem niet dat we eigenlijk niet weten hoe we de radicalisering moeten tegengaan?

ANDERSON: Dat is zo. Niemand weet het. De Britse overheid heeft tot hiertoe twee manieren uitgeprobeerd om radicalisering te tackelen. Tot aan de verkiezingen van 2010 financierde de regering radicale, antidemocratische groepen. Die organisaties waren gekant tegen al onze waarden, maar werden toch gesubsidieerd omdat de Labour-regering geloofde dat ze alleen zo het islamisme kon controleren. De huidige regering doekte meteen na haar machtsovername alle fondsen voor extremistische groepen op. Het lijkt een verstandige keuze om alleen organisaties van gematigde moslims te ondersteunen die ook ‘onze’ doelstellingen nastreven, maar het grote probleem is dat de islamisten nu vrij spel hebben en gesubsidieerde moslimorganisaties weg kunnen zetten als collaborateurs en ‘valse moslims’.

Het blijft moeilijk om op tijd sporen van radicalisering bij jongeren op te merken en tegen te gaan. ‘Onze’ 7/7-terroristen kwamen uit een echt getto, Beeston bij Leeds. Vier jonge moslims, geboren en getogen in Engeland, die alleen andere Pakistani kenden. Een van hen speelde de dag voor de aanslag nog cricket in een Pakistaans team. Ze groeiden op zonder voeling met de democratische samenleving waar ze deel van hadden moeten uitmaken.

Toch niet alle geradicaliseerde jongens stammen uit getto’s?

ANDERSON: Nee, zeker niet. De belangrijkste reden waarom jonge mensen radicaliseren, is wrok: ze hebben het gevoel dat hen iets is aangedaan en zinnen op wraak. Misschien werden ze afgeranseld door vader of moeder, maar het kan ook dat ze afknapten op Tony Blair. In 2010 pleegde de toen eenentwintigjarige Roshonara Choudhry een aanslag op een volksvertegenwoordiger. Ze was een briljante studente maar kocht op een dag twee messen, stapte naar het spreekuur van Labour-volksvertegenwoordiger Stephen Timms en stak hem in zijn buik. Timms had geluk en overleefde de aanslag. Roshonora bekende meteen en vertelde aan de politie haar motivatie. Toen ze 15 was, zat ze op een middelbare school in de Londense wijk Tower Hamlets. Met de klas reisde ze naar het parlement om daar te leren hoe democratie werkt. De leerlingen ontmoetten er hun volksvertegenwoordiger: Stephen Timms. Roshonara vertelde aan haar ondervragers hoe een meisje uit haar groep steeds weer aan Timms bleef vragen: ‘Hebt u voor de oorlog in Irak gestemd?’ Uiteindelijk antwoordde hij: ‘Ja.’ Roshonara zei tegen de politie: ‘Ik schaamde me in de plaats van dat meisje omdat ze zo bleef drammen. Maar later begon ik erover na te denken en besefte ik dat ze gelijk had. Want waarom had hij voor die oorlog gestemd?’ Toen ontdekte ze op het internet de preken van Al Qaeda-ideoloog Anwar al-Awlaki en radicaliseerde zo zichzelf. Zij is trouwens zowat de enige die zichzelf online radicaliseerde, meestal is er iemand uit de ‘echte wereld’ bij betrokken. Bij de radicalisering van Anders Breivik speelde de ultraslechte band met zijn moeder de hoofdrol. De extreemrechtse ideologie volgde pas later. Het belang van persoonlijke trauma’s in radicalisering mag echt niet onderschat worden. Ik lees alle verslagen van de telefoongesprekken van die kerels of van de gesprekken die opgenomen worden in hun flat. Ze praten niet de hele tijd over de koran, maar ook over meisjes en voetbal. Als ze terugkeren uit Syrië en in de cel zitten, ga ik ze opzoeken. Op veel vlakken zijn het gewone Londenaars, gasten met wie je een praatje slaat terwijl je op de bus wacht.

U zei daarnet dat bij hun radicalisering bijna altijd iemand anders betrokken is.

ANDERSON: Ja. We mogen de invloed van leiders zoals Anjem Choudary en Fouad Belkacem niet onderschatten. Een minder bekende, maar minstens even belangrijke figuur is Moazzam Begg. Hij zat opgesloten in Guantanamo en werd na zijn vrijlating directeur van CAGE, een ngo die beweert mensenrechten van gevangen moslims te verdedigen. Ik heb Begg ontmoet toen hij vorig jaar in de cel zat op beschuldiging van het organiseren van een trainingskamp en het financieren van Syriëstrijders. De man heeft charisma en is zeer invloedrijk. In de jaren negentig zat hij ‘toevallig’ in Bosnië en in 2001 ‘toevallig’ in Afghanistan. Vorig jaar reisde hij ‘toevallig’ naar Syrië. Niemand kan bewijzen dat hij op al die reizen iets verkeerd deed, maar hij is wel uitgegroeid tot een mystieke figuur voor jonge moslims. Je kunt niet stellen dat hij met zijn organisatie CAGE de radicale ideeën van jihadi’s die in de gevangenis zitten, open en bloot promoot, maar soms is de lijn flinterdun, zeker als je weet dat veel van de figuren die hij verdedigt geen sikkepit geven om mensenrechten. Amnesty International raakte intern zwaar verscheurd door haar samenwerking met CAGE. Moazzam Beggs antidemocratische uitspraken en zijn dedain voor vrouwen- en homorechten zorgde al van in 2010 voor zwaar protest binnen Amnesty. Op 12 maart van dit jaar besliste de organisatie om alle banden met CAGE door te knippen.

U knipt geen banden door en blijft praten met iedereen?

ANDERSON: Ja. Ik voer nu een diepgaand onderzoek naar het blokkeren van financiële middelen. Ik luister niet alleen naar de motieven van MI5, maar ook naar de mensen die zo’n maatregel moeten ondergaan. Ik wil weten hoe het voelt om te moeten leven met ‘bevroren geld’ en wat dat betekent voor de andere leden van een gezin. Zo’n maatregel kan best efficiënt zijn in de strijd tegen terreur, maar het kan nooit de bedoeling zijn dat mensen daardoor het aureool van martelaar krijgen.

© Jan Stevens

Advertenties

“Ooit zullen we met IS moeten praten”

Jonathan Powell onderhandelde als kabinetschef van Tony Blair rechtstreeks met de leiders van het IRA en stond zo aan de wieg van de vrede in Noord-Ierland. “Tijdens die gesprekken heb ik geleerd dat we altijd met terroristen moeten praten. Ook met IS en met Al-Qaeda.”

Jonathan Powell (1956) was van mei 1997 tot juni 2007 kabinetschef van de toenmalige Britse premier Tony Blair. “Ik was een medestander van Tony vanaf de dag dat hij in 1994 leider van Labour werd”, zegt hij. “Eerst was ik zijn stafchef. In 2007 nam ik samen met hem afscheid van Downing Street 10. Hij verdween door de voordeur, ik glipte weg langs de achterdeur.”

Vandaag is Powell CEO van Inter Mediate, een in het hart van Londen gevestigde NGO die achter de schermen bemiddelt met terreurorganisaties overal ter wereld. Tijdens Blairs regeerperiode ontpopte kabinetschef Jonathan Powell zich tien jaar lang tot toponderhandelaar met het IRA. Hij werd een van de architecten van het Goede Vrijdagakkoord uit 1998 dat de basis legde voor vrede in Noord-Ierland. Over zijn ervaringen als onderhandelaar schreef hij Talking to terrorists, waarin hij de stelling verdedigt dat we bereid moeten zijn te praten met alle terroristen, inclusief de jihadi’s van Islamitische Staat (IS) en Al-Qaeda.

“Dat besef is de voorbije dertig jaar gegroeid”, zegt hij. “Voor ik bij Tony Blair begon te werken, wou ik nooit met terroristen praten, zeker niet met die van het IRA. Mijn vader was als officier aan het begin van de Tweede Wereldoorlog gekazerneerd in de buurt van Belfast. In 1940 werd hij door het IRA in een hinderlaag gelokt en kreeg hij een kogel door een oor. Mijn oudste broer Charles was acht jaar lang privésecretaris van Margaret Thatcher. Heel die periode stond hij op de dodenlijst van het IRA. Toen ik de IRA-leiders Gerry Adams en Martin McGuinness in 1997 voor het eerst ontmoette, weigerde ik hen de hand te schudden. Tony schudde dan weer probleemloos en nonchalant elke hand die hem toegestoken werd.”

U verafschuwde het bloed dat aan Adams en McGuinness hun handen kleefde?

Jonathan Powell: Ja. Maar tijdens de onderhandelingen raakte ik ervan overtuigd dat we met terroristen zoals zij moéten praten. Alleen door te dialogeren, kunnen we hen ervan overtuigen dat ze hun wapens moeten neerleggen. Gesprekken met terreurgroepen lukken alleen als ze een min of meer brede politieke steun onder een deel van de bevolking genieten. Niet alle terroristische organisaties hebben zo’n ruggensteun, denk maar aan het Amerikaanse Symbionese Bevrijdingsfront uit de jaren zeventig; dat was een club zonder achterban. Het IRA had wel een grote groep mensen die in de organisatie geloofde. Zelfs op het toppunt van de Troubles haalde Sinn Féin, de partijpolitieke spreekbuis van het IRA, in Noord-Ierland een derde van de katholieke stemmen.

