“Veel vrijwilligers in asielcentra zijn vermomde salafisten”

De voorbije tien maanden leefde de Duitse journalist Shams Ul-Haq als vluchteling in enkele Europese asielcentra. Wat hij zag en meemaakte, zorgt voor schokgolven. “IS heeft de vluchtelingenstroom geïnfiltreerd.”

 

In oktober 2015 dook de Duits-Pakistaanse journalist en terreurexpert Shams Ul-Haq (40) voor het eerst vermomd als vluchteling onder in een asielcentrum. Een maand eerder had bondskanselier Angela Merkel nog middenin de grote asielcrisis rustig en beheerst verklaard: “Wir schaffen das.” “Frau Merkel heeft het hart op de juiste plaats, maar toen verkocht ze quatsch”, zegt Haq. “Nog voor haar beruchte uitspraak zag ik al dat we het helemaal niet konden bolwerken. Merkel poseerde met vluchtelingen voor de ene selfie na de andere. Sociale media en WhatsApp deden de rest: Syrische families vluchten nog steeds bij voorkeur naar Duitsland, omdat ze verwachten er met open armen ontvangen te worden.”

We zitten in de ontbijtruimte van een Berlijns hotel, op een steenworp van het grote asielcentrum Lageso op de oude luchthaven Tempelhof waar Shams Ul-Haq begin dit jaar wekenlang als de vluchteling Ahmad Wakar uit Pakistan verbleef. De voorbije tien maanden kroop hij in de identiteiten van onder anderen de Indische vluchteling Ahmad Raja en de Pakistaanse asielzoeker Jamal Ahmad om undercover de sfeer op te snuiven in asielcentra in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Turkije. “De Turkse vluchtelingenkampen zijn de smerigste”, zegt hij. “Ik heb een tijd ondergedoken gezeten in een kamp in het Aziatische deel van Istanboel. Een levensgevaarlijke plek. Het is er koud, nat, met hondsbrutale bewakers die het geweld niet schuwen. Overleven is er een kunst.” Ul-Haq nam foto’s en maakte filmpjes van mishandelingen in niet enkel Turkse, maar ook in Europese vluchtelingenkampen. Daarnaast legde hij bloot hoe salafistische en jihadistische ronselaars op subtiele wijze de zieltjes van pas aangekomen vluchtelingen trachten te winnen. Zijn reportages zorgen tot vandaag voor schokgolven in zowel Duitsland, Oostenrijk als Zwitserland.

Shams Ul-Haq kwam in 1990 zelf als vijftienjarige Pakistaanse vluchteling Duitsland binnen. “Samen met twee neven kwam ik zo in een asielcentrum in Frankfurt terecht”, vertelt hij. “Mijn ouders bleven achter. Mijn vader was een straatverkoper. Ze waren doodarm.” Shams werd naar het Westen gestuurd om voor de familie in Pakistan te zorgen. De welbewuste keuze voor Duitsland was een gevolg van de val van de Muur in 1989: de familie Haq verwachtte dat de Duitse economie door de hereniging weldra zou boomen.

 

Hoe was de sfeer toen u hier aankwam?

Shams Ul-Haq: “In 1990 waren vluchtelingen nog een curiosum. Nu overheerst de angst en de grimmigheid; toen was alles cool en relaxed. We werden opgevangen in een centrum in Frankfurt waar iedereen vrij in en uit kon. Van zodra een vluchteling een legitimatiebewijs had, mocht hij gaan en staan waar hij wou. De enige regel was dat hij ’s avonds in het centrum moest komen slapen, ondertussen kon hij zijn nieuwe leven beginnen opbouwen. In Duitsland zijn de regels voor vluchtelingen vandaag veel strenger, zo moeten ze ook overdag op bepaalde tijdstippen in het centrum aanwezig zijn. Niet lang na aankomst kon ik bij een tante terecht die hier al woonde. Dat was een groot voordeel. Een week na mijn asielaanvraag zat ik op school. Geen opvangklas voor vluchtelingen, maar een échte klas. Ik werd middenin het normale Duitse schoolleven gegooid, heb toen even gepanikeerd, maar maakte snel vrienden en voelde me na een paar maanden als een vis in het water. In afwachting van mijn naturalisatie werkte ik als lasser, chauffeur, privédetective en autoverkoper. In 2001 kreeg ik de Duitse nationaliteit. De aanslagen van 9/11 in datzelfde jaar grepen me enorm aan. Ik ben zelf moslim en werd misselijk toen ik de beelden zag van die vliegtuigen die zich in de Twin Towers boorden. Het besef groeide dat ik dringend iets moest ondernemen tegen de onwetendheid en het onbegrip in onze samenleving.”

 

Dus werd u journalist.

“Ja. Mijn allereerste interview was met wijlen Benazir Butho, toen nog de Pakistaanse premier. In 1990 werd ik hier op een voorbeeldige wijze opgevangen. Ik zie het daarom als mijn plicht om ook mijn bijdrage te leveren aan een veiligere en betere Duitse samenleving. Het undercoverwerk in asielcentra is mijn kleine bijdrage.”

 

Het eerste centrum waarin u onderdook was in Offenbach vlakbij Frankfurt.

“Ik woon er in de buurt en ik ving geruchten op dat vluchtelingen er slecht behandeld werden. Als buitenstaander raak je een asielcentrum alleen binnen door de boel te belazeren. Ik heb een tiental valse vluchtelingenpapieren, telkens onder een andere identiteit. De échte problemen in een asielcentrum leer je alleen kennen door als vluchteling onder de vluchtelingen te leven. De eerste week in een centrum probeer ik vooral niet op te vallen. Ik ga op in de groep en slaap, praat, eet en denk net als alle anderen. Daarna begint het echte werk. Over mijn eerste undercoveroperatie schreef ik een grote reportage voor de regionale krant Offenbach Post. Meteen na publicatie kreeg ik telefoon van de burgemeester van Offenbach, Herr Schneider. Hij klonk wanhopig: ‘Dit is mijn stad, en ik weet niet eens wat er misgaat in het asielcentrum.’”

 

Wat ging er dan mis?

“Het was overbevolkt, het eten liet te wensen over en de toiletten waren afschuwelijk. Niemand had privacy. Er zaten vooral jonge vluchtelingen en oudere alleenstaande mannen. De directie en kampbegeleiding lieten toe dat er veel alcohol gezopen werd, waardoor vechtpartijen schering en inslag waren. Na mijn artikel is de burgemeester het kamp binnengegaan en heeft hij tegen de directie gezegd: ‘Zet orde op zaken, of ik sluit de boel.’ Niet veel later is het ook definitief gesloten. Weet u wat het grootste probleem van onze Duitse vluchtelingencentra is? Dat we in die centra zélf onze meest radicale islamisten kweken.”

 

Hoezo?

“De meeste Syrische vluchtelingengezinnen zijn van rijke afkomst: zij hebben het geld om tot in het Westen te geraken. Er zijn nu meer hoogopgeleide intellectuelen onder de vluchtelingen dan in mijn tijd. Zij verlieten hun land en komen na een levensgevaarlijke reis aan in een Duits kamp, omdat Frau Merkel zo vriendelijk was hen in de media welkom te heten. Maar dit land was daar niet op voorbereid. Al die families zitten in opvangcentra waar verveling heer en meester is. Ik weet niet hoe het bij jullie in België gesteld is, maar in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland is er in de asielcentra een stuitend gebrek aan bekwaam personeel. Behalve de salafisten en andere extremisten neemt niemand hun lot ter harte. De islamisten zeggen tegen de ontredderde, traditioneel gelovige vluchtelingen: ‘Kijk eens goed rond. Die Duitsers geloven in niets.’”

 

Salafisten namen ook uw lot ter harte?

“Ja. Begin dit jaar zat ik weken undercover in het asielcentrum in de vroegere luchthaven Tempelhof, hier vlakbij. Lageso-Tempelhof kan gerust model staan voor alle grote asielcentra van Europa. De mensen hebben er niets omhanden. Het is de gedroomde rekruteringsplek voor islamisten. In Tempelhof zitten de salafisten te wachten als roofvogels op hun prooi. Ze lopen er niet rond met lange baarden of gehuld in hun typische kledij. Ze zijn gladgeschoren en dragen doordeweekse kleren. Ze zijn lid van een hulpvereniging en werken in het kamp als vrijwilliger. De organisatie heeft uitstekende banden met de leiding van het centrum en haar vrijwilligers lopen er in en uit. Het personeel heeft niets in de gaten, maar na er weken als vluchteling te hebben geleefd, weet ik het honderd procent zeker: veel vrijwillige helpers zijn vermomde salafisten. Ze praten met de ontheemde vluchtelingen, winnen hun vertrouwen en nodigen hen na een tijd bij hen thuis uit voor koffie of thee. ‘Maak kennis met mijn familie en blijf eten.’ Stap na stap zuigen ze de vluchtelingen mee in hun rigide beleving van de islam. Na een tijdje beginnen ze te stoken tegen de ‘ongelovige Duitsers’.”

 

Toch niet alle salafisten zijn gewelddadig of dromen van de jihad?

“Het salafisme is een huis met vele kamers, maar of ze gewelddadig zijn of niet: hun ideologie is sluipend gif. Te veel jonge mensen laten er zich in Europa door verleiden. Salafisme is de eerste stap richting IS. De ronselaars spelen het zeer gewiekst. Natuurlijk zeggen ze niet tegen een radeloze vluchtelingenjongen uit Syrië: ‘Welkom bij IS.’ Ze winnen eerst zijn vertrouwen en beginnen dan met het injecteren van haat tegen het Westen en de Westerse waarden. ‘Duitsers zijn instrumenten van Satan.’

“Zeker het politieke salafisme moet verboden worden. Veel Europese moskeeën vormen broedhaarden van extremisme. De imams zijn sluw. Ze prediken op vrijdag niet: ‘Sluit je aan bij IS’, of: ‘Vermoord een priester in zijn kerk.’ Maar ze citeren wel uitvoerig de soera’s uit de Koran die door salafistische én jihadistische ideologen gebruikt worden. Van zodra er aanwijzingen zijn dat een moskee het salafisme ondersteunt of predikt, moet hij dicht.

“Niet alleen de salafisten, ook andere radicale moslimgroeperingen proberen in Europese asielcentra zieltjes te winnen. In het kamp van Eisenhüttenstadt vlakbij de Poolse grens maakte ik kennis met een groep gestaalde Tsjetsjeense moedjahedien die mannelijke vluchtelingen trachtten te ronselen. Jihadisten die in Tsjetsjenië gevochten hebben in en rond asielcentra laten rondlopen, is smeken om problemen. Ze hadden het hele kamp in hun macht. De vluchtelingen moesten een deel van hun geld aan hen afstaan. Ik heb die bedreigingen en transacties gefilmd. Pure maffia. Voor een aanslag zoals die in Ansbach waarbij een jonge geradicaliseerde vluchteling zichzelf opblaast, waarschuw ik al meer dan een jaar. Nu schrijven collega-journalisten: ‘Shams had gelijk.’ Ik wou dat het anders was, maar ik heb dus gelijk gekregen. (zucht) De aanslag op de kerk in Frankrijk en de aanslagen in München en Ansbach zijn nog maar een begin. De dader uit München had Afghaanse vrienden.”

 

Hij had toch niets te maken met jihadistische terreur?

“Er worden hem extreemrechtse motieven toegedicht. Wist u dat in Berlijn salafisten en neonazi’s van de Nationaldemokratische Partei Deutschlands (NPD) een duivelsverbond gesloten hebben om vluchtelingen voor zich te winnen? De Kriminalpolizei is dat nu aan het onderzoeken. Ik zag in Tempelberg met eigen ogen hoe neonazi’s en salafisten samen optrokken. Eén Afghaanse vriend van de dader uit München is gearresteerd; laat ons het verdere onderzoek maar afwachten. Misschien handelde hij niet voor rekening van IS, maar is hij wel besmet geraakt met het kwaadaardige haatvirus dat inherent is aan de salafistische ideologie. Al-Qaida en de Taliban vormen één front; nog verontrustender is dat IS en Al-Qaida weer samen door een deur lijken te kunnen.”

 

In september vorig jaar was ik in Erbil in Irak. De Syrisch-katholieke aartsbisschop van Mosoel leeft er in ballingschap. Hij vindt Europa naïef. Volgens hem is de vluchtelingenstroom geïnfiltreerd door IS.

“Hij heeft gelijk.”

 

Hij had het over 5.000 IS-strijders.

“Dat is niet overdreven. De vluchtelingenstroom van Syrië en Irak naar Europa was zowel voor Al-Qaida als voor IS een godsgeschenk. Ze hebben daar gretig gebruik van gemaakt.”

 

Veel terreurexperts hechten daar geen geloof aan. Volgens hen heeft IS alle strijders nodig in het kalifaat en is het risico te groot dat ze de overtocht niet overleven.

“Onzin. Voor jihadistische organisaties is de vluchtelingenstroom de beste manier om doorwinterde sleepers of slapende cellen Europa binnen te smokkelen. Nu wachten ze tot de tijd rijp is. Hun grootste probleem is geldgebrek. Ze moeten wapens kopen en chemicaliën verzamelen om bommen te maken. Gelukkig is de alertheid bij Europese inlichtingendiensten groot: als iemand stelselmatig scheikundige stoffen begint op te kopen, valt hen dat meteen op.”

