“Ik heb een superhero-complex”

In haar denderende nieuwe thriller Veroordeeld keert Queen of Crime Karin Slaughter terug in de tijd, naar haar eigen thuisstad Atlanta in de zuidelijke staat Georgia in de jaren zeventig, waar racisme en vrouwenhaat welig woekerden.

 

Atlanta, November 1974. Een paar maanden geleden is president Richard ‘I’m not a crook’ Nixon naar aanleiding van het Watergateschandaal afgetreden. Het einde van de wrede uitzichtloze oorlog in Vietnam lijkt in zicht en de mooie jonge oorlogsweduwe Kate Murphy begint aan haar eerste werkdag bij het City of Atlanta Police Department. Daar wordt ze meteen geconfronteerd met de pesterijen van haar mannelijke collega’s die bijna allemaal vrouwenhaters en blanke racisten met een drankprobleem blijken te zijn. Kate start haar nieuwe carrière als politievrouw op het slechtst mogelijke moment: een vermeende zwarte seriemoordenaar, bijgenaamd de ‘shooter’, heeft net de zoveelste blanke agent op rij afgeknald. Kate wordt tijdelijk toegewezen aan ongelikte beer Jimmy Lawson die haar begroet met zijn favoriete koosnaampje: ‘kut’. Een dag eerder was Jimmy getuige van de moord door de shooter op zijn politiepartner Don Wesley. Een tijdje later zal Kate vriendschap sluiten met Jimmy’s zus Maggie, eveneens een politievrouw. Wanneer Maggie ontdekt dat haar broers verklaring over de aanslag op Don aan alle kanten rammelt, besluit ze samen met Kate op onderzoek uit te trekken.

 

Anno 2014 lijkt Atlanta in niets op de door geweld geteisterde stad uit Karin Slaughters Veroordeeld. Vandaag is het een bruisende multiculturele metropool met een overwegend zwart, (vrouw)vriendelijk politiecorps. “Wat niet wil zeggen dat er geen racisme meer is”, nuanceert Slaughter. “Alleen is het niet langer in your face. In het zuiden van de Verenigde Staten leeft het racisme onderhuids. Toch vind ik dat we er op vooruit gegaan zijn. Nog maar pas in april werd eigenaar Donald Sterling van basketbalclub Los Angeles Clippers door de National Basket Association levenslang uit de sport verbannen omwille van een resem racistische uitspraken die hij gedaan had. In de jaren zeventig was Sterling met zijn racistische prietpraat probleemloos weggekomen. Racisme is iets van alle tijden, alleen wordt het nu niet meer aanvaard. In Atlanta behoor ik tot de blanke minderheid, in geen enkele andere Amerikaanse stad vind je een grotere zwarte middenklasse. Ik woon in een kleurrijke wijk waar iedereen uitstekend geïntegreerd is. Mensen met Afrikaanse en Aziatische roots leven er naast Native Americans en nakomelingen van Europese migranten zoals ik. Onze buurt staat model voor de rest van Atlanta. Maar hoe verder je van de stad weg rijdt, hoe homogener de wijken in dorpen en stadjes worden en hoe groter ook de angst en de afkeer voor iedereen die er ‘anders’ uit ziet.”

 

Atlanta is het New York van het zuiden?

Karin Slaughter: Pardon? Nee hoor, dat zogezegde toonbeeld van multiculturalisme New York heeft nooit een zwarte burgemeester gehad. Wij hadden met onze Shirley Franklin jarenlang zelfs een vrouwelijke zwarte burgemeester. Natuurlijk zijn er in mijn stad probleembuurten waar je beter niet met je dikke BMW gaat rondsnorren. Maar geldt dat niet voor elke écht grote stad? In de rest van de VS bestaan er zoveel misvattingen over Atlanta. Zeker bij New Yorkers die nog nooit naar het zuiden zijn afgezakt, leeft het vooroordeel dat de blanke inwoners van Atlanta rednecks en volbloedracisten zijn. Terwijl New York de meest gesegregeerde stad is die ik ooit bezocht heb. Voor een meisje uit Atlanta is het een bizarre ervaring om in een zakenwijk rond te lopen tussen bijna alleen blanken. In mijn stad worden 120 talen gesproken; elke wijk is er multicultureel.