In zijn memoires schrijft Tony Blair dat hij zich niet meer kon herinneren waarom u in 1997 tot toponderhandelaar met het IRA gebombardeerd werd.

Powell: Voor ik Tony’s kabinetschef werd, werkte ik een tijd als diplomaat op de Britse ambassade in Washington. Ik had veel unionistische politici de weg in de regering van president Bill Clinton gewezen en zij vertrouwden me. Mijn job als onderhandelaar onder Blair is daar bijna organisch uit gegroeid. Later ben ik heel voorzichtig vertrouwen bij de republikeinen van het IRA beginnen opbouwen. Ik heb er nu trouwens spijt van dat ik op die eerste ontmoeting met Adams en McGuinness hun uitgestoken handen negeerde. Na dat allereerste gesprek ging ik samen met Blair wandelen in een shoppingcenter in het protestantse Oost-Belfast. Er kwam een groep boze oma’s rond ons staan en ze gooiden rubberen handschoenen naar Tony. “Willen ze dat ik de afwas doe?”, vroeg hij me verbaasd. Ik legde hem uit dat ze vonden dat hij best rubberen handschoenen kon aantrekken om met moordenaars te gaan praten, alleen zo kon hij zijn handen proper houden.

U was het toen met die oude protestantse dames eens?

Powell: Toen wel, ja. Drie dagen na die eerste ontmoeting met de IRA-leiders kreeg ik telefoon van Martin McGuinness. ‘Kom incognito naar Noord-Ierland, zonder al die ‘securocraten’’, zei hij. Ik vroeg aan Tony wat ik moest doen. ‘Ga’, antwoordde hij. Ik reisde naar Belfast, nam een taxi naar Derry en ging op de afgesproken straathoek staan wachten. Ik voelde me alsof ik een spion van het zevende knoopsgat was. Twee skinheads stapten op me af en duwden me op de achterbank van een taxi. Een uur lang lieten ze de chauffeur door de straten van Derry rijden tot ik gedesoriënteerd was. Ze stopten aan een klein huis. Ik klopte aan en Martin McGuinness verscheen op krukken in de deuropening. Hij maakte een wansmakelijke ‘grap’ over kneecapping, de gruwelijke manier waarop het IRA ‘een verrader’ straft door met een pistoolschot diens knieschijven te verbrijzelen. Drie uur lang zat ik met McGuinness aan het knetterende haardvuur, de eigenares van het huis was op stap en had thee en sandwiches achtergelaten. We praatten over hoe de Britse regering de gesprekken tussen republikeinen en unionisten best zou aanpakken. Eigenlijk deden we niets anders dan aftasten welk vlees we in de kuip hadden. In de loop van dat gesprek begon ik te beseffen dat het belangrijk was dat ik meeging in de manier waarop McGuinness de hele onderhandelingsagenda naar zijn hand probeerde te zetten. In dat huis in Derry raakte ik er snel van overtuigd dat onderhandelingen op plaatsen zoals Downing Street 10 of op Stormont Castle in Belfast geen lang leven beschoren zouden zijn. De volgende tien jaar reisde ik bijna wekelijks naar Derry of Belfast om daar in een safe house Adams of McGuinness te ontmoeten. Een van mijn teamgenoten was Peter Sheridan, op dat moment de hoogste katholieke politieman in Noord-Ierland. Hij had twee aanslagen van het IRA overleefd: twee keer hadden ze in Derry geprobeerd om zijn auto op te blazen. Zijn passagiers waren telkens dood, hij overleefde. Ik moest hem handen laten schudden met McGuinness, de commandant van het IRA in Derry. Peter deed dat zonder verpinken.

U gaf McGuinness de macht over de onderhandelingsagenda om zo zijn vertrouwen te winnen?

Powell: Ja, maar dat was maar een eerste stap. Vertrouwen krijg je niet met een vingerknip, dat moet je langzaam veroveren. Wat ik in Noord-Ierland geleerd heb, is volgens mij algemeen toepasbaar op de manier waarop we terroristen van allerlei pluimage moeten aanpakken. Als je terugkijkt naar de geschiedenis van het terrorisme van de voorbije dertig jaar, kun je niet anders dan concluderen dat alleen praten tot oplossingen geleid heeft. Telkens wanneer een nieuwe terreurgroep van wal steekt, roepen we stoer: ‘We zullen nooit onderhandelen’, waarna we hen met politiegeweld bekampen. Na verloop van tijd schakelen we het leger in en drijven we de repressie tot het maximum op. Vaak nemen we onze toevlucht tot illegale middelen en huren we paramilitaire groepen in die aan de democratische controle ontsnappen. Spanje had zijn Grupos Antiterroristas de Liberación (GAL), paramilitairen die ETA-leden zonder vorm van proces afknalden. Bij ons werkte het Britse leger nauw samen met Noord-Ierse loyalistische killers. In een democratie is dat soort van vuile oorlog altijd tot mislukken gedoemd.

In een dictatuur heeft repressie meer succes?

Powell: Ja. De voorbije jaren dwong de Tsjetsjeense alleenheerser Ramzan Kadyrov met steun van Vladimir Poetin de rebellen op de knieën. Dictators zoals Kadyrov hebben een groot ‘voordeel’: ze kunnen alles en iedereen met fors geweld onder de knoet houden. Een man als Stalin smoorde alle verzet in de kiem door hele bevolkingsgroepen te deporteren. Alleen lost repressie op termijn niets op. Het probleem wordt tijdelijk bevroren en van zodra het ontdooit, is het verzet heviger dan ooit tevoren. Het einde van de Sovjetunie betekende niet voor niets meteen de start van oorlogen zoals die in Tsjetsjenië. Hafiz al-Assad, de vader van de huidige Syrische president Bashar, dacht dat hij in 1982 voorgoed met de oppositie afgerekend had nadat hij tienduizend moslimbroeders had laten vermoorden. Maar ‘het probleem’ stak tientallen jaren later heftiger dan ooit terug de kop op. Een politiek probleem kan alleen op politieke wijze opgelost worden.

Het IRA en de ETA streefden naar onafhankelijkheid. Daar kunnen ‘politieke oplossingen’ voor onderhandeld worden. Geldt dat ook voor IS of Al-Qaeda? Zij willen niets meer of minder dan de vernietiging van de democratie, het einde van de mensenrechten en de invoering van de sharia.

Powell: Elke keer wanneer we kennismaken met een nieuwe terreurgroep, vinden we hun programma compleet onaanvaardbaar en absoluut te bestrijden. Het IRA hield een geweer tegen de slaap van de Britse regering en eiste de hereniging van Noord-Ierland bij Ierland. Dat was totaal onrealistisch. Praten met terroristen wil niet zeggen dat je het met hen eens bent of hen onvoorwaardelijk gelijk geeft. Wie terroristen hun zin geeft, keert van een kale reis terug, zoals de Britse premier Chamberlain ondervond toen hij in 1938 met het Verdrag van München Hitler wou paaien. Wij hebben met het IRA niet de hereniging met Ierland onderhandeld. Het Verenigd Koninkrijk bleef integraal overeind, alleen werden er nieuwe afspraken gemaakt over het delen van macht, over de erkenning en het gebruik van de Ierse taal en over respect voor de mensenrechten.

Niemand zal het in zijn hoofd halen om met IS te gaan praten over de installatie van het kalifaat; op dit moment is trouwens niemand bereid om wat voor onderhandelingen dan ook met de organisatie op te starten. Maar we zullen IS nooit verslaan met louter militaire middelen, want ze hebben onmiskenbaar een ruime politieke achterban. Dat blijkt ook uit het feit dat ze met amper duizend strijders de Irakese stad Mosoel hebben kunnen veroveren. Ooit zullen we dus wel met hen moeten praten. Ik pleit er niet voor om hier en nu contact met Abu Bakr al-Baghdadi te zoeken, maar we moeten ons op dit moment wel afvragen hoe we gesprekken met IS ooit zullen aanpakken. Als we een goede uitgangspositie voor die onderhandelingen willen bemachtigen, hebben we nu niet alleen nood aan bombardementen op IS-doelwitten in Syrië en Irak, maar ook aan grondtroepen.

Dat zullen dan toch geen westerse troepen zijn?

Powell: Nee, en ook de Koerdische en de sjiitische milities zullen in hun regio’s blijven. We moeten dus op zoek naar soennitische soldaten die bereid zijn om in soennitisch gebied de wapens tegen IS op te nemen. Een militaire strategie alleen is niet voldoende: we moeten ook nadenken over hoe we de onderliggende politieke problemen in Irak en Syrië zullen aanpakken. Waarom steunen zoveel mensen IS? Omdat de soennieten in Irak extreem slecht behandeld werden door het vorige sektarische sjiitische bewind onder Maliki.

Is dat in de eerste plaats niet de fout en verantwoordelijkheid van het Westen?