 

Hebt u in asielcentra vermoedelijke sleepers ontmoet?

“Ik heb er mensen leren kennen van wie ik een zeer groot vermoeden heb dat ze sleepers zijn. Al zullen ze dat natuurlijk nooit zelf toegeven. In Duitse centra wordt geen halalvoedsel geserveerd. Voor strikt gelovige moslims is dat een probleem. Velen gaan ‘buiten’ eten. Ik ging vaak mee en haalde zo de banden aan. Het klinkt paradoxaal, maar veel ‘diepgelovigen’ zijn gek op drugs. Ik kocht cannabis voor vijf euro en bevoorraadde hen. Ze vonden dat niet gek: Pakistanen hebben nu eenmaal de reputatie drugdealers te zijn. ‘We are the best friends now’, zeiden ze. (lacht) Als je dag en nacht samen doorbrengt en vriendschap sluit, praten mensen soms hun mond voorbij, of tonen ze op hun smartphones filmpjes waarin zij de hoofdrol spelen. Ze deelden hun diepste overtuigingen met me. Ze vertrouwden me. Ik voel me nu niet geroepen om hen te verraden of over te dragen. Dat is mijn job niet als journalist. Ik meet de koorts in vluchtelingencentra, bericht daarover en stuur zo waarschuwingen de wereld in. De politie is verschillende keren bij me langs geweest. ‘Help ons alsjeblieft.’ Waarom zou ik? Ik ben geen informant: ik ben een journalist.”

 

Heeft de Duitse staatsveiligheid gepolst of u voor hen wou werken?

“Ja, ze hebben me dat zelfs schriftelijk gevraagd. Als ik dat doe, ben ik geen journalist meer. Ik weet dat de Oostenrijkse en Zwitserse politie naar aanleiding van mijn werk nu zelf undercoveragenten in de kampen hebben. In Zwitserland heb ik een tijd in het kamp van Kreuzlingen geleefd. Vluchtelingen werden er door de bewakers in elkaar geslagen. Wie te veel noten op zijn zang had, namen ze mee naar een aparte, speciaal ingerichte kamer. Ik heb daar opnamen van. Stel u voor: op de vlucht voor de oorlog in uw land komt u in Europa in een asielcentrum terecht waar de bewakers er een sport van maken om u op tijd en stond een flinke rammeling te geven. Zo creëer je als samenleving toch zelf je problemen? Als er dan in het centrum salafisten in de huid van ‘begripvolle helpers’ rondlopen, duw je de vluchtelingen toch zelf in hun armen?”

 

Als zoveel sleepers asiel gekregen hebben en in onze samenleving rondlopen, wil dat zeggen dat de screening niet deugt?

“Het klinkt als vloeken in de kerk, maar de identiteit van elke Syrische vluchteling die in Europa aankomt, moet gecheckt worden bij een Syrische ambassade of consulaat. De meesten hebben alleen een naam en geen papieren. 60 procent van de zogezegd Syrische en Irakese vluchtelingen komen binnen met valse namen. Er zitten flink wat Pakistanen, Iraniërs en Afghanen tussen. Het is echt niet moeilijk om aan vervalste documenten te geraken; met mijn voorraadje ben ik daar het levende bewijs van. De geheime dienst zou voldoende tijd moeten krijgen om verdachte ‘Syriërs’ en ‘Irakezen’ te screenen. In Duitsland ontbreekt die tijd nog steeds. Een deftige screening is er alleen als iemand ‘opvalt’. Dat is spelen met vuur. Een vluchteling met een crimineel verleden wordt aan de hand van zijn vingerafdrukken waarschijnlijk wel onderschept. De rest niet. In de asielcentra moeten dringend meer goed opgeleide maatschappelijk assistenten en psychologen aan de slag die voortdurend met de asielzoekers praten. Nu worden ze in een kamp gedropt en gebeurt er weken niets met hen. Ondertussen worden ze verleid door islamisten. Er moeten ook ‘undercovervluchtelingen’ ingezet worden die vooral alleenstaande vluchtelingen moeten proberen doorgronden.”

 

Klopt het dat er ook vluchtelingen in de kampen zitten die vochten in het leger van Assad?

“Ja, ik heb er zo een aantal leren kennen. Een van hen had nog een kogel van IS in zijn rug zitten. Toen ze asiel aanvroegen, hebben ze zich niet als soldaten of officieren van Assad voorgesteld, maar als gewone burgers op de vlucht voor geweld. Hun echte verhalen hoor je nooit na twee minuten. Vertrouwen winnen kost tijd. Soms duurt het weken.

“De christenen hebben het in de asielcentra het hardst te verduren. Hier in Berlijn worden ze geterroriseerd en gepest. Ik was zelf meermaals getuige hoe Syrische moslims de Iraanse christenen het bloed van onder de nagels pestten. Die Syrische moslims brengen alleen in de praktijk wat hun mullah hen opgelepeld heeft: ‘Christenen zijn ongelovige honden en mag je zo behandelen.’ Het is waanzin om christenen en moslims in deze omstandigheden samen te huisvesten.”

 

Hoe moeilijk is het om undercover een vluchtelingencentrum binnen te geraken?

“Het zal u niet lukken, u hebt er de looks niet voor. (lacht) Van elke vluchteling die Duitsland of eender welk ander Europees land binnenkomt, worden vingerafdrukken genomen. Dat systeem is waardeloos. Ik heb ondertussen in veel kampen gezeten, telkens weer werden mijn vingerafdrukken genomen en geen enkele keer begonnen de alarmbellen te rinkelen. ‘Hé, de afdrukken van die gast zitten al in het systeem.’ Geen enkele keer. Dat is toch onvoorstelbaar?”

 

U verblijft nog steeds undercover in asielcentra. Bent niet bang dat u ontmaskerd zal worden? In Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland stond uw foto in de kranten, u komt op tv.

“Vluchtelingen lezen geen Europese kranten. De Zwitserse autoriteiten hebben me twee keer aangeklaagd. Een keer voor ‘huisvredebreuk’ en een keer voor het ‘onrechtmatig maken van filmopnamen’. Ze moeten maar doen wat ze niet laten kunnen. Ik word afgedreigd door salafisten. Zij houden niet van me. (grijnst)

“Als ex-vluchteling kan ik het me permitteren om klaar en duidelijk te zeggen: vluchtelingen die criminele feiten plegen of gepleegd hebben, moeten meteen uitgewezen worden. Als een autochtone Duitser dat durft uit te spreken, krijgt hij het etiket ‘nazi’ of ‘islamofoob’ opgeplakt. Daarom wordt er in dit land vooral gezwegen. Voor een maatschappij is dat een ramp. Stel dat ik in 1990 in mijn huis in Pakistan een Duitser op bezoek gekregen had, die zou zeggen: ‘Voortaan wil ik hier blijven leven, maar wel volgens mijn regels.’ Dan had ik hem geantwoord: ‘Ben je gek? Je past je aan de regels van mijn land aan, anders kras je maar op.’ Ik kan dat hier nu vrij en vrank zeggen en van mij wordt dat ook geapprecieerd, maar voor een Duitser is dat not done. Ze willen o zo graag ‘zuiver’ blijven en slikken al hun frustraties over de vluchtelingenproblematiek in. Zolang niemand zijn mond durft te openen, etteren de problemen verder.”

 

De Franse oppositieleider Nicolas Sarkozy liet na de aanslag in de kerk weten dat hij voorstander is van huisarrest voor verdachte radicale moslims. Sommige Franse politici willen nog verder gaan: zij pleiten voor een ‘Frans Guantánamo’ waar verdachte islamisten kunnen worden opgesloten, ook als niet bewezen is dat ze plannen hadden voor een aanslag.

“Na wat er deze week gebeurd is, vind ik dat Sarkozy gelijk heeft. En ja, misschien moeten we ook zo’n kamp in overweging nemen. Mijn geboorteland Pakistan heeft onwaarschijnlijk veel mensen aan de terreur verloren: 60.000 mannen, vrouwen en kinderen lieten er het leven in aanslagen.”

 

Bent u bang dat Europa dezelfde weg opgaat?

“Ik denk niet dat er een bommencampagne zal volgen zoals in Pakistan of Irak, maar ik ben wel bang dat we in een soort van burgeroorlog terecht aan het komen zijn. Een burgeroorlog die niet gevoerd wordt met wapens, maar met haat. Ik vrees dat we nu al op weg zijn naar een samenleving waarin mensen elkaar hartsgrondig haten.”

 

 

 

Bio

Shams Ul-Haq

  • Geboren in 1975 in Pakistan als zoon van een doodarme straatverkoper
  • Werkte als kind zelf als verkoper op straat en verdiende zo 1 euro per dag
  • Werd in 1990 door zijn familie naar Duitsland gestuurd
  • Werd in 2001 genaturaliseerd tot Duitser
  • Werd door de aanslagen van 9/11 gedreven naar de journalistiek
  • Werkt o.a. voor nieuwszender N24, Die Welt en de Pakistaanse nieuwszender ARY
  • Werkt aan een boek over zijn undercoverwerk in asielcentra. Die Brutstätte des Terrors verschijnt in oktober

 

© Jan Stevens

Advertenties

“Ik had niet gedacht dat het zo erg was”

Van 17 tot 21 september trokken drie Belgische bisschoppen op solidariteitsmissie naar de vervolgde christenen en jezidi’s in Noord-Irak. Wij reisden met hen mee.

Welcome to the cradle of civilization’, sms’t een Iraakse gsm-operator als we de zoveelste controlepost op de gehavende weg van Erbil naar Dohuk in Iraaks-Koerdistan passeren. Achter de bergen schuilen de jihadisten van IS; aan deze kant hebben de soldaten van de Peshmerga, het Koerdische leger, zich ingegraven. Samen met Jozef De Kesel (68), bisschop van Brugge, Leon Lemmens (61), hulpbisschop van Mechelen-Brussel, en Guy Harpigny (67), bisschop van Doornik, rijden we naar een voormalig vakantiedorp net buiten Dohuk. Tot 2003 was het de geliefkoosde pleisterplaats van de Iraakse high society. Ook Saddam Hoessein had er zijn optrekje: hoog op de berg staan de ruïnes van zijn zomerpaleis. In de opgekalefaterde huizen leven nu 358 jezidi-gezinnen. In augustus 2014 viel hun stad Sinjar in handen van IS. Duizenden werden vermoord en 40.000 mensen vluchtten de bergen in, waar ze dagenlang zonder eten of drinken geïsoleerd zaten. Een van hen is Ismaïl. Hij heeft twee vrouwen en is de trotse vader van dertien kinderen. “Na twee wanhopige weken op de berg, werden we bevrijd door de Peshmerga en konden we vluchten”, zegt hij. “Veel families hebben vaders, moeders en kinderen verloren op de 150 kilometer lange tocht naar hier. We overleven met de hulp van de regering. Er is geen werk, maar ik heb geld nodig om mijn gezin te onderhouden. Daarom heb ik heb me als vrijwilliger aangemeld bij de Peshmerga. Volgende maand keer ik terug naar Sinjar om er tegen IS te gaan vechten.”

De 21-jarige Mehsen is al een jaar soldaat. “Tien dagen vecht ik aan het front, daarna ben ik 20 dagen thuis. Meteen nadat we hier vorig jaar aankwamen, heb ik me gemeld als vrijwilliger. De terroristen van IS schoten mijn vader in de schouder. Voor vluchtelingen is er geen werk, maar als soldaat krijg ik een salaris en kan ik voor papa, mama en mijn broer zorgen.” Toch zit Mehsen al drie maanden op droog zaad. “De regering van de Koerdische Autonome Regio is blut. De centrale regering in Bagdad weigert het geld door te storten dat Iraaks-Koerdistan verdient aan de oliehandel met Turkije. De soldaten zijn daar de dupe van en krijgen geen loon.”

35-jarige oorlog

Abbas komt er bij staan. “Wij zijn gevlucht uit Karakosh, een stad in de vlakte van Niniveh. Ik werkte er als veearts. In de nacht van 5 op 6 augustus 2014 kwam IS. Met mijn vrouw en vier kinderen zijn we in paniek met de auto vertrokken. IS had toen al Mosoel en andere steden en dorpen veroverd waar christenen en jezidi’s woonden. In de Islamitische Staat kun je kiezen tussen je bekeren of de dood. Voor de minderheden is er in Irak geen plaats meer. Het is extreem moeilijk geworden om samen te leven met moslims. Misschien dat het binnen twintig of dertig jaar opnieuw lukt, al vrees ik dat het nog minstens een eeuw zal duren.”

Abbas is het wapengekletter moe. “We zijn al 35 jaar in oorlog. Het begon met de oorlog tegen Iran in 1980. Daarna volgde de desastreuze annexatie van Koeweit. De eerste golfoorlog heeft het Iraakse leger totaal verwoest. Onze economie is nu om zeep en onze samenleving ontwricht. Mijn kinderen hebben alleen een toekomst in Amerika, Europa of Canada. Maar ik wil niet zoals die honderdduizenden andere vluchtelingen op een illegale manier naar het Westen vertrekken. Ik wil legaal emigreren.”