 

De welgestelde progressieve blanke New Yorkers zijn in werkelijkheid hypocrieten?

Slaughter: Zonder twijfel. Een goede vriendin woont in de staat Connecticut die aan New York grenst. Tijdens een discussie zei ze: “Ik leef in een van de meest progressieve staten van de Unie.” Ik moest daar hard om lachen. “Dat is heel juist”, repliceerde ik. “Maar moeilijk is dat niet, want in jouw staat woont net geen één procent aan minderheden. Weet je hoeveel ons minderhedenpercentage bedraagt? Zeventig.”

 

In Veroordeeld leren we het Atlanta van de jaren zeventig ook kennen als een stad vol geweld.

Slaughter: Heel Amerika was in die tijd in de ban van geweld. Vooral politieagenten kregen het hard te verduren. Zij waren zelf ook geen doetjes, integendeel, ze begonnen steeds meer te lijken op de boeven waarop ze jacht maakten. Dat bleek onder andere uit de beruchte getuigenis van klokkenluider Frank Serpico die eind jaren zestig, begin jaren zeventig de immense corruptie in de New Yorkse politie aan het licht bracht. In die periode werden in Atlanta twaalf politieagenten doodgeschoten. Net als in de rest van de samenleving was ook de politie doordesemd van racisme. Weet je wanneer voor het eerst in de geschiedenis van Amerika een zwarte agent een blanke man mocht arresteren? Pas in 1962. Veroordeeld speelt zich ruim tien jaar later af. In 1968 mochten zwarte agenten zelfs niet in het politiegebouw komen, want dat was uitsluitend voorbehouden aan blanken.

 

De blanke mannelijke politieagenten uit Veroordeeld zijn ook vrouwenhaters.

Slaughter: Tijdens de research voor de roman interviewde ik vier vrouwelijke agenten die begin jaren zeventig met hun carrière gestart waren. De manier waarop mijn hoofdpersonage Kate Murphy door haar mannelijke collega’s behandeld wordt, is gebaseerd op de verhalen van die vier vrouwen. Ze vertelden dat ze regelmatig een verse drol in hun lockers vonden. Er werd in hun billen en borsten geknepen en ’s nachts patrouilleerden ze altijd met twee vrouwen om sterker te staan als mannelijke collega’s hen weer lastig vielen. Een vrouw werd door haar baas bijna verkracht. Tijdens die interviews werd er heel wat afgelachen. Maar toen ik later op kantoor mijn notities herlas, besefte ik hoe verschrikkelijk het eigenlijk was. Ze lachten zo hard omdat de werkelijkheid te veel pijn deed. Nooit zijn ze in opstand gekomen. Ze bleven alles incasseren en het duurde jaren voor er iets wezenlijks veranderde.

 

Ze namen ook geen ontslag?

Slaughter: Nee, en dat vond ik merkwaardig. Veel van die vrouwen die in de seventies agent werden, klommen jaren later in stilte op de hiërarchische ladder. Ze schopten het tot officier maar hebben daar onderweg een zware prijs voor betaald.

 

Heb je die gesprekken met echte rechercheurs en agenten nodig om in je thrillers levensechte karakters te kunnen neerzetten?

Slaughter: Ja, toch wel. Ik ga vaak mensen ‘uit het vak’ interviewen. Zeker voor Veroordeeld was dat geen overbodige luxe. Ik ben geboren in 1971 en heb de jaren zeventig dus niet heel erg bewust meegemaakt. Ik herinner me wel nog vaag tv-series als Starsky and Hutch en Charlie’s Angels. Mijn nichtje is twintig en heeft geen idee van wat een meisje van haar leeftijd uit 1974 in het politiecorps van Atlanta moest doorstaan. Dat wangedrag tegenover vrouwen was algemeen aanvaard. Als klein meisje nam mijn vader me begin jaren tachtig mee naar de tandarts. Ik schoot in de lach toen die binnenkwam, want het was een vrouw. Het leek wel een grap: een vrouw kon toch geen tandarts zijn? Ze werden hoogstens lerares of secretaresse, maar nooit tandarts en zeker geen politieagent.