Powell: Zonder twijfel. We trokken onze troepen terug uit Irak en lieten de boel over aan Maliki zonder zelfs een nederig verzoek tot hem te richten om met de soennieten te gaan praten. Hij heeft hen op een walgelijke manier misbruikt en aan de kant gezet, met als gevolg dat veel soennieten nu IS toejuichen. We mogen die toestand niet verder laten etteren en moeten proberen om die Irakezen terug te winnen die geen radicale moslims zijn en toch IS steunen. Velen waren lid van Saddam Hoesseins Ba’ath-partij of bekleedden een belangrijke positie in zijn leger. Vervolgens moeten we een eerste kanaal proberen installeren waarlangs we kunnen communiceren met IS om het pad zo te effenen voor onderhandelingen. In Noord-Ierland openden we ons allereerste verbindingskanaal met het IRA in 1972.

Wat wil zeggen dat praten met terroristen ontzettend lang duurt eer het iets oplevert?

Powell: Inderdaad. Het hoeft geen dertig jaar te duren voor we echt met IS zullen onderhandelen, maar zolang er geen kanaal geopend is, missen we alle kansen.

Zo’n kanaal is er nu niet?

Powell: Nee. Het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) is bij mijn weten de enige organisatie die contact met IS heeft. Ik geloof niet dat er momenteel ook maar één regering ter wereld is die praat met leidinggevenden binnen IS. Regeringen komen altijd te laat tot het besef dat zo’n kanaal nut heeft. Het gevolg is dat veel mensen onnodig sterven.

Ik heb ook geen aanwijzingen dat we ondertussen een kanaal met Al-Qaeda hebben. Zowel bij Al-Qaeda als bij IS moeten we zo snel mogelijk zo’n verbindingskanaal openen. Misschien zal dat dan binnen vijf jaar een vertrekpunt voor gesprekken zijn, als de militaire toestand op het terrein zo geëvolueerd is dat iedereen bereid is tot praten. In Zuid-Afrika werd tijdens de apartheid in de jaren tachtig door de National Intelligence Service (NIS) het eerste kanaal opgestart. Niel Barnard, de toenmalige baas van de geheime dienst, zocht rechtstreeks contact met Nelson Mandela in de gevangenis. Van daaruit zijn alle latere onderhandelingen tussen het Zuid-Afrikaanse bewind en het ANC gestart.

Op het einde van de gesprekken moeten er ook nog leiders zijn die het aandurven om akkoorden met terroristen te ondertekenen.

Powell: Op het einde heb je inderdaad sterke leiders nodig. Als die er niet zijn, worden alle gesprekken zinloos. In Noord-Ierland hadden we geluk met Tony Blair en de Ierse premier Bertie Ahern. Daarnaast hadden we ook sterke leiders in de unionistische partijen met Ian Paisley en David Trimble en sterke katholieke leiders met Adams en McGuinness. In zijn Memoires beschuldigt Tony Blair mij ervan dat ik gezegd zou hebben dat hij aan een ‘messiascomplex’ lijdt. In werkelijkheid was het wijlen Mo Mowlam, op dat moment minister van Noord-Ierland, die vond dat Blair zich tijdens de onderhandelingen gedroeg alsof hij Jezus was. Ze had gelijk: belangrijke leiders geloven graag dat zij de enigen zijn die oplossingen voor grote problemen kunnen aanleveren. Vaak lukt hen dat nog ook: de apartheid in Zuid-Afrika was nooit verdwenen zonder de sterke leiders Nelson Mandela en Frederik Willem de Klerk. Het helpt als de belangrijkste tegenpolen radicale diehards zijn. Extremisten zoals Ian Paisley en Gerry Adams maakten de meest bindende afspraken. Niemand durfde hen aan te vallen, want zij vertegenwoordigden de uitersten.

Stond u als kabinetschef van Tony Blair in 2003 achter de invasie in Irak?

Powell: Ja. Ik ben medeverantwoordelijk voor de oorlog in Irak en ook voor de oorlogen in Kosovo, Sierra Leone en Afghanistan. Ik blijf er van overtuigd dat oorlog niet altijd verkeerd is.

U was ook medeverantwoordelijk voor de valse aanleiding voor de invasie in Irak: de fabel over de massavernietigingswapens van Saddam Hoessein?

Powell: Er loopt nog steeds een onderzoek naar de invasie in Irak, het laatste woord is daar lang niet over gezegd. We kennen nu allemaal de ‘ware toedracht’ over de massavernietigingswapens van Saddam. Maar wij geloofden écht dat hij die wapens had, daarom ook zijn we Bagdad al in 1998 samen met Bill Clinton beginnen bombarderen. Saddam had niet voor niets de wapeninspecteurs buiten gegooid. Sommigen suggereren dat we bewust leugens rondbazuinden, maar ik verzeker u met de hand op het hart: we geloofden rotsvast dat hij ze had. Binnenkort publiceert een FBI-agent een boek over de ondervragingen van Saddam Hoessein. Daaruit blijkt dat Saddam maar wat graag die mythe over de massavernietigingswapens mee in stand hielp houden. Hij wou niet in het openbaar verklaren dat hij die wapens niet had omdat hij bang was dat hij daardoor kwetsbaar zou worden voor Iran en zijn andere vijanden. Hij heeft dus tot het bittere einde blufpoker gespeeld.

Volgens velen ligt de invasie aan de basis van de huidige ellende met IS.

Powell: (aarzelt) De oorlog in Irak is niet op een goede manier geëindigd. Maar ik aanvaard niet dat de invasie als de start van de miserie naar voor geschoven wordt. In Syrië hebben we niet ingegrepen en op veel kortere tijd zijn daar meer dan twee keer zoveel doden gevallen als in Irak. Syrië is uitgegroeid tot een van de grootste humanitaire rampen ooit omdat we niets deden. Ik werk nu voor de regering van David Cameron als speciale gezant in Libië. Daar hebben we wel vanuit de lucht ingegrepen, maar we durfden het niet aan om er troepen naartoe te sturen. Ik kan u verzekeren: Libië is een puinhoop waar momenteel een onvervalste burgeroorlog woedt.

Er is een puinhoop in Irak waar we ingegrepen hebben, er is een puinhoop in Syrië waar we niet ingrepen en er is een puinhoop in Libië waar we halfslachtig ingrepen. Misschien moet de conclusie zijn dat we geen adequaat antwoord hebben op hoe we best met brandhaarden overal ter wereld omgaan. Akkoord, Irak is niet de bakermat van democratie geworden die we voor ogen hadden toen we ingrepen. Maar over de toestand in Syrië kan ook niemand echt trots zijn. In Kosovo en Sierra Leone zijn onze militaire invasies dan weer wel relatief goed uitgedraaid.

Waarom kiezen mensen voor terrorisme?

Powell: Ik heb daar lange gesprekken over gevoerd met Joaquín Villalobos, een van de leiders van het Salvadoraanse FMLN. Hij stamt uit een keurig middenklassegezin uit San Salvador. Na zijn studies ging hij bij een alfabetiseringsproject voor boeren werken. Op een nacht hoorde hij dat het leger op weg was om hem te vermoorden. Hij moest vluchten en die ervaring heeft hem geradicaliseerd. Hij zocht aansluiting bij een extreemlinkse actiegroep in de stad, later werd zijn beste vriend door het leger vermoord. Mensen worden terrorist omdat ze het gevoel hebben dat ze op geen enkele manier nog verandering kunnen helpen bewerkstelligen. Soms zijn ze ideologisch gemotiveerd, soms religieus, soms nationalistisch, maar allemaal zijn ze er rotsvast van overtuigd dat ze door de machthebbers tegengewerkt worden, waardoor ze ‘verplicht zijn’ hun toevlucht te nemen tot geweld. Als je wil begrijpen waarom een intelligente kerel zoals Joaquín Villalobos terrorist werd, is het belangrijk dat je het pad reconstrueert dat hij daarvoor bewandelde.

Dat begrip is misschien makkelijker op te brengen voor een man als Villalobos dan voor Abubakar Shekau, de leider van Boko Haram, of voor Al-Baghdadi, de kalief van IS.

Powell: Je moet altijd op zoek naar het ‘oerconflict’: naar de fundamentele reden waarom terroristen zo gewelddadig zijn. Wat lag er aan de basis van de recente aanslagen in Parijs? Jonge moslims hadden het gevoel dat hun religie vernederd werd en raakten daardoor geradicaliseerd. Zij zien hun daden als gerechtvaardigd en claimen dat David Cameron en François Hollande de echte terroristen zijn. We zullen bloedige aanslagen zoals in Parijs nooit een halt toeroepen als we niet eerst de ellende in het Midden-Oosten oplossen. Natuurlijk moeten we ons ondertussen zoveel mogelijk beschermen én initiatieven nemen om gemeenschappen te deradicaliseren. Op dit moment bemiddel ik tussen terreurgroepen en regeringen van acht landen verspreid over de wereld. Wij proberen op al die plaatsen kanalen te openen tussen de overheden en de terroristen die hopelijk ooit zullen uitgroeien tot onderhandelingsplatformen.

Door wie wordt u gevraagd?

Powell: Soms worden we gevraagd, vaker bieden we onszelf aan. Eerst leggen we contact met de terroristen en vervolgens stappen we naar de regering in kwestie: ‘Wij praten met jullie kwelduivels. Hebben jullie een boodschap voor hen?’ Dat klinkt paradoxaal genoeg altijd als muziek in de oren van die overheden, want zij willen graag een akkoord sluiten met hun luis in de pels, zonder dat hun burgers hen ervan verdenken rechtstreeks met terroristen te praten.