Het 13-jarige jezidi-meisje Faizia zat acht maanden lang gevangen bij IS. In april kon ze ontsnappen. Vader en moeder liet ze bij IS achter. Ze ziet er kwetsbaar uit. “Ze behandelden ons slecht”, zegt ze. “Ze bedreigden en sloegen ons. Ik was heel bang. Het waren slechte mannen, met lelijke gezichten.”

Guy Harpigny heeft het zichtbaar moeilijk. De bisschop kan zijn tranen amper onderdrukken. “Het is niet de eerste keer dat ik in een vluchtelingenkamp kom”, zegt hij later. “Maar ik zie hier al die kinderen en vraag me af: ‘Wat is hun toekomst?’ Het lot van die kinderen emotioneert me. Dit is de ideale voedingsbodem voor toekomstig terrorisme.”

Gevangenis

In het vluchtelingenkamp Dawudiya in Dohuk staan duizend containers van 3 op 6 meter. De bisschoppen schudden handen, luisteren en troosten. Jozef De Kesel ziet er bedrukt uit. “Ik had niet gedacht dat het zo erg was”, zegt hij. “We kennen allemaal de beelden van kampen op tv, maar de werkelijkheid is toch anders. Mensen kunnen niet jarenlang in deze omstandigheden blijven leven. Ik vind dit zo lastig: nu zeggen we goeiedag en straks zijn we weer weg.”

Leon Lemmens lijkt onvermoeibaar, stapt van container naar container, praat meelevend met mensen en aait kinderen liefdevol over de bol. Maar onderhuids woedt de verontwaardiging. “Europeanen mogen niet langer onverschillig blijven terwijl er zich voor hun ogen een tragedie afspeelt”, zegt hij. “In tegenstelling tot de miljoenen moslimvluchtelingen hebben de jezidi’s en de christenen geen plek meer waar ze naartoe kunnen. Al hun veilige dorpen en steden zijn ze kwijt en ze zijn veroordeeld tot een uitzichtloos leven in barakken. Ofwel dringen we IS terug en creëren we veilige zones waar ze terecht kunnen, ofwel vinden ook zij de weg naar het Westen.”

Mehd is een gepensioneerd luchtmachtgeneraal uit het leger van Saddam. Met zijn twee zonen, schoondochter en kleinzoon deelt hij een container. “Om bij het leger aan de slag te kunnen, heb ik als jonge man mijn paspoort vervalst. Mijn christelijke naam Matthew veranderde ik in het Arabische Mehd. Nu wil ik een paspoort op mijn echte naam omdat ik het land uit wil, maar dat lukt niet.”

Hoe kijkt hij terug op het Saddam-tijdperk? “Ik was geen fan van Saddam; veel mensen werkten toen voor de overheid. Nu hebben we de ene ellende ingeruild voor de andere. Al onze politici zijn dikke nullen, op elk niveau. Er is niets veranderd. U hebt in Europa vrijheid en mag alles zeggen wat u wilt. Wij moeten hier nog steeds onze mond houden.”

Mehd is het leven in het kamp spuugzat. “Als wij het woord ‘duivel’ durven uitspreken, hebben we ruzie met de jezidi’s. Als de twee bovenste knopen van mijn hemd openstaan, worden ze boos. Zo rollen we van het ene conflict in het andere. Als iemand u zegt dat wij hier in vrede samenleven, is dat een leugen. Dit kamp is een gevangenis.”

Father Douglas

In november 2006 werd Father Douglas in Bagdad gekidnapt door islamisten. Ze braken zijn neus en tanden, sloegen met een hamer op zijn vingers, gezicht en knieën en gaven hem dagenlang niets te drinken. Hij kan nog steeds niet slapen als er ’s nachts geen flesje water naast zijn bed staat. Nadat de kerk 170.000 dollar losgeld betaald had, werd hij vrijgelaten. Vandaag is hij pastoor van de Mar Elia-parochie in de christelijke Ankawa–wijk in Erbil. “Na de val van Mosoel vingen we hier aan de kerk 200 families in grote legertenten op”, zegt hij. “Nu zijn de tenten vervangen door containers. Ik noem deze plek geen kamp, maar een centrum. Onze werking verschilt totaal van andere vluchtelingenkampen. We focussen ons op onderwijs. In het begin voelden de kinderen zich hier ontheemd en verloren. Dat had invloed op hun gedrag. Na een jaar op onze schoolbanken zijn het engeltjes. Direct na hun aankomst zijn we hen beginnen onderwijzen. Wij bereiden hen voor om leiders te worden. Ze worden onze wraak. Want in dit land hebben we veel bazen, maar geen leiders.”

Bereidt hij ze niet eerder voor om te vertrekken? “Misschien wel. De geschiedenis heeft mij geleerd dat er in Irak geen dialoog met moslims mogelijk is. Ze zijn doof.”

Televisie en airco

Petros had tot vorig jaar een apotheek in Karakosh. Nu woont hij met zijn gezin in een container in het kamp van Father Douglas. “In de nacht van 5 op 6 augustus 2014 vluchtten we net als alle andere christenen voor de barbaren van IS. We hadden het verschrikkelijke nieuws over Sinjar en over het lot van de jezidi’s gehoord.”

Petros neemt zijn smartphone. “Ik heb de uittocht gefilmd. Duizenden auto’s wilden gelijktijdig de stad uit. Het was chaos. We vluchtten naar Erbil omdat deze plek dichtst bij Karakosh ligt. Wij hebben geluk in dit kamp: mijn tienjarige kleindochter Nur kan dankzij Father Douglas Engels leren. We klagen niet, maar het valt niet mee om je hele leven achter te moeten laten en te moeten inruilen voor dat van een vluchteling. We zitten hier nu meer dan een jaar en ik weet niet hoe lang we het nog kunnen volhouden. Amerika, Duitsland en Frankrijk moeten het Iraakse leger nog meer helpen om die levensgevaarlijke kerels van IS op te ruimen.”

Ook Petros heeft genoeg van de oorlog. “Ik begrijp niet waarom er maar geen einde aan komt. Veel gewone mensen zijn depressief geworden door het nooit stoppende geweld. Er rest ons maar een alternatief: migreren naar een ander land. Hier is geen toekomst. Karakosh was een christelijke stad, met een moslimminderheid. Sommigen zijn gebleven toen IS kwam en collaboreren nu met hen. Natuurlijk zijn niet alle moslims jihadisten. We hadden moslimburen waar we een goede verstandhouding mee hadden. Maar na de komst van IS hebben de armsten onder hen hun principes ingeruild voor een televisie en een airco.”

Collatoral dammage

De Belgische bisschoppen zijn uitgenodigd op de thee bij Bashar Warda, de Chaldeeuws-katholieke aartsbisschop van Erbil. Warda studeerde eind jaren negentig aan de KULeuven en onderzocht er het jihadisme. Het portret dat hij voor zijn Belgische collega’s van Irak en het Midden-Oosten schetst, klinkt rauw en grimmig. “Alle oorlogen van de voorbije jaren in het Midden-Oosten zijn volgens mij het voorspel van een grote oorlog tussen de soennieten en sjiieten. Christenen zullen daarvan het eerste slachtoffer zijn, zij zijn de collatoral dammage.”

Bisschop Warda ziet maar een mogelijk antwoord op IS: totale oorlog. “Met hen is geen dialoog mogelijk. Alleen is het probleem niet enkel IS, maar ook hun ideologie die over de hele regio verspreid is. We horen nogal wat pro-IS-stemmen bij jonge moslims in dit land. We kunnen dat alleen tegengaan met onderwijs. De kerk investeert daar veel in. Ik ben niet van plan om op te geven en ik zal hier blijven. Maar we kunnen dat niet van alle christenen verlangen.”

Wat vindt Warda van de vluchtelingenstroom naar Europa? “Jullie moeten zeker mededogen hebben met vluchtelingen die in de kampen in Turkije, Libanon en Jordanië geregistreerd zijn door de Verenigde Naties. Maar hoe meer vluchtelingen Europa toelaat, hoe meer andere mensen aangemoedigd worden om ook te vertrekken. Dat is een ideaal scenario voor IS-strijders om zo ook het Westen binnen te geraken. Ze zijn er trouwens nu al. Wij volgen de jihadisten op het internet. De boodschappen die sommige van die ‘migranten’ vanuit Europa in het Arabisch versturen, zijn zeer verontrustend. IS zit tussen de vluchtelingenstroom.”

Hoe hoopvol is onze bisschop Guy Harpigny over de toekomst van Irak? “Binnen zes maanden zal er voor Irak geen oplossing zijn, maar misschien wel binnen vijftig jaar. Soms vinden er door een samenloop van omstandigheden zelfs veranderingen plaats in twee weken tijd. De Iraakse Koerden vragen ons niet om militair in te grijpen, maar zijn wel vragende partij voor wapens. Misschien is het ook wel beter dat de Koerden zelf sterk genoeg zijn om een militaire oplossing te forceren.”

Moet er dan niet gepraat worden? “Natuurlijk is dialoog heel belangrijk. De kerk kan daarin bemiddelen. Op een dag zal er trouwens ook met IS gesproken moeten worden. Het zijn fanatici, maar generaals van het leger van Saddam Hoessein trekken mee aan de touwtjes. Die mensen zullen toch niet helemaal gek zijn?”

Mar Mattai

Onder escorte van zwaarbewapende Peshmerga rijden we de berg op, naar het eeuwenoude klooster van Mar Mattai. In de vallei ligt de door IS bezette stad Mosoel. De frontlinie is amper twee kilometer hiervandaan. De kettingrokende Peshmerga-commandant liet er daarnet geen twijfel over bestaan: de bevrijding van Mosoel is nog niet voor morgen. “Eerst moeten we een akkoord over de strategie onderhandelen met de regering in Bagdad.”

Father Joseph verwelkomt de bisschoppen in Mar Mattai met een kus. Joseph is een van de achtergebleven zeven monniken. Ze geven onderdak aan vijf vluchtelingenfamilies. Josephs broer is in 2006 in Mosoel vermoord. “Ze schoten hem neer op straat. Ze hadden hem uitgekozen als een waarschuwing voor alle christenen: ‘Ga hier weg.’”

“Is het nog mogelijk voor christenen om met moslims samen te leven?”, vraagt bisschop Lemmens. “In Mosoel niet. Elke christen wil weg uit Irak, terwijl net hier de geboorteplaats van het christendom ligt.”

In de tuin van het klooster poseren de bisschoppen voor een foto. In de verte dropt een vliegtuig zijn dodelijke lading.

© Jan Stevens

Terug naar Kosovo

Vorige week vertrok de uitgeprocedeerde Albanese vluchtelingenfamilie Halimi ‘vrijwillig’ terug naar ‘huis’. De Dienst Vreemdelingenzaken gaf hen een enkeltje Servië met tussenstop in Kosovo. Een ultieme confrontatie met hun vroegere kwelduivels, de Servische politie, zagen de Halimi’s niet zitten. “Als we naar Servië moeten, gooien we ons liever met de kinderen onder de trein.”

 

_DSC0009

 

Vrijdag 5 september 16.35 u, luchthaven – Zaventem

Op de Kiss & Fly-zone stoppen twee grijze minibusjes. In het ene zit de familie Halimi: moeder Merita (41), vader Qerim (39) en hun vier dochtertjes Festina (11), Bleona (10), Lejla (7) en Suela (3). In het andere busje liggen zes propvolle bagagetassen. Op de badges van de in grijs uniform geklede chauffeurs staat: ‘IBZ – Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken’. De zon schijnt, auto’s en taxi’s rijden af en aan, ontspannen vakantiegangers kussen hun geliefden vaarwel en rollen hun koffers de vertrekhal binnen. Festina stapt als eerste uit de bus. “Ik ben bang”, zegt ze. “Ik heb nog nooit gevlogen.”

Binnen twee uur zullen Festina en haar familie voor de allereerste keer in hun leven de gordels van hun vliegtuigstoelen vastklikken. Een half uur later zullen ze voor het eerst ervaren hoe het voelt als het vliegtuig na een snelle aanloop het luchtruim kiest. In normale omstandigheden zou de luchtdoop van vanavond een feestelijke gebeurtenis moeten zijn. Maar voor de familie Halimi zijn dit geen ‘normale omstandigheden’ en wordt vlucht JAF5847 naar Pristina geen feest. “Onze droom is voorbij”, zegt moeder Merita terwijl ze een van de zware tassen op een trolley sleept. “Onze nachtmerrie begint nu pas echt.”


Wat voorafging: woensdag 20 augustus 16.00 u, oude rijkswachtkazerne – Bevekom

Sinds 5 augustus bivakkeert de uitgeprocedeerde familie Halimi in een huis waar tot voor de grote politiehervorming van vijftien jaar geleden een rijkswachter met zijn gezin woonde. Omdat Merita en Qerim vier kinderen hebben, zijn ze niet ondergebracht in een gesloten instelling, maar in een ‘woonunit’ van Fedasil waar ze kunnen gaan en staan waar ze willen. Helemaal vrij zijn ze niet: er moet altijd één volwassene lijfelijk in het huis aanwezig zijn.