 

Waarom wilden die vrouwen die je geïnterviewd hebt per se bij de politie? Ze moeten toch geweten hebben wat hen te wachten stond?

Slaughter: Moeders wilden niet dat hun dochters als agent gingen werken. Niet omwille van het gevaar, maar omdat ze dan nooit aan een man zouden geraken. Wat ook waar was: alle vrouwen die ik gesproken heb, waren uit pure armoede met een smeris getrouwd. Een vrouw had vijf huwelijken achter de rug, telkens met een agent en twee keer met dezelfde. (lacht)

Ik vroeg aan elke vrouw: “Waarom wou je bij de politie?” Ze antwoordden allemaal: “Omdat iemand me gezegd had geen agent te worden.” Die ‘iemand’ was dan een ouder of een vriend. Een vrouw wou secretaresse op het stadhuis van Atlanta worden. Ze moest daarvoor een sollicitatieformulier komen invullen. Ze vergiste zich van kantoor en stapte de kamer binnen waar sollicitaties gehouden werden voor agenten. De kerel die daar zat, zei op een denigrerende toon: “Mevrouwtje, u hoort hier niet thuis.” Waarna zij heel boos werd: “Wat zeg je? Geef me dat sollicitatieformulier.” Dat was echt de enige reden waarom ze agent geworden is.

 

Droomde jij van een job als agent?

Slaughter: Ja. Ik heb ook gesolliciteerd, maar mijn ogen waren niet goed genoeg. Als jong meisje was ik al gefascineerd door de politie.

 

Was je ook gefascineerd door het geweld?

Slaughter: Nee, niet door het geweld, wel door de autoriteit en de macht die de job uitstraalde. Ik heb ook een superhero-complex. Als ik voorbij een ongeval rij, ga altijd kijken of ik hulp kan bieden. Op een dag zag ik een man op straat zijn vrouw slaan. Ik duwde op de rem en sprong uit de auto. Die kerel was zo groot als jij, maar twee keer zo breed. Ik schreeuwde tegen hem en de vriendin die bij me was, trok aan mijn mouw. “Laat ons gaan, Karin, alsjeblief.” (lacht) Wat me ook aantrok in de job van politieagent was het hoge loner-gehalte: je kon zelfstandig en autonoom handelen.

 

Een beetje zoals een schrijver, maar dan in uniform en met een opzichtige auto?

Slaughter: Precies. (lacht) Zelfs als agent was ik ook schrijver geworden. Ik kan niet anders: op mijn achtste schreef ik al verhalen. Ik heb niet gekozen om schrijver te worden; het schrijven koos mij.

 

Praten Vlamingen echt met bloemen in hun mond zoals je ergens in Veroordeeld schrijft?

Slaughter: Dat is dan nog de beleefde manier om jullie tongval te omschrijven. (lacht) In mijn oren klinkt jullie taaltje totaal anders dan wat jullie noorderburen spreken. Jullie Nederlands klinkt romantischer, breedvoeriger. Een Nederlander zal zeggen: ‘Ga daarheen.’ Een Vlaming draait er een heel verhaal rond waardoor je niet anders kunt dan ‘daarheen gaan’. Sinds ik ben beginnen schrijven, heb ik heel wat bezoeken aan Nederland en Vlaanderen gebracht. De laatste keer was ik te gast op de Antwerpse Boekenbeurs. Ik heb veel boekenbeurzen en -festivals over de hele wereld meegemaakt, maar die in Antwerpen is uniek. Het is de enige beurs ter wereld waar je complete gezinnen tassen vol boeken ziet kopen. Het is heerlijk om al die mama’s, papa’s en hun kinderen samen in boeken te zien snuisteren.

 

Klinkt ons Nederlands zoals het Engels dat in het zuiden van de VS gesproken wordt?