Bent u niet bang dat terroristen u zullen ontvoeren?

Powell: Gelukkig ben ik een grote lafaard waardoor ik gevaarlijke situaties mijd. (lacht) Soms kan ik niet anders dan mijn lot in de handen van zo’n groep te leggen, ik reken er dan op dat het niet in hun belang is mij een kopje kleiner te maken.

Jonathan Powell, Talking to terrorists: how to end armed conflicts, The Bodley Head

© Jan Stevens

Op zoek naar de bloederige ziel van het terrorisme

bloed-en-woedeIn het pas verschenen Bloed en Woede schetst Michael Burleigh de geschiedenis van het moderne terrorisme. Hij schuwt daarbij de controverse niet. Zo noemt hij terroristen ideologische nitwits en steekt hij een vermanende vinger uit naar supporterende, ‘weldenkende’, intellectuelen. Met Bloed en woede als leidraad gaat Knack op zoek naar verleden, heden en toekomst van het (inter)nationale terrorisme.

 

Bloed en Woede van de Britse historicus Michael Burleigh zorgt bij heel wat academici en intellectuelen voor zure oprispingen. Tot aan de publicatie van zijn culturele geschiedenis van het moderne terrorisme, werd Burleigh op handen gedragen. Met Het Derde Rijk uit 2001 won hij de Samuel Johnson Prize. Het boek over nazi-Duitsland werd een bestseller en stelde Burleigh in staat om afscheid te nemen van de universiteit. Voortaan kon hij als fulltime schrijver-journalist-historicus door het leven.

In het vuistdikke Bloed en Woede schetst Burleigh de geschiedenis van het moderne terrorisme, van de 19e-eeuwse anarchisten tot de handlangers van Osama bin Laden. Hij doet dat met schwung en met oog voor (bloederige) details. Hij laat ook niet na om commentaar te leveren, aan te klagen en te bekritiseren. Het leverde hem het verwijt op een ‘pop-historicus’ te zijn, een schrijvelaar met een vlotte pen die de polemiek opzoekt om zijn verkoopcijfers de hoogte in te jagen.

In Bloed & Woede poneert Michael Burleigh een aantal opzienbarende, prikkelende en soms boude stellingen over verleden, heden en toekomst van het terrorisme. Knack legde ze voor aan vier terrorisme-experts: Rik Coolsaet – professor internationale politiek en lid van de Europese Expert Group on Violent Radicalisation, André Vandoren – directeur van OCAD (Coördinatie Orgaan voor de Dreigingsanalyse) en Luc Verheyden, adjunct-directeur van OCAD en voormalig directeur van de antiterreurcel AGG.

 

1. Terroristen zijn ideologische nitwits

Volgens Michael Burleigh is het een fabeltje dat terroristen onderlegde ideologen zijn. Andreas Baader had de werken van Marx amper gelezen, en de religieuze scholing van zelfmoordterroristen van Al Qaeda is below zero. Burleigh: “Terroristen zijn ongelooflijke minkukels. Veel van de huidige moslimterroristen hebben amper scholing gekregen. Dat verklaart hun uitzinnige woede. De Britse inlichtingendienst heeft een gedragsonderzoekunit die gearresteerde terroristen grondig ondervraagt. De onderzoekers zijn tot de conclusie gekomen dat al hun gevangenen een bedroevende kennis van hun eigen religie hebben.” In Bloed & Woede citeert Burleigh een lid van de Baader-Meinhofgroep: “We lazen veel theorieën half. Die ene helft begrepen we – de andere helft niet.”

 

Rik Coolsaet geeft Burleigh gelijk: “Ideologie is voor terroristen een vehikel, maar ligt niet aan de basis van hun handelen. Terrorisme is het resultaat van politieke radicalisering. Wie zich onrecht aangedaan voelt, kan radicaliseren. Die radicalisering leidt soms tot dehumanisering: je gaat anderen zien als individuen die je mag en moet uitschakelen. Op dat moment ga je ook op zoek naar een ideologie als rechtvaardiging voor de dehumanisering van je tegenstander. Wat Burleigh over Andreas Baader zegt, geldt ook voor Mohammed Bouyeri, de moordenaar van Theo van Gogh. De boodschap die hij op de kleren van Van Gogh pinde, was ‘copy and paste’-islam. Net als Baader is Bouyeri geen ideologische hoogvlieger, maar gebruikt hij een ideologie omdat die hem goed uitkomt.”

André Vandoren en Luc Verheyden van OCAD vinden dat Burleigh het belang van ideologie voor terroristen zwaar onderschat. André Vandoren: “Wij zitten allebei sinds de acties van de CCC in de terrorismepreventie en –bestrijding. We hebben meermaals kunnen vaststellen dat terroristen een ideologische achtergrond hebben die soms zeer ver gaat. Ze maken quasi allemaal dezelfde evolutie door: eerst zijn er hun overtuigingen. Die worden aangescherpt en verdiept in allerlei organisaties. Ze belanden in extremistisch vaarwater, en op een bepaald moment nemen ze hun toevlucht tot geweld en terrorisme. Van de mensen die wij destijds aangehouden hebben, zou ik niet direct durven zeggen dat het nitwits waren.”

Luc Verheyden: “De leden van de CCC waren geen idioten. Het waren gestaalde marxistisch-leninistische ideologen. Zo verweten ze hun geestesgenoten van het Franse Action Directe (AD) niet recht in de leer te zijn. Bizar genoeg had Pierre Carette, de leider van de CCC, de ‘stiel’ bij AD geleerd en samen met hen aanslagen en diefstallen gepleegd. Nadien bestempelde hij hen als ‘vulgaire, laag-bij-de-grondse anarchisten’. Ook de Rote Armee Fraktion (RAF) zat volgens hem op een vals spoor. Voor Carette was er naast de CCC maar één goede beweging: de Rode Brigades.”

Zitten er dan geen ‘nuttige idioten’ in terroristengroepen? Iemand moet toch het vuile werk opknappen? Vandoren: “Je kunt inderdaad een onderscheid tussen het ‘kanonnenvoer’ – de nuttige idioten – en de mensen met een radicale overtuiging, de gefrustreerden die als uitlaatklep maar één ding zien: aanslagen en geweld. In elke organisatie heb je mensen die ‘gebruikt’ worden voor het uitvoerende werk, maar ook de ideologische scherpslijpers. Er zijn twee soorten terroristische organisaties: zij die plaatselijk verandering willen bewerkstelligen en degenen die een blind terrorisme voorstaan. De ETA wil Baskische onafhankelijkheid, de PKK wil onafhankelijkheid voor Koerdistan. Hun doelstelling verschilt totaal van anarchisten of jihadi’s die het bestel aanvallen. Bij die laatsten kom je ongetwijfeld vaker idioten tegen.”

 

2. Heel wat intellectuelen dragen een verpletterende verantwoordelijkheid

Michael Burleigh is niet mals voor de rol die intellectuelen spelen in de verdediging van terroristen. “In rijke linkse intellectuele kringen gold de omgang met RAF-terroristen als een statussymbool. Hetzelfde verschijnsel zie je ook nu. In 2006 liepen er demonstrerende idioten uit de middenklasse door de straten van Londen met borden waarop te lezen stond: ‘Nu zijn wij allemaal Hezbollah.’ Veel van onze linkse jongens en meisjes haten Israël en Amerika zo hartsgrondig, dat ze er geen graten in zien om het op te nemen voor islamterroristen. Brits klein links is zo goed als gefusioneerd met de moslimfundamentalisten. De Socialist Workers Party is opgelost in Respect. Lauren Booth, Cherie Blairs halfzus, is kandidaat voor Respect.”

En ook mensenrechtenadvocaten krijgen van Burleigh de volle laag: “Ze gaan veel te vaak over de grens: van ideologische sympathie voor hun cliënten evolueren ze naar activist en handlanger. Veel van de advocaten van de Rode Brigades en van de RAF zijn actieve helpers geworden. De geschiedenis herhaalt zich jammer genoeg ook nu met de islamisten. Veel advocaten die in Groot-Brittannië de provo’s vertegenwoordigden, zijn nu de advocaten van de islamisten. Het zijn advocaten met een fundamentele haat tegenover de politie.”

 

Rik Coolsaet vindt niet dat intellectuelen ‘een verpletterende verantwoordelijkheid’ dragen. “Het zijn niet de intellectuelen die aanslagen plegen. Hoeveel gereputeerde westerse intellectuelen nemen het op voor Al Qaeda? Bitter weinig.”

Al geeft hij toe dat er ten tijde van de RAF en van de CCC sympathie leefde bij intellectuelen van de linkerzijde. “Dat was gewoon fout. De tactiek van het terrorisme zal nooit het gepropageerde doel bereiken. Je helpt geen onrechtvaardigheid de wereld uit door mensen op te blazen. De anarchistische terroristen uit de 19de eeuw wilden de burgerlijke staat omver werpen. Het enige resultaat dat ze behaalden, was dat de burgerlijke staat zich versterkte door de repressie die ze uitoefende op de anarchisten. Voor de jihad is dat net hetzelfde: de jihadi’s hoopten om de ongelovigen uit het Midden-Oosten te verjagen. Maar de ongelovigen zijn nog nooit zo aanwezig geweest in het Midden-Oosten als nu. Burleigh heeft gedeeltelijk gelijk met zijn stelling dat sommige individuen van uiterst links de neiging hadden om het jihadterrorisme te rechtvaardigen, omdat ze tegen een gemeenschappelijke vijand, het westen en de VS, strijden. Maar dat is ondertussen sterk afgenomen, precies omdat het failliet van de terroristische weg nu veel duidelijker blijkt. Als je beweert op te komen voor de bevrijding van moslims, terwijl uiteindelijk vooral moslims jouw slachtoffers zijn, verlies je op termijn alle credibiliteit bij jouw doelgroep.”