In het kantoor van terugkeercoach Eve van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) zitten Merita en Vera, een vriendin van de familie met een Italiaans paspoort en Kosovaarse roots. Eve probeert Merita ervan te overtuigen voor een vrijwillige terugkeer te kiezen. Vera vertaalt in het Albanees.

“Bij een gedwongen terugkeer worden jullie zonder boe of ba door de politie op een vliegtuig gezet en in jullie land van herkomst aan jullie lot overgelaten. Als je tekent voor een vrijwillige terugkeer, regelen wij alles. Dan helpen we een huis zoeken, betalen we een tijdje de huur, krijg je geld om inkopen te doen en krijgen jullie een voorraad medicijnen mee.”

Merita weent. Liefst wil ze met haar kinderen in België blijven.

“Het vliegtuig brengt je naar Belgrado, de hoofdstad van Servië.” Merita schudt van nee. Dat in geen geval. “Niet naar Servië.” Als ze terugkeren, zal het naar Pristina zijn, de hoofdstad van Kosovo. “Dat kan niet”, zegt Eve. “Jullie hebben Servische paspoorten. We sturen jullie terug naar jullie land van herkomst, en dat is Servië.”

Merita kijkt strak voor zich uit. “Als ik naar Servië moet, gooi ik me met mijn kinderen onder de trein”, fluistert ze.
Eve neemt Vera apart. “Probeer Merita ervan te overtuigen toch vrijwillig te tekenen”, zegt ze. “Het is in hun eigen belang. Bij een gedwongen terugkeer mogen ze twee jaar lang geen voet in België meer zetten. Als ze vrijwillig vertrekken, kunnen ze na één jaar terugkeren. Probeer werk voor Merita te vinden, dan kan ze legaal met haar kinderen terug komen.”

Merita Halimi werd geboren op 21 juni 1973 in Muhovac, een dorp in Servië, aan de grens met Kosovo. Een jaar later, op 2 december 1974, zag haar toekomstige man Qerim Halimi het levenslicht in Madere, een naburig dorp. Merita en Qerim groeiden op in een Albanese enclave, tussen Servisch sprekende landgenoten. Ze ontmoetten elkaar halverwege de jaren negentig, trouwden, vestigden zich in Madere en leidden er een rustig bestaan. In 1998 werd hun leven zwaar verstoord door de start van de oorlog. Het Servische leger viel de naar onafhankelijkheid strevende provincie Kosovo binnen, waarna tienduizenden Albaneessprekende inwoners op de vlucht sloegen. De Albanese enclaves in Servië kregen het zwaar te verduren. Politieagenten voerden razzia’s uit, vielen huizen binnen en namen jonge mannen mee.

“In 1999 werd Qerim door de Servische politie gearresteerd”, vertelt vriendin Vera. “Ze hingen hem in een kelder op aan zijn polsen en sloegen hem op zijn hoofd tot hij het bewustzijn verloor. Voor zijn arrestatie was Qerim een vriendelijke man. Door de mishandeling liep hij zware hersenschade op en veranderde zijn persoonlijkheid. Als hij geen medicatie neemt, wordt hij agressief. Zijn woede reageert hij dan meestal af op zijn vrouw en soms op zijn kinderen.”

Van zodra Qerim voldoende hersteld was om te reizen, vluchtten de Halimi’s naar de stad Gjilan in Kosovo, waar ze onderdak vonden in een eenkamerwoning. Tien jaar lang leefden Qerim en Merita in die ene kamer in Gjilan. Hun dochtertjes Festina, Bleona en Lelja werden er geboren en liepen er school. Het werd steeds moeilijker om de touwtjes aan elkaar te knopen. Ze leefden nu in het onafhankelijke Kosovo, spraken er net als iedereen Albanees, maar werden door hun medeburgers gewantrouwd omwille van hun Servisch paspoort. In mei 2010 namen de Halimi’s met hun drie kinderen de bus naar België. Op 14 juli 2011 werd in Sint-Niklaas hun vierde dochter Suela geboren.

 

Vrijdag 5 september 17.00 u, luchthaven – Zaventem

Terugkeerbegeleidsters Natasia en Tinne van DVZ loodsen de Halimi’s voorbij de paspoort- en handbagagecontrole tot aan de vertrekgate. De meisjes pakken de afscheidscadeautjes uit die ze van de kinderen van hun klas gekregen hebben. “Wauw, een loom box.” Festina en Bleona lezen brieven van hun vrienden en vriendinnen. Qerim staart door het raam naar de vliegtuigen op het tarmac.

“Vrijdag 22 augustus heb ik onze vrijwillige terugkeer getekend”, zegt Merita. “Ik had geen keuze. Maar ik wou niet naar Belgrado, niet naar de Servische politie. Vreemdelingenzaken ging uiteindelijk akkoord met een vlucht naar Pristina, de hoofdstad van Kosovo.”

Op de luchthaven van Pristina zullen ze opgewacht worden door Arber. “Hij is een Albanees die voor ons werkt”, zegt Natasia. “Hij heeft voor hen een huis gevonden in Presevo, een stad in Servië. Hij zal hen vanavond nog met de auto de grens overbrengen naar hun nieuwe huis.”

Festina kijkt verschrikt op. “Nee, niet naar Servië”, zegt ze.

_DSC0023

Vriendin Vera trok bleek weg toen ze een paar dagen voor het vertrek van de Halimi’s hoorde dat Arber hen van Pristina naar Presevo zou brengen. “Een Albanees die andere Albanezen de grens met Servië overzet, is compleet geschift”, riep ze verontwaardigd. “Na de oorlog zijn alle Kosovaren uit het Servische grensgebied weg gevlucht. De Halimi’s zullen in Presevo als enige Albanezen tussen Serviërs moeten gaan wonen. Zo zijn ze overgeleverd aan de haat en de willekeur van de Servische politie. Ik kan me voorstellen hoe die Arber zijn Belgische collega’s van DVZ bezwoer: ‘Ik vind wel een huis in Servië. Geen probleem.’ Natuurlijk niet, de huizen van de Kosovaren staan allemaal leeg.”

Qerim zit ineengedoken in een stoel te wachten op het bericht dat de passagiers voor Pristina mogen boarden. De kalmeringspil doet zijn werk. Een week geleden ging Qerim nog eens door het lint en koelde hij zijn woede op zijn vrouw. Natasia en Tinne hopen dat hij straks op het vliegtuig kalm zal blijven. “Hij heeft al een paar extra pillen gehad vandaag. Volgens de dokter moet het lukken.”

 

 

Wat voorafging: maandag 1 september 15.00 u, oude rijkswachtkazerne – Bevekom

De kogel is door de kerk: vrijdag keren de Halimi’s vrijwillig terug naar huis. Niet via Belgrado, maar via Pristina. “Ze hebben de juiste beslissing genomen”, zegt terugkeercoach Eve.

Merita en de kinderen zitten rond de tafel in de living van het voormalige rijkswachtershuis. Hun bagage staat al gepakt, Qerim is bij de dokter. Merita laat de blauwe plekken op haar armen zien. “Hij heeft weer een aanval gehad.”

Eve stelt haar gerust: “Hij krijgt van de dokter pillen voor zes maanden mee, net als jij voor jouw epilepsie. Arber zal jullie de weg tonen naar medische hulp.”

Toen de Halimi’s in mei 2010 in Brussel arriveerden, vroegen ze asiel aan. “Ze hebben toen verkeerd advies gekregen”, zegt een vluchtelingenexpert die hun dossier kent maar anoniem wil blijven. “Ze kwamen niet in aanmerking voor asiel. De mishandeling door de Servische politie dateerde al van 1999. Ze hebben discriminatie door de Serviërs ingeroepen, maar dat wordt niet aanvaard. Officieel zijn Kosovo en Servië nu veilig, zowel voor Albanezen als voor Serviërs. Toen hun asielaanvraag afgekeurd werd, gingen de Halimi’s niet in beroep, maar startten ze een procedure voor regularisatie om medische redenen. De geestelijke toestand van Qerim is extreem wankel: hij lijdt aan post-traumatisch-stresssyndroom, Merita heeft epilepsie en het zevenjarige meisje Lejla kampt met een ernstige ontwikkelingsstoornis. Volgens officiële rapporten is de gezondheidszorg in Servië up-to-date en voor elke burger toegankelijk. Het land lonkt naar de eurozone en doet zijn best om zo fraai mogelijke verslagen over de nationale toestand de wereld in te sturen. DVZ maakt dankbaar gebruik van die verslagen. De werkelijkheid is enigszins anders.”

 

Vrijdag 5 september 20.00 u, aan boord van vlucht JAF5847

Festina kijkt door het vliegtuigraampje. “De wolken lijken zo zacht, daar zou ik graag op willen liggen.” Ze lacht naar haar vader; hij lacht terug. “Oef, papa is rustig. Ik vind het raar om weg te gaan, want ik vond het zeer leuk in België. Ik herinner me nog de school in Gjilan waar de juffen en de meesters ontzettend streng waren. De juffen en meesters op mijn school in Stekene waren keilief.”

Festina heeft er geen flauw benul van hoe haar toekomst er na vanavond zal uitzien. “Een zaak staat als een paal boven water: naar Servië gaan we niet. Vanavond gaan we naar een broer van mijn papa. Dat is het enige dat ik weet.”

Hoezo? Op de luchthaven van Pristina worden ze toch opgewacht door Arber van DVZ die hen naar Servië zal brengen? “Met die man willen we niets te maken hebben. Papa’s broer zal er zijn. We hebben afgesproken dat we hem niet zullen omhelzen, want we moeten er dan snel vandoor.”

Toen Festina in België aankwam was ze zeven. “Ik kan me die dag nog goed herinneren. We hadden meer dan twee dagen op de bus gezeten. In Kosovo vonden we geen plek om te leven en we waren de pesterijen moe. Een vriendin van mama zei: ‘Ik ken België; dat is een goed land. Veel Kosovaren zijn daar gaan wonen. Waarom jullie ook niet?’ Mijn kleinste zus Suela was nog niet geboren en de bustickets voor mij en zus Bleona waren niet zo duur. Lejla was nog een baby, zij mocht gratis mee. We zaten eerst een tijdje in het asielcentrum van Sint-Niklaas. Daar sloegen de stoppen bij papa weer door. Ze hebben een huis voor ons gezocht in Stekene. In de winter van 2010 zijn we verhuisd.”

De stewardess vraagt aan Festina of ze iets wil drinken. “Cola alstublieft.” Ze fluistert: “Stewardess zou ik ook wel willen worden. Of juffrouw in de klas. Met mijn zussen speel ik nu al schooltje. Ik ben dan de juffrouw.”

Wie of wat zal ze het meeste missen? “Mijn vrienden en vriendinnen op school. Ik wil later graag terug naar België komen om ze terug te zien. Ik weet alleen niet of ze dan nog op mijn oude school zullen zijn. Mijn ouders hebben nooit spijt van hun reis naar België gehad. Ze hebben de voorbije week vaak gepraat over hoe het verder moet. Ze zijn doodsbang. Serviërs houden niet van mensen zoals wij; ze hebben oorlog tegen ons gevoerd. Onze familie woont in Kosovo. Ik begrijp niet waarom België ons nu naar Presevo stuurt.”

 

Vrijdag 5 september 22.00 u, luchthaven – Pristina

De tassen van de Halimi’s draaien rondjes op de bagageband. Een tas heeft de vlucht niet overleefd en is gescheurd aan de naden. Kleren en een pot oploskoffie vallen op de grond. Het huilen staat Merita nader dan het lachen. Ze propt alles terug de tas in. De kinderen helpen dapper mee. Qerim stapelt ondertussen de andere tassen op trolleys.

De automatische deuren naar de vertrekhal schuiven open. Een man komt de Halimi’s tegemoet, schudt hen een voor een de hand en neemt Merita’s trolley over. “Qerims broer Xhema”, zegt ze. “Bel ons morgenvroeg.” Ze haasten zich naar buiten. Van Arber van DVZ is geen spoor.

 

Zaterdag 6 september 09.00 u, een hotelkamer in Pristina

De gsm piept. Een sms van Muriël, diensthoofd van de terugkeerbegeleiders van DVZ, met het telefoonnummer van Arber. Eerder dan vanmorgen wou ze het nummer van haar Albanese medewerker niet geven. “Hij moet alles regelen en is erg gestresseerd. Hij is bang dat bemoeienissen van een journalist zijn missie zullen doen mislukken en dat hij zo de familie niet de grens met Servië zal overkrijgen. U mag hem zaterdagmorgen bellen als hij hen naar Presevo gebracht heeft. Daar zal u hen dan kunnen ontmoeten.”

Arber? We hebben u gisterenavond niet op de luchthaven gezien?

“De familie is nu bij verwanten in Gjilan om een beetje van de reis te bekomen.”

Hoezo? Ging u hen niet meteen naar Presevo brengen?

“Dat is voor later. Eerst mogen ze een paar dagen uitrusten.”

“We zijn in het huis van mijn oom in Gjilan”, zegt Festina een half uur later aan de telefoon. “Mama en oom Xhema gaan straks samen met Arber inkopen doen.”