Slaughter: Er zijn zeker paralellen te trekken. Ik heb heel wat gemaild met vertaalster Ineke Lenting toen ze Veroordeeld aan het vertalen was. Zij vroeg aan haar Vlaamse collega’s wat de beste manier is om Vlamingen te beledigen. Ik had eerst iets over boeren en schapen geschreven. Bij ons zitten schapen standaard in algemeen aanvaarde beledigingen voor zuiderlingen. Ineke zei: “Vlamingen hebben niets met schapen, maar wel met aardappelen.” Dus omschrijf ik Vlamingen op een bepaald moment in mijn boek als “aardappelboeren die met hun neven of nichten trouwen.” (lacht)

 

Karin Slaughter, Veroordeeld, Cargo (originele titel: Cop Town), 480 blz., 19,90 euro

 

© Jan Stevens

Advertenties

Cop killer

veroordeeldAtlanta, November 1974. Een paar maanden geleden is president Richard Nixon naar aanleiding van het Watergateschandaal afgetreden, het Congres heeft net de financiering voor de oorlog in Vietnam stopgezet en de mooie, door het leven niet gespaarde Kate Murphy maakt zich klaar voor haar eerste dag bij het City of Atlanta Police Department. Dat belooft geen wandeling in het park te worden, want het overgrote deel van haar collega’s zijn blanke, drankverslaafde racisten én vrouwenhaters die onder hoogspanning staan omdat een vermeende zwarte seriemoordenaar, de ‘shooter’, het op blanke agenten gemunt heeft. Kate wordt toegewezen aan Jimmy Lawson. Hij was een dag eerder getuige van de moord door de shooter op zijn politiepartner Don Wesley. Jimmy verwelkomt haar in zijn patrouillewagen met de gevleugelde woorden: ‘Kut die je bent’. Later zal Kate bevriend raken met Jimmy’s zus Maggie, die eveneens politieagente is. Wanneer Maggie ontdekt dat haar broers verklaring over de aanslag op Don met haken en ogen aaneenhangt, besluit ze samen met Kate op onderzoek uit te trekken.

Voor Veroordeeld baseerde Queen of Crime Karin Slaughter zich op een waargebeurde reeks moorden uit de jaren zeventig in de zuidelijke stad Atlanta waar het racisme welig tierde, ook al had de zwarte meerderheid net een zwarte burgemeester verkozen. In een denderende rechttoe-rechtaan-machostijl schetst ze een geloofwaardig beeld van dat corrupte blanke politiecorps dat nog niet doorheeft dat de tijden écht aan het veranderen zijn. Soms drenkt Slaughter haar pen in een overdosis testosteron, waardoor haar agenten karikaturale trekjes krijgen en onbedoeld connotaties oproepen met hun geheel in leder gehulde collega van de seventies discoband Village People. Om haar talloze Nederlandse fans te behagen, maakt Slaughter ook nog een uitstap naar Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Haar talloze Vlaamse fan krijgen dan weer een paar sneren. Zo laat ze een van haar personages zeggen: ‘Vlamingen praten alsof ze bloemen in hun mond hebben.’ Iets waar ze zich in haar dankwoord overigens netjes voor verontschuldigd.

 

Veroordeeld, Karin Slaughter, Cargo (originele titel: Cop Town), 480 blz., 19,90 euro.

 

 

 

© Jan Stevens

“Ze hadden me vijftig jaar moeten opsluiten”

18 jaar geleden vermoordde Humphrey Ludwig zijn vrouw in koelen bloede. In zijn boek Veroordeeld beschrijft hij zijn daad tot in het kleinste detail. “Ik wil potentiële daders afschrikken.”

 

Vrijdagavond, 3 januari 1992. Humphrey Ludwig en zijn vrouw Anita zitten in de living in hun huis in het Nederlandse Gorinchem. Hij zit op de vloer en luistert naar muziek, zij ligt in de zetel en slaapt. Dan staat hij op en wandelt naar de slaapkamer. Hij haalt een kruisboog van de muur en hangt een dolk aan zijn riem. Hij zet de boog op scherp en stapt de woonkamer binnen, zijn wijsvinger schietklaar op de trekker. ‘Anita, blijf rustig en doe wat ik zeg.’ Zijn vrouw schrikt wakker en staart haar man niet begrijpend aan. ‘Sta op en loop naar de slaapkamer. Een verkeerde beweging en je bent dood.’ Bevend van angst volgt ze zijn bevelen op. Ze wankelt naar de openstaande deur. Als ze die in paniek achter haar probeert dicht te gooien, komt Ludwig in actie: hij rent haar achterna en overmeestert haar. Een paar minuten later stoot hij de dolk in haar buik. “Haar ogen verglazen terwijl ze me aanstaart, het leven verdwijnt eruit als water dat in ijs verandert, en zonder glans staren ze in het niets. Ze is dood.”