“Tijdens de extreem-linkse terreur was er een collectief van linkse advocaten over het hele West-Europese ‘front’ actief”, zegt Luc Verheyden. “Ze stamden uit mei ’68 en verdedigden de ideologie van de RAF. Ze hadden aanhangers over heel West-Europa. In organisaties zoals het Comité International de Défense des Prisonniers Politiques en Europe Occidental (CIDPPEO) zaten intellectuelen en advocaten die later in de politiek gegaan zijn, denk maar aan Daniel Cohn-Bendit. België heeft een zeer vrije democratische wetgeving. Er zijn niet veel West-Europese grondwetten die zoveel vrijheden geven als de onze: vrijheid van mening, vereniging, pers, religie… We hebben niet zoveel mogelijkheden om rechtstreeks te interveniëren. De landen rond ons hebben bijna allemaal een bijzondere wetgeving ingevoerd, waardoor het strafbaar is om zich als sympathisant van een terroristische organisatie op te stellen. In België is nooit een lijst met verboden groeperingen ingevoerd.”

Is dat dan een lacune? André Vandoren: “Nee, integendeel. Onze vrijheden zijn een sterkte. Een terrorist vraagt niet liever dat er een repressie-apparaat geïnstalleerd wordt als reactie op zijn aanslagen. Wij zijn erin geslaagd om nooit in een situatie terecht te komen waarin de burger in zijn rechten en vrijheden beknot werd. In Duitsland wel, denk maar aan het Berufsverbot.”

 

3. We zijn te tolerant

Michael Burleigh is van oordeel dat het westen veel te tolerant is tegenover de radicale islam: door hen te tolereren, spelen we met onze eigen veiligheid. “De islamisten brengen een soort van collectieve afkeuring voor onze westerse manier van leven in de maatschappij. Je ziet steeds meer vrouwen met hoofddoeken rondlopen. Een vrouw die in sommige wijken van onze steden in een minirok buitenkomt, riskeert haar leven. Islamisten leven hier in samenlevingen waarvan ze de spelregels totaal verachten. In plaats van via politieke, legitieme weg veranderingen na te streven, vermoorden ze mensen. We moeten af van die verwerpelijke cultuur van mededogen met islamisten, die je terugvindt in onze universiteiten, scholen en lokale besturen. We moeten duidelijk stellen: ‘Kijk, zo leven we, dit zijn onze waarden. Als het je niet aanstaat, trap het dan af.'”

 

Rik Coolsaet huivert bij het aanhoren van Burleighs stellingen. “Hij gooit radicale islam en jihadterrorisme op een hoop. Ik gebruik consequent de term ‘moslimterrorisme’ niet, want zo maak je de grote groep moslims verdacht die uiteindelijk het grootste slachtoffer van Al Qaeda en consoorten is. Burleigh zet Hamas, Hezbollah en Al Qaeda op een lijn. Dat is waanzin. De oorsprong van Hamas en de oorsprong van Hezbollah zijn compleet verschillend van die van Al Qaeda. Versta me niet verkeerd: ze gebruiken alle drie terrorisme als tactiek. Maar hun beweegredenen zijn totaal anders. Hezbollah is een sjiitische verzetsorganisatie tegen het optreden van Israel in het zuiden van Libanon. Hamas is de Palestijnse soennietentak van de Moslimbroederschap. Hamas en Hezbollah moeten van Al Qaeda niets hebben. Die drie groepen staan met getrokken messen tegenover elkaar. Door ze allemaal samen te voegen onder de noemer ‘moslimterrorisme’ en geen oog te hebben voor de lokale oorzaken, creëren we een vijand die er niet is.”

Blijft de kritiek van Burleigh dat we te tolerant zijn voor de radicale islam in onze eigen gemeenschap. Rick Coolsaet: “Je moet een onderscheid maken tussen religieuze radicalisering en politieke radicalisering. Er is een grijze zone tussen de twee. Maar religieuze radicalisering wil zeggen: mannen met baarden en driekwart salafibroeken, of meisjes die helemaal in het zwart gesluierd zijn. Religieuze radicalisering is misschien akelig voor de samenhang in een samenleving, maar is een gevolg van het zoeken naar identiteit. In die zoektocht zijn er een aantal mensen die radicaliseren, en zich letterlijk omhullen met kleren om zichzelf af te schermen van de boze samenleving. Maar er is geen oorzakelijk verband tussen mensen die religieus radicaliseren en het terrorisme. Het is niet omdat je religieus radicaliseert dat je dat ook politiek zal doen.”

“Radicalisering is geen misdaad”, vult Luc Verheyden aan. “Zolang je als radicaal binnen onze tolerante wetgeving blijft, is er geen probleem. Religieuze radicale islam is een uiting van intense beleving van je eigen cultuur. Omdat wij vrijheid hoog in het vaandel voeren, is het niet mogelijk en niet wenselijk om tegen religieuze radicale meningen op te treden, zolang die meningen niet uitmonden in daden die onze democratische rechtstaat in gevaar brengen. Als je als staatsbestel in de democratische rechten van mensen wil ingrijpen, ben je zelf ondemocratisch bezig.”

 

Bloed en woede, een culturele geschiedenis van het terrorisme, Michael Burleigh, De Bezige Bij, 652 blz., 39,90 euro.

 

 

 

 

 

 

André Vandoren en Luc Verheyden over de terroristische dreiging in België

“Ik sluit niet uit dat er binnen een half uur ergens in het land een bom ontploft”

 

Eind 2006 ging het OCAD, Coördinatie Orgaan voor de Dreigingsanalyse, van start. OCAD verzamelt en verwerkt alle inlichtingen over mogelijke aanslagen in België. Als er twee mensen zijn die weten wat er ons misschien boven het hoofd hangt, moeten het OCAD-directeur André Vandoren en zijn adjunct Luc Verheyden wel zijn.

 

André Vandoren en Luc Verheyden hebben allebei een gevuld palmares als het op terrorismebestrijding aankomt. Vandoren behandelde als nationaal magistraat de dossiers van de CCC, ALF en de Algerijnse GIA; Verheyden leidde jarenlang de Anti-terroristische Gemengde Groep (AGG). Nu staan ze beiden aan het hoofd van het relatief nieuwe OCAD.

“Wij verzamelen alle uitingen van radicalisme en communiceren daarover vervolgens met het Ministerieel Comité voor Inlichtingen en Veiligheid”, zegt Luc Verheyden. “We zijn opgericht naar aanleiding van het plan ‘Antiradicalisme’ dat in 2006 door de regering goedgekeurd is. We inventariseren alle radicale boodschappen en hun boodschappers. OCAD is zelf niet op het terrein actief, maar wordt ‘bevoorraad’ door inlichtingendiensten, politiediensten… Vaak krijgen we vanuit verschillende diensten informatie over de extremistische activiteiten van een man of vrouw die wij dan met elkaar in verband brengen: iemand runt een website, geeft daarnaast ook toespraken en is lid van een culturele of sociale organisatie waar hij dezelfde extreme boodschap verkondigt. Wij maken onze bevindingen over aan de overheid; zij beslist of er iets moet ondernomen worden.”

 

Hoe zit het met de informatievergaring? Werkt een organisatie zoals de Belgische Staatsveiligheid naar behoren?

VERHEYDEN: Ik denk eerlijk gezegd dat de diensten die ons van informatie voorzien redelijk goed hun materie beheersen. Ik zit in de terrorismebestrijding sinds 1982, André Vandoren heeft dat allemaal als magistraat opgevolgd. Ik ken de terrorismepreventie op mijn duimpje, André kent de repressieve kant. We hebben dus recht van spreken als we stellen dat we een heel grote evolutie doorgemaakt hebben, en dat de diensten redelijk goed werk leveren. Natuurlijk is er altijd verbetering mogelijk.

ANDRE VANDOREN: Er is nogal wat kritiek gekomen op de terreuralarmen die we vorig jaar afgekondigd hebben. Ik kan je verzekeren dat die alarmen terecht waren. Ik heb liever dat we achteraf kritiek krijgen, of dat we spottend bekeken worden, dan nadien te moeten concluderen: hadden we toch maar alarm geslagen. De beslissingen waren genomen op basis van verschillende bronnen. We konden niet anders doen dan reageren. Zeker na 9/11, zeker na de aanslagen in Engeland, Spanje en op andere plaatsen in de wereld.

 

Staat België hoog op de hitlist van terroristen?

VANDOREN: België is kwetsbaar. Niet alleen als centraal land in Europa, maar ook omdat we het NAVO-hoofdkwartier hebben en heel wat Europese instellingen huisvesten. Er is Antwerpen, met zijn haven en zijn grote Joodse populatie, de LNG-terminal in Zeebrugge… Het is wel duidelijk dat er hier een aantal attractieve terroristische doelwitten liggen.