Voor de deur van ons hotel staat een taxi met Macedonische nummerplaat klaar om ons naar Servië te brengen. Auto’s met Kosovaarse nummerplaten worden door de Servische grenswachten onverbiddelijk terug gestuurd. De Macedonische chauffeur kijkt bedenkelijk als hij hoort dat de reis naar Servië niet doorgaat. “U wilt nu naar Gjilan hier in Kosovo?” Hij laat merken dat hij het meer op Serviërs dan op Albanezen begrepen heeft. Maar de klant is koning. “Waar moet u ergens in die stad zijn?”

_DSC0030

 

Zaterdag 6 september 12.30 u, Pristinastraat – Gjilan

_DSC0066Qelim ijsbeert in de eenkamerwoning die hij meer dan vier jaar geleden achterliet. “Catastrofe”, zegt hij. “Catastrofe.” Dat woord blijft hij als een mantra herhalen. De kamer meet zes op drie, met ernaast een klein hok met een zitbad en een wc. Het dak is lek als een vergiet. De muren zijn beschimmeld, de meubels kapot en klam. Er staat een wiegje. Aan de muur hangt een blad van een kalender met de maanden april, mei en juni van het jaar 2010. Op het kleine prikbord boven de kalender hangt een foto van Merita met op haar schoot de kleine Bleona. Naast hen zit Festina op de schoot van de kerstman. Deze plek is vier jaar lang zo goed als onaangeroerd gebleven.

 

Qerim wijst naar de kalender, steekt zijn armen omhoog, houdt zijn polsen samen en zegt: “Politie, boem, boem, boem.” Hij gaat zitten in een kapotte zetel.

Waar sliepen vader en moeder Halimi? Qerim wijst naar de zetels. En de kinderen? “Ook.”

Merita en de kinderen stappen binnen. De meisjes zijn stil. “Het is hier veel kleiner dan in mijn herinnering”, zegt Festina. Lejla begint te wenen. Merita volgt, Bleona en Qerim ook. Als laatste valt Suela in. Festina houdt zich sterk.

Voorlopig verblijven ze bij Qerims broer Xhema, maar lang kunnen ze daar niet blijven. “Bij andere familie kunnen we niet terecht”, zucht Merita. “Binnen een paar dagen trekken we met zijn allen hier in.” Ze verbergt haar gezicht achter haar handen en huilt zachtjes.

“Dat is toch niet zo erg, mama”, zegt Festina. “Dit is gewoon een huis. Ik was alleen vergeten dat het zo klein was.”

“Het is hier superklein”, snikt Bleona.

Het wordt stil in de kamer. Iedereen is in gedachten verzonken. Is het huis dat Arber in Presevo gevonden heeft dan toch een optie? Merita kijkt verschrikt op. “Naar Presevo gaan we niet. Dan kunnen we beter met zes in deze kamer wonen. We zijn Servisch staatsburger en dat speelt ons parten, want de Serviërs willen ons niet. Integendeel, ze viseren ons. De Kosovaren vertrouwen ons niet. Qerims broer Xhema heeft geluk: hij is met een Kosovaarse getrouwd waardoor hij nu ook de Kosovaarse nationaliteit heeft.”

Kunnen ze met het geld dat ze voor hun vrijwillige terugkeer van België gekregen hebben geen ander huis in deze stad zoeken? “Welk geld?” Merita lacht schamper.

Later die dag zullen we Xhema ontmoeten. Ook hij begrijpt niet waarom de Belgische overheid zijn broer en schoonzus naar Presevo wil sturen. “Het deugt er nog steeds niet voor mensen die Albanees spreken, ook al is het dan op papier een ‘neutrale zone’. De gendarmerie regeert er met sterke hand en heeft het op hen gemunt. Er zijn zelfs geen scholen waar Albanees gesproken wordt.”

 

_DSC0067

We stappen naar buiten, de straat op. De meisjes willen ons hun oude school laten zien. “In mijn herinneringen waren de straten van Gjilan mooi”, zegt Festina. “De jongens en meisjes droegen mooie kleren en zagen er gelukkig uit.” De werkelijkheid valt lelijk tegen? “Ja.”

Onderweg herhaalt Merita voor de zoveelste keer: “Ik wil terug naar België, hoe eerder, hoe liever. Qelim heeft medicijnen voor een half jaar. Als die op zijn, beginnen de problemen pas echt. Er is ons verzekerd dat we kunnen terugkeren, maar dan moesten we wel eerst vrijwillig vertrekken.”

“Mama wil niet meer meemaken dat papa woest wordt”, zegt Festina. “Als papa gek wordt, doet mama alsof ze slaapt. Wij fluisteren haar dan toe wanneer het veilig is. Dan ben ik echt bang.”

Is hij dan ook boos op Festina? “Hij is dan boos op iedereen. Als hij zijn medicijnen op tijd inneemt, is hij lief.”

Volgens de vluchtelingenexpert maken de Halimi’s geen schijn van kans ooit naar België terug te keren. “Ze hebben een inreisverbod van drie jaar. Dat staat niet in hun paspoort, het is best mogelijk dat ze daarover onwetend zijn. Hun vingerafdrukken staan geregistreerd: van zodra ze de Schengenzone proberen binnen te komen, worden ze opgepakt.”

Tekst: © Jan Stevens

Foto’s: ©Veerle Van Hoey

Chinezen krijgen tien keer vaker asiel dan Syriërs

Een Chinees die in België asiel aanvraagt, maakt vier keer zoveel kans op erkenning als een Afghaan, en bijna tien keer zoveel als een Syriër. Uit cijfers van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen blijkt dat in de eerste negen maanden van dit jaar 88,4% van de Chinezen het vluchtelingenstatuut kreeg. Bijna alle Chinese asielaanvragers hebben ‘het Tibetaans profiel’, waardoor ze vlot in aanmerking komen voor erkenning. Ook als ze nooit een voet in China gezet hebben.

 

Van de 1.707 behandelde vluchtelingendossiers van Afghanen, werden er dit jaar door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen 375 of 22% gehonoreerd, van de 1.034 Syriërs slechts 96 of 9,3%. Van de 189 Chinezen kregen er 167 of maar liefst 88,4% asiel. China staat al jaren bovenaan in de top tien van landen met de meest succesvolle asielaanvragen. Terwijl het gemiddelde erkenningspercentage van de meeste andere landen tussen 10 en 20 % schommelt, haalt China steevast vlot 90%.

“Nogal wat Afghanen en Syriërs krijgen subsidiaire bescherming”, zegt Els Cleemput, woordvoerster van staatssecretaris voor Asiel en Migratie Maggie De Block. “Omwille van het geweld in hun land mogen ze tijdelijk blijven. Om de twee jaar wordt dat geëvalueerd. Wij bepalen niet wie erkend wordt als vluchteling: dat is een onafhankelijke beslissing van het Commissariaat-Generaal.”

“De meeste Chinese asielaanvragers zijn Tibetanen die afkomstig zijn uit China”, zegt vluchtelingencommissaris Dirk Van Den Bulck. “Ze krijgen de vluchtelingenstatus omdat ze vervolgd worden voor hun etnische afkomst. Slechts weinig andere Chinezen dienen een asielaanvraag in. De meesten verdwijnen in de illegaliteit.”

Krijgt elke Tibetaan automatisch asiel? “Nee. Elk individueel dossier wordt grondig onderzocht. Het is wel zo dat de meeste Tibetanen een gegronde vrees voor China kunnen aantonen.”

 

Migratie

Niet alle Tibetanen die in België asiel vragen en krijgen, komen uit China. Ze verbleven jarenlang in India, Nepal of Bhutan. Sommigen zijn zelfs niet eens in China geboren en hebben het land nooit bezocht, maar krijgen toch het felbegeerde vluchtelingenstatuut. “We hebben ook vastgesteld dat sommige Tibetanen in India of een ander land geboren en getogen zijn”, geeft Dirk Van Den Bulck toe. “Daarom willen we in de toekomst nagaan of die mensen de reële mogelijkheid hebben om veilig en zonder risico terug naar dat eerste land van asiel te keren. Dat wordt nu pas mogelijk voor ons omdat de wet eind september is aangepast.”

Sommige Tibetanen hebben het vluchtelingenstatuut gekregen, ook al waren ze in de eerste plaats economische vluchtelingen? Dirk Van Den Bulck: “Het klopt dat Tibetanen om economische redenen naar Europa migreren, terwijl ze in India een alternatief hebben. Maar dat geldt zeker niet voor alle Tibetanen. Ons onderzoek is nog niet helemaal rond.”

 

Schuldgevoel

Vandaag heeft België in Europa na Zwitserland de grootste Tibetaanse gemeenschap. Volgens Inge Hermans, voorzitster van de belangenvereniging Vrienden van Tibet, is de welwillende houding van het Vluchtelingencommissariaat misschien te verklaren door het schuldgevoel van Belgische politici. “Een man als de Dalai Lama is nu eenmaal zeer populair”, zegt ze. “Nogal wat politici zijn het geweldloze verzet van de Tibetanen in China genegen. Maar omwille van de lucratieve handelscontracten durven ze de Chinese overheid niet onder druk zetten. Op al die handelsmissies wordt amper over mensenrechten gesproken. Ik kan me voorstellen dat het tolerante asielbeleid dat gebrek aan politieke moed moet compenseren.”

Dirk Van Den Bulck ontkent alle politieke inmenging. “Voor ons telt maar één ding: het echte risico dat een individu loopt in zijn land van herkomst, rekening houdend met wat er in de wet is vastgelegd. Al de rest is van geen belang.”

 

© Jan Stevens

“We zijn nog steeds in shock”

Na een bewogen vlucht uit de Libische stad Zawia arriveerde het Belgisch-Franse echtpaar Rivoux en hun tweejarig zoontje dinsdagnacht op de luchthaven van Parijs. “We hebben alles in Libië moeten achterlaten. Onze flat, onze bezittingen, ons geld, onze vrienden… alles. Maar van zodra de toestand beter wordt, keren we terug.”

In september 2010 reisden John en Fanny Rivoux en hun zoontje vol verwachtingen van Brussel naar Tripoli. “Fanny had net een baan gekregen als professor Frans aan de universiteit van Zawia, een stad 50 km. ten westen van Tripoli”, vertelt John. “Mijn vrouw heeft de Franse nationaliteit; we hebben elkaar een paar jaar geleden in Straatsburg leren kennen waar mijn vader werkte bij Eurocorps, het in de jaren zestig door Frankrijk en Duitsland opgerichte Europese leger. Ik ben in 1974 geboren in Aarlen en heb letterkunde en film gestudeerd. Toen we naar Libië vertrokken, was ik werkloos: ik hoopte er zelf snel ook een job te vinden.”

John Rivoux had geluk: twee maanden na zijn aankomst werd hij aangenomen als coördinator aan het Institut français in Tripoli. “We huurden een appartement in de buurt van Zawia. Op werkdagen brachten we ons zoontje naar de crèche. Het leven onder de dictatuur was geen lachertje voor de gewone Libiërs. Onze nieuwe buren waren erg op hun qui-vive, maar toch lukte het ons om snel te integreren. De voorbije vijf maanden hebben we er heel wat vrienden bij gekregen. Dat maakte het afscheid vorige week extra moeilijk. Maandag, 21 februari, zouden we op de luchthaven van Tripoli door een Frans vliegtuig geëvacueerd worden. Maar het toestel kreeg geen toestemming om te landen. Dertig uur lang zaten we met ons kind van twee vast op de overvolle luchthaven. Uiteindelijk konden we inchecken op een Frans militair vliegtuig. Dinsdagnacht zijn we dan in Parijs geland. Morgen (dinsdag 1 maart – nvdr) vliegen we verder door naar Brussel.”

Hoe was de toestand in Tripoli en Zawia op het moment dat u het land verliet?

John Rivoux: “De berichten in de internationale pers zijn vrij accuraat. Tripoli blijft in handen van Khadafi, terwijl de meeste andere steden bevrijd zijn. De hele omwenteling verloopt razendsnel. Tijdens de eerste protesten van een paar weken geleden, zag niemand van onze Libische vrienden de revolutie aankomen. Ze verzekerden ons dat alles bij het oude zou blijven. Nu vraag ik me af of ze echt niet wisten dat het zo een vaart zou nemen, of dat ze na veertig jaar dictatuur nog steeds bang waren om teveel te zeggen. Toen de betogingen in Benghazi begonnen, maakten we ons geen zorgen. De stad stond erom bekend een broeihaard van verzet te zijn. Maar Khadafi wou de gebeurtenissen naar zijn hand zetten door zelf een demonstratie van zijn aanhangers in Tripoli te organiseren. Vanaf vrijdag, 18 februari, hoorden we elke nacht bij ons in de buurt geweervuur. We kregen duidelijke orders om ’s nachts binnen te blijven. Maar overdag was alles rustig en voelden we ons niet bedreigd. De mensen maakten van de rust gebruik om massaal voedsel en benzine te hamsteren. De enige sporen van de nachtelijke rellen in de straten waren uitgebrande auto’s. Ook aan de voortdurend voorbij racende politiewagens merkten we dat er iets broedde. Vorige week maandag namen de meeste bedrijven en ambassades dan de beslissing om hun mensen te repatriëren. Wij hebben toen gehoor gegeven aan de oproep van de Franse ambassade. Onze laatste nacht ‘thuis’ werd er de hele nacht door in de buurt geschoten.”