Diezelfde nacht wordt Humphrey Ludwig gearresteerd. Hij wordt veroordeeld tot vijf jaar cel, gevolgd door TBS, Ter Beschikking Stelling of internering. Na drie jaar cel wordt hij overgebracht naar een TBS-kliniek. Zes jaar later is hij een vrij man.

 

Anno 2010 heeft Humphrey Ludwig (45) mes en kruisboog ingeruild voor de pen. In zijn boek Veroordeeld doet hij het relaas van de moord op zijn vrouw. Als ik Ludwig de hand schudt, kruipt er een koude rilling over mijn rug. Met die hand plantte hij doelbewust een dolk in de buik van een mens. Een paar weken geleden was hij te gast in de Nederlandse talkshow Pauw & Witteman. Zijn verschijning op het scherm leverde de programmamakers achteraf bittere verwijten op. “Walgelijk!”, “Zo’n man moet je geen podium geven!”, “Dit had verboden moeten worden!” waren de meest vriendelijke. “Ik krijg heel veel negatieve reacties”, zegt hij. “Mensen hebben dat recht. Ze mogen zeggen: ‘Zwijg, want jij bent een moordenaar.’ Maar ik spreek toch.”

 

Veel mensen nemen aanstoot aan de manier waarop u de moord beschrijft. Ik werd zelf misselijk toen ik die passage las.

Humphrey Ludwig: “Dat was de bedoeling. Daarmee wil ik de brute realiteit van geweld laten zien. Geweld wordt in onze samenleving verheerlijkt en gebagatelliseerd. Dat is koren op de molen voor potentiële daders. Ik zet daar met dit boek een reality check tegenover. Op tv zie je vijftien moorden per dag. Maar moord is geen amusement. Ik toon de rauwe realiteit van het doden van een medemens. ‘Crime passionel’ is een mooi woord, maar de werkelijkheid is anders. Er zijn heel weinig daders die in een vlaag van zinsverbijstering hun geliefde doden. De meeste moordenaars die ik in gevangenschap sprak, gaven toe dat het wel degelijk hun bedoeling was om te doden, terwijl ze in de rechtszaal mooie verhalen opdisten. Een mens zal altijd instinctief zijn eigen daden vergoelijken of acceptabel maken, ook al zijn ze gruwelijk. In Veroordeeld heb ik niets geromantiseerd.”

 

Gewelddadig provinciestadje

Humphrey Ludwig werd geboren in Gorinchem. “Mijn ouders komen uit Indonesië, het voormalige Nederlands-Indië. Ze zijn daar weggegaan op het moment dat het land onafhankelijk werd. Mijn vader was militair in het Nederlandse leger, mijn moeder kwam uit een middenstandsgezin. Vader heeft gevochten tegen de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders. Hij zat bij de Gadja Mera, de ‘Rode Olifanten’, een beruchte Nederlandse eenheid. Tijdens de oorlog heeft hij dingen gedaan die niet zo prettig zijn. Er werd veel gemoord, krijgsgevangenen werden gemarteld en doodgeschoten. Hij heeft daar aan deelgenomen. Toen hij naar Nederland kwam, is hij als beroepsmilitair bij het leger gebleven. Vlak voor hij met pensioen ging, werd ik geboren.”

 

Was hij een gewelddadig man?

“Ondanks zijn achtergrond beschermde hij me en legde hij me in de watten. Ik kwam geen liefde tekort. Toen ik negen was, ging hij dood. Op dat moment besefte ik niet wat voor een verlies dat voor mij was. Zijn dood leek zelfs een beetje als een bevrijding, want hij was de enige autoriteit die ik accepteerde. De onderwijzers op school waren hippies en aan hen had ik lak. Ze mishandelden hun leerlingen. Dat was in de jaren zeventig vrij normaal in Nederland. Ik kan me nog goed herinneren hoe ik van zo’n leraar slaag kreeg omdat mijn handschrift te slordig was. Het ene moment stond hij daar te tieren en te brullen en het andere moment kwam ik bij tussen de stoelen en tafels. In Gorinchem was er sowieso veel geweld op straat. Dat heeft mijn wereldbeeld bepaald.”