VERHEYDEN: Elke terroristische organisatie probeert een actie te ondernemen die haar bekendheid ten goede komt. De VN trekt zich uit steeds meer conflicthaarden terug, en wordt vaak vervangen door NAVO—operaties. De attractiviteit voor een aanslag in Brussel vergroot daardoor.

 

Hoe zit het met de internationale samenwerking tussen diensten zoals OCAD? Vroeger speelden veel inlichtingendiensten liever soloslim. Is dat nog steeds zo?

VANDOREN: We zijn niet alleen bevoegd voor het Belgische grondgebied, maar ook voor alle Belgische belangen in het buitenland. Samenwerking met onze zusterorganisaties in het buitenland is dus gewoon een noodzaak. En dat lukt heel goed. Door de internationale dimensie die het terrorisme de laatste jaren aangenomen heeft, beseft elk land dat het probleem van de ene, morgen het probleem van de andere kan zijn.

 

Schrikken jullie erg van de boodschappen die jullie verzamelen?

VERHEYDEN: Je kunt het je niet voorstellen. Ik kan je dvd’s of teksten van neonazi’s laten zien waar niets menselijks meer inzit. Maar er is natuurlijk een verschil tussen zeggen dat je niet van moslims houdt en hen ook daadwerkelijk uit de weg ruimen.

 

Neemt de radicalisering toe?

VERHEYDEN: De radicalisering van de samenleving gaat in golven. Ze hangt samen met onze economische welvaart.

 

Dus gaan we nu zware tijden tegemoet?

VANDOREN: Dat is niet uit te sluiten. Ik zeg niet dat het zo zal zijn. Ik zou ook niet onmiddellijk durven stellen dat er nu al indicatoren zijn. Maar we moeten alert blijven. Zowel voor extreem-links als voor extreem-rechts.

VERHEYDEN: Demagogen spelen in op economische crisissen. Anti-imperialistische of extreem-rechtse groeperingen spinnen garen bij recessies.

VANDOREN: Gebeurtenissen in het buitenland kunnen ook aanleiding geven tot een verhoogde agitatie. De interventie van Israël in Gaza heeft de gemoederen bij sommigen duidelijk verhit. De toekomst is totaal onvoorspelbaar. Ik denk niet dat er momenteel elementen zijn waaruit we kunnen afleiden dat de dreiging binnen zes maanden zal afnemen.

 

Dreigen er nieuwe vormen van terrorisme?

VANDOREN: Ik zou in het huidige tijdsgewricht extreem-rechts zeker niet onderschatten. Neonazisme is echt aan een opmars bezig.

 

Moeten we ons zorgen maken over de nabije toekomst?

VANDOREN: We hebben geen signalen dat er direct iets zal gebeuren, maar ik sluit ook niet uit dat er binnen het half uur ergens in het land een bom ontploft.

 

 


Terreur in België

Tussen 1984 en 1985 pleegde de extreemlinkse terreurgroep Cellules Communistes Combatantes (CCC) 27 bomaanslagen. Daarbij vielen twee doden en was er voor meer dan 25 miljoen euro schade. Eind jaren negentig stichtte het Animal Liberation Front (ALF) brand in zeven fastfoodrestaurants en in een vleesverwerkend bedrijf. Luc Verheyden jaagde hen op; André Vandoren trad in die jaren op als nationaal magistraat.

 

Michael Burleigh rept in Bloed & Woede met geen woord over de aanslagen van de CCC en het ALF in België. Misschien omdat het een bende amateurs waren?

“Wablief?” reageert André Vandoren gepikeerd. “De CCC was een van de weinige Europese terreurorganisaties waarvan alle aanslagen gelukt zijn. De CCC was tamelijk goed georganiseerd.”

Luc Verheyden: “Als je met een heel kleine groepering zeven aanslagen op een nacht kunt plegen, van Ittre tot Vielsalm, móet je wel zeer goed georganiseerd zijn. Ik heb hun route overgedaan, de dag na de aanslagen. Ik ben gestart om 4 uur ’s morgens, en ik arriveerde pas om 11 uur ’s avonds in Vielsalm.”

 

De CCC’ers waren dus harde werkers?

VERHEYDEN: Dat kun je niet ontkennen. (lacht)

 

En het ALF? Waren zij amateurs?

VANDOREN: Ze hebben in Temse een volledig vleesverwerkend bedrijf in de as gelegd. Dat was een van mijn laatste dossiers als nationaal magistraat. De schade bedroeg bijna 1 miljard oude Belgische franken. En het heeft niet veel gescheeld of de familie was in de brand gebleven.

VERHEYDEN: Als je enkele Quicks en een paar McDonald’s platbrandt, en een vleesverwerkend bedrijf in brand steekt waar mensen liggen te slapen, ben je een gevaar voor de samenleving. De werkwijze van het ALF was misschien niet zeer professioneel, maar als je een brandversnellend middel in de luchtverversing stopt, goed wetend dat de vergassing van die vloeistof zich verplaatst over het hele gebouw, ben je niet echt een amateur.

 

 

Martin Van Creveld pleit voor meer vechtlust

“Zonder pit zullen we de War on Terror nooit winnen”

 

Volgens de Israëlische historicus Martin Van Creveld dreigen we de strijd tegen de terreur te verliezen omdat we doetjes geworden zijn. “Alleen als we niet meer bang zijn om te sterven, kunnen we de War on Terror winnen.”

 

Martin Van Creveld is auteur van verschillende boeken over oorlog en terrorisme. Hij adviseerde defensiemachten van verschillende regeringen, waaronder die van de VS. In zijn laatste boek Oorlogscultuur zingt hij de lof van de cultuur die rond oorlogsvoering hangt. “Zonder oorlogscultuur met hiërarchie, uniformen, officieren, regels, tucht en orde kan er geen oorlog gevoerd worden”, stelt hij. “Anders komen we in chaos – in de woeste horde –terecht. Kijk maar naar Joegoslavië, Rwanda, Soedan. De woeste horde vermoordt veel mensen, maar voert geen oorlog. Van zodra er een goed georganiseerd bataljon op het toneel verschijnt, stuiven de barbaren in alle richtingen weg.”

 

Zijn de oorlogen in Irak en Afghanistan niet juist het bewijs van het tegendeel?

VAN CREVELD: De taliban van Afghanistan hebben wel degelijk een oorlogscultuur. Op de lange duur kun je zonder oorlogscultuur geen oorlog voeren. Als je lang strijd levert, bouw je die oorlogscultuur automatisch op. Terroristengroepen zoals Al Qaeda hebben hun eigen oorlogscultuur opgebouwd. Wij onderschatten dat. We denken dat Al Qaeda een troep wilden is, maar dat is allesbehalve waar.

 

Veel westerlingen vinden uw stellingen over oorlogscultuur lichtjes belachelijk.

VAN CREVELD: Een Duitse vriend van mij heeft een paar jaar geleden een bestseller geschreven: ‘Hoera! We verliezen!’ Hij heeft groot gelijk. We zijn bang geworden van oorlog, maar in de oorlog zie je de mens zoals hij werkelijk is. Het slechtste, maar ook het beste komt dan naar boven.

 

George Bush had het voortdurend over de War on Terror. Heeft de aanslag op de Twin Towers het aanschijn van de oorlog veranderd?

VAN CREVELD: Eigenlijk niet. In 1991 heb ik al in een van mijn vorige boeken voorspeld dat de toekomst van de oorlog het terrorisme was. Niemand heeft mij toen gehoord. Sinds 1945 zijn er een kleine 200 oorlogen gevoerd. Van die 200 oorlogen is minder dan 10% een ouderwetse oorlog tussen staten. De grote meerderheid zijn opstanden, guerrilla en terrorisme. Staten voeren geen oorlogen meer omdat ze bang zijn voor eventuele nucleaire consequenties. Geen enkele staat is het na ’45 gelukt met geweld één vierkante meter vijandelijk gebied te annexeren. De enige idioten die dat nog proberen zijn wij in Israël. (lacht) De terroristen daarentegen hebben de wereld na ’45 wel ingrijpend veranderd. Bush had gelijk met zijn War on Terror.

 

Moeten we een grote nucleaire terroristische aanval van Al Qaeda vrezen?

VAN CREVELD: Ik denk het niet. Bin Laden heeft ooit geschreven dat hij daar wel over nagedacht heeft, maar dat hij op het einde besloten heeft om die weg niet in te slaan. Hij is bang dat een nucleaire aanslag tot een andere wereld zal leiden. Je kunt er nooit zeker van zijn dat er een terrorist komt die dat anders ziet, net als je ook nooit kan uitsluiten dat er een staatshoofd komt die nucleaire oorlogvoering wel ziet zitten.

 

Hoe moeten wij de terroristen aanpakken?

VAN CREVELD: Het is vandaag makkelijker voor terroristen om mensen te vinden die hun leven willen opofferen, dan voor staten. Ze hebben veel meer pit, en staan daardoor sowieso veel sterker dan wij. Zonder pit kun je geen oorlog voeren, laat staan winnen. Veel West-Europeanen zijn hun oorlogscultuur kwijt. Je kunt dat niet zomaar terug uit de grond stampen. Hoe hoger de dreiging wordt, hoe meer animo er misschien komt om met een ernstige voorbereiding op een oorlog te starten. Dat is nu levensnoodzakelijk, maar zeer moeilijk. Eens je als volk je oorlogscultuur kwijt bent, krijg je die niet zomaar terug in de geesten van mensen.