Khadafi zou opdracht gegeven hebben om demonstranten te bombarderen. Hebt u daar getuigenissen over gehoord of iets van gemerkt?

“Er circuleren veel geruchten over een groot bloedbad in Tripoli, maar niemand heeft het met eigen ogen gezien. Toen wij er nog waren, is er door Khadafi gedreigd met bombardementen, maar die zijn nooit uitgevoerd. De troepen van Khadafi schieten wel zonder onderscheid met scherp op alle opposanten. In verschillende steden zijn er tientallen doden gevallen. We staan voortdurend in contact met kennissen in Tripoli. Ze slagen erin de censuur te ontwijken via het internet. Onze vrienden in Zawia hebben ons laten weten dat er ook daar nu slachtoffers vallen. Vooral de Tunesiërs, Egyptenaren en Turken die in Libië wonen en werken worden door het regime op de korrel genomen. Ik sprak met uit Libië gevluchte Tunesiërs op de luchthaven van Parijs. Zij waren nog zwaar onder de indruk van wat ze zelf meegemaakt hadden. De aanhangers van Khadafi zien hen als de grote aanstokers van de revolutie. Zij zijn nu de zondebokken, worden geïntimideerd en hardhandig aangepakt. We hoorden en horen verschrikkelijke verhalen, waarvan we helemaal niet zeker zijn of ze waar zijn. Die geruchtenmolen zorgt voor een uiterst gespannen, angstige sfeer in het hele land.”

Had u contact met andere Belgen in Libië?

“We hadden contact met een collega van mijn vrouw, een professor Frans die in Sabratha leefde. In de dagen voor onze vlucht zochten we steun bij elkaar en deelden we onze angsten. Hij is gerepatrieerd naar Eindhoven. Het grootste probleem was dat alle telefoonlijnen afgesneden waren. Communiceren werd daardoor zeer moeilijk, net als het regelen van een repatriëring via het internet. Ik weet niet of de ambassades alle expats hebben kunnen bereiken. De Franse ambassade in Tripoli is ondertussen gesloten en de personeelsleden hebben het land verlaten. Ik denk dat degenen die achter gebleven zijn niet echt in gevaar zijn zolang ze maar binnen in hun huizen blijven.”

Wat bent u nu van plan?

“We hebben alles in Libië moeten achterlaten: onze spullen, onze flat, ons geld, onze vrienden. Wij werkten niet voor een westers bedrijf en zijn daardoor waarschijnlijk ook onze jobs kwijt. We hebben geen dak meer boven ons hoofd en hebben geen cent meer. Dat geldt trouwens voor alle buitenlanders die aan een universiteit werkten. We maken ons veel zorgen over onze Libische vrienden die achtergebleven zijn. Van zodra de toestand beter wordt, willen we terugkeren. We voelen ons nog steeds in shock. Voorlopig slagen we er niet in om de Libische bladzijde om te draaien of om plannen te maken voor een nieuwe toekomst.”

© Jan Stevens

Terug naar Grozny

In juli 2000 vluchtten Oumar Chagaev, Fatima Davdieva en hun drie kinderen vanuit de platgebombardeerde Tsjetsjeense hoofdstad Grozny naar België. Na een lange lijdensweg kregen ze politiek asiel. Een paar jaar geleden werden ze Belg. Voor de oorlog uitbrak, werkten Oumar en Fatima als acteurs in het theater van Grozny. Nu is hij vrachtwagenchauffeur en werkt zij in de keuken van een bejaardentehuis. Tien jaar later keren ze samen met journalist Jan Stevens en fotograaf Tim Dirven terug naar Grozny.

http://issuu.com/janstev/docs/grozny1

http://issuu.com/janstev/docs/grozny2

http://issuu.com/janstev/docs/grozny3

Op donderdag 27 juli 2000 stapten het Tsjetsjeense echtpaar Oumar Chagaev en Fatima Davdieva en hun drie jonge zonen Amin, Hamzat en Magomed in het centrum van Brussel uit de bus. Vier dagen eerder waren ze ingestapt in Nazran, een stad in de Russische deelrepubliek Ingoesjetië. “Daar stonden we dan, in een stad die we niet kenden en waar niemand ons begreep”, herinnert Fatima zich. “We wisten dat we ons moesten registreren bij het vluchtelingencommissariaat. Ik sprak een aantal voorbijgangers aan. ‘Kommissariat’, herhaalde ik steeds weer. De mensen keken me aan alsof ik van een andere planeet kwam. Ik had me nog nooit zo eenzaam gevoeld.”

Oumar (54) en Fatima (52) leerden elkaar begin jaren tachtig kennen in het theater van Grozny. Oumar had dramatische kunst gestudeerd in Sint-Petersburg, Fatima toneel aan de Academie van Varonesj. Oumar: “We werkten allebei als acteur. Fatima schitterde in stukken van Shakespeare; ik zong en speelde gitaar.” Ze trouwden in 1984 en kochten een appartement vlakbij het theater van Grozny. “Het was de tijd van de Sovjet-Unie. Van ‘Perestrojka’ en ‘Glasnost’ was nog geen sprake. De zogenaamde ‘jaren van stagnatie’ – voordat Gorbatsjov zijn hervorming in gang zette – waren de mooiste van ons leven. Akkoord, we moesten oppassen met wat we zegden, toch leefden we onbezorgd. We speelden toneel, barbecueden met vrienden en zongen samen liedjes van The Beatles. In onze crèmekleurige Lada reisden we probleemloos door alle Sovjetstaten. Grozny werd toen niet voor niets het ‘Parijs van de Kaukasus’ genoemd.”

In 1991 stortte de vermolmde Sovjet-Unie in en riepen steeds meer deelrepublieken de onafhankelijkheid uit. In oktober ’91 werd de voormalige Sovjetgeneraal Doedajev verkozen tot president van het kleine, olierijke Tsjetsjenië. Oumar: “Onder zijn bewind zwol de roep om onafhankelijkheid aan. Wij gingen mee betogen in de straten van Grozny. Maar het liep uit de hand en ontaardde in 1994 tot een eerste gruwelijke oorlog.”

Vanaf december 1994 tot maart 1995 werd het centrum van Grozny door het Russische leger platgebombardeerd. Meer dan 20.000 inwoners lieten het leven. Oumar en Fatima vluchtten met hun drie kleine kinderen naar familie in Atagi, een dorp dertig kilometer ten zuiden van Grozny. “Maar ook op Atagi vielen er bommen. We zijn toen de bergen in gevlucht, naar Sjatoi, het geboortedorp van Fatima.”

In december ’96 sloten de Tsjetsjenen en de Russen een staakt-het-vuren. “Tsjetsjenië was onafhankelijk. Wij keerden terug naar Grozny. Ik werd door de nieuwe regering gevraagd om directeur van de ‘Staatscinema van de Republiek Tsjetsjenië’ te worden. De volgende drie jaar startte de heropbouw en bleef het relatief rustig.”

Tot op 1 oktober 1999 de Russische tanks opnieuw Tsjetsjenië binnendenderden. “Grozny werd terug gebombardeerd. Alle gebouwen lagen plat. Op 15 oktober kreeg ik de opdracht om mijn collega’s in veiligheid te brengen in Nazran. We leefden er ondergedoken in het theater. Op een dag vielen twee agenten van de Russische militaire politie binnen. Alle mannen moesten hun paspoort afgeven. Bij het mijne zat een naamkaartje waarop mijn functie als directeur van de Tsjetsjeense Staatscinema stond. Ze wilden me meenemen. Fatima werd hysterisch, want ze wist dat ik voorgoed zou ‘verdwijnen’. Een van de agenten greep Fatima vast en schold haar de huid vol. De theaterdirecteur is op de agenten beginnen inpraten. Hij heeft ons leven gered.”

Twee weken later vluchtten Oumar, Fatima en hun drie kinderen met valse paspoorten met de bus naar België. “Die bestemming was geen bewuste keuze. In twee dagen reden we van Nazran naar Moskou. Daar stapten we over op een bus naar Brussel. Als er toen toevallig een bus naar Parijs had gestaan, woonden we nu in Frankrijk.”

 

Naltsjik

Dinsdag, 13 juli 2010. De gammele Tupolev kraakt vervaarlijk wanneer zijn wielen de landingsbaan van de luchthaven van Mineralnye Vody in de provincie Stavropolsky Kraj raken. Als het vliegtuig helemaal stilstaat, haalt Oumar opgelucht adem. “Een Russische binnenlandse vlucht maakt me bloednerveus”, zegt hij. “Je bent nooit zeker of je levend je bestemming zal bereiken.”

Een dag eerder wandelden Oumar en Fatima voor het eerst in tien jaar door de straten van Moskou. Hun Belgische paspoort loodste hen probleemloos voorbij de controle op de luchthaven. Oumar: “Tijdens de oorlog werden we voortdurend gecontroleerd. Ik word nog altijd zenuwachtig als agenten met bovenmaatse kepies mijn paspoort vragen.”

Stavropolsky Kraj grenst aan Tsjetsjenië, maar Oumar en Fatima willen eerst naar Naltsjik, de hoofdstad van de naburige republiek Kabardina-Balkaria. Fatima’s twee jaar oudere zus Reseda woont daar. Ze werkte als verpleegster op de operatiezaal van het ziekenhuis van Grozny. Toen de oorlog begon, is ze met man en kinderen naar Naltsjik gevlucht.

Een aftandse taxibus zal ons in twee uur naar Naltsjik voeren. Aan de grenspost tussen Stavripolsky Kraj en Kabardina-Balkaria kijken agenten nors door de ramen naar binnen. De chauffeur dokt smeergeld en ze laten ons verder rijden. Een uur later passeren we een groot bord waarop in hoekig Cyrillisch staat: ‘Welkom in Naltsjik, de poort tot de Kaukasus.’

Naltsjik was met zijn geneeskrachtige bronnen jarenlang een populair kuuroord. De stad wordt omgeven door oeroude bossen en met eeuwige sneeuw bedekte bergtoppen, waaronder de Elbroes – de hoogste top van de Kaukasus. Reseda Davdieva, haar man Abdul en hun twee kinderen wonen in de Leo Tolstoistraat in het centrum van de stad, naast de grote overdekte markt. Het is vijf uur in de namiddag en er heerst een gezellige drukte. Tien jaar eerder namen Fatima en Reseda afscheid, nu sluiten ze elkaar terug in de armen. Buren komen helpen om de koffers langs de trap naar de flat op de derde etage te sleuren. De tafel bezwijkt bijna onder het eten voor de lang gemiste gasten. “Mijn man is in ons oude huis in Grozny”, zegt Reseda. “Morgen haalt hij jullie op aan het station.” Tot het uitbreken van de oorlog werkte Abdul als ingenieur in een olieraffinaderij nabij Grozny. De oorlogsstress bezorgde hem een zwaar hartinfarct. Hij heeft zichzelf noodgedwongen ‘herschoold’ tot zelfstandig verkoper van verf. Reseda heeft de voorbije tien jaar niet meer als verpleegster gewerkt en is nu zelf ziek. Hepatitis C, een ‘souvenir’ uit de tijd dat ze chirurgen assisteerde bij bloederige operaties.

Het appartement van Reseda en Abdul is ruim en telt drie kamers, een keuken en een badkamer. “Het dateert uit de tijd van Stalin”, zegt ze. “Stalin hield van hoge plafonds, terwijl zijn opvolger Chroetsjov een voorkeur had voor lage. In de Sovjettijd leefde in elke kamer van deze flat een familie. De keuken en de badkamer waren gemeenschappelijk.”

Hebben Reseda en Abdul plannen om terug in Grozny te gaan wonen? “Wij willen wel, maar onze kinderen niet. Ze hebben hier hun vrienden. Dus blijven we en rijden we af en toe voor een paar dagen naar ons oud huis in Grozny.”

Is het daar veilig nu? “De huidige president Ramzan Kadyrov is er in geslaagd om de rust min of meer te herstellen. In Naltsjik en in de rest van Kabardina-Balkaria lijkt alles op het eerste gezicht peis en vree, maar vergis je niet: ook hier broedt de onrust. Kadyrov voert een strenge repressie waardoor veel rebellen de grenzen van Tsjetsjenië oversteken naar de buurrepublieken. Niet zo lang geleden is een paar straten verder nog een zware aanslag gepleegd.”

We gaan aan tafel. Oumar giet de glaasjes vol. “Iedereen wodka? In Tsjetsjenië zal het er soberder aan toegaan. Kadyrov heeft een wet uitgevaardigd die cafés en restaurants verbiedt alcohol te schenken. Zo wil hij de radicale moslims paaien.”

Dan heft Fatima het glas. “Tien jaar geleden moesten we ons land verlaten. Je land verlaten is niet zo moeilijk, je familie verlaten wel. We waren altijd samen. Nu zit de familie Davdiev verspreid over de hele wereld. Reseda heeft vroeger alles voor ons gedaan. Als mijn kindjes ziek waren, stond zij klaar. Nog vele gelukkige jaren, Reseda.”