 

Is Gorinchem dan geen braaf, slaperig provinciestadje?

“In de jaren tachtig was het uitgangsleven er behoorlijk gewelddadig. Elk weekend werd er iemand in elkaar geslagen. De kroegen op de Paasmarkt gingen om acht uur ’s ochtends open en twee uur later werd er al gevochten. Ik ben zelf nooit ineengeslagen, maar geweld maakte gewoon deel uit van mijn leefwereld. Mijn vrienden sloegen voor de lol op straat kleine jongens in elkaar. Ik stond er op te kijken en deed niets om het te stoppen. Af en toe verleende ik hand- en spandiensten. Zo sloten ze een jongetje op in een telefooncel om hem daarin af te tuigen. Ik hield de deur dicht. Ondertussen stonden de meisjes van onze bende te supporteren. We waren berucht, maar echt last met de politie hebben we nooit gehad. Oom agent zie je nooit als je hem nodig hebt. (grijnst)”

 

Danny Kaye

Op zijn negentiende ontmoette Ludwig zijn latere vrouw Anita op een fuif. “Ik was een beetje dronken. ‘Je zit op mijn stoel’, zei ze. ‘Nou en?’ zei ik. ‘Ga op mijn schoot zitten.’ En dat deed ze. Zo is het begonnen. Mijn vrienden mochten haar niet omdat ze uit een burgerlijk gezin kwam. Ze noemden haar een ‘burgertrutje’. Wat haar voor mij extra aantrekkelijk maakte.”

 

Wat voor een relatie hadden jullie?

“Het eerste half jaar was het een verkering zoals ik er al zoveel had gehad. Maar toen werd onze relatie gewelddadig. Dat had ik nog nooit meegemaakt. Het draaide al snel rond seks en geweld: neuken en elkaar afslaan. Dat is er als vanzelf ingeslopen. Ik weet nog precies hoe het gestart is. Op een avond haalde ze op straat naar me uit. Ze miste en viel in de hondenpoep. Ik vermoed dat ik dat toen onbewust opgepikt heb als een signaal dat geweld oké was. Dus sloeg ik terug. De eerste keer dat ik haar sloeg, reageerde ze niet. Ze werd niet boos. Ze zei: ‘Sorry.’ Later sloeg ik haar opnieuw. En opnieuw. Het slaan werd steeds makkelijker. Het werd een gewoonte, ook voor haar. Het geweld was een ontlading waarna er altijd geneukt werd. Plat, gevoelloos, net als de beesten. We leefden als in een pornofilm. Toen we trouwden, liep het helemaal uit de hand en werd het geweld dagelijkse koek. Ons huis was een beestenbende. Niemand wist dat. Helemaal niemand. Zo’n bestaan is ontzettend leeg. Zin- en inhoudsloos.”

“Op een of andere manier hielden we elkaar in evenwicht. Maar op een bepaald moment was ik het zat. Elke dag seks en geweld en met wapens lopen zwaaien. We hadden een hele verzameling in huis: messen en een kruisboog. Als er een schaar lag, pakten we die om elkaar te lijf te gaan. Ik was gefascineerd door wapens. Toch keek ik bijna nooit naar geweldfilms of naar porno. Mijn grote favoriet is altijd Danny Kaye geweest. Ik verzamelde al zijn films. Ik verlangde ernaar om net zo onschuldig als Kaye te zijn. Een vertederende nerd. Helaas ben ik niet zo.”

 

Zag u uw vrouw graag?