 

Moet het onderwijs zich daarmee bezig houden?

VAN CREVELD: Dan maak je je alleen maar belachelijk. Een oorlogscultuur moet organisch groeien. Het moet heel subtiel gebeuren. De oorlog is ook zeer subtiel. Het gaat uiteindelijk om levende, voelende mensen.

 

Bent u zelf ooit in het leger geweest?

VAN CREVELD: Jammer genoeg ben ik indertijd afgekeurd. Maar ik had het wel gewild. (lachje)

 

Oorlogscultuur, Martin van Creveld, Het Spectrum, 504 blz., 39,95 euro

© jan@janstevens.be

“Terroristen zijn minkukels”

“Terroristen zijn nitwits.” Die boodschap zindert door alle bladzijden van het magistrale Blood & Rage van Michael Burleigh. “Er loopt een rode draad van de 19e-eeuwse anarchisten tot de handlangers van Osama bin Laden: aan ideologie hebben ze allemaal een broertje dood”, stelt Burleigh. “Er loopt ook nog een andere rode draad doorheen de geschiedenis van het terrorisme, en dat is de verpletterende verantwoordelijkheid van heel wat ‘weldenkende’ intellectuelen.”

 

Het is stil op het lieflijke binnenpleintje voor het huis van historicus Michael Burleigh (°1955) in Zuid-Londen. “Jack Straw is vandaag niet thuis”, zegt hij, terwijl hij naar het huis aan de overkant wijst. “Als onze minister van Justitie er wel is, lopen hier permanent politieagenten rond, worden onze voortuintjes regelmatig gecontroleerd en ondervinden we dagelijks de ‘dreiging’ van het terrorisme. Dankzij mijn beroemde overbuurman moet dit pleintje nu een van de meest beveiligde plaatsen van Londen zijn.”

Tot voor een paar jaar werkte Michael Burleigh als professor aan verschillende gerenommeerde universiteiten. Het succes van zijn boek Het Derde Rijk uit 2001 stelde hem in staat om het academische milieu de rug toe te keren en voltijds schrijver en journalist te worden. “Ik ben blij dat ik van dat wereldje verlost ben”, zegt hij. “Mijn vroegere collega’s uit de universiteit kijken me nu met de nek aan. Ze vinden het een onvergeeflijke doodzonde dat ik mijn academische carrière opgegeven heb om godbetert een journalist te worden.”

Als freelance historicus en journalist schreef hij de veelgeprezen boeken Aardse machten en Heilige doelen, waarin hij uiteenzet hoe de teloorgang van het christendom in Europa vanaf de 18e eeuw gecompenseerd werd door de opkomst van ‘politieke religies’ – van de cultus van de rede tot de verering van Stalin. In zijn nieuwste magnum opus Blood & Rage, A Cultural History of Terrorism, beschrijft hij de terroristische groeperingen van de laatste eeuwen: van de 19e-eeuwse anarchisten tot Al Qaida. Zijn conclusie is vernietigend: “Het waren bijna allemaal nitwits en gevaarlijke idioten.”

 

Ook al beweren ze allemaal voor hun idealen te strijden, hun ideologische kennis is zo goed als onbestaande?

BURLEIGH: Het zijn ongelooflijke minkukels. Veel van de huidige moslimterroristen hebben amper scholing gekregen. Dat verklaart meteen ook hun uitzinnige woede. Kijk maar eens naar de zelfmoordvideo’s die die kerels opnemen voor ze zichzelf opblazen, hoe ze hun vinger in je gezicht duwen. De meesten kunnen zich amper fatsoenlijk uitdrukken.

De Britse inlichtingendienst heeft een gedragsonderzoekunit die de gearresteerde terroristen grondig ondervraagt. De onderzoekers zijn tot de conclusie gekomen dat al hun gevangenen een bedroevende kennis hebben van hun eigen religie. Hetzelfde fenomeen zag je bij de extreemlinkse terroristen uit de seventies, die amper iets van Marx gelezen hadden. In Blood & Rage citeer ik een lid van de Baader-Meinhofgroep. Hij zei: “We lazen veel theorieën half. Die ene helft begrepen we – de andere helft niet.” Het bizarre is dat veel terrorismebestrijders dat niet door hebben. Een tijd geleden was ik op een seminarie over moslimterrorisme, waar toevallig nogal wat special branch officers en MI5-mensen aanwezig waren. Op een bepaald moment werd het wel heel erg absurd, en begon de bijeenkomst verdacht veel op een theologieseminarie in Oxford te lijken. “Als je kijkt naar de islamitische theologie in de 17e eeuw, dan kun je daaruit leren waarom Al Qaida zus en zo handelt.” Ik dacht: “Christus, wat gebeurt er hier? Deze lui zijn totaal verkeerd bezig.”

 

Ze namen de moslimterroristen ernstig?

BURLEIGH: Ja. Wat een fatale vergissing is. Het wordt hoog tijd dat we terroristen herleiden tot wat ze echt zijn: moordenaars en criminelen. Mensen haten je als je dat als intellectueel zegt, want de voornaamste rol van een academicus of intellectueel is om de dingen complex te maken. Hoe meer je het beeld vertroebelt, hoe beter. Blijkbaar is het de taak van de intellectueel om zaken als terrorisme te herleiden tot een grijze brij. Wie zoals ik stelt dat die kerels gewoon dommekloten zijn, is een hond in het kegelspel. Daarom ook reageren Britse academici zo boos op dit boek. Ik krijg wél lovende reacties van de mensen op het veld. Peter Clarke, het hoofd van de nationale terrorismebestrijding, heeft mijn boek tot verplicht leesvoer gemaakt voor terroristenbestrijders in spe. Academici zijn door Blood & Rage geshockeerd, terwijl de mensen op het veld het een schitterend boek vinden.

 

Uit uw boek blijkt dat de verantwoordelijkheid niet onderschat kan worden van sommige met terroristen sympathiserende intellectuelen.

BURLEIGH: De bezetenen van Fjodor Dostojevski vertelt het verhaal van de terroristische nihilisten van Sergei Nechajev. In zijn roman beschrijft Dostojevski de grotere maatschappij waarin ze actief zijn. Alle slimmerds, van de rechters tot de weldenkende en welvarende dames, staan aan Nechajevs kant. Tijdens het theedrinken fezelen de dames tegen elkaar: “Prachtig toch wat die kerels willen bereiken. Jammer dat ze niet goed begrepen worden.” Diezelfde houding trof je ook aan in Duitsland tijdens de terreur van de Rote Armee Fraktion. In die periode was ik in Berlijn om research te doen voor mijn doctoraalthesis. Ik huurde een flat van vage, gefortuneerde kennissen, die zeer sympathiek stonden tegenover de terroristen van de RAF. In de flat onder die van mij hebben ze lange tijd een koppel gehuisvest dat actief was in de Baader-Meinhofgroep. Mijn huisbaas – een kaviaarsocialist – was er erg trots op dat hij dat soort van mensen onderdak verleende. In rijke linkse kringen golden RAF-terroristen als een statussymbool. Hetzelfde verschijnsel zie je nu ook hier in Londen. In 2006 liepen er demonstrerende geschifte idioten uit de middenklasse door de straten met borden waarop te lezen stond: “Nu zijn wij allemaal Hezbollah.” Veel van onze linkse jongens en meisjes haten Israël en Amerika zo hartsgrondig, dat ze er geen graten in zien om het op te nemen voor islamterroristen. Ken je Mary Beard, die afschuwelijke professor Klassieke Cultuur uit Cambridge? Vlak na 9/11 schreef ze in de London Review of Books dat Amerika zijn verdiende loon gekregen had. Walgelijk. Nu is ze visiting professor in Berkeley, Amerika of all places. (lacht luid en schamper)

In december 1974 kreeg de gearresteerde Andreas Baader in zijn cel in Stammheim het bezoek van Jean-Paul Sartre. Hij zat een half uur bij Baader, die hem een hele uiteenzetting gaf over zijn ‘filosofie’. Baader was ooit begonnen als succesvolle autodief – zijn persoonlijke record om in een auto in te breken, stond op 10 seconden. Hij had de reputatie om erg gewelddadig te zijn, en hield er als jonge kerel van om massale cafégevechten uit te lokken. Toen Sartre terug naar buiten kwam, zei hij in vertrouwen tegen zijn begeleider en tolk Daniel Cohn-Bendit: “Wat een klootzak, die Baader.” Op een persconferentie later die dag zei Sartre onder het oog van de camera’s: “Baader ziet eruit als een gemartelde man. Hij wordt niet gefolterd op de manier van de nazi’s, maar veel subtieler. Hij wordt psychologisch gemarteld. De gevangen genomen leden van Baader-Meinhof zitten 24 uur op 24 geïsoleerd in een witte cel, met het licht constant aan, zonder ook maar enige verstrooiing.” Alles wat Sartre zei, was stuk voor stuk gelogen. De lichten van de cellen werden om 10 uur ’s avonds gedoofd, en Baader heeft nooit geïsoleerd gezeten: hij ontving gemiddeld vijf bezoekers per dag. De gearresteerde terroristen van de RAF leefden in vrij luxueuze omstandigheden. Ze konden lezen waar ze maar zin in hadden. Op een bepaald moment vond Andreas Baader zijn cel claustrofobisch, dus sloopten de bewakers een muur waardoor hij de beschikking had over twee cellen. Vanaf dat moment leefde hij in een soort van suite, met Jan-Carl Raspe als zijn persoonlijke lakei. Op een bepaald moment smeekte Raspe om de muur terug op te bouwen om verlost te geraken van “die maniak Baader”. Veel mensen geloofden en geloven nog steeds dat de RAF-gevangenen verschrikkelijk afgezien hebben in Stammheim, maar de publieke opinie kun je wijsmaken wat je wil. De Duitse overheid heeft zich op geen moment als een soort van fascistische staatsterrorist misdragen. Toen de leden van Baader-Meinhof merkten dat de zaken niet verliepen zoals zij gewenst hadden, pleegden ze collectief zelfmoord en lieten ze het uitschijnen dat ze vermoord waren. In een heel cynische poging misbruikten ze hun eigen levens om de Duitse staat te criminaliseren. De theorieën die de ronde doen dat ze door de staat vermoord zouden zijn, zijn je reinste flauwekul.