Sjali

Woensdag, 14 juli. De chauffeur van de ‘microbus’ wacht aan het station van Naltsjik tot alle plaatsen bezet zijn. Dan neemt hij zijn geld in ontvangst en vertrekt naar Grozny. Op de 250 km lange weg kent hij alle controleposten als zijn broekzak. Hij weet perfect hoeveel smeergeld hij elke agent, militair of douanier moet betalen. Aan de grens met Tsjetsjenië lijkt het fout te gaan. Een militair opent de deur van de bus. Hij kijkt alle passagiers een voor een aan, waarna hij de paspoorten en de tassen vraagt van de twee westerse mannen aan boord – ik en fotograaf Tim Dirven. We moeten uitstappen. Twee helikopters vliegen vervaarlijk laag over het busje. Fatima stapt ook uit. “Wie zijn die twee mannen?”, vraagt de militair. “Mijn vrienden”, antwoordt ze. “Wat zit er in die tas?” “Alleen een fototoestel. Ik wil hen de plaatsen tonen waar mijn familie begraven ligt om daar een foto te maken.” “Waarom heb je ze naar hier gebracht?” “Omdat ik kennis gemaakt heb met hun traditie. Nu wil ik hen laten kennismaken met onze traditie. U hoeft nergens bang voor te zijn, ze komen in vrede.” De militair kijkt bedenkelijk. “Rij door.”

 

Abdul, de man van Reseda, staat ons op te wachten aan het station van Grozny. Hij brengt ons naar de stad Sjali, tien kilometer zuidwaarts. In een oude boerderij woont Oumars enige zus Emma, samen met haar zoon, schoondochter en kleinkinderen. Haar man heeft de oorlog niet overleefd. Het weerzien is emotioneel. Er wordt thee geschonken en oude foto’s worden bovengehaald. Emma’s zoon heeft politicologie gestudeerd. “Er is geen werk voor hem. Hij krijgt niets van de staat. Hij probeert een beetje geld te verdienen als meubelmaker. Je kan hier alleen maar een goeie job vinden als je een lange arm hebt.”

Fatima: “Oumars moeder Paulina heeft jaren bij ons in Grozny gewoond, samen met onze kleine kinderen. Toen we naar België vertrokken, dachten we: ‘Binnen een jaar hebben we papieren en kunnen we haar laten overbrengen.’ Paulina bleef hier in Sjali achter bij Emma. Maar het heeft nog jaren geduurd vooraleer we erkend werden als vluchteling en voor we uiteindelijk ook de Belgische nationaliteit kregen. Te lang voor Paulina. In 2004 is ze gestorven. Ze heeft Oumar en onze kinderen niet meer gezien. Ze riep vaak naar Emma’s kleinkinderen: ‘Amin! Hamzat! Magomed!’ Ze deed dat opzettelijk. Omdat ze de namen van haar kleinkinderen die in België leefden, op haar lippen wou proeven.”

Goedermes

In de Sovjettijd was Goedermes, de tweede grootste stad van Tsjetsjenië, een belangrijk industrieel centrum. Tijdens gevechten in december 1995 werden de stad en de fabrieken bijna met de grond gelijk gemaakt. Vijf jaar later werd wat nog overeind stond gebombardeerd. Van die verwoesting is nu niets meer te merken. Overal staan nagelnieuwe flatgebouwen en bouwen Turkse aannemers vlijtig aan wolkenkrabbers. Overal ook hangen metersgrote foto’s van Ramzan Kadyrov. Ramzan in voetbalshirt, Ramzan in pak en das, Ramzan op de koffie bij de Russische premier Vladimir Poetin. Ramzan die dreigend op zijn onderdanen neerkijkt met daaronder de tekst: ‘Het Tsjetsjeense volk zegt: “Jij bent onze president en wij dienen jou.”’ Goedermes is Kadyrovland: de president woont hier op een immens, superbeveiligd landgoed.

“Kadyrov doet alles voor de mensen”, zegt Fatima’s oudste zus Roza. Ze is apotheker in Goedermes, woont in een rustige buitenwijk en blijft maar lachen als ze haar zus na tien jaar in haar armen houdt. Roza wil geen kwaad woord horen over Kadyrov. “Ramzan bouwt fabrieken, huizen en sportzalen. Vrouwen die in de oorlog hun man verloren hebben, krijgen van hem helemaal gratis een appartement in een van de nieuwe flatgebouwen.”

Fatima heeft twijfels over de ‘goedheid’ van Kadyrov. “Ramzan Kadyrov regeert met ijzeren hand. Roza is bang. Daarom zingt ze zijn lof. Niemand durft hier zeggen dat Kadyrov net als Stalin is. Niemand. Ramzan is nog veel erger dan zijn vader, Achmad Kadyrov. Onze buurvrouw in België is een Tsjetsjeense die twee zonen verloren heeft. Haar oudste zoon was een rebellencommandant die gesneuveld is. In 2003 hielp Poetin Achmad Kadyrov aan de macht. Achmad zat vroeger in het verzet. Toen Poetin in 2000 de tanks opnieuw liet binnenrollen, koos hij de kant van de Russen. In 2003 werd hij daarvoor beloond met het presidentschap. Zijn zoon Ramzan kreeg de leiding over zijn privémilitie, de afschuwelijke kadyrovtsy. Achmad liet op tv spotjes uitzenden. Al wie ooit de wapens tegen de Russen had opgenomen, kreeg amnestie. Ook de familieleden van rebellen. Enige voorwaarde was dat ze hun wapens inleverden. Mijn buurvrouw was met haar tweede zoon gevlucht naar Nazran. Haar zoon zag die spotjes en wou terug naar de stad Urus-Martan, naar zijn vrouw en drie kleine kinderen. ‘Ik begreep hem’, zei zijn moeder. ‘Maar ik was bang.’ Elke dag smeekte Achmad Kadyrov op tv: ‘Kom alsjeblief terug.’ Haar zoon vertrok naar Urus-Martan. Drie dagen later volgde zijn moeder. De zevende dag om drie uur ’s nachts viel de politie binnen. ‘We nemen uw zoon mee voor een routinecontrole. Om zes uur morgenvroeg mag hij terug naar huis.’ De volgende ochtend liep de hele familie naar het politiekantoor. Maar hij was er niet meer. Verdwenen. Zijn moeder heeft valse paspoorten laten maken en is met haar jongste zoon naar België gevlucht. In 2004 werd Achmad Kadyrov gedood bij een bomaanslag in het voetbalstadion van Grozny. Ramzan was nog te jong om hem op te volgen, en werd eerst premier. Drie jaar later werd Ramzan Kadyrov op zijn 31e door Poetin aangesteld als president van Tsjetsjenië.”

Grozny

Donderdag, 15 juli. Aan de voornaamste invalsweg naar Grozny staat op een rondpunt een gigantische wereldbol met de tekst: ‘Grozny, centrum van de wereld.’ Een paar honderd meter verder prijken op de grote toegangspoort de portretten van Big Brothers Ramzan en Achmad Kadyrov en Vladimir Poetin. Ook hier is bijna niets meer van de oorlog te merken. Alleen de meterslange schuttingen met daarachter braakliggende terreinen zijn stille getuigen. We rijden over de voornaamste laan. Tot 5 oktober 2008 heette die Pobeda Prospekt. Ramzan Kadyrov herdoopte hem op zijn eigen verjaardag in Poetin Prospekt, ‘als eerbetoon aan Vladimir Poetin en zijn grote verdienste in de strijd tegen het terrorisme.’ Brede rijstroken, vers groen, nieuwe bomen, marmeren voetpaden, marmeren gevels. Fatima huivert. “De belangrijkste straat van de stad is genoemd naar de man die haar in puin liet leggen. Of ik Grozny nu mooi vind? Oude gebouwen zijn toch interessanter dan al die nieuwe buildings. Zij hadden een ziel. De geschiedenis is weg. Onze universiteit en de bibliotheek behoorden tot de mooiste gebouwen uit de Kaukasus. Allemaal weg. Kijk, daar is Griboedova, de straat waar wij gewoond hebben. Aan de linkerkant staat ons appartementsgebouw. En daar is het theater.”

Aan Griboedova is nummer 100 het enige oude gebouw. De rest is nieuw. Fatima wijst naar boven. “Onze flat is op de eerste verdieping. Sinds vorig jaar wonen er huurders in. Reseda heeft dat geregeld.”

Oumar steekt een sigaret op en inhaleert diep. “Alles was hier vroeger open, met veel bomen en bloemen. Na de eerste oorlog is die muur gebouwd, omdat daar de ministeries lagen. Ons appartement is het laatste authentieke gebouw van de wijk. Nu de rest weg gebombardeerd is, heeft dit gebouw historische waarde. Er is ook een bom op gevallen, maar de schade kon hersteld worden.”

We stappen naar binnen, gaan de trap op. Fatima belt aan haar eigen voordeur aan. Het blijft doodstil in de flat. “Dit is een nieuwe deur”, zegt ze. “Wij hadden een massieve stalen deur met verschillende sloten. Tijdens de Sovjettijd werd er nooit ingebroken, maar na de val van het communisme moesten we een stevige deur laten installeren. Ons zoontje Hamzat is hier voor het eerst verliefd geworden op een meisje.”

 

We wandelen naar het gerestaureerde theater. Onderweg zien we militairen een geboeide man een gepantserd busje in sleuren. Baudi Kadashev, de onderdirecteur van het theater van Grozny, staat Oumar en Fatima in de lobby op te wachten en valt hen in de armen. Ze stappen de theaterzaal binnen. Fatima straalt. “In dit gebouw heb ik de allereerste stap van mijn carrière als actrice gezet”, zegt ze. “Voor mijn eerste auditie moest ik een lied zingen, een stukje spelen, een gedicht voordragen en ook dansen als de jury dat vroeg.” Fatima stapt op de scène en begint het lied van toen te zingen.

Hamid Azayev, de ‘Jan Decleir van Tsjetsjenië’, stapt met veel vertoon de zaal binnen. In zijn jonge jaren speelde Azayev hoofdrollen in Sovjetfilms. “Fatima, wat was jij toch een fantastische actrice. Je had zoveel temperament”, buldert hij. “Hamid was de beste Othello van de USSR”, glundert Fatima terwijl ze hem omhelst. “Heb je gebeden vannacht, Desdemona?”, vraagt Hamid met een grafstem. Fatima schaterlacht.

 

Ramzan Kadyrov probeert zoveel mogelijk acteurs uit de diaspora terug te lokken naar Grozny. Hij belooft hen een huis, een auto en een flink loon. Een aantal oude steracteurs is daarop ingegaan, waaronder Hamid Azayev. Net als hoofdregisseur Ruslan Hakishev. In oktober 1999 vluchtte Hakishev samen met Oumar en Fatima vanuit Grozny naar het theater van Nazran. De Chagaevs vluchtten verder naar België, Hakishev zocht een veilig onderkomen in de republiek Karachaeva-Cherkessia. Hij kon er aan de slag als regisseur. Anderhalf jaar geleden ging hij op de lokroep van Kadyrov in. Nu zit hij terug in zijn oude kantoor, twee hoog in het theater van Grozny. Achter zijn bureau hangt het portret van Ramzan Kadyrov. Hakishev heeft net een stuk geregisseerd over het leven van vader Achmad Kadyrov, met Hamid Azayev in de hoofdrol. “Ramzan was zeer ontroerd.”

Ruslan Hakishev schenkt koffie. “Het theater werkt nog niet zoals in de glorietijd”, zegt hij. “Toen was er dagelijks een voorstelling. We hebben nog een lange weg te gaan. Elke dag gaat het een beetje beter. Zin in een glaasje?” Hij diept een fles wodka op uit een lade in zijn bureau. “Dertig jaar geleden was ik op bezoek in de academie van Varonesj waar Fatima studeerde. Ik was toen al hoofdregisseur van het theater van Grozny. Fatima repeteerde voor een hoofdrol in Bloedbruiloft van Federico García Lorca. Ik had haar zien spelen en praatte over haar met collega’s. ‘Binnen twee jaar studeert in Varonesj een Tsjetsjeense actrice af. Haar moeten we hebben.’”

Fatima: “Ik heb heel graag met Ruslan gewerkt. Hij haalt het beste in een acteur naar boven.”

Ruslan: “Of ik met Fatima nog eens een stuk zou willen spelen? Zeker. Graag.”

Fatima: “Ik ook met Ruslan. Direct.”

Heeft ze ooit geprobeerd om in België aan een rol te geraken? “Ik zou wel willen, maar ik ben bang dat mijn Nederlands niet goed genoeg is.”

Heeft Oumar heimwee naar zijn vroegere job? “We hebben hier een heel mooie tijd gehad. Maar dat is zolang geleden. Voor ons is alles nu weg. Voorgoed.”

Zou hij niet liever in plaats van vrachtwagenchauffeur terug acteur worden? “Nee. Het verleden is nostalgie.”