“Ik haatte haar. Na het eerste jaar van onze relatie wou ik weg bij haar. Ik voelde me gevangen en wou het uitmaken. Ze stortte helemaal in. Ze hing aan mijn been en huilde. Ik dacht: ‘Wat ben ik nu voor een eikel dat ik dit meisje in de steek laat?’ Ik kreeg ontzettend veel medelijden met haar. Toen hebben we een bloedeed gezworen dat we bij elkaar zouden blijven. Ik dacht: ‘Nu wordt het beter tussen ons’, maar het werd alleen maar erger. De eerste twee jaar van ons huwelijk zat ze te verslonzen in de zetel. Ik zette haar onder druk om werk te gaan zoeken. Ze vond een baan bij de bank. Ze herleefde. Ze deed haar werk graag en had het naar haar zin bij haar collega’s. Ze ging uit en amuseerde zich. Alleen thuis ging het fout. Hoe meer zij opfleurde, hoe depressiever ik werd. Dus begon ik haar nog meer te haten.”

 

License to kill

Ludwig zonk weg in zijn depressie en zocht hulp. “Via mijn huisarts kwam ik bij een psychiater terecht. Ik vertelde hem dat ik genoeg had van het geweld. Ik besloot om geen vinger meer naar haar uit te steken. Ik dacht: ‘Zo houdt het misschien op.’ Maar zij bleef doorgaan. In die periode kwam in het portiek onder ons Barbara wonen. In het begin klikte het tussen haar en mijn vrouw, maar na een tijd verzuurde die relatie en kwam Barbara steeds meer naar mij toe. We raakten innig bevriend en noemden elkaar broertje en zusje. Thuis zei ik op een dag amper vijf woorden, maar met haar praatte ik, veel meer dan met die psychiater. Tussen ons was er wel gevoel. Geen ruwe seks, maar intimiteit. Dat had ik lang niet meer meegemaakt. Anita zag dat met lede ogen gebeuren. Als reactie ging ze op zoek naar een minnaar. Ze zocht een vaste relatie zodat ze bij mij weg kon. Ze wou niet op haar eentje gaan wonen omdat ze bang was voor de eenzaamheid. Ze kreeg een affaire met Joep, een collega op kantoor. Hij was getrouwd. Hij beloofde haar dat hij ging scheiden, maar daar kwam niets van terecht. Dus kon ze niet bij hem intrekken. Geestelijk ging ze daaraan onderdoor. Ze werd nog gewelddadiger dan ze al was.”

 

Heeft de psychiater nooit zien aankomen dat jullie op een verschrikkelijk drama aan het afstevenen waren?

“Hij gaf me antidepressiva. Dat was het enige wat hij naar eigen zeggen kon doen. Hij vond wel dat ik een criminele aanleg had en gevaarlijk was. ‘Maar dat hebben veel mensen’, zei hij. Dus liet hij dat maar zo. In ons laatste gesprek begon ik over Joep. Hij vroeg: ‘Waarom ga je niet weg?’ Ik antwoordde: ‘Ik weet niet waar ik naartoe moet.’ Hij schreef een telefoonnummer van een opvanghuis op een papiertje en zei: ‘Als je dit nummer belt, komen ze je halen. Dan ben je een paar weken onderdak en kun je bekijken hoe het verder moet.’”

“Op een woensdagmiddag nam ik verlof op het werk en ging ik thuis mijn spullen inpakken. Ik had het nummer klaargelegd. Terwijl ik mijn kleren in mijn rugzak aan het stoppen was, kwam Anita thuis. Ze had een afspraakje met Joep. ‘Ga je bij me weg?’ vroeg ze. Toen werd het even stil. ‘Nee, je blijft. Dat heb je me beloofd.’ Ze draaide zich om en liep weg. Ik ben helemaal door het lint gegaan en heb mijn woede gekoeld op het interieur. Op dat moment kwam het idee. Toen dacht ik: ‘Nu ga je eraan.’ Mijn leven was toch al naar de kloten. Wat had ik te verliezen? (stilte) Alles was kut. Ik had een baan die nergens naartoe ging. Een mislukt huwelijk. Geen kinderen. Niets. De gevangenis schrikte me niet af. Hoeveel riskeer je voor moord in Nederland? Vijf jaar? Ik had langer op school gezeten. Niets stond me in de weg om mijn wraaklust bot te vieren. Ik broedde op moordplannen. Toch sloeg ik af en toe aan het twijfelen. ‘Ze is een mens.’ De laatste keer was vlak ervoor, met kerst. We waren op vakantie in Zwolle. Daar werd ze heel redelijk, vriendelijk en zelfs lief. Dat schokte me, want ik had haar van menselijk wezen herleid tot een object van wraak. In Zwolle werd ze weer mens. Ik probeerde dat af te weren, maar ze bleef lief en ik kreeg spijt vooraf. Terug thuis sprak ik met Barbara. ‘Ik kap ermee.’ Zij werd boos. ‘Je moet voor jezelf opkomen.’ De twijfel verdween weer. En er kwam niets meer tussen.”