Ik heb me tijdens het schrijven van Blood & Rage erg goed geamuseerd op de kap van onze Duitse vrienden van de RAF. Ze zijn zo typisch Duits. Ik vond het erg verhelderend dat de RAF-terroristen vaak een nazi-voornaam hadden zoals Gudrun, Thorwald, je kunt er echt niet naast kijken. Hun ouders waren fans van de Führer, of op zijn minst beïnvloed door de Zeitgeist toen ze hun kinderen een voornaam gaven. En dan heb je de voormalige RAF-terrorist Horst Mahler, die nu een notoire neonazi en negationist geworden is. Ik vind zijn parcours van extreem-linkse terrorist tot neonazi zeer verhelderend – daarnaast is hij ook een van die verdomde mensenrechtenadvocaten geworden.

 

Wat is er mis met mensenrechtenadvocaten?

BURLEIGH: Ze gaan veel te vaak over de grens, van ideologische sympathie voor hun cliënten evolueren ze naar activist en handlanger. Veel van de advocaten van de Italiaanse Rode Brigades en van Baader-Meinhof zijn actieve helpers geworden, en de geschiedenis herhaalt zich jammer genoeg ook nu met de islamisten. Veel advocaten die in Groot-Brittannië de provo’s vertegenwoordigden, zijn nu de advocaten van de islamisten. Het zijn advocaten met een fundamentele haat tegenover de politie. Het bizarre is dat islamisten niet geïnteresseerd zijn in mensenrechten, maar toch staan die mensenrechtenadvocaten hen met raad en daad bij.

 

De strijd in Noord-Ierland tussen katholieken en protestanten wordt vaak voorgesteld als een sociaal conflict: het gevecht van de katholieke arme verdrukten tegen de protestantse arrogante onderdrukkers. Vocht het IRA voor een rechtvaardige zaak?

BURLEIGH: De Troubles zijn op geen enkele manier te verantwoorden. Op het vlak van sociale voorzieningen, lonen en al dat soort zaken, was je in het begin van de Troubles veel beter af in het Britse Noord-Ierland dan in de onafhankelijke Ierse republiek. In die tijd was de Ierse republiek een poel van armoede. Als werkloze was je er materieel beter aan toe in Belfast dan in Dublin. Een Noord-Ierse werkloze kreeg in 1969 4,5 pond per week, een Ierse 3,25 pond. Er waren heel wat bewust in stand gehouden misverstanden en onwaarheden over de behandeling van katholieken in Noord-Ierland. Ik heb nog Amerikanen ontmoet die dachten dat Noord-Ierse katholieken niet mochten gaan stemmen. Belachelijk, want Noord-Ierse katholieken hadden natuurlijk wel stemrecht. Het IRA was gewoon een ordinaire, puur criminele organisatie, even machtig als de Napolitaanse maffia. Dat maffieuze is altijd een vast onderdeel van hun zogenaamde ‘vrijheidsstrijd’ geweest.

Als je in Belfast rondwandelt, krijg je een erg goed inzicht in hoe lokaal en tribaal het conflict eigenlijk was, en hoe het zich afspeelde tussen twee rivaliserende groepen van working class people. Van zodra je in de middenklassewijken komt, merk je dat de mensen daar zo goed als niet besmet zijn door die blinde haat. In Belfast kun je zien hoe de dertigjarige Troubles een sterk uit de hand gelopen ruzie waren tussen een paar straten. De visie van IRA-man Eamon Collins zegt veel over het hele conflict – hij is trouwens later door zijn eigen organisatie uit de weg geruimd. Collins kon niet verdragen dat er wijken waren in Noord-Ierland waar katholieken en protestanten wel overweg konden met elkaar, en een rustig, welvarend leven leidden. Hij besloot om het Crown Hotel in het stille kuststadje Warrenpoint op te blazen. “Ik haat de vrede en de rust van die kleine kuststadjes waar middenklassekatholieken en –protestanten in harmonie leven”, zou hij later verklaren. “Warrenpoint was voor mij net als een zoete kers op de taart, dus wou ik ze opblazen.” Dezelfde haat vind je terug bij veel terroristen van diverse pluimage. Daar komt bij dat ze zich aan een kolossale vorm van ‘zelfromantisering’ bezondigen. Ze praten zichzelf omhoog, en willen de loop van de geschiedenis blijvend beïnvloeden. Ze zijn extreem hoogmoedig. Een rustig, defensief leven werkt voor hen als een rode lap op een stier. Het staat haaks op hun eigen zelfbeeld en daarom willen ze het vernietigen.

Islamisten leven vaak in samenlevingen waarvan ze de spelregels totaal verachten. In plaats van via politieke, legitieme weg veranderingen na te streven, vermoorden ze mensen.

Niet zo lang geleden was ik in Caïro. Je kon daar op straat voelen hoe islamisten tewerk gaan: er hangt een constante dreiging van geweld – het is als een ijskoude tocht die vanonder de deur naar binnen sluipt. De islamisten vergroten hun invloed door sociale controle en afkeuring. Ze importeren een collectieve afkeuring voor onze westerse manier van leven in de maatschappij. Nu zie je steeds meer vrouwen met hoofddoeken op straat in Caïro. Een vrouw die in een minirok buiten komt, riskeert haar leven. Op een avond belandden we in een heel gewoon café. Er hing een tv waarop een zwartwitfilm uit de veertiger jaren speelde. Er zat een kerel in pak en das op een piano te spelen, en een heel mooie vrouw in een cocktailjurk zong. En alle mensen in dat café zongen met haar mee. Ik vroeg me af: “Waar is het godverdomme mis gegaan?”

 

Zijn we te tolerant?

BURLEIGH: Ik vind dat we af moeten van die verwerpelijke cultuur van mededogen met islamisten, die je terugvindt in onze universiteiten, scholen en lokale besturen. We moeten duidelijk stellen: “Kijk zo leven we, dit zijn onze waarden. Luister maat, als het je niet aanstaat, trap het dan af.” Een contract laten tekenen is een erg goed idee, en ook zoiets als een voorwaardelijk burgermanschap, zodat nationaliteit niet iets is dat je zomaar krijgt, maar iets dat je moet verdienen. De Italiaanse inlichtingendiensten zijn meester in het afluisteren van telefoongesprekken. Als je de transcripties van die getapede gesprekken ziet, en leest wat die moslimfundamentalisten echt van ons denken, word je misselijk. Het is ongelooflijk. De economische recessie die nu over ons spoelt zal ons misschien wel verplichten om realistischer te worden.

 

Uw boek eindigt nogal deprimerend met de voorspelling dat het nog een jaar of dertig zal duren voor we van Al Qaida af zijn.

BURLEIGH: Ik hoop uit de grond van mijn hart dat ik ongelijk heb, en dat ze er sneller het bijltje bij neer zullen leggen. Toen ik met een paar intelligente mensen in het Pentagon praatte, opperden ze het idee om Al Qaida te behandelen als een slecht merk. Ze vertelden me dat ze veel boeken gelezen hadden over reclame. Ze hadden het over een auto uit de fifties, de Ford Edsel, een benzinezuiper met vinnen op de achterflanken, waar de Amerikanen van gruwden. Hij stond synoniem voor totale mislukking – Edsel werd de afkorting voor: Every Day Something Else Leaks. Ford verloor er 400 miljoen dollar aan. Die mensen uit het Pentagon vertelden me dat ze van Al Qaida de Edsel onder de terroristen wilden maken: een besmet merk. Uit interne Al Qaidacommunicatie die de Amerikanen onderschept hebben, blijkt dat er heel wat ontevredenheid leeft bij de gemiddelde Marokkaan die zichzelf moet opblazen. “Waarom zijn alle kerels die strategische beslissingen nemen Egyptenaren? Terwijl ik het strontwerk moet doen. Ik moet mezelf opblazen.” De bedoeling van de lui van het Pentagon is dat lokale groeperingen in Belujistan denken: “We kunnen beter op eigen houtje de Pakistani blijven ambeteren, in plaats van ons te associëren met die losers van Al Qaida.” Misschien werkt het wel. Laat ons hopen.

 

© jan@janstevens.be