Fatima: “Alles waar we voor geknokt en gewerkt hebben, ons beroep als acteur, onze vrienden, alles wat we hadden, zijn we kwijt. Het beste stuk van ons leven is voorbij. We maken ons daar geen illusies over. Als iemand me zou zeggen dat ik terug naar Tsjetsjenië kan gaan wonen, weet ik niet of ik dat zou doen. Kan ik nog wel terugkeren en hier opnieuw beginnen? Het leven is hier veel moeilijker dan in België. Hier moet je voortdurend schipperen en ritselen. In België gebeurt alles rechtdoor, rechtaan.’s Nachts droom ik vaak dat ik niet daar ben en niet hier. Dat ik in een soort van niemandsland zit. Ik droom van een gebeurtenis hier of in België, maar ikzelf ben er nooit bij. Ik zweef altijd ergens tussenin.”

Atagi

Vrijdag, 16 juli. De belangrijkste dag van de week voor moslims. De dag ook waarop Oumar en Fatima het graf van hun ouders willen bezoeken. Oumars moeder ligt begraven op het kerkhof van het dorp Atagi. “Mijn vader lag daar ook. Tijdens de oorlog is het kerkhof gebombardeerd. Zijn graf is verdwenen.” Nadat Oumar in juli 2000 zijn land verliet, heeft hij zijn moeder nooit meer gezien. Tien jaar later staat hij zijn verdriet verbijtend aan haar graf.

In Atagi werden de Chagaevs in het begin van de eerste oorlog een tijd opgevangen door Oumars neef Saïd-Magomed. Tijdens de tweede oorlog vluchtte Saïd-Magomed met vrouw en kinderen naar Frankrijk. Later keerde hij terug. Op de binnenplaats van Saïd-Magomeds huis wordt thee geschonken en watermeloen gesneden. In een kamer in het huis ligt Oumars tante Osmah met een gebroken voet op bed. De oude vrouw weent als haar neef haar omhelst.

Saïd-Magomed laat zijn Franse paspoort zien. “We hebben een paar jaar in Nice gewoond. We hebben Oumar en Fatima toen in hun huis in Mechelen bezocht.”

Fatima: “Ik heb toen veel met Saïd-Magomed gepraat. Hij voelde zich schuldig omdat hij zijn moeder in de steek gelaten had. ‘Dat begrijp ik’, zei ik hem. ‘Maar je hebt niet alleen de verantwoordelijkheid voor je moeder, ook voor je kinderen. Je moet er voor zorgen dat ze in een veilige omgeving kunnen opgroeien.’”

Saïd-Magomed: “Ik ben de oudste van drie broers. Normaal gezien blijft de jongste zoon bij zijn moeder inwonen. Maar mijn jongste broer is gestorven. Net als mijn vader. Nu ben ik de baas en moet ik voor alles zorgen. Daarom ben ik teruggekomen.”

In het begin van de eerste oorlog verbleven er zestig mensen in Saïd-Magomeds huis. “We hebben hier een maand geleefd”, zegt Oumar. “We sliepen op de vloer, als sardienen in een blik. Ons jongste zoontje Magomed was een jaar oud. Hij is hier ziek geworden van water dat besmet was door chemische bommen. 22 kinderen werden ziek. 17 zijn gestorven.”

Hij opent een luik in de grond en klautert naar beneden. “Dit was de schuilkelder. Tijdens bombardementen zochten vrouwen en kinderen hier beschutting. Er waren ventilatieroosters en waar nu schappen met bokalen staan, stonden vroeger bedden.”

Fatima: “Mijn broer Aslambek heeft na een paar weken een huis voor ons gevonden in mijn geboortedorp Sjatoi. Sjatoi ligt veertig kilometer verder, in de bergen. Toen we hier met de auto vertrokken, kwam in de straat een Russische legerhelikopter overvliegen.”

Oumar: “De helikopter vuurde raketten af. De vrachtwagen die voor ons reed, werd geraakt en werd in twee gesneden. Daarvoor reed er een bus die helemaal vernield werd. 27 mensen kwamen om. Wij waren de enigen die de aanval overleefden.”

Sjatoi

De weg van Atagi naar Sjatoi oogt als een plaatje uit een reisgids: machtige bergen en klaterende riviertjes. Alexander Kloponin, gezant van de Russische regering voor de Kaukasus, koestert wilde plannen om dit stuk Tsjetsjenië om te toveren tot een toeristische trekpleister. Tussen 2012 en 2025 wil hij hier ski-resorts bouwen om toeristen uit de hele wereld te lokken. Van skiliften, -pistes of hotels is vooralsnog geen spoor terug te vinden, wel staan er om de paar honderd meter kleine bunkers aan de rand van de weg. Bemand door soldaten, turend door het vizier van hun machinegeweer. De vinger aan de trekker, schietensklaar. Stoppen of pech krijgen, is hier geen optie. Stevig blijven doorrijden wel, tot in het centrum van Sjatoi, waar het bulkt van de zwaarbewapende militairen. “Hier vlakbij ligt een Russische kazerne met 5000 militairen”, zegt onze chauffeur. “Op papier is de oorlog voorbij, maar hier in de bergen gaat hij gewoon door. Een paar kilometer buiten Sjatoi begint rebellengebied.”

Van het geboortehuis van Fatima aan de Kooperativnaja 19 staan alleen nog de muren recht. Meestal is Fatima een spraakwaterval. Nu is ze heel stil. Dan zegt ze: “Mijn moeder heeft hier tien kinderen op de wereld gezet, waarvan er drie gestorven zijn.” Ze wijst naar het speelpark vlakbij. “Daar heb ik als kind gespeeld. De speeltuigen zijn vernieuwd; de bomen zijn nog dezelfde.”

Onder de bomen zitten een paar mannen te keuvelen op een bankje. Een van hen roept verbaasd: “Hé, Fatima Davdieva! Wat doe jij hier? Hoe is het met jou?”

Fatima’s ouders liggen begraven op een idyllische plek. Het kerkhof van Sjatoi ligt tegen een met bloemen begroeide berghelling, met een adembenemend zicht op de vallei. We klimmen naar boven en horen machinegeweren ratelen. Na een paar doffe knallen, stijgt op een bergflank een rookpluim op. Dan is het stil. Aan het graf van haar moeder weent Fatima bittere tranen. “Mijn moeder woonde bij mijn broer in Turkije. Elk jaar kwamen mijn broers en zussen samen bij haar in Istanboel. Maar ik mocht niet reizen, want onze papieren raakten niet in orde. Ik ben de enige die haar niet meer gezien heeft. Een Belgische vriendin is haar één keer in mijn plaats gaan opzoeken. ‘In jou zie ik mijn Fatima’, zei ze tegen haar. Een paar dagen na haar dood kreeg ik de juiste papieren om te reizen. Maar mijn mama heeft niet gewacht.”

Terug naar Grozny werd gerealiseerd met de steun van de Koning Boudewijnstichting en de Nationale Loterij

 

© Jan Stevens

 

De letter van de wet

Sinds begin februari zitten de Tsjetsjeense vluchtelingen Magomed-Ali Suleymanov en Milana Mazhiyeva opgesloten in het gesloten centrum voor illegalen in Merksplas. Elk moment kunnen ze uitgewezen worden naar Polen. “Dat staat gelijk met een enkeltje richting Moskou of de dood”, zeggen hun ouders die als erkend vluchteling in Mechelen wonen.  

Moe van de oorlogsterreur ontvluchtten Magomed-Ali Suleymanov (29) en zijn vrouw Milana Mazhiyeva (17) eind oktober 2007 de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny met eindbestemming Mechelen. “Ik had hen nog zo gevraagd om als het enigszins mogelijk was Polen te vermijden”, zucht Magomed-Ali’s vader Magomed Suleymanov. “Want aan de grens wordt er bijzonder streng gecontroleerd. Maar mijn zoon wou het erop wagen. Net als zoveel andere Tsjetsjenen werden ze door de Poolse grenswacht tegengehouden. Ze hadden geen andere keuze dan in Polen asiel aan te vragen.”

De Suleymanovs – vader Magomed, moeder Taisa, zoon Oumar en dochters Silan en Iman – leven als erkende vluchtelingen in Mechelen. “We keken ernaar uit om na al die jaren onze verloren zoon terug in onze armen te drukken”, zegt moeder Taisa. “Hun arrestatie in Polen was een lelijke streep door onze rekening.”Van zodra de kust enigszins veilig was, reisden Magomed-Ali en zijn vrouw eind januari door naar België. “Toen ze in Brussel op de dienst Vreemdelingenzaken asiel aanvroegen, werden ze opgepakt”, vertelt vader Magomed. “Eerst zei de ambtenaar dat alles in orde was. ‘Jullie kunnen een tijdje bij jullie ouders blijven.’ Maar amper een kwartier later werden Magomed-Ali en Milana naar het gesloten centrum voor illegalen in Merksplas afgevoerd. Vreemdelingenzaken beweert dat wij indertijd bij onze asielaanvraag verzwegen hebben dat er een zoon van ons in Tsjetsjenië was achtergebleven. We hebben dat toen wel gezegd, maar het is hun woord tegen het onze. Volgens Vreemdelingenzaken zijn de identiteitspapieren van mijn zoon en schoondochter waardeloos omdat het kopieën zijn – hun echte papieren hebben ze noodgedwongen moeten achterlaten. Magomed-Ali en Milana kunnen nu elk moment naar Polen teruggestuurd worden. We zijn bang dat de Poolse autoriteiten hen vervolgens naar Moskou zullen deporteren.”

Volgens Stany Buysse, de advocaat van de familie, is die kans reëel. “Afgewezen Tsjetsjeense vluchtelingen worden door veel voormalige Oostbloklanden zonder pardon op transport naar Moskou gezet”, zegt hij. “Een paar maanden geleden behandelde ik een gelijkaardig geval: een Tsjetsjeen die hier familie had, was via Tsjechië naar België gekomen. Omdat hij eerst in Tsjechië asiel had moeten aanvragen, beriep Vreemdelingenzaken zich op de Conventie van Dublin en werd hij naar Praag gedeporteerd. Hij is daar onmiddellijk op een vliegtuig naar Moskou gezet. Zijn familie heeft sindsdien niets meer van hem vernomen.” 

Conventie van Dublin

De Conventie van Dublin is een afspraak tussen EU-landen en bepaalt dat de lidstaat waar de asielzoeker het eerst voet aan grond zet, verantwoordelijk is voor de aanvraag. Die eerste lidstaat moet de asielzoeker ook opnieuw opnemen als hij zich later illegaal in een andere lidstaat bevindt. “Volgens de letter van de wet moeten mijn cliënten dus terug naar Polen”, zegt Stany Buysse. “Maar Tsjetsjenen krijgen nauwelijks bescherming in nieuwe EU-lidstaten zoals Polen, Slowakije of Tsjechië. Volgens een recent rapport van Caritas International wordt minder dan 10% van de Tsjetsjenen in Polen erkend als vluchteling, terwijl in België de grote meerderheid van de Tsjetsjeense asielaanvragen positief behandeld wordt. De kwaliteit van het Poolse asielonderzoek beantwoordt niet aan de normen van een fatsoenlijke democratische rechtstaat. De Belgische overheid hanteert de Conventie van Dublin als een handige manier om haar verantwoordelijkheid te ontlopen.”

 Wanhoop

Ondertussen maakt vader Suleymanov zich grote zorgen. “Mijn zoon en zijn vrouw zitten nu anderhalve maand in Merksplas. Als we er op bezoek komen, horen we afschuwelijke verhalen. De wanhoop is er immens. Magomed-Ali vertelde ons dat er hardnekkige geruchten rondgaan dat er vorige week drie mensen zelfmoord gepleegd zouden hebben, of een poging daartoe zouden hebben ondernomen. We zijn bang dat onze kinderen ook de moed zullen verliezen. In principe hebben we recht op familiehereniging, maar omdat Vreemdelingenzaken aan onze familieband twijfelt, riskeren we onze zoon voorgoed te verliezen. Waarom organiseren ze geen dna- of bloedtest als ze ons niet geloven?” 

Volgens Pieter Stockmans van Vluchtelingenwerk Vlaanderen laat de asielprocedure in Polen te wensen over. “De kans is reëel dat Tsjetsjeense afgewezen vluchtelingen naar Moskou teruggevlogen worden.” Stockmans bezoekt regelmatig de gesloten instelling van Merksplas. Klopt het dat er vorige week drie zelfmoorden of pogingen geweest zijn? Pieter Stockmans: “Dat verhaal gaat rond, maar de directie van het centrum ontkent dat.”

Woordvoerster Katrien Jansseune van Vreemdelingenzaken bevestigt dan weer ronduit dat in de gesloten centra regelmatig mensen zich van het leven proberen beroven. “Van al die pogingen is er nog maar één gelukt – in oktober vorig jaar. De meeste zelfmoordpogingen beschouwen wij als manieren om aandacht te trekken. Als iemand zich in de douchecabine probeert te verhangen vlak voor er iemand toekomt, zien wij dat als een manier van aandacht zoeken. Maar al die pogingen worden correct – met doktersassistentie – afgehandeld.”

Hoeveel zelfmoordpogingen gebeuren er per maand in de gesloten centra? Jansseune: “Sorry, daar hebben we geen cijfers over.”

© jan@janstevens.be