“Ik vermoordde mijn vrouw afstandelijk, genadeloos. Ik dacht: ‘Ik dood haar en ik ben bevrijd. Opgelucht.’ De eerste weken na de moord was dat ook zo. Tot ik me realiseerde dat ik mezelf voor de gek hield. Vanaf dan werd het wraakgevoel alleen maar erger. Ik voelde me steeds machtelozer en haatte haar nog meer.”

 

Had u dan geen schuldgevoelens?

“In het begin niet. Ik werd gekweld door zelfmedelijden. ‘Anita, wat heb jij me aangedaan?’ Niet zolang na mijn arrestatie moest ik naar het Pieter Baan Centrum (PBC), de psychiatrische observatiekliniek van het ministerie van Justitie in Utrecht. De psychiaters vertelden me dat ik zelf een slachtoffer was. Dat kwam me goed uit. ‘Het is de schuld van je jeugd. Van je vader. Niet die van jou.’ Dat vond ik mooi. ‘Ik ben sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Je kunt het mij niet aanrekenen. Als ik het nog eens doe, is het niet mijn fout.’ Ik kreeg dus gewoon een license to kill. Het werd me op een gouden schoteltje aangeboden. Ik hoefde me nergens meer schuldig over te voelen. Ik kwam gevaarlijker uit het PBC dan ik erin ging.”

“Een half jaar later belandde ik in de isoleercel omdat ik een bewaker had bedreigd. In die cel werd ik helemaal op mezelf teruggeworpen. Ik had niets meer. Alleen een kale, vieze cel. Ik heb altijd naar vrijheid verlangd. In die cel realiseerde ik me dat als ik echt vrij wou zijn, ik me moest afkeren van de persoon die ik geworden was. Daarna heb ik me zeven maanden opgesloten in mijn eigen cel. Ik kwam er niet meer uit en ben alles beginnen opschrijven. Toen pas kwam de spijt en het besef dat Anita een mens was.”

 

Hotel Gevangenis

Na drie jaar gevangenis kwam Ludwig in een TBS-kliniek terecht. “Er was vastgesteld dat ik een ‘mentale stoornis’ had en dat er kans was op herhaling. Dus moest ik behandeld worden. Maar ook daar pakten ze mijn eigen verantwoordelijkheid van me af. ‘Je kan er niets aan doen. Je bent een slachtoffer.’ Ons strafsysteem is te soft. Elke keer als wij een straf uitdelen, sturen we een boodschap mee naar potentiële daders dat ze ermee kunnen wegkomen. In totaal zat ik negen jaar. Voor een moord is dat belachelijk. Vijftig jaar is billijk, vind ik. Als het strafsysteem zo geweest was, had ik het niet gedaan. Er wordt gezegd dat zo’n zwaar systeem niet werkt en dat je er niemand mee afschrikt. Ik geloof dat niet. Zware straffen voor moord zijn de logica zelve. De Nederlandse gevangenissen zijn net hotels. Onze gevangenissen moeten soberder en strenger. Weg met die tv. Ik heb in hotelkamers gezeten die slechter waren dan mijn cel.”

 

Bent u na al die jaren niet bang om te hervallen?

“Ik kan me voorstellen dat ik terugsla als ik in de kroeg van iemand een vuistslag krijg. Maar er zal niet geschoten of gestoken worden. Ik ben geen pacifist, maar ik ben niet gevaarlijker dan jij. In ieder van ons schuilt een moordenaar. Jij zit hier omdat je verre voorouders hun soortgenoten uit de weg geruimd hebben. Alleen zo konden ze overleven. Doden zit nu eenmaal in onze genen.”

 

© Jan Stevens

Humphrey Ludwig, Veroordeeld, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 352 blz., 17,50 